• Oogst week 47 – 2021

    De kleuren van Anna

    Sander Kollaard won met zijn roman Uit het leven van een hond de Libris Literatuurprijs 2020. Dit onderstreept maar weer eens hoezeer de band tussen mens en hond waardering en ontroering oogst. In Kollaards recent verschenen De kleuren van Anna ontmoet een naamloze ik-figuur in Zweden de intrigerende Anna tijdens, hoe kan het anders, het uitlaten van de honden. Het boek is een mengeling van essayistiek, literatuur, een dagboek en ogenschijnlijk losse aantekeningen. Kleuren krijgen bovendien, als we de tot nu toe verschenen recensies mogen geloven, een on-Nederlands rijke dimensie.

    Het leeuwendeel van de inkt reserveert Kollaard voor de gesprekken die de ik-persoon met Anna voert. De onderwerpen met deze rode (activistische) dame variëren rijkelijk: Zweedse natuur, Engelse dichtkunst, de verrechtsing in de VS én de psychische invloed van kleur op de mens. Telkens toont zij zich de meest nuchtere van de twee, waar de ik-persoon nogal eens zwelgt in de Weltschmerz die we van Kollaards oeuvre kennen. De kleuren van Anna is een ideeënrijk tegengif tegen de winterse duisternis.

    De kleuren van Anna
    Auteur: Sander Kollaard
    Uitgeverij: G.A. Van Oorschot

    Ik heb de tijd op je naam laten vallen – Poëzie uit Portugal

    Vele culturen hebben zo hun eigen onvertaalbare concepten waar ze trots op zijn. Nederlanders zijn ‘gezellig’, Denen veraangenamen hun leven met ‘hygge’ en Zweden bewonderen de maanreflectie in het water met ‘mångata’. Portugal kent een begrip dat niets minder dan de hartslag van zijn geliefde fado is: ‘saudade’. Dit betekent zoveel als genietend rouwen om het verloren gegane of nooit verkregene. Deze weemoed kan zich richten op geliefden, landen, geuren, maaltijden of een gevoel. Een uitermate geschikt thema voor de poëzie. Maar deze keer geen uitgave over het driekoppige vlaggenschip van de Portugese literatuur: Luís do Camoes, Fernando Pessoa en José Saramago.

    Uitgeverij Koppernik brengt een Portugees-Nederlandse dichtcompilatie uit, samengesteld door  Harrie Lemmens en getiteld Ik heb de tijd op je naam laten vallen – vrouwenstemmen uit vijf eeuwen. In deze tweetalige uitgave verschijnen alle gedichten titelloos, De boektitel is ontleend aan een gedicht van Maria do Rosário Pedreira: naast dichteres een bekende kinderboeken- en liedtekstschrijfster. In hun vertaling zijn Lemmens en Suy dicht bij de brontekst gebleven van de eenendertig dichteressen, maar weten zij de zinnelijkheid en de ‘saudade’ te behouden in het Nederlands. Deze bundel is een eerbetoon aan de onderbelichte vrouwenstemmen in de Portugese literatuur, en opent een nieuw stukje van de Portugese literatuur voor de Nederlandse lezer.

    Ik heb de tijd op je naam laten vallen - Poëzie uit Portugal
    Auteur: Vrouwenstemmen uit vijf eeuwen
    Uitgeverij: Koppernik

    Arsène Lupin – Gentleman Inbreker

    De populaire beeldcultuur beïnvloedt al jaren ons leesgedrag. Dit jaar wint Lale Gül voor haar debuut Ik ga leven de NS Publieksprijs. Michel van Egmond flikte dit kunstje zelfs twee keer: eerst met Gijp, daarna met Kieft. Hiermee lieten zij mastodonten als Tommy Wieringa, Arthur Japin en Nelleke Noordervliet moeiteloos achter zich. Hoe? Televisiebekendheid. Eenzelfde lot lijkt Martien Meiland en zijn ex-vrouw Erica beschoren, alle xenofobie in hun memoires ten spijt. Onder jeugdige lezers is de grootste stuurder van leesgedrag Netflix. Laat dat medium nu nét de avonturen van Maurice Leblanc reanimeren met een hoofdrol voor de goedlachse Omar Sy als Arsène Lupin. Gentleman, Inbreker.

    Het motief van de goede dief die steelt van de rijken, Robin Hood, doet het altijd goed bij het grote publiek. Uitgeverij Davidsfonds, gesitueerd in het Belgische Leuven, geldt als ’s lands grootste cultuurfonds en begrijpt bovendien dat dit verhaal zich uitstekend leent voor een stripuitgave. Zij is rijkelijk geïllustreerd en brontekstgetrouw vertaald. Daarbij kan de hoofdpersoon wat sluwheid betreft, wedijveren met de prehistorische Galliër uit het dorp dat wij zo goed kennen. Altijd weer tovert de gentleman een truc uit zijn hoge, zwarte hoed. Laat u zich betoveren?

    Arsène Lupin - Gentleman Inbreker
    Auteur: Maurice Leblanc
    Uitgeverij: Davidsfonds – infodok
  • Een rijkdom

    Een rijkdom

    De eerste zeven jaar van dit millennium woonden we in midden-Portugal. Voor we de stap zetten, las ik alles wat ik kon vinden (wat niet zoveel was) over dat land waarvan ik enkel wist dat het zo onversneden was, de mensen, het landschap, de cultuur.  Portugal, van J. Rentes de Carvalho, was een dankbare leidraad. Het eerste wat ik erin opzocht was iets over de Portugese taal. Hij schrijft dat die verre van makkelijk is om te leren (dat dacht ik al). Rentes raadt de reiziger aan bij gebrek aan kennis van de taal, hoffelijk te zijn, vooral te glimlachen (waar we goed in waren). Over ‘Armoede’ schreef hij, ‘Doe zoals alle goedhartige Portugezen en zorg ervoor dat u altijd wat los kleingeld op zak heeft. Geef telkens één muntstuk. …al is de persoon achter de uitgestrekte hand blind, zie hem altijd recht in de ogen, kijk niet langs hem heen of op hem neer. Met die blik en niet met het geld doet u de ware liefdadigheid voelen.’ 

    In Licht op Lissabon schrijft Harrie Lemmens, ‘Zoals in alle grote steden kent ook Lissabon zijn wegwerpmensen, degenen die om wat voor reden dan ook zelf zijn afgehaakt of door de samenleving werden opgegeven.Overdag dolen ze rond (..) dirigeren auto’s naar vrije plaatsen, raffelen halfluid litanieën af, tikken blind met stokken, tonen stompjes en uitstulpingen (…). Op zoek naar een helpende hand, een opbeurend woord, wat geld of een shot.’

    In Portugal bewoonden we als gezin met twee kleine kinderen, drie kleine kamers. Het merendeel van onze  huisraad bleef in Nederland. Ik miste al snel mijn boeken en (vergeef me) de HEMA. Toen begon ik Portugese boeken te kopen, als we op onze vrije dagen in Lissabon waren. Het eerste boek was Exortação aos Crocodilos (Preek tot de krokodillen) van António Lobo Antunes. Elke zondagmorgen las ik het nauwgezet (als las ik de bijbel) aan de keukentafel, woordenboek ernaast. Het was of ik de raadselen des levens moest zien op te lossen, het was stuwend, krachtig proza. Twee jaar later lag het boek in de Nederlandse boekhandel. 

    Het lezen van de vertaling door Harrie Lemmens was net zo krachtig en stuwend als het origineel. Lemmens is een Lobo Antunes adept, zijn liefde voor hoe deze man schrijft, komt onverbloemd tot uiting in zijn Lissabonboek. Midden jaren tachtig, toen hij met zijn vrouw Ana Carvalho in Lissabon woonde, ontdekte hij António Lobo Antunes. ‘Uit een brief: “Ik besteed mijn tijd voor een groot deel aan het lezen van een schitterend boek van een even schitterende Portugese schrijver, een boek dat in een heleboel talen is vertaald maar nog niet in het Nederlands en – je snapt het natuurlijk al, dat hoop ik dus te doen. (…) een boek zo rijk (een rijkdom die ik niet volledig kan verslinden omdat ik een aantal woorden niet ken, maar waarvan ik de stroom niet wil tegenhouden door het openslaan van woordenboeken)’.
    Licht op Lissabon leest net zo fragmentarisch en boeiend als het Boek der rusteloosheid (Pessoa), een rijkdom aan culturele, literaire informatie, zo groot dat het onuitputtelijk lijkt. Daartussendoor die brieffragmenten, gericht aan vrienden. Die geven een intrigerend persoonlijke toon aan het boek. Zo’n boek had ik nu graag gelezen toen ik naar Portugal verhuisde.

     

     

    Licht op Lissabon / Harrie Lemmens / Geïllustreerd met foto’s van Ana Carvalho / 406 blz. / Uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt vaak verliefd op een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

  • Oogst week 6 – 2021

    De berenvrouw

    Het jaar 1541 lijkt niet ver af te staan van het heden in De berenvrouw van Karolina Ramqvist. Niet alleen omdat het verhaal van Marguerite de la Rocque, een daadwerkelijk historisch figuur, te maken heeft met seksuele intimidatie en verbanning, victim blaming avant la lettre, zeg maar – helaas weer en altijd actueel – maar ook omdat Ramqvist haar eigen verhaal met dat van Marguerite vervlecht. Ramqvists reflectie op haar moeder- en schrijverschap speelt namelijk een belangrijke rol in De berenvrouw. In de roman wordt De la Rocque na een seksschandaal van een schip gezet en achtergelaten op een onherbergzaam eiland in Newfoundland, waar ze het hoofd moet bieden aan de beren die er leven en in de wildernis bevalt van een zoon. Ramqvist doet verslag van haar leven en toont de lezer tegelijkertijd hoe ze tot het schrijven van het verhaal is gekomen, en welke keuzes haar eigen leven bepaald hebben.

    De berenvrouw
    Auteur: Karolina Ramqvist
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In mijn mand

    Van schrijver en filosoof Lieke Marsman, die Tsead Bruinja op 21 januari van dit jaar officieel opvolgde als Dichter des Vaderlands, verscheen In mijn mand. Het is een maatschappelijk geëngageerde dichtbundel waarin zij reflecteert op het leven met een levensbedreigende ziekte, en de plek, de waarde, die ziekte en dood in een mensenleven en de maatschappij hebben. Marsman schrijft vanuit haar eigen ervaringen, zoals ze ook deed voor haar eerder verschenen bundel De volgende scan duurt vijf minuten: in 2018 werd kraakbeenkanker bij haar gediagnosticeerd, ze wordt inmiddels behandeld voor uitzaaiingen. Het leven met een levensbedreigende ziekte wakkert juist ook strijdvaardigheid en politiek activisme in haar aan. In 2020 stelde ze in een interview met Trouw al: ‘(…) me verdiepen in politiek is meer dan alleen afleiding. Ik wil geen verhaal houden van “die ziekte levert ook goeie dingen op”, toch is er ergens een soort oerkracht aangewakkerd. Die oerkracht voelt ongeveer als wanneer ik een gedicht aan het schrijven ben en alles op zijn plaats valt. Dat je ineens heel helder ziet: dit woord moet daar, en deze drie zinnen moeten er helemaal uit en die zin moet hier. In de kunst noemen ze dat inspiratie, in de politiek eerder gedrevenheid. Het is een fijn gevoel. Dat je heel scherp ziet waar ergens een probleem is en wat daaraan gedaan kan worden.’

    In mijn mand
    Auteur: Lieke Marsman
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De andere kant van de zee

    Drie personages delen in De andere kant van de zee hun herinneringen aan de opstand van de zwarte bevolking in Angola tegen de koloniale Portugese onderdrukker, die in 1961 plaatsvond en leidde tot de Portugese koloniale oorlog (of ‘Overzeese Oorlog’). Aan het woord komen een kolonel, een directeur van de post en de dochter van een plantagehouder. Zij delen hun ontworteling en verdriet. Lobo Antunes schrijft de lezer het hoofd van de personages in: hij laat leestekens achterwege, beschrijft associatief of juist haarscherp de omstandigheden en creëert zo een stream of consciousness.

    Schrijver en psychiater António Lobo Antunes put uit eigen ervaring: hij was als arts-psychiater in Angola gestationeerd in 1973, tijdens de koloniale oorlog, en schreef naar aanleiding daarvan ook zijn romandebuut Memória de Elefante (1979).

    Lobo Antunes wordt wel ‘het geweten van Portugal’ genoemd vanwege zijn scherpe maatschappijkritiek en grillige karakter, en wordt door velen gezien als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur (hij zag de prijs aan zich voorbijgaan toen landgenoot en collega-auteur José Saramago die in 1998 won). Lobo Antunes heeft inmiddels 31 romans op zijn naam staan.

    De andere kant van de zee
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Plattegrond

    Plattegrond

    ‘Wie weggaat van de wereld laat voor wie blijft een
     spoor van vragen achter.’ 

    In Amsterdam was het stil op straat. Anderhalvemeter afstand leek een overbodige regel. Ik liep over de Nieuwmarkt naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar de Sint Olofspoort, het Waterlooplein, ging onder het IJ door. Onderweg verzamel ik de herinneringen van mensen die je gekend hebben in al die jaren dat ik niet wist waar je was. Langzaam ontstaat er een beeld, worden lijnen zichtbaar waarop ik mijn vinger leg, beweeg van A naar B, als op een plattegrond, om te zien waar je ging. Geregeld denk ik, ‘Als ik dit geweten had’, of, ‘Als ik dat gedaan had, hoe zou het dan?’ Een poëtische gedachte, de ‘als dit of dat’ gedachte. Het helpt om het verleden voor even naar je hand te zetten. Deze zomer las ik de gedichten van de Portugese schrijfster Maria do Rosário Pedreira. Daarin krijgen emoties de vrije hand, enkel de woede ontbreekt. Daar had ik wat mee te stellen de laatste tijd, met onverwachte woede, om hoe de dingen gegaan zijn. 

    ‘Ik herinner me het muurtje tussen de weg en
    het strand. Daar gingen we zitten alsof we voor altijd
    het eerste streepje zonlicht konden bewaren, januari,
    een tijdens de nacht geleerd woord, of een eiland
    dat oprees uit de zee en doelloos ronddreef. Veel later
    zouden wespen en meeuwen op het geluid van mijn
    vingers in je haar afkomen – als lang verwachte engelen.’

    Pedreira dicht over verlangens die kwellen, van liefdes en levens die voorbij zijn, tussen de strofen door sijpelt verdriet en een zekere tederheid. Er spreekt verlatenheid in deze bundel, die niet zonder meer Scherven heet. Een verlatenheid die ook uit de verhalen van Natalia Ginzburg spreekt. Scherven is tweetalig uitgegeven – wat mooi is, de Portugese taal in het Nederlands te kunnen zien overgaan – waarmee een vertaler zijn werk vrijgeeft, laat zien welke keuzes hij maakte. Hoe in de ene regel het woord ‘medo’ vertaald wordt als ‘bang’, in een andere regel met ‘angst’. En ‘assustada’ ook de betekenis van bang zijn heeft. De nuances, het zoeken van de vertaler naar de juiste gradatie van een emotie. Ik zocht naar verschillende benamingen, gradaties van emoties.
    ‘ik ben bang. De maan is er nog maar voor de helft, de aarde beeft. En ik beef van angst dat je niet terugkeert.’
    (estou assustada. A lua está apenas por metada, a terra treme. E eu tremo, com medo que nao voltes.)

    Deze bundel was de hele zomer bij me. Telkens sloeg ik het open, verkende opnieuw de regels van verlangen, herkende klanken van voorbije levens.  Sommige gedichten zijn als een lied, het zingt terwijl je leest.

    ‘Ze bewaarde een paar stiltes en ook de dingen
     die ze gewoon bij toeval niet had gezegd. Ook bewaarde ze
     nu die toevalligheden, blanco berichten tussen de woorden,
     waarvan ze er te over had. Desondanks zou ze altijd die
     woorden bewaren, of het beeld van lippen terwijl ze ze
     zeiden – een gezicht dat nog niet triest aan de zomer herinnerde.’

    Zomers kenmerkten zich vroeger door een zomerliefde, een zomerhit. Door deze bundel zal ik mij de zomer van 2020, de zomer waarin jij verongelukte, altijd blijven herinneren.

     

     

    Scherven / Maria do Rosário Pedreira / gekozen, vertaald, nawoord  Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Hazenpad

    Hazenpad

    Toen er de laatste weken volop werd teruggeblikt, lijstjes werden gepresenteerd, er relletjes ontstonden rond het werven van stemmen voor beste boek van het jaar en het vooruitblikken loskwam, koos ik het hazenpad. ‘s Nachts zette ik me in de tuin, wachtend in de stilte op het gekwinkeleer van een vogel die elke nacht mijn nieuwsgierigheid wekte. Ik dacht een nachtegaal, maar weet niets van vogels. Overdag was ik met Belmiro Borba, een man zonder bestemming uit Belo Horizonte. We gingen samen uit, waren met zijn vrienden in het park, voerden filosofische, door drank aangespoorde gesprekken. Het was kerstavond 1934 en we namen de tram naar Calafate, naar zijn huis, een fazenda van zijn familie waar Belmiro woont met zijn twee stokoude zussen. De een wordt op gezette tijden opgenomen in een inrichting, de ander zet tijdens de maaltijden een kartonnen scherm voor haar bord om haar broer niet te hoeven zien.

    Onbereikbare liefdes zijn de gasoline waarmee Belmiro zijn dagen doorkomt. Verliefd op de mythe die hij zelf gecreëerd heeft rond het meisje Carmélia. Belmiro kan enkel op deze wijze de liefde aan, zo gauw deze fysiek wordt, verliest hij het bewustzijn. Liever droomt hij. ‘Toen ik een keer ‘s middags onder de luifel bij de voordeur zat, lichamelijk zeer verzwakt, zag ik haar zelfs het ijzeren tuinpoortje openduwen en naar me toekomen. (…) We praatten lang met elkaar, eindeloze uren, (…). Ze droeg een witte jurk, die haar lichter maakt en haar maagdelijke aanzien versterkt. Wat is deze liefde kuis! Geen lust of verlangen, geen sensuele voorstellingen.’ Carmélia trouwt uiteindelijk met een jongeman uit haar jeugd en gaat op huwelijksreis naar Europa. Belmiro overweegt,  ‘Als ik nou eens naar Rio ging om de afvaart bij te wonen, gewoon onverschillig, is dat geen idee?’ Waarna hij zichzelf direct op de vingers tikt: ‘Nou ja zeg, seu Belmiro, alleen al de gedachte om naar Rio te gaan sluit onverschilligheid uit. Blijf nou maar rustig in de Rua Erê en maak jezelf niks wijs.’  

    Toch gaat hij. Onder het mom van een zakenreisje reist hij naar Rio, ziet van een afstand het jonge stel de loopplank opgaan. Waardoor hij zich geërgerd afvraagt of hij naar Rio was gekomen om ‘dat’ te zien. Twee ‘doodgewone’ reizigers. Er gebeurde niets. ‘De aarde beefde niet, de zon werd niet verduisterd.’  Het is het leven op afstand dat Belmiro voor me inneemt. In zijn dagboek is er sprake van een onderzoekende geest, soms schimpend. Ja, dat is Belmiro, overdag is hij een timide, introverte jongeman van achtendertig, in zijn dagboek is hij een relativerende, soms nukkige oude man. Dagboekschrijven is voor hem een project, ‘Wie wil mag kwaadspreken over de literatuur. Ikzelf zal zeggen dat ik er mijn redding aan te danken heb. Ik kom bedrukt thuis, schrijf tien regels en word olympisch.’ Laten we gaan schrijven, onszelf overtreffen. Maar  lees eerst dit geweldige boek.

    Het was het roodborstje dat wanneer het ’s nacht wakker wordt direct aan het zingen slaat. Roodborstjes roeren zich net als Belmiro, het best in eenzaamheid.

     

     

    Ambtenaar Belmiro / Cyro dos Anjos / vertaald door Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Brieven

    Brieven

    Er is een schriftje weg, er staat iets in dat ik nodig heb, denk ik. Ik zoek een zinsnede, een opgeschreven waarneming die iets op gang moet brengen. In mijn ergernis dat ik het niet kan vinden, stoot ik mijn teen tegen een grote zwarte koffer. Gevuld met honderden met de hand geschreven brieven en postkaarten. Brieven die pas na mijn dood gelezen zullen worden door anderen. Nu schrijven we e-mails die worden opgeslagen in een cloud waar niemand tegenaan loopt. Ik las een boek waarvan elk hoofdstuk zich laat lezen als een e-mail, puntsgewijs, in ingedikte taal, als is er geen tijd te verliezen. Een met de hand geschreven brief brengt gedachten op gang, werkt ideeën uit. We schreven brieven, en wachtten daarna weken op een wederhoor. Geïntrigeerd door hoe mensen op internet corresponderen, schreef de Braziliaanse schrijver Michel Laub een roman. Zijn gedachten over wat we allemaal via internet vrijgeven, hoe weinig besef er is wat ermee gebeurt, werkte hij uit in Het donderdagtribunaal.

    Hoe het is als je leven onder een digitaal vergrootglas wordt gelegd. Brieven die online geschreven zijn lopen kans door anderen gelezen te worden. Waarom zou je e-mails van anderen willen lezen? Wraak is er een, domweg nieuwsgierig een tweede. Gewoon even kijken wat de ander zoal doet op internet.
    José Victor en Walter zijn sinds hun jeugd vrienden van elkaar. Ze zijn van de generatie ‘80, toen aids de seksuele vrijheidsbeleving in zijn greep hield. José Victor houdt van vrouwen, Walter van mannen, beiden hebben wisselende contacten gehad. Seksuele veroveringen worden in hun e-mailwisseling in oneliners neergezet, hiv besmettingen op de hak genomen. Ze zijn als jongens onder elkaar, de grootspraak, onderbroekenlol, niet voor derden bestemd. Dan stuit de ex-vrouw van José Victor op de mailwisseling, (als vond ze een koffer met brieven onder het bed) en begint te lezen.

    Ze komt te weten dat Walter al jaren seropositief is (daar maken ze grappen over in hun mails). Ooit heeft de ex, kort voor ze José Victor ontmoette, onbeveiligde seks gehad met Walter. De schrik slaat haar om het hart. Ze voelt zich toch al bedrogen omdat haar man voor een andere vrouw koos, uit wraak zet ze enkele van hun e-mails online. De vrijgegeven berichten werken als een roddel, ze ontberen de context en verspreiden zich snel. José Victor wordt verguisd door vriend en vijand. Dan zegt hij zijn baan op en begint een zelfonderzoek.
    Dat vriend Walter in de jaren tachtig besmet raakte, dit geheim hield, laat nog weer eens zien wat een schande er kleefde aan de diagnose aids, aan homo zijn. Laub laat in tegenstelling tot wat nog wel gedacht wordt, zien dat ieder mens met het aidsvirus besmet kan worden, ongeacht geaardheid. Verrassend boek.

    Het schriftje vind ik dan eindelijk tussen andere schriftjes op mijn werktafel, ik lees de zin: ‘Het internet versnelt de tijd die we hebben, roem en vernietiging gaan langs dezelfde weg.’ Ja, dat brengt wel iets op gang.

     

    Het donderdagtribunaal / Michel Laub / vertaling Harrie Lemmens / Ambo|Anthos (2018)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Vertaler Harrie Lemmens maakte uit een aanbod van drie dikke boekdelen orthonieme gedichten, (500 blz.) een keuze van 109 gedichten en stelde een tweetalige bundel samen met de veelzeggende titel Een spoor van mezelf.
    Fernando Pessoa schreef deze gedichten onder zijn eigen naam (‘orthos’ is Grieks voor ‘correct’ of ‘juist’). Zijn keuze lichtte Lemmens toe in het interview Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten dat in juni op Literair Nederland verscheen. Eveneens schreef Lemmens een interessant en verhelderend nawoord en werd er een kleine chronologie van het leven van Pessoa in opgenomen.

    Ongrijpbare dichter

    Van alle Portugese dichters is Fernando Pessoa (1888-1935) zonder twijfel de bekendste en misschien wel de meest geliefde, ook in Nederland. Dat is zeker niet vanzelfsprekend, want zijn poëzie is niet gemakkelijk. Pessoa was een complexe en ongrijpbare dichter, die ervan hield om heteroniemen te bedenken, afsplitsingen van zichzelf, die hij voorzag van niet alleen een naam, maar ook een persoonlijkheid, een eigen schrijfstijl, handschrift en zelfs een horoscoop. Vijf of zes van deze heteroniemen zijn algemeen bekend, maar er zouden er inmiddels meer dan honderdzevenentwintig geteld zijn.

    ‘Als je het moe wordt
    om steeds op één plek te zijn,
    waarom dan niet ook
    om maar één mens te zijn?’

    Ontwikkeling

    De gedichten zijn opgenomen in de volgorde waarin ze geschreven zijn: het eerste gedicht dateert van 21 november 1909, het laatste is van 22 november 1935, bijna exact 26 jaar later. Duidelijk is te zien hoe de stijl van Pessoa veranderde naarmate hij ouder wordt: de vroege gedichten bevatten onder invloed van het Franse symbolisme veel doorwrochte vergelijkingen ( ‘Zacht als het hebben van een moeder en zusters valt de avondstond…’) en lijken met veel schaven en polijsten tot stand te zijn gekomen; ze maken een veel traditionelere indruk dan de latere gedichten die eenvoudiger van taal zijn, intiemer, alsof Pessoa de lezer deelgenoot maakt van zijn geheimste gedachten. Want elk gedicht gaat alleen maar over Pessoa zelf: het is een gedachte, een mijmering, een droom, geschreven vanuit het ik-perspectief, alsof de dichter in zichzelf praat. Deze gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, alsof het geen moeite heeft gekost. Toch worden ze daardoor niet gemakkelijker om te begrijpen.

    ‘Zoals ik het lieg’

    Pessoa hield ervan zich te verhullen en raadselachtig te blijven, ook al verwerkte hij persoonlijke herinneringen, uit zijn kindertijd en latere leven, in zijn werk. Het is nooit duidelijk of de dichter iets echt zo bedoelt of dat het een pose is, een doen alsof. Alsof hij een personage in zijn eigen werk is, van wie de identiteit inwisselbaar is: ‘Mijn leven verloopt / zoals ik het lieg.’ En net als het lijkt alsof hij zijn ware ik toont, voegt Pessoa een opmerking toe die alles ontkracht of ontkent wat hij daarvoor gezegd heeft:

    ‘Niets van wat ik ben zal ik ooit zijn.
    Ik droom en in mijn wezen droomt alleen
    een droom van wat ooit van mij zal zijn,
    maar het is weg nog voor het verscheen’

    Vergankelijkheid als thema

    Terugkerende woorden in elk gedicht zijn dood, droom, leven, melancholie, met als overheersend thema de vergankelijkheid van alles. Deze onderwerpen worden echter niet vanuit het gevoel, maar vanuit het verstand benaderd. Voor Pessoa was schrijven een cerebrale bezigheid; het gevoel was eruit zodra hij het had opgeschreven. ‘Wat ik voel wordt gewoon niet / door mijn hart voortgebracht, / maar door mijn verbeeldingskracht.’, schrijft hij in Dit, een gedicht uit 1933, met in de laatste strofe: ‘Voelen? Voelen moet wie het leest!’ Maar ook dit moet een mystificatie van de dichter zijn, want waardoor ‘voelen’ de gedichten dan zo echt aan? Pessoa roept op onvergelijkbare wijze de sfeer op van zijn geliefde Lissabon in de schemering, de schaduwen aan de kade, de eenzaamheid van de cafés, de regen. Het onvertaalbare Portugese woord ‘saudade’ krijgt ineens betekenis.

    ‘Het vale licht van de wintermorgen,
    de kade en mijn verstand
    bieden niet meer en ook niet minder hoop
    aan mijn hart.
    Wat komen moet
    komt onherroepelijk, of ik dat wil of niet.’

    Hoewel er niets boven de oorspronkelijke taal van de schrijver gaat, hoef je als  lezer geen Portugees te kennen om onder de indruk te komen. Een vergelijking tussen de Portugese versie en de vertaling, laat zien dat Lemmens erin geslaagd is hetzelfde rijmschema en ritme aan te houden als in de originele gedichten. Bovendien heeft hij de inhoud weergegeven in soepele spreektaal, die dicht bij de lezer blijft.

    ‘Niets van wat ik ben interesseert mij.
    Als er in mijn hart al iets leeft
    dat haast heeft om zich vrij
    te maken, is die haast tevergeefs.’

    Weerslag van een leven

    Deze 109 complexe en verontrustende gedichten gaan allemaal over Pessoa’s verwondering over de absurditeit van het bestaan en het zoeken naar een identiteit. Hij schrijft over zijn leven, gekweld door de leegte in zichzelf en om hem heen, door twijfels bevangen over het mysterie van het leven. Misschien dat daarom – sinds in de jaren tachtig van de vorige eeuw, onder druk van de hectische maatschappij, zingeving in het leven steeds belangrijker werd – het werk van deze Portugese dichter zo’n grote betekenis heeft gekregen. Het zijn geen gedichten die even tussendoor gelezen kunnen worden. Al lezend word je deelgenoot van Pessoa’s verlangen zich terug te trekken, een beschouwelijk leven te willen leiden dat geheel in dienst staat van de literatuur. Daarvoor moet je wel bereid zijn afstand te doen van wie je denkt te zijn.

     

  • Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Verbinding

    Verbinding

    De schreeuw om een geordende wereld spatte de afgelopen weken van het internet. Daarbij sloegen links en rechts elkaar bestraffend om de oren en dienden rampen zich aan. Ik droomde ’s nachts gewoon dat ik aan de arm van Remco Campert liep. Er was geen loper, er was geen feest. We waren een knap stel al ben ik geen schoonheid maar Remco Campert is toch een opmerkelijke verschijning. Het was een evenwichtig moment. Tegen de ochtend droomde ik dat ik met een kind, in een doek op mijn rug gebonden, van een stenen trap afliep. Het doek raakte los en het kind rolde zo langs me heen naar beneden, waar de trap in het water verdween. Ik werd wakker van een ernstig (droge) snikken. Ik begreep niet wat ik ermee moest. Ik ging naar beneden en zette in de keuken de radio aan, vulde een ketel met water.

    Op de radio de stem van een hulpverlener ter plaatse over de toestand in Mozambique. Het kan altijd nog erger. Een cycloon raasde op een nietsvermoedende vrijdagochtend over het land. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Er is honger, gebrek aan schoon water, cholera heerst. De stem van de hulpverlener valt af en toe weg. Mijn gehoor staat op scherp, zie voor me een verwoest landschap, een modderig landschap. Ik vrees dat de omroepster, zoals bij de radio gebruikelijk is bij een slechte verbinding, zal zeggen: ‘Zeg, de verbinding hapert…, jammer maar we…’.

    Ondertussen zoek ik in mijn hoofd naar iets van een verbinding met Mozambique om dichterbij te komen. Iets dat me als een strak geworpen speer dwars door de feitelijkheden heen bij de kern der dingen brengt. Ik loop naar de boekenkast en zoek naar de Portugees/Mozambikaanse schrijver Mia Couto. Zijn eerste roman, Slaapwandelend land speelt in Mozambique tijdens de burgeroorlog in de jaren zeventig. Een hopeloze geschiedenis waarvan sommige beelden me bijbleven. Van een vrouw met een lichte huidskleur, een zeemeermin? Ik zoek het op. Een visser redde een vrouw uit zee. De visser was het niet van plan, maar zo gauw hij haar op het droge heeft en haar ongewone huid ziet, bindt hij haar vast op het strand. Wie haar lichte huid wil zien, moet betalen. De visser is blij met deze neveninkomsten. Maar de vrouw werkt niet mee. Er staat een bakje water en een schaaltje vis naast haar. Ze raakt het niet aan. De visser was een sluwe vos, schreef Couto. Verhalen zijn hoeders van de geschiedenis, maken de ondoenlijke werkelijkheid tot een overzichtelijk geheel.

     

    Slaapwandelend land / Mia Couto, Vertaling: Harrie Lemmens, Van Gennep (2009)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Oogst week 50

    Het donderdagtribunaal

    Deze week oogsten we het complete werk (krap 4000 pagina’s) van Marcel Proust in een nieuw jasje, de tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver Michel Laub en literair tijdschrift Terras.

    Het donderdagtribunaal van Michel Laub (1973) is een aanklacht tegen het ongebreidelde veroordelen via social media: de aanklachtverspreider bij het minste geringste van de veelal hypocriete aanklager. Philip Roth schreef De menselijk smet, Michel Laub Het donderdagtribunaal. Waarin twee beste vrienden (veertigers) e-mails met elkaar uitwisselen. Wanneer een van de twee in scheiding ligt, worden de mails explicieter en gaan over seks, liefde, trouw en verraad. Dit alles onderschreven met rauwe humor. Een uitlaatklep voor de vrienden. Maar wanneer de ex-vrouw deze mails vindt en openbaar maakt, is het hek van de dam en ontstaat er een groot schandaal.

    Het NRC noemde het een moedige en onthutsende roman. Laatste zin: ‘Van buiten komt het straatrumoer, dat niet ophoudt, nooit zal ophouden: we hebben tijd, net als iedereen.’

    Het donderdagtribunaal
    Auteur: Michel Laub
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust is eindelijk weer in zijn geheel verkrijgbaar in een prachtige uitgave van De Bezige Bij. Het is een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur, maar daarmee ook een van de moeilijkst leesbare boeken van zijn tijd. De romancyclus is een gangenstelsel van sublieme personages, subtiele ironie, in heldere zinnen en scherpe observatie beschreven waar je, voor je het weet, in verdwaalt. De vertaling van À la recherche du temps perdu (bijna 4000 pagina’s) werd het levenswerk van vertaalster Thérèse Cornips (1926-2016). waarvoor zij gelauwerd werd met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

    Marcel Proust (1871-1922) leidde het leven van een mondaine schrijver. Hij leed aan astma en na de dood van zijn ouders, zonderde hij zich volledig af en wijdde zich aan het schrijven van de romancyclus.

    Sinds halverwege de jaren tachtig werkte Cornips aan de integrale vertaling van de monumentale romancyclus. Haar was niet meer de tijd gegund om In de schaduw van meisjes in bloei van een nieuwe vertaling te voorzien. Dit zevende boek is nu in haar geest vertaald door Désirée Schyns en Philippe Noble.

    Tip: voor wie Op zoek naar de verloren tijd voor het eerst leest: lees eerst Alain de Bottons Hoe Proust je leven kan veranderen. Dan weet je in ieder geval waarom je het zou moeten lezen.

    Op zoek naar de verloren tijd
    Auteur: Marcel Proust
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Terras #15

    Medewerkers van Terras bevinden zich verspreid over de hele wereld en de redactie is immer benieuwd naar wat er aan de andere kant van de grens leeft. Dit samengebracht levert steeds mooie literaire stukken op en zet voor de lezer de deur open naar schrijvers, die (omdat ze zover weg leven, niet vertaald zijn, namen niet beklijven), binnen het bereik komen. En dan is het aan de lezer om verder te zoeken naar werk van deze schrijvers.
    Het in november verschenen nummer is gewijd aan Afrika met daarin veel werk van Afrikaanse auteurs, jonge schrijvers en overleden gerenommeerde Afrikaans schrijvers uit West- Oost- Zuid- en Midden-Afrika.

    Onderbelichte delen van de literatuur zijn het interessantst: voor de lezer die van ontdekken houdt, van ‘zelf doen’, ligt er een mooie weg te aan in het ontdekken van de namen en teksten die deze Terras biedt. Verhalen die – net als westerse verhalen – handelen over liefde, mannen en vrouwen, homoseksualiteit, vlucht en migratie, dagelijks leven, politiek en emancipatie, maar dan anders, omdat de achtergrond anders is. Dat geeft nieuwe ideeën en schept een nieuw begrijpen ‘van’

    Als extra bijlage levert Terras een klein boekje, inmiddels het derde deel in de reeks ‘Schemerschijn’ en bevat de essaybundel Geringere schepsels van Jan Postma die rondom zijn verblijf op de Jan van Eyck Academie in Maastricht ontstond.

    Terras #15
    Auteur: Onder redactie
  • Oogst week 45 (2018)

    De akte van mijn moeder

    De Hongaar András Forgách (1952) is in eigen land een bekende schrijver. Men kent hem ook van zijn werk als vertaler, toneelschrijver en beeldend kunstenaar. In de jaren zeventig en tachtig was hij actief in verzet tegen het Sovjetregime.

    Zijn nieuwste roman De akte van mijn moeder is gebaseerd op de waarheid. Een waarheid waar hij dertig jaar na het overlijden van zijn moeder bij toeval achterkomt omdat een oude jeugdvriend hem daarop attendeert. Het blijkt dat zijn moeder, op wie hij dol was, vanaf 1975 tot aan haar dood gespioneerd heeft voor de geheime dienst. Zij rapporteerde over bekenden, haar vrienden, en zelfs over haar echtgenoot en kinderen. Dat zijn ouders Stalinisten waren, wist Forgách wel. Maar dat zijn moeder zo ver zou gaan, was een schok voor hem.

    Het boek is inmiddels in 14 landen vertaald en wordt ook verfilmd.

    De vertaalster, Rebekka Hermán Mostert, over dit boek: ‘Het is een boek met tanden, bij vlagen hilarisch, soms dor irritant, soms heel raak en roerend, maar zeker informatief, op het randje van exhibitionistisch. Hongarije in de ‘soft-socialistische’ late jaren, met mensen voor en tegen, onmachtig in en buiten het systeem, Israël en de Arabieren, de Holocaust, toe maar. Met talloze excursen, feiten en namen tussen neus en lippen door, die je langs even zovele nieuwe paden sturen. Een lange, ongemakkelijke blik in de keuken van een schrijver die aan systeemontleding doet, en daarbij zichzelf en de zijnen niet spaart. Een poging tot reconstructie. Een ontdekking van een wereld en werelden. Een altaar voor moeilijke liefde.’

     

     

     

     

     

     

    De akte van mijn moeder
    Auteur: András Forgách
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Mijn zusje, de seriemoordenaar

    Na Forgàch die schrijft over het verraad van zijn moeder, nu een ander ‘familieboek’, Mijn zusje, de seriemoordenaar, over twee bizarre zusjes. De één, de mooie Ayoola, vermoordt na verloop van tijd al haar vriendjes, de ander, Korede ruimt de boel op wist alle sporen. Totdat Ayoola ingaat op de avances van een man op wie Korede heimelijk verliefd is.

    Oyinkan Braithwaite studeerde rechten en creatief schrijven, werkte voor online magazines en een Nigeriaanse uitgeverij en treedt ook op als als poetry slammer. Ze wilde altijd al schrijfster worden en publiceerde Mijn zusje, de seriemoordenaar op een online platform. Omdat ze zoveel enthousiaste reacties kreeg, stuurde ze het naar een uitgever. Inmiddels is haar debuut een groot succes en zijn de filmrechten ervan verkocht.

     

     

    Mijn zusje, de seriemoordenaar
    Auteur: Oyinkan Braithwaite
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Voor wie in het donker op mij wacht

    Als je wakker wordt moet je altijd even aan de dag wennen’
    en dat is helemaal niet waar, ik hoef helemaal niet aan de dag te wennen, waar ik aan moet wennen is dat ze dingen verplaatsen zonder mij iets te vragen, ze doen gewoon waar ze zin in hebben, de dame op leeftijd schudde het kussen op, hielp me rechtop te gaan zitten
    ‘Voorzichtig want u hebt al vaker geknoeid’
    gaf me mijn pillen en schonk thee voor me in, terwijl de kat als water op de grond gleed, als ze langs mijn benen strijkt hoor je een motortje dat ronkt tot zijn staart voorbij is en hij me vergeet, heel even moest ik denken aan Faro, aan mijn moeder, als ze ’s avonds de soep op tafel zette, en mijn vader, die met zijn servet half in het boordje van zijn hemd en half in zijn hand, in bretels en zonder colbertje
    ‘Kom eens hier’
    zei dat ik mijn tong moest uitsteken, zijn wijsvinger natmaakte en een vlek van mijn neus wreef’

    (…)

    Nauwelijks interpunctie, het is niet altijd duidelijk over wie de hoofdpersoon het heeft, herinnering en werkelijkheid wisselen elkaar af. Je moet er wel bijblijven bij het lezen van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes.

    Voor wie in het donker op mij wacht gaat over de kracht van het geheugen en tegelijkertijd het verliezen van herinneringen.
    De 79-jarige Celeste is de verteller. Ze lijdt aan alzheimer en is overgeleverd aan de zorg van een oudere vrouw en de neef van haar tweede echtgenoot. Hoewel het spreken haar steeds slechter vergaat, probeert ze haar herinneringen vast te houden – aan haar jeugd in de Algarve, haar jaren als actrice en haar twee huwelijken. Als actrice verplaatst ze zich bovendien voortdurend in de mensen die haar omringen en verzint ze levens voor hen.

    Voor wie in het donker op mij wacht
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos