• Najaarssymposium Ida Gerhardtgenootschap

    Najaarssymposium van het Ida Gerhardtgenootschap.

    Programma
    12.30 – 13.10 uur: inloop
    13.15 – 13.20 uur welkomstwoord
    13.20 – 13.35 uur: Informatie over de voortgang van het oprichten van een gedenkteken voor Ida Gerhardt in Bilthoven
    13.35 – 14.35 uur: Een duo-lezing van Nienke Vos en Ingrid Groenendijk met de titel: ‘k moest dwalen, ‘k moest dwalen. Ervaringen van geloofsverlating en ontheemding in levensverhalen en in de poëzie van Ida Gerhardt.”
    14.35 – 15.10 uur: Lezing classicus Gert Knepper
    15.10 – 15.40 uur: pauze
    15.40 – 16.30 uur: Lezing door de dichter en beeldend kunstenaar Iris Le Rütte.
    16.30 – 17 uur: Borrel.

    Aanmelden en meer informatie
    Aanmelden kan via de website www.idagerhardtgenootschap.nl of d.m.v. een mail naar secretariaat@idagerhardtgenootschap.nl.
    Toegang: € 10,- voor donateurs en € 15,- voor niet-donateurs.

    Gerhardtwandeling in Bilthoven.
    U kunt zelf voorafgaand aan het symposium lopen langs voor Gerhardt belangrijke plekken, met toelichting (te downloaden van de site van het Genootschap) Duur: ca. 90 min, met mogelijkheden tot inkorting.

     

  • Première getoonzette gedichten van Ida Gerhardt

    Première getoonzette gedichten van Ida Gerhardt

    Ida Gerhardt is in Nederland bekend om haar gedichten. Maar zij vertaalde, samen met Marie van der Zeyde ook het Boek der Psalmen vanuit het Hebreeuws. De Vlaamse historicus en theoloog Dick Wursten gaat tijdens zijn lezing in op een aantal typische problemen en uitdagingen waarmee elke vertaler wordt geconfronteerd die zich waagt aan de Hebreeuwse poëzie van het Boek der Psalmen. Waardoor het vertaalproject van Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde in een brede cultuur-historische context komt te staan.

    De avond wordt omlijst met muziek van Rosasharn (Roos van der Burg), zij zette zes gedichten van Gerhardt op muziek.
    Dichteres Hester Knibbe gaat in op het aspect van tijdloosheid in haar eigen gedichten en die van Gerhardt.

    Toegang: € 10,- voor donateurs en € 15,- voor niet-donateurs.
    Meer informatie op Ida Gerhardtgenootschap.

     

     

  • Fotosynthese 8 – Dichteres aan de kade

    Fotosynthese 8 – Dichteres aan de kade

    Aan de IJsselkade in Zutphen staat sinds augustus vorig jaar een bronzen standbeeld van dichteres Ida Gerhardt (1905-1997). Het staat op het punt waar IJssel en Berkel samenkomen. Beeldhouwster Herma Schellingerhoudt maakte het slechts 1.65 meter hoge beeld. In De Stentor van 31 augustus wordt José van der Donk, secretaresse van Gerhardt, geciteerd. Zij vindt dat Schellingerhoudt haar goed getroffen heeft. ‘Ik herkende haar al toen ik alleen nog maar de rug zag, met die regenjas.’  De kenmerkende bril van Gerhardt heeft Schellingerhoudt afgebeeld als een soort vooruitstekende wenkbrauw. Mooi hoe zij Gerhardt in ‘brons vereeuwigd’ heeft. Toen de beeldhouwster in 2017 de opdracht kreeg voor het maken van het beeld, zei burgemeester Annemieke Vermeulen: ‘De betekenis van Ida Gerhardt voor onze stad is groot. Ze heeft de stad identiteit en kleur gegeven. Zutphen, Gerhardt en haar gedichten worden sterk met elkaar geassocieerd. Het beeld is een uiting van waardering en een waardevolle toevoeging aan de IJsselkade en Zutphen.’

    Op de kademuur achter het beeld van Gerhardt staat een van haar dichtregels: Er stond een kind op de kade. Het is afkomstig uit de laatste strofe van het gedicht Het schip. Het gedicht luidt als volgt:

    ‘Er kwam een schip gevaren;
    het kwam van Lobith terug,
    met grint en rivierzand geladen.
    Het richtte zijn boeg naar de brug.

    De scheepsbel was helder te horen,
    de brugwachter kwam al in zicht;
    een halfuurslag viel van de toren.
    Het schip voer door schaduw en licht.

    Met boegbeeld en naam kwam het nader,
    de ophaalbrug ging omhoog;
    een deining liep door het water
    dat tegen de schoeiing bewoog.

    Er stond een kind op de kade
    -ik was het, ik was nog klein-
    het had niets meer nodig op aarde
    om volkomen gelukkig te zijn.’

    Gerhardt schreef over deze Hanzestad ook eens de zin ‘Hoezeer heeft deze kleine stad allure’. Op meerdere gevels in Zutphen zijn teksten van haar te vinden. Ze werd geboren in Gorichem en overleed in Warnsveld. Waarom staat haar standbeeld dan in Zutphen? Wat was haar speciale band met de stad? Was zij ‘volkomen gelukkig’ in Zutphen?

    Het antwoord is te vinden in de bundel Dolen en dromen uit 1980, over o.a. een herfstwandeling in Zutphen en langs de IJssel. Bij de presentatie van de bundel zei Gerhardt: ‘Dolen en Dromen’ is geen hommage aan Zutphen, ondanks mijn gehechtheid aan deze stad; en evenmin een hommage aan een harer burgers. /…/ Het gedicht gaat over een wijze van ervaren die de mens soms – bij hoge uitzondering – ten deel mag vallen: het bekende en vertrouwde opent zich voor hem. Het onthult zijn wonderen en verborgen samenhangen en geeft nochtans zijn laatste geheimenis niet prijs.’

    Deze ervaring beschrijft ze in het betreffende gedicht als volgt: ‘Anderhalf etmaal ben ik omgegaan / -mijzelf ontkomen, eindelijk mijzelf- / dolend en dromend in een kleine stad, / waar àlles stem kreeg, àlles open ging. / Steeds wetend: zó kan het maar / éénmaal zijn’.

    Het was om deze mystieke ervaring dat Ida Gerhardt van Zutphen en de IJssel hield. De stad Zuthpen is trots op deze dichteres. Met het bronzen beeld, de teksten in de stad en de speciale Ida Gerhardt wandelingen wordt de herinnering aan haar én haar poëzie levend gehouden.

     

    Foto: Evert Woutersen


    In deze rubriek vernoemd naar Rudy Kousbroeks genre-idee Fotosynthese, gaan beeld en tekst een verbinding aan.

     

  • Twee huizen

    Twee huizen

    We fietsten langs de IJssel en hadden wind mee. Voor we het wisten kwam Zutphen in zicht. ‘Zullen we meteen maar langs Eefde rijden’, stelde mijn metgezel voor. Eefde, daar heeft Ida Gerhardt gewoond. Van geen dichter of dichteres ken ik meer gedichten uit mijn hoofd. Hoogste tijd voor een literaire pelgrimage.
    Thuis hadden we alvast het adres opgezocht in Dwars tegen de keer, Mieke Koenens mooie biografie van de dichteres. In 1967 verhuisde Ida, samen met Marie van der Zeyde, haar levenslange partner, van Bilthoven naar Zutphenseweg 120, Eefde. Ze was 62 en net met pensioen, afgekeurd eigenlijk.
    We zagen het huis en maakten foto’s. In Engeland zou er een gedenkplaat hebben gehangen.

    De vriendinnen hadden in Bilthoven een ruim huis bewoond maar nu moesten ze ‘concessies doen’. Voor 53.000 gulden kochten ze dit huis aan een drukke rijweg met een bushalte vlakbij en als buren ‘een druk gezin, met veel gerij af en aan (…) en veel geroezemoes van de drie jongens.’ Maar het was een vrijstaand huis, met tuin rondom, dicht bij Zutphen en Deventer en vooral dichtbij de IJssel en haar uiterwaarden. Er waren bossen vlakbij om te wandelen en te vogelen. Een ‘burgerhuisje’, aldus Ida, waar veel aan moest worden opgeknapt. Niet dat Ida en Marie veel eisen stelden: het huis ‘werd uiterst sober en spaarzaam gemeubileerd’ en ‘een blind paard kon er absoluut geen kwaad  doen’, aldus de biografe.

    Het huis heeft aardige luiken en in de achtertuin staat een uitbouw die nieuw lijkt. De tuin is erg open, met een laag muurtje langs het trottoir. Ooit lieten Ida en Marie de heg die daar stond ‘enorm uitdijen, waardoor verkeer op de Teenkweg (…) geen goed uitzicht meer had.’ Er kwam een ongeluk van en de heg werd gesnoeid. Er staat een mooi boompje dat er vast al stond in Ida’s tijd. Ik raapte een verkleurd blaadje op om mee naar huis te nemen.

    Het was een markant koppel waar de buren mee te maken kregen. ‘Ze vielen nogal uit de toon door hun vergeestelijkte levenswijze en raakten snel geïrriteerd door muziekmakende of rondlummelende buurjongens. Zo nu en dan waren ze verwikkeld in ruzietjes (…)’.
    Ze hadden het er niet slecht: veel omwonenden waren behulpzaam en hielden zo nodig een oogje in het zeil, bijvoorbeeld als Ida en Marie de zomer in Ierland doorbrachten. Met Oudjaar brachten buren ‘een royale portie appelbeignets en kinderen kwamen een mandarijntje halen: een dorps en huiselijk geheel’, aldus Ida.

    Hier heeft het paar hopelijk de idylle genoten die Ida beschrijft in ‘Zondagmorgen’ (een gedicht overigens van nog voor de verhuizing):

    Het licht begint te wandelen door het huis
    en raakt de dingen aan. Wij eten
    ons vroege brood gedoopt in zon.

    Tot augustus 1992 – Marie was in 1990 gestorven – bleef Ida hier wonen. De laatste jaren waren buitengewoon zwaar doordat ze lichamelijk en geestelijk aftakelde. Eenzaam en vrijwel blind; wanen en hallucinaties; ‘aanvallen van paranoia en zelfs psychoses’. Ze was altijd al een moeilijke, argwanende en soms agressieve vrouw geweest. Ze verhuisde naar een verpleeghuis. Haar werk was gedaan.

    In de Eefdese periode verschenen onder meer De ravenveer, Vijf vuurstenen,  Het sterreschip, De zomen van het licht en De adelaarsvarens. Haar vroege bundels werden samengebracht in Vroege verzen en haar Verzamelde verzen verschenen. Haar faam groeide en de waardering voor haar werk steeg meer en meer. Ze verdiende de Nobelprijs, aldus Hans Warren.

    Als schutterige bewonderaars stonden we daar op de stoep. Zo’n tweemans-herdenking heeft iets onbeholpens, want je kunt moeilijk bloemen leggen bij een huis waar inmiddels iemand anders woont.

    Vanuit dit huis schonken Ida en Marie, gezamenlijk dit keer (Marie had zelf ook het nodige gepubliceerd, onder meer twee hagiografische studies over haar vriendin) iets heel bijzonders aan de Nederlandse literatuur. In 1972 verscheen, onder auspiciën van zowel het protestantse Nederlands Bijbelgenootschap als de Katholieke Bijbelstichting, hun psalmvertaling. Marie en Ida hadden er sinds 1966 aan gewerkt. Ida had er Hebreeuws voor geleerd. De eerste tien proeven van hun vertaalwerk verschenen in 1967, het jaar van de verhuizing, in het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Dat de psalmen Ida Gerhardt dierbaar waren, lijkt me niet alleen een kwestie van vroomheid en dichterlijke bewondering. Veel psalmteksten zijn klachten en verzuchtingen, tirades tegen vijanden, uitingen van wraakzucht aan het adres van ‘bozen’, ‘spotters’, ‘belagers’, ‘schenders’, ‘vervolgers’, ‘haters’, ‘verstoorders’, ‘kwellers’, ‘ontrouw volk’ dan wel ‘slinksen’. Dat is een toon die ze moet hebben herkend als de hare. De psalmen waren haar op het lijf geschreven, arme vrouw.

    De volgende psalmverzen, drie uit ontelbaar vele, sluiten volkomen aan bij Ida Gerhardts geharnaste houding tegenover haar medemens, zoals we die ook in talloze gedichten tegenkomen en waarvan de biografie voorbeelden geeft die bar en boos zijn.

    Heer, mijn belagers – hoè talloos,
    talloos, gekant tegen mij (psalm 3)

    Hoe hébben ze mij van mijn jeugd af bekneld,
    maar ze hielden géén macht over mij (psalm 129)

    Hoe smadelijk verslagen weldra
    mijn vijanden alle tesamen (psalm 6)

    Vanaf het begin waren er bezwaren tegen het archaïsche en ‘statige’ Nederlands. Maar bewondering, lof en blijdschap waren er veel meer. Het werd een komen en gaan van geleerden en  bewonderaars daar aan de Zutphense Weg 120, onder wie theologen, hebraïci en bijbelspecialisten en ook Kees Fens en Huub Oosterhuis, beiden al spoedig pleitbezorger van opname van hun vertaling in de op stapel staande nieuwe Willibrordvertaling. En dat gebeurde ook. (Later werden ze tot Ida’s tomeloze woede vervangen). Ze heeft naderhand nog heel wat truitjes gebreid voor de kleine Trijntje.

    En er gebeurde nog iets. In de jaren na het Tweede Vaticaanse Concilie werd er gewerkt aan een ‘Nederlandstalig getijdengebed’. Een werkgroep van benedictijnen en trappisten had deze taak op zich genomen. Ze wilden de vertalingen van Huub Oosterhuis gebruiken, maar dat waren er slechts 50 en hij kondigde aan de klus niet te zullen afmaken. De monniken benaderden nu Ida en Marie. Die waren verrukt over deze belangstelling. Ze logeerden al sinds jaar en dag regelmatig in kloosters. Natuurlijk was er meteen ook argwaan: ‘Mogen wij u dringend verzoeken om de reeds gekopieerde (…) psalmen in geen geval uit handen te geven (…)? Men weet immers nooit, langs welke wegen een tekst dan kan gaan, en wat er allengs mee kan gebeuren.’

    Alle 150 psalmvertalingen werden uiteindelijk door de componisten van de werkgroep op muziek gezet. Mocht u eens in de gelegenheid zijn een gebedsdienst bij te wonen in een klooster waar deze vertaling in gebruik is, dan zult u getuige zijn van de triomf van deze twee uitzonderlijke vrouwen, Ida en Marie. Dag in dag uit, meerdere malen per dag, worden daar hún psalmen gezongen. Allemaal. Jaar in jaar uit. Inmiddels alweer enkele decennia achtereen.

    We moesten verder. Zutphen lokte. We wilden voor de bui thuis zijn en het werd tijd voor borrels en bitterballen. In gedachten declameerde ik de beginregels van een van haar allermooiste gedichten, Onder de Brandaris:

    Dit is het huis genaamd de duizend vrezen.
    Hij die er slapen wil hij zal er waken.

    Haar leven lang ervoer Ida Gerhardt het aardse bestaan als een ‘huis van duizend vrezen’. Telkens weer voelde ze zich genoodzaakt de strijd aan te binden met kwaadwilligheid, tegenwerking en miskenning. Ze kon een lastpost en een rare snijboon zijn en ze was de grootste Nederlandse dichter van de vorige eeuw. Dit jaar, op 15 augustus, is het twintig jaar geleden dat ze stierf.

     

     

  • De wereld gaat aan vlijt ten onder

    In mijn tuin staat een eik. Ik vond hem bij het uittrekken van onkruid. Vier blaadjes heeft hij, gedeeltelijk roodachtig, en hij is amper tien centimeter hoog en toch onmiskenbaar een eik. Hij zal wel geplant zijn door een Vlaamse gaai, die bewaren eikels voor de winter en vinden niet altijd hun voorraad terug. Ik moest denken aan een gedicht van Ida Gerhardt, ‘Naar u’:

    ‘Dit is de eerste schuchtere groei,
    een zich ontplooien naar het licht.
    Eéns is van liefde en geduld
    de tijd vervuld, –
    dan staat mijn stille tuin in bloei.
    En elk aandachtig bloemgezicht
    is toegericht
    naar u.’
     
    Hier wordt beschreven hoe een onherkenbaar groen puntje, waarvan de kiemblaadjes nog maar amper begonnen zijn zich te ontvouwen, zich zal ontwikkelen tot iets ongehoord fraais dat zich richt naar iets ongehoord groots.
    Een bescheiden hovenier is aan het woord, want de ‘ik’ die spreekt komt slechts indirect, in het woordje ‘mijn’, in beeld. Een dienstbare man of vrouw, dienstbaar aan de tuin die nog moet ontstaan en aan de grondslagen waarop de tuin tot stand komt: ‘liefde en geduld’.
    Behalve een tuinman met grootse verwachtingen horen we de stem van een gelovige. De religieuze betekenis is evident, ook al staat ‘u’ zonder hoofdletter geschreven. Zo gelezen is het gedicht een gebed. De tuin die gecultiveerd gaat worden, is de eigen ziel.
    Deze oude beeldspraak geeft uitdrukking aan een besef dat in het bijbelboek Prediker al is te vinden: ‘Voor alles is er een uur’.
    Een plant volgt zijn eigen, ingeschapen ‘programma’. In de opeenvolgende seizoenen vindt de ontwikkeling plaats die resulteert in groei, bloei en de vorming van vruchten. Dat proces laat zich wel beïnvloeden maar niet veranderen. Vandaar dat geduld nodig is, en dienstbaarheid. De zorg voegt zich naar de aanleg, met ‘liefde en geduld’. Diezelfde begrippen vinden we ook bij onderwijshervormer Jan Ligthart, die in 1916 stierf en wiens pedagogische credo op zijn graf staat: ‘De heele opvoeding is een kwestie van liefde, geduld en wijsheid en de laatste twee groeien waar de eerste heerst.’
     Ligthart wist waar hij het over had. Hij heeft veel voor het Nederlandse onderwijs betekend. Delegaties uit het buitenland bezochten zijn school. Toen prinses Juliana leerplichtig werd, won koningin Wilhelmina bij hem advies in.
    Liefde en wijsheid zijn begrippen die iedereen op zijn eigen manier invult, maar ‘geduld’ is duidelijk: dat gaat over tijd en over vertrouwen. Gun dat wat zich ontwikkelt z’n eigen tempo, besef dat jouw inmenging niet altijd nodig of zelfs ongewenst is, heb vertrouwen in de afloop. Er wordt over opvoeding en onderwijs nogal eens gesproken in termen die zijn ontleend aan economie en sport. ‘Alles eruit halen wat erin zit’, ‘excelleren’, ‘uitdagingen aangaan’. Het heeft iets hijgerigs.
    De analogie tussen de plantaardige en de menselijke groei levert een veel aantrekkelijker ontwikkelingsmodel op. ‘Groeien’ is het sleutelbegrip, met de nadruk op de organische ontwikkeling, inclusief ogenschijnlijke stilstand.
    Een plant, een tuin, je ziel, een kind – we moeten ze voeden en behoeden en zo nodig snoeien. En in de eerste plaats moeten we ze tijd geven, hun eigen tijd, anders gaat het mis. Zoals John Lennon zingt in ‘Working Class Hero’: ‘As soon as you’re born they / make you feel small / By giving you no time instead of it all.
  • Bladlof

    Bladlof

    Er was eens een tijd dat de nacht pikzwart was en de nachthemel een fonkelend schouwspel dat met stomheid sloeg. Vrees en verwondering hielden de mens in hun greep, een besef van volstrekte nietigheid en kosmische verbondenheid tegelijk:

    Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk,
    Maan en sterren die gij daar stelde,
    Wat is dán de mens dat gij acht op hem slaat.

    (Psalm 8, vertaling Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde)

    Die tijd ligt achter ons en komt nooit meer terug. De hemel boven Nederland zien wij ’s nachts als door een smerig venster. U kunt uw vakantiebestemming kiezen op grond van de afwezigheid van lichtvervuiling, en dan nog krijgt u slechts een flauwe afspiegeling te zien van de sterrenhemel die de psalmdichter voor ogen had.
    Alleen op volle zee bestaat het nog. Cees Nooteboom zei eens in een interview: ‘Als ik midden op de Stille Oceaan aan de reling sta en naar de sterren kijk, vraag ik me niet af of ik nog kauwgom heb’.
    Is er iets anders dat ons diezelfde ervaring van overweldigende grootheid kan bieden? Iets dat onze aandacht van kauwgom naar de kosmos leidt? Al het water in de zee, alle zandkorrels op het strand? Maar die zijn zo weinig ‘aanwezig’, zo gemakkelijk te negeren.

    Ik stel voor: boomblaadjes.
    Kijk even uit het raam. Geheid dat u blaadjes aan de bomen ziet. Vijf maanden geleden waren ze nergens te bekennen. Dat alleen al geeft reden tot verwondering. Hoezo ‘doodgewoon’. Hoeveel blaadjes zien wij op een dag? En hoeveel bomen zouden er eigenlijk in heel Nederland zijn? Daar zijn cijfers over. Vraag me niet hoe de geleerden het hebben klaargespeeld – een bron van verwondering op zichzelf – maar de teller stond een paar jaar geleden op 3.040.288.194.283 bomen ‘van meer dan tien centimeter dik op borsthoogte’ op onze hele planeet. Dat zijn er dus ruim 3040 miljard. Daarvan staan er 344 miljoen in ons land. Er zitten natuurlijk ook naaldbomen bij. (Deze cijfers komen uit ‘Nature’ en op YouTube vindt u er een filmpje over. Bedenk wel dat er jaarlijks wereldwijd 15 miljard bomen verdwijnen door menselijk toedoen.)

    Maar hoeveel blaadjes heeft nu een boom? In Het bomenboek van Koos van Zomeren lees ik: ‘Een beetje beuk heeft er 300.000’. De schrijver zegt dat in een passage waarin hij zijn licht opsteekt bij een bomenprofessor uit Wageningen. Natuurlijk is niet elke boom ‘een beetje beuk’ maar het geeft een indruk.
    Sta er even bij stil. Het rekenwerk laat ik graag aan u over. Begint het u te duizelen? Hier past slechts één woord: ‘ontzaglijk’. Want daar gaat het hier over: ‘ontzag’. Is het niet verbijsterend dat dit verschijnsel zich jaar in, jaar uit aan ons voordoet? Is het niet bizar dat het zich rondom ons afspeelt zonder dat we erbij stilstaan? In Japan is het bloeien van de kersenbomen aanleiding tot ingetogen feestelijkheden. Protestanten kennen een ‘Dankdag voor het gewas’. En het Jodendom heeft Toe Bisjvat, het ‘Nieuwjaar der bomen’.

    Er zou veel te vertellen zijn over de rol die boomblaadjes spelen in de Nederlandse poëzie, van het blad als vanitas-symbool bij Adriaan Roland Holst tot het ’doodgewone’ boomblad bij Chris van Geel.
    Het mooiste bladgedicht is echter van de grote Guido Gezelle. Bij hem is een blaadje op het water een beeld van de eenheid tussen ziel en godheid, uitdrukking van het zelfde kosmische besef als van de psalmist:

    Zoo rompelend en zoo rimpelend
    als water
    Zoo lag ’t gevallen bladjen op
    het water
    En m’ ha’ gezeid het bladjen ende
    ‘et water
    ’t En was niet ’t een een bladje en ’t an-
    der water
    Maer water was het bladje en ’t bla-
    dje water
    En ’t viel ‘ne keer een bladjen op
    het water

     

     

  • Onverwachte poëzie

    Onverwachte poëzie

    Hoe ik mij op een avond met heel veel plezier verloor, ergens in een verkavelde Noord-Hollandse polder, in een oneigentijdse collectie van dichtbundels van een gestorven hoorspelregisseur.

    Op een regenachtige maandagavond reed ik terug vanuit West-Friesland naar Amsterdam met een fijne buit aan honderden dichtbundels van voornamelijk Nederlandse poëzie. Een hoorspelregisseur was overleden en liet een flinke boekencollectie na. In een jaren vijftig ruitjeshuis van een van de nabestaanden stond ik de bundeltjes te tellen: 328 in totaal. Ik nam ook nog een aantal kunstboeken mee en aan de wand zag ik een mooi schilderijtje hangen van een stadsgezicht in de avondmist dat me deed denken aan de Londense schilderijen van de Tachtiger Willem Witsen (1860-1923). Zo gek bleek mijn associatie niet te zijn. De opa van de dame die zich had ontfermd over de boekenerfenis bleek de schilder van dit werkje en hij verbleef in dezelfde periode als Witsen in Londen, zo rond 1890.

    Ik zakte weg in de tijd en vertoefde met de vaak prachtig grafisch vormgegeven poëzie in een dichterlijke dimensie die nog eens versterkt werd door het schaarse licht in huis en de waaiende duisternis buiten. Namen en titels van vergeten, bijna vergeten, tijdelijk bekende en beroemde dichters gingen door mijn handen. Ik lees van Paul Rodenko (1920-1976) in zijn verzamelde gedichten het gedicht Vreemdeling, dat begint zoals ook zijn biografie heet:

    Ik ben een vreemdeling,/ ik sta apart./ Elk ding/ zwelt tot een klam gezicht./ Ik tors het licht./ Het is stijf als een drenkeling./ Ik ben alleen./ Mijn moegerekte hart/ staat steil gericht:/ een meterhoge klarinet./ Maar geen geluid haalt grond in het/ star zwijgen om mij heen.

    Maurice Gilliams (1900-1982), Guillaume van der Graft (1920-2010), Catharina van der Linden (1909-2002), wie kent ze nog? Wie leest ze nog? Alsof hun poëzie eigenlijk al te verstoft is, te stoffig, te oneigentijds . Misschien is dat de reden dat ik van deze gedichten houd. Zoals ik graag naar een foto kijk, van een straat uit de jaren vijftig, waar zoveel nog niet is, de volheid van nu afwezig is, pas later wordt ingekleurd. Ida Gerhardt (1905-1997), ook zo’n type dichter, die bij wijze van spreken al ouderwets of te klassiek was toen mijn opa en oma de nieuwe tijd omarmden van auto, televisie en vakantie. Maar haar kosmisch-religieuze gedichten mogen soms wel reactionair klinken, tegen mijn hedendaagse ik in, ik kan niet ophouden ze te lezen. Zoals ook Marsman mij boeit en zelfs, aiai, Adriaan Roland Holst met zijn gezwollen taal. Stiekem, ik doe er een, van Van der Graft (ps. van Willem Barnard):

    De wind zo langademig in de bomen/ als liefde die nachtenlang niet inslaapt/ maar aldoor dezelfde naam herhaalt,/ onachtzaam voor anderen, onverstaanbaar,/ zodat men kan zitten in de kamer/ van één eigen leven mensvormigheid/ maar buiten dit lichaam verlopen er tijden/ en worden er levens gedrenkt in de regen/ en zoeken er doden een naam als een klok.