Op een ochtend stond er een jonge vrouw tussen de boerenkoolplanten en de rode bieten in de voortuin. Ik zag haar door het keukenraam en wist: dit is een dichteres. Zij droeg een lange jas van een soepele groene stof, leren laarzen en een donkerrode hoed, waarmee zij naar mijn idee haar dichterschap op naïeve wijze wilde camoufleren. Ik speelde direct open kaart door te vragen of het dichterschap haar gelukkig maakte. Het was de enige vraag die zich aan me opdrong toen ik haar in mijn tuin zag staan. Ze zuchtte en zei dat als ze aan een gedicht werkte een aanval van migraine nooit ver weg was. Dat als woorden en regels zich niet zo wilden gedragen als zij voor ogen had, ze altijd overvallen werd door fysieke onrust waardoor ze het op een lopen zette. Zo kwam ze in mijn voortuin terecht.
Ik weet wat ik met dichters aan moet en vroeg haar binnen. Zonder haar bestofte laarzen uit te trekken ging ze me voor naar de keuken. Ik vroeg niet wat ze wilde drinken want ik dacht te weten wat dichters zoal drinken en dat had ik niet in huis. Ik zette een glas water voor haar neer. Ze nam het van de keukentafel en dronk het in een teug leeg.
Om deze jonge dichteres – die zichtbaar verdwaald was in haar dichterschap – tegemoet te komen, nam ik de Poëzie editie van Zuca-Magazine, die ik juist die week had ontvangen, van de keukentafel. Uit het werk van enkele van de drieëndertig daarin opgenomen Portugeestalige dichters, begon ik willekeurige strofen en regels aan haar voor te lezen. Als wilde ik haar laten zien dat ik haar begreep. Al begreep ik natuurlijk niets.
-‘Het gedicht is een oefening in andersdenkendheid, een belijdenis / van ongeloof in de almacht van wat zichtbaar is, vastligt en geleerd / wordt.’
-‘Je zei dat een gedicht altijd tegelijk probeert / te laten zien en te verhullen’
-‘hoe stop je de wereld / in een gedicht? vertaal je / zijn ruwe werkelijkheid, zijn / ongedurige lieflijkheid?’
-‘Waaruit bestaan onze dagen? / Uit kleine wensen, / trage weemoed, / stille herinneringen.’
Er verscheen een glimlach op haar gezicht en ze zei: ‘Andersdenkendheid, stille herinneringen, versplinterde schoonheid’.
Ik vertelde haar ook nog dat A.L. Snijders eens schreef over een despotische kasteelheer en zijn vrouw die ‘onbegrijpelijke gedichten van Arthur Rimbaud’ las. Ze las Rimbaud volgens Snijders, ‘om voor zichzelf een plek te hebben die voor haar echtgenoot onbereikbaar was’. Dat is toch fantastisch’, bezwoer ik de dichteres, ‘dat een gedicht een schuilplaats kan zijn’.
Evenals de aanname dat dichters drinkers zijn, kwam ik ook onder die andere aanname, dat dichters armoedzaaiers zijn, niet uit en moest ik haar deze editie van Zuca-Magazine – die haar duidelijk zeer beviel, wel meegeven.
Stel dat een vertaler zou doen wat de meeste mensen denken dat een vertaler doet… Stel dat een vertaler altijd letterlijk zou vertalen wat er staat… De literatuur zou er een stuk minder leesbaar door worden. Wie te dicht bij de bron blijft, loopt het risico een vertaling vol kreupele zinnen af te leveren die waarschijnlijk ook nog eens wemelt van de woorden die hun herkomst verraden en niet naadloos passen in de taal waarin ze beland zijn.
Volgens Paul Claes zijn het vooral beginnelingen die (te) krampachtig vasthouden aan het origineel, maar hij geeft in Gouden vertaalregels: tips voor beginnende [en andere] vertalers grif toe dat het onbewust ook de beste vertalers overkomt: het nauwgezet kopiëren van woordenschat, woordvolgorde en zinsbouw uit de brontaal. ‘Vertaals’, zo noemt Claes de taal tussen bron en doel.
Hoewel het de lezer misschien vreemd in de oren klinkt: vertalen wat er staat is zelden de bedoeling. Echte vertalers weten dat. Die weten dat ze soms alles op alles moeten zetten om een Nederlandse tekst af te leveren die net zo klinkt als het Braziliaans-Portugees van Raduan Nassar of Clarice Lispector of het Russisch van Aleksandr Poesjkin. Die durven die eerbiedwaardige teksten los te laten, maken er iets anders van en doen een schrijver met hun vertaling toch recht. Als het goed is, weten zij precies wat een schrijver te vertellen heeft en hoe ze dat in het Nederlands moeten zeggen.
Verzinnen wat er staat, dat is volgens Harrie Lemmens de kern van het werk dat hij inmiddels al een jaar of dertig doet. Sommige schrijvers kent hij inmiddels zo goed dat hij tijdens het lezen al precies hoe de zin die komt, gaat lopen. In het hoofd van een schrijver kunnen kruipen helpt, maar het eigen gevoel laten spreken ook. Meer dan het beheersen van (een) techniek is vertalen volgens Harrie Lemmens namelijk een kwestie van gevoel.
Collega-vertaler Hans Boland houdt het op instinct, en een strategie heeft hij niet. Wel een manier van werken. Voordat Hans Boland een tekst vertaalt, maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij verkent een tekst – de vorm en de inhoud – uitputtend. Dan pas begint hij te vertalen: ‘Als je alles wat er niet staat eenmaal hebt, ben je er al bijna’.
Hans Boland, Harrie Lemmens, Paul Claes en vele collega’s met hen weten dat de schrijvers die zij vertalen alleen tot de verbeelding van lezers zullen spreken als het Nederlands van hun vertalers onberispelijk is.
Om te voorkomen dat er ‘vertaals’ in hun translaties sluipt, moeten zij het origineel af en toe laten voor wat het is. Dat voelt niet altijd goed. Mariolein Sabarte Belacortu – ook haar hoorde ik recent vertellen over haar vak – kwam in gewetensnood toen ze tijdens het vertalen van een tekst van de Mexicaanse dichter Dolores Dorantes geen gehoor kon geven aan een voorschrift van de dichter. Met enige schaamte gaf ze toe Dolores Dorantes niet op de hoogte te hebben gesteld van de uiteindelijk door haar gekozen oplossing.
Vertalen is en blijft een kwestie van meerzijdige partijdigheid.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
De Portugese fotografe Ana Carvalho (1952, Porto) is van oorsprong vertaler. Ze vertrok halverwege de jaren zeventig naar Berlijn waar ze Thomas Mann en Ernst Jünger in het Portugees vertaalde. Later, toen ze in Nederland woonde, vertaalde ze Adriaan van Dis, Hugo Claus en Judith Herzberg. Sinds tien jaar is ze fotografe en sinds twee jaar vormgeefster bij Zuca-magazine, een online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur waar ze samen met haar man, vertaler Harrie Lemmens, invulling aan geeft. Op 13 juni, de dag dat Fernando Pessoa 130 geleden in Lissabon geboren werd, verschijnt het fotoboek Het uurwerk van de ziel van Ana Carvalho.
Het uurwerk van de ziel is een keuze uit de gedurende twee jaar wekelijks gepubliceerde korte citaten uit het Boek der rusteloosheid door Fernando Pessoa in vertaling van Harrie Lemmens, begeleid met een foto van Ana Carvalho op Zuca-magazine.
‘Een dialoog’ merkt Ana Carvalho op als we in Utrecht tegenover elkaar aan tafel zitten bij restaurant De Rechtbank. ‘Mijn foto’s zijn geen illustraties maar gaan een dialoog aan met literaire teksten.’
Literair Nederland ging met haar in gesprek over Portugese literatuur, foto’s voor boekomslagen en waar haar inspiratie vandaan komt.
Zijn de foto’s er eerst en wordt daarbij een tekst gezocht of is een tekst het uitgangspunt?
‘De foto’s maak ik veelal zonder opdracht. Ik ben doorlopend aan het fotograferen. In Portugal heb ik een paar jaar geleden een catalogus van mijn werk gemaakt met teksten van Antonio Lobo Antunes, een hommage aan de schrijver. De teksten zijn er al en vormen het uitgangspunt. Mijn laatste fotoboek was wel een opdracht, van de stad Póvoa de Varzim bij Porto. In dat boek heb ik een beeld van de stad geschetst in verbintenis met de zee met de titel MarTerraMar (ZeeLandZee). Omdat de zee belangrijk is voor de economie en cultuur van de stad. De citaten van Pessoa voor Zuca-magazine waren er natuurlijk al en daar zocht ik een foto bij. Bij zijn zinnen pasten mijn meer abstracte foto’s.’
Hoe ontstaat een beeld zoals deze verfspuwende kraters?
‘Ik ensceneer nooit voor een foto. Deze foto maakte ik op een bouwplaats. Ik fotografeer graag op plaatsen waar gewerkt wordt. Ook op scheepswerven. Dit is nadat er een kwast is uitgeschud tegen de muur. Wat ik erin zag is een soort vallen, vallende druppels maar dan zonder beweging.’
Wat is de aantrekkingskracht van een bouwplaats? ‘Bouwvakkers hebben een bepaalde structuur van werken. Ik heb er verschillende stillevens gemaakt. Dan staat er een emmer, de kwasten, een potje. Alles zetten ze klaar voor ze aan het werk gaan. Dat heeft mijn interesse en dat fotografeer ik. Ik fotografeerde in Portugal eens een muur op een bouwplaats. Tegen de schilder zei ik, “Dat is kunst wat je daar maakt.” Toen zei hij: “U moet straks nog eens komen, dan is het nog veel mooier.” Maar ik vind het mooi als een werk nog niet af is, zodat het nog alle kanten op kan. Een strak geschilderde muur heeft niets meer te vertellen. Wat ik doe met fotografie is de werkelijkheid in fictieve beelden vangen. Als ik een deur zie, zie ik geen deur maar de vorm van een deur. Composities van vorm, ruimte en kleur.
Hoe kom je tot deze vorm van beelden maken, was er een eerste keer?
‘Ik maak zintuiglijke foto’s. Ik fotografeerde altijd al veel, maar niet zozeer de gewone foto’s die je in een album plakt. Wat ik zoek zijn de sporen van de tijd, de vergankelijkheid van de dingen. Ik voel me aangetrokken tot beelden die iets anders laten zien dan wat het in werkelijkheid is. Ik was een keer in een kelder waar een trap op een onmogelijke plek zat, de traptreden en de geometrie van dit alles trok me aan. Dat werd mijn eerste abstracte foto. Ik werk veel met diagonalen, contrast, licht en schaduw en dat met de sporen van de tijd. De tijd vind je in verschillende lagen terug in een beeld. Dat kan een deur zijn met afgebladderde verf, een affiche aan de muur dat er al jaren hangt, roestige schepen. Imperfectie is wat ik interessant vind en fotografeer. Het zijn sporen die spontaan ontstaan zijn, dat breng ik in beeld.’
Is er wel eens een moment geweest dat je op zoek ging naar een bepaald beeld?
‘Toeval is een belangrijk aspect in mijn werk. Ik ga niet op zoek, ik loop rond en dan treft me iets. Net als Picasso zei: “Ik zoek niet, ik vind.” Dat is zoals ik werk, ik kom het tegen, ik zoek het niet op. Ik zie bijvoorbeeld sporen van slijtage op een muur en maak er een foto van. Maar dan zie ik daarnaast iets dat veel interessanter is. De beste foto zat waar ik niet zocht. Ik fotografeer geen composities, ook mensen fotografeer ik als objecten van een compositie, als personages in een verhaal. Het is dat wat ik zie en fotografeer wat het wordt. Ik hoef het niet in te kaderen of te bewerken, het enige wat ik soms doe is kleur toevoegen.’
Zoals een schrijver notities maakt, maakt Ana Carvalho doorlopend aantekeningen met haar fototoestel. Net als de notities van een schrijver, is niet alles bruikbaar. ‘Ik kies uit wat er het beste in past, in dialoog met een tekst.’
De laatste jaren leverde ze de afbeeldingen voor verschillende boekomslagen, zoals voor de in het Nederlands verschenen romans van Eduardo José Agualusa, Raduan Nassar en Dulce Maria Cardoso.
Is het anders om een foto bij een boek te zoeken dan bij een enkel citaat?
‘Meer dan dat ik foto’s maak, maak ik afbeeldingen. Een fotograaf maakt de keuze van portret- of documentaire fotografie. Bij mij gaat het om het detail, om kleur en de vorm. Ik heb een eigen stijl ontwikkeld. In Het uurwerk van de ziel is uitgegaan van een enkele zin en daar heb ik een beeld bij gezocht. Voor een boekcover is dat anders, dan zoek ik een beeld dat een reactie is op het hele boek, dat het verhaal moet weergeven. Voor de hommage aan Lobo Antunes heb ik voor een heel oeuvre beelden gezocht. Dat is duidelijk moeilijker. Ik heb dat toen in drie hoofdstukken ingedeeld: personages, scenario’s en geheugen.’
Er komen weinig mensen op je foto’s voor, waarom is dat?
‘De foto’s die ik maak zijn fictie, net als literatuur. Ook mensen zie ik als fictieve personages. Laatst maakte ik een foto van een vrouw die haar hand naar het achterhoofd van een man beweegt. Ze zaten op een bank, ik zag ze van achteren. De zon scheen en ik fotografeerde hen op het moment net voor haar hand op zijn hoofd neerkwam. Dat is het dus, een hand die in de lucht blijft, dat is een verhaal. Je weet niet of zij überhaupt haar hand op zijn hoofd legt of weer terugneemt. En dat is fictie. Zo’n foto maak ik zo snel dat ik niet aan alles denk wat ik er in eerste instantie in zie. Als in een flits zie ik de huizen op de achtergrond, de brug en de twee personages op de bank. In basis is alles daar, de kijker kan er een verhaal van maken. Als ik iets zie, moet ik het direct kunnen fotograferen. Maar zelfs een foto die onscherp is, kan goed zijn. Kan ik gebruiken voor een tekst.’
Past het bij deze tijd deze snelle manier van fotograferen?
‘Vroeger was er niet veel keus in het maken van foto’s. Je moest werken met de apparatuur die er voorhanden was. Met een digitale camera werkt het sneller, en dat past heel goed bij mij, hoe ik de werkelijkheid in fictieve beelden zie. Snel kunnen reageren is belangrijk voor mijn werk.’
Welke kunstenaars hebben je geïnspireerd?
‘Het begon met het constructivisme in de schilderkunst. Ik herinner me dat ik in het Van Abbemuseum was en daar werk zag van de Russische kunstenaar El Lissitzky. De kleuren en de vormen, het was een openbaring voor me. Een ander moment was in een kerk in Rome waar een schilderij van Caravaggio hing. Het was er donker, ik kon het werk niet goed zien. Toen deed een bezoeker een munt in een apparaat en scheen er opeens licht. Het rood uit het schilderij sprong op me af. Ik heb het schilderij niet kunnen zien, alleen dat rood. Het was overweldigend en had een grote impact op me. Het enige dat echt indruk op me maakte van dat hele schilderij. Rood is zo rood bij Caravaggio, zo fel. Toen werd rood mijn kleur, wilde ik het gebruiken. Ook film noir is voor mij belangrijk geweest. De foto met de twee personages en de hand bijvoorbeeld is voor mij als een still uit een film, een fragment. En natuurlijk de fotograaf Cartier-Bresson, die werkte veel met schaduwen, lege plekken in het beeld.’
Welke Portugese schrijver heeft veel voor je betekend?
‘Lobo Antunes was toentertijd voor mij echt een ontdekking, zoals voor veel Portugezen. Hij heeft de werkelijkheid zo goed beschreven, de koloniale oorlog, de revolutie. Bijvoorbeeld in De pracht en praal van Portugal, een heel sterk boek, en Fado alexandrino. Zijn stijl spreekt me erg aan. En ook José Saramago, hoewel niet alles van hem me aanspreekt, maar Memoriaal van het Klooster, heeft sterke beelden.’
De titel van het boek ‘Het uurwerk van de ziel’ doet denken aan een citaat van Pessoa.
‘Nee, het is geen citaat van Pessoa. Ik was wel aan het werk voor een expositie van Pessoa over Rusteloosheid, toen het beeld daarvoor ontstond. Ik zette zinnen van Pessoa op papier en knipte die uit. Ik had ze op de tafel uitgespreid. De uitgeknipte woorden lagen over elkaar heen en het woord alma (ziel) was zichtbaar en daarnaast mijn horloge. Dan zie ik de grafische vorm erin en maak een foto. Daarna heb ik er kleur in aangebracht en dat werd de cover. In het Portugees is het ‘O Relógio da Alma’.
Het uurwerk van de ziel (uitgeverij Koppernik). Deze link verwijst naar de site van Ana Carvalho.
Staande onder aan de vuurtoren op Cabo São Vicente, de zuidwestelijkste punt van Portugal én Europa, krijg je het gevoel dat de wereld ophoudt. Die wereld is inmiddels in ruim vijfhonderd jaar tijd al aardig in kaart gebracht. Maar hebben we het over literatuur, dan bestaan er voor de gemiddelde West-Europese lezer nog veel blinde vlekken.
Angola is er zo één.
Met de romans van José Eduardo Agualusa (1960 – Huambo, Angola) is Angola echter definitief op de kaart gezet. Niet het Angola dat we misschien denken te kennen, het Angola dat onafhankelijk werd van Portugal in 1975, toen de bevrijdingsbeweging MPLA aan het bewind kwam en waarmee het kolonialisme definitief was verslagen. Of toch niet? Er brak een gruwelijke burgeroorlog uit, waarbij regeringsgetrouwe troepen, met steun van de Sovjet-Unie en Cuba, het opnamen tegen de rebellen van UNITA van Jonas Savimbi dat op zijn beurt hulp kreeg van het apartheidsbewind in Zuid-Afrika.
Van Agualusa zijn inmiddels zes romans in het Nederlands vertaald. Angola, de burgeroorlog, de corruptie, staatsterreur zijn thema’s die in zijn werk terugkeren. Echter niet in de vorm van geschiedenislessen, maar verweven in een complexe vertelstructuur, waarmee Agualusa recht probeert te doen aan de onvoorstelbare gebeurtenissen in Angola. ‘In Angola zitten de eerlijke lui in de gevangenis en de bandieten spelen de baas’, zegt één van de personages.
Hoofdpersoon in zijn jongste, in het Nederlands vertaalde roman Het genootschap van onvrijwillige dromers, is Daniel Benchimol, een 55-jarige journalist, ‘verzamelaar van verdwijningen’, zoals hij in een vorige roman Een algemene theorie van het vergeten, wordt genoemd. ‘Personages’, vertelde José Saramago eens in een interview met het Eindhovens Dagblad in 2002, ‘hebben een eigen universum, maar soms ontsnappen ze gewoon.’
De tegenstelling tussen MPLA en UNITA speelt een grote rol in de roman: ‘democratie versus communisme’, zegt Hossi, een voormalige UNITA-strijder. Maar die wordt in een kliniek in Havana waar hij terecht is gekomen, direct op de vingers getikt door een Cubaanse psychologe: ‘Nee, kameraad, aan de ene kant jullie, marionetten van het imperialisme, gesteund door de Zuid-Afrikaanse racisten, aan de andere kant de socialistische kameraden en de proletarische internationalisten.’
Die ideologische tegenstelling beantwoordt echter niet aan de werkelijkheid, al was het alleen maar omdat Hossi zijn UNITA-leider Savimbi haatte en omdat de Sovjets en hun helpers, de Cubanen, minder altruïstisch waren dan ze zich wilden voordoen.
En dan de dromen. Hossi wordt gedroomd door personen in zijn omgeving. De Cubaanse inlichtingendienst is zeer geïnteresseerd. Stel je voor dat je via dromen een hele bevolking kan manipuleren: de natte droom van een totalitaire staat. Maar dan blijkt dat Hossi op die dromen van anderen waarin hij verschijnt geen enkele invloed heeft. En dan smelt de Cubaanse interesse als ijs in de zon, een van de mooie voorbeelden van de humor waarmee Agualusa zijn roman doordrenkt.
Deze roman, maar dat geldt ook voor zijn vorige, zijn agglomeraties van verhalen, die op een losse manier met elkaar zijn verbonden. Verschillende personages hebben ieder op hun eigen manier ervaringen met dromen en de betekenis ervan. De een maakt kunst op basis van haar dromen; een neuropsycholoog probeert met behulp van hersenactiviteit dromen in beeld te brengen en Daniel droomt de levens van mensen die hij niet kent. En toch zal een van zijn dromen werkelijkheid worden. Maar dat blijkt pas aan het slot.
Zoals alle grote literatuur, geweldig vertaald door Harrie Lemmens, die de schrijver in de Nederlandse literatuur heeft geïntroduceerd, bevat deze roman van Agualusa ook aanwijzingen hoe de schrijver, via zijn personages, de rol van de literatuur ziet. ‘De betekenis?!’, vraagt beeldend kunstenaar Moira Fernandes in een discussie aan Daniel. ‘Ik wil helemaal geen betekenis. Integendeel, ik wil iets wat de normale betekenis van de dingen onderuithaalt.’ Een roman is als een landschap in de visie van Agualusa: ‘Zodra een landschap je kwetst of ontroert, of boos maakt, is het geen landschap meer en wordt het een gebeurtenis’, zegt Moira Fernandes. Het zou me niet verbazen als zij nog eens opduikt in een volgende roman. Om naar uit te zien!
Zelden zal drift in woorden zo verbeeld zijn als in Een glas woede van Raduan Nassar. In een kolkende gedachtestroom wordt de lezer 44 pagina’s lang meegezogen in de woede tussen twee geliefden. Je krijgt de kans niet om op adem te komen, want de tekst bestaat maar uit één zin, waarin de woorden kolkend over je heen komen.
Het is een korte novelle die in Nederlandse vertaling tegelijk met Bijbelse landbouw, ook van Nassar, wordt uitgegeven.
Een glas woede is een sensueel verhaal, ook in de razernij. Er zijn zeven hoofdstukjes, in chronologische volgorde van een nacht en een dag, verteld door de man: ‘De aankomst’, ‘In bed’, ‘Het opstaan’, ‘De douche’ en ‘Het ontbijt’ zijn de eerste vijf. Ze beslaan maar twee of drie pagina’s (‘In bed’ telt er vijf) en bestaan ook elk uit één zin. Dan volgt het lange ‘De uitbarsting’ waarna het slothoofdstuk weer ‘De aankomst’ heet, maar nu vanuit het perspectief van de vrouw. Centraal staat min of meer de vrijpartij uit de nacht, maar die wordt niet zelf beschreven. In ‘In bed’ krijgen we slechts de fantasie van de man te lezen die wacht tot de vrouw bij hem komt liggen. Hoe de nacht zal verlopen weet hij precies. Dan is de lezer duidelijk dat de man een narcist is en een macho, die graag de macht in handen heeft.
Bladsnijmieren De uitbarsting komt als de man, de bewoner van het huis, ’s morgens op het moment dat zijn vriendin klaar staat om met de auto weg te rijden, ontdekt dat bladsnijmieren een gat in zijn ligusterhaag hebben gevreten. Hij ontsteekt in een drift waarmee hij eerst gif op het mierenspoor strooit en daarna zijn vriendin bestookt. Zo gaat hij tierend van de ‘godverdomde kutmieren’ naar zijn ‘zeikwijf’, waarbij het hele scala aan bejegeningen tegen elkaar wordt afgezet. Ondertussen staat zij daar maar tegen de klink van haar autoportier geleund. Maar onontkoombaar wordt ze in zijn razernij meegezogen. Als in het laatste hoofdstukje de vrouw aan het eind van de dag weer naar hetzelfde huis terugkeert vindt ze de man in foetushouding op bed, wachtend op haar. De titel is gelijk aan het eerste hoofdstuk waarin de man thuiskwam, waar zij wachtte. Beide keren: ‘De aankomst’. Alsof hierna het ritueel weer kan worden herhaald.
Wat aanvankelijk een wilde richtingloze verkettering lijkt, blijkt bij aandachtige lezing een ritueel tussen de twee (‘de liturgie van een zwarte mis’, noemt de man het) waarin de eeuwige strijd tussen Thanatos en Eros wordt gevochten. Maar er is meer. Vertaler Harrie Lemmens schrijft in zijn Nawoord dat Een glas woede verwijst naar de dictatuur van de generaals in Brazilië (zij pleegden een staatsgreep in 1964). Aan de basis van het verhaal ligt volgens hem ‘het eeuwige conflict tussen orde en chaos. Of anders geformuleerd, tussen de macht van de traditie en de drang tot vrijheid.’
Eén roman Dat korte, maar zeer lezenswaardige Nawoord van Lemmens, is toegevoegd aan de roman Bijbelse landbouw. Daar lezen we dat de christelijke ouders van Nassar uit Libanon emigreerden naar Brazilië, waar Raduan opgroeide als het zevende in een gezin van tien kinderen. Hij studeerde er rechten en filosofie en ging, na de nodige omzwervingen, de journalistiek in. Hij schreef enkele korte verhalen en maar één novelle (Een glas woede, gepubliceerd in 1978) en één roman (Bijbelse landbouw, gepubliceerd in 1975). Beide zijn nu tegelijk voor het eerst in Nederlandse vertaling uitgegeven door Prometheus. Waar Een glas woede gaat over de worsteling tussen aanpassing en verzet, en politiek is, speelt het conflict in Bijbelse landbouw volgens Lemmens op het terrein van de ethiek.
Wat tegen Een glas woede kan worden ingebracht is dat vooral het hoofdstuk ‘De uitbarsting’ wat geforceerd en geconstrueerd aandoet. Dat gevoel bekruipt je als je daarna Bijbelse landbouw leest. Die roman is een stuk soepeler van taal, poëtischer, nog sensueler en bedwelmender dan de novelle. Ook in deze roman bestaan alle hoofdstukken op één na, uit één zin. Dat heeft hetzelfde bedwelmende effect, maar toch krijgt de lezer meer ruimte om te ademhalen. Er zit meer rust in.
Kathedraal
De roman is in zekere zin een omkering van het verhaal van de verloren zoon uit het Oude Testament. Die zoon is André, jongen uit een gezin van zeven kinderen. Hij is de boerderij van zijn ouders ontvlucht en wordt door zijn oudste broer Pedro gevraagd terug te komen. Pedro is gestuurd door zijn vader die als een patriarch (een woord dat ook een keer valt, zoals André het gezin een paar keer ‘de Kathedraal’ noemt en de gesprekken van vader ‘preken’) zijn normen en waarden aan het gezin oplegt. Die zijn gegrondvest op de bijbel. Onderdeel van dat waardenpatroon is dat het ware geluk alleen te vinden is in het ondergeschikt maken van individuele wensen en behoeften aan de familieband. Het geluk kan alleen als hecht gezin worden bereikt: door ons terug te trekken ontsnappen we aan het gevaar van de hartstochten, maar niemand die bij zijn verstand is mag denken dat we de armen over elkaar moeten slaan, want het onkruid woekert op onvruchtbare grond: niemand bij ons thuis mag de armen over elkaar slaan zolang het land bestaat om te bebouwen, niemand bij ons thuis mag de armen over elkaar slaan zolang er muren zijn om op te trekken, en niemand bij ons thuis mag de armen over elkaar slaan zolang er een broer of een zuster bestaat om te helpen. En even verder maant de vader tot geduld, want de tijd weet wat goed is, de tijd is ruimhartig, de tijd is groot, de tijd is gul, de tijd is royaal, de tijd geeft in overvloed: hij sust onze benauwenis, vermindert de spanning van onze zorgen.
Dans
Trouw aan de (Bijbelse) traditie en geduld lijken de toverwoorden van de vader. André was als kind al anders. Hij trok zich terug in een eigen cocon in de natuur. Zijn vlucht is gevolgd nadat hij zich vergreep aan zijn zus Ana toen hij werd bedwelmd door een sensuele dans van haar.
Pedro krijgt te horen wat er is voorgevallen en hoe knellend het stempel van vader is. Toch gaat André mee. Zijn thuiskomst wordt gevierd met een groot feest, maar de lezer is intussen duidelijk dat vader en zoon elkaar niet zullen bereiken. Je weet donders goed dat je in dit huis op onze liefde kunt rekenen!, voegt de vader André toe. Die reageert met: anders dan men denkt brengt liefde mensen niet alleen dichter bij elkaar, ze drijft ze ook uiteen; en het zou heus geen onzin zijn als ik daaruit afleid dat de liefde in het gezin misschien niet zo geweldig is als men zich voorstelt.
In een geweldige apotheose wordt pagina’s lang, in letterlijke bewoordingen, de dans herhaald die André destijds verleidde. Maar nu met nog dramatischer gevolgen.
Bijbelse landbouw is een leesavontuur door de poëtische stijl van Nassar, de aangrijpende schets van menselijke onmacht, de talrijke intertekstuele verwijzingen – vooral naar de Bijbel –, maar ook door de volstrekte afwezigheid van zwart/wit denken. Zeer aanbevolen!
In de buurt van het plaatsje Kulumani zijn leeuwen gesignaleerd. Ze vallen mensen aan. De autoriteiten huren een jager in om het gevaar te bezweren. Buitenlandse bedrijven investeren liever niet in gebieden waar een mens zijn leven niet zeker is. De jager gaat op pad met een journalist/schrijver die de expeditie voor de buitenwereld moet vastleggen, ze nemen het districtshoofd en zijn echtgenote mee uit de hoofdstad Palma. Het gedrag van de leeuwen heeft ook politieke onrust veroorzaakt, het districtshoofd wil de zaak snel met succes afronden. Er volgt een urenlange, barre tocht in een gammele jeep over ongeplaveide wegen.
Een simpel gegeven, lijkt het, maar dat is schijn. Het verhaal wordt vanuit twee invalshoeken verteld: de ‘versie’ van de jonge vrouw Mariamar, uit Kulumani, en die van Arcanjo de jager. Hij houdt een journaal bij. De oudste zuster van Mariamar is het laatste slachtoffer van de leeuwen, het verhaal begint op de dag dat de verminkte resten van het slachtoffer worden begraven. De jager maakt zijn eerste notities in de nacht voordat hij zal worden uitgekozen als leeuwenverdelger. Hij kan niet slapen: ‘Ik had nooit gedacht dat die keuze mij zo bezig zou houden’. Hoe de inzichten van Mariamar tot ons komen is niet duidelijk. Mondelinge overlevering? Een schoolschriftje? En, nog interessanter, een ‘versie’ waarvan eigenlijk? De waarnemingen en aantekeningen van de jager en van Mariamar vormen de kern van A Confissão da Leoa, zojuist vertaald als De bekentenis van de leeuwin, door Mia Couto. Volgens de achterflap van het bij Querido uitgegeven boek is hij ‘een van de grootste hedendaagse Afrikaanse schrijvers’. Zou het heus?
Couto afficheert zich in kranten en tijdschriften als ‘magisch realist’, met nadruk op ‘realisme’. Wie weet. Het is in ieder geval wel een onnavolgbaar realisme: de gebeurtenissen spelen zich af in een vaag aangeduid gebied, met een rivier, een woestijn, bossen, akkers, lemen hutten, medicijnmannen, blinde soldaten, hyena’s, krokodillen, slangen. De mensen spreken er een onbekende taal, met woorden als anakula, nchemba, ntela, kusungabanga, ngwena, takatuka, dombe. De auteur presenteert een onontwarbare kluwen van beelden, situaties en gebeurtenissen die de gebruikelijke logica van het alledaagse leven ver ontstijgen. Er bestaan geen grenzen tussen leven en dood, heden en verleden, mens en dier, dromen en waken, geest en materie, waarheid en leugen. Je kunt je verdriet overdragen aan een boom, kippen kunnen gieren worden, motten hebben onrust, leeuwen worden mensen, mensen veranderen in elkaar of in leeuwen of andere substanties. Als de jager wordt aangevallen door iemand met een kapmes, weet hij zich als volgt te redden: ‘Snel als de bliksem doorklieft het kapmes de lucht, maar raakt het slachtoffer niet. Onverwacht verandert het lichaam van de jager in zee, golf na golf, tot het alleen nog maar zee is. Door water te worden weet Arcanjo op het allerlaatste moment de dans te ontspringen’.
Verhaallijnen doorkruisen elkaar. Hebben Mariamar en de jager een verhouding gehad? Ze meent dat hij haar ooit zwanger heeft gemaakt en dat ze voor hem gedanst heeft als een slang. Maar ook de verpleegster Luzilia heeft als een slang voor hem gedanst; van een ontmoeting met Mariamar weet de jager niets, van Luzilia’s verleidingskunst herinnert hij zich de kleinste details. De vrouw van het districtshoofd begeeft zich ’s nachts poedelnaakt op het erf in de hoop dat ze door een leeuw besprongen zal worden: ‘Ik wil door een leeuw genomen worden, ik wil zwanger worden van een leeuw’. Als ze eindelijk besprongen wordt, is het door een leeuwin, geen leeuw. De leeuwin is ‘een schaduw’ die in ‘een bliksemflits’ als ‘een vuurbal’ op de vrouw afschiet. De beeldspraak rolt en tolt. Zwanger zal ze niet worden, ze brengt het er ternauwernood levend vanaf. Bij alle magie verbaast het niet dat leeuwen ook door een hogere instantie ‘gemaakt’ kunnen worden en zich niet als ‘echte’ leeuwen gedragen. De enige keer dat de jager oog in oog met een leeuw komt te staan, weigeren zijn vingers dienst en kan hij de trekker van zijn geweer niet overhalen; gelukkig voor hem is het dier alleen maar verbaasd en valt hem niet aan.
Soms lijkt het erop dat Couto een achterliggende boodschap in zijn boek verstopt heeft: ooit hadden vrouwen het voor het zeggen. God was een vrouw en iedereen sprak dezelfde taal als de oceanen, de aarde en de hemelen. De leeuwinnen waar het verhaal om draait, zijn eigenlijk vrouwen en dat is wat de moeder van Mariamar de jager laat weten voordat hij weer afreist naar Palma: ‘Ik ben de leeuwin die overblijft’, zegt ze. ‘Waarom vertelt u me dat?’, vraagt de jager. ‘Dit is mijn bekentenis’, luidt het antwoord, de laatste zin van het verhaal. De bekentenis van een moeder, naar de bekentenis van de leeuwin moeten we raden.
Wat is literatuur nog waard dacht ik toen ik in Utrecht een tafel afgeprijsde boeken zag waarop zo’n zeventig boeken met hun ruggen naar boven tegen elkaar aan geperst stonden. Buiten nog wel. De boeken waren als nieuw maar over datum. Ik hoorde daar eigenlijk niet te zijn. Ik zwierf maar wat rond en keek naar die boeken die met de zachte bladerkant, daar waar het boek zich zal openen voor wie het kennen wil, steunden op de tafel. En ik dacht: Niet op hun buik, niet op hun buik. Gewetenloos waren ze daar gestald. Geen kant konden ze op. Maar hé, dacht ik. Komop!
De zon schemerde door het grijs. Ik was een afspraak nagekomen aan de Oudegracht en na afloop wat besluiteloos blijven rondhangen. Voor ik het wist stond ik voor de boekentafel. De afgeprijsde boekentafel. Mijn ogen vlogen over de ruggen met een snelheid die ik amper bij kon houden. Niet op hun buik, niet op hun buik, ging het door me heen en ik begon ze er één voor één eruit te halen en maakte stapeltjes waar een stuk van de tafel was vrij gekomen. Toen zag ik Het laatste kind van Gilles van der Loo die binnenkort met een derde roman bij Van Oorschot uitkomt. En ik dacht, weten ze dat wel? Weet De Literaire Boekhandel aan de Lijnmarkt wel dat Van der Loo aan een oeuvre schrijft. Weten ze wel hoe goed hij schrijft. Dat je zo’n boek niet moet verkwanselen maar in je winkel moet houden. Je klanten aanraden. En ik vroeg aan de jonge verkoopster: Heb je deze gelezen? en hield Het laatste kind omhoog. ze glimlachte en zij wijs: Je kunt niet alles lezen he. En ik vroeg: Weet de uitgever dit? en wist gelijk dat dit geen wijze vraag was. Dus ik dacht: een uitgever moet weer eens contact zoeken met laten we zeggen, de werkvloer. En weet de boekhandelaar wel wat hij in huis heeft, echt in huis heeft?
De verkoopster ging naar binnen, en ik trok twee exemplaren van God is een Braziliaan van Harrie Lemmens ertussen uit. Dit is toch een boek dat je op voorraad moet hebben wil je je klanten die Portugeestalige literatuur omarmen ter wille zijn. Een boek vol ontmoetingen met schrijvers, politici, taxichauffeurs,…
En hier, een boek van Richard Yates. Yates van Revolutionary Road! Dit is Een geval van ordeverstoring. En begint zo:
‘Voor Janice Wilder betekende eind zomer 1960 het begin van de tegenslag. En het ergste was, zei ze later altijd, het afschuwelijke was, dat het zomaar zonder waarschuwing leek te gebeuren.’
Zoals alles zonder waarschuwing gebeurt. Een winkelhulp krijg opdracht alle boeken van voor, of na (willekeur lijkt mee te spelen) een bepaalde datum uit de schappen te halen om ruimte te maken voor verse oogt. De boekhandelaar als boer die zijn eigen boterberg creëert en zo goed boert dat de waarde van een boek beperkt is.
De tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver José J. Veiga (1915-1999), speelt in de jaren zeventig en beslaat een periode van zes jaar waarin het rustige stadje Taitara zich ontwikkelt tot een dictatoriaal staatje. Hoe dat zo ontstaan is, vertelt de zeventienjarige jongen Lucas (Lu) die door zijn moeder gezegd is ‘alles op te schrijven’, zelfs dat wat niemand mag weten.
José Veiga debuteerde op vijfenveertig jarige leeftijd met een verhalenbundel. Met zijn debuutroman De drie plagen van Manirema, dat vorig jaar in vertaling verscheen, brak hij toentertijd door naar een groot publiek. Deze debuutroman gaat over een stadje dat ten prooi valt aan onbegrijpelijke gebeurtenissen. Ook in Onrust boven Taitara dat verscheen in 1972, en onlangs vertaald werd door Harrie Lemmens, blijft in de stad Taitara niets zo als het was.
Lu is enig kind en elf jaar oud als de broer van zijn moeder, die hij alleen van foto’s kent, op bezoek komt. Oom Baltazar is opnieuw getrouwd met (tante) Dulce, is steenrijk maar van zijn verschijning schrikt Lu nogal. Deze oom klopt niet met het beeld dat hij van hem kent op de foto’s. Hij mist een arm, de linkerarm waarmee hij, op de foto die hij hen stuurde, achter het stuur zittend van een glimmende sportwagen, nonchalant mee over het portier leunde. Die foto was van hand tot hand gegaan, ‘Mam leende hem wel uit, zo aardig en ijdel was ze wel, maar als het wat lang duurde voor ze hem terugkreeg, moest ik hem gaan halen, zo’n belangrijk document mocht niet te lang in ongewijde handen blijven.’, en had enorm succes geoogst bij vrienden en kennissen.
De fabriek
Oom Baltazar heeft grootse plannen voor het opzetten van een bedrijf in Taitara. Al snel blijkt dat hij geen idee heeft wat daar zoal bij komt kijken. Wanneer uiteindelijk het bedrijf, Companhia Melhoramentos de Taitara (Maatschappij tot Verbetering van Taitara) een feit is, wordt oom Baltazar in de stad verafgood als grondlegger van de fabriek. Maar niet van lange duur. Op een dag werken de vennoten van de fabriek oom Baltazar eruit en vertrekt hij met zijn vrouw uit Taitara.
Daarna verschijnen er van de een op de andere dag muren in de straten waardoor vrienden van elkaar gescheiden worden en het somber wordt in de huizen. ‘Door die vermoeiende en ontmoedigende muren overal was er moeilijk achter te komen wat er allemaal gebeurde in de stad, wat de mensen dachten en zeiden. Vroeger had ik mam na school altijd een hoop te vertellen, nu ging ik weg en kwam ik terug in het donker, (…).’ Veel arbeiders worden ontslagen en anderen worden onder voorwaarden in dienst genomen. De vader van Lu wordt, tegen ieders verwachting in, bevorderd tot controleur. Hij krijgt een uniform en ontleent status aan de macht die hij heeft de ander te helpen of tegen te werken.
Verloren onschuld
De roman is zo’n zeven jaar na de staatsgreep van 1964 in Brazilië, geschreven. Toen de militairen zich op het hoogtepunt van hun macht bevonden. Duidelijk is dat Veiga de onderdrukking van die tijd beschrijft maar desondanks is het geen zwartgallige roman geworden, eerder een luchthartig aanvaarden van wat op je pad komt. En dat komt doordat hij die onderdrukking gebruikt als decor voor de ontwikkelingen van Lu. De geschiedenis van Taitara is uiteindelijk de geschiedenis van een opgroeiende jongen die zijn onschuld verliest en de wereld om hem heen dramatisch ziet veranderen. Zijn vader wordt om onverklaarbare redenen gevangen genomen, zijn oom sterft en de veel jongere vrouw van zijn oom, (en dat is wat niemand mag weten) Dulce kruipt ’s nachts bij hem in bed in de tijd dat hij bij hen logeert.’Soms wachtte ik op haar terwijl ik deed of ik sliep, andere keren sliep ik echt en werd ik wakker van haar gewoel, maar dan hield ik mijn ogen dicht.’
Briesende paarden
Veiga schrijft in een rustige, haast kale stijl. De glimmende sportwagen kent geen merk en tante Dulce is mooi zonder dat haar schoonheid beschreven wordt. Je kunt spreken van flat characters maar daarentegen zijn de overdenkingen van Lu metaforisch voor de sfeer waarin hij leeft. Als hij in een afbraakpand waar zijn vader, die zijn werk als controleur heeft neergelegd, een winkel wil beginnen, enige orde probeert te scheppen, stappen er twee mannen te paard het pand binnen om te schuilen voor de regen. Lu ziet een vergelijking tussen de briesende paarden en het volk in de stad: ‘(…) een opgetuigd paard dat op zijn baas wacht is een treurig beest, het heeft geen eigen wil, mag alleen maar daarheen waar het mee naar toe wordt genomen – net zoals wij op onze wegen tussen muren.’
Onheil over Taitara is een ‘Coming of Age’ roman pur sang. Door het sobere en luchtige taalgebruik schittert deze roman in eenvoud en heeft Veiga in de stem van de jongen een toon gevonden die waarachtig klinkt, ook al zijn de gebeurtenissen die verteld worden bizar en ongeloofwaardig. Van deze magisch realistische schrijver wil je, na de vertaalde roman De drie plagen van Maniremaen deze, beslist meer lezen.
Ik ben goed in taarten bakken en wilde een regenboogtaart maken. Tientallen keren gebakken, altijd succes. Het is een behoorlijk indrukwekkende taart. `als het even niet meezit helpt alleen het denken aan een Regenboogtaart al. Weldra ontstaat er in mijn hoofd een weldadige inspiratie kick. Alles komt uit het hoofd. Ik pakte beslagkom, brak eieren, woog bloem af (waarbij ik opeens twijfelde aan de juiste hoeveelheid), bereidde kleurstoffen, een behoorlijk ingewikkeld procedé, van rode biet, wortel, citroen en kurkuma, blauwe bessen, braam, spinazie en framboos, die ik niet meer in huis had, maar dat moest geen probleem zijn. Het vereist vaardigheid en een nauwgezetheid van samenstellen van de ingrediënten om de juiste kleuren te krijgen. Die bleek ik opeens niet meer te bezitten. De taart werd te hard gebakken en behoorlijk kleurloos. Alles kon de vuilnisbak in. Ik was mislukt.
De Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) overkwam het ook, al denk ik niet dat hij ooit een taart gebakken heeft. Zijn ding is verhalen vertellen, levens beschrijven en daar een boek van maken. Hij schreef zo’n veertig boeken. De laatste keer dat hij zich aan een verhaal zette dat verteld moest worden, gebeurde er niets. Hij zat aan tafel, schrijfblok voor zich, pen in de hand en er gebeurde niets. Hij, die dacht te weten hoe je een boek moet schrijven, kreeg geen letter op papier. Hij beschrijft het nauwgezet in een column, gepubliceerd in het Portugese tijdschrift Visão.
“Het waren geen gemakkelijke maanden van begin augustus tot half december 2011: […] mijn wanhoop en het gevoel dat de zin van mijn leven weg was namen bijna van uur tot uur toe.
Hij dacht dat zijn bron was opgedroogd en dat hij zich daar maar bij neer te leggen had. Het maakte hem gek te weten dat hij nooit meer zou schrijven dus ging hij elke ochtend achter zijn bureau zitten zoals hij dat gewend was te doen. Dat hij elke dag eindigde met een blanco vel weerhield hem er niet van de volgende ochtend weer te gaan zitten. Soms kwamen er een paar zinnen en dacht hij: ‘Misschien is dit het’, maar het was het niet en het ene na het andere probeersel verdween in de prullenbak. Toen begon hij te schetsen, hij tekende een huis met een dak en een schoorsteen en zag er het begin van een boek in. Hij tekende nog een paar huizen, als ware het de verschillende versies van een verhaal. Het werd een huis met vier verdiepingen en een zolder. In elk appartement, op elke verdieping kwamen bewoners. Toen verscheen er een zin: Ik loop als een brandend huis (Caminho como uma casa em chamas).
“Vervolgens begon ik vol angst en twijfels aan de eerste kladversie van het eerste hoofdstuk: in de prullenmand. Een tweede versie: in de prullenmand. Een derde: in de prullenmand. Vervolgens haalde ik het derde kladje weer uit de prullenmand en begon dat te herschrijven, één, twee, drie keer: terwijl ik me afvroeg ‘Zou dit het zijn?’ en mezelf antwoordde ‘Waarschijnlijk niet maar ik ga maar door”
Na drie jaar was het boek, Als een brandend huis af. Waarin bewoners van acht appartementen, die aangeduid worden als ‘Tweehoog rechts’ en ‘Begane grond links’ in Lissabon een stem krijgen. De epiloog vindt plaats op zolder, waar voormalig dictator Salazar een rol speelt als ‘de doffe echo van een dood gezag’. Een prachtig boek dat een stuk van de geschiedenis van Portugal en hoe Portugezen denken en leven, (maar vooral over de denkwijze van Lobo Antunes zelf), weergeeft.
Ik had dit nooit geweten als Harrie Lemmens, vertaler van Lobo Antunes, niet ook zijn columns vertaalde en publiceerde op de website voor Portugeestalige literatuur, Zucamagazine.nl. En dat doorgaan maar het best is wat je in alle gevallen kunt doen.
De Braziliaanse schrijver José J. Veiga (1915-1999), schreef zestien romans en verhalenbundels en wordt gezien als één van de belangrijkste schrijvers van Brazilië. Sinds vorig jaar wordt zijn werk dan opnieuw uitgegeven en zijn eerste boek De drie plagen van Manirema, werd in het Nederlands vertaald. Veiga debuteerde in 1958 met de verhalenbundel Os cavalinhos de Platiplanto (De kleine paardjes) dat als eerst werd heruitgegeven (nog niet vertaald). Zijn verhalen kennen een surrealistische wending nadat ze doorgaans rustig en wat gewoontjes begonnen zijn. Onheil over Taitara is zijn tweede roman (ook de tweede die vertaald is) schrijft de jongen Lu over de vreemde gebeurtenissen die in de stad Taitara waar hij woont, voorkomen. Een rijke oom van hem begint een bedrijf maar wordt eruit gewerkt door zijn vennoten. Waarna het stadje strenge regels krijgt opgelegd. Er worden controleurs opgesteld, in de straten verschijnen hoge scheidsmuren en er heerst een dictatoriale sfeer. Gieren cirkelen rond en nemen bezit van het stadje. Dat belooft wat.
Auteur: José J. Veiga
Uitgeverij: Athenaeum
De vergever
Robert Anker (1946), debuteerde als dichter en ontwikkelde zich in de loop der jaren tot romanschrijver. De vergever is zijn twaalfde roman en gaat over de succesvolle onderzoeksjournalist Sander Schwartz bij een weekblad als een burn-out hem overvalt. Als hij er weer bovenop is ontpopt hij zich tot een gewild schrijver. Dan komt de dag dat hij zijn nieuwe roman niet uitgegeven krijgt en zijn leven opnieuw instort. Dat gebeurt hem vervolgens nog een paar keer (na een ongeluk, na het vertrek van een geliefde), en hij besluit zijn memoires te schrijven om erachter te komen waarom hij de kern van zijn leven steeds lijkt te missen. De vergever gaat in wezen over het moeizame proces om tot zelfkennis te komen en hoe je je leven kunt veranderen.
Auteur: Robert Anker
Uitgeverij: Querido
Een toon die in de stilte zoemt
Uit 10.243 inzendingen werd woensdag 3 februari bekend gemaakt dat het gedicht, En of het zo door kan gaan van de twintigjarige Else Kemps uit Malden, bekroond werd met de hoofdprijs van € 10.000. Uit diezelfde 10.243 inzendingen werden al eerder 100 gedichten gekozen en gebundeld tot de zevende editie van de Turing gedichtenwedstrijd. De onderwerpen variëren van vluchtelingen in Heumensoord, breekbaarheid van familierelaties, verzorgingstehuis perikelingen en natuurlijk de liefde. Ook het winnende gedicht van Else Kemps staat erin. Waarvan hier, als voorproefje, de eerste zes strofen: Het verschil tussen wachten en verwachten leerde je/van een kat die twee keer van huis wegliep en maar één keer terugkwam.//Je denkt aan de zuurstoffles die je opa kunstmatig in coma hield./Of het zo door kon gaan, vroeg je tante steeds, en op Google Maps// heeft zijn fiets nog drie jaar voor de deur gestaan. Daarna was er S, de man die zei niet verder te willen en daarom al die tijd gebleven is.