• Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    De omvang van de wereld is alweer de veertiende roman van de Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) die Harrie Lemmens naar het Nederlands heeft vertaald. Deze keer betreft het echter het sluitstuk van dat imposante oeuvre (Lobo Antunes schreef er ruim 30): deze roman uit 2022 is de laatste voordat de eerste tekenen van dementie zich bij de schrijver manifesteerden.

    Zoals in bijna alle romans van Lobo Antunes volgen we ook hier de gebeurtenissen via meerdere personages. Het verhaal draait om een 77-jarige industrieel die nu hij ziek is zijn dood voelt naderen. Als jonge man heeft hij een kind verwekt bij een van de arbeidsters uit het bedrijf van zijn vader. De dochter die uit deze verbintenis is voortgekomen is het tweede personage. Dan is er de jonge vrouw met wie de industrieel samenwoont, het derde personage. Zij heeft een relatie met een advocaat, de vierde persoon, die haar helpt voorbereidingen te treffen om zoveel mogelijk geld uit de nalatenschap van de industrieel te krijgen als deze komt te overlijden.

    Verwijt

    ‘Het hoogste wat het leven ons in het algemeen geeft, is een zekere kennis van dat leven, die veel te laat komt’. Dit citaat uit een van de columns van Lobo Antunes dat Harrie Lemmens aanhaalt in zijn nawoord, illustreert perfect het hoofdthema van De omvang van de wereld. Terugkijkend op zijn leven verwijt de industrieel zijn zwakte als jonge man; hij durfde zijn hart niet te volgen en koos niet definitief voor zijn geliefde en zijn dochter, bang als hij was voor de consequenties van zijn vader die deze verbintenis afkeurde. ‘Haal het niet in je hoofd om je eigen leven en dat van de zaak te vergallen vanwege een of ander mokkeltje met wie je je nergens kunt vertonen druiloor’. De positie die hij zijn dochter later geeft binnen het bedrijf komt voor haar als een schrale en te late troost; ze is al teveel vervreemd van haar vader, die ze in haar jeugd zo vaak heeft gemist: ‘mijn vader geen vader meer maar een meneer die ik nauwelijks kende’. De vader die in haar jeugd maar een keer per week op bezoek komt, altijd ongemakkelijk, hij blijft veraf.

    De passages waarin de dochter terugdenkt aan de momenten waarop ze met haar vader de speeltuin vlakbij het souterrain bezocht behoren tot de meest ontroerende van de roman, juist omdat die ontroering niet door sentiment wordt gecreëerd. ‘[… ] net zoals ik nooit heb gekeken als hij wegging uit het souterrain, dan pakte ik mijn vilten olifant en luisterde zittend op de grond naar zijn voetstappen buiten’.  Het is pijnlijk om keer op keer te lezen hoezeer ze haar vader heeft gemist ‘het aantal keren dat ik bij het parkje ben gaan kijken in de hoop u daar op een andere bank te zien zitten’. Nu is ze hard en verbitterd. Het is knap hoe Lobo Antunes tussen de verbittering door haar emoties toont. De liefde waar ze altijd naar hunkert. De vader die er wel maar vooral ook niet is. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoeveel hij van zijn dochter houdt, en hoezeer hij haar altijd heeft gemist – die pijn is erger dan de pijn die hij nu fysiek voelt als langzaam stervende man.

    Bij al zijn beslissingen speelde ook mee dat hij bang was dat haar moeder – die inmiddels is overleden – alleen zijn geld wilde, maar uit alles blijkt dat de moeder vooral verbitterd is geraakt door de weigering van de vader om zijn leven werkelijk met hen te delen. Zijn geld hoeft ze niet. ‘Ik hoef geen aalmoezen ik ben je hoer niet’. De ouders hebben een haat-liefde verhouding: ‘vol haat en tegelijkertijd een en al glimlach, ze snauwde hem weg en greep zijn arm vast, duwde hem van zich af terwijl ze aan hem trok’.

    Armoede

    De jonge vrouw die met de industrieel samenwoont en de advocaat worden ook gedreven door de armoede die ze hebben gekend in hun jeugd, waarbij daarnaast voor de advocaat ook nog het cynisme komt van de praktijken waar hij zich noodgedwongen mee bezighoudt; ‘terwijl ik gegoede lui help bestaand geld te stallen in niet-bestaande landen’. Steeds schemert door dat de industrieel heel goed beseft wat de jonge vrouw en de advocaat van plan zijn, maar het lijkt hem niet meer te deren en onbeschaamd zetten zij hun plannen door, waarbij de advocaat steeds het initiatief neemt: ‘ik zette de bankrekening van mijn cliënte over op mijn naam en nee, daar zat ik niet zo mee, zo is het leven, de grote vissen eten de kleine en worden op hun beurt gegeten door nog grotere dieren’.

    ‘Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels’. Zoals in bijna al het werk van Lobo Antunes zijn er zinnen die als een mantra terugkeren, de gedachtes die het leidende motief vormen en waarop steeds meer wordt gevarieerd, als een terugkerend motief in een symfonie. Het beeld is prachtig en laat alle ruimte voor die variatie die hij zo nodig heeft en die zijn stijl zo kenmerkt, ‘gedreven door het dwingende verlangen om een vorm te vinden voor gelijktijdigheid en meerstemmigheid’, zo karakteriseert Harrie Lemmens deze stijl treffend. Dit uit zich in herinneringen, gedachtesprongen, wisselingen van perspectief, maar de kracht van Lobo Antunes is dat bij dit alles de focus altijd blijft op het verhaal dat hij wil vertellen.

    Herinneringen en eenzaamheid

    Ouderdom en eenzaamheid zijn twee leidende motieven on deze roman. In zijn portrettering van de industrieel heeft Lobo Antunes autobiografische elementen verwerkt, zo leren we uit het nawoord van Harrie Lemmens: mede doordat hij al eerder door kanker werd getroffen was die nakende dood voor Lobo Antunes een angstbeeld. En naarmate we ouder worden krijgen we natuurlijk steeds meer herinneringen: ‘God wat zit ik toch vol voorvallen van vroeger’, zo denkt de industrieel, en later ‘de tijd vernielt je lichaam langzaam’. Die herinneringen, en daarmee de eenzaamheid, spelen zich allemaal af binnen dat universum dat onze gedachtewereld vormt, voor de psychiater die Lobo Antunes vooral ook was, bij uitstek het terrein dat hem door en door bekend was. ‘We hebben allemaal iets nodig wat ons verbindt met het verleden en ons helpt te geloven dat we in zekere zin misschien gelukkig zijn geweest.’ Zijn werk als psychiater is niet strikt gescheiden van zijn literaire werk, maar loopt er direct in door, een vloeiende lijn. En bij die herinneringen, bij dat ouder worden, neemt de eenzaamheid alleen maar toe: ‘eenzaamheid is een traan van een waterkraan die door het donker vanuit de keuken tot hier komt’.

    António Lobo Antunes weet de diepere menselijke angsten, gevoelens en drijfveren altijd naar boven te halen. Zijn kracht ligt erin dat hij ogenschijnlijk ‘gewone’ levens weet uit te vergroten en zo een universeel karakter weet te geven, terwijl ze toch ook gewoon dat ogenschijnlijk ‘normale’ leven blijven. Ook in dit sterke sluitstuk van zijn oeuvre toont António Lobo Antunes aan dat hij tot de top van de wereldliteratuur behoort.

     

  • Prachtig verstoorde rust

    Prachtig verstoorde rust

    Autran Dourado (1926-2012) was een Braziliaanse schrijver van romans en verhalen. Zijn roman Opera der doden (Ópera dos mortos) verscheen in 1967 en werd in 1997 in het Nederlands vertaald door Harrie Lemmens. In 2025 is het boek opnieuw (ongewijzigd) uitgebracht. Beide vertalingen bevatten hetzelfde nawoord van de vertaler.

    De roman begint fabelachtig. De eerste zin luidt: ‘Voor ik u antwoord geef op uw vraag, eerst dit:’ Vervolgens ontvouwt zich het verhaal van een familie van grootgrondbezitters en van het huis dat ze bewonen. Lucas Procópio Honório Cota is een potentaat die zijn bezit met ijzeren vuist bestuurt. Zijn zoon, Joāo Capistrano Honório Cota, is een stuk milder. Hij laat een tweede verdieping op het huis bouwen waardoor twee generaties met elkaar verbonden worden, maar het blijft de vraag of ze een eenheid vormen.

    Joāo Capistrano Honório Cota verwijt zijn stadgenoten dat ze zijn droom een politieke carrière na te jagen, gefnuikt hebben; hij keert daarop de stad de rug toe, trekt zich samen met zijn dochter Rosalina terug in het huis en sluit de wereld buiten. De tijd wordt letterlijk bevroren in het huis: de klokken worden namelijk na de dood van grootvader en moeder van Rosalina om precies drie uur stilgezet.

    Rosalina

    Na de dood van grootvader en vader bewoont Rosalina het huis samen met haar dienstmeid Quiquina, die niet kan praten. Overdag maakt Rosalina kunstbloemen, ’s avonds drinkt ze. Ze leidt een geïsoleerd leven totdat ze José Feliciano, die ook Juca de Mus of Zé-van-de-Majoor genoemd wordt, aanneemt als manusje-van-alles. Terwijl Quiquina stom is, maar niet doof, heeft José Feliciano een oog waar hij bijna niets mee ziet. De beangstigende buitenwereld wordt verbeeld door een gapende kloof die José Feliciano panische angst aanjaagt, omdat het hem doet denken aan een open graf.

    Met de komst van José Feliciano is de rust in het huis verstoord, zeker als hij ’s nachts Rosalina’s minnaar wordt. Overdag is zij nog steeds dona Rosalina en hij haar ondergeschikte, ’s nachts is ze een vurige vrouw die haar minnaar ontvangt. Die ontdekt dat er niet twee maar zelfs drie verschillende Rosalina’s in één persoon huizen. Voor de genoemde twee is er ook ‘dona Rosalina die had bestaan voor zijn komst naar het huis en die was blijven bestaan tot die ene nacht (…).’

    Katholieke context

    De drie namen van de mannelijke hoofdpersoon, de drie verschillende Rosalina’s, de klokken die om drie uur stilstaan: het cijfer drie komt natuurlijk niet voor niets vaak voor in de roman. In een katholieke context valt onmiddellijk te denken aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De slotzin luidt: ‘Daar ging Rosalina, onze doorn, onze smart.’ Ook die zin valt goed in een katholieke context te plaatsen.

    Afwisselende stijl

    Dourade geeft de directe rede in de tekst zonder leestekens weer en maakt daardoor de innerlijke monologen en de dialogen gelijkwaardig. Die eenvormigheid doorbreekt hij stilistisch: er staan veel korte, elliptische zinnen in de tekst, maar tegen het eind komen zinnen voor die pagina’s lang doordenderen (op pag. 200-202 bijvoorbeeld). Omdat hij de gebeurtenissen via de gedachten, de innerlijke monologen, van de personages vertelt, wisselt hij continu van perspectief: de lezer kruipt in het hoofd van steeds een andere hoofdpersoon.

    Keuzes van de vertaler

    De vertaler heeft ervoor gekozen een paar (Braziliaanse) woorden en begrippen toe te lichten (handig natuurlijk), maar systematisch gebeurt dat helaas niet: wat zijn een fustein, organdie, kroep, manenwolf, cantilene, jabuticaba of een aanrechtkeuken? Het gebruik van Braziliaanse namen wordt doorbroken bij de pony die de Nederlandse naam Vuurvliegje krijgt, en bij Juca de Mus.

    Het opnieuw uitgeven van een vertaling die 28 jaar geleden gemaakt is, houdt het risico in dat woorden die vroeger normaal waren, nu niet meer gebruikt mogen worden. Zo komt de term ‘slaaf’ in de tekst voor. Daarom is het jammer dat het nawoord ongewijzigd is overgenomen: in een nieuw nawoord had de vertaler een verklaring kunnen geven waarom hij vastgehouden heeft aan deze omstreden terminologie.

    Het zijn schoonheidsfoutjes in een prachtig gecomponeerde en adequaat vertaalde roman die dankzij de herdruk nu weer voor iedereen binnen handbereik is. Het verhaal is zeer de moeite waard en wanneer u het boek uitgelezen hebt, weet u ook waar de slotzin van de roman naar verwijst.

    Opera der doden

    Opera der doden

    Autran Dourado

    ISBN 01234

    21312 pagina’s

    Prijs: € 1.312,00

    Buy with Libris
  • Oogst week 38 – 2025

    Oogst week 38 – 2025

    Opera der doden

    Rosalina is de laatste uit een familie van grootgrondbezitters. Zij heeft een rustig bestaan en woont alleen met haar dienstmeid in een groot oud herenhuis een Braziliaanse provinciestad. Zij koestert de oude familiegewoontes en put daar zelfvertrouwen uit. Van verandering moet ze niks hebben.
    Maar haar geïsoleerde bestaan verandert toch. Ze maakt kennis met een vreemdeling, José Felicano, en neemt hem aan als klusjesman. Hij wordt haar minnaar. Haar rust is verstoord en zij gaat een dubbelleven leiden.

    Autran Dourado (1926 – 2022) is in Nederland niet zo bekend, maar zijn werk wordt in Brazilië zeer gewaardeerd. Bij uitgeverij Koppernik verscheen in 2024 van hem de roman Het mensenschip.
    Opera der doden is vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens.

    Opera der doden
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Windhandel

    Windhandel is een begrip dat aangeeft dat er zaken aan- en verkocht worden tegen zeer speculatieve en vaak irreële prijzen, puur om er veel winst mee te behalen.
    Het gevaar is dat die handel na verloop van tijd in één keer in elkaar zakt. Voorbeelden daarvan zijn Zwarte Donderdag in 1929, Zwarte Maandag uit 1987, het uiteenspatten van de internetbubbel in 2000 en de kredietcrisis van 2007. Ook de bitcoin kent inmiddels hoge pieken en diepe dalen. En toch blijven mensen er gevoelig voor.

    In Windhandel geeft Maarten Biermans op basis van ooggetuigenverslagen een inzicht in vijf eeuwen speculeren. Met alle hoogte- en dieptepunten voor de betrokkenen van dien.

    Maarten Biermans (1974) is econoom, hij doceert duurzame financiering aan de Universiteit van Amsterdam.

    Windhandel
    Auteur: Maarten Biermans
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2025)

    Zilte windsels suikerwier

    Zilte windsels suikerwier gaat over Duifje, een meisje van 13 jaar dat zich eenzaam en vervreemd voelt in haar omgeving, en de jonge voormalige bootvluchteling Rayan. Beiden wonen in dezelfde ongezellige en naargeestige flat die op de nominatie staat om afgebroken te worden. Duifje woont er antikraak met haar moeder, Rayan is daar met zijn ouders terecht gekomen na zijn tijd in het AZC.

    Duifje worstelt met het feit dat ze diabetes heeft en de daaraan klevende ongemakken en Rayan associeert gebeurtenissen met dingen uit zijn pijnlijke verleden. Zij ontwikkelen een vriendschap en vinden steun bij elkaar. Samen krijgen ze te maken met de plaatselijke pestkoppen.

    Inge Nicole is het pseudoniem van Inge Nicole Bak (1968).
    Inge Nicole Bak debuteerde in 1994 als schrijfster van poëzie met de bundel Nachtbloem.
    Naast het schrijven van proza en poëzie, maakt zij ook beeldend werk. In Zilte windsels suikerwier zijn 11 acrylverf collages van de auteur opgenomen.

    Zilte windsels suikerwier
    Auteur: Inge Nicole
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer
  • Oogst week 21 – 2025

    Leeft een rivier?

    Steeds vaker hoor je berichten over initiatieven die ervoor (willen) zorgen dat de natuur de status van rechtspersoon krijgt. Zowel in Nederland als daarbuiten. Net als mensen en bedrijven wordt de natuur daarmee door het rechtssysteem erkend als zelfstandige entiteit, en kunnen er namens de natuur rechtszaken aangespannen worden.
    In Nederland is op dit gebied de Stichting Rechten van de Natuur opgericht.

    De Engelse natuurschrijver Robert Mcfarlane is een overtuigd aanhanger van rechten voor de natuur. Zijn werk wordt internationaal gewaardeerd, hij won er prijzen mee en soms werden er op basis van zijn boeken ook documentaires gemaakt. Van hem is nu bij Uitgeverij Athenaeum Leeft een rivier? verschenen. Centraal daarin staan drie grote stroomgebieden die in gevaar zijn in Ecuador, India en Canada. Hij behandelt niet alleen het aloude nut van rivieren als vervoermiddel, leverancier van energie en drinkwater e.d., maar hij gaat vooral in op de gevaren die de rivieren bedreigen als gevolg van vervuiling, droogte en indamming.

    Leeft een rivier?
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2025)

    Alma

    De ene puber is de andere niet. Dat weten we allemaal. In Alma krijgt de hoofdpersoon te maken met een zoon die van de een op de andere dag echt in de weerstand gaat. Hij wil niet meer naar school, is niet aanspreekbaar en zit alleen maar te gamen en te blowen.

    Alma is psychiater en is prima in staat om anderen van goed advies te voorzien. Maar hoe moeilijk is het als het haar eigen zoon betreft! Niet alleen in de omgang met hem, maar ook in relatie tot haar man, de andere zoon èn zichzelf!

    Judith de Graaf is psychotherapeut. In 2024 verscheen van haar de roman Ontijd, een familieroman over voltooid leven. Ze schreef ook korte verhalen. Die verschenen o.a. in literair tijdschrift Extaze. Als psychotherapeut is zij o.a. actief bij gezins- en opvoedingsproblemen.

    Alma zal op 5 juni a.s. bij boekhandel Broese in Utrecht gepresenteerd worden.

    Alma
    Auteur: Judith de Graaf
    Uitgeverij: Uitgeverij De Brouwerij

    De omvang van de wereld

    In het werk van een van de grootste schrijvers van Europa, de Portugees António
    Lobo Antunes (1942), komen vaak dezelfde thema’s voor. Macht, dood en oorlog. Zijn werk kenmerkt zich echter ook door humor, al is die soms ver te zoeken. Hij gebruikt vaak verschillende vertelstemmen en autobiografische elementen in zijn werk.
    Zo ook in De omvang van de wereld. Daarin vertellen vier personages het verhaal. Een oude zieke man, zijn buitenechtelijke dochter, zijn huisgenote en haar minnaar. Ze zijn allemaal op enige manier met elkaar verbonden.
    Het verhaal doet er in dit boek minder toe. Het zijn vooral monologen, overpeinzingen, van de vier personages die betrekking hebben op al dan niet betrouwbare herinneringen aan de jeugd, de geboortegrond, de stad (Lissabon), gevoelens van eenzaamheid en andere existentiële waarden.
    Het is geen lineair verhaal. Elk hoofdstuk bestaat uit één lange zin, veel interpunctie, herhalingen en andere stijlmethoden.
    Harrie Lemmens vertaalde het boek en voorzag het van een nawoord. Arjan Peters schreef de inleiding. Volgens Lobo Antunes is De omvang van de wereld zijn laatste boek.

    De omvang van de wereld
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Maaskant Haun (2025)
  • Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.

    Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.

    Mijn Parijs

    Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’

    Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.

    Die vervloekte literatuur

    Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.

    Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.

    Fata morgana

    De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.

    En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’

     

     

  • Verlangen naar ergens

    Verlangen naar ergens

    Je zou naar de eerste uitreiking van de Johan Polakprijs. Je keek ernaar uit. Sasja Janssen was met haar bundel Virgula de gelauwerde. De eerste keer dat je haar hoorde voordragen was tijdens een dichtersmiddag in een café in Amsterdam op een herfstige zondagmiddag in 2010. Je had je jongste zoon van elf meegenomen in de overtuiging dat je met de grote poëzie niet vroeg genoeg kunt beginnen. We stonden achterin bij de toiletten waar in een uitgespaard hoekje werd voorgedragen. Haar poëzie maakte indruk. Je begreep er niet veel van, maar vond het prachtig. Haar voordracht was alsof ze je deelgenoot maakte van een geheim, intiem leven. Die avond van de Johan Polakprijs uitreiking waren er treinen uitgevallen. Terug naar huis zou die nacht niet gaan. Om je verlangen naar deze prijsuitreiking te smoren, ging je vroeg naar bed met een boek. Je viel van het ene verlangen in het andere.

    In De muur voorbij begeef je je zonder moeite in de sfeer van Oost-Berlijn. In oktober 1981 vertrok Harrie Lemmens vanuit Nijmegen naar Oost-Berlijn. Er was een onbestemd verlangen naar iets. Als vertaler kon hij werken bij Vertaalbureau Intertext, waar brochures over onder meer be- en ontwapening en redevoeringen werden vertaald. Hij verblijft er met onderbrekingen zo’n vier jaar. Hij hield zijn bevindingen bij in een notitieboekje. Lemmens heeft een fijne stem van vertellen. Hij zoekt mensen op, legt contacten om literatuur te kunnen vertalen, leert er zijn latere vrouw Ana kennen. Op zijn eerste werkdag wordt hij rondgeleid door de directeur Herr H.. ‘Op de trap komen we een kleine jonge vrouw met lang kastanjebruin haar tegen.’, schrijft Lemmens. In het voorbijgaan knikken ze elkaar toe. ‘Das was Frau Tavares, unsere Portugiesin,’ zegt Herr H.. En zo, in kleine opmerkingen passeren ze elkaar in het boek. Tot Ana hem in de pauze meeneemt op haar wandelingen door de Leipziger Straße. Vanonder het kopje ‘Leipziger wandelgang’, waarvan er dertien zijn opgenomen, klinkt Ana’s stem. Mooie stukjes tekst waarin zij een vraag beantwoord, uitleg geeft of enthousiast reageert op een vertelling van Lemmens.

    In de stad zijn het theater en de kroeg druk bezochte gelegenheden. In de eerste weken bezoekt hij de voorstelling Dantons Tod door het Deutsches Theater, en is verrukt. ‘En dan te bedenken dat Georg Büchner eenentwintig was toen hij het schreef… In 1835 was dat.’, noteert Lemmens in zijn boekje. Treffend te lezen dat, ‘Het einde [van Dantons Tod] is koude-rillingen-werk: Lucille, de vrouw van de afgevaardigde Camille, roept “Vive le roi”, waarna onmiddellijk twee burgers op haar afkomen, een van de twee minzaam over haar wang strijkt en zegt: ‘Na, kommen Sie mal mit!‘ Een indringende scene, ‘omdat het zinnetje rechtstreeks verwijst naar de benaderingswijze van de politie hier’.

    Dresden is een stad die fascineert, zo dicht bij een vernietigend deel van de geschiedenis te verkeren. Hij maakt een afspraak met een vrouw die als kind het bombardement op Dresden heeft meegemaakt. Zij vertelt over haar tante die net geopereerd was toen de bommen vielen. In paniek rende ze naar buiten in de richting van de dierentuin. Waar ze onder een lage stenen bank kroop. Dan hoort ze naast zich iemand zuchten. ‘Eerst zag ze niets, het was nacht, maar in het licht van de brandende fosforbommen merkte ze plotseling dat er een leeuw naast haar lag, die verlamd van angst was.’ Hysterisch nu, vluchtte ze het park uit, zag mensen in rioolputten verdwijnen, liet zichzelf er ook in zakken. Uiteindelijk raakte ze voor twee jaar in een coma.

    Lemmens is in Oost-Berlijn als Fassbinder op zesendertigjarige leeftijd dood wordt aangetroffen in zijn woning, ’tragisch dat een kunstenaar zo jong sterft.’ Ook als Brezjnev sterft, ‘wat nu?’ Het overlijden is een dag geheim gehouden, ongetwijfeld om de nodige voorbereidingen te treffen ter beantwoording van die vraag, hoewel, de brave man was allang zo goed als dood.’ Als de vriend uit Nijmegen, die hem heeft aangezet tot dit verblijf in Oost-Berlijn, hem vraagt wat hij hier nou vooral ontdekt heeft, antwoordt Lemmens dat dat misschien wel ‘verlangen’ is. Een verlangen dat zowel uit iets positiefs als negatiefs voortkomt. Positief is dat de mensen hier nieuwsgierig zijn. Negatief is hun eeuwige zelfbeklag, ’te weten dat hun verlangen nooit bevredigd wordt’.

    De films en toneelstukken die hij bezoekt, de boeken die gelezen worden vormen een onafzienlijke lijst. Het culturele leven lijkt rijker dan ooit. Je noteert namen, Christoph Hein bijvoorbeeld, die je nu eindelijk eens lezen moet, en Irmtraud Morgner. In De muur voorbij, Berlijnse fado loop je mee met een leergierige jongeman die met vrienden drinkt en discuteert, zich laaft aan literatuur en theater. ‘Rondlopen en speuren naar beelden, vooral van vergankelijkheid, het vreten en wroeten van de tijd.’ Dat is wat de vertaler in spe bewoog. Prachtig boek, gretig gelezen.

     

     

    De muur voorbij, Berlijnse fado / Harrie Lemmens / 304 blz. / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 23 – 2024

    De bekentenis van Lúcio

    Sommige zelfmoordenaars halen de club van 27 net niet. Eén van hen is de Portugese schrijver Mario de Sá-Carneiro. In 1916 pleegt hij zelfmoord op 26-jarige leeftijd. In het semi-autobiografische De bekentenis van Lúcio (A confissão de Lúcio) schrijft De Sá-Carneiro over de 10 jaar die hij vastzat. Hij zou zijn beste vriend, Ricardo Loureiro, echter helemaal niet hebben vermoord. Maar hoe betrouwbaar is de hoofdpersoon eigenlijk, die gebukt gaat onder waanbeelden en depressies?

    De Sá-Carneiro gold na Fernando Pessoa als de toonaangevende Portugese dichter van de vroege twintigste eeuw. Onder meer Ted Hughes en Sylvia Plath verslonden zijn gedichten. In 2016 stond Portugal zelfs stil bij de 100ste sterfdag van de auteur. Naast De bekentenis van Lúcio schreef hij boeken als De vriendschap, De hemel staat in brand en Lieve Fernando Pessoa, een briefwisseling met de beroemde schrijver. Oud zou Mario dus niet worden. Een zoveelste jong talent, in de knop gebroken.

    De bekentenis van Lúcio
    Auteur: Mario de Sá-Carneiro
    Uitgeverij: Nobelman

    Molo Uku – Erfenis van de Gouden Eeuw

    Graphic novels zijn een perfect opstapje om jongeren aan het lezen te krijgen. Dit heeft docent, marketeer en schrijver, Erno Pickee, waarschijnlijk geïnspireerd tot Molo Uku. Dit stripboek vertelt over de VOC-tijd, maar dan vanuit het perspectief van twee Molukse jongens. Alfred Birney, die zich ergert over dat eeuwige Oeroeg van Hella Haasse en Max Havelaar van Multatuli op de ‘inclusieve’ boekenlijsten, kan zijn hart ophalen. Eindelijk een verhaal over ‘de Oost’, verteld dóór onderdrukten, en niet óver onderdrukten.

    Als een multinational waar Shell bij verbleekt, houdt de VOC huis in de zeventiende eeuw. De compagnie veroorzaakt hongersnoden, slavenhandel en duizenden doden onder de Molukkers. Nederland moet deze geschiedenis kennen en niet wegmoffelen onder het tapijt. Daarom geeft Pickee aan de InHolland lessen over integriteit en authenticiteit. Hopelijk levert Molo Uku, niet te verwarren met het mierzoete en eurocentrische tempo doeloe, een bescheiden bijdrage aan een zelfbewuster Nederland.

    Molo Uku - Erfenis van de Gouden Eeuw
    Auteur: Erno Pickee
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Voet in voet oog in oog

    Voet in voet oog in oog klinkt als een Bijbelse vergeldingsformule, maar dat is het niet. Elly Stolwijk beschrijft het lot van haar vader Fons, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in nazi-Duitsland tewerkgesteld is. Heel zijn leven zwijgt hij over deze zware jaren in Berlijn en Haucherthal. Ruim 450.000 teruggekeerde jongemannen doen hetzelfde tijdens de wederopbouw. Fons vertelt alleen dat hij iets deed in fabrieken met moertjes en schroefjes. Verder overheerst de schaamte om geen echt verzet te hebben gepleegd tegen de nazi’s.

    Elly Stolwijk, naast auteur ook kunstenares, schreef eerder al de poëziebundel Met liefde de vluchtige holte. Drie jaar geleden verscheen De laatste framboos, waarvoor het Poëziecentrum in Gent haar nomineerde voor de Poëziedebuutprijs. In dat werk kruipt Stolwijk in de huid van een vrouw die een kind verliest, precies wanneer de zwangerschap op haar eind loopt. Met Voet in voet oog in oog behandelt Stolwijk wederom een trauma: iets overleven zonder dat je er trots op wilt zijn.

    Voet in voet oog in oog
    Auteur: Elly Stolwijk
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Oogst week 3 – 2024

    Het enige kind

    Een oogst zou maar saai worden, als we slechts prijzen opnoemen die schrijvers in het verleden wonnen. Guadalupe Nettel, bijvoorbeeld, heeft een erelijst waarmee we een hele tekst kunnen vullen. Ze geldt als een van Amerika’s vermaardste auteurs. Bovendien verdient ze haar sporen als academica; ze promoveert op Taalwetenschappen in Parijs. Haar vierde roman, Het enige kind (La hija única), omschrijft het leven van vrouwen in Mexico-Stad. Klinkt simpel en droogjes. Wie zich echter mondjesmaat in de lokale cultuur verdiept, weet dat vrouwen daar dagelijks moeten vechten voor hun leven, alleen door vrouw te zijn. Moeders inclusief.

    We volgen vriendinnen Laura en Alina. Beiden diepgewortelde feministen, maar de één wil absoluut geen moeder worden en de ander… wellicht ooit wel. Moederschap brengt immers nogal wat teweeg, naast ‘gewoon’ een kind. Met heldere taal en kleurrijke bijfiguren laat Nettel zien welke offers moederschap vraagt: lichamelijk, sociaal en psychisch. Het complexe is, dat géén moeder willen worden, eveneens tot ongemak leidt. Het enige kind waarschuwt voor stelligheid; lonkt eenmaal de kans om voor een kind te zorgen, vertoont zelfs vrouwenactivist Laura moederlijke trekjes, waarvan ze altijd dacht die te moeten verafschuwen.

    Het enige kind
    Auteur: Guadalupe Nettel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Het mensenschip

    Telkens wanneer een Portugeestalig meesterwerk in het Nederlands verschijnt, is Harrie Lemmens erbij betrokken. Dit geldt ook voor A barca dos homens van Braziliaan Waldomiro Freitas Autran Dourado, vertaald als Het mensenschip. Dourado (1926 – 2012) kiest als decor vaak zijn geboorteregio Minas Gerais, wat hij nu nalaat. Binnenkort geeft uitgeverij Koppernik ook Opera der doden (Opera dos mortos) uit. Uniek binnen de Braziliaanse literatuur is dat Dourado zijn romans gebruikt voor poëtische stijloefeningen. Zijn prozaïsche stijl reserveert hij voor de journalistiek en advocatuur.

    In Het mensenschip staat de jonge knul Fortunato centraal. Die naamkeuze zal ironisch zijn: Fortunato heeft bepaald geen geluk en lijdt aan een verstandelijke beperking. Op een avond verdenkt men hem ervan een pistool te hebben gestolen. Er volgt een koortsachtige klopjacht door de complete gemeenschap. Per hoofdstuk wisselt Dourado van vertelperspectief; bijna elk lid uit de nabije omgeving komt voorbij, inclusief Fortunato zelf. Zo veel mensen, zo veel manieren van uitdrukken… een perfecte aanleiding voor Dourado om zijn stilistische begaafdheid te laten zien. Wie houdt van een gezonde dosis barok, zit bij A barca goed.

     

    Het mensenschip
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Binnen in de aarde is een berg

    Wie een gedichtenbundel getiteld Oogsteen uitbrengt, mag in de oogst van Literair Nederland natuurlijk niet ontbreken. Al gaat deze vermelding niet over dat boek, maar over Binnen in de aarde is een berg. Hester Knibbe (1946), alom geprezen dichteres uit Harderwijk, schreef al meer dan vijftien dichtbundels, die haar bijna allemaal prijzen opleverden. De laboratoriumanaliste is er beroepsmatig al aan gewend om tot de kern te komen, wat ze in haar verzen doortrekt. Critici loven haar nieuwsgierigheid en oog voor detail. Bovendien oogst Knibbe bewondering vanwege haar interesse in vroegere culturen, waaronder de Klassieke Oudheid.

    Ditmaal vormt I Tjing haar voornaamste inspiratiebron. Het Oud-Chinese Boek der veranderingen geldt als één van de oudste orakelboeken van de mensheid. Meer dan in een tarotsessie of een halfbakken toekomstvoorspelling bedient de I Tjing zich tóch ook van wetenschap, hetgeen Knibbe zal hebben gewaardeerd. Ze gebruikt de hexagrammen uit I Tjing als titels van haar gedichten en actualiseert ze. Uit het oude Griekenland kennen we natuurlijk al het motto ‘Panta rei, ouden menei’. Binnen in de aarde is een berg trekt verder oostwaarts om verandering niet alleen te accepteren, maar ook te wórden: het principe van de Tao.

    Binnen in de aarde is een berg
    Auteur: Hester Knibbe
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 49 – 2023

    De Muur voorbij – Berlijnse fado

    De dreiging van de ‘linkse wolk’ is voorlopig afgeslagen, zo verzuchtte menig stemmer een paar weken geleden. Nog altijd associeert men een socialistisch bewind met Oost-Duitsland, de DDR. Geen ander land kent tijdens de Koude Oorlog een hogere concentratie afluisteraars en spionnen voor de staat. Des te verrassender dat vertaler en lusitanist Harrie Lemmens er vrijwillig drie jaar gewoond heeft om te werken voor Intertext. Zijn literaire non-fictiewerk De Muur voorbij vormt hiervan het ooggetuigenverslag. Hij ontmoet er de liefde van zijn leven, Ana Carvalho, en wijdt zijn Berlijnse fado (ondertitel) aan haar.

    Lemmens geldt als dé schrijver die de Portugese literatuur naar Nederland importeert. Als blijk van dank schenkt de Portugese president hem in 2022 de Ordem do Infante Dom Henrique. Van Fernando Pessoa, José Saramago en vele anderen vertaalt hij in totaal meer dan 100 boeken naar het Nederlands. Hoewel hij ook vanuit het Spaans, Engels en Duits omzet, ontzenuwt hij steevast de precisie waarmee een vertaler werkt. Hij zegt daarover: ‘Vertalen is verzinnen wat er staat.’ Met De Muur voorbij vertaalt Lemmens vooral zijn eigen gedachten op papier. Het geheugen als enige brontekst.

    De Muur voorbij - Berlijnse fado
    Auteur: Harrie Lemmens
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Ik kom hier nog op terug

    Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen klinkt als een belofte. Zijn nieuwste roman gaat over Rob Hollander die een fout uit het verleden tracht te herstellen. In zijn poging dit te doen komt hij echter op een ander spoor terecht. Van Essen (1963) oogst met zijn oeuvre tot nu toe lof voor zijn eenvoudige stijl. Die combineert hij met een geloofwaardig spel tussen schijn en werkelijkheid. Het levert hem een luisterrijke palmares op: met De Goede Zoon won hij de Libris Literatuur Prijs (2019). Zijn verhalenbundel Hier wonen ook mensen leverde hem bovendien de J.M.A. Biesheuvelprijs op (2015). Hij is getrouwd met de getalenteerde Belgische schrijfster Lize Spit.

    Rob van Essen doet aan tijdreizen in Ik kom hier nog op terug. Maar dan gewoon door zijn hoofdpersoon van Schiphol naar L.A. te laten vliegen. Simpel zat. Jeugdvriend Icks, die hem daar opwacht, presteert bepaald niet niks: hij heeft het helemaal gemaakt als game-ontwikkelaar. Toch gaat de roman niet alleen over deze hereniging. In de breedste zin van het woord behandelt Van Essen niet slechts een plot, maar ook het plot dat we onszelf voorhouden, als gedane zaken geen keer nemen. Want of iets echt gebeurd is of niet, staat vaak los van wat we kunnen of willen geloven. En daar kun je altijd op terugkomen.

    Ik kom hier nog op terug
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Hoe eindig alles – Een kleine kroniek van mijn moeder

    Elliptische formuleringen als Hoe eindig alles zien we tegenwoordig vaker voorbijkomen in poëtische uitingen. Marre van Dantzig titelt aldus de kleine kroniek over haar moeder. De onaffe zin suggereert een onvoltooid leven dat Van Dantzig wil eren. Of gevoelens die zich niet in woorden laten vatten. Tien jaar hiervoor schreef zij al een kroniek over haar vader, getiteld Zolang niet alles is verteld. Van Dantzig bestierde tot vorig jaar een boekhandel in Amsterdam die barstte van de reisboeken en itineraria: Evenaar. Maar soms is het leven de reis die een verhaal op zich verdient. Zoals het leven van Van Dantzigs moeder.

    Hoe eindig alles begint met Marres moeder en sluit met haar af. Tussendoor verweeft de schrijfster allerlei familieleden, plekken en gebeurtenissen met het leven van haar moeder. De pijn dat alles voorbijgaat, zal net als in de hommage aan haar vader, in dit boek een melancholische uitwerking hebben. De illustraties en foto’s zullen bovendien bijdragen aan de weemoed over het verstrijken der tijd. Hopelijk is Hoe eindig alles geen aankondiging van een stagnerend schrijverschap. Van Dantzig zal nog velen tot vertroosting en verstrooiing zijn, als haar oeuvre hier niet eindigt.

    Hoe eindig alles - Een kleine kroniek van mijn moeder
    Auteur: Marre van Dantzig
    Uitgeverij: Uitgeverij De Brouwerij
  • Toergenjew en Cardoso

    Toergenjew en Cardoso

    Ik zocht naar de werkelijkheid, naar een verhaal, stoere verhalen, aards maar ook verheven. Meedogenloze winters, weemoedigheid, verblindende zomerdagen, de dood van een bedrieger. Ik begon in Jagersverhalen van Toergenjew, ‘Ik heb een buurman, een jong landeigenaar, die een enthousiast jager is.’ Ik heb niets met jagen, toch las ik verder. ‘Op een prachtige Julimorgen kwam ik te paard bij hem en vroeg hem, of hij zin had mee op korhoenderjacht te gaan. Hij voelde daar wel voor.’ Er wordt gerept van bonte spechten die met geweld tegen de bast van bomen timmerden. En, ‘tussen de struiken kwinkeleerden er tuinfluiters, fitisjes en sijsjes.’ Lezen is soms net als een gerecht bereiden waarvan je nog niet weet wat het worden moet, snufje van dit, snufje van dat. En tussendoor proeven of de verlangde smaak, textuur van het gerecht al bereikt is. Met Toergenjew was ik er nog niet.

    Ik nam Keerzijde van Dulce Maria Cardoso. Over een rijke Portugese vrouw, bijna zestig, die zich op een dag wanneer haar man met een jonge vrouw ergens in de stad in bed ligt, afvraagt hoe ze toch zo oud is geworden. ‘Alice kijkt op haar horloge en vervolgens op de pendule op het dressoir. De pendule op het dressoir loopt nooit gelijk met de andere klokken.’ Ze verveelt zich, denkt aan toen ze jong was. Dat komt door die pendule waar een mollig engeltje op een schommeltje als slinger dienstdoet. Ze kocht het bij een antiquair ‘tijdens haar eerste winter in deze stad.’

    Ze glimlacht tegen de spiegel, ‘Om te bevestigen dat ze nog een mooie glimlach heeft, nog een mooie vrouw is.’ Over een week wordt haar man zestig, ze wil hem een onvergetelijk cadeau bezorgen, maar kan niets verzinnen waarbij het woord ‘onvergetelijk’ zou passen. Op die dag dat Alice niet weet wat ze moet doen, verongelukt prinses Diana, het is dus 1997. Dat is mooi, dat je opeens ergens in zit waar je zelf ook herinneringen aan hebt. Ik was die zomer net terug uit Portugal, vier maanden zwanger van de jongste, toen ik het nieuws op de radio hoorde. Alice werd gebeld door een vriendin:
    ‘Prinses Diana ligt op sterven.’
    ‘Dat kan niet.’
    De vriendin herhaalt het.
    ‘Goh, wat naar, dat is wel heel triest’, zegt Alice
    ‘Een auto-ongeluk. Een verschrikkelijk auto-ongeluk.’
    Alice zucht. Haar vriendin heeft niet de juiste toon  getroffen. Zulk nieuws verdient de juiste toon.’
    Ik mag Alice wel, weet precies wat ze bedoelt. 

    Ik lees verder over de man van Alice. ‘Twee naakte lichamen liggen op een bed. Een oude man, Afonso, en een jong meisje, Sofía.’ Afonso is een machtig man maar weet geen gesprek te voeren met het meisje, ze weerlegt alles wat hij zegt, windt hem om haar vinger. Ze heeft een vriend, Júlio, die niet weet dat zij om geld met Afonso slaapt. ‘Ze lopen hand in hand. Ze lijken gelukkig. Ze lijken gelukkig omdat ze gelukkig zijn.’ (die herhaling!) Afonso wordt ergens in het boek vermoord, door Júlio. Alice wil een biografie over haar man laten schrijven (een mooi cadeau voor zijn zestigste verjaardag). De biograaf die ze daarvoor op het oog heeft is Gustavo, waarover te lezen in het hoofdstuk: ‘Als apen zich konden vervelen, zouden het mensen kunnen worden’, wat een geweldige titel is. Dit boek is dus precies goed, het verhaal groots, Cardoso een schrijver ‘sans scrupules’.

     

     

    Keerzijde / Dulce Maria Cardoso / vertaling Harrie Lemmens / Uitgeverij Prominent (2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Er is over geen onderwerp vaker geschreven dan de liefde. Je moet als schrijver of dichter van goeden huize komen om aan al het geschrevene wat toe te voegen. Liefde is het hoofdthema van de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreira. Ze publiceerde tot nu toe drie dichtbundels en een dichtbundel met eerder afzonderlijk verschenen gedichten. Vertaler Harrie Lemmens maakte hier voor deze bloemlezing een keuze uit die in 2020 verscheen onder de titel Scherven. Het betreft een tweetalige editie, die smaakvol is vormgegeven. Do Rosário Pedreira (1959) studeerde letteren, gaf een paar jaar les op een middelbare school en werkt op de afdeling fictie van één van de grootste boekenconcerns van Portugal, Leya. Ze schrijft haar hele leven al gedichten, maar publiceerde vrij laat. Lemmens schrijft in zijn nawoord dat ze door haar collega-uitgevers werd overgehaald om gedichten in te zenden voor een prijsvraag, die ze won. De eerste prijs was een uitgave in boekvorm. Het kenmerkt haar bescheidenheid die je terugziet in het ingetogen karakter van de gedichten. 

    Narratief karakter

    In de vijfendertig opgenomen gedichten komen verschillende facetten van de liefde aan bod en dan vooral de pijnlijke kanten ervan: de hunkering naar de ander, de verlatingsangst en het gemis. De gedichten hebben een narratief karakter. Hoewel ze zijn ingedeeld in strofes lopen de zinnen vaak door op de volgende regel. Het is makkelijk verstaanbare poëzie met een grote ritmische kwaliteit.  Do Rosário Pedreira is duidelijk gepokt en gemazeld in de literatuur. Menig overbekend romantisch thema komt voorbij, maar tegelijkertijd weet de dichteres goedkoop sentiment te vermijden. Dat doet ze door het hanteren van een heel persoonlijke, aardse stijl. Naast de verheven en subtiele gevoelens zet ze de nuchtere feiten van de alledaagse werkelijkheid:

    ‘De wind zegt dat het hoogtij vannacht niet slaapt.
     Ik wacht bang op je terugkeer: de golven hebben
     het kleinste strand al opgeslokt en algen gemorst
     in de bloempotten op het balkon. En naar het heet
     herbergden de pleinen in de stad vanmiddag tientallen
     meeuwen die pikkend achter de duiven aan zaten.’

    Verder zijn de Portugese saudade en fado sterk aanwezig – Do Rosário Pedreira schrijft ook liedteksten voor onder andere fadozangeres Ana Moura. De regels ademen gevoelens van heimwee en verlangen; het noodlot (fatum) ligt altijd op de loer:

    ‘Het was de slaapkamer van geen van ons,
     maar we keerden er telkens naar terug met de haast
     van wie hunkert naar de oude warme geuren van het
     bekende huis; van wie hoopt dat iemand op hem wacht.

     ik vermoedde echter dat ik het niet was op wie je wachtte:
     en ik vroeg je om een extra deken in plaats van om je arm.’

    Deze regels weerspiegelen zowel het verlangen naar de geborgenheid van de liefde – gesymboliseerd door ‘oude warme geuren’ en ‘het bekende huis’ – als het verraad dat op de loer ligt. Deze tegenstelling komt meerdere malen terug. 

    Persoonlijke en eeuwige

    Behalve in besloten huizen en kamers – decors van geluk en eenzaamheid – spelen haar gedichten zich ook vaak in de natuur af: op het strand, aan zee. Het persoonlijke en het eeuwige vallen dan mooi samen:

    ‘We hielden allebei van de kliffen, de uitgesneden rotsen,
     het grillige verloop van het voorgebergte; alle plekken die
     net als eilanden afgesleten worden door de wind en de zee.

     Er hing die nacht geen mist. Er was alleen het doffe licht
     van een vuurtoren dat de sterren tergend doofde. Je zei
     bijna niets om geen overdonderende innerlijke stilte
     te schenden. En je streelde voor het eerst mijn borsten
     alsof je daar voor altijd bang voor zou zijn.

     Je verliet het strand zodra de eerste visser kwam:
     de eerste lantaarn,
     het eerste net.’

    Do Rosário Pedreira weet de teerheid en kwetsbaarheid van de liefde heel precies te beschrijven. De tijd die erdoor verdwijnt of ondraaglijk lang wordt. Het geluk kan zo weer voorbij zijn. Door de orginaliteit en authenticiteit komen de gedichten fris en nieuw over. Het zijn de trefzekere beschrijvingen van gevoelens en de precieze keuze van haar beelden, die de gedichten schoonheid verlenen. 

    ‘Nu is het lichaam meer een boot die losraakt.
     Eerst varen de ogen en de angsten erin weg.
     Pas daarna geeft het vlees van de vingers, op
     drift, de golven van die zee hun smaak.’

    Spiegels en scherven

    De zomer speelt in de zinnelijke gedichten een belangrijke rol. Het jaargetij waarin de zintuigen het meest bediend worden. Ze roepen de typisch mediterrane sfeer op van lome warmte en genot. De volgende regels zullen voor lezers heel herkenbaar zijn: 

    ‘De zomer maakt mijn ogen trager boven de boeken.
     De middagen herhalen zich op het terras, waar de woorden
     kleine geheugenplekken zijn. Ik ben gescheiden van de
     anderen door de tijd tussen deze regels – ver van huis
     heb ik dromen die ik niemand vertel […]’

    Het is niet vreemd dat boeken in de gedichten van deze beroepslezeres en uitgeefster een belangrijke rol spelen. Ook andere elementen komen meerdere malen in de gedichten terug en geven eenheid aan haar poëzie: spiegels die de pijn weerkaatsen, aan scherven vallen (zie de titel van deze verzamelbundel), schaduwen, wonden, kamers, kleding, boten. De herinnering, die de liefde vaak is geworden, is een belangrijk motief. Ook de dood komt in enkele gedichten aan bod: geen gemis pijnlijker dan door de dood. De taal is daar kaler dan ooit: ‘Ik voel/de pijn op de herinnering aan/jouw lichaam in het bed liggen dat/open is gebleven als een wond. En/zonder reden herhaal ik voortdurend/met mijn vermoeide lippen die naam/die ik nog altijd bij haast alles mis.’

    Het blijft moeilijk om liefdesgevoelens in gedichten te vangen, zegt Do Rosário Pedreira ergens: ‘Mijn liefde past niet in een gedicht – er zijn van die dingen / die zich niet overgeven aan de geometrie van deze wereld; / ze zijn als de delen van een geheel die niet bij elkaar passen / of slaapkamers die niet worden ingevuld door de gebaren.’ Toch slaagt zij er hier glansrijk in. De herkenbare thematiek en de persoonlijke toon maken haar poëzie sympathiek. Vertaler Harrie Lemmens heeft haar precieze taal even trefzeker in het Nederlands omgezet.

     

     

  • Kennismaking met eenendertig Portugese dichteressen

    Kennismaking met eenendertig Portugese dichteressen

    In de tweetalige bundel Ik heb de tijd op je naam laten vallen, hebben de samenstellers en vertalers, Harrie Lemmens en Marilyn Suy, gedichten bijeengebracht van eenendertig Portugese vrouwelijke dichters, vanaf de zestiende eeuw tot heden. De eerste van hen werd geboren in 1520, de laatste in 1982. Uit de 21e eeuw zijn geen gedichten opgenomen, omdat deze eeuw volgens de samenstellers ‘nog wat moet rijpen.’

    Harrie Lemmens vertaalde meer dan honderd boeken van het Portugees naar het Nederlands, waaronder werk van Fernando Pessoa en José Saramago, die ook in Nederland grote bekendheid genieten. Hij tekende voor het leeuwendeel van de vertalingen, Suy vertaalde vier hedendaagse gedichten. De zwart-wit foto’s die de gedichten illustreren en de lay-out zijn van de hand van fotograaf Ana Carvalho. Haar sfeervolle foto’s staan steeds op de rechterpagina met op de linkerpagina een korte biografie van de dichter, waarna het betreffende gedicht in cursief op de volgende pagina staat met de vertaling in romein er tegenover. Het is een mooie en verzorgde bundel geworden.

    Poëzie ter kennismaking

    Van elke dichter is er slechts één gedicht opgenomen, ter kennismaking, want de meeste mensen zullen nooit eerder werk van deze Portugese vrouwen gelezen hebben. Het gedicht beslaat, op een enkele uitzondering na, ook één pagina. Het oudste gedicht is van Joana da Gama die leefde van 1520 tot 1586, het jongste van Ana Pessoa die in 1982 werd geboren. Veel vrouwen uit vroegere eeuwen sleten hun leven of een gedeelte ervan in een klooster, bijvoorbeeld als ze weduwe waren geworden, niet wensten te huwen met de voor hen gekozen kandidaat, of door onbetamelijk gedrag. In het klooster kregen ze de kans om te leren lezen en schrijven als ze dat nog niet konden, of om talen te leren zoals Grieks en Latijn. Ook werden er devote gedichten geschreven tot meerdere eer en glorie van God, maar met een ondertoon van verlangen naar andere liefde dan de goddelijke. 

    Of het met opzet de keuze van de samenstellers is geweest, of het is een kenmerk van de Portugese vrouwelijke poëzie: wat opvalt is dat alle gedichten van hartstocht spreken, van verzet tegen het lot, van de bewustheid van de eigen identiteit en het zelfbeeld. Er zijn weinig liefdesgedichten bij zoals we die kennen uit de traditionele poëzie. Ook valt op dat de dichters niet de minsten waren op intellectueel en cultureel gebied: de meesten hadden gestudeerd en bekleedden een hoge functie in het klooster of in de wereld daarbuiten. Onder hen bevindt zich een markiezin, een pedagoge, een hoogleraar, een filosoof, een journaliste, een militante feministe; en dan hebben we het echt niet alleen over de 20e eeuw. 

    Een voorbeeld is het volgende gedicht van Maria Teresa Horta (1937), journaliste en militant voorvechtster van vrouwenrechten.

    Ongehoorzaamheid

    Ik ben onontwarbaar
    mezelf
    dwars en eigengereid
    Ik ben degene die nee zei tegen
    dat
    wat de anderen wilden
    Ik zei nee tegen het lot
    dat voor mij was weggelegd
    Ik weigerde de onuitgesproken bevelen
    ik verkoos de vrijheid
    en leef zoals ik zelf wil

    Oorspronkelijke rijmschema

    De gedichten mogen dan wat inhoud betreft veel gemeenschappelijks hebben, hun vorm daarentegen is zeer verschillend. Vormvaste gedichten met eindrijm, waaronder sonnetten, komen vooral in de jongste eeuwen voor, vrije verzen en prozagedichten zijn meer van de 20e eeuw. De vertalers zijn met respect te werk gegaan, voor zover iemand die de Portugese taal niet kent dat kan beoordelen: rijmklanken zijn zo veel mogelijk omgezet in Nederlandse equivalenten, het oorspronkelijke rijmschema is aangehouden en ook wat het metrum betreft is er een poging gewaagd om dit over te zetten. 

    Veel gedichten in deze bundel gaan niet alleen over het eigen leven, maar ook de vraag wat poëzie is en wat de taak van de dichter is, heeft diverse dichters in deze bundel beziggehouden. Het gedicht van Mila Vidal Paletti (1950) , een dichter die sinds 1970 in Nederland woont, laat dat zien:

    Het bedrogen woord

    Letter voor letter verscheen het op het papier.
    Ik verhief het zo hoog in zijn verlangen
    (het was een ambitieus woord)
    dat het de rand van het blad bereikte
    en ik wachtte…Het woord ook.
    het overwoog een vlucht maat zat
    met een draad vast aan mijn opdringerige blik.
    Ik deed alsof ik nadacht: het hele gedicht trilde.
    Ik probeerde het te verlossen: tevergeefs.
    Een licht in mijn ziel was uitgegaan en
    het oude vuur aan mijn vingers was gedoofd.
    Ten slotte voelde ik mijn weerzin, onzekerheid
    de weg naar de dood. Toen het wegsprong, zuchtte het
    en hield het kort: het wilde geen afscheid
    en geen bezoek in de afgrond
    van de bedrogen woorden.
    Ik keek hoe het van de bladzij verdween
    in een stoet van losse letters.
    Een enkele keer zoek ik het nog eens
    stiekem op. Het heeft mij nooit vergeven.

    Verstoring van de balans

    Op de valreep zijn van de jongste dichter, Ana Pessoa (1982), een kort fragment uit een nog ongepubliceerd gedicht, een poëtische prozatekst en een Facebookbericht in de vorm van een essay opgenomen in de vertaling van Suy waarin de dichter – vooral bekend om haar young adult boeken – probeert te verduidelijken waaruit het verschil tussen poëzie en proza voor haar persoonlijk bestaat. Dat zij er niet geheel in slaagt om de lezer daarvan te overtuigen, is haar vergeven, maar haar essay verstoort de balans in de bundel als geheel. Het had voor de hand gelegen om ook van haar slechts één gedicht op te nemen; nu lijkt het alsof haar meer gewicht toebedeeld wordt dan de andere dichters. Voor lezers die niet bekend zijn met Portugese poëzie, werkt dit verwarrend. Het doet afbreuk aan de bundel waarin verder alles klopt: vorm, uiterlijk, lay-out en inhoud: het is een prachtig eerbetoon aan de eenendertig dichteressen. Dat er van elke dichteres (op de eerder genoemde Pessoa na) slechts één gedicht is opgenomen, waardoor het niet goed mogelijk is om een mening te vormen over haar dichterschap, is vast en zeker met opzet bedacht om de lezer te prikkelen en nieuwsgierig te maken naar het overige werk. Bij Uitgeverij Koppernik, waar deze bundel verscheen, zal er wellicht nog meer van verschijnen.