• Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Man en kat

    Man en kat

    Op de dag waarop ik me voorgenomen had een stukje te schrijven, werd mijn man met gillende sirene naar het ziekenhuis gebracht en bleek een van de katten nog maar op drie poten te kunnen lopen. Dagenlang pendelde ik met de bus, met lekkere hapjes, schone kleding, kruiswoordpuzzels, op en neer naar het ziekenhuis, en met de kat in het bakkie achter op de fiets naar de dierenarts. Ondertussen stapelde op het aanrecht de afwas zich op, bergen wasgoed groeiden, stond de telefoon geen ogenblik stil, moest ik boodschappen doen, afspraken afzeggen en talloze formulieren invullen. De kat had door de bezoeken aan de dierenarts verlatingsangst ontwikkeld. Ze klampte zich voortdurend aan me vast als een babyaapje aan zijn moeder. Waardoor ik alles met één hand moest doen, net als vroeger toen de kinderen klein waren. Geen tijd om een boek te lezen, laat staan om iets te schrijven.

    Ik vroeg me af hoe beroemde auteurs de hobbels van het dagelijkse leven namen eer ze aan schrijven toekwamen. Ik wist dat de vrouw van Sigmund Freud de kinderen fluisterend tot stilte maande, op dat vader zijn meesterwerken kon schrijven in zijn studeerkamer. Vestdijk liet de brommende stofzuiger alle andere geluiden absorberen als hij schreef, Rilke moest zich afzonderen in ‘heilige eenzaamheid’ en William Faulkner kon niet aan zijn boeken werken zonder een groot glas mint julep. En de vrouwen? Agatha Christie schreef overal, zolang er maar een vel papier, een pen en een enigszins hellend vlak te vinden waren. Ze kreeg haar beste ideeën voor een boek tijdens de afwas, zei ze, omdat die idiote bezigheid haar altijd op moorddadige gedachten bracht. Maya Angelou betrok een hotelkamer die ze vrijmaakte van alles wat haar kon afleiden. Shirley Jackson sloot zichzelf uren op in haar werkkamer, omdat zij met de verdiensten van haar schrijfwerk het gezin moest onderhouden.   

    En Annie M.G. Schmidt schreef  het gedicht ‘Moeder dicht’, waarin huiselijke beslommeringen, de zorg voor een kind en de dichtkunst op voet van oorlog met elkaar verkeren, maar waar het kind het uiteindelijk weet te winnen van de poëzie:

    […]

    ‘als dauw die druppelt van de trage bomen’
    Als jij nog één keer binnen durft te komen,
    dan krijg je geen vanille-vla vanavond!
    ‘zo druppelt in dit hart tezeer gehavend’
    Je moeder dicht. Ze heeft geen tijd, totaal niet.
    Als vader thuiskomt gaat het helemaal niet.
    Je moeder zou een Shakespeare kunnen zijn.
    Ze is het niet. Dat komt door jouw gedrein.

    […] Wat is dat? Hoofdje zeer?
    M’n schatje toch… Gevallen met je beer?
    Je moeder komt… na na… daar is ze al.
    Wees nou maar zoet – ’t genie staat weer op stal.

    Het leek erop dat vrouwen zich alleen aan het schrijven konden wijden als ze kind noch kraai hadden, of een stoet aan personeel die hen vrijwaarde van huishoudelijk werk. Ik hoor tot geen van beide categorieën. Ik ben allang blij, nu het met man en kat weer wat beter gaat, met een uurtje voor mezelf .

     

     

    Fragmenten uit: Annie M.G. Schmidt, Huishoudpoëzie, 1957.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 3 – 2025

    Oogst week 3 – 2025

    Hier ligt de waarheid in overdaad

    Myriem El-Kaddouri werd in 2023 kampioen Slam Poetry in West-Vlaanderen en onlangs werd ze benoemd tot stadsdichter van Kortrijk.

    Haar debuutbundel Hier ligt de waarheid in overdaad stond op de shortlist van de Granateprijs voor de bundel met het mooiste en best passende titel. Haar poëzie is maatschappelijk geëngageerd en wil een bijdrage leveren aan de strijd voor gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen. In haar werk probeert ze verbinding te zoeken tussen verleden en heden, ver weg en dichtbij, tussen individu en samenleving. Ze doet dit door geen enkel maatschappelijk probleem uit de weg te gaan, door het constant bevragen van zichzelf en de ander, in een taal die dichtbij de spreektaal blijft.

    Ook de thema’s van haar bundel zijn herkenbaar voor iedereen: vrouw-zijn, de liefde, de breekbaarheid van relaties en de angst. Daarnaast verkent ze de gevoelens die het begrip ‘migratie’ oproepen, waarbij ze duidelijk maakt dat ‘de waarheid’ niet voor iedereen hetzelfde is.

    ‘Ergens ligt een huis in puin.
     Dadelkoekjes staan in een aan stukken geblazen keukenkast
     en verwelkte bloemen zijn begraven onder gruis.
     De kettingen van een lege schommel draaien ineen
     tot ze zichzelf verstikken.
     Een bezoeker confisqueert schaamteloos het beeld
     en wint de hoofdprijs: een nieuwe camera en een reis naar Ibiza.’

     

    Hier ligt de waarheid in overdaad
    Auteur: Myriem El-Kaddouri
    Uitgeverij: Vrijdag

    Te midden van alles

    Frans Budé (1945) debuteerde op drieëntwintigjarige leeftijd met gedichten in Elseviers Weekblad. Sindsdien heeft hij zestien bundels het licht doen zien, waarvan Te midden van alles de nieuwste is. In 2018 ontving hij de Leo Herberghs Poëzieprijs. 

    Zijn poëzie is te plaatsen in de traditie die in Nederland wordt vertegenwoordigd door dichters als Gerrit Kouwenaar en H.C. ten Berge: oeuvrebouwers die een grote nadruk leggen op het ‘talige’ karakter van hun dichtwerk. In zijn werk getuigt hij van zijn liefde voor de natuur en de beeldende kunst: zo ontleent hij inspiratie aan de 30.000 jaar oude grotschilderingen in de ‘Grotte Chauvet’ in de Franse Ardèche. Alsook aan het werk over leegte, leven, dood en liefde van de Franse beeldhouwer Germaine Richier (1902-1959), de schilderijen van de hedendaagse Nederlandse beeldend kunstenaar Bep Scheeren en aan het werk van de in Wit-Rusland geboren Joods-Franse kunstenaar Chaïm Soutine (1893-1943).

    In deze bundel probeert Budé een verborgen werkelijkheid te ontdekken die aan het dagelijkse leven ontstijgt. Met groot inlevingsvermogen laat hij de doden spreken en geeft hij zich over aan de schoonheid van de natuur. 

    ‘Het leven komt en gaat voorbij. Voor en na
     speelt de tijd met ons een spel van winnen en
     verliezen. Vastgesnoerd aan regels en richtlijnen,
     –
     dag en nacht zoekend naar gaten om te ontsnappen,
     doorgangen naar wat bereikbaar is. Het is de liefde
     die redt, de schoonheid van ontroerende landschappen
     –
     die vol verwachting klaarligt. Wij allen, voorzichtig
     balancerend door het leven, ons bewust dat we ooit
     de afslag moeten nemen onderwijl het carrousel
     –
     almaar voortrolt, daaromheen een onbestemd ruisen
     als een spiraal van zich steeds herpakkende tegenwind.’

     

    Te midden van alles
    Auteur: Frans Budé
    Uitgeverij: Meulenhoff

    Plakboel

    Sinds 2000 wordt elk jaar eind januari poëzie extra in de kijker gezet. Op initiatief van Poetry International werd de laatste donderdag van januari uitgeroepen tot Gedichtendag. Een breed samenwerkingsverband van dichters, literaire organisaties, scholen, bibliotheken en andere verenigingen zorgde ervoor dat de donkere januaridagen in Vlaanderen en Nederland een poëtische invulling kregen. Bij elke editie werd aan een dichter gevraagd om 10 gedichten te schrijven die aansloten bij het thema van Gedichtendag. De eerste Gedichtendagbundel werd geschreven door Toon Tellegen. Later volgden onder meer nog Hugo Claus, Tom Lanoye, Remco Campert, Judith Herzberg, Antjie Krog.

    Door het grote succes van de Gedichtendag werd in 2013 besloten om van Gedichtendag een Poëzieweek te maken.

    Dit jaar is de poëzieweek van  donderdag 30 januari (Gedichtendag) tot en met
    woensdag 5 februari. Vanaf 30 januari is het poëziegeschenk gratis te verkrijgen bij de boekhandel bij aankoop van minimaal €12,50 aan Nederlandstalige poëzie. 

    Dit jaar is het poëziegeschenk, Plakboel geschreven door de Vlaamse schrijfster Charlotte Van den Broeck (1991). Haar eerste twee dichtbundels werden overladen met lof en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs en de Paul Snoeckprijs. Haar prozadebuut Waagstukken, een bestseller met meer dan 25.000 verkochte exemplaren, viel eveneens in de prijzen. 

    De bundel bevat nieuwe gedichten, waaronder een lang erotisch gedicht met de titel ‘Plakboel’, geïnspireerd door het thema van Poëzieweek 2025: Lijfelijkheid.

     

    Plakboel
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: Poëziecentrum
  • Prozagedichten en de sfeer van Zen-verhalen

    Prozagedichten en de sfeer van Zen-verhalen

    Dichter, vertaler, schrijver en muzikant Scott Rollins (New York, 1952) woont sinds 1972 in Nederland. In 2001 bracht hij een spoken word-cd met tekstboekje uit,  After the Beep getiteld. Na drie dichtbundels in zijn moedertaal was Grenstekens (2020) zijn Nederlandstalige debuut als dichter, in 2023 gevolgd door zijn de bundel Spiegelschriften.

    Op het omslag staat de titel met daartegenover de spiegeling van het woord gescheiden door een reeks voetstappen in het zand. Twee sporen waarvan het ene gaat en het andere terugkomt. De wijde hemel erboven en de horizon in de verte roepen een sfeer van meditatie en bezinning op. Ook de inhoud van deze bundel doet denken aan Zen-verhalen, die hun inspiratie uit het dagelijkse leven halen en als allegorieën dienen ter ondersteuning van levenslessen. De vergelijking gaat misschien niet helemaal op, maar de korte prozagedichten die hier in vier afdelingen bijeen zijn gebracht, lijken te zijn bedoeld als bespiegelingen, als reflecties die tot nadenken dwingen. De titel brengt tot uitdrukking dat de een zich gespiegeld ziet in de ander, evenals dat ervaringen en gedachten van anderen ons een spiegel kunnen voorhouden.

    Op reis door verschillende landen

    De gedichten zijn als korte verhalen van meerdere alinea’s van slechts enkele lange zinnen, die doen denken aan de zkv’s van A.L. Snijders. Ze bevatten een schets van een gebeurtenis, een dialoog, een beschouwing. De uiterlijke vorm heeft geen herkenbare kenmerken van een gedicht, maar de inhoud met zijn poëtische metaforen en ingeklonken taalgebruik wijzen erop dat deze filosofische schetsen tot de poëzie gerekend mogen worden.

    In de eerste afdeling, Spiegelschriften, neemt de dichter de lezer mee op een reis door verschillende landen: Servië, Klein-Azië, het Amazonegebied. Overal zijn er mensen die iets te vertellen hebben, het verhaal van hun voorouders, van hun huwelijk, de instorting van hun financiële zekerheid, een brand die een onverzekerd huis verteert: ‘Nu pas realiseert hij zich dat hij niet verzekerd is terwijl de / sneeuw onverschillig verder valt. Nu pas beseft hij wat er bijna / gebeurd is terwijl hij de verschroeide restjes van boeken in / zwarte polyethyleen zakken propt. Nu pas begrijpt hij dat de / bijtende nasmaak die hij met klodders slijmvliezen uit zijn keel / blijft ophoesten hem tot andere inzichten brengt. Nu pas ziet / hij werkelijk hoe dun de lijn is tussen warmte en kou, erbinnen / of erbuiten zijn, middenin de sneeuw die nu naar binnen stuift, / tot in de verkoolde hoeken van de kamer. // Hij kijkt naar de meeuwen die ogenschijnlijk in het niets naar / een voor ons onzichtbare bestemming vliegen. Thuis denkt hij, / zit in je hoofd, het is een denkbeeld, een flinterdun bouwsel dat / we maken om in vrede te wonen, terwijl meeuwen thuis zijn in / het zweven.’

    Hun gedeelte van de realiteit

    In de afdeling Hoofdstad zijn de bewoners van Amsterdam aan het woord die vertellen wat hen bezighoudt. Of het in een torenflat is, of bij een haven aan het IJ, overal zijn mensen eenzaam, ondanks hun pogingen in gesprek te raken met elkaar. Een visser, toeristen, een zakenman, een junk Raveman geheten, zij geven allen een ander aspect van de hoofdstad weer. Hun verhalen zijn universeel en stijgen boven het persoonlijke element uit door de blik waarmee de dichter hen beziet. 

    Het perspectief van waaruit verteld wordt, kan per gedicht verschillen: nu eens is een ik-figuur aan het woord van wie niet altijd duidelijk is of dat het lyrisch ik van de dichter is of dat een willekeurige passant zijn levensverhaal doet. Dan weer gaat het over iemand die zelf niet betrokken wordt als spreker. Verschillende stemmen klinken op om hun gedeelte van de realiteit weer te geven. Als lezer is het zaak om aan de hand van wat er staat, die realiteit vorm te geven en in een samenhangend geheel onder te brengen. Pas dan wordt het wereldbeeld dat Rollins aanschouwelijk maakt compleet en krijgt een diepere betekenis.

    De moderne, steeds veranderende maatschappij en de invloed daarvan op de mens – en vice versa – staan centraal in de afdeling Screenshots, waarbij oorzaak en gevolg steeds opnieuw kritisch onder de loep  worden genomen door de dichter om vast te stellen wat aanleiding en wat resultaat was. Of het nu om de coronacrisis gaat, het maken van selfies of de strijd voor een betere wereld, Rollins legt niets op, schrijft niets voor. Hij suggereert door zijn manier van beschrijven dat het de bedoeling is dat die op verschillende manieren bekeken dient te worden. Want er is niet één algemeen geldende waarheid, iedereen heeft zijn eigen visie op authenticiteit. Rollins spoort lezers aan om daarover na te denken en de visie van anderen te respecteren. Hoe verschillend we ook denken, uiteindelijk streven we allemaal naar geluk. 

    Uitbundig en intiem spel met taal 

    ‘Je groeide snel op en ging de wereld in. Televisie had veel fami- / liegeschiedenis overschaduwd. Een generatie geleden luisterde / men gezamenlijk naar de radio en daarvoor zat men rond het / vuur om verhalen te delen. Maar de buis had je grootgebracht, / je aan de waslijn gehangen, je verbeelding bijna weggespoeld / met allerlei soaps. Dus om jou te vinden, opa, moet ik vechten / om je te herscheppen uit de verhalen van mensen die nog net / leven, die je toentertijd hebben gekend. Luisteren naar hun her-
     / inneringen waarvan de ene nog vager was dan de andere, als / harten die je hoort kloppen ergens in een woestijn.’

    De laatste afdeling, Tijdcapsules, is de meest persoonlijke van de bundel. Het lyrisch ik lijkt samen lijkt te vallen met de dichter. Hij bezingt een oude vriend in een requiem, hij dicht lyrisch over het insect beekschaatsenrijder, zoals Guido Gezelle zijn ‘schrijverke’ bezong, hij observeert een muis die op zijn tenen loopt, ‘[…] uitzonderlijke gevallen/ waarin wij stervelingen even stil blijken te staan bij een kos-/ misch moment’. Kleine persoonlijke voorvallen groeien uit tot iets van universele omvang, wat ook de bedoeling is van een tijdcapsule, die evenals deze gedichten gevuld is met voorwerpen en informatie, bedoeld om mensen in de toekomst te helpen een beeld te krijgen van een bepaalde tijdsperiode.

    Vooral in deze laatste gedichten speelt hij een uitbundig en toch intiem spel met de taal, dat deze bundel bijzonder maakt, om te herlezen en opnieuw je gedachten erover te laten dwalen.

     

     

  • Mensen van goede wil

    Mensen van goede wil

    Met de kerstdagen gaan wij dit jaar naar een restaurant. Ik zie er tegenop om thuis te koken: een van onze kring is vegetariër, twee moeten glutenvrij eten, eentje eet halal, en een heeft diabetes waarmee rekening moet worden gehouden. Kerstmis heeft ook niet voor ieder van ons dezelfde betekenis. Ons kleine gezelschap bestaat uit een afvallige katholiek, een vrome moslim, drie overtuigde atheïsten, een orthodox-christelijke gelovige en een twijfelende agnost. Het wordt vast een feestelijke bijeenkomst, maar de reden ervoor is bijna uit het geheugen verdwenen. 

    Ik denk een beetje weemoedig terug aan Kerstmis toen ik klein was en mee mocht naar de nachtmis. Hoe ik van mijn moeder dikke truien moest aantrekken, met kranten op de borst tegen de felle kou. Hoe we naar de kerk liepen en onze voetstappen kraakten in de sneeuw. Het gezang in de kerk, dat wel van engelen leek te komen, de lichtjes, de kaarsen. En dan door de stille nacht naar huis, waar mijn vader op ons wachtte met hete chocolademelk en zelfgemaakte worstenbroodjes. De wereld was nog veilig klein en vredig. Nu is de wereld groot geworden en verre oorlogen zijn verontrustend dichterbij gekomen.

    Maar met Kerstmis praten we niet over politiek, niet over de brute inval in Oekraïne of de verschrikkelijke slachtingen in Palestina. Voor één keer in het jaar wil ik ogen en oren sluiten voor alle ellende in de wereld en denken aan ‘vrede voor mensen van goede wil’. Maar die vertaling van Lucas 2:14 is in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2021 veranderd in ‘vrede voor mensen die God liefheeft’, waarmee een onderscheid geschapen wordt dat niet verbindt maar verdeelt. Bovendien ligt de nadruk nu op de willekeur van het opperwezen en niet meer op goede intenties van de mensen.

    Ik denk aan Kerstmis 1914, toen twee vijandige legers het kerstfeest met elkaar vierden vanuit de loopgraven en de waanzin van de oorlog voor één nacht vergeten werd. Dat na het kerstbestand de wapens weer werden opgepakt, doet niets af aan het feit dat zij bereid waren zich te verbroederen in de wetenschap dat zij allen als lammeren naar de slacht gestuurd waren om te sneuvelen voor een politiek geschil waarvan ze de reden niet kenden. In die éne nacht was er vrede, omdat zij van goede wil waren. 

    ‘Kerstvrede

     Er werd gevuurd en gekorven,
     In de loopgraaf werd het stil.
     Vredeloos zijn gestorven
     Menschen van goeden wil.

     Thans naket de ongeëvenaarde
     Wonderzachte nacht.
     Wit staat de dood op wacht.
     Gods kinderen hebben de aarde.’

    Nu wankelt de wereld opnieuw omdat de machtsverhoudingen scheefgetrokken zijn. Wie het hardst schreeuwt, krijgt de meeste aandacht. Voor velen is de nacht nooit meer stil en vrede lijkt een vergeten begrip te zijn. Waar zijn nu de mensen van goede wil, die hun wapens weggooien en zich verbroederen met hun vijanden? Niet in de politiek, niet in de kerken, niet eens meer in de Bijbel. Misschien vind ik ze in het restaurant. 

     

    Uit: De zware kroon van René De Clercq (1877-1932)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Een voorbereiding op wat komen gaat

    Een voorbereiding op wat komen gaat

    In deze bundel wordt al snel duidelijk, ook zonder de achterflap  gelezen te hebben, dat iemand aan het woord is die afscheid neemt. Van zijn verleden, van zijn dierbaren, van het leven zelf. Bij de dichter Koen Stassijns (1953) is longkanker vastgesteld. Zijn bundel Het huis waar alles verdwijnt bestaande uit drie afdelingen, is een reflectie op deze diagnose. Het huis uit de titel is een metafoor voor het lichaam en voor het leven zelf, waarvan de bestaande zekerheden hem een voor een ontvallen. Hoewel zijn ziekte slecht één keer bij name wordt genoemd in het eerste deel van het gedicht ‘Herinneringen’, als een arts de diagnose stelt, is de hele bundel een voorbereiding op wat komen gaat. 

    In de eerste afdeling, ‘Nieuwe hemelingen’ is een verwijzing naar zijn bundel Hemelingen (2019). Hemelingen zijn overleden mensen. Zij zijn gaan ‘hemelen’ en zijn engelen geworden. Stassijns schrijft gedichten over zijn eigen hemelingen en over het bestaan dat hij voortaan zonder hen moet leiden. Ze helpen hem in moeilijke tijden en beloven hem te begeleiden als het zo ver zal komen wanneer hij zelf aan de beurt is om een hemeling te worden.

    De angst te verliezen

    De dichter herinnert zich zijn ouders, zijn geboortedorp en schooljaren. In pakkende beelden zonder sentimentaliteit beschrijft hij voorvallen alsof hij er al afstand van heeft genomen en hij een buitenstaander is die naar de film van zijn eigen leven kijkt. Hoogte- en dieptepunten worden beschreven: ‘ik kan ze alleen bewaren in schamele woorden’, zegt hij in gedicht ‘2. Mijn moeders’. Hoewel de dichter aangeeft niet bang te zijn voor de dood, lijkt dat gezegd te zijn om zichzelf moed in te spreken, zichzelf te troosten.

    De angst die wel degelijk door de bundel waart, is niet zozeer om te sterven als wel om alles al te moeten verliezen voordat het werkelijke einde zich aankondigt. Dat begint al vroeg: als kleine jongen aan moeders hand beseft hij al dat wij als mensen weerloos zijn tegen de grote overmacht die ieder van ons beheerst. Hij verliest vrienden, een echtgenote, zijn ouders; is het niet door de dood, dan wel door het leven dat mensen uiteen slaat. Alles en iedereen is een herinnering geworden.

    ‘Wat heb ik te verliezen. Ik ben er goed in
     geworden. Drie vrouwen, drie dochters ben
     ik kwijtgeraakt, mijn abonnement op God,
     ten slotte vele vrienden. Ik ben een vod
     geworden, een aftandse vlag zonder land.’

    Dicht hij in de eerste strofe van ‘Mijn hemelingen’. In de laatste strofe, waarin ‘Hij’ de dood voorstelt, wordt de indruk gewekt dat de dichter zelf alles van waarde ontdoet om er gemakkelijker afscheid van te kunnen nemen:

    ‘Hij gomt de hartstocht weg uit mijn herinnering.
     Wat heb ik te verliezen? Een lichaam, een vriend,
     een vrouw die me bedroog, een God die me blind
     misbruikte toen ik een onooglijke jongen was?
     Of een leven dat zijn zin in het vergeten vindt.’

    Oefeningen in sterven

    In de tweede afdeling, ‘Het huis waar alles verdwijnt’, worden gebeurtenissen, voorwerpen en mensen van hun belang ontdaan. Soms klinkt dat bitter en gedesillusioneerd alsof de dichter bij leven al koud en ongevoelig tegenover wat hem eigenlijk lief moet zijn, staat. Het lijkt een afweermechanisme tegen pijn en angst, de dood voor willen zijn om als het erop aan komt van tevoren afgedaan te hebben met alle aardse zaken. Het huis staat centraal en is een symbool voor alles waarop de dichter dacht te kunnen bouwen: zijn lichaam, zijn leven, zijn ouders, zijn relatie met een vrouw.  ‘Mensen willen weten wat ze aan elkaar hebben/ maar wij vergissen ons zo vaak.’ Maar ook: ‘we hebben geleerd// om ook ons huis van tegenslagen te bouwen.’ De herinneringen kunnen ook troost bieden, niet alles was verkeerd, al blijven er meer vragen dan antwoorden over.

    De laatste afdeling, ‘De laatste meters’ bevat gedichten met titels als de kleine cyclus ‘Oefeningen in sterven’ en ‘De verlossing’. De naderende dood lijkt niet meer zo afgrijselijk, maar eerder een ‘één worden met het wit’. De dood wordt zelfs liefkozend toegesproken met een zelfbedacht koosnaampje, ‘Doodjedood’, een ‘maatje’, en er is sprake van ‘rusten in de schoot van de dood’. De dichter lijkt zich verzoend te hebben met zijn nabije einde: ‘Het komt, het nadert, het glijdt op me af,/ het wacht nog even en het neemt zijn tijd./ Ik weet dat het niet lang meer duurt, het tuurt/ voortdurend naar een kwetsbaar ogenblik.’ 

    Verhalend en melancholiek

    De gedichten zijn melancholiek en verhalend, zoals een droom die na het ontwaken werd opgeschreven, of als een sprookje, een oud verhaal. Dat wordt nog versterkt doordat de dichter begrippen uit de Griekse mythologie in zijn gedichten verwerkt, zoals de hellehond Cerberos, de rivier de Styx die de grens vormt tussen de boven- en de onderwereld. Of de Lethe, de rivier in de onderwereld die alles doet vergeten als je van het water gedronken hebt. Het meest veelzeggende gedicht is het allerlaatste uit de bundel, waarin alles samenkomt wat de dichter eerder heeft aangeroerd.

    ‘Het dode kind

     Ik hield een dood kind in mijn armen en wist niet
     waar het vandaan was gekomen, uit welke kamer
     van mijn hart. Ik zag dat ik niet droomde, het lag
     daar stil, verstard, ik stutte zijn hoofd met een hand
     en voelde een lijfje dat in zichzelf verzonk.

     Ik wiegde het, als om iets goed te maken, zong
     een liedje waarop het gaandeweg in zou slapen.
     Ik zong van lammetjes en hun wollige schapen
     die, eens geschoren, wolken werden die de sprong
     naar de hemel en de eeuwigheid zouden wagen.

     Maar het kind verdween niet uit mijn schoot, het bleef
     hier liggen, met zijn verglaasde ogen halfopen.
     En hoezeer ik het wou overdragen aan de tijd,
     het haakte zich vast. Toen keek ik het aan en trok
     bleek weg. Het leek als twee druppels water op mij.’

    Wie geconfronteerd wordt met de dood van zichzelf of van een ander, kan troost en herkenning vinden in de gedichten van Stassijns, maar ook de bevestiging van angst en onwetendheid. De opdrachten die hij zichzelf geeft of die hij opgelegd krijgt door een innerlijke stem zijn bedoeld om te helpen het sterven te vergemakkelijken. Hij brengt zichzelf dichter bij de dood door in zijn gedichten te onderzoeken wat er allemaal bij komt kijken als je sterft. Of dat voor iedereen geldt, is nog maar de vraag. Sterven is een eenzaam proces, net als geboren worden. Dat de dichter met deze bundel een dappere poging heeft ondernomen zich met de dood te verzoenen, is duidelijk.

     

     

  • Oogst week 49 – 2024

    Oogst week 49 – 2024

    Hout

    Erik Lindner (1968) heeft inmiddels twee romans en zes dichtbundels geschreven. Lindner is tevens oprichter van het tijdschrift Terras. Daarnaast schrijft hij recensies voor onder meer Ons Erfdeel, is adviseur en coördinator van het literaire programma van de Jan van Eyck Academie en docent poëzie van de Schrijversvakschool Amsterdam. Dit jaar verscheen zijn zevende bundel Hout. Het losse gedicht Hout verscheen al in 2021 bij Uitgeverij Druksel. 

    Lindners poëzie is bedachtzaam en schenkt aandacht aan wat zich aan hem voordoet. Zijn observaties worden in woorden vastgelegd zoals verf wordt aangebracht op een schilderij, ogenschijnlijk neutraal en afstandelijk, maar met verborgen emoties.

    ‘Klei fluit
     als je er water op gooit
     Ignace, de schep boven zijn hoofd
     staand in de put die hij voor zich groef
     met zijn spade een skelet doorklievend, het uitgravend
     het zwarte polshorlogebandje rond de tattoo op zijn arm
     materiaal dat geen vorm krijgt maar geluid maakt
     de regen valt op zijn rug als hij stuit op de klei
     die diep in de grond naar hem fluit

     een trein die bijna is aangekomen waarvan
     de slag over de bielzen vertraagt

     vuur laait manhoog op uit de put
     vlammen slaan om elkaar naar de lucht’



    Hout
    Auteur: Erik Lindner
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jullie weten niet wat liefde is

    Raymond Carver (1938-1988) is vooral bekend als schrijver van bondige en schijnbaar laconieke short stories, maar zijn poëzie doet daarvoor niet onder. Zelf zei hij dat hij als dichter begonnen was. Zijn gedichten kennen dezelfde minimalistische stijl als de verhalen en worden gekenmerkt door het fundamentele verlangen naar liefde en acceptatie. Jullie weten niet wat liefde is werd vertaald door Joris Iven.

    Opgegroeid in armoede was Carver tot zijn veertigste verslaafd aan alcohol, maar na een ommekeer in zijn leven schreef hij in tien jaar de verhalen en gedichten die hem tot een van de grootste Amerikaanse auteurs maakten. Zijn werk gaat meestal over mensen aan de onderkant van de maatschappij, relaties die stuklopen, de uitzichtloosheid van het leven en de troost van de drank. Carver was een van hen en hij vergat nooit waar hij vandaan kwam.

    Ook toen hij zijn leven veranderd had, bleef hij zich betrokken voelen bij deze mensen, over wie hij schreef zoals nooit iemand eerder had gedaan. Joris Iven is dichter en vertaler van poëzie. Hij vertaalde van Carver al eerder de bundel Where Water Comes Together with Other Water in Waar water samenvloeit met ander water (2015).

     

    Jullie weten niet wat liefde is
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: P

    Vuurbloem

    Roan Kasanmonadi (1995) is schrijver, moderne danser en psychiater in opleiding uit Rotterdam. Hij studeerde Geneeskunde en Filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en Moderne Dans aan de Fontys Dansacademie. Hiernaast is hij arts in opleiding tot psychiater en tot moderne danser. 

    Hij was in 2021 en 2022 onderdeel van Poetry Circle 010 en treedt geregeld op als spokenwordartiest. Roan Kasanmonadi debuteerde in september met de dichtbundel Vuurbloem en stond een maand later meteen op de 41ste Nacht van de Poëzie. 

    In zijn werk combineert hij abstracte associaties met alledaagse taal en verwijzingen naar popcultuur. In deze bundel schrijft hij over zijn zoektocht naar een plaats in de wereld en over het verlangen te ontsnappen, over hoe het leven je kan neerslaan en hoe je weer overeind moet krabbelen.

    ‘Driemaal kraait de haan als ik
     opnieuw een ongelezen boek in de kast zie staan
     het is ochtend in mijn jeugd
     ik vermoed dat het ochtend is
     een frisse decembermorgen
     sneeuw op ons beeldscherm
     nu er nog stroom bestaat
     laat het ijzer zich het beste smeden

     er is een haan bevroren
     op een ochtend in december’



    Vuurbloem
    Auteur: Roan Kasanmonadi
    Uitgeverij: Lebowski
  • Bilocatie

    Bilocatie

    Op een terras in Tilburg rust ik uit van mijn omzwervingen over de jaarlijkse boekenmarkt en lees een boek van Wim Daniëls dat ik zojuist gekocht heb. Hartje Helmond, een dichtbundel over mijn geboortestad. Ik waan me weer terug in Helmond en ik volg het spoor van Daniëls door de Heistraat, de Molenstraat en over de Steenweg waar ik zo vaak gelopen en gefietst heb. Als er ineens een jonge vrouw voor me staat om mijn bestelling op te nemen, antwoord ik automatisch in het dialect van mijn jeugd. Ik ben vergeten waar ik me bevind. Ze spert haar ogen wijd open en staart me aan alsof ik van Mars kom. Ze verstaat me niet, zegt ze. In één klap ben ik terug op het terras. Toe nou meid, we zijn nog steeds in Brabant en het Tilburgse dialect mag dan niet zo schurend zijn als het Helmonds, het is er niet zo vreemd aan hoor. Maar misschien is ze wat we in Brabant zo onvriendelijk ‘Hoog-Hollandse import’ noemen, van over de grote rivieren. Dus herhaal ik mijn verzoek in standaard Nederlands. Als ze mijn kopje koffie gebracht heeft, vraag ik me af of ik zojuist inderdaad lijfelijk op een andere plek was? Zou ik de gave van bilocatie gekregen hebben, alleen omdat ik een boek las? Het zou me niet verwonderen.

    Je kunt door te lezen Zeven jaar in Tibet doorbrengen, of een Omweg naar Santiago maken, je warmen aan Kampvuren langs den evenaar, je kunt Terug naar Oegstgeest, of met de Nachttrein naar Lissabon gaan. Je kunt de hele wereld zien zonder ook maar een stap te zetten. Niet alleen laat literatuur je reizen in de dimensie van ruimte, maar ook nog eens in tijd. De vraag die op het labeltje van een theezakje wel eens gesteld wordt, ‘in welke tijd zou je het liefste willen leven’, kun je alleen beantwoorden als je boeken over het verleden gelezen hebt en een idee hebt van hoe het leven toen geweest moet zijn. Of boeken in het genre sciencefiction, als je liever naar de toekomst reist. De wereld en alles daarbuiten ligt voor je open zonder dat je een stap hoeft te zetten. De dichter Daniël Billiet heeft dat zo mooi beschreven in zijn gedicht ‘Wat boeken doen’.

    ‘Ook de stoel kan niet meer
     blijven zitten.

     Zo woelen woorden
     zich los van de zinnen, vlammen
     op in mij, binden mij
     vleugels aan, zingen van de wereld
     in dit boek.

     Mijn lezen vreet de kamer
     leeg. Nu duurt nu geen ogenblik
     maar uren avonturen.

     Het raam barst open
     en voert mij, ontvoert mij
     naar de hele wereld buiten
     in mijn boek.’

    De kracht van literatuur brengt je naar andere landen, andere tijden, buiten jezelf. Ze bracht mij in ieder geval helemaal naar huis terug. De jonge vrouw komt mijn lege kopje halen en vraagt of alles naar wens was. Ik antwoord niet, ik knik alleen, wij spreken niet dezelfde taal. Ik ben niet eens meer aanwezig, ik ben allang weer weg.

     

    Uit: Moenie worry nie / Daniël Billiet (1999)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Twee dichters en het wezen van hun dichterschap

    Twee dichters en het wezen van hun dichterschap

    In zijn tweede bundel Mulhacén, bezingt Jonas Bruyneel, voormalig stadsdichter van Kortrijk, een voettocht in Spanje van Granada naar Mulhacén in de Sierra Nevada. Dit doet hij in de vorm van copla’s, een syllabische dichtvorm die populair was onder het gewone volk in Spanje. Een copla bestaat meestal uit vier versregels van elk acht lettergrepen en de inhoud gaat vaak over dood, verlangen, of de liefde, met soms een scabreuze connotatie. In Nederland zijn het vooral Werumeus Buning en Hendrik de Vries geweest die vertalingen hebben gemaakt of zelf copla’s hebben geschreven, waarbij de regel van acht lettergrepen niet altijd gehandhaafd werd. Bruyneel doet dat wel, maar gebruikt geen eindrijm zoals in de traditionele copla gebruikelijk is. Maar door de vele alliteraties en assonanties is zijn poëzie muzikaal en klankrijk. Het ritme van de verzen doet door de consequent volgehouden acht lettergrepen per strofe denken aan de regelmatige stap van de geoefende wandelaar. 

    Maar opvallender dan het gebruik van de copla is de introductie van zijn reisgenoot, de in 1936 gestorven Spaanse dichter Federico Garcia Lorca, die door velen als de grootste dichter van Spanje wordt beschouwd. Hij werd geboren in Granada en het is van daaruit dat hij de dichter vergezelt. Samen beginnen ze aan hun reis, die in zes af te leggen etappes is verdeeld, die tevens de afdeling van deze bundel aangeven. Die afdelingen worden van elkaar gescheiden door zwart-wit tekeningen die de eenzaamheid van het landschap onderstrepen.

    Voorbije en huidige tijd in poëzie

    Beide dichters zoeken tijdens de tocht naar het wezen van hun dichterschap: wat is er nodig om van een mens een dichter te maken? Wat is de betekenis van poëzie in zowel de voorbije wereld van Lorca als de huidige van het lyrisch ik?

    ‘Op de vlucht voor een bar broedland
     en ongastvrije poëzie
     die geen hechting met het hart vindt
     Of uit veelkleurig verlangen.’

    Lorca vertelt over zijn jeugdjaren en beschrijft een Spanje dat niet meer bestaat, een land dat gebukt ging onder het repressieve regime van Franco. De dichter luistert en geniet van het landschap dat hetzelfde is gebleven en dat hij in beeldende bewoordingen beschrijft voor de lezer. Bruyneel doet dat zo goed, dat je de indruk krijgt dat hij Spanje wel heel goed moet kennen.

    ‘We kijken naar de trillende
     omlijning van de bergtoppen.
     In de avondzon dobberen
     de melkachtige eilanden. 

     De schaduw etst zwarte bressen.
     In de vormloze schemering
     lezen kloven als zinsneden
     uit vergeten Moorse verzen.’

    De stem van Lorca

    Bruyneel vervlecht de huidige tijd met de tijd waarin Lorca leefde. Ze zien een meisje dat een ‘tiktokdansjes’ maakt, iemand zit met een IPad zit op schoot, maar evengoed komen ze soldaten tegen die een jonge arrestant met een zweep martelen. Tijd en ruimte vervloeien in elkaar en zorgen ervoor dat er ook tijdens de tocht van de dichter met Lorca nog overal gevaar dreigt van de rechtse milities uit de tijd van Franco.

    Het was algemeen bekend dat Lorca uitgesproken socialistische denkbeelden verkondigde. In juli 1936 brak de Spaanse burgeroorlog uit, in augustus van dat jaar zou Lorca vermoord zijn door nationalistische milities. Andere bronnen vermelden dat Lorca vermoord zou zijn vanwege zijn homoseksuele geaardheid die hij niet wilde verbergen. De ware toedracht is tot op heden nog niet gevonden. Hij werd een symbool van het antifascisme. Tot 1953 werd zijn werk voor het publiek verborgen gehouden. Pas daarna ontstond de waardering. Bruyneel laat Lorca hierover het volgende zeggen.

    ‘Op een manier waren Franco
     en ik met elkaar verbonden.
     Toen hij stierf, hervatte de tijd
     en durfden ze mijn naam te noemen.’

    Het leven van Lorca wordt besproken in herinneringen: zijn liefde voor Salvador Dali,  zijn reizen, de rol die muziek voor hem speelde. Maar overal volgt de dood hem als een schaduw. Bruyneel laat Lorca overal waar hij gaat een revolver meenemen. Dit wapen wordt het symbool van de ontsnapping, van een zelf te kiezen dood als de nood aan de man komt. 

    Naarmate de reis vordert, wordt het landschap grimmiger. Kou en warmte wisselen elkaar af, harde wind en onweer teisteren het land, een grote dreiging is voelbaar in de woorden die Bruyneel zorgvuldig gekozen heeft. 

    Bestemming bereikt

    Bovenop de top van de berg, als uiteindelijke bestemming, voltrekt zich het drama waar gedurende de gehele reis op gezinspeeld is: Lorca sterft door een kogel uit de revolver, of het door eigen hand is of niet wordt niet duidelijk. Zoals na zijn dood zijn poëzie werd vrijgegeven, zo is nu ook de dichter vrij om te kiezen waar hij voor wil staan in zijn poëzie. De dood van Federico heeft de dichter bewust gemaakt van de maatschappij waarin hij leeft en welke rol poëzie daarin kan spelen.

    Op de terugweg van de top van Mulhacén naar Juviles waar het landschap zich groen voor hem ontvouwt, ontdekt hij een grot waar hij wil wachten.

    ‘Ik wacht in de grot tot kleuren,
     namen en liefde niet doden.
     Accenten en omhelzingen
     niet als dreiging worden gezien.

     Ik wacht tot krachtige leiders
     niet langer meer vol nostalgie
     gewenst worden voor de toekomst
     van Federica’s en mijn land.’ 

    Deze bundel neemt je mee door Spanje, alsof je aan de zijde van de twee dichters loopt. De landschappen en de mensen die er wonen worden zo beeldend beschreven dat je ze voor ogen ziet alsof je erbij bent geweest. Een reisverhaal in dichtvorm, een zwerftocht die in feite een zoektocht naar de ziel is. Bruyneel heeft door de geest van Lorca als metgezel te kiezen een verbinding gemaakt met de tijd waarin deze grote dichter leefde. Ook in onze tijd zal de poëzie zich opnieuw moeten definiëren om gericht te worden als een wapen in de strijd tegen onderdrukking en machtsvertoon.



  • Oogst week 45 – 2024

    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond

    De gedichten van Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen, 1930-2011) waren voor vele lezers de eerste kennismaking met moderne poëzie. Vooral in de jaren zestig en zeventig werden verschillende van haar bundels opnieuw gedrukt in verband met het zich manifesterende feminisme in die jaren en haar ‘vrouwelijke stem’ waarvoor ze in 1987 de Anna Bijnsprijs kreeg voor haar gehele oeuvre. Maar Warmond wilde liever als individu beschouwd worden en niet beoordeeld worden op haar vrouwzijn. Haar existentialistische gedichten zijn getekend door melancholie en het verlangen naar onafhankelijkheid, haar taalgebruik is licht en relativerend. In haar debuut Proeftuin uit 1953 is al de overwegend sombere teneur van haar latere werk te herkennen, haar afstandelijkheid en haar ironie, maar ook haar angst die ontstond nadat zij als kind het bombardement op Rotterdam meemaakte. Ze danste in het Rotterdams Ballet Ensemble en was secretaresse op een handelskantoor, een baan die het noodzakelijk maakte dat zij een pseudoniem koos voor haar bundels. Haar gedichten hebben weliswaar verwantschap met die van de Vijftigers, maar staan toch op zichzelf. 

    Trudy van Wijk schreef eerder een biografie over de poëzie van Ida Gerhardt, Wat zingt het popelend refrein. Na haar dood in 2020 werd de biografie over Ellen Warmond voltooid door Bertram Mourits.

     



    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond
    Auteur: Trudy van Wijk
    Uitgeverij: Walburgpers

    We moeten 'misschien' blijven denken

    Esther Jansma debuteerde in 1988 met de bundel Stem onder mijn bed. Sindsdien heeft ze meerdere dichtbundels geschreven, waarvoor ze diverse literaire prijzen ontving, waaronder in 2006 de A. Roland Holstpenning voor haar gehele werk.

    Het verstrijken van de tijd is een thema dat in de poëzie van Esther Jansma regelmatig terugkeert. Ze vraagt zich af waarom de dingen niet kunnen blijven blijven zoals ze zijn. In haar elfde bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, trekt ze dit thema door tot aan de uiterste consequentie van de eindigheid van tijd, het afscheid nemen van het leven. De drie spreekstemmen die ze al eerder liet horen in haar met de Halewijnprijs bekroonde bundel Picknick op de wenteltrap (1997) leveren door de hele bundel heen in korte, tragikomische dialogen commentaar op wat er gaande is. 

    Als archeoloog en speciaal dendrochronoloog ontwikkelde Jansma een methode om de ouderdom van houten voorwerpen vast te stellen, zoals je bij een boom de jaarringen telt. Ook in haar gedichten graaft ze diep om de herkomst van gebeurtenissen en emoties te herkennen. ‘Het hoefde alleen maar gevonden te worden’, schreef ze in haar gedicht ‘Alles is nieuw’. 

    Haar poëzie is beïnvloed door een moeilijke jeugd, zoals ze zelf aangeeft. Haar vader stierf toen ze zes was en met haar moeder was er geen sprake van een liefderijke band. Ook de dood van haar ongeboren dochter en pasgeboren zoon hebben groeven gekrast in haar werk. Woede en beheersing wisselen elkaar af in een beeldende en sterke taal.

     

    We moeten 'misschien' blijven denken
    Auteur: Esther Jansma
    Uitgeverij: Prometheus

    Verzamelde gedichten

    Jean Pierre Rawie is een van de weinig dichters in Nederland die nog traditionele gedichten schrijft, vormvaste sonnetten met eindrijm. In 1979 debuteerde hij met Het meisje en de dood. Hij is met Annie M.G. Schmidt, Nel Benschop en Toon Hermans een van de meest geliefde dichters, die vaak geciteerd wordt in rouwadvertenties. Daardoor duurde het tot 1989 voordat Rawie met zijn bundel Woelig stof ook erkenning kreeg van de literaire kritiek. Uiteindelijk ontving Rawie in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre

    Dat het zo lang geduurd heeft eer men het werk van Rawie op waarde schatte is nu nauwelijks meer voor te stellen. Zijn thema’s zijn al even klassiek: verval, dood, melancholie en verloren liefde. Zijn grote eruditie blijkt uit zijn vertalingen uit negen verschillende talen van poëzie vanaf de dertiende eeuw tot aan het midden van de vorige eeuw. Deze vertalingen werden opgenomen in afdelingen in zijn bundels. Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Rawie werden een groot aantal van zijn vertalingen opgenomen in Een luchtbel in een vluchtige rivier, voorzien van zijn eigen commentaar. Ook werd er in 2006 Verzamelde verzen uitgebracht.

    Nu is er een uitgave verschenen waarin alle gedichten van Rawie zijn verzameld vanaf het begin van zijn dichtersloopbaan tot en met de bundel met vertalingen. Een absolute must have  voor de talloze bewonderaars.



    Verzamelde gedichten
    Auteur: Jean Pierre Rawie
    Uitgeverij: Prometheus
  • Fornuisgedichten

    Fornuisgedichten

    Poëzie was een aanstellerige manier om iets te vertellen dat je ook gewóón had kunnen zeggen, vond mijn vader. Mijn moeder vond poëzie niets voor ‘ons soort mensen’. Mijn tegenargumenten hadden geen zin, de poëzie moest voor zichzelf spreken. Voordat ik op zondagavond terugging naar de stad waar ik studeerde, plakte ik een vel papier waarop met een gedicht dat ik had gekopieerd tegen de tegels boven het gasfornuis. ‘De werkster’ van Achterberg: 

    ‘Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
     ruwhouten planken en vergeten kieren,
     want zij behoort al kruipend tot de dieren,
     die voortbewegen op hun voet en hand.

     Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
     om deze voor de voeten te versieren
     van dichters, predikanten, kruidenieren,
     want er is onderscheid van rang en stand. 

     God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
     gaande de gouden straten naar Zijn troon,
     al slaande met de stoffer op het blik; 

     symbolen worden tot cymbalen in de
     ure des doods – en zie, haar lot ten hoon,
     zijn daar de dominee, de bakker en de frik.’

     Toen ik een week later weer thuiskwam, vertelde mijn moeder dat ze elke dag onwillekeurig het gedicht had gelezen terwijl ze stond te koken. Ze was het steeds mooier gaan vinden, ook al begreep ze niet alles. Ik stelde haar gerust, schoonheid hoeft niet altijd doorgrond te worden. Ze vroeg me of ik nog een gedicht voor haar wilde opplakken waar ze de hele week naar kon kijken. Het werd een jarenlange traditie waar we beiden veel van leerden en genoten. Ik bladerde talloze gedichtenbundels door, schreef de gekozen gedichten in mijn mooiste handschrift over op een vel papier en hing dat elke zondagavond op zonder er verder iets over te zeggen. Zorgvuldig zocht ik steeds iets uit waarvan ik meende dat het haar zou bevallen. Elsschot was altijd goed, Marsman, Nijhoff, Vasalis. Ze was streng in haar oordeel en kon een gedicht rigoureus van de hand wijzen om valide redenen, die nooit bij mij opgekomen zouden zijn. Het liefste las ze gedichten over moeders en kinderen, maar ook ‘Het geitenweitje’ van Jacqueline van der Waals vond ze als boerendochter prachtig. 

    Erover praten deden we pas op de eerstvolgende zaterdagavond als we samen stonden af te wassen: het gedicht bood ons een ingang om gedachten, emoties en verhalen uit te wisselen die anders onuitgesproken zouden zijn gebleven: de zwijgende generatie waartoe mijn ouders behoorden, overlapte voor een gedeelte nog de volgende. Na mijn studie verhuisde ik naar een stad die verder weg was, waardoor ik niet meer elk weekend thuis kwam. Ze zou me missen, vertelde ze, maar de gedichten nog veel meer.

    Toen we na haar dood het huis uitruimden, vonden we een stapeltje oude schoolschriften, waarin mijn moeder alle fornuisgedichten had overgeschreven, voorzien van haar commentaar, met onderstrepingen, uitroeptekens in de marge en fragmenten uit onze gesprekken. Ze vormden tezamen een heel persoonlijke en unieke bloemlezing, een overzicht van wat ze dacht en wie ze was. Ik heb ze behoedzaam een plaats gegeven in mijn boekenkast, tussen mijn meest geliefde dichters in.

     

    Uit: Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Poëzie-oogst week 41 – 2024

    Gezwommen worden

    De debuutbundel van Anke Senden gaat over water, zee, meeuwen en westenwind en over de manier waarop je daarnaar kunt kijken. Senden doet dat vanuit het perspectief van wat bekeken wordt. Hiermee zorgt ze voor een andere invalshoek voor de lezer. 

    ‘ik heb nog voor meeuw gestudeerd
     toen ik dacht de standvastigheid
     te kunnen volhouden als een rots
     die dient om de zee te breken
     –
     het water brak geen enkele meeuw,
     behalve mij, ik ben niet onderlegd
     in breedgevleugeld op alles neerkijken,
     ik kan niet hoog in de wind hangen
     terwijl onder mij in de vloed het strand
     het leven laat, ik beheer hoogstens
     het bloedrode krijsen dat iets
     over vliegen verraadt’

    De titel Gezwommen worden, geeft in deze passieve vorm aan dat het water de zwemmer draagt, zoals ook de omslagillustratie laat zien. Deze gedichten gaan dan over ervaringen, iets wat je gegeven wordt, wat je mag ondergaan. Zoals het water dat altijd verder stroomt, zo laat de dichter haar gedachten gaan in associaties over alles wat met de zee te maken heeft. Zoals de zee de zwemmer draagt, zo draagt haar taal de lezer.
    Anke Senden publiceerde eerder in Het Liegend Konijn en presenteert haar poëzie samen met muzikanten tijdens kleinschalige programma’s. 



    Gezwommen worden
    Auteur: Anke Senden
    Uitgeverij: Poëzie Centrum

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten

    Dit voorjaar verscheen een tweetalige uitgave van de verzamelde gedichten van W.H. Auden, samengesteld en vertaald door Han van der Vegt. In dit vuistdikke boek zijn niet alle gedichten van Auden vrzameld, maar een groot gedeelte ervan. Auden (1907-1973) is een van de bekendste Engelstalige dichters, die in zijn poëzie persoonlijke zaken met politiek wist te verenigen. Door de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 werd een versregel uit zijn gedicht ‘Funeral Blues’ wereldberoemd: ‘Stop all the clocks, cut off the telephone,/ Prevent the dog from barking with a juicy bone’. Willem Wilmink zorgde al eerder voor een vertaling van de bloemlezing Tell Me the Truth About Love in Vertel me de waarheid over de liefde. Ook Marko Fondse, Peter Verstegen en W. Hoogendoorn vertaalden enkele gedichten van Auden in tijdschrift De Tweede Ronde

    Deze nieuwe vertaling ontbeert af en toe het ritme en de klank van Auden. Zo maakte Van de Vegt van de beroemde versregel ‘We must love one another or die’ uit het gedicht ‘1 september 1939’: ‘waar geen liefde heerst, rest dood.’ Maar de vertaaltechnische hoogstandjes liggen in het vinden van variaties op Audens soms archaische en vaak allitererende taalgebruik, dat een uitdaging vormt voor iedereen die zich aan een vertaling ervan waagt.

     

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het boek der beelden

    Rainer Maria Rilke (1875-1926) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. De bundel Das Buch der Bilder is ontstaan in de jaren van 1898 tot 1906. Een periode die gekenmerkt wordt door een belangrijke scheidslijn in Rilkes ontwikkeling als dichter en die een doorbraak naar een nieuwe manier van dichten betekende: van impressionisme naar modernisme, van lyricus naar observator.
    Er staan een groot aantal van Rilkes mooiste en bekendste gedichten in deze uitgave: ‘Herbsttag’, ‘Pont du Carrousel’ en ‘Schluszstück’, evenals de cyclus ‘Die Stimmen’, waarin Rilke geen waarde oordeel toekent aan de mensen die hij beschrijft, maar hen enkel optekent zoals hij hen ziet. De bundel is niet eerder integraal in het Nederlands vertaald. Gerard Kessels heeft dat op zich genomen, met als resultaat deze mooie, tweetalige uitgave. Hij vertaalde eerder van Rilke
    Het getijdenboek (Das Stunden-Buch) en Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel (Neue Gedichte & Der neuen Gedichte anderer Teil).

    ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.  
     Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
     wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben.’

    wordt in de vertaling van Kessels:

    ‘Wie nu geen huis heeft, bouwt er heus geen meer.
     Wie nu alleen is, zal het langtijds blijven,
     zal waken, lezen, lange brieven schrijven.’

     

     

    (Uit: ‘Herbsttag’)



    Het boek der beelden
    Auteur: Rainer Maria Rilke
    Uitgeverij: IJzer