• Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Mijn vaderland is de titel van de nieuwe bundel van Johannes van der Sluis, dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Dat vaderland blijkt in de gedichten echter niet Nederland te zijn, zoals je zou verwachten. Niet voor niets is de titel van de bundel dezelfde als die Bedřich Smetana koos voor zijn cyclus van zes symfonische gedichten, Má Vlast, waarvoor hij tussen 1874 en 1878 de muziek componeerde. Het lijkt erop dat Tsjechië voor Van der Sluis eveneens het land is waar hij zich thuis voelt: zijn ‘Ersatz-Heimat’, noemt hij het zelf. Waar Smetana op zijn muzikale reis van zes gedichten uitgaat, koos Van der Sluis voor vijf afdelingen van gedichten en brieven. 

    De eerste brief is gericht aan zijn vader aan wie hij de bundel heeft opgedragen. Deze brief is honderd jaar later geschreven dan de brief die Kafka in 1919 aan diens vader richtte, en heeft dezelfde teneur van een jeugd waarin de vader weliswaar aanwezig was, maar op afstand bleef. Gelukkig weet Van der Sluis zich met zijn vader te verzoenen voordat deze in 2023 overlijdt. Ze maken samen een bedevaart naar Praag, ‘omdat we daar vroeger vaak waren geweest’. De dichter reist Kafka achterna en bezoekt de vroegere woningen van ‘al die fantastische/ schrijvers en dichters’. 

    ‘binnen is niemand te zien
     met de lift naar de vijfde verdieping
     de verdieping waarvan hij in de ban was
     Rilkes Malte Laurids Brigge in Parijs
     die van de vijfde verdieping wilde springen
     net als Kafka
     die op de vijfde had gewoond
     Konstantin Biebl
     die daadwerkelijk is gesprongen
     en hij woonde zelf op de vijfde verdieping
     waar we aan toevoegen
     Jan Arends
     de vijfde verdieping
     ook niemand hier’ 

    Buitengewoon droge humor

    De autobiografische elementen van de dichter en zijn ouders worden afgewisseld met veel citaten uit het werk van diezelfde schrijvers en dichters en met zeer gedetailleerde informatie over het verloop van de reis. Die informatie lijkt af en toe behoorlijk langdradig en overbodig, maar wordt dan plotseling doorbroken door de buitengewoon droge humor van Van der Sluis, die de draak lijkt te steken met zijn eigen vertelwijze: ‘we liepen langs de muur van Lennon/ War Is Over!/ stond er geschreven/ je zag het niet/ je bent van de Stones’. 

    De reis met vader en moeder voert verder naar Beieren, naar Neuschwanstein waar koning Ludwig II zich in de Starnberger See verdronken heeft. Het gedicht dat hierover gaat is een fantastische vervlechting van de banale werkelijkheid met de verering voor de sprookjeswereld van koning Ludwig, doorspekt met citaten van Johnny Cash, Joseph Roth en Apollinaire, en alles overgoten met een ironisch sausje. 

    Liefde blijft onbereikbaar

    Het reisverslag dat ook een dagboek is, wordt onderbroken door een brief aan zijn moeder en het afscheid van zijn stervende vader.

    ‘heeft papa me niet op wat zijn sterfbed leek
     opgedragen om mijn eigen weg te gaan?
     of gold dat alleen voor mijn poëzie?’

    De derde afdeling brengt de dichter buiten de grenzen van Europa: hij is verliefd geworden op een grillige Marokkaanse jongedame van twintig jaar, die niet al te toeschietelijk is en met wie hij in het Italiaans moet communiceren. Ze neemt een chaperonne mee naar de afspraakjes en haar familie maakt bezwaar tegen de relatie. Pas als de dichter zich bekeerd heeft tot de islam mag hij hoop koesteren, maar tot een bruiloft komt het niet. Vanuit Catania schrijft hij ook brieven aan zijn geliefde, maar die bezorgen hem niet het gewenste resultaat.

    ‘maar gisterochtend schreef ik
     ik kon het niet laten
     dat ze nu rustig kon slapen
     ik ben dood
     je hebt me vermoord
     met de Arabische vertaling erbij
     in die hoop dat zo’n vertaalprogramma het niet
     vertaalt met
     ik heb in het zwembad geplast’

    Grote namen en een ontgoocheld man

    Ondertussen vallen er grote namen als van Kierkegaard, Simenon, Pirandello, Czesław Miłosz, Robert Walser en vele, vele anderen. Van der Sluis citeert volop om zijn betoog kracht bij te zetten, daardoor wordt het wel eens vermoeiend om zijn verhaal te blijven volgen.
    De prozagedichten zijn in twee kolommen op de pagina’s gezet en wijken wat inhoud betreft niet veel af van de inhoud van de brieven, alleen de vorm is anders. Er wordt geen gebruik gemaakt van leestekens, op het vraagteken na, en alleen eigennamen en het eerste woord van een titel krijgen hoofdletters. Hij springt van de hak op de tak, verwijst terug naar elementen uit eerdere gedichten, maar het is allemaal veel van hetzelfde: een gezapig voortkabbelen van een verslag van persoonlijke teleurstellingen. Zelfs zijn droge humor kan niet voorkomen dat de aandacht verslapt.

    De dichter zet zichzelf neer als een ontgoocheld man, een verdrietige Pierrot, een ridder van de droevige figuur die net als Don Quichot zich vergeefs te weer stelt tegen de slagen van het noodlot en troost vindt in levens en werken van beroemde schrijvers. In zijn minutieus bijgehouden dagboek waarin hij zich ook tot anderen richt, probeert hij grip te krijgen op de omstandigheden, maar het blijft vechten tegen de bierkaai. 

    ‘zoals Duitsland papa’s moederland is
     is liefde mijn moederland
     een bloedige geschiedenis
     maar ik zing graag
     vooral op papier
     laat mijn lied voor jou
     alle woningen wijden

     Liefs,
     Johannes’

    Het vaderland, waarvan sprake is in de titel, is niet aan te wijzen op de wereldkaart. Het is de wereldliteratuur waarin de dichter zich thuis voelt.

     

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    In 1988 debuteerde Elma van Haren (1954) met de bundel De reis naar het welkom geheten, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht Het schitterende uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Ze schreef ook een verhalenbundel en een roman en is naast schrijver ook beeldend kunstenaar.

    Haar veertiende bundel, Uit de klatergouden boot gevallen, laat zich lezen als een uitbundig sprookje, een scheppingsverhaal uit een zelfgeschapen mythologie, waarin de realiteit een ondergeschikte functie heeft. Er klinken echo’s door van de Japanse godenverhalen en de Griekse mythologie, met een vleugje van de Noorse.

    In haar ‘Aantekeningen’ vertelt Van Haren dat de bundel ontstond naar aanleiding van een zin die ze maar niet uit haar hoofd kreeg: ‘In de parels rond de ranke hals van meisjes zit de adem van ama’s…’ Vanuit deze zin schreef ze een verhaal dat zich afspeelt in Japan, waar jonge vrouwen, ama’s genoemd, al eeuwenlang parels opduiken uit zee. Het is een gevaarlijk beroep, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van apparatuur en de vrouwen vertrouwen op het inhouden van hun adem. 

    Parelduiksters en pareldraagsters

    Van Haren verdeelt de wereld in parelduiksters en pareldraagsters, ‘heldinnen en slechteriken’, twee groepen die erg ver van elkaar afstaan. Degenen die de parels opduiken met gevaar voor eigen leven, zijn immers nooit degenen die de parels dragen. Een van de ama’s, die later Shinju genoemd wordt, ontvoert een van de pareldraagsters, Madelief, die later Meri genoemd wordt. Meri – met gouden krullen en blauwe ogen- is het tegenbeeld van Shinju, maar toch ontwikkelt zich tijdens hun vlucht een liefdesrelatie tussen beide vrouwen, die later weer dreigt te verzanden als te veel ruzies de liefde afzwakken.

    ‘Twee boeken opengeslagen op elkaar. Copulatie.
     Stijlen vervloeien, verdrinken, zinken. Hier en daar
     sterke trampolinewoorden.
     Het beste zuigt zich gretig in elkaar, weefseltaal, stijlvampier,
     op de tenen wordt om het meest herkenbare heengelopen
     en met een handgebaar,
     verdwenen!
     De tweesprong: één snelweg naar de einder. Perfectie.
     Alice met de appelwangen en Cleopatra met haar slangen.
     Een plaatje paradijsgewijs. Klassiek.
     Wij, liefdespaar.
     Uiteindelijk.’

    Spinnenkoningin regeert de wereld

    Het verhaal wordt bezongen door acht verschillende stemmen, waarvan de verteller het vaakst aan het woord is, maar ondanks dat is hij/zij niet de belangrijkste. Dat is namelijk de stem van de Spinnenkoningin die alle touwtjes in handen heeft. Zij regeert de wereld en weeft het noodlot voor iedereen: ‘Tussen de planeten heb ik ieders naam in het sterrenstof geschreven.’
    Ook is er een koor als in Griekse tragedies dat commentaar levert op de gebeurtenissen, maar er zelf niet bij betrokken is. Alle stemmen hebben een eigen teken meegekregen dat naast de titel van elk gedicht geplaatst is waardoor meteen duidelijk wordt wie er aan het woord is. Het teken voor de Spinnenkoningin lijkt op een web. 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor de Dood/Man met de zeis, maar hij wordt in de tweede afdeling van de bundel vervangen door een vrouwelijke dood, Hella genaamd, of ‘Hare Heftigheid’: ‘Dat mijn baas bazin is, Spinnenkoningin, gaf me goede hoop/ toen de [positie van Magere Hein voor het grijpen lag./ Deze tijd is rijp voor vrouwelijk beleid.’ Hoe het verhaal afloopt, wordt door de dichter in het midden gelaten. Dat kan de lezer zelf bedenken. 

    In sprookjes kan de werkelijkheid ondersteboven worden gezet, evenals de volgorde van de gebeurtenissen en de wetten van de logica gelden hier niet. Belangrijker dan het verhaal is de wijze waarop Van Haren het vertelt. Haar poëzie kenmerkt zich door een bonte schakering van fragmenten, losse hersenspinsels die door middel van associaties aan elkaar geregen worden. Deze bundel is een overweldigend geheel van verschillende stijlen, lettertypes, typografieën, dialogen, haiku’s, zelfs van talen, omdat er ook Japanse gedichten in afgedrukt staan. 

    Ingewikkeld web met vaste patronen

    De versvormen zijn heel divers, voornamelijk vrije gedichten die uitwaaieren over de pagina en lange gedichten die uit één zin kunnen bestaan. Alleen de Spinnenkoningin heeft een eigen versvorm gekregen, alleen voor haar, een sonnet van een octaaf en een sextet met een strak gehouden schema voor het eindrijm. Dat is ook passend voor een spin die zelf een ingewikkeld web weeft met vaste patronen. 

    ‘Ingesponnen

     Mijn acht spinnenogen haken zich aan alle kanten vast,
     Soms gevangen door kleinigheden van grote onbelangrijkheid
     En hoe ik ook mijn best doe, ik raak het maar niet kwijt,
     Het drukt op de doorluchtigheid van mijn weefsel, een grote last,

     Waardoor het patroon verwart als ik niet oppas, dus tot mijn diepe spijt
     Eist dit soort onbenulligheid dat het al mijn aandacht
     Krijgt, het klemt zich als een weerhaak aan mijn kantkloskracht
     Tot de juiste oplossing met eindelijk van deze marteling bevrijdt.

     Dit! Ik zie een lieve en een agressieve, toevallig samengesmeed,
     Behept met machteloze mensgevoelens, vluchtend voor het onvermijdelijke lot.
     Vechten, rennen, vrijen. Doden? Als het zo uitkomt, zullen ze het zeker doen.

     Een raadsel waarom deze twee beklijven, maar mijn professioneel fatsoen
     Dwingt me het serieus te nemen ook al voel ik mij beknot tot op het bot.
     Weet dat ook een Spinnenkoningin  heftig lijdt onder menselijk leed.

    De gedichten in deze bundel lijken ongeordend, maar wie goed leest merkt dat schijn bedriegt. Van Haren speelt een fijnzinnig spel met de taal, dat levert knappe vondsten op waarbij een soort droge humor eruit springt. Heel bewust haakt ze aan bij dramatische clichés, om daarna zelf een loopje te nemen met wat ze geschreven heeft. Een bundel als een achtbaan: heftige emoties vliegen van hoog naar laag en omgekeerd, het geschreeuw kan oorverdovend zijn en regelmatig gaan de gedichten ‘over the top’, zowel wat inhoud als uiterlijk vorm betreft. Het is aan het verhaal om te bepalen wat het wordt, schrijft de dichter in de ‘Aantekeningen’. Geen bundel om te analyseren of te ontleden, dit is een bundel om je te laten overrompelen door het taalplezier dat van de pagina’s afspat en dat nog lang in je hoofd blijft nadenderen.



  • Dieren niet toegelaten

    Dieren niet toegelaten

    Bij ons in de straat is een man overleden. Hoewel je over de doden alleen maar goed moet spreken, vond ik hem niet aardig. Mijn kinderen waren vroeger bang van hem, omdat hij hen met barse stem uit hun spel verjoeg wanneer ze stiekem fikkie stookten op het oude fabrieksterrein of in bomen klommen. Hij was een grote, autoritaire man met donkere, priemende ogen, die mijn groet altijd met tegenzin beantwoordde met een norse knik. Toch spreekt de snikkende familie op de uitvaart over hun man, vader en opa als iemand voor wie niets te veel was, die altijd klaarstond om anderen te helpen. Maar ook dat hij een man was van weinig woorden, die het tonen van emoties gelijkstelde aan zwakheid. 

    De muziek voor de uitvaart heeft hij zelf nog uitgezocht: een snerpende vrouwenstem zingt het Ave Maria en daarna krijgen we liederen van het Don-Kozakkenkoor te horen. Het kost me geen moeite niet te huilen, wat me anders al gauw overkomt bij een uitvaart. Links en rechts in de aula worden op twee grote schermen foto’s getoond van hoogtepunten uit het leven van de overledene. Maar nergens staat hij lachend op, niet met carnaval, bij zijn huwelijk en niet met de kleinkinderen. Tot er een foto verschijnt waarop hij zijn voorhoofd liefdevol tegen de kop van hun oranje kater, die een paar weken eerder gestorven is, heeft gelegd. Op deze foto glimlacht hij. Er ligt een gloed over zijn gezicht die zijn ogen doet glanzen. De kat knijpt zijn ogen gelukzalig tot spleetjes. Het is een vertederend en intiem tafereeltje.

    Ik denk aan Roald Dahl, wiens oudste dochter Olivia overleed aan hersenvliesontsteking als gevolg van de mazelen, toen ze zeven jaar was. Dahl, ziek van verdriet, had steun gezocht bij de voormalige bisschop van Canterbury en gezegd dat hij zich getroost voelde dat Olivia nu  tenminste herenigd was met haar geliefde hond Rowley. Maar de bisschop zei dat dat nooit zou kunnen, omdat honden niet in de hemel werden toegelaten. Dahl herinnert zich: 

    ‘I wanted to ask him how he could be so absolutely sure that other creatures did not get the same special treatment as us. I sat there wondering if this great and famous churchman really knew what he was talking about and whether he knew anything at all about God or heaven, and if he didn’t, then who in the world did? And from that moment on, my darlings, I’m afraid I began to wonder whether there really was a God or not.’

    ‘LEVENDEN”

    ‘In dierenogen valt hetzelfde licht
     als in het oog van mensen.
     Het levende schept adem uit één bron,
     vangt vanaf de eerste kreet
     tot aan de laatste huivering
     dezelfde zon.

     Denkenden gaan met dieren
     onder dezelfde hemel
     dezelfde einder tegemoet,
     door één verlangen voortgedreven:
     leven.’

    Ik weet niet welke geloofsovertuiging de overleden man aanhing, maar ik hoop met Dahl dat de bisschop fout zat en dat de man nu weer samen is met het enige wezen dat hem kon doen glimlachen.  

     

    Maurits Mok, uit de bloemlezing: Een wonderprachtig dier, een dierengedicht voor elke dag van het jaar


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Oogst week 22 – 2025

    Hazenklop

    Hanneke van Eijken (1981) is hoogleraar Rechtsstaat en democratie aan de Universiteit Utrecht. Als dichter publiceerde ze in literaire tijdschriften, waaronder Tirade, Het Liegend Konijn en Deus ex Machina. Ze debuteerde met de bundel Papieren veulens (2013), waar ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs mee won. Ook ontving ze de Zeeuwse boekenprijs accolade voor het beste debuut en werd met dezelfde bundel genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In haar vierde poëziebundel Hazenklop verkent ze in zorgvuldige en beeldende taal de begrippen tijd en ruimte en het deel uitmaken van een kudde.

    ‘Honger

     Iedereen krijgt een klomp klei
     een koude, grijze homp
     op mijn tafel ligt een toekomst
     die zich vermomt

     we modelleren zachte lijnen, warme handen
     een buik die plat is nodig, vruchtbaar
     wanneer gewenst

     aandacht is mooie klei waarvoor ik een hoog cijfer krijg

     hoe klamp ik me vast
     aan wie in mij staat te stampen?

    Hazenklop
    Auteur: Hanneke van Eijken
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Onvolledig alfabet

    Annelie David (1959) is danser, choreograaf, dichter en vertaler Duitse poëzie. Vanaf 2003 verscheen haar werk in verschillende literaire tijdschriften. Haar poëzie werd in 2004 bekroond met de Dunya Poezieprijs. Haar debuutbundel Machandel verscheen in 2013. Voor haar bundel Schokbos (2020) werd ze genomineerd voor de Grote Poezieprijs. De thema’s in Davids poëzie zijn ontheemding, migratie en natuur.

    In Onvolledig alfabet onderzoekt zij in de vorm van prozagedichten vragen over identiteit, familiegeheimen, verlies van plek en taal. Gesitueerd in de intieme wereld van een tuin, van oudsher beschouwt als paradijselijk, ervaart de lezer door de sporen van een verloren taal iets over de gevolgen van gedwongen vertrek, de onvolledigheid van herinneringen en het verlangen naar het onbekende.

    ‘V staat voor

     vluchten afgeleid van vlucht [ontvluchting]. Als kind had ik er geen
     beelden voor. Het woord weerkaatste nooit van de vredige muren, werd bui-
     ten de kamers, het huis, de tuin gehouden die schuilplaats waren, refugium,
     vergeetruimte, plek om te helen, het gemis te dempen onder een deken van
     zwijgen. Vluchten is een naamloze aanwezigheid die schuilgaat in het licht
     van de stille dingen…

     

    Onvolledig alfabet
    Auteur: Annelie David
    Uitgeverij: PoëzieCentrum

    Soms blijft iets

    Froukje van der Ploeg (1974) debuteerde in 2006 met de dichtbundel Kater. Sindsdien publiceerde ze nog drie dichtbundels. Ze ontving de Hollands Maandblad Poëziebeurs en werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Regelmatig wordt haar werk in literaire tijdschriften en in bloemlezingen gepubliceerd, en treedt ze op festivals op. 

    In haar nieuwe bundel trekt Froukje van der Ploeg lering uit alles wat beklijft. Met humor en zonder schroom onderzoekt ze het ongemak, de verandering en het welbehagen van lichamen, noteert ze de levensverhalen van andere mensen en toont ze hoe een spin die met klompen over de slaapkamermuur loopt grote gevolgen kan hebben. In brieven aan Imke en op weg naar huis, door het park, maakt ze de balans op. Een godin zaait verwarring op aarde, een vrouw kijkt opgerold de tijd weg en huizen doen huizen na.

    Femicide

    Neem altijd de kortste route door het park
    kijk, je ogen wennen aan het donker, zie
    scherp de sterren boven de bomen, de egel
    in de bosjes, slapende mannen zonder dak  

    De maan fietst met je mee, want de dood
    wacht voor jou nooit in dit park
    87 procent van je gevaar woont in huis
    zit op je bank, je vriend of bijna-ex  

    Je vader, broertje, buurman. Zij willen
    bezit van je nemen, weten waar je was
    met wie je sprak, wat je zei, fiets verder
    door vergeten wijken van een stad  

    En leer nieuwe vrouwen kennen
    in je klas, in de kroeg, als je rent
    langs het water en neem soms een man mee
    door het bos, want met jou zijn ze veilig.

     

    Soms blijft iets
    Auteur: Froukje van der Ploeg
    Uitgeverij: Querido
  • Janken

    Janken

    Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.

    Porseleinen tranen

    Op een avond kwam ik aan
    in de werkplaats, in het huis
    van de hoekige dame
    die ronde vormen maakt

    van klei en aarde.
    Ik zag wel vijftig
    porseleinen tranen naast elkaar
    op de vloer gelegd en ze zei:

    ‘Tja, ik weet het ook niet,
    het gaat maar door.
    Misschien als ik suja zeg
    of tot honderd ga…’

    Misschien, dacht ik
    als je ze rangschikt
    naar verdriet.

    Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’
    Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet. 

    Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed. 

    Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?

    Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.

     

     

    Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Is dit een dichtbundel, waarbij de tekeningen de illustraties vormen, of is dit een boek met tekeningen, waarbij dichtregels zijn gezet? Dat is nauwelijks te onderscheiden, want de samenwerking tussen Tom Marien als dichter en Pascale Petterson als illustrator verleent hun bijdrage hetzelfde gewicht. De dichtbundel oogt, mede door het folioformaat, als een prentenboek. Marien schreef al eerder prentenboeken, maar die waren bedoeld voor kinderen van 6 tot 8 jaar terwijl deze bundel voor volwassenen geschreven is. De gedichten werden vrijwel allemaal eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften en de bundel zelf stond op de shortlist voor de Granateprijs voor de mooiste en best passende titel in 2024. 

    Hoe zwart ruikt, is ook na lezing van deze geïllustreerde bundel niet duidelijk, maar dat de inhoud inktzwart is, blijkt al snel. Er zijn tekeningen van verdrietige kinderen, foto’s waarin gezichten weggekrast zijn, met zwart en grijs als hoofdkleur met af en toe een onheilspellende vlek rood zoals naakte vrouwen met bloedende vagina’s. Het lijkt een duister en macaber sprookje voor volwassenen te zijn, met moeders als boze heksen en betoverde kinderen. Het boek bevat slechts enkele gedichten, waarvan de versregels over de pagina’s verspreid zijn. De tekeningen zijn niet bedoeld als illustraties bij de gedichten, maar zorgen eerder voor sfeer en context.

    Overvleugelde gedichten

    Petterson heeft haar eigen gedachten bij de gedichten in beelden omgezet. De gedichten worden af en toe overvleugeld door de tekeningen, die weliswaar suggestief zijn, maar toch de angst en dreiging weten weer te geven die deze bundel kenmerkt. Dichter en illustrator zijn voor deze bundel een perfecte samenwerking aangegaan, ze completeren en versterken elkaar.

    De bundel is verdeeld in een proloog, bestaande uit een gedicht, vervolgens twee afdelingen: ‘Happy family’ met zes gedichten, en ‘de jongen/de heer’ met twee gedichten, en een epiloog die ook door een kort gedicht van twee versregels gevormd wordt: ‘ wij willen overwoekerd worden/ zoals tuinmuur door klimop’. Het doet sterk denken aan het gedicht Een ongelovige van Adriaan Roland Holst: ‘Heen en weer geslingerd/ zonder rust of duur:/ was ik maar een wingerd,/ had ik maar een muur.’

    Kinderen en vrouwen vormen voor het merendeel de onderwerpen van de gedichten. Zij lijken bedreigd te worden door moeders, mannen, badmeesters, eenzaamheid:

    ‘Niks in de handen

     zo staat er een taartje

     en zing ik een lied
     je moeder blaast een kaarsje uit

     peter en meter zijn niet uitgenodigd
     hun cadeaus worden geleverd door postnl

     ik prijs het vochtgehalte van de cake
     je moeders ogen blinken

     je kirt niet je peutert niet in je gebak
     je zwijgt zoals je nu een jaar lang doet

     bij alles wat gebeurt
     is zoveel dat niet’

    Dreigende beelden

    De lezer moet zelf vaststellen wat er aan de hand is. Een tekening laat met streperige zwarte lijnen een kind zien, een meisje met een vuurrode strik in het haar, dat moedeloos in de verte staart. Achter haar is de schim van een kind, een geest haast, met een vuurrode feestmuts op. Je denkt aan dode broertjes (‘tandeloos voert ze gesprekken/ met de broer die ze nooit had’), aan incest, mishandeling, inteelt, maar het blijft gissen. Ook de gedichten over vrouwen en badmeesters hebben iets dreigends over zich. De vrouwen die de kinderen een klap geven als ze naar hun vaders vragen, de badmeesters die de angst voor het water bij de kinderen alleen maar versterken. 

    ‘bolle ogen hebben zij
     vol spiegelwater zonder chloor
     omdat ze telkens denken:

     dit is het ergste
     wat een jongen
     overkomen kan

     Maar wat is dat dan? 

    Diep in eigen ziel kijken

    De dichter wordt nergens expliciet in de beschrijving van wat er gebeurt in de gedichten, maar houdt het bij vaagheden. Dat is weliswaar intrigerend, maar vraagt veel van de lezer. Die moet diep in de eigen ziel kijken voordat hij de gedichten en tekeningen aan een ervaring kan koppelen om een interpretatie of duiding aan het geheel te geven. 

    Marien schrijft op zijn website dat hij ‘wilde weten hoe ongeluk ruikt’, dat hij getracht heeft ‘verschillende lagen van misère te verkennen.’ Misschien is de dichter daar voor zichzelf in geslaagd, maar voor de lezer heeft ook na lezing van deze bundel het onheil nog steeds geen geur. Als lezer blijf je met veel vragen zitten die onmogelijk te beantwoorden zijn omdat er te weinig aanknopingspunten zijn. Alle poëzie vraagt om inzet en inlevingsvermogen, maar de sporen die door Marien zijn uitgezet zijn te vaag om naar iets concreets te leiden. Dat zal ook niet de bedoeling van de dichter zijn geweest. Maar wat er aan beeld en poëzie in de geur van zwart wordt aangereikt, is niet genoeg om blijvend de aandacht te vragen.



  • Oogst week 18 – 2025

    Tijd voor vrede

    Charles Ducal (pseudoniem van Frans Dumortier) is dichter en schrijver. In 2014 werd hij aangesteld als eerste Dichter des Vaderlands van Belgie. Zijn eerste bundel Het huwelijk verscheen in 1987. 
    Ducal schrijft op het oog klassieke poëzie in een klassieke vorm, die direct toegankelijk is. Inhoudelijk gaat het vaak over (innerlijke) conflicten, en niet zelden spreekt er ook een grote maatschappelijke betrokkenheid uit zijn werk. Of hij nu schrijft over het persoonlijke en intieme of over grotere sociale thema’s, met zijn gedichten weet hij de lezer te raken. 

    Dat de wereld in brand staat, klinkt duidelijk door in deze geëngageerde bundel, waarin de toestand van de wereld verweven wordt met de intieme thema’s van liefde, geloof, dood en afscheid nemen. Tijd voor vrede. In een wereld die ziek is van geweld. Vrede, niet als een naïef geloof, maar als een gerijpt inzicht. Het bijzondere is dat Ducal de gevoelens van angst, wanhoop en uitzichtloosheid die bij deze tijd horen op universele en tegelijk persoonlijke manier weet te vangen. In toegankelijke, beeldrijke taal nodigt deze bundel uit tot reflectie over de tijd waarin we leven, en hoe we omgaan met onze sterfelijkheid. Zelfbewuste en uiteindelijk hoopvolle poëzie ook, die de kracht van het woord inzet als houvast in de onzekere wereld van vandaag.

    Spertijd

    Ik droomde dat ik in een verboden nacht,
    het was oorlog, over straat liep en een vrouw
    gebogen over een rioolput zag, waaruit zij
    eendenkuikentjes naar boven haalde.

    Ik wist dat het aan mij was te bepalen
    wat vervolgens te gebeuren stond, maar
    het was oorlog, makkelijk als de huizen branden
    en de bomen scheuren, maar moeilijk

    in geval van meer en nog meer eendenkuikens
    die zich verspreidden over heel de stad,
    zo licht en goedgelovig of het niet verboden was.

    Ik denk dat ik ze een voor een heb doodgetrapt.



    Tijd voor vrede
    Auteur: Charles Ducal
    Uitgeverij: Atlas Contact (2025)

    Neem ruim zei de zee

    In 2015 kwam Sholeh Rezazadeh vanuit Iran naar Nederland. Drie jaar na haar aankomst schreef ze haar romandebuut De hemel is altijd paars. Inmiddels is ook haar tweede roman verschenen, Ik ken een berg die op me wacht. Ze schreef altijd al poëzie, maar er waren geen plannen om haar gedichten uit te geven. Omdat zij de poëzie zo miste in de Nederlandse samenleving, kon een eerste bundel niet lang uitblijven. Neem ruim zei de zee is een verzameling van de gedichten die Rezazadeh in de afgelopen vijf jaar heeft geschreven.

    In deze bundel komen we vertrouwde elementen tegen die ze ook in haar twee romans veelvuldig verwerkte: rivieren en zeeën, bomen en bergen, vissen, vogels en vlinders. Net als in haar romans is de natuur geen achtergrond maar een echt personage dat ziet en voelt, dat liefheeft en vergeet. De mens zelf is een feilbaar wezen dat wanhopig zoekt naar liefde en verbinding maar zich ook verbaast over het gebrek aan aandacht voor de ander. In een prachtig parlando, dat schatplichtig is aan de oude Perzische dichters, dicht Rezazadeh over de kracht van de natuur en de onmogelijkheid om de ander te kennen. Voor haar poëzie ontving ze de El Hizjra-Literatuurprijs.

    waar ga je naartoe
    mijn naïeve reiziger?
    weet je dan niet
    dat eenzaamheid
    in iedere koffer zit?
    met alle enkele reisjes
    ga je niet bij jezelf weg

    alle tranen die je in je
    mouw verbergt
    zullen vallen
    voor het oog van de zon

    ze blijven niet
    dat kunnen ze niet

     

    Neem ruim zei de zee
    Auteur: Sholeh Rezazadeh
    Uitgeverij: Ambo Anthos (2024)

    Wat wij doen dat heet bewaren

    De vierde dichtbundel van de Vlaamse Siel Verhanneman (1989), getiteld Wat wij doen dat heet bewaren, vormt een tweeluik met haar vorige dichtbundel: Wat nu met het licht dat binnenvalt (2022).

    Ze onderzoekt hierin de rituelen die we nodig hebben om de angst om ouder te worden of kind te blijven te bezweren. Ze vindt twee plaatsen in het lijf waar grote verlangens en gevoelens bewaard worden: de uterus, waar het moederschap kiemt, en de psoas, de spier van de ziel. Beeldende kunst biedt haar afstand om aan zelfonderzoek te kunnen doen en grip te krijgen op het moederschap, de liefde, het verdriet en de toekomst. 

    Naast haar dichtbundels, waarvan ze de eerste in eigen beheer uitgaf, schreef ze ook een roman. Rouw en verdriet spelen een grote rol in haar werk nadat in 2013 haar vader stierf en drie jaar later haar zus. Nu ze zelf moeder geworden is, onderzoekt ze in haar nieuwe bundel de functie en de symboliek van de baarmoeder als plaats van het ontstaan van nieuw leven.

    Wat wij doen dat heet bewaren is één van de vijf bundels die op de shortlist van De Grote Poëzieprijs 2025 stonden.

    Madeliefjes plukken

    In de vroege ochtend gaan de knopjes open,
    haar borsten in bloei, zakken lieflijk opzij.
    Schuift ze ondertussen vingers naar spannende oorden,
    ze strelen de steel en nerven van het opgekrulde blad.

    Tussen haar benen plukt ze driftig de madelief
    die tegen de herfst protesteert
    met een zomers verlangen, elk blaadje dat knapt
    een zij houdt niet van mij,
    zij houdt van mij.

    Ze likt met een finale zucht
    haar eigen nectar van vingertoppen
    proeft met trots
    alsof ze zonet zichzelf
    heeft bevrucht.

    Geïnspireerd door Yellow Hickery Leaves With Daisy, olieverf op doek van Georgia O’Keeffe, (1928)

     

    Wat wij doen dat heet bewaren
    Auteur: Siel Verhanneman
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2024)
  • Geen rozen zonder doornen

    Geen rozen zonder doornen

    Ik heb nooit geluk met rozenstruiken in mijn tuin. Of ze gaan onmiddellijk dood, of ze zitten al na een week vol met luis. Ze willen niet bloeien en ontwikkelen in plaats van knoppen alleen zwarte valse scheuten met doornen van een duim dik. De rode stamroos die ik nu in de tuin heb staan – die ik niet op de mesthoop kan gooien omdat ik hem van een vriendin gekregen heb – heeft zich ontwikkeld tot een vervaarlijke hydra met meer uitsteeksels en prikkers dan zelfs Hercules zou kunnen bevechten.

    Toch ben ik op een zonnige middag de strijd aangegaan, gewapend met een scherpe snoeischaar die ik achter mijn rug verborgen hield. De struik loerde vals naar me uit al zijn oogjes en stond in gevechtshouding, klaar om zich te verdedigen. Het duurde niet lang of ik was overdekt met schrammen en krassen waar het bloed uit sijpelde, alsof ik was aangevallen door een boosaardig creatuur met enorme klauwen en tanden. Uiteindelijk behaalde ik de overwinning en was de struik gesnoeid, maar nog dagenlang droeg ik de sporen van de slacht en werd me gevraagd of mijn katten echt zo vals waren.

    Hoe had zo’n gemene bloem ooit het symbool van de romantische liefde kunnen worden? Ik kon niets vinden in de literatuur dat wees op de duistere kant van deze plantaardige harpij. Ik herkende wel iets in het vreemde, enigszins masochistische gedicht van Nijhoff, al waren het niet de rozen zelf die zich agressief gedroegen:

    ‘ De rozen 

     Hij zei me: ‘Zoolang deze rozen
     Bloeiend zijn, groot en rood –
     Zoolang zal ook mijn liefde
     Bloeiend zijn, groot en rood’.

      Ze stonden stil in de vazen,
     De rozen van mijn geluk:
     Toen kuste ik waanzinnig van vreugde,
     Toen kuste ik zijn rozen stuk. 

     Ik heb in de bloemen gebeten,
     Ik proefde het bittere bloed –
     En hij nam de doornige steelen
     En sloeg mij – en dat was goed.’

    Alleen in het gedicht van Goethe uit 1789, ‘Heidenröslein’, door Schubert op muziek gezet, wordt iets verteld over de dreiging die van een roos kan uitgaan. Als een jonge knaap een roosje wil plukken – symbool voor het verlies van maagdelijkheid – en de roos haar doornen gebruikt om hem te steken. Het viel me op dat bij zowel ‘der Knabe’ als ‘das Heidenröslein’ het persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval gelijk is: ‘ihm’ , waardoor het niet duidelijk is op wie de laatste strofe betrekking heeft:
    ‘Und der wilde Knabe brach/ ’s Röslein auf der Heiden;/ Röslein wehrte sich und stach,/ Half ihm doch kein Weh und Ach, / Musst’ es eben leiden.’

    Ik dacht ook altijd dat de gestoken knaap het slachtoffer was, maar nu denk ik dat het de roos is. Heeft Goethe daarmee echt een gedicht geschreven over een brute verkrachting? Er zijn weliswaar meerdere interpretaties, maar nu zal ik het lied nooit meer anders kunnen lezen. Daarom wil ik de rozenstruik volgend jaar liever niet meer snoeien, beter voor de roos, maar ook voor mijzelf.

     

    Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Prometheus (1990)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.



  • Een boek om te koesteren

    Een boek om te koesteren

    ‘Wat moet ik dan doen met die mooie topazen oorbellen? Een belachelijke eerste gedachte. Die ik toch heb, ’s nachts in bed, als ik mezelf toesta vlak voor het slapen gaan even te denken aan “als ik nu zou horen dat ik niet zo lang meer te leven zou hebben.’’’

    Het is voorjaar als dichter en schrijver Marjoleine de Vos een bultje ontdekt bij haar kaak, onder haar rechteroor. Ruim een half jaar later is het bultje uitgegroeid tot een speekselkliertumor en de oncoloog besluit tot een operatie. Het zal wel meevallen, zegt hij. Waarop De Vos noteert: ‘Precies wat ik dacht, behalve op de momenten dat ik het niet dacht.’ En deze momenten kwamen vaker voor dan ze zou willen. Ze doet er verslag van in het kleine, fraai uitgegeven boekje Zo hevig in leven, een overpeinzing over sterfelijkheid. De titel is een dichtregel uit een van haar gedichten, ‘Mevrouw Despina leest een psalm’ uit haar bundel Zeehond graag uit 2000. Het gedicht staat ook vooraan in dit boekje, als een motto, en het vat de inhoud ervan prachtig samen: angst en onzekerheid over het leven en het einde daarvan wisselen in haar gedachten van plaats met de betekenis en de vreugde van het hier en nu. De

    Houvast zoeken in de natuur 

    Vos zet haar gedachten om in prachtig proza, onnadrukkelijk, alsof ze in zichzelf praat. Ze vertelt over haar angsten, haar herinneringen, alles wat ze liefheeft en vreest te moeten achterlaten. Ze denkt na over haar eigen afwezigheid, de vergankelijkheid van de mens. Hoe moet je je voorstellen dat je er niet meer bent. Het feit dat de artsen geen definitieve diagnose hebben kunnen stellen, maakt het voor haar nog moeilijker: hoe moet ze zich verhouden ten opzichte van het leven. Houdt het op of gaat het verder. En als het verder gaat, hoe dan. Gedachten over wat er kan gebeuren met haar gezicht: ‘Niet het mijne! – en hou hierover op.’ Houvast vindt ze in relativeringen die ze zoekt in de natuur, haar liefde zonder voorbehoud voor dieren, waaronder haar vogeltjes – die keren steeds terug in de tekst – en voor de literatuur. Om troost en bevestiging en om te weten dat ze niet alleen staat, citeert ze Vestdijk, Vasalis, Szymborska, Proust en Nijhoff (‘die verlichten mijn dagen’), maar vooral Mary Oliver, die net als zijzelf inspiratie vond in de natuur en dichtte over de ‘overgave aan de natuurlijke wereld’: natuur, stilte, dieren. 

    Nadenken over het leven voert haar onvermijdelijk terug naar het verleden: ‘Een heerlijke tijd natuurlijk, oorlog lang voorbij, iedereen werd almaar rijker, we geloofden eindeloos lang in zoiets als vooruitgang’. Ze kan niet anders dan concluderen: ‘Ja, ik heb in allerlei opzichten geboft met mijn tijd van leven. Bof nog steeds.’

    Als ik er niet meer ben

    Van september tot en met februari schrijft De Vos niet alleen over haar gedachten maar vertelt ze ook over het hele medische circuit waarin ze beland is: onderzoeken, uitslagen, uitzichtloosheid en strijdend met hoop, verwijten maken dat de tumor veel te laat ontdekt is en dat het veel te lang heeft geduurd voordat er iets aan gedaan werd. ‘Als ze in september dat bobbeltje hadden weggehaald. Dan was er geen avond geweest waarop ik wanhopig had gedacht: Zelfs een jaar is genoeg, echt waar, laten de goden mij nog een jaar toestaan. Maar niet nu al.’

    Ze denkt na over haar begrafenis en welke muziek er dan gedraaid moet worden. Herkenbaar voor iedereen die hetzelfde meemaakt. Maar het ergste vindt ze het verdriet van anderen, als ze moet vertellen wat er met haar aan de hand is. En de angst dat je degenen van wie je houdt niet goed achterlaat. ‘Dus dan fantaseer is hoe ik hem veel geld kan nalaten, waarmee hij dan iets kan gaan doen. Welk geld. Wat doen. Ik wil hem gewoon vast blijven houden als ik er niet meer ben.’

    Tijdens de operatie, de dag na nieuwjaarsdag, zijn er geen uitzaaiingen gevonden. ‘Zucht van opluchting, alsof die arts zei: gij zult leven, zonder dat er ooit gezegd is dat dat niet het geval zou zijn […]’ Zekerheid wordt niet geboden, als er niets gevonden is betekent dat nog niet dat er ook niets is. Maar: ‘Ik heb geen klachten. Ik leef.’ 

    Overgave aan het leven

    En dat is wat blijft als je haar boek hebt gelezen, haar overgave aan het leven, haar verwachtingen, haar levenslust. Het heeft te maken met, zoals ze schrijft, ‘het loslaten van jezelf.’ Alsof  ‘jezelf’ er niet meer zo veel toe doet, zegt De Vos, ‘kijken naar wat er aan leven is buiten je, en niet denken: wat betekent dat voor mij, niet zoeken naar wat er in je omgaat.’ In de woorden van Elisabeth Eybers, die zij citeert, heet het: ‘Zelfafstotend groeien.’ De Vos voelt dat als zij haar geliefde vogels observeert, mussen, wulpen, sternen, groenlingen en koolmezen. Die spreken tot haar, net als de woorden van Eybers, ‘zomaar wat woorden om mee te nemen in het ijverige alledaagse dwalen, zoeken, leven.’

    Zo hevig in leven is een intiem boek dat de lezer rechtstreeks in het hoofd en hart van de dichter laat meekijken hoe zij deze moeilijke periode beleefd heeft. De Vos doet niet aan zelfbeklag. Ook maakt ze geen grote gebaren of verheft haar stem. Het is een open en eerlijk relaas dat niemand onverschillig zal laten. Wie in dezelfde situatie verkeert of verkeerde als zij, zou dit onsentimentele maar ontroerende boek moeten lezen. En zo troost te vinden in de woorden die zij heeft gegeven aan wat veel mensen moeten doorstaan. Dit is een boek om te koesteren.

     

     

  • De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De dichter Esther Jansma is op 23 januari van dit jaar overleden. Haar laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, zal haar allerlaatste blijven. Haar dood zet de gedichten misschien niet in een ander licht, want ze leed al lang aan kanker, wist dat het einde onvermijdelijk naderbij kwam en beschouwde deze bundel als haar afscheid. Maar eens te meer valt op hoe groot haar moed was en hoe afwezig haar zelfbeklag. Nergens maakt ze duidelijk dat de gedichten autobiografisch zijn, het lyrisch ik mag niet automatisch vereenzelvigd worden met de dichter zelf. Toch is het overduidelijk dat zij veel van zichzelf in deze bundel verwerkt heeft.

    Zo haalt ze regelmatig de personages Romanticus, Oud en het hoofd van stal: deze drie protagonisten maken allen deel uit van de dichter zelf en leveren commentaar op de kanker, het aftakelingsproces en het gevoel dat daarbij opgeroepen wordt. Waar de dichter zich terughoudend opstelt en de aspecten van de ziekte niet alleen op zichzelf betrekt, maar algemener maakt, stellen deze drie zich harder op en verbloemen niets. Ze brengen daardoor ook een vreemd soort van humor en troost, omdat ze op een andere manier omgaan met de werkelijkheid. Voor het eerst traden ze op in haar bundel Picknick op de wenteltrap (1997) toen de ouders van de hoofdpersoon gescheiden waren en daarna de vader overleed. Ook nu zijn ze nodig bij verdriet en leed om te zorgen dat er steeds opnieuw een begin gemaakt kan worden, ook al loopt het op niets uit. 

    Elk jaar opnieuw een begin van iets

    Daar wijst ook het mooie gedicht ‘Hoop’ uit de Proloog op, waarin iemand elk jaar opnieuw een bougainville plant, ook al overleeft die de winter niet: ‘[…] en sterft al/ en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer./ Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’. Hoop is gekoppeld aan ‘misschien’ denken. 

    Dat doet ook de foto op de omslag: een ei dat kapot gevallen is. Of heeft het kuiken dat erin zat, zich een weg naar buiten gebaand? Gaat het om dood of om leven, als Schrödingers kat? De kwetsbaarheid van dat kapotte ei, dat nog vaker terug zal keren in de gedichten, laat zich zonder voorbehoud verbinden met het menselijk lichaam met al zijn gebreken, de kanker en de hoop. De dichter geeft aan dat alles wat ons overkomt, willekeur en toeval is, maar als mens nemen we daar geen genoegen mee, we blijven zoeken naar oorzaak, reden, schuld. Ieder van ons wil iemand zijn die zich onderscheidt van de anderen:

    Zoek

    Wie van ons is waar, vraagt een eitje en breekt
    vraagt het koppie van het natte grijsverig
    kuiken dat eruit steekt, brutaal vraagt het: wie?

    Ik weet niet waar we zijn, is een antwoord.
    Ik ben hier, zegt het eitje, zie je me niet
    ik vraag wie van ons echt is, wie dan?

    We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s
    geworpen door oneindig toevallig zwart
    op zomaar een erf in zomaar een schuur

    die we nu en aarde en melkweg noemen
    waar we al vallend ons licht in schijnen
    en glimpen van zien, dat noemen we waarheid

    is een antwoord. Maar niet voor Eitje, niet
    voor het koppie van het kuiken. Het piept:
    vreemde weter, antwoordgever, wie ben ik?

    Veelzijdigheid van dichter en meer

    Deze bundel gaat niet alleen over ziekte en dood, zoals de dichter niet alleen maar kankerpatiënt was. Jansma was dichter, dendrochronoloog (een wetenschapper die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen) en was feministe. In het nawoord van deze bundel vertelt ze hoe vaak het feit dat iemand vrouw is de overhand heeft bij het beoordelen van haar werk: ‘Ik heb tijdens mijn werkende leven lang geloofd dat de kwaliteiten van literair en wetenschappelijk werk eenvoudig herkenbaar zouden zijn. Maar helaas overschaduwt het vrouw-zijn van makers en denkers nog steeds de wijze waarop hun werk wordt beoordeeld.’ In een aantal gedichten in deze bundel brengt ze dat op humoristische, maar wrange manier naar voren, zoals in het volgende gedicht:

    Start

    In de fabriek voor porseleinen poppen
    maken ze beentjes en hoofdjes en armpjes
    en buikjes die allemaal zo intens wit zijn

    zo frêle dat je bijna de dag erdoorheen
    kunt zien gloeien en die hoofdjes
    en die doorschijnende glooiingen van hun hoofdjes

    och, daarvoor moeten de penselen haarfijn zijn
    hemelsblauw voor de oogjes, rozerode likjes
    op de lipjes, de haartjes een webje van goud –

    dan ijzerdraad om het beschilderde vanbinnen
    onzichtbaar houtje-touwtje finaal te verknopen
    tot: zo, dit is een lief en mooi meisje, dus af.

    Het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden werkt eerst vertederend, maar wanneer de laatste versregel spreekt van ‘meisje’, wordt het denigrerend. Het brute ‘ijzerdraad’ staat in schril contrast tot al dat liefelijks. En hoe moeten de laatste woorden ‘dus af’ geïnterpreteerd worden? Als: klaar, niets meer aan doen? Of als: af als in een toneelaanwijzing, wegwezen, je rol is uitgespeeld? 

    Meerduidige beelden

    Bij Jansma krijgt alles in haar gedichten een diepere betekenislaag, alle beelden zijn meerduidig. Begin en einde en opnieuw een begin, daar gaan haar gedichten over, zoals in ‘Weet’: ‘Je beweegt door het leven/ tot je daar weg bent// en het hele leven blijft en begint.’ Veel gedichten hebben een imperatief als titel: ‘Weet’, ‘Herneem’, ‘Wens’, ‘Stop’, alsof de dichter zichzelf bevelen heeft gegeven die betrekking hebben op de manier waarop zij met haar ziekte en haar leven om moest gaan. De hoop die daaruit spreekt, heeft niets te maken met het genezingsproces, want daar was geen sprake meer van, maar met berusting en vrede. In het laatste gedicht, ‘Word’, dat voor de epiloog is opgenomen, lijkt ze die vrede bereikt te hebben: 

    Overal is water en alles zingt, wolken
    bewegen in de diepte van plassen
    op straten die de wolken niet kennen
    en de hemel heeft geen weet van de aarde

    vingertoppen van bomen, die van gevoel
    dat sterft in de herfst en er nu nog is
    zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

    overal schuilen mensen en iemand
    loopt door tijd die al bijna verdwenen is
    koud watergetokkel op het gezicht

    en weet: de wolken weten niet van de regen
    het water weet niet van de bladeren
    waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

    en de snelle zilveren aanrakingen
    die leven heten en beweging
    kennen de druppels op mijn gezicht niet

    en straks ben ik dit allemaal.

    De gebiedende wijs ‘weet’ is hier niet alleen aan haarzelf gericht, maar zeker ook aan de lezers, de achterblijvers, die zich getroost kunnen voelen door de gedachte die in dit gedicht is uitgedrukt. Opvallend is ook dat er nergens in het gedicht een punt staat, alleen achter de allerlaatste versregel ‘en straks ben ik dit allemaal.’ Pas dan is het afgesloten, het leven zoals we het kennen. En elk einde is een begin, zegt Esther Jansma.



  • Linedancen

    Linedancen

    In de trein naar Den Bosch klampte een dame met vuurrood geverfd haar elke reiziger aan om te vragen welke bus naar de Brabanthallen ging. Haar stem, die hoog en luid was, schoot door de paniek nog wat door toen niemand haar antwoord kon geven. Toen ik aan de beurt was, zei ik naar waarheid dat er geen bus reed en dat ze zo’n tien, vijftien minuten zou moeten lopen. Haar helblauwe ogen sperden zich wijd open toen ze me angstig vroeg naar de route. Na een paar omstandige, maar vruchteloze pogingen om het haar uit te leggen, besloot ik haar onder mijn hoede te nemen. Ik moest toch dezelfde kant uit. Ze liep gewillig met me mee naar de parkeerplek achter het station waar ik afgesproken had met mijn vriendin.

    Elk jaar in januari wordt er in de Brabanthallen in Den Bosch een gigantische, driedaagse boekenmarkt gehouden ten bate van het goede doel. Al jaren zijn mijn vriendin en ik trouwe bezoekers: boeken zoeken en bijkletsen, de hele dag lang. Ik wist zeker dat ze geen bezwaar zou hebben om ook deze dame mee te nemen.

    Zoals ik al verwacht had, wuifde mijn vriendin mijn uitleg weg en zette de dame achter in de auto. Ze kwam uit Gouda, vertelde ze, en wij keken elkaar waarderend aan: dat was een echte boekenliefhebster! Die had er een lange reis voor over! Toen mijn vriendin de auto bij de Brabanthallen parkeerde, vertelde ik de dame dat ze gerust met ons mee kon gaan naar de boekenmarkt. Waarop ze luidkeels brulde: ‘Ik wil geen boeken, ik wil linedancen!’

    Wezenloos staarde ik haar aan, maar mijn vriendin was sneller van begrip. We hadden al diverse mannen en vrouwen op de parkeerplaats zien lopen met grote cowboyhoeden, laarzen met rinkelende, blinkende sporen en kleding met franje, – maar geen enkele Indiaan – die naar een Western-festival gingen in een ander gedeelte van het enorme complex. Het was niet tot me doorgedrongen dat er nog andere evenementen waren waar je naar toe kon gaan. Mijn vriendin keek me bestraffend aan: boeken zijn niet voor iedereen een levensbehoefte, zei ze, er bestaan ook mensen met andere passies, al kon ik me dat niet voorstellen. Ze had gelijk, daarom is het volgende gedicht, met welgemeende excuses, voor de dame met het vuurrode haar:

    Los

    Dans en weet dat je bestaat
    dans een dans op hete kolen
    dans de gaten in je zolen
    dans tot de planeet vergaat

    dans als alles is gezegd
    dans tot je de tijd vergeet
    dans zoals je ademhaalt
    dans tot je de weg weer weet

    dans om nooit meer stil te staan
    dans de sterren en de maan
    dans de bomen en het bos
    niets meer vast en alles los

    We hebben haar een fijne dag gewenst en weg was ze. Daarna hebben we haar niet meer gezien; ik hoop dat op het einde van de show een stoere cowboy haar met zijn Mustang een lift gegeven heeft terug naar het station.

     

    Uit: Ingmar Heytze, Alle Goeds, 2001.


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.