• Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Onlangs verscheen Opperhuidmens – De biografie van Hans Warren, geschreven door zijn levensgezel Mario Molegraaf. Met zijn dagboeken was Warren een van de literaire sensaties van zijn tijd. Menigeen holde naar de boekhandel zo gauw er een nieuw deel verschenen was. Toen Geheim Dagboek deel 3 in 1983 uitkwam vroeg K.L. Poll aan Hans Vervoort een stuk te schrijven voor Hollands Maandblad over dagboeken in het algemeen en Geheim dagboek in het bijzonder. Het stuk verscheen meer dan veertig jaar geleden en geeft een mooie indruk van de receptie van Warrens dagboeken.



    Notities naar aanleiding van een dagboek

    Wie heeft er niet ooit wel eens een dagboek willen bijhouden, om al datgene vast te leggen wat hij beleeft en al die gedachten en gevoelens te conserveren die een mens op een dag zoal kan hebben. Ik persoonlijk loop de hele dag te denken en te voelen. Doodmoe ben ik er ’s avonds van en het is eigenlijk zonde dat er niets van overblijft. Nu ik vele jaren ouder ben dan ik zou willen zijn, merk ik bij terugblik dat er reeksen van jaren zijn waarvan ik me niets herinner. Blanco. Ongetwijfeld was ik in die jaren druk bezig en ongetwijfeld dacht ik dat ik leefde. Maar te bewijzen valt het niet meer.
    Oude agenda’s leveren voornamelijk afspraken-notities op met namen die ik vaak niet eens meer kan thuisbrengen.
    Waarover spraken wij? Wat hadden we gemeen? Welke plannen hadden we? De tijd heeft alles toegedekt. Soms tref ik tussen de afspraken een kleine notitie aan, kennelijk bedoeld om een briljante ingeving in steekwoorden vast te leggen.

    Het gevoel dat ik iets briljants bedacht heb dat onmiddellijk vastgelegd moet worden overkomt me alleen op zeer late tijdstippen in café’s en de notities zijn ernaar. Meestal volstrekt onleesbaar, soms een duidelijk maar onbegrijpelijk woord. ‘Strijkbout’ noteerde ik in april 1978 en ik plaatste er voor alle zekerheid een uitroepteken achter. ‘Strijkbout!’
    ‘Oesters zonder statiegeld’ moet op 15 mei van dat jaar een diepe betekenis voor me gehad hebben. Café-brille is nog merkbaar in de sloganvariant ’15 kappers schoren mij met dit éne mesje’ dat ik in september van dat jaar op papier zette. ‘Mensen die zeggen dat ze niet graag achterom kijken in hun leven, hebben daar meestal wel een reden voor’ (18 november 1978). Tja, zo ken ik er nog wel een paar. Meer perspectief biedt de notitie: ‘De 18de eeuwse kritikus die over Gullivers Travels schreef: ik kan er nauwelijks iets van geloven’. Maar een echt beeld van waar ik die dag mee bezig was, biedt ook deze opmerking niet.

    In de vlakte van die bijna herinneringsloze jaren staan enkele gedenktekens, de kennismaking met een beminde, de dood van een vriend, een heel aparte reis. Alles wat de sleur doorbreekt. En dat is achteraf juist zo ontmoedigend. Waarom zijn we zo geschapen dat alleen afwijkende momenten in de herinnering over blijven? Ik geef toe, er zijn veel saaie lelijke dagen in een leven en het hindert me niet die te vergeten. Maar er zijn ook dagen waarin alles onopvallend in evenwicht is. Je staat fit op, de zon schijnt, er is vers brood in huis, er is prettig werk te doen, je hebt met niemand ruzie, je hebt iemand om van te houden.
    Storingsvrije gelukkige dagen die zo gladjes verlopen dat ze geen aparte herinnering achterlaten. Sleur is de verzamelnaam waarin helaas ook die dagen belanden. Als ik ooit een dagboek zou bijhouden, dan zou het vooral zijn om dat alledaags geluk vast te leggen.

    Maar helaas, ik kan geen dagboek schrijven. Het geeft me een dwaas gevoel om iets aan mezelf mee te delen dat ik al weet. En welke ik moet ik aan het woord laten? De ironische? De driftige? De klager? De eerlijke (god verhoede)? Dat wordt een heel geknok. En tot wie moet ik me richten in zo’n dagboek, tot mezelf van nu, of tot mezelf van de toekomst? Of tot die onbekende persoon die na mijn dood het boek zal vinden? Is het eigenlijk wel mogelijk om een dagboek te schrijven zonder de gedachte aan die onbekende bekende die je boeltje op zal ruimen na het onverwachte hartinfarct? Verlammende vragen zijn dat. Het best kan ik nog de dagboekschrijvers begrijpen voor wie het dagboek een onpersoonlijke persoon geworden is, een blanco gesprekspartner die alleen maar luistert en knikt. Lief dagboek, wat me nú weer overkomen is…

    En dan maar pennen, want een dagboek hoort natuurlijk met de hand geschreven te worden. Zo’n dagboek is een zwijgende biechtvader achter het gordijntje, een stille maar begrijpende vriend, een troost in eenzaamheid en verdriet. Een teddybeer, eigenlijk. Helaas, voor mij blijft het altijd een pak nors papier, onwillig om beschreven te worden. Ik schrijf ook nooit met de pen, ik sla met kleine hamertjes de letters op papier. Nee, ik zal nooit een dagboekschrijver worden. En ik zal dus nooit weten of het wáár is wat ik wel eens denk, dat dagboekschrijvers zich in avonturen storten om iets te melden te hebben aan de stille papieren vriend.

    Soms wordt een dagboek gepubliceerd en soms heeft dat levensverhaal een literaire pretentie. In theorie kan dat eigenlijk niet. Van een literair produkt wordt verwacht dat het stilistisch perfect is, een reflectie heeft die verder reikt dan de dag zelf, en een structuur die door de schrijver bewust is aangebracht. Aan die eisen kan een levensverhaal in dagboekvorm eigenlijk nooit voldoen. Stilistisch niet omdat geen enkele schrijver in één keer perfect kan verwoorden wat hij wil zeggen, uitzonderlijke momenten daargelaten. Qua reflectie niet omdat er weinig afstand is van de beschreven ervaringen, dat is nu eenmaal de essentie van de dagboekvorm. En wat de structuur van het verhaal betreft, daar heeft de dagboekschrijver al héél weinig invloed op.
    Hij registreert gebeurtenissen, gevoelens en gedachten, maar weet niet hoe het verhaal verder zal gaan, want dat is in de toekomst verscholen. Op z’n best is de dagboekschrijver de denkende hoofdpersoon in een verhaal waarvan hij de afloop nog niet kent. Literair gezien kan een dagboek dan ook nooit meer zijn dan een ‘objet trouvé’, door toeval interessant omdat de schrijver een leven als een verhaal heeft geleid en daar een leesbaar verslag van heeft bijgehouden. Het beste compliment dat men aan een gepubliceerd dagboek kan geven is dat een schrijver het niet beter had kunnen bedenken.

    Hans Warren

    Onlangs verscheen het derde deel van het Geheim Dagboek van Hans Warren, de Zeeuwse dichter en prozaïst. Het bestrijkt de jaren 1949 tot en met 1951. Hij was toen rond 30 jaar, werkte als beambte op het gemeentehuis van een provinciestadje, woonde bij zijn ouders. Een eenzame gevoelige intellectueel met literaire aspiraties en homofiele geaardheid, gericht op jongens die hem fysiek boeiden maar met wie hij zelden gevoelscontact kon hebben, nog minder een partner kon vinden in zijn dooltocht door de wereldliteratuur. En ze werden onverbiddelijk ouder, die jongens, en dan onaantrekkelijk. In elke verliefdheid lag die onvolkomenheid en het bittere einde al besloten, de eenzaamheid maar tijdelijk verzoet door het genot. Het dagboek van Hans Warren onttrekt zich aan alle theoretische bedenkingen, want hij hanteert dit medium als een virtuoos en houdt rekening met de beperkingen. Het is merkbaar geschreven door de kritische lezer die hijzelf óók is, mogelijk is het achteraf wat geredigeerd, want de stilistische gaafheid is opvallend.

    Warren gebruikt zijn dagboek voor verschillende doeleinden. Soms is het een kladblok voor reisverslagen en natuur-ervaringen, gedetailleerde schetsen van wat voor later gebruik onthouden moet worden. Dat geldt ook voor de instant beschrijvingen van ontmoetingen, met schildersoog neergepend en voorzien van de kleine kanttekeningen van de ervaren pessimist. Een enkele keer wordt het dagboek gebruikt om vernederende ervaringen niet te vergeten:
    ‘In grote haast even de vriendelijke opmerkingen noteren die vader me naar het hoofd slingerde als afscheid toen ik naar Zwitserland vertrok. ‘Voor mijn bestwil’ nog wel, o, die zo vaak gehoorde woorden. Ik schrijf ze op om mogelijke vertedering in de toekomst wat te neutraliseren. ‘Het is een schánde dat je zo’n massa geld wegsmijt voor zo’n stuk strónt terwijl je váder en moeder gebrek lijden’. De hysterie waarmee het werd opgefokt, met dikke ogen van nijd.’
    Vaker dient het dagboek voor een terugblik op gebeurtenissen van de afgelopen weken of soms maanden, het is dan niet echt een dagboek maar een in retrospectie geschreven ‘waar verhaal’. Ook Hans Warren kan in zijn dagboek niet meer zijn dan de denkende hoofdpersoon in een onaf levensverhaal. Maar deze hoofdpersoon analyseert zo scherp wat er gebeurd is en probeert zo sterk te anticiperen op wat in de toekomst verscholen is, dat er vanzelf spanning ontstaat bij de lezer: zal hij gelijk krijgen of loopt het toch weer anders? Als boeiend verhaal heeft dit dagboek alleen het manco dat Warren sommige gebeurtenissen niet op papier kan krijgen zodat er nogal eens hiaten vallen. Soms moet de lezer het doen met een korte wrevelige opmerking: ‘nu dan, de vriendschap met Florus heb ik een week geleden beëindigd. Ook Robert zie ik nooit meer.’

    Warren vraagt zich in zijn notities geregeld af wat de oorzaak kan zijn dat hij gebeurtenissen die hem erg raken vaak niet in het dagboek kwijt kan. Ik denk dat het een gezond schrijversinstinct is dat een rasschrijver als Warren heeft belet om dingen op papier te zetten waar hij op dat moment niet de goede woorden voor had. Als dagboekschrijver faal je dan, maar als schrijver doe je de beste keus als je alleen datgene verwoordt waarvoor je de woorden hebt. En juist die woorden zijn belangrijk bij een schrijver als Warren, die lyrisch dichtersproza schrijft, ritmisch proza waarin elk woord het volgende oproept. Een genot om te lezen.

     

    Dit artikel verscheen in 1983 in Hollands Maandblad – 422/433

     

     

  • Woordeloos graf

    Woordeloos graf

    Ik was een paar dagen in Zeeland, waar ik niet eerder was. Bij Zeeland dacht ik aan de Zeeuwse dichter en dagboekschrijver Hans Warren. In de jaren tachtig/negentig werd elk nieuw verschenen deel van Geheim Dagboek gelezen. Ik dacht erover zijn graf te bezoeken, appte een Warren kenner of hij wist waar de dichter begraven lag. Nadat ik en de man bij Oostkapelle de tent hadden opgezet, zochten we de zee. Na een urenlange, prachtige wandeling door een bos met herten, een kudde wilde paarden, hadden we de zee nog niet gezien. Toen ik later in mijn slaapzak lag te draaien, verschenen er twintig foto’s van gefotografeerde pagina’s uit een boekje met wandelingen van Hans Warren, ‘pingend’ op mijn mobiel. Het verscheen in 2006 (je woonde nog in Portugal), als onderdeel van de serie ‘Literaire wandelingen’ bij Bas Lubberhuizen en was je geheel ontgaan.

    In Borssele was er geen mens op straat. Er heerste een jaloersmakende zondagsrust. Of wacht, daar zaten twee Litouwse bouwvakkers op de hoek van de Weststraat. De een op een stoel, de ander op de stoeprand, blote voeten, kijkend op hun mobiel. Het enige café was dicht. Ik liep de Weststraat in, naar nr. 15, er stond een wit busje voor. Ik herinner me de ongelukkigheid van Warren over deze gedwongen verhuizing van het ruime, vrijstaande huis aan de Zeedijk naar een gezinswoning.
    Daarna zochten we Warrens graf op de begraafplaats aan de Oostsingel. We namen ieder een stuk voor onze rekening, liepen af en aan. Tot de man zijn hand opstak, het graf gevonden. Het lag er open en bloot. Geen grafzuil, geen tekst. Enkel een wit marmeren plaat met rechts, op een zwart marmeren rand ‘hans warren     dichter’, afstand tussen naam en dichter zoals op het graf. Ik stond bij dat woordeloos graf van de dichter die had afgezien van elke vorm van bewondering. Legde wat takjes vrouwenmantel bij zijn naam, zei enkel maar, ‘dag hans’.

    In 1957 was Warren met zijn gezin, na vier Parijse jaren teruggekeerd naar Zeeland. Op 29 juli 1957 schreef hij, ‘Sinds 1 juli wonen we Pijkesweegje 1 in Kloetinge. Een zeventiende-eeuws huisje, vervallen maar pittoresk, aardig van verhoudingen en met aangenaam licht in de kamers die op het oosten gelegen zijn. Toen ik met de verhuiswagen aankwam wist ik aanvankelijk niet goed waar ik wezen moest: ik zag een zwartgeteerde schuur met een paar kapotte planken waardoor de boerenzwaluwen in en uit zwierden. Het leek me een geitenstal. Maar het bleek de zijkant van ons toekomstige huis, dat eigenlijk uit twee arbeiderswoninkjes bestaat die spiegelbeeldig tegen elkaar gebouwd zijn.’ Het beviel hem, hij zou er tot aan zijn dood in 2001 blijven wonen.
    In het boek Augustus zoekt het dan drieëntwintigjarige alter ego van Eric de Rooij in augustus 1988 de dichter op. Hij verwachtte er veel van, tegelijkertijd niets. Bij zich een exemplaar van  Geheim Dagboek 1945-1948. ‘Mijn hoofd gloeide. Somber, nerveus en ontheemd fietste ik rechtsaf het Pijkeswegje op, en daar passeerde mij, nagenoeg gelijktijdig, een donkerbruine Volvo die de weg richting Goes insloeg.’ In die Volvo zat de dichter met zijn partner Mario Molegraaf maar hij zag het niet. Hij had zich voorgesteld hoe de dichter hem zou ontvangen. ‘Dag jongeman, (…). Wil je een kopje thee, dan signeer ik jouw exemplaar. Is het Erik met een k of met een c?’ Het werd niets.

    De dag na zondag stond ik op dat pad naar het voormalige huis van de dichter. Ik keek naar het van de weg afliggende donkere huis, verscholen tussen bossages waar de zon doorheen speelde. Je dacht aan de vele bezoekers die over dit pad de dichter hadden bezocht. In een van zijn dagboekdelen beschreef Warren een scene waar je nog wel eens aan denkt als er ongewenst bezoek voor de deur staat. Hoe hij zich met zijn vrouw tussen de ingeklapte tuinstoelen in een klein berghok verstopte. Warren in halfzit tegen de stoelen gedrukt, Mabel op schoot, haar bij de heupen vasthoudend, hoorden ze hoe de ongenode gasten rond het huis liepen. Na enkele benauwende momenten werd plots de deur van het berghok opengetrokken, Warren en zijn vrouw tuimelden naar buiten. Reactie van bezoekers , ‘Oh, zitten jullie hier?’ En hoe je je hier weer uitdraait.

    Sinds Zeeland ben ik opnieuw in de Geheim Dagboek ‘mood’. Lees die van 1945-1948. Bestelde het literaire wandelboekje Hart van mijn land ik ben terug door Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Met dank aan beiden voor de uitmuntende informatie over leef en wandelgangen van Hans Warren.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.



  • Kauwde, slikte door

    Kauwde, slikte door

    Een goed boek houdt je na lezing nog bezig. Eind zomer las ik een boek waarin de ik-verteller briefjes met contactgegevens opeet, als werkte hij voor de geheime dienst. ‘In een reflex stopte ik de prop in mijn mond, kauwde, proefde inkt en de goedkope zompige structuur van kladpapier.’ Het boek speelt in de maand augustus van 1988. In die maand komt alles in het leven van Erik Poelman bij elkaar. De oudere neef Kaj, die zijn vrouw verliet voor een man, ziek werd, stierf aan aids, voorheen al doodgezwegen door zijn familie. Een christelijke vriend uit zijn schooltijd wordt vermoord. Met zijn vriend Maurits, een Couperus adept, bezoekt hij in de weekenden homobars in Amsterdam. Tegen elkaar zeggen ze hetero’s te zijn die spelen dat ze homo zijn. Wordt het niet eens tijd er voor uit te komen dat hij echt op mannen valt? Maar hoe doe je dat. Die zomer gaan Maurits en Erik naar Den Haag, nemen een hotel, er broeit iets, maar ze zijn hetero, toch? Na een uitgaansavond, belanden ze bij elkaar in bed, vrijen. Waarna de draad van hun vriendschap dunner wordt.

    Daarbij is Erik bang om ziek te worden, met iets besmet te raken. ‘Dat iets was elke avond en nacht in Amsterdam aanwezig. het wandelde mee, in de Reguliersdwarsstraat, bij het DOK aan het Singel, vergezelde me naar de andere cafés en disco’s in het centrum waar mannen kwamen, en waar wij dus ook kwamen. Het kon me elk moment aanraken.’
    In een poging zijn leven richting te geven, besluit hij naar Maastricht af te reizen. Hij heeft een briefje waarop telefoonnummers van mannen die reageerden op de contactadvertentie die zijn vriend Maurits voor de lol in de krant plaatste. Erik hield de telefoonnummers van het stapeltje ‘Nee’ voor zichzelf.

    Had hij niet samen met zijn moeder televisie zitten kijken naar een uitzending van Sonja Barend, waar een man was uitgenodigd die zei dat het voor homo’s gewoon was om seks te hebben met honderden mannen? ‘(…) soms wel een paar kerels op een avond. Een schok ging door de zaal bereikte de huiskamer,’ Dat zijn moeder snuivend zei, ‘Wat smerig, Niet gek dat je dan ziek wordt en doodgaat.’ Durf dan nog maar eens te vertellen dat jij op mannen valt.

    Als Maastricht mislukt, bezoekt hij de dichter Hans Warren in Zeeland. Warren woont samen met een jongeman. Door zijn dagboeken die in de jaren tachtig verschenen, is hij iemand om naar uit te reiken, bij te willen horen. Als Erik bij het huis van de dichter komt aanfietsen, rijdt deze net in een volvo met zijn jonge vriend aan het stuur het pad af.
    Dat je de wereld in wilt, dat je steeds als het erop aankomt, niet durft, of miskleunt. Iemand opbellen, een afspraak maken bij een van de mannen van het papiertje, het komt er niet van. Daarvoor is zijn dialogue intérieur eenvoudigweg te sterk, praat hij zichzelf alles uit het hoofd, gaat onverrichter zake naar huis. Zijn moeder die zegt, Hé, ben je weer thuis?

    Als hij van de man die met zijn neef Kaj is geweest, zijn visitekaartje krijgt, scheurt hij het later in drie stukken, steekt ze in zijn mond, ‘kauwde, slikte door’. No way, dat hij hem eens gaat opzoeken. De briefjes die hij in zijn mond vermaalt, alsof hij er de werkelijkheid mee wil uitwissen. Ingegeven door de berichtgevingen uit die tijd, was het gewoon geen goed idee om homo te zijn. Ook het kaartje van een bejaard artsenechtpaar dat hem in de trein naar Goes conversietherapie aanraadt, verdwijnt meteen in zijn mond. ‘kauwde, slikte door’.

    ‘Ik vind dat ik niet uit de kast hoef te komen, dat ik moet zeggen ‘ik bén homo’, want dat ben ik niet, ik bén Wobie, en Wobie valt misschien op mannen.’ schrijft Splinter Chabot in Confettiregen. Als dit boek in de jaren tachtig was verschenen, had het de verteller uit Augustus zeker aangezet zichzelf te omarmen. Augustus is een indringend auto-fictie boek, over een jeugd in de jaren tachtig. Hoe er in die tijd volstrekt afkeurend over afwijkende geaardheid werd gedacht, hoe vernietigend dat was. Goed geschreven, een doordenker, een aanrader.

     

     

    Augustus / Eric de Rooij / blz. 224 / Uitgeverij kleine Uil (2022)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • E-readers ruiken nergens naar

    E-readers ruiken nergens naar

    Ik hou niet van elektrische apparaten. Ze doen bij mij nooit wat ze moeten doen, alsof er een vloek op rust. Ik heb dan ook geen vaatwasser, geen wasdroger of smartphone. Wel een wasmachine, waarvoor ik offers breng voor ik hem aanzet. Daarom heb ik ook geen e-reader, verklaarde ik tegen een kennis die me er eentje wilde aanpraten. Hij beweerde dat het voor mij onmogelijk was om al mijn boeken nog eens te lezen: als ik linksboven in de boekenkasten op zolder zou beginnen en rechts beneden in de kelder zou eindigen, had ik meer jaren nodig dan een mens gegund was. En ik had ze toch allemaal al gelezen. Waarom bewaarde ik ze nog? Ik zocht naar woorden om mijn geliefde boeken te verdedigen, maar ik kon ze zo gauw niet vinden. Tegelijkertijd vroeg ik me in een hoekje van mijn hersens af of de man misschien gelijk had. Er stonden boeken in mijn huis die ik in geen twintig, dertig jaar heb aangeraakt en zou dat waarschijnlijk ook niet meer doen. Moesten ze dan maar weg? Aafjes en Auden, Zola en Zweig. Afgedankt als kledingstukken die uit de mode zijn geraakt. 

    Geen denken aan. Een boek hoef je niet opnieuw te lezen om te herinneren hoe het was en wat je toen voelde. Weten dat het onder handbereik is, volstaat. Professor Faber uit Fahrenheit 451 van Ray Bradbury herinnert zich bij het zien van een bijbel nog steeds – na twintig jaar leven in een maatschappij waarin boeken verboden zijn – dat een van zijn boeken naar nootmuskaat rook. En neem nou dit gedicht van Hans Warren:

    Het is een oud groen boek

    ‘Het is een oud groen boek, wat los;
     het ruikt naar litho’s en naar regen.
     Als ik het opsla roept de koekoek in Bohemen,
     is ’t zomer, en een herdersknaap
     met opgestroopte broek en mouwen
     grijpt naar forellen in een grot;
     of winter – en de kolenmeier rookt,
     het zuiver hout geurt in de fluisterende stilte
     van het verlaten woud.
     Waar ben ik dan; slechts even, éven
     toegeven aan dit zoet gemis,
     aan dit geluk, die koekoek in Bohemen,
     die jongen met zijn bruine benen,
     dit boek, dit woud, dit oude zèlf,
     zo lang geleden
     dat het veel dieper dan naar huis gaan is.’

    Ik kan me niet voorstellen dat Warren dit had geschreven als hij met een e-reader in zijn handen had gestaan. E-readers ruiken nergens naar. En wij zouden een bloedmooi gedicht armer zijn geweest. Maar de echte reden voor mijn verzameling boeken vertelde ik niet aan die kennis: mijn boeken zijn er ter geruststelling. Waarvoor, dat weet ik niet. Bij natuurrampen zullen ze niet helpen, noch bij oorlog, verduistering of hongersnood. Ik kan ze niet allemaal meenemen als ik moet vluchten voor een wereldbrand, niet meer de inhoud van buiten leren als ze verboden worden. Maar als ik naar mijn boekenkasten kijk, ervaar ik de geruststelling dat ik ben wie ik ben: mijn boeken hebben me geholpen om het te worden. 

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Moederdag

    Moederdag

    Het gebeurt niet vaak meer, een envelop in de brievenbus met een handgeschreven adressering. Ik raad een boek en dat klopt. Het is de allereerste uitgave van uitgeverij Artistiek Bureau, een fraai uitgegeven boekje waar ik al enkele weken naar verlangde: Grafkrans van Hans Warren. Ongepubliceerde gedichten die Warren schreef vlak na het overlijden van zijn moeder, juni 1951. Toen Ronny Boogaart en ik vijftien jaar geleden een literaire wandelgids door het Zeeland van Hans Warren samenstelden, was het graf van zijn moeder onder het merkteken 174 terug te vinden op de begraafplaats van Borssele. Een onooglijk klein paaltje met een nummer, meer wilde zij niet  – het stond op een steenworp van het graf van Warren die in 2001 overleed, vijftig jaar later. In het nawoord bij Grafkrans, van Mario Molegraaf, lees ik dat het paaltje is verdwenen. Wellicht is het graf geruimd? 

    Grafkrans gaat over rouwen, de eerste rouw. ‘Soms vind ik een paar lange zilvren haren/ een jurk die geurt of je hem gister droeg.’ Persoonlijk, zonder opsmuk, over schuldgevoelens, onmacht en schaamte. ‘Ik vraag vergeving – alles deed ’k verkeerd.’ In het laatste gedicht gloort acceptatie, maar lees je nauwkeuriger (of sensitiever) dan is het alsof Warren zichzelf daarvoor moet forceren. Rouw eindigt nu eenmaal niet op bestelling.

    Door Grafkrans denk ik aan Warrens roman Demetrios uit 1976, eerder dan aan Geheim dagboek, waarin hij ook over de dood van zijn moeder schreef. Ik las de roman vóór dat dagboekdeel en werd verpletterd  door de sterfscene. Zijn moeder is dan 57 en heeft kanker met uitzaaiingen. ‘Je keek je man aan, je mooie gezicht was in een paar maanden tijd volkomen verwoest, je ogen waren troebel van de medicamenten, je zei: “Vóór ik doodga wil ik nog één keer in je armen staan. Stáán, rechtop.” En jij, die al in weken niet meer gestaan of gelopen had, probeerde op te staan. (…) Zo stond je, hing je, een poosje rechtop in zijn armen. Je voeten stonden eigenlijk niet eens goed op de vloer, ze gleden steeds verder weg.’

    Waar Demetrios over ging, ik vergat het grotendeels, maar de twee bladzijden over het sterfbed van zijn moeder zijn in mijn geheugen vastgezet. Ik maak me geen illusies, Warrens woorden appelleerden vooral aan mijn eigen angst. Dat mijn moeder zou sterven hing door alle ziektes die zij kreeg en operaties die zij onderging sinds mijn kinderjaren in de lucht. Jaarlijks waren er momenten van paniek en stress en werd haar einde aangekondigd. Soms, als ik op de vaste telefoonlijn word gebeld, denk ik, het is zover en voel de spanning in mijn lijf  –  hoewel mijn moeder nu ruim twee jaar dood is. Terwijl ik dit schrijf, komt er een appje binnen, word ik afgeleid en swipe gedachteloos door naar de foto’s die mijn IPhone voor vandaag heeft geselecteerd uit mijn archief van duizenden: de eerste foto is een portret van mijn moeder, twee dagen voor haar overlijden. Ze ligt op bed, ik zit naast haar. Toeval? Eentje uit de categorie ‘betekenisvol toeval’. Er lijkt een samenhang te zijn die je zelf ervaart, maar die voor een buitenstaander vaak onzinnig is. Morgen is het Moederdag.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter, recensent en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn romandebuut De wensvader  (uitg. kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. 

  • Kroonboek

    Kroonboek

    Ik weet dat voor de meeste mensen 12 augustus 1986 een dag is die zonder enige betekenis voorbij is gegaan. Die dag schelde bij ons – ik woonde nog bij mijn ouders in Hilversum – de voordeurbel en overhandigde de postbode mij een pakketje waarop ik de hele zomer had gewacht. Ik had zelfs een paar keer gebeld met de mevrouw van de klantenservice. Zij legde de schuld van de vertraging bij de drukte die er in de vakantieperiodes altijd was. Een nadere uitleg gaf ze verder nooit.
    Het was mijn kwartaalbestelling van de boekenclub. ECI, Boek en Plaat, ik weet even niet meer over welke club het hier precies gaat, want ik ben van allebei wel een keer lid geweest. Als ik iets verbind met de jaren tachtig dan is het wel mijn getwijfel en gestaar bij de kennismakingsaanbieding van deze boekenclubs in de televisiebode: kies uit dit assortiment drie boeken voor een tientje. Je kreeg er vaak nog een kleine transistorradio of huishoudelijk apparaat gratis bij. Voor de snelle beslisser, aldus de wekelijkse aansporing.

    Oorlog en vrede van Tolstoj (de hardcoveruitgave van Bigot&Van Rossum) zat er altijd bij, een Agatha Christie Vijfling en een boek over massage voor paren, dat veel beeldmateriaal beloofde. Het lidmaatschap had als consequentie dat je eens per drie maanden een bestelling uit hun catalogus moest doen. Vergat je dit    en ik begreep dat het sommige mensen geregeld overkwam –  dan kreeg je het Kroonboek toegestuurd. Een roman van Rosemary Rogers of Catherine Cookson of een ‘overpriced’ knutselboek kon zomaar onverwacht op de deurmat vallen – uiteraard met rekening. Twee dingen waren zeker: het Kroonboek was nooit het goedkoopste boek uit de catalogus en het was ook nooit literatuur met de hoofdletter L. Zelf ben ik te neurotisch van aard om me zomaar te laten overvallen door de komst van een Kroonboek.

    Daarom belde ik de Klantenservice die zomer zo vaak, alsof ik verder niets te doen had, waardoor de mevrouw die telkens de telefoon opnam een zekere vermoeidheid in haar stem kreeg, nadat ik mijn naam had gezegd en over mijn bestelling begon. Was er wellicht sprake van een fout, een misverstand of vermissing? Ik was zeker niet geïnteresseerd in het Kroonboek, iets over zomer- of kamerplanten. ‘Dat weet ik,’ onderbrak ze me op een gegeven moment, ‘U wenst het Kroonboek niet.’ Het klonk alsof ik haar persoonlijk had beledigd. 

    Zo arriveerde, weliswaar verlaat, op 12 augustus 1986 het boekenpakket dat mijn leven drastisch veranderde: de eerste twee delen Geheim dagboek van dichter Hans Warren (1921 -2001). Zijn dagboek bracht mij op het spoor van Maria Dermoût, Julien Green en, vooral, Konstantinos Kavafis. Maar bovenal, Geheim dagboek verbond mij voor het leven met een blozende jongen uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij hem in Amsterdam-West stond een rijtje Geheim dagboek. ‘Jij ook?’ vroeg hij. Daarna wandelden we geregeld in het spoor van de dichter door Zeeland. Er was een tijd dat we meer thuis waren in zijn leven dan in het onze.
    En wat betekende deze dag voor Hans Warren zelf? Sla zijn dagboek uit 1986 open en je ziet dat die twaalfde augustus onopgemerkt voorbij is gegaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Aanstekelijk

    Een op de drie jongeren houdt niet van lezen, de helft van alle scholieren leest nooit een roman of lang verhaal. Romans gaan volgens hen over één onderwerp en die verhalen, ja die zijn te lang, dat vinden ze vervelend. Dit staat in een leesoffensief dat deze week gepresenteerd werd door de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad. Schrijver Jacques Vriens zei desgevraagd in een nieuwsprogramma op radio 1: ‘Wat een kletskoek. Er zijn zoveel verschillende boeken. Die juf of meester, die moeten het doen en als die niks met boeken hebben, ja, dan… Je zegt toch ook niet: ik reken maar niet met de kinderen want ik hou niet zo van rekenen?’

    Het was de zaterdag net voor de hittegolf losbarstte en de katten nog niet voor dood op de keukenvloer lagen dat recensenten en redacteuren van Literair Nederland naar Utrecht afreisden voor de jaarlijkse recensentenborrel, dit keer bij antiquariaat Hinderickx & Winderickx. Een jaarlijkse ontmoeting van literatuurliefhebbers die enkel over boeken spreken, wat literaire roddels (Horrortheater van Arie Storm) delen, vragen naar het laatst-gelezen-boek (Grand hotel Europa), het wat-lees-je-nu-boek (Asymmetrie, Lisa Halliday) of het lang-geleden-gelezen-boek (Anna, Dezsö Kosztolányi). Met een glas in de hand en de blik, steeds weer verschietend van gesprekspartner naar de boeken rondom.

    Zo kwamen we bij de niet-meer-gelezen schrijvers, zoals Vestdijk, en hoe dat toch kan. Het was amper uitgesproken of er sprong, (bij wijze van spreke) een deel van de Anton Wachter reeks uit de boekenkast. Er werd gelachen, gememoreerd aan die andere wachters, uit Ivoren wachters. Over het verrotte gebit van lyceumleerling Philip Corvage, die zijn tanden breekt op de bast van walnoten die hij onderweg naar school kraakt. Gezien de vorm van de walnoot, gelijk de hersenen, zou het eten van walnoten de geestelijke denkkracht bevorderen liet Philip anderen geloven. Wie het leest wil het ook graag geloven. Een meesterlijk boek, net zoals De koperen tuin nog steeds in vervoering brengt, overtuigden we elkaar. En dan de poëzie van nog zo’n vergeten schrijver, Hans Warren.

    Voor jou

    ‘Ben jij het die dit leest? Heb je niet
    je astrakan muts afgezet, en vallen nu
    je zwarte krullen warm naar het papier?
    Slaat het licht van deze bladzij
    op in de goudspikkels van je ogen,
    glimlach je gelukkig, nu je merkt
    dat ik dit weet, en breng je ook
    je donkere lippen zo dicht bij de woorden
    dat het lijkt of je ze gaat kussen?
    Leg je, toch even onzeker, je vinger
    tussen de bladzijs, druk je het boek
    tegen je borst, waar het ritselt
    door het bonzen van je hart?
    Ben je nóg mooier nu, kijk je door het raam?
    wees gerust: dit is werkelijk voor jou geschreven.’

    Kijk, hoe mooi dit is. Als elke leerkracht nu de dag gewoon begint met een gedicht een wereld te scheppen die verlangens wekt. Verlangens die de geest voeden, zoals de walnoten in Ivoren wachters van Vestdijk. Laten we  dan gelijk boekwinkels zien als ontmoetingsplaats, waar de een de ander aansteekt. Vergeet niet je kind mee te nemen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zij leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

     

  • Drie literaire tijdschriften van deze zomer

    Een Glossy, Tirade en Raymond Brulez in De Parelduiker

    Door Ingrid van der Graaf

    De zomer vloog voorbij maar het is nooit te laat een literair tijdschrift te bespreken.
    Kluger Hans stelde zich bij het maken van een zomereditie voor een literair portret samen te stellen van ‘de mens’. Het werd een zogeheten glossy, met op de goudkleurige cover een detail van een afbeelding van Dior, alles op glanspapier gedrukt, compleet met recepten voor bijvoorbeeld komkommersoep. Kluger Hans als een ‘livestyle’. Met mooie verhalen van onder andere Naomi Rebekka Boekwijt (Juli) en debutant Daniel Op de Beeck met Tris, waarin de overgave van een jongen aan de gebruiken van een geloofsgemeenschap eerst tot een obsessie leidt en later tot de dood. Opvallend en interessant door de wendingen in het verhaal.
    Dave Reggers schreef in dialect (en zonder hoofdletters) het verhaal Que sera sera. Op een babbeltoontje, alsof het een onderonsje geldt wat de vertelling dichtbij de lezer brengt. ’tweejentagetig. et nummer drukt op mijn wervels als ik mij buk (…) kzienet in mijn vingers die et dekbed gladstrijken.’
    En hier één van de vier recepten van Idris Sevenans, Deze is voor een salade.

    Was in een vergiet
    Droog keukenpapier in
                       zeer dunne schijfjes
    sla uit elkaar
    Los zout in witte wijn en
    Wacht met mengen tot
    geroosterd vlees calorie-arm wordt

    Illustraties, Vogue paintings van Egon van Herreweghe. Bestaande reclamefoto’s werden gedeeltelijk of helemaal met grove kwast overschilderd. Het effect is verrassend en lijkt een protest tegen de reclamewereld. De gedachte achter een glossy is te verleiden, iets te willen waarvan je niet wist dat je het wilde. Deze Kluger Hans spreekt de taal van de verbeelding en van verschillende schrijvers wil je meer lezen, al wist je dat niet.

     

    Tirade#459
    9200000045707640Sinds de oudere garde van de redactie in 2013 plaats maakte voor een beduidend jongere redactie, wat tot mooie en sprankelende edities heeft geleid, blijft het een soort stoelendans. Simone Saarloos nam al even plaats maar verdween vrijwel gelijk weer. Lieke Marsman verliet, na wel haar stem te hebben laten horen, al eerder de redactie om zich aan haar studie en nieuw werk te kunnen wijden. In dit juni nummer maakt Martijn Knol, die ook niet ongehoord bleef, plaats voor Wytske Versteeg. Ook Knol gaat fulltime schrijven. Dat het tijdschrift niet onder deze snelle wisselingen te lijden heeft, is te danken aan de stevige roots die zijn voedingsbodem vond in het literair etablissement van de jaren vijftig. Tirade heeft zich ontwikkeld tot een blad dat niet meer weg te denken is. In deze editie weer mooie bijdragen, onder meer enkele prozagedichten van Derek Walcott (1930) in vertaling door Astrid Staartjes.
    ‘Ik verliet het metrostation en er stonden mensen / stokstil op de trap, alsof ze iets wisten / wat ik niet wist. Dit was ten tijde van de Koude Oorlog, / en nucleaire rampen. De hele straat was uitgestorven,’
    Henk van Straten als De Ambassadeur over de melancholie in het werk van schrijver James Salter (1925-2015), hij zucht bij geen enkel boek zoveel als bij een boek van Salter. Een even ontroerend als oprecht essay van Wytske Versteeg over kwetsbaarheid dat je niet in de koude kleren gaat zitten. Verhalen van Vamba Sherif, Gerda Blees (concentrisch verhaal) en van Marijn Sikken Roosje. Een zuiver ‘coming of age’ verhaal waarin haast elke zin zoveel meer vertelt dan er staat. Een verhaal van de gevestigde Spaanse auteur Hipólito G. Navarro, (vertaling Melani Reumers). Debutanten zijn Christiaan Ronda, Derko Laan en Mira Aluç. Christien Brinkgreve laat haar licht schijnen op Babyboomboek van Ronald Havenaar. De rubriek waarin een auteur even helemaal los mag gaan, De tirade van…, was voor Asis Aynan, die de politieke correctheid van de acteur Nasrdin Dchar betwijfelt. Een heerlijk tirade.

     

    De Parelduiker#2015/3
    Parelduiker 3-15 omslag_Opmaak 1Raymond Brulez (1895-1972) zocht voor zijn debuutroman André Terval (1930) meer dan tien jaar naar een uitgever die het waagde hem uit te geven. Zijn boek werd namelijk niet Vlaams- katholiekgezind genoeg bevonden. Er speelde nogal wat tussen de schrijvers  van het interbellum. Fatsoens- en huwelijksmoraal mochten niet geschonden worden en dat was nu precies waar Brulez zich aan bezondigd had volgens de toonaangevende Vlaamse auteurs uit die tijd, Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Maurice Roelants. Joris Van Parys schreef een biografie van Brulez die deze maand onder de titel Gelukkig en vol droefenis. De werelden van Raymond Brulez zal verschijnen bij uitgeverij Houtekiet. Zijn bijdrage in De Parelduiker gaat over de aard van het contact tussen de Hollandse Forum-schrijvers Ter Braak, Du Perron, en de Vlaamse vrijdenker Brulez. Geïllustreerd met mooie afbeeldingen van enkele boekomslagen, een brief van Greshoff aan Brulez vanuit Italië, krantenartikelen en enkele sfeerfoto’s uit zijn huwelijkstijd.
    Bart Slijper werkt aan een groepsportret van de Tachtigers. Zijn stuk In gemeenschap van Goederen gaat over de loyaliteit en financiële steun die de Tachtigers elkaar boden. Daar moet je dan weer De Parelduiker voor lezen om te weten te komen dat het rond 1890 in de Amsterdamse Avant-gardistische kringen aan de orde van de dag was elkaar om geld te vragen of juist ruimhartig weg te geven. Een mooi bewijs van vriendschap en solidariteit. Met foto’s van de Tachtigers gemaakt door de toenmalige fotograaf Willem Witzen.
    Over de correspondentie die dagboekschrijver Hans Warren (1921-2001) onderhield met soldaat Jan Kakebeeke (Kees in zijn dagboeken) in Nederlands-Indië schreven Ronny Bogaart en Eric de Rooij. Een kijkje achter de dagboekbladen van Warren.
    Van Herman Sandman het derde en laatste deel over Groningse schrijvers Schrijvers uit het land van koolzaad en aardgas. Dit loopt onder meer van de schrijver van het lied In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland, Jan de Rijmer tot de dichter Dries van Wissen. Een uitvoerig (goed) stuk over het literaire leven van heden tot nu. Een Parelduiker waardig.

     

     

     

  • Ontdekkingen uit een literair verleden (De Parelduiker over het jaar 2012)

    De Parelduiker speurt onophoudelijk naar gekende, maar vaker ongekende feiten uit het leven van belangrijke schrijvers en brengt dit met inhoudelijk goed geschreven stukken onder de aandacht. Hieronder een terugblik over het jaar 2012 waarbij elke editie van De Parelduiker je het gevoel geeft iets ontdekt te hebben waarvan je niet het idee had er naar op zoek te zijn maar na lezing ervan overtuigd bent geraakt dat je dit niet had willen missen.

    In de laatste editie van 2012 brengt Lucas Ligtenberg in Een leven doormidden gesneden  schrijfster Dola de Jong (1911-2003) onder de aandacht. De Jong liet haar eigen familie in 1940 in Europa achter en week uit naar Amerika, waarmee haar gespleten leven begon. Ze zag haar familie nooit meer terug. In 1945 schreef ze En de akker is de wereld, dat zijn laatste herdruk in 1964 beleefde maar volgens Ligtenberg een plaats in de literaire canon verdient. Een roman waarin kinderen voor het oorlogsgeweld op de vlucht slaan en ontheemd raken. ‘De laatste oorlog heeft mijn leven doormidden gesneden’, schreef Dola in 1954 aan toenmalig toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing.

    Kunsthistoricus Jaap Versteegh schreef een uitgebreid artikel over kunstenaar Richard Roland Holst (1868-1938), (echtgenoot van de bekende dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk) en zijn (geheime) vriendin, de grafica Debora G. Duyvis (1886-1974). Debora Duyvis was zelfstandige kunstenares die veel op reis ging. Aan de hand van de correspondentie tussen Roland Holst en Duyvis is deze geheime liefdesrelatie enigszins te volgen. Er zijn weinig brieven bewaard gebleven maar allen zijn van een hartverwarmende kwaliteit waaruit een stille liefde spreekt. Alles mooi geïllustreerd met werk van beide kunstenaars.

    In de rubriek Laagwater doet Sylvia Willink-Quiel, weduwe van Carel Willink, verslag van de vriendschap met W.F. Hermans en zijn vrouw en de wordingsgeschiedenis van de in brons uitgevoerde kop die Sylvia maakte van Hermans in 1981. Een afgietsel van deze kop staat in de portretten galerij van het Letterkundig Museum te Den Haag. Ook de voorstudie in foto’s en aantekeningen over afmetingen van het gelaat zijn in bezit van het museum. Een insidersverslag over de ontmoeting tussen twee grootheden in de kunsten.

    De zomereditie (nr. 4) stond in het teken van de op- en ondergang van literair tijdschrift Bijster. Een onderneming op persoonlijke titel van uitgever bij De Bezige Bij, Geert Lubberhuizen, die samen met Remco Campert de redactie vormde. Het stuk gaat vooral ook over het ego van Geert Lubberhuizen. Zes nummers zijn er van het tijdschrift verschenen en toen hield het op. Volgens de schrijver van het stuk Marsha Keja, rouleren steeds dezelfde nummers op internet voor prijzen tussen de 25 en 35 euro.
    Leo Frijda leverde een stuk over Hans Fallada en zijn vertaler Nico Rost. En Mieke Koenen, die aan een biografie werkt over Ida Gerhard schreef over ‘Zelfdoding in bekende en onbekende teksten van Ida Gerhard’. Met niet eerder gepubliceerde foto’s van Ida Gerhard en haar vriendinnetje Marietje van der Zeyde, die in Gerhards latere leven haar levenspartner werd.

    In de derde editie schrijft Nico Keuning, publicist van schrijversbiografieën in Het Stockholm van Tomas Transströmer over de dichter en diens werk. Tomas Transströmer wordt op 59 jarige leeftijd getroffen door een hersenbloeding waardoor hij rechtszijdig verlamd raakt en zijn spraakvermogen verliest. Vanaf die tijd treedt zijn vrouw Monica op als communicator met de buitenwereld. Daarbij vier gedichten uit het vroege werk van Transströmer, in vertaling van Bernlef.

    Sterk tot de verbeelding spreekt de zoektocht in de tweede editie, naar het door raadselen omgeven leven van schrijver B. Traven door Martin Smit in Utopie in de jungle. Pas na zijn dood in 1969 kon met zekerheid gezegd worden dat B. Traven de voormalig anarchist Ret Marut was die in 1922 op de vlucht sloeg net voordat hij wegens hoogverraad standrechtelijk geëxecuteerd zou worden. Via Nederland, België en Engeland bereikte Marut in 1924 Mexico waar hij tot zijn dood verbleef. Tijdens zijn leven is het niemand gelukt de ware identiteit van B. Traven te onthullen. Traven was auteur van indringende literatuur over de onderdrukte bevolking van Mexico. Slavenhandel, uitbuiting en de oorspronkelijke bevolking van Mexico hadden zijn interesse. Met Utopie in de jungle beschreef Martin Smit een uiterst gecompliceerde levensloop van een schrijver op de vlucht, die leest als een detective. Waarbij de grote vraag komt bovendrijven: ‘Wie was Ret Marut?’ Het levert interessante feiten op en maakt het herlezen van Travens werk opeens weer urgent. Saillant detail is dat in De Parelduiker nr 3, Louis Houet in de rubriek Laagwater schrijft over een ontmoeting met de weduwe van Traven in 1977. Waarbij hij haar vraagt naar de identiteit van haar man en zij, tot zijn verbazing zegt die niet te kennen. Waarmee het raadsel Ret Marut de oplossing bij lange niet nabij is.

    De eerste editie is voor een groot deel gewijd aan Slauerhoff. Wim Hazeu schreef ‘Alleen aan jou voel ik me verwant onder de levenden’ Slauerhoffs laatste brief aan A. Roland Holst en ‘Dat avontuur zit heus niet alleen op een schip’ Herinneringen van Jacoba, Jetty en Johannes Tielrooy. Hein Aalders schreef over Slauerhoffs bedevaartstocht naar het graf van de Bretonse dichter Tristan Corbière in 1923.

    In De Parelduiker duiken met enige regelmaat rubrieken op als De laatste pagina, Laagwater en Seinpost, maar komen niet consequent in elke editie voor. In de twee eerste nummers wordt in De laatste pagina een in memoriam gewijd aan polemisch schrijver Christopher Hitchens (1949-2011) door Marco Daane en aan kunsthistoricus (met een voorliefde voor de politieke spotprent) Hans IJsselstein Mulder (1945-2012) door Ariane de Ranitz.

    In de rubriek Seinpost (tweede editie) ging Ronald Bos naar Algerije om gevolg te geven aan het door Camus ingegeven verlangen naar ‘het licht en de zon (…), als contrapunt bij de tegenslagen en depressies’. In Op zoek naar het verloren licht trekt hij verschillende literaire sporen na en komt onder meer tot de ontdekking dat Camus, vijftig jaar na zijn dood, nog steeds ‘leeft’ in zijn eigen land. Het literaire klimaat in Algerije is niet welwillend. Bos ontmoet een uitgeefster die het liefst anoniem blijft. Zij vertelt dat Boualem Sansal de belangrijkste auteur van dit moment is. Hij leeft in Algerije maar geeft zijn werk uit in Frankrijk; het lot van de meeste auteurs die in het Frans schrijven. Bos schreef eerder over Hans Lodeizen en Paul Celan in De Parelduiker en toont zich een ware Camus-kenner.

    In deze jaargang ook twee bijdragen van Mario Molegraaf, de vroegere partner van dagboekschrijver Hans Warren. In de 3e editie over de vriendschap tussen Warren en natuurtekenaar Jac. P. Thijsse. In de 2e editie een diepgaand artikel van Molegraaf over de dichtende zus van Vincent van Gogh, Lies van Gogh (1859-1936). Molegraaf schrijft vaker over vergeten dichters.

    Dit is slechts een kleine greep uit het rijke aanbod van een jaargang De Parelduiker. Elke editie is meer dan de moeite waard om zelf aan te schaffen. De nummers van deze jaargang zijn nog te verkrijgen via de site van De Parelduiker.

     

    De Parelduiker ontvangt geen subsidie meer en heeft om die reden de Stichting Vrienden van De Parelduiker in het leven geroepen. Klik hier voor meer informatie over hoe u vriend kunt worden.

     

     

  • Niet alleen de hoogtijdagen maar ook de neergang

    Niet alleen de hoogtijdagen maar ook de neergang

    Door Coen Peppelenbos

    Het laatste Geheim Dagboek van Hans Warren is uit. Chronologisch volgt er nog een deel op, maar dat is al eerder uitgegeven, zodat de jaren 1998 tot en met 2000 de laatste jaren zijn die we tot ons kunnen nemen. Als je de balans opmaakt van de hele reeks dan kun je toch met een gerust hart stellen dat de eerste tientallen jaren het interessants waren: de worsteling met zijn homoseksualiteit, het ontluikende dichterschap. Dat waren ook de twee zaken die me het meest interesseerden. En natuurlijk kan ik ook erg genieten van allerlei literair geroddel.

    De laatste delen van het Geheim Dagboek zijn echter een crime om door te komen. Jaar in, jaar uit lees je over de autotochtjes met vriend Mario naar dit museum, naar die veiling of naar deze tentoonstelling. Daarna gaan de mannen meestal eten, waarna nog een mededeling komt hoe het eten gevallen is: slecht geslapen, overgeven of ongemak op de wc.
    Terwijl hij het liefst in zijn huisje dat propvol kunstschatten staat, zou willen blijven, neemt Mario hem maar steeds weer, tegen zijn wil, op sleeptouw.

    Als je de dagboeken leest, dan moet je wel concluderen dat die Mario Molengraaf wel een heel onhebbelijk mens is. Als Warren valt, dan begint hij te tieren, als Warren thuis wil blijven, wil zijn vriend toeren; het dagboek heeft het continu over de ruzies. Meestal staat er vlak daarna wel een opmerking dat hij nog steeds van Mario houdt, maar helemaal van harte lijkt het niet te zijn. Dat maakt het voor Molengraaf weer extra moeilijk om deze passages te redigeren. We lezen steeds hetzelfde en een paar ruzies zouden er wel uit kunnen, maar als de editeur dat zou doen dan zou het lijken of hij zijn eigen straatje aan schoonvegen was. Molengraaf heeft, voor zover ik kan zien, alle nare passages over hem (en zijn ouders) laten staan. Dat valt erg in hem te prijzen.

    Het laatste dagboek is nogal ontluisterend. We zien Hans Warren die aan het aftakelen is en dat van zichzelf door heeft. Hij valt kwijlend boven zijn werk in slaap, praat slecht, vergeet dingen, laat scheten en haalt vaak de wc niet op tijd. De wc is een belangrijke kamer voor de oudere Warren. De notities over de stoelgang zijn niet te tellen en niets wordt de lezer bespaard: ‘Nog steeds niet kunnen poepen, hoewel ik erg móet. Ik voel de harde drol in m’n anus met mijn vingertoppen. Maar hoe ik ook knijp, er komen hooguit wat kruimels.’ Gelukkig neemt de dichter twee dagen later maatregelen: ‘Het laxeermiddel werkte blijkbaar, eindelijk kwam er een massa naar buiten, ongelooflijk grote en harde hompen. Het deed pijn, maar wat een opluchting. Opeens, in de oosterse kamer, scheet ik in m’n broek, en niet zo’n klein beetje. De blubber langs m’n been. Eenmaal op de pot volgde een reeks ontploffingen en ontladingen, ook met halfverrotte drollen erin.’
    Dat krijg je als je het Geheim Dagboek helemaal leest: niet alleen de hoogtijdagen, ook de neergang met alle onsmakelijke details die erbij horen. Het was een intrigerende reeks, maar het hele project is nu voorbij.