• Warme woorden na een koude start

    Warme woorden na een koude start

    De dichtbundel Voor ’t liefste kind is geschreven naar aanleiding van de vondst van een pasgeboren baby in een ondergrondse afvalcontainer. Dit gebeurde in Amsterdam in februari 2021. Het meisje kon gelukkig levend uit de container gehaald worden. Heel Nederland was geschokt en geschrokken. Pieter Stroop van Renen reageerde met een gedichtje, dat door journalist Margriet Vroomans werd voorgelezen in haar ochtendprogramma op Radio 4:

    ‘t Liefste Kind

    Je bent vandaag geboren
    Uit een roestige, stalen trommel
    Je zwom heel even in ’t verdriet
    Van menselijke rommel

    Heden is je leven
    Daadwerkelijk begonnen
    De stad heeft uit een Jumbo-tas
    ’t liefste kind gewonnen

    Goed ontvangen

    Dit werd zo goed ontvangen, dat Stroop van Renen en Vroomans samen een bundeltje wilden uitgeven met gedichten die bedoeld zijn om ieder kind een warm welkom te heten. Hiervoor vonden ze twaalf dichters bereid om geheel belangeloos een nieuw gedicht te schrijven en ook de uitgever, de drukkers en anderen werkten gratis mee. Als kers op de taart werden er via een QR-code twaalf slaapliedjes van over de hele wereld bijgevoegd, gespeeld door leden van het Koninklijk Concertgebouworkest. Niet iedereen heeft echter een smartphone; na enig zoeken op internet blijkt een kort intro van de muziek ook te beluisteren via deze link van het Concertgebouworkest en in zijn geheel op Spotify. Ook deze gedichten worden voorgelezen door Margriet Vroomans.
    De opbrengst van de verkoop van de bundel gaat naar Stichting Beschermde Wieg, een stichting die zorg biedt aan zwangere en pas bevallen vrouwen en hun baby’s. De stichting heeft in tien ziekenhuizen zogeheten vondelingenkamers, waar ouders die niet zelf voor hun kind kunnen of willen zorgen hun baby beschermd kunnen achterlaten.

    De opdracht aan de dichters was aan alle pasgeborenen een warm welkom te geven. De ondertitel van de bundel, Poëzie en muziek voor welkome baby’s, komt dan een beetje wrang en ongelukkig over: het is waarschijnlijk verbindend bedoeld, maar werkt juist onderscheidend: niet alle baby’s zijn welkom, dat is met de aanleiding tot deze bundel wel gebleken. Bedoeld wordt waarschijnlijk dat àlle baby’s welkom zijn, is het niet bij biologische ouders dan wel bij pleegouders, maar de ondertitel blijft vreemd aandoen. Alsof deze bundel alleen voor baby’s is die welkom zijn en niet voor de kinderen die niet gewenst waren, zoals het kind dat juist de aanleiding tot de bundel vormde.

    Verscheidenheid van insteek

    Dertien gedichten is niet veel. Toch is er verscheidenheid van insteek te lezen: de meeste dichters hebben ervoor gekozen om te benadrukken dat het kind bij andere ouders wèl welkom is en recht op leven heeft. De bevrijding van de baby uit de vuilcontainer wordt gezien als een tweede geboorte. Abdelkader Benali noemt het kind ‘een lege Wikipedia pagina’, de eilanddichter van Texel, Roop, geeft zijn gedicht de titel voor een blanco kindje. Goed bedoeld, maar geen enkel kind komt als een blanco bladzijde ter wereld, laat staan dit vondelingetje dat al zoveel geschiedenis met zich meedraagt voor een leven lang.

    Hannah van Binsbergen en Hagar Peeters vertolken daarentegen hun begrip voor de moeder van het kind: Van Binsbergen laat de moeder aan het woord in haar gedicht Eerst, waarin zij het leven schetst dat zij haar kind toewenst:

    en later misschien
    op bezoek bij de buren
    een dier aaien
    een plan maken

    Het Eerst waarvan de titel gewaagt, wordt niet nader benoemd, maar staat in schrille tegenstelling tot het ‘en later’ waarmee diverse strofen beginnen. Eerst moet de moeder haar keuze voor de toekomst van het kind ten uitvoer brengen. In het midden van het gedicht wordt de vraag gesteld ‘aan wie zal ik je geven?’ Hoe mooi zij de toekomst van haar kind ook voor zich ziet, in de laatste strofe is ze niet zeker van dat die ook werkelijk mooi gaat worden:

    […] opnieuw

    zie je vormen, wat zie je
    in alles hetzelfde
    begin blijf je dat zien
    en later misschien

    Hagar Peeters richt zich tot het pasgeboren kind in het lange gedicht Voor een voldragene om te vertellen dat de moeder niet alleen verantwoordelijk is: ‘Wij maken met ons allen deze aarde, / waarvan de baarmoeder de kleinste maat is. Het is een bitter gedicht in de wetenschap dat wij als mensen tot nu toe gefaald hebben in het verbeteren van de wereld: ‘waarom wachten / we altijd pas tot je bent verschenen / met onze beloftes en goede voornemens’.

    Sasja Janssen dicht over een bevalling in haar mooie gedicht Boreling: ‘Als de zwaartekracht zijn zinnen op je zet in de kamer / die ruikt naar stal, kijken de dingen ons aan’.
    Volgens haar maakt een geboorte ons allen gelijk, of je een vondeling wordt of niet: ‘[…] en schreeuwt / dat je weet dat je bestaat en eenzaam bent, net als wij.’

    Herhaalde woordspel

    Een heel eenvoudig, maar misschien wel juist daardoor aangrijpend gedicht voor het gevonden kindje is van Merel Morre, met het herhaalde woordspel ‘iemand kwam voor jou voorbij / niemand gaat aan je voorbij’.

    Burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb is de enige die iets van morele verontwaardiging heeft laten blijken in zijn gedicht Duizend vragen:

    In wat voor wereld wonen wij
    waar jonge vrouwen, kinderen nog,
    zo de weg naar zichzelf,
    hun familie en ons vertrouwen
    kwijt zijn?

    In wat voor stad wonen wij
    waar jonge ouders, kinderen nog,
    ongemerkt het leven geven
    aan een kind
    waar zij niet mee kunnen leven?

    In wat voor buurt wonen wij
    waar een wildvreemde vrouw
    voor het eerst jouw stem hoort, de politie belt
    en vertelt dat je geen kat bent
    maar een pasgeboren kind?

    De agenten bakeren je in hun warme jassen,
    je vondst roept duizend vragen op.

    Heeft je moeder je voetjes niet gevoeld?
    Hebben je ouders je teentjes nog geteld,
    voordat je in de kribbe van de vuilcontainer
    werd gelegd?

    Andere dichters die een bijdragen hebben geleverd zijn Frédérique Spigt, Jibbe Willems, Tjitske Jansen, Mira Feticu en Jesse Laport. Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam, vat in het haar nawoord mooi samen: in het begin wordt er na de vondst van een pasgeboren kind door iedereen hartverscheurend verdriet gevoeld en afschuw en verontwaardiging. Daarna gaan die emoties over in verwondering, blijdschap en hoop dat ook dit kind ‘een kans heeft gekregen om het leven lief te hebben.’
    De dichters in deze kleine bundel hebben dat ieder op hun beurt onderstreept.

     

  • De zomerboeken van Hettie Marzak

    De zomerboeken van Hettie Marzak

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Hettie Marzak  leest deze zomer:
    David Leeming, James Baldwin
    Irene Vallejo, Papyrus
    Heather Clarke, Rode komeet
    Bettine Vriesekoop, Het China-gevoel van Pearl S. Buck
    Carl Friedman, Verzameld werk

     

    ‘In de biografie van James Baldwin door David Leeming ben ik al begonnen, omdat Baldwin als geen ander uit ervaring kon
    schrijven over de achterstelling van zwarte mensen, iets dat nog steeds actueel is.
     Papyrus van Irene Vallejo heb ik voor mijn verjaardag gekregen van mijn kinderen, die weten dat ze hun moeder blij kunnen
    maken met ‘het ritselen van papier’.
    De biografie van Sylvia Plath, Rode Komeet, door Heather Clarke, wil ik gaan lezen omdat ik weliswaar heel veel gelezen heb over
    en van Ted Hughes, maar van Plath nog veel te weinig.
    En Het China-gevoel van Pearl S. Buck van Bettine Vriesekoop moet alle vragen beantwoorden die ik me al zo lang gesteld heb
    sinds ik lang geleden voor het eerst Oostenwind Westenwind van Buck las.
    Carl Friedman, Verzameld werk, omdat ik heel benieuwd ben naar wat ze nog meer geschreven heeft dan alleen Tralievader, De
    grauwe minnaar
    en Twee koffers vol, die ik al gelezen heb.’

    Lees hier meer over Hettie Marzak
  • Uiteengespatte verbeelding

    Uiteengespatte verbeelding

    Mijn fantasie gaat regelmatig met mij op de loop. We beginnen in een pittig drafje, dat gaandeweg overgaat in een stevige galop, waarna ik al snel de teugels kwijtraak en we op hol slaan, om na een dolle rit abrupt tot stilstand te komen voor een blinde muur in het doodlopend steegje van de realiteit. Mijn fantasie komt zelden of nooit overeen met de werkelijkheid. Als kind had ik er al last van. Illustraties in mijn lievelingsboeken kraste ik altijd door, omdat ze het niet haalden bij mijn eigen voorstelling van het verhaal. Elke op handen zijnde gebeurtenis was later in het echt nooit zo mooi als wat ik er van tevoren over verzonnen had. De jurk die mijn moeder voor me gemaakt had, was prachtig, echt, maar hij kon me niet veranderen in de prinses die ik me al weken voor de spiegel gedroomd had. De knapste jongen van de middelbare school, die ik uit de verte zwijmelend aanbad en alle eigenschappen van een sprookjesprins had toebedacht, bleek bij het eerste afspraakje een hork te zijn. 

    Alles was altijd mooier in mijn gedachten. Wat dat betreft leek ik op een van de zoontjes van Anton Coolen in zijn beminnelijke boekje Uit het kleine rijk, waarin hij beschrijft hoe zijn vier kinderen opgroeien. Op de ochtend van het Sinterklaasfeest zegt het jongetje, terwijl hij zijn uitgepakte cadeautjes beziet: ‘Hoor eens vader, ik vind alles zo leuk, maar toen ik het nog niet gezien had, vond ik het nog veel leuker.’ Coolen zelf moest daarbij denken aan de aanplakker uit Strindbergs Droomspel, ‘als die eindelijk zijn hevig begeerd schepnet heeft: ‘Het is wel goed, maar niet zoals ik het mij had voorgesteld, wel groen, zoals het moest, maar niet dat groen.’
    Als mijn fantasie zich weer eens te pletter heeft gelopen, dan zit er voor mij niets anders op dan de scherven van mijn uiteengespatte verbeelding op te rapen en proberen ze samen te voegen tot een mengvorm waarin weliswaar de werkelijkheid weerspiegeld wordt, maar die toch nog een vleugje droom bevat, ongeveer zoals Joke van Leeuwen dat doet:

    Lijmen

    Ik had drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een vogeltje,
    Een veulentje,
    Een varkentje.

    Ze zijn gevallen.
    Ze braken stuk.
    Ik heb ze gelijmd.
    ’t is bijna gelukt.

    Ik heb drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een volentje,
    Een veukentje,
    Een vargeltje.

    Toch geef ik de hoop  niet op dat op een dag mijn fantasie naadloos met de realiteit zal samenvallen. Zoals iemand die maand in maand uit een loterijbriefje koopt, in het volste vertrouwen dat eens de hoofdprijs op zijn lot zal vallen, de zoveelste teleurstelling schouderophalend afdoet met de gedachte dat er volgende maand weer een kans op een miljoen is. In mijn fantasie wacht het grote wonder altijd net om de volgende hoek op me. Ik kan me al heel goed voorstellen hoe het eruit zal zien.

     

    Gedicht komt uit de bundel: Ozo heppie / Joke van Leeuwen / Querido (2017


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, arriveert een jongen die er heel anders uitziet dan de meeste dorpsbewoners gewend zijn, tenger en haast vrouwelijk:

    ‘[…] zo’n
     jongen die doet of hij een meisje is, zijn vriendelijke

     glimlach, witte tanden, zijn lippen die speels omhoog
     krullen, die engelachtige lokken die omlaagregenen
     langs zijn jukbeenderen, ik moet er niets van hebben.’

    De man die deze woorden uit, beschrijft daarmee de mening van het hele dorp, dat vijandig staat tegenover vreemdelingen in het algemeen en deze jongen in het bijzonder. Toch wordt juist de dochter van deze man verliefd op de jongen. Als reactie daarop slaat de vader de jongen met een stoel tegen de grond. Later drijft het lijk van de jongen in de rivier. Het meisje probeert zelfmoord te plegen door zich op te knopen, maar haar vader weet dit net op tijd te verhinderen. Ze blijkt zwanger te zijn.

    Liefdesverhaal

    Dat is het verhaal, ‘een liefdesverhaal in gedichten’, zoals de ondertitel luidt. De bundel is samengesteld uit een proloog, drie afdelingen die respectievelijk Liefde, Tijd, en Dood getiteld zijn, gevolgd door een epiloog. De middelste drie afdelingen worden voorafgegaan door een citaat uit een Engelstalig lied.

    De proloog springt in het tweede gedicht Liefde al meteen in het midden van het verhaal: in een café krijgt iemand ineens een stoel in zijn gezicht geslagen. Die ‘hij’ blijkt de jongen te zijn, die slechts één keer in de hele bundel met zijn naam Momo wordt aangeduid. Zes mannen die hierbij aanwezig zijn, stamgasten en waard, geven later commentaar op deze gebeurtenis; tegen wie ze hun verhaal doen, wordt niet duidelijk. Later in de epiloog komen zij in omgekeerde volgorde weer aan het woord. 

    Wim

    ‘Als je het precies wilt weten moet je niet bij
     mij zijn ik was moe  en had al wat gedronken
     ik ben geen makkelijke prater sowieso ik kijk

     als niemand kijkt soms naar de sterren buiten
     boven onze domme koppen en weet dan niets
     te zeggen en weet dan het is niets het is niet erg

     we duren zolang het duurt en strompelen als
     het tijd is naar huis staan binnen in de deuropening
     nog even naar onze kinderen te staren schudden

     al bijna afwezig een loos verlangen van onze schouders
     leggen ons stil naast de moeder  van onze kinderen neer

     het is niets en het is niet erg.’

    Meerstemmige klanken

    Het geheel doet denken aan Under Milk Wood van Dylan Thomas, waar zes stemmen het verhaal vertellen. Of de verteltechniek van William Faulkner in The sound and the fury of in As I lay dying, waar ook verschillende stemmen van eenzelfde gebeurtenis belichten en die Hugo Claus inspireerde tot zijn roman De MetsiersDe stoel is een belangrijk gegeven: de afdeling Tijd bestaat uit acht gedichten waarin een stoel centraal staat. Zo is er de stoel die de jongen in zijn gezicht krijgt en de stoel waarop het meisje gaat staan om zich op te hangen: ‘[…] hier wacht de stoel, hier hangt het touw.’ 

    Maar ook is er twee keer een gedicht te lezen dat De kinderen is getiteld, in het begin en aan het einde van de bundel. Het zijn twee gedichten die doen denken aan zangerige kinderrijmpjes, aftelversjes, waarbij het meer om het ritme dan de betekenis gaat. Ze lijken identiek, maar verschillen in enkele woorden. Ze fungeren als een intermezzo, als een Grieks koor dat in een reizang afstandelijk commentaar levert op de gebeurtenissen zonder daarbij in te grijpen. 

    Literaire zoekplaat

    In de afdeling Liefde is het naamloze meisje aan het woord. Ze vertelt over haar ontmoeting met de jongen, die op blote voeten uit het niets kwam. In parlando en prozagedichten vertelt ze hoe ze de liefde bedreven, één keer slechts. Er wordt al vooruitgewezen naar hoe de jongen straks als een dode Ophelia in de rivier zal drijven:

    ‘ik ben alleen en drijf traag door de lucht, we zijn fijner in een stapel, staren door tralies, verwijten onze liefste niets, ik ben alleen en zink langzaam tot de bodem, wier voor mijn ogen, honing op mijn wangen, bloesems in mijn haar en de rivier is als jouw schoot, je wiegt me naar beneden, we zijn fijner en staren, ook als we wegzinken in de laatste stuiptrekkingen van het feest, als de band zichzelf in slaap speelt, als alle kaarsen uitgewapperd zijn, het donker en koud wordt, lig ik tussen je benen, met mijn ogen dicht, alsof je mijn broertje  of mijn zusje was.’ 

    Vergeet wat je gelezen hebt

    Binnen deze afdeling is er een cyclus van gedichten samengebracht onder de titel Hooglied. Hier spreken zowel de jongen als het meisje over hun liefde. In de aantekeningen achter in de bundel vertelt Möhlmann dat deze onderafdeling ‘rijkelijk uit de Bijbel put’. Toch is het niet de Bijbel, maar de 27 liefdesliedjes van Judith Herzberg die door de gedichten sterk in het geheugen worden gebracht. En dat is gelijk wat storend werkt, er zitten zoveel verwijzingen en parafrases van andere literaire werken in Dankbaar lichaam, als ook veel citaten die al dan niet letterlijk zijn gebruikt, dat je als lezer argwanend blijft zoeken naar waar die zinsnede of versregel vandaan komt, alsof je bezig bent in de boeken van Waar is Wally?

    Elke keer herken je weer een uitdrukking van een ander, als een struikelsteen in het gedicht. Het gedicht wordt een zoekplaatje, de leeservaring wordt daardoor naar de achtergrond gedrongen en dat is jammer. Zo kwamen Dylan Thomas en Faulkner al voorbij, Judith Herzberg en Vasalis, wier versregels uit De idioot in het bad door Möhlmann zelf al aangegeven worden in de aantekeningen, maar ook Paul Celan met zijn onvergetelijke Todesfuge zien we terug in ‘mijn / melkmeisje, mijn asgrauw, mijn zwart slangen- / kind’ en in ‘asbaklokkige’ verderop in hetzelfde gedicht Waar.

    Jammer is ook dat verhaallijnen die in het begin worden aangegeven, later niet worden uitgewerkt. De komst van de jongen, zijn naam, maar vooral zijn tweeslachtige sekse leken een aanduiding te zijn, maar blijven een belofte die niet wordt vervuld. Het blijft een raadsel waarom de jongen als ‘wijfjoch’ betiteld wordt, tenzij om de ergernis van de dorpsbewoners op te wekken. Daarom blijven de volgende strofen van het gedicht Nog staat de stoel in het luchtledige hangen: 

    ‘[…]
     een dankbaar lichaam neemt genoegen met wat
     het gegeven werd, je bent als man geboren en
     je blijft je geboorte trouw, waar werd een kiem 

     je hoofd ingeduwd dat je geboren werd als vrouw,
     en waar als je nu eenmaal nu een meisje blijkt
     brengt dat bewustzijn je nu verder, nou? […]

    Dankbaar lichaam is zeker een mooie bundel, maar om hem ten volle te kunnen waarderen moet je als lezer alles vergeten wat je ooit gelezen hebt.

     

  • Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    De nieuwste bundel van Frans Kuipers (1942), de Lach van de Sfinx, is een feest om te lezen. De virtuoze manier waarop Kuipers met de taal speelt en zijn woorden rangschikt, lijkt nog het meest op het componeren van een symfonie. De gedichten vloeien over van woorden vol klank. Een bundel om over je heen te laten komen alsof je naar muziek luistert en af en toe bijna kopje-onder te gaan in de aanzwellende stroom. De betekenis van de woorden komt daarom niet op de eerste plaats, ook al zijn de woorden door de dichter verzonnen. De eerste afdeling is getiteld ‘Stupor is de Sterre van de Zeggezee’. ‘Stupore’ betekent verwondering en bij ‘Zeggezee’ komt het beeld van een spraakwaterval naar voren, een overvloed van taal. Of ‘Sterre’ de naam van een vrouw is? De enige keer dat de dichter een vrouw rechtstreeks toespreekt, is dat met de naam ‘Verrelief’. ‘Sterre’ moet hier misschien letterlijk als een ster worden gezien: verwondering is de leidraad in de gedichten van deze dichter. 

    De dichter begint met zich voor te stellen: ‘Mens is een menigte, ik is iks en wie ben jij?’ en geeft daarmee aan dat de ander net zo onbekend voor hem is als hijzelf: de x, de onbekende.

    Het leven en de liefde

    De gedichten zijn genummerd van a tot en met z, de inhoud begint ook bij het begin: de geboorte van het lyrisch ik, in wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de dichter mogen herkennen. Kuipers parodieert in gedicht b de kreupelrijmpjes die je op geboortekaartjes aantreft om te vertellen dat hij geboren is in oorlogstijd, vlakbij concentratiekamp Vught: ‘Dodenakker, geboortegrond, / aan mijn wiegje oorlog stond. // Een uurtje lopen van mijn bed / bevond zich  Huize Beulenpret.’ Het verloop van zijn jeugd laat hij aan de verbeelding van de lezer over: ‘Verrelief, helemaal pluis was het niet thuis / en ook op dat internaat niet en later in heel / de wijde, wilde wereld niet, verre verrelief.’ Maar van de dichter hoef je geen treurzang te verwachten: hij zwerft als vagebond over de hele wereld en beleeft avonturen als uit een jongensboek. Zijn leven wordt opgetekend in hoogtepunten, hij leert het leven en de liefde kennen als een feest van uitbundigheid. 

    ‘Pleiadeer me, pacific me,
     spiel mir noch einmal de liefde op het eerste gezicht
     en W. Whitman mag weten
     alle gezichten zijn het eerste gezicht,
     hartspapaver me, laat mijn telraam niet stoffig worden.’

    Kuipers refereert hier misschien aan de eerste regels waarmee Whitmans Song of myself in Leaves of grass begint:

    ‘I celebrate myself, and sing myself
     And what I assume you shall assume,
     For every atom belonging to me as good belongs to you’

    Misschien, want hoewel er achter in de bundel enkele verklaringen zijn opgenomen van de verwijzingen, citaten en voorbeelden die Kuipers geïnspireerd hebben, is daar over Whitman niets terug te vinden.
    Oud geworden kijkt het lyrische ik op zijn leven terug en constateert dat verwondering de drijvende kracht is geweest. Het gedicht O uit de derde afdeling klinkt als een credo:

    ‘En dat het gezegd is vanonder de appelboom
     recht in het blauwe gezicht van juli
     dat bij Doodgewoon inwoont Wonder
     geloof ik tot ik er dood bij neervallen zal.’

    Loflied op de schepping

    De tweede afdeling, ‘Zonnesteen’, is een lange ode aan de zon in een reeks van schijnbaar losse aantekeningen waarin Kuipers gebruik maakt van typografische elementen: inspringende marges, cursief gedrukte versregels, vetgemaakte woorden, om in een krans van korte gedichten een ‘geëxplodeerd’ gebed te richten tot het leven waarvan de zon de bron is. Hij vlecht hierbij geraffineerd verwijzingen en citaten in zijn gedichten, evenals kinderrijmpjes en aftelversjes. Een vergelijking met het Zonnelied van Franciscus van Assisi is onvermijdelijk, maar waar dit laatste een loflied van alle schepselen op God is, is Zonnesteen een loflied op de schepping zelf. Het leven moet gevierd worden, de versregel ‘ik wil je vieren’ komt regelmatig terug in deze bundel. Kuipers doet dat in gedichten als een ‘toverformule’, ‘die, al was het maar / een fractie van één seconde / iemand haarwortels / verlichten kan, // dat moest me toch lukken / zo nu en dan.’

    De derde en laatste afdeling Ik wil van stromend water een kloosterkleed, eindelijk weten hoe ik heet is ook onderverdeeld in gedichten van A tot en met Z. De ‘iks’ van het begin is oud geworden en na het leven geleefd te hebben, is het tijd om zichzelf onder de loep te nemen en te kijken wie er schuilgaat achter de verwondering en uitbundigheid: ‘de getuige die niet kan verklaren.’ Ziekte en dood komen op het pad van de dichter, maar ze brengen de dichter niet van zijn levensvisie af:

    ‘Ik strompel in laarzen van lood. Ik wens een eerlijk gevecht
     van mens tegen kwaal. Ik schrijf mij voor: duinpaden in ochtendmist,
     kermende meeuwen boven een lege zee. Gisteren: ga weg en verre weg
     van mij en blijf daar wonen, dadenloze donkerdagen, kopzeer,
     kou en kul. Vandaag: oud en gelukkig getrouwd met mijzelf geweest.’

    Volstrekt origineel

    Het lyrische ik laat zich kennen als een man die ondanks alles ten diepste in het leven gelooft en net als de avontuurlijke Odysseus geleerd heeft dat zijn levensvervulling niet alleen in de wijde verte, maar ook dichterbij te vinden is. Ook doet de bundel denken aan Pallieter, van Felix Timmermans, ‘de vrije man, de ongebondene (…) die alle levensmanifestaties ondergaat in ‘n roes van verrukking of in vertederende ontroering (…)’ (T. Rutten, Felix Timmermans, 1928).  Maar Kuipers is volstrekt origineel, hij heeft van deze lyrische bundel een tomeloos feest gemaakt en in schuimende, bruisende taal op elke bladzijde iets moois gezet. Hoewel hij leed en dood niet uit de weg gaat, vervalt hij nergens in zelfbeklag of pessimisme en blijven zijn gedichten getuigen van  een ‘lebensbejahende’ intentie. Een bundel om met volle teugen van te genieten. 

     

  • E-readers ruiken nergens naar

    E-readers ruiken nergens naar

    Ik hou niet van elektrische apparaten. Ze doen bij mij nooit wat ze moeten doen, alsof er een vloek op rust. Ik heb dan ook geen vaatwasser, geen wasdroger of smartphone. Wel een wasmachine, waarvoor ik offers breng voor ik hem aanzet. Daarom heb ik ook geen e-reader, verklaarde ik tegen een kennis die me er eentje wilde aanpraten. Hij beweerde dat het voor mij onmogelijk was om al mijn boeken nog eens te lezen: als ik linksboven in de boekenkasten op zolder zou beginnen en rechts beneden in de kelder zou eindigen, had ik meer jaren nodig dan een mens gegund was. En ik had ze toch allemaal al gelezen. Waarom bewaarde ik ze nog? Ik zocht naar woorden om mijn geliefde boeken te verdedigen, maar ik kon ze zo gauw niet vinden. Tegelijkertijd vroeg ik me in een hoekje van mijn hersens af of de man misschien gelijk had. Er stonden boeken in mijn huis die ik in geen twintig, dertig jaar heb aangeraakt en zou dat waarschijnlijk ook niet meer doen. Moesten ze dan maar weg? Aafjes en Auden, Zola en Zweig. Afgedankt als kledingstukken die uit de mode zijn geraakt. 

    Geen denken aan. Een boek hoef je niet opnieuw te lezen om te herinneren hoe het was en wat je toen voelde. Weten dat het onder handbereik is, volstaat. Professor Faber uit Fahrenheit 451 van Ray Bradbury herinnert zich bij het zien van een bijbel nog steeds – na twintig jaar leven in een maatschappij waarin boeken verboden zijn – dat een van zijn boeken naar nootmuskaat rook. En neem nou dit gedicht van Hans Warren:

    Het is een oud groen boek

    ‘Het is een oud groen boek, wat los;
     het ruikt naar litho’s en naar regen.
     Als ik het opsla roept de koekoek in Bohemen,
     is ’t zomer, en een herdersknaap
     met opgestroopte broek en mouwen
     grijpt naar forellen in een grot;
     of winter – en de kolenmeier rookt,
     het zuiver hout geurt in de fluisterende stilte
     van het verlaten woud.
     Waar ben ik dan; slechts even, éven
     toegeven aan dit zoet gemis,
     aan dit geluk, die koekoek in Bohemen,
     die jongen met zijn bruine benen,
     dit boek, dit woud, dit oude zèlf,
     zo lang geleden
     dat het veel dieper dan naar huis gaan is.’

    Ik kan me niet voorstellen dat Warren dit had geschreven als hij met een e-reader in zijn handen had gestaan. E-readers ruiken nergens naar. En wij zouden een bloedmooi gedicht armer zijn geweest. Maar de echte reden voor mijn verzameling boeken vertelde ik niet aan die kennis: mijn boeken zijn er ter geruststelling. Waarvoor, dat weet ik niet. Bij natuurrampen zullen ze niet helpen, noch bij oorlog, verduistering of hongersnood. Ik kan ze niet allemaal meenemen als ik moet vluchten voor een wereldbrand, niet meer de inhoud van buiten leren als ze verboden worden. Maar als ik naar mijn boekenkasten kijk, ervaar ik de geruststelling dat ik ben wie ik ben: mijn boeken hebben me geholpen om het te worden. 

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Het konijn is niet onzichtbaar maar wel verborgen

    Het konijn is niet onzichtbaar maar wel verborgen

    Wie zich door de titel Hop over de sofa, de jongste bundel van Remco Ekkers laat verleiden tot de gedachte dat het hier om vrolijke en luchtige zaken gaat, komt bedrogen uit. Want het openingsgedicht Pop, waaruit de titel van de bundel genomen is, doet al direct iets heel anders vermoeden.

    ‘Zij geeft zich niet
     nooit als een lappenpop
     hop over de sofa.

     Krijgt, maakt of neemt ze
     een kind?

     Krijgen lijkt het beste
     van het omstandigheden
     het toeval, noodlot
     zin misschien.

     Hoe dan als het stikt
     dood blijft in de wieg
     of al groter van het balkon
     hop over de rand.

     In je armen
     met rimpels
     net zo toevallig
     als een vogel.’

    Goed en kwaad naast elkaar

    In dit eerste gedicht liggen de elementen besloten waaruit de gehele bundel is opgebouwd, de tegenstelling tussen het goede en het kwade die alleen maar naast elkaar kunnen bestaan, de willekeurigheid van het toeval en het onvermogen om te kiezen tussen diverse interpretaties van eenzelfde gebeurtenis. Maar ook wordt hier de deernis en het mededogen zichtbaar waarmee Ekkers dicht, de tederheid en de berusting in iets wat niet te veranderen is. En dat is ook nodig, want pakweg de volgende tien gedichten gaan uitsluitend over wraak, moord, bloed. Over een aanslag, met een verwijzing naar Achterberg: ‘Van een meisje van zestien jaar / zijn dit de bommen, kijk er naar / zegt ze, voor ik ze laat ontploffen’. Over de verlossing uit een bitter leven. Over de gruweldaden van terroristen, die ‘denken dat ze heilig zijn.’ Over dodelijke ongelukken. Over een mislukte ontsnappingspoging uit de voormalige DDR. Maar ook over leed dat dichter bij huis ligt: mensen die al bij leven vergeten zijn, een gescheiden vader die zijn dochter zoekt. 

    Ekkers laat de gedachten achter die gedichten samenkomen in het gedicht Schuld, waarin hij een aantal voorbeelden geeft van klein en groot onrecht, begaan door verschillende mensen uit heden en verleden, in subtiele strofen van twee versregels: ‘Zij stopt glasscherven in de zak / van de jas van haar pianojuf.’ Hij wijst echter niet met de vinger naar de schuldige, maar eindigt met de ambigue strofe: ‘Geef ons heden, vergeef ons / zoals ook wij vader, moeder, kind.’ Wie vergeeft hier wie? Wie is dader, wie is slachtoffer?

    Verschillende thema’s

    Hoewel de bundel niet verdeeld is in afdelingen, zijn die wel te onderscheiden door de groepering van een aantal gedichten rond een thema. Er zijn zes gedichten over de Inuit opgenomen, die eerder verschenen in de bundel Arctische gedichten. Ze vallen op omdat ze niet in deze bundel lijken te horen, het contrast met de andere gedichten is groot waardoor ze uit de toon vallen. Maar juist de verscheidenheid van de gedichten laat zien hoe veelzijdig Ekkers’ poëzie is en hoe gemakkelijk hij zich op allerlei gebieden begeeft. Zonder deze variatie van onderwerpen zou de bundel te zwaar aangezet zijn. 

    Zo is er ook een korte cyclus, Vier Orakels, van vier gedichten die alle een vrouwennaam dragen en lijken te zijn geschreven voor deze dames persoonlijk. In het gedicht worden ze rechtstreeks aangesproken en van goede raad voorzien, wat tenslotte ook de belangrijkste taak van een orakel is. En evenals in de oudheid heeft de dichter als orakelspreker zijn boodschap ook in raadselen gehuld en die voor de lezer moeilijk op te lossen zijn zonder meer informatie. Toch valt er ook dan genoeg te genieten van het ritme, de speelsheid van Ekkers’ taalgebruik en sommige adviezen die een algemeen karakter hebben: ‘[…] zak niet weg in gemak / laat jaloezie je niet wegblazen van je plek.’

    Een aantal gedichten is aan de kunst gewijd, de beeldende kunst van Anish Kapoor, een stilleven en aan de werkwijze van een schilder in zijn atelier. Ekkers laat de hoofdpersoon in Jonge schilder in Garnwerd besluiten: ‘ik ga pas schilderen  als ik het landschap / uit mijn hart heb geleerd.’ Ook muziek komt aan bod met onderwerpen als pianospel en optredens en er is een drietal gedichten over Vivaldi, waarbij de dichter in de aantekeningen achterin de bundel filosofeert over de gedwongen kinderloosheid van de componist die immers priester was. 

    Onzichtbaar konijn

    Net als de inhoud van de gedichten is ook de vorm ervan gevarieerd. Ekkers speelt met strofen en versregels: hij schrijft prozagedichten, gebruikt opsommingen als strofe en wisselt het aantal versregels af. Niets staat vast, alles kan steeds anders. Heel bijzonder is het gedicht Kritiek:

    ‘Waarom schrijft iemand droge
     emotieloze gedichten zonder drama?’
     vroeg hij zich af en noemde me
     een soort goochelaar, een illusionist
     met een vreemde act, een onzichtbaar konijn.

     Geen drama Rogi, jij die zo veel drama
     moest ondergaan, dat het te veel werd.
     Ik zou wat geluk voor je willen goochelen
     en beter: ik zou het zwarte toverdraad
     weg willen blazen als vreemde vlokken sneeuw.

     Misschien is er geen drama, alleen maar
     raadsel, stil, wit, met oneindige vormen
     ontvouwend bewustzijn, nog in het begin
     langzaam groeiend, mythes overwinnend
     tot een totale leegte waar we elkaar weer ontmoeten.’

    Dit schreef Ekkers voor Rogi Wieg als reactie op een bespreking van Wieg bij Ekkers’ bundel Een faun bij de grens. Misschien gold de kritiek van Wieg op die bundel als juist, maar voor deze nieuwe bundel gaat dat niet op: die zit barstensvol ingeklonken drama, dat door de dichter heel gedoseerd uit de diepte naar boven wordt gehaald, met liefde en verwondering voor het leven. En droog zijn de gedichten allerminst, maar juist teder en begripvol voor elke situatie die erin geschetst wordt, of het nu om alledaagse dingen gaat of om grote gebeurtenissen. Zoals de slotstrofe in het gedicht Leven: ‘Als iemand belt en zegt dat ik moet / komen, hoe ver, het maakt niet uit.’

    Wieg had overigens wel gelijk wat het konijn betreft, al is het niet onzichtbaar, maar eerder verborgen. Want elk gedicht van Ekkers draait om een geheim, een raadsel dat niet per se opgelost hoeft te worden, maar dat het gedicht wel een extra dimensie meegeeft. Als een stil, wit konijn, dat niet uit de hoge hoed gehaald hoeft te worden om te weten dat het er is.

     

  • Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    In dromen kan alles, de wetten van de logica gelden niet en de realiteit wordt op z’n kop gezet. Beelden en gebeurtenissen lopen in elkaar over en naar een verklaring hoeft niet te worden gezocht, want die is er niet. Net als in de gedichten in deze bundel waar Bindervoet de wetten van zijn eigen wereld maakt en met woord en beeld speelt. Dat begint al op de voorkant van de bundel, waar in de vreemde titel De droom van eb inkt diervoer de letters van de laatste drie woorden losraken en langzaam door elkaar naar beneden dwarrelen, tot ze weer samenkomen in de naam van de auteur. Ook de drie motto’s die de dichter voor deze bundel koos, gaan over dromen, waarvan de reclameslogan Turning reality into dreams is now in your hands! wel de meest toepasselijke lijkt. 

    In het lange gedicht Theorema – een vreemde titel in een dromenbundel, want een theorema is juist iets dat wel bewezen is – wordt de komst van de dichter aangekondigd, die de realiteit tot een droom zal maken. Hij belooft de wereld te veranderen in een luilekkerland. ‘Luister, kindertjes, / want de dichter komt.’ Via associaties van klanken en citaten wordt de dichter voorgesteld als een magiër, die iedereen een wereld voortovert die hij wenst. Maar het klinkt ook wat dreigend, als het sprookje van de Rattenvanger van Hamelen, die de kinderen meelokt, de berg in, vanwaar ze nooit terugkeren. De ironie die Bindervoet hanteert, maakt het gedicht dubieus, alsof de magiër in werkelijkheid een louche goochelaar is. 

    Spelen met taal

    Hiermee is de toon van de bundel gezet. De dichter speelt met de taal, met de lezer, de typografie, in een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries. Een fragment uit het gedicht Recept voor een droom laat zien dat dromen en gedichten op dezelfde manier kunnen ontstaan en dat niets is wat het lijkt.

    ‘Dat je een afgehouwen oor tegenkomt
     als bladwijzer
     in een bijbel uit 1747.
     De rest volgt vanzelf –
     je komt ergens waar je
     oorspronkelijk
     niet heen wilde.
     Je vindt niet wat je zocht,
     iets waar je niet naar op zoek was.
     Een geheim.
     Een ander verhaal.
     Iets anders, wat eronder ligt,
     onder het object van verlangen.
     Vrijheid.
     Een proces.
     Een vloeiende situatie
     die je blindelings aanvaardt,
     zonder morren,
     zonder vragen te stellen,
     probleemloos.’

    Dronken feestgangers

    Terwijl dit gedicht nog tamelijk eenvoudig en ingetogen is, zijn de meeste gedichten uitbundig en luidruchtig als dronken feestgangers. Van alle kanten spat het plezier van de gedichten af. Dat begint al met de titels: Icarus achter de kinderwagen, Krentenbollen en kadavers en Yankee phone home. Ook zitten er talloze verwijzingen in naar bestaande en fictieve personen en kunstwerken. Franz Kafka, Paul van Ostaijen, Salvador Dali: ze hebben allemaal op de een of andere manier een bijdrage geleverd aan de dromen die beschreven worden. Bindervoet beweegt zich in de taal als een kind in een speeltuin: vrolijk, speels en volstrekt eigenzinnig. Het procedé dat hij gebruikt, is ook te vinden in Finnegan’s Wake van James Joyce, dat door Bindervoet samen met Robbert-Jan Henkes vertaald werd: een bewustzijnsstroom van chaotische, op het oog ongestructureerde en verwarrende ellenlange zinnen, met woordgrapjes, opsommingen, herhalingen en absurde voorstellingen. Het heeft geen zin om te proberen overal een betekenis aan te hechten; beter is het om je te laten meedrijven met de stroom van woorden en beelden die Bindervoet over je uitstort.

    Zoals niet alle dromen betekenisvol zijn, heeft de dichter ook kolderieke gedichten opgenomen die niet meer lijken te zijn dan een spel met klanken. Het gedicht Slaapliedjes is niet meer dan dat, een kinderrijmpje louter om het plezier van de nonsens, zoals Lewis Carroll ze schreef. Een van de strofen luidt, ‘Hypnos en Thanatos / Dat waren kannibalen / De ene vrat rinoceros, /De ander stoomgemalen’

    Oneindige variatie

    Hypnos en Thanatos zijn in de Griekse mythologie tweelingbroers en de personificatie van Slaap en Dood, maar behalve de titel van het gedicht is er weinig dat daarnaar verwijst. In het lange gedicht De bal, een odyssee over een voetbalwedstrijd zijn delen van woorden, letters en cijfers dan weer vet gedrukt, dan weer cursief, worden hoofdletters te pas en te onpas gebruikt en klinken woorden als POK, DOEF, TSJAK in navolging van Homerus:

    ‘zoals een oude bard het ooit verwoordde,
     zelf van het kijken met blindheid geslagen,
     zodat hij van klanken woorden maken moest,
     de tekeningen van de branding op het
     strand verbeeldend: siesoe, strss, rtsieurutss, oos!’

    Bindervoet heeft een oneindige variatie aangebracht, niet alleen binnen de gedichten, maar ook in de keuze van de gedichten, waarbij steeds het droomthema terugkeert. Soms is dat geforceerd, zoals in het gedicht terugkerende droom, waarvan alle acht de strofen hetzelfde zijn: ‘ik zat in het café / waar ik altijd kom / en er was iets normaals aan de hand:’
    Dit gedicht keert in een enigszins gewijzigde vorm terug in de bundel onder de titel terugkerende droom (2), ditmaal met acht keer de strofe: ‘ik zat in een café / waar ik nooit kom / en er was iets vreemds aan de hand’

    Een aparte afdeling vormen de twaalf haiku’s die in het Engels geschreven zijn onder de titel Dublin Dreamorama. In haiku IV (Ely Place) ziet Bindervoet kans om zowel aan de Beatles als de Rolling Stones te refereren: Soft morning city / chill, after a hard day’s night: / A red door, ajar.’ De droom van eb inkt diervoer is een bundel om met eenzelfde plezier te lezen als waarmee hij geschreven is.

     

     

  • Bedenkingen

    Bedenkingen

    Jaarlijks herdenken we op 4 mei de doden die hun leven verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog met twee minuten stilte. Elk jaar kijk ik naar de televisiebeelden op de Dam met een brok in mijn keel. Ik zie stokoude overlevenden naar voren komen, ondersteund door klein- en achterkleinkinderen, om een krans bij het vrijheidsmonument te leggen. Elk jaar zijn het er minder. Ik zie in hun ogen dat de oorlog nog niet vergeten is, dat ze nog altijd leven met de pijn van het verlies van vrienden en familie, de pijn van angst en honger. Ik zie degenen die de concentratiekampen overleefden waarvan we de namen nooit mogen vergeten: Auschwitz,  Theresienstad, Mauthausen, Birkenau. Terwijl ze voor het monument staan, beleven ze opnieuw de tijd die ze doorgebracht hebben in die helse plaatsen. Ze denken aan degenen die nooit terugkwamen, maar die hen toch nooit verlaten hebben.

    Na de herdenkingsbeelden worden er ’s avonds laat altijd films en documentaires vertoond die met de oorlog te maken hebben. Toen ik vorig jaar langs de zenders aan het zappen was, kwam er een programma voorbij over de beleving van de Tweede Wereldoorlog in Duitsland. Ik zag hoe Nazi’s hun wetten oplegden aan het volk. Er werd een zwart-witfoto getoond waarop Duitse kinderen stonden die op school de Hitlergroet moesten oefenen met uitgestrekte rechterarm, ook al wisten ze niet waarom. De foto riep dezelfde beklemmende sfeer op als de film Das weisse Band van Michael Haneke uit 2009, ook al speelt de film zich af vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in plaats van de Tweede. Maar veel leek er niet veranderd, hooguit waren de rokken van de meisjes wat korter. De foto deed me ook denken aan een gedicht van Jan Eijkelboom, omdat deze kinderen misschien wel nooit de ultieme vraag gesteld zullen hebben, maar wel de dood gauw genoeg ontdekt hebben:

    Voor wat hoort wat

    Een kind vraagt nooit
    waarom, waartoe het toch
    op aarde werd geworpen.

    Daarom en niet omdat
    het hulpeloos zou zijn
    verzorgen wij het trouw,

    vereren het als god.
    Tot het de dood ontdekt
    en een der onzen wordt.

    Toen ik beter naar de foto keek, zag ik dat een klein meisje in de schoolbank als enige haar linkerarm uitstak. Ze leek verlegen en bang. Ik zag aan haar gezicht dat ze, op hetzelfde moment waarop ze die vervloekte groet bracht, zich realiseerde dat ze het verkeerd deed. De schaamte en de angst waren haar aan te zien. In mijn omgeving was ik ook de enige linkshandige. Op school werd ik gestraft als ik met links schreef. Ik moet er niet aan denken wat dit onzekere kind voor straf kreeg voor een fout die als veel ernstiger werd beoordeeld dan de mijne. Ik hoop dat haar opvoeders mild zijn geweest, in de wetenschap dat de dagen van haar jeugd die nog moesten komen, elke straf die mensen kunnen bedenken te boven ging.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    De nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Roland Jooris (1936), Vertakkingen roept niet alleen vanwege de titel, die aan bomen doet denken, het gedicht Naamloos van Jan Arends in herinnering, althans de eerste strofen daarvan: ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen. // Wie / kan zo mager / praten / met de taal als ik?’ Ook Jooris praat ‘zo mager met de taal’ en schrijft ‘gedichten als dunne bomen’; zijn werk wordt vaak in verband gebracht met de sculpturen van Giacometti, de Lopende Mannen of de Wandelaars, die broodmager en lang uitgerekt voorovergebogen lopen, op weg naar nergens, in ‘een opeenvolging van momenten van stilstand’, zoals Giacometti ze zelf zag. Jooris heeft in zijn bundel een gedicht opgenomen dat aan Giacometti gewijd is:

    Giacometti

    Ooit
    nooit volkomen

    uit het ongewisse
    vandaan

    strak
    in geharrewar
    voorover
    een gevoel dat bewogen
    met eenzaamheid
    instemt

    als naar nergens
    een stap naar graatmager
    vergaan

    Graatmagere sculpturen

    De poëzie van Jooris loopt zoals de sculpturen: graatmager en eenzaam, op weg naar een onbekend doel. Ook de titels van de afdelingen, zoals Benaderen en Terloops hebben een verwantschap met de beelden, ze houden iets behoedzaams in en scheppen afstand. Zo zijn ook in de gedichten de mensen ‘afzijdig betrokken’ zoals Jooris het uitdrukt in het gedicht Venster. De gedichten zelf zijn vluchtig en ongrijpbaar als de muziek waaraan Jooris de afdeling Impromptu heeft gewijd. Zoals bijvoorbeeld het gedicht Sfumato (dit is een techniek waarmee schilders de omtrekken in een schilderij wazig maken en laten vervloeien):

    Sfumato

    In je dromerige aandacht
    een toon als uit een andere
    kamer

    iets wat zich niet
    laat vatten

    iets heel even

    een veeg
    die je vluchtig
    nog hoort op papier

    Sinds zijn debuut in 1956 heeft Jooris in diverse bundels blijk gegeven van een diepgaande interesse in de beeldende- en schilderkunst. Diverse bundels zijn verbonden aan werken van moderne kunstenaars en ook de cycli Naderhand en Ginds zijn eerder geschreven voor een editie met afbeeldingen van werk van kunstschilders. Ook muziek speelt een belangrijke rol in zijn gedichten. Onwillekeurig komt daarbij de vergelijking op met het werk van de componist Philip Glass, die tot de minimalisten gerekend wordt, een term die ook van toepassing is op Jooris.

    Beiden proberen met zo weinig mogelijk middelen een zo groot mogelijke impact te bereiken en door te dringen tot wat zij als het wezenlijke zien van respectievelijk de muziek en de dichtkunst. Jooris gebruikt daarvoor korte gedichten met eveneens korte regels, veel verspringingen en witregels, om de nadruk te leggen op zijn observaties en de interpretatie daarvan. Woorden als ‘suggestie’ en ‘illusie’ komen meerdere malen terug in de gedichten, evenals ‘mist’ en ‘vluchtigheid’, om het ongrijpbare dat zijn gedichten kenmerkt, nog te benadrukken.

    Teruggesnoeid tot het hoogstnodige

    Omdat Jooris zijn woorden minimaliseert en zijn gedichten terugsnoeit tot alleen het hoogstnodige, is het niet altijd even gemakkelijk voor de lezer hem te volgen. Met name de gedichten uit de eerste afdeling ‘Stapvoets’ zijn raadselachtig en houden verborgen over wie of wat het eigenlijk gaat. Het zijn abstracties van gevoelens en geven weinig houvast. Als lezer moet je van regel naar regel de wendingen proberen te volgen en de verschuivingen van de kantlijn, alsof je over stapstenen in een beek loopt, of in een boom van tak tot tak klimt om hoger te komen. Of dat bedoeld werd met de titel? In de plantkunde is vertakking de wijze waarop de stengel of de wortelstok zijtakken vormt en nieuwe groeipunten vormt, iets dat heel goed past bij de manier waarop deze gedichten zich laten lezen. 

    De andere afdelingen zijn toegankelijker, al worden ze nooit echt gemakkelijk. Door het zoeken naar al wat weggelaten kan worden, maakt Jooris door middel van taal algemene abstracties die ver afstaan van de concrete werkelijkheid waaruit ze geschapen zijn. Dat verklaart misschien waarom er in de gedichten van deze bundel zo weinig mensen aanwezig zijn: sommige gedichten spreken van een ‘hij’, zonder dat daarbij aangeduid wordt wie daarmee bedoeld is; het hoeft zelfs niet eens op een persoon te slaan. Andere gedichten richten zich tot een generiek voornaamwoord ‘jij’, waar zich meestal ongenoemd toch de eerste persoon enkelvoud ‘ik’ achter verschuilt. Er is slechts één gedicht in de bundel waarin een lyrisch ik aan het woord is:

    Vaak tracht ik te zoeken
    wat ik niet kan duiden, een
    betekenis die zich niet
    prijsgeeft, een nabijheid
    zo vrijblijvend als een
    omschrijving in de verte
    verloren de mist in

    Het is verleidelijk aan te nemen dat Roland Jooris hier in eigen persoon spreekt om de lezer deelgenoot te maken van zijn poëtisch credo. Het klinkt in ieder geval aannemelijk en oprecht. Zijn gedichten in aanmerking nemend, lijkt dat ook te kloppen. De gedichten van Jooris zijn zo abstract dat ze tijdloos worden en steeds een ander perspectief laten zien, dat afhangt van wat de lezer er op dat moment in wil zien.

     

     

  • Laat het sneeuwen!

    Laat het sneeuwen!

    De zomer komt eraan, ik ruik het in de lucht. Al gauw zal de zon branden en de snelwegen zullen vol staan met auto’s die in de file wachten om stapvoets naar de kust te gaan, met de halve bevolking erin, die een lange en saaie reis onderneemt alleen maar om de hele dag zwetend op het strand te kunnen liggen. De buren zullen barbecuefeesten organiseren en de stank van verkoold vlees zal bezit nemen van mijn achtertuin, net als de schrille stemmen van hun kinderen die mogen opblijven tot ze moe en vervelend worden. In de stad zullen, als het weer mag, alle terrassen van de cafés volgepakt zijn met mensen in korte broeken en rare petjes op. Iedereen is overal, om te zwemmen, te fietsen, te wandelen en tegen wildvreemde passanten te roepen dat het zo’n heerlijk weer is. 

    Maar ik haat de zomer. Tijdens de hondsdagen kan ik alleen maar de titel van een gedicht van Ben van Eysselsteijn prevelen als een ononderbroken mantra: ‘O, laat het sneeuwen, Heer!’ Geef mij de herfst, de winter, de lange donkere avonden. Ik hou van stilte, ik kan niet tegen de hitte, word nooit bruin, eet geen vlees. Een barbecue is aan mij niet besteed. Laat mij Yeats lezen, rustig en geconcentreerd genieten van zijn poëzie die ik pas laat ontdekt heb en nu een groot deel van mijn dagen vult. Net als met zijn biografie The man and his masks van Richard Ellmann, die ook over Oscar Wilde schreef. Het is koel in huis, de radio laat zachtjes Bach horen, de katten liggen te spinnen en ik ben gelukkig.

    Maar de zomer zal dat voor me bederven. Als ik niet oppas zal ik door goedbedoelende vrienden worden meegetrokken naar bos of strand, naar terrassen en festijnen van zon en zand. Ze vinden dat ik er ‘nodig eens uit moet’ en zullen me niet geloven als ik zeg daar geen behoefte aan te hebben. Dat ik al op stap ben geweest met Yeats, naar Ierland en het elfenrijk. En als ze beweren dat ik de enige ben die de zomer haat, zal ik Remco Campert voor me laten spreken.

    Tegen de zomer

     Niets is vernielender dan de warmte
    De kou houdt in stand, is statisch;
    de warmte beweegt met de vernieling mee
    en wekt een valse schijn
    van zon, gezondheid, zinvolle zonde
    De warmte vleit, paait, belooft,
    maakt stofgoud van stof
    liefde van begeerte,
    poëzie van leugens
    Ik hou niet van warmte,
    broedplaats van muggen en maden
    poel van limonade en andere slopende dranken
    Schenk mij liever klare
    kou en koffie,
    destructie bevroren, duidelijk zichtbaar
    en aanvaardbaar
    Wie in de kou zit schept geen illusies,
    Maar schept sneeuw, vrij ongenaakbaar,
    in de menselijke
    soms bovenmenselijke winter

    Als zelfs dat niet helpt, zit er niets anders op dan een van Yeats’ maskers op te zetten, mee te gaan en gelaten te wachten tot de eerste sneeuw wil vallen.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Vrouwenkiesrecht

    Vrouwenkiesrecht

    Mijn buurvrouw wil haar tijd niet verspillen aan de Tweede Kamerverkiezingen, want stemmen heeft geen enkele zin, zegt ze. Mijn buurvrouw is buitengewoon intelligent en heeft een eersteklas opleiding genoten. Ze heeft een uitgesproken mening over alles en ze zou me zonder moeite verslaan in elk debat, als ik zo stom zou zijn om het tegen haar op te nemen. Daarom hou ik mijn mond en ik knik huichelachtig bevestigend. Ik ga altijd stemmen, ook al weet ik niet of het iets verandert. Maar wie niet stemt, heeft ook geen recht van spreken. Die nacht droom ik dat Aletta Jacobs aan mijn bed staat. Ze kijkt me verwijtend aan met haar priemende donkere ogen. Of ik niet weet hoe hard zij heeft moeten vechten voor het vrouwenkiesrecht, vraagt ze. Hoe ze in 1883 op de kieslijst wilde van de gemeenteraad in Amsterdam, maar geweigerd werd. Alleen mannen mochten stemmen: vrouwen werden op één lijn gezet met krankzinnigen en gevangenen, die evenmin stemrecht hadden. Pas in 1922 konden vrouwen volwaardig gaan stemmen. 

    Als ik zeg dat ik dat allemaal wel weet, vraagt ze verontwaardigd waarom ik dan te laf was om tegen mijn buurvrouw te zeggen dat ze moreel verplicht is te gaan stemmen? De veertjes op haar hoed trillen mee als ze haar stem kracht bijzet. Ik vertel haar dat de stemplicht in 1970 afgeschaft werd, maar ze valt me in de rede met de woorden uit haar toespraak uit 1919: ‘Deze machtsverheffing der vrouw zal heel het Nederlandsche Volk ten zegen worden.’ Na deze patstelling beloof ik actie te ondernemen en dan laat ze me met rust. De volgende ochtend kopieer ik het gedicht van de website van schrijver en performer Babs Gons. Ze schreef het voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 ‘omdat ik anders de slaap niet kon vatten. En in de hoop dat iedereen gaat stemmen zodat niemand ooit voor niets heeft gestreden.’

    Als je niet gaat stemmen
    Zeg het dan zo zachtjes
    Dat Nelson Mandela het niet kan horen
    Laat hem met eeuwige rust
    Als je niet gaat stemmen
    Wees dan alsjeblieft zo discreet
    Dat onze voorouders
    Zich niet roeren in hun graf
    Als je niet gaat stemmen
    Laat het 1919 niet horen
    Laat Suze Groeneweg het niet horen
    Laat Aletta Jacobs met rust
    Laat het bloed op de stenen
    In de straten van
    Selma en Montgomery
    Het niet horen
    Laat het zand van Transvaal met rust
    Martin Luther King, hij mag het niet weten
    Sojourner Truth mag het niet horen
    En onder geen beding
    Laat de mannen achter de tralies
    Van de statistieken het horen
    Daar waar de stembiljetten niet worden bezorgd,
    Mogen ze er niets van weten
    Daar waar ze de stemlokalen nooit zullen bereiken
    Door de kogels en de bommen
    De afstand en de armoe
    De dictator en het geloof
    De kleur en de klasse
    Laat het ze niet horen
    Ssshhhtttt

    Ik doe het vel papier in een envelop en stop die bij de buurvrouw in de brievenbus. Anoniem, dat wel. Sorry, Aletta.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.