• Sleutelgatgluurder

    Sleutelgatgluurder

    Op de boekenmarkt in Dordrecht aarzel ik of ik een biografie over Oscar Wilde zal kopen. Ik heb al zo’n veertig boeken van en over hem, maar dit is geschreven door een vriend van Wilde, Frank Harris, wiens autobiografie My life and loves van leugens aan elkaar hangt. Het zou interessant zijn om het boek te vergelijken met de biografie van Ellman en Montgomery Hyde, en… Ik word uit mijn overwegingen opgeschrikt door een man naast me, die me met een blik op het boek vraagt of ik zo’n lezer ben die niets liever doet dan wroeten in het privéleven van auteurs om alle sappige roddels op te diepen. Lezers van biografieën zijn verachtelijke sleutelgatgluurders, zegt hij, die alleen maar naar slaapkamergeheimen en duistere abberaties op zoek zijn. Ze klossen met lompe voeten door het leven van de auteur en vertrappen alles wat ze tegenkomen in hun jacht op sensatie. Ik moet het literaire werk voor zichzelf laten spreken, zegt hij, want daar gaat het om, niet om de dode schrijver ervan, die zich niet meer kan verdedigen tegen leugens en achterklap. Als ik beduusd zeg dat ik juist verdieping en achtergrond informatie zoek om het werk beter te kunnen begrijpen, snuift hij minachtend.

    Daar sta ik dan met Wildes biografie in mijn hand. Door die bemoeial voel ik me een voyeur die vanuit de bosjes bij mensen naar binnen loert. Maar heeft hij gelijk? Natuurlijk heb ik genoten van het bizarre verhaal uit de biografie over Robert Graves, die zijn minnares Laura Riding achterna sprong door het raam, vier verdiepingen hoog. Maar heeft dat mijn oordeel over de literaire betekenis van het werk van Graves beinvloed? En had ik zoveel van de gedichten van Slauerhoff kunnen genieten als ik niet had gelezen wat voor een grillige, rusteloze figuur hij was? Misschien had ik de poezie van Sylvia Plath nooit gewaardeerd als ik niet had geweten van haar getormenteerde leven. Deze dichters kwamen dichterbij, werden mensen van vlees en bloed door hun biografie. Ik hou van hun gedichten ondanks en dankzij hun persoonlijkheid, ook al zal ik hen nooit helemaal leren kennen. Maar dat hoeft ook niet, zoals Gerrit Komrij liet zien in een gedicht dat heel goed over een biografie zou kunnen gaan:

    Invitatie 

    Ik lig hier als een hoer tentoon. Je kunt
    Me aaien, in me kruipen en bespringen,
    Me tot een bal opblazen, tot een punt
    Verkleinen, me bewenen of bezingen:

    Ik ben je materiaal. Besnuffel me.
    Loer in mijn keel, mijn hart, mijn reet, mijn maag.
    Vervloek me duizend maal of knuffel me.
    Ik vind het best. Ik heb je lief vandaag.

    Proef van mijn bloed. Kom sabbel aan mijn tiet.
    Geloof volop in mijn bekentenis.
    Ik ben er echt. En toch ben ik er niet,
    Zoals je wollen trui het schaap niet is.

    Ik kijk de man naast me even aan en wend me dan tot de verkoper, om de biografie van Wilde te kopen, met die van Clara Eggink, Mijn leven met J.C. Bloem, er nog bij.

     

    Uit: Boemerang en andere gedichten / Gerrit Komrij (2012)

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

     

  • Hoi Gerrit (Komrij)

    Hoi Gerrit (Komrij)

    Ze zeggen wel dat je je helden niet in het echt moet tegenkomen want dat loopt geheid op een teleurstelling uit. Dat gold niet voor Gerrit Komrij. Hij toonde zich bij de enkele keren dat ik hem ontmoette als een aardige, hoffelijke en beminnelijke man. Ik was van zijn werk gaan houden tijdens mijn studie, toen ik als opdracht een essay schreef waarin ik een parallel moest trekken tussen de dichters Komrij en Piet Paaltjens. De schrijver zelf zag ik de eerste keer tijdens een signeersessie van zijn boek Wagner en ik, waarbij we slechts een paar beleefde woorden wisselden. 

    De tweede keer was op de boekenmarkt in Deventer. Ik zag hem lopen met zijn geliefde, Charles Hofman, en toen ik fluisterde: ‘Kijk, daar gaat Gerrit Komrij!’, zei mijn man: ‘Waarom ga je geen praatje met hem maken?’ Maar ik durfde niet. Ik wilde hem niet lastig vallen als een opdringerige fan bij een popconcert. Mijn destijds zesjarige dochter daarentegen had geen last van respect. Zij liep onvervaard op hem af, trok aan zijn mouw en zei: ‘Hoi Gerrit, mijn moeder wil je spreken.’ Hij liet zich gewillig door haar meetronen naar de boekenkraam waar ik van verlegenheid wel door de grond kon zakken. Hofman stond het tafereeltje op afstand geamuseerd gade te slaan.

    In het gesprek dat volgde, vertelde Komrij dat hij weliswaar in Portugal woonde, maar elk jaar naar Nederland kwam om naar de Deventer Boekenmarkt te gaan. Die sloeg hij nooit over. Met zijn eigenaardig stemgeluid, alleen geëvenaard door van Drs. P. (wiens optreden eens werd afgekondigd met: ‘Deze heer die zojuist een van zijn liederen voor u gekraakt heeft’), vroeg me of ik al iets gekocht had. Ik toonde hem mijn nieuwe aanwinst, een verzamelbundeltje ‘nonsensica’ uit 1961, samengesteld door Cees Buddingh’ onder de titel Het gevleugelde hobbelpaard. Komrij bladerde het met belangstelling door en zei toen peinzend, als tegen zichzelf: ‘Kijk, dat zou ik nou óók gekocht hebben.’

    Waarom heb ik het hem toen niet cadeau gedaan, vraag ik me nog steeds af. Dat zou een aardig gebaar zijn geweest tegenover de man wiens boeken me zoveel moois gebracht hadden. Maar ik was te overdonderd door zijn aanwezigheid om daarbij stil te staan. Ik heb er nog altijd spijt van. Daarom haal ik sindsdien elk jaar op 30 maart, zijn verjaardag, het boekje tevoorschijn en lees er voor hem een gedicht uit voor. Dit jaar een van die andere dichter:

    Zoals ik eenmaal beminde,
    Zo minde er op aarde nooit een.
    Maar ‘k vond, tot wie ik mij wendde,
    Slechts harten van ijs en steen. 

    Toen stierf mijn geloof van vriendschap,
    Mijn hoop en mijn liefde verdween.
    En, zoals mijn hart toen haatte,
    Zo haatte er op aarde nooit een. 

    En sombere, bittere liedren
    Zijn aan mijn lippen ontgleên.
    Zo somber en bitter als ik zong,
    Zo zong er op aarde nooit een. 

    Verveeld heeft mij eindelijk dat haten,
    Dat eeuwig gezang en geween.
    Ik zweeg, en zoals ik nu zwijg,
    Zo zweeg er op aarde nooit een.

    Piet Paaltjens

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Dat meemaken

    Dat meemaken

    We waren jarig geweest, kregen van vrienden een kookboek, het Bouwkunde kookboek. Die avond verdween ik in het boek dat veel meer dan een kookboek, een herinneringsboek van veertig jaar Theater Bouwkunde was, een deel van mijn eigen herinneringen lagen er in besloten. In de jaren tachtig woonden we in de Deventer binnenstad, gewoon om de hoek van de Bouwkunde. ’s Avonds, als de kinderen in bed lagen, kon je er zo naar toe. Wat ga jij vanavond doen? Ik denk even naar de Bouwkunde. Daar was altijd wel iemand om plannen mee te maken, een groepje te vormen, bij uit te hangen. Maandelijks een literair café, waar Tessa de Loo over haar debuut Meisjes van de suikerwerkfabriek kwam praten. Willem Brakman, vertelde over zijn wandelingen, (daar denk ik nog wel eens aan), Hans Warren kwam er nadat zijn eerste dagboeken verschenen waren. Josepha Mendels was er in het jaar dat ze de Anna Bijns Prijs kreeg (ook daar denk ik nog wel een aan). A.F.Th. van der Heijden werd er geïnterviewd over de Tandeloze tijd. Ondertussen draaiden de katten om me heen, klagelijk mauwend, wacht even, zei ik.

    Toen we verhuisden kwamen we nog wel eens terug voor het Tuinfeest. In elke stadstuin rondom Bouwkunde een dichterspodium, muziek, driegangen maaltijd. Ik lees hoe het Tuinfeest ontstond, (durf en enthousiasme), over de dichters die er kwamen, sommigen jaarlijks terugkeerden. Hoe ontstellend veel dichters die tussen 1999 en 2019 optraden en er nu niet meer zijn. Waarmee dit gelijk een herdenkingsboek is. Lees de namen, Jean-Paul Franssen, Rogi Wieg, Erik Menkveld,  Menno Wigman, Gerrit Komrij, F. Starik, Ilse Starkenburg, Joost Zwagerman, Driek van Wissen, H.H. Ter Balkt, Jules Deelder, Wim Brands Tjebbe Hettinga, Simon Vinkenoog, Hans Verhagen. Bekijk de foto’s, zoek naar bekende gezichten, zie een geweldige culturele ontwikkeling. Dit boek markeert een afscheid, sinds 2020 is theater Bouwkunde opgegaan in theater Mimik aan de IJssel. ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.’

    Verschillende schrijvers en theatermensen die in Bouwkunde hebben opgetreden, schreven een herinnering voor dit boek. Huub van der Lubbe die in 2004 zijn debuut maakte op het Tuinfeest, zoekt naar het mooiste dat hem daar is overkomen. Was dat het moment toen hij het podium betrad, Jan Wolkers hem toeriep: ‘Zorg dat je profiel scherp afsteekt tegen het avondlicht’? Of het borrelen na afloop in de Bouwkunde,‘wat zich toen allemaal afspeelde, dat meemaken’. Daar schreef hij een gedicht over, stuurde het naar Heleen Boom en Pieter van de Pavoordt, geestelijk vader en moeder van de Bouwkunde. Het gedicht werd ingelijst. Hoe mooi was dat? Later wordt het gedicht uit de lijst ontvreemd. ‘Geweldig’, denkt hij, zegt: ‘Wie doet zoiets nou?’ ‘Nou’, zegt Heleen, ‘Gerrit en Charles waren hier gisteravond eten.’ Dat, schrijft Van der Lubbe, dat ‘was het allermooiste.’

    Het gedicht ‘De komeet die Komrij heet’, vertelt hoe Komrij, als iedereen al met wijn aan tafel zit, bij binnenkomt over de drempel struikelt. (…) ‘Toen plotsklaps iets de deur kwam door gestoven / Te snel om te bevatten wat het was // Een dolle stier? Misschien een bliksemschicht / Of een locomotief? Een triatleet? / Een kruisraket? Ach nee, het was een dichter / Twas een komeet die doorgaans Komrij heet’.

    Komrij struikelde voorover, ‘katapulteerde’ zichzelf, (…) ‘Ai, ongelukkige!’ slaakten er stemmen / Ik greep nog naar de pandjes van zijn jas / Maar onze dichter viel niet af te remmen (…) / Het waren zonnebloemen in een emmer / Op een manshoge sokkel neergezet / Die Gerrits noodgang goddank konden stremmen / En Neerlands poëzie hebben gered (…).’ Later, ‘Wat pips aan tafel, heel de zaak kletsnat’, zei Komrij ‘Zag je dat? Het is een kwestie van jezelf lanceren!’  Dit boek is een geweldige lofzang op cultuur, een schat aan herinneringen, verhalen, een kleine culturele geschiedenis.

    Nu eerst de katten eten geven, dan stort ik me op het bereiden van ‘Witte asperges met salade van oesterzwam, radijs en lamsoren, schubben van meiknol en een gepocheerd hoeve-eitje’. Al weet ik niet of ik dat hoeve-eitje in huis heb.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest tot het gaatje.

  • Meer ambacht dan kunst

    Meer ambacht dan kunst

    Het werk van Gerrit Komrij (1944-2012) wordt door verschillende bewonderaars, en natuurlijk door zijn uitgever De Bezige Bij levend gehouden. Die laatste partij verzorgde de uitgave van een dikke Alle gedichten, die bij de eerste partij zeker in goede aarde zal vallen. Voor wie geen onvoorwaardelijke fan is, zal Komrij’s verzamelde poëzie lezen waarschijnlijk even doorbijten zijn.

    In een aardig stuk op de site van het Literatuurmuseum over Komrij’s debuut Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968), wordt een onbedoeld hilarische recensie uit een protestants tijdschrift aangehaald. De recensent in kwestie was niet te spreken over het ‘wansmakelijk vocabularium’ en voegt daaraan toe: ‘Rijmende gedichten zijn het nota bene’. Even onbedoeld wordt perfect uitgelegd hoe Komrij’s eersteling functioneert: het contrast tussen een ‘lage’ en humoristische inhoud en de strakke vorm die je tot het ‘hoge’ kunt rekenen, of het conservatieve. Het vrije vers had immers al geruime tijd het vaste rijm en metrum verdrongen in de Nederlandse poëzie. Het spanningsveld – of de botsing – tussen het hoge en het lage is de motor van Komrij’s eerste bundel. Wat dat betreft is het overigens vreemd dat Onherstelbaar verbeterd (1981) ontbreekt  in Alle gedichten, wat zelfs niet vermeld wordt. In Onherstelbaar verbeterd parodieert Komrij de bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur (‘Er was veel rommel op de brug te zien. Ik zag onder de brug. Naar alle zijden / Leek zich de vuile troep daar te verspreiden.’). De parodieën en Komrij’s ‘serieuze’ poëzie delen de spot en het gebrek aan (vals) respect voor de ‘Hoge, Rijmende Poëzie’.

    In Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten staat ook het bekende ‘Een gedicht’, dat de latere bloemlezer Komrij, als enige eigen werk opnam in de Dikke Komrij. Het is een bescheiden actie, slechts één eigen gedicht opnemen, maar ondertussen is het ook een beginselverklaring. Per regel wordt op ironische wijze uitgelegd waar die voor dient:

    De eerste regel is om te beginnen.
    De tweede is de elfde van beneden.
    De derde is om wat terrein te winnen.
    De vierde moet weer rijmen op de tweede.  

    Dat gaat zo door, tot nummer twaalf: ‘De twaalfde is van niets de eindconclusie.’ De botsing tussen het hoge en lage zit erin, het schrijven over poëzie zelf (en daar niet al te serieus over te doen), de humor – én Komrij’s voorliefde voor gedichten met een clou of pointe. In ‘Het gedicht’ is die pointe een anticlimax, maar meestal eindigt de dichter met een formulering of beeld die net los lijkt te staan van de rest, zo van ‘even pauze en dan de uitsmijter’.

    Na een paar bundels heeft Komrij zijn stijl wel gevonden. De ironie en de humor zijn gebleven, het rijm en metrum ook, en hij begint steeds vaker sonnetten te schrijven. Ook doen de beelden in zijn poëzie rond Fabeldieren (1975) sterker denken aan de Franse surrealisten dan aan de neoromantiek waarmee de vroegste bundels van de dichter werden geassocieerd, zoals in ‘Wachtkamers’:

    Bevroren zijn de koppen chocola.
    We zitten kleumend in de oude schuur
    En kijken door het raam de mensen na
    Die luidkeels rennen, een kolom van vuur
    Wacht op ze in de verte. Ook de vellen
    Zijn hard. We horen aan de einder kreten.
    O, die zijn eenvoudig niet te tellen.
    De schreeuwen. En we zien de hete

    Vuurzuil vrouwen, jongens, mannen,
    Schrokkend, ziedend, meesterlijk omarmen
    Als een kruisvaarder de muzelmannen.
    Wij starogen, o ja! Het wordt al warmer.

    Vanaf ongeveer Fabeldieren stagneert Komrij’s ontwikkeling: deze dichter is en blijft hij, nog bijna vier decennia lang. Zijn verzamelde gedichten leiden dan ook onder een bekend euvel van dergelijke uitgaven, zeker als ze over de achthonderd pagina’s aan poëzie beslaan: het is vooral veel van hetzelfde. De voorliefde voor pointes bijvoorbeeld wordt na een tijdje vermoeiend – begin aan een gedicht en je weet dat er een of twee regels gaan volgen die als uitsmijter functioneren. Het boek (dat helaas geen leeslintje heeft) werkt goed als je het af en toe uit de kast pakt en een van de opgenomen bundels leest, maar blijven doorlezen doet de gedichten niet bepaald goed. Echt grote onderlinge verschillen tussen de bundels vanaf Fabeldieren zijn er niet. Pak bijvoorbeeld eens ‘Boemerang’ erbij, uit de postuum verschenen laatste bundel Boemerang en andere gedichten (2012; opvallend genoeg lijkt de ondertitel een knipoog naar Komrij’s debuut, wellicht om de cirkel rond te maken). Het had gemakkelijk in Fabeldieren of een van de andere voorgaande bundels kunnen staan:

    Hij is bewusteloos. Vrouw Niets ontwaakt.
    Het niets versmelt zich met de sprookjesprins
    En wordt ook door begeerte aangeraakt.
    Nu, niet verliefd, maar toch wel enigszins.

    Het niets komt uit de slaap en de begeerte
    Uit niets. Verschrikkelijk zijn deze drie.
    De zon is dof, de wereld omgekeerd,
    Er zit een haarscheur in de harmonie.

    De jeugd wordt nagezeten door demonen,
    De ouderdom wiegt zich in zoet gezang,
    De builenpest bezoekt de godenzonen
    En liefde staat gelijk aan levenslang.

    Er zijn discussies over of poëzie een kunst of een ambacht is. Goede poëzie is beide, maar bij Komrij schiet de balans erg door richting het ambachtelijke. Hij plukt vrolijk uit tradities, leent bekende symbolen als maskers en mythologische dieren om in zijn eigen werk in te zetten, beheerst zijn vaste vormen, en door die combinatie van factoren voelt een aanzienlijk deel van Alle gedichten aan als maakwerk. Na een tijdje lezen weet je wat je van zijn gedichten kunt verwachten, die verwachtingen worden vervolgens waargemaakt, maar het beetje extra – de vonk – zit in te weinig gedichten.

     

     

  • Vergeten document toont het begin van een schrijverschap

    Vergeten document toont het begin van een schrijverschap

    De naam Gerrit Komrij (1944-2012) roept misschien niet zozeer de romanschrijver en dichter in herinnering als wel de bloemlezer en (tv)criticus. Als gezaghebbend recensent kon hij carrières maken en verwoesten. Zijn vermaarde, vaak herdrukte De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in duizend en enige gedichten bepaalde onomstotelijk wie er wel en er niet toe deed in onze drukbeoefende dichtkunst. En wanneer hij zelf op de buis was om zijn kritisch zegje te doen hing heel Nederland aan zijn lippen.

    Komrij was geboren in de Achterhoek en ging medio jaren zestig in Amsterdam letteren studeren. Al gauw zei hij de universiteit vaarwel omdat de studie niet aansloot bij zijn ambitie om schrijver te worden. Ook de stad viel tegen en bood ondanks de aanstaande revolutie rond Provo niet de vrijheid die hij als homoseksueel en kunstenaar zocht.
    Hij vertrok naar Kreta dat in de jaren zestig na Ibiza het eiland van het grootse en meeslepend leven was geworden, het eiland van te vervullen dromen. Het wegglippen uit Amsterdam betekende niet dat hij voorgoed zijn schepen achter zich verbrandde. Na een jaar was hij weer terug terwijl de verten bleven lonken. Tenslotte vestigde hij zich, in 1984, met partner Charles Hofman in Portugal.

    Met één been, steviger en prominenter dan wie ook in onze letteren, bleef hij in zijn land van herkomst geankerd. Met argusogen volgde hij het reilen en zeilen in de kleine natie aan de Noordzee. Hilarisch en messcherp nam hij volksaard en culturele voortbrengselen op de hak in een onnavolgbare taal. Hij striemde erop los, vernietigender dan Du Perron, W.F. Hermans en Jeroen Brouwers, de ongenadige scherprechters met wie hij tot de ‘grote vier’ van de (literaire) kritiek kan worden gerekend. Vermakelijk zijn Komrij’s kritieken alleszins (gebundeld in onder andere Averechts), althans voor hen die menen dat de zweepslagen niet voor hun rug bedoeld zijn.

    In de Griekse episode (juni 1965 – juni 1966) ontstond de roman De lange oren van Midas, een zeer particulier aandoend werk waarin zelfs zijn vrienden uit die tijd met naam en toenaam genoemd worden. Door Arie Pos, de biograaf van Komrij, zijn behalve deze roman de nauwgezet bijgehouden dagboekbladen uit de Griekse tijd samengebracht in een bundel met dezelfde titel als de roman plus de toepasselijke ondertitel ‘Het begin van een schrijverschap’.
    Die verzamelde geschriften getuigen van grote literaire ambitie en de strijd van een buitenbeentje om een plaats in de samenleving. Komrij wilde volstrekt zichzelf zijn en voor zijn part in de ogen van anderen zonderling door het leven gaan. Beter misschien om te zeggen dat hij het exclusief bestaan begeerde dat hij later ook inderdaad leidde door letterlijk en figuurlijk afstand van Nederland te nemen en van daar heersende onoprechte opinies.

    Dat Komrij als literator net zo eigenzinnig in het leven stond dan als homoseksueel laat Gert Hekma zien in een stuk in deze editie van De Parelduiker. Ongeveer tegelijk met De lange oren van Midas is deze special over Komrij verschenen. Op het omslag een geslaagde karikatuur van zijn recente ponem.

    De essays in dit dikke nummer belichten de ‘gerijpte’ Komrij en bieden zo een aanvulling op het door Pos bezorgde boek. In enkele bijdragen wordt de ‘onaantastbare’ Komrij zoals velen hem zich vooral als bloemlezer en vertaler herinneren, getoond als zélf mikpunt van felle kritiek. Ook regelrechte tegenslagen heeft Komrij gekend zoals het stuklopen van zijn aspiraties als toneelschrijver. Een flemende hommage presenteert het Parelduiker-nummer gelukkig niet.

    Er zijn artikelen in opgenomen over Komrij’s binding met Zuid-Afrika, met name over de door hem beheerde literaire nalatenschap van Ingrid Jonker en de minder bekende maar in het land van herkomst verguisde bloemlezing Afrikaanse poëzie in 1000 en enige verzen. Daarnaast worden vele tot nog toe onderbelicht gebleven perioden behandeld zoals in de memoires van Komrij’s vroege uitgever C.J. Aarts en in een essay van Feline Streekstra over de eigengereide invulling die Komrij aan zijn functie van (eerste) Dichter des Vaderlands gaf.

    Het laatste woord in De Parelduiker is aan Arie Pos. Hij gaat in op de passie van zijn held voor tekstverwerking per computer. In zijn inleiding op Komrij’s roman en dagboek over het cruciale jaar 1965 -1966 waarin zijn ‘held’ op Kreta verbleef, belicht Pos uitvoerig en boeiend de dagen van de jonge, ambitieuze avonturier. Eigenlijk moet ‘Het begin van een schrijverschap’ als de hoofdtitel van de bijna 300 bladzijden van en over Komrij worden beschouwd. De niet eerder gepubliceerde roman en de dagboeknotities bieden immers een blauwdruk van de latere, volgroeide dichter, schrijver en criticus.

    In het romanfragment ‘Hercules’ uit 2004 dat het boek afsluit, blikt Komrij terug op de Griekse tijd als onvergetelijk, als een alles bepalende ervaring. Is de door Pos verkorte ‘debuutroman’ een vingeroefening waarin de gerijpte Komrij soms hoorbaar is, ‘Hercules’ zet hem ten volle neer als stilist en als de romancier die afstand neemt van zijn biografie en juist zó indringend over zichzelf schrijft.

    De volgende Kreta-passage zou evengoed veel later geschreven kunnen zijn. Toen al schemerde, de uit duizenden te herkennen stijl door: ‘Gisterenavond toen ik mijn werk aan kant had dacht ik opeens dat ik in Holland terug was, zo pips & schraaltjes & snotterig voelde ik me: een goede burgerpot stond op tafel. Ik moest er een boel van eten & met een houten klaas zou ik gaan sjoelen op de sjoelbak, als ik genoeg gezeten had & niet bleek van het hondje gebeten te zijn.’

    Met De lange oren van Midas of beter ‘Het begin van een schrijverschap’ heeft Pos van de te verwachten biografie een stevig voorproefje gegeven in een inleiding over de Komrij-in-een-notendop en in keuze en regie van diens ‘vergeten’ egogeschriften. En de Komrij-special biedt een veelkantig beeld van de figuur die beslist nog lang niet in het mausoleum van de Nederlandse letteren zal worden bijgezet.

     

     

  • Oogst week 24

    De lange oren van Midas

    De oogst van deze week; een vergeten debuut van een gelauwerd schrijver; een roman van een Braziliaanse schrijfster die in hetzelfde jaar van verschijnen (2017), in vele landen vertaald werd en het debuut van een dichter die schipperde tussen een pseudoniem en een heteroniem maar nu, na twintig jaar, zichzelf is.

    Op 5 juli is het vijf jaar geleden dat Gerrit Komrij overleed. De Parelduiker bracht al een speciaal Komrij nummer uit als eerbetoon. Met Verwoest Arcadië debuteerde Komrij als romanschrijver maar – naar onlangs bleek – schreef hij op 21-jarige leeftijd in zijn Griekenland tijd op het eiland Kreta zijn debuutroman. De lange oren van Midas wordt nu als het begin van zijn schrijverschap gezien. Het typoscript lag decennia lang op zolder te verstoffen en werd daar door Komrij zelf weg gehaald met de gedachte het te zullen vernietigen. Het herlezen ervan en van zijn Kreta dagboeken, deden hem anders beslissen. Komrij’s biograaf Arie Pos, vond de dagboeknotities en brieven en bezorgde daarmee deze eerste uitgave van De lange oren van Midas, een reconstructie van Komrij’s Kreta-avontuur.

    De lange oren van Midas
    Auteur: Gerrit Komrij
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Heimwee

    Luiza Sauma is een jonge auteur, geboren in Rio de Janeiro en opgegroeid in Londen. Flesh and Bone and Water, (Heimwee), is haar debuutroman. Een roman over identiteit, familiebanden en leven met herinneringen. Het speelt in Ipanema, Brazilië, in de zomer van 1985 wanneer de zestienjarige André Cabral zijn moeder verliest bij een auto-ongeluk. Het verdriet om haar is intens. Troost vindt hij bij de inwonende hulp en haar dochter Luana, met wie hij is opgegroeid, en ze worden verliefd. Dan, dertig jaar later: André woont in Londen en ontvangt een brief van Luana. Waarna zich de dingen in beweging zetten die tot een goed verhaal leiden. En dat verhaal begint zo: “André,
    Een paar weken geleden heb ik je voor het eerst online opgezocht. Je was niet moeilijk te vinden. Er zijn op de wereld heel veel André Cabrals, maar in Londres is er maar eentje. Ik heb een foto van je gezien. Je ziet er nog hetzelfde uit – alleen oud. Ik ben ook oud, helaas. Ik heb je werkadres en je e-mail gevonden, maar dat leek me na al die jaren niet de juiste weg – e-mail gaat te snel. Daarom schrijf ik je een brief.”

    Een boek waarin brieven geschreven worden, dat schept romantische verwachtingen.

     

    Heimwee
    Auteur: Luize Sauma
    Uitgeverij: Ambo/Anthos Uitgevers

    De wereld onleesbaar

    Twintig jaar lang  dichtte Jeroen van Kan in de schaduw van Wesley Albstmeyer, prachtig pseudoniem overigens, en publiceerde in die hoedanigheid in Dietsche Warande & Belfort en Het Liegend Konijn. In Tros Nieuwsshow, waar Van Kan vorige week te gast was, vertelde dat hij als reactie op zijn gedichten – die hij had opgestuurd naar een uitgever – het antwoord kreeg: ‘U bent de zoveelste die met uw hoofd op tv komt en die denkt dat ie kan dichten.’ Ja, dan is het beter een pseudoniem in de arm te nemen dat beschutting biedt tegen uitgevers die hoofd en werk niet van elkaar kunnen scheiden. De bundel bevat voor de helft werk van Albstmeyer en de andere helft is nieuw werk van Jeroen van Kan (‘zelf’, zou ik er bijna achter schrijven). Het maakt in ieder geval nieuwsgierig naar enig onderscheid in de gedichten die door Albstmeyer geschreven zijn en onder Van Kans eigen naam. Albstmeyer had zelfs een eigen Facebook pagina en was jonger dan Van Kan. Hier was haast sprake van een heteroniem, zoals we die bij Pessoa kennen. En dat is waarschijnlijk terug te zien in de bundel.

     

    De wereld onleesbaar
    Auteur: Jeroen van Kan
    Uitgeverij: Querido
  • Grensverleggende poëzie en poëtica

    Grensverleggende poëzie en poëtica

    Literatuur op internet, essayist Hans Groenewegen – die er beslist geen tegenstander van was – noemde het verschijnsel een onderwereld, zo meldt Samuel Vriezen in zijn inleiding van Netwerk in eclips. De titel van zijn boek benoemt die literaire wereld eveneens als een onofficiële, als een die ondanks de interesse van talloze lezers (ver)duister(d) is. Er kleeft iets inferieurs aan literatuur op internet doordat iedereen er zijn zegje kan doen en serieus wordt genomen. Dat er geen poortwachters zijn in de gedaante van een redactie is wel het opvallendste verschil met de werkwijze bij vertrouwde media als tijdschriften en kranten. Geen reden om het fenomeen te kleineren. Integendeel, elke zons- of maansverduistering is het waard om in de gaten te worden gehouden.

    Internet poëtica
    Het blog Vriezen vindt (2006-2013) – waar Netwerk in eclips de neerslag van vormt – bevat maar liefst 120.000 woorden aan ‘posts’ en 100.000 aan reacties. Ook slibden er creatieve teksten aan waarmee de site een publicatiemogelijkheid bood voor poëzie die zelden of nooit in literaire bladen als Tirade of Hollands Maandblad worden aangetroffen. Poëzie die in de weidse beslotenheid van het internet geboren is en die zich daarvan zelfs bedruipt. Zo kan een gedicht uit een mengsel bestaan van op Google geplukte woorden of fragmenten.

    Volgens Vriezen zijn discussiërende bloggers – over bij voorbeeld de invloed van poëzie op de samenleving – zich bewust van hun activiteit als een alternatief platform voor traditionele media. Contact met die media is binnen de cultuur van posten en reageren op internet niet aan de orde. Wel hoopt men dat vroeg of laat een internet poëtica tot de bovengrondse doordringt en er wortel schiet. De kans daarop is altijd erg klein geweest volgens Vriezen. De interactie die de blogsites uniek maakte was tegelijk een zwakte: ‘de overmatige directheid’ van de mening liet geen ‘denktijd’ en werkte ‘verstikkend’. Een doortimmerde poëtica zoals in literaire tijdschriften werd dan ook niet gegenereerd op bekende sites zoals die van Jeroen Mettes (Poëzienotities) en van Chrétien Breukers (De Contrabas). Maar ook niet op sites waar een eenling victorie kraaide of kraait. Bij Lucifer in het hooi van Gerrit Komrij of bij ene A.IJ. van de Bergh die al vele jaren een ‘boeklog’ als een ‘eigen plaats’ in de lucht houdt.

    Poëzie als tekstkunst
    De essays die Vriezen in Netwerk in eclips bijeengebracht heeft, zijn ontstegen aan de vluchtige  internetcultuur. De posts zijn na intensief bewerken en opschonen een boek geworden en in het volle licht getreden. Het gevolgde traject voor Netwerk in eclips heeft zelfs geleid tot een internetpoëtica. “Ongetwijfeld, stelt Vriezen vast, ís er wel iets buiten tekst, netwerk, internet, alleen kan de wereld van tekst, netwerk, internet er zelf geen verbinding mee leggen. […] We mogen aannemen dat iets als ‘de werkelijkheid’ sporen trekt door de tekst (of door het netwerk). Maar het weefsel heeft alleen toegang tot wat er direct mee verbonden is.”
    In Vriezens beschouwingen draait het om ‘taal als complex van bemiddelende zones’ zoals woorden en zinnen niet alleen maar ook liedjes, boeken, kranten, flarden, kreten zijn. Dat alles is met elkaar verweven. De vorm en ‘de werkelijkheid waarover ze gaan zijn limieten van dit weefsel’. Taal is ‘zelf een medium voor verbinding, en poëzie als tekstkunst is een kunst van het verbinden. Deze taalopvatting kun je een internetpoëtica noemen.’

    Poëzie als beïnvloedend medium
    De posts zijn essays geworden en losgeweekt van de verlammende interactie. Veel van de stukken gaan over vrienden, in enkele stukken komen vrienden aan het woord, weer andere zijn geschreven als antwoord op vrienden. Onduidelijk blijft welke invloed die reacties op de uiteindelijke versie van de essays hebben uitgeoefend. De kiemcel – zo blijft niet in de mist – vinden de essays in de tussenkomst van Vriezen in een discussie die volgens hem al zo vaak gevoerd was in literaire kringen en zelden iets had opgeleverd. Het debat namelijk over de keuze tussen poëzie als ‘vrijblijvend spel’ of als een op de samenleving ingrijpend medium.

    Voorbij vorm versus inhoud
    Al in zijn eerste blog propageerde Vriezen vorm en inhoud als onafscheidbaar. Daarop voortbordurend in de zeven jaar dat hij met zijn site actief was, ontwikkelde hij een internet poëtica die voorbij was aan de aloude opvatting van vorm versus inhoud.
    De creatieve teksten in Netwerk in eclips van Vriezen zelf en van andere internet-dichters zijn in de jas gestoken van wat het meest nog herinnert aan de ‘readymade’. Dit is uiteraard geen terugkeer naar een vertrouwd procedé. Zelfs als er Roland Holst-achtige taal klinkt omarmt de dichter niet de traditie maar breekt hij ermee.

    Vriezen neemt zijn lezers bij de hand en informeert over de inhoud van de vorm en de vorm van de inhoud. In het commentaar laat hij vaak zijn muzikale onderlegdheid meespreken. Misschien had hij in zijn essays die ook andere kunstdisciplines – zoals fotografie – tot onderwerp hebben, de internet poëtica van de dichtkunst meer reliëf kunnen geven door haar te confronteren met de kritische principes van de postmodernen en hun voorgangers. Het laat zich waarschijnlijk makkelijk raden wat Vriezen van de vorm of vent-discussie vindt die in het tijdschrift Forum (1931-1935) en nog lang daarna is gevoerd. Hoe dan ook Netwerk in eclips is een boek dat er zijn mag en volop in de schijnwerpers van de ‘bovenwereld’ kan staan.

     

     

     

  • Gerrit Komrij

    Gerrit Komrij

    Gerrit Komrij was een graag geziene gast in de winkel in de Hartenstraat. Al vrij snel na de opening van JOOT in de 9 straatjes kwam Komrij binnenlopen. Als hij in Nederland verbleef, overnachtte hij in het Pulitzer Hotel aan de Prinsengracht, zo ongeveer om de hoek.

    Sommige bekende, beroemde en gelauwerde schrijvers brachten in hun aanwezigheid nogal eens gebakken lucht en opgepompte praatjes mee naar binnen. Ondanks onze bewondering die we voor hun schrijven hadden (en hebben) en de licht idolate vreugde vanwege hun binnenkomst, ontstond toch wel eens een zeker gevoel van afkeer. Het feit dat je een grote jongen of  mooi meisje in het land der letteren bent, hoeft nog niet uit te monden in een arrogante, neerbuigende houding richting de letterknechtjes zoals wij, de boekenverkopers. Helaas was dat wel eens het geval. En nog verdrietiger vond ik het als je als lezer en boekkoper eenzelfde dedain ten deel viel als je een boekhandel binnenstapte. Vooral bij Athenaeum op ’t Spui kreeg ik dat gevoel geregeld. Er zal wel iets met mij zijn, dacht ik vaak, na een bezoekje aan deze Apollinische tempel, zo leek het dan. Vooral vooraan bij de kassa, met de Nederlandse literatuur en de nieuwe aanwinsten, voelde het aan als vijandig gebied. Snel fietste ik er dan, vaker zonder een boek, weer vandaan.

    Deze omweg moest ik maken om weer bij Gerrit Komrij uit te komen. Want bij Komrij was helemaal niets van dit alles te bespeuren. Als hij de winkel binnenstapte deed hij dat of heel stilletjes – snel door naar de antiquarische bandjes  – of heel guitig lachend met een hartelijke begroeting. Dan vertelde hij even snel waarom hij nu weer in dit landje moest zijn – een nieuwe roman, of een tv-uitzending – en dan, hup, door naar de boeken. De ene keer kon hij maar kort een blik werpen, een ander moment bleef hij wel uren zitten, of bij de dichtbundels of bij de antiquarische uitgaves. Het ging hem vaak om de verrassing, het plotselinge opduiken van een titel of een boek dat zijn aandacht trok en zijn interesse kreeg. Iets wat hij nog niet kende. En die verwondering, daar was hij heel genereus in, zo blijkt ook wel uit de enorme boekenverzameling die hij in zijn huis in Portugal had staan. Geregeld kregen we ook een email met een bestelling van Komrij uit Vila Pouca da Beira, zijn Portugese standplaats met de kreet: Graag opsturen weer! En dat van de eerste Dichter des Vaderlands. En de schrijver die met Verwoest Arcadië (1980) een van de mooiste delen uit de reeks Privé-domein schreef. Op weg naar de deur was het vaak, tas met boeken in de hand, met die uniek-lijzige stem: ‘Dag jongens, tot ziens weer’. En jongens waren we weer even.

     

     

  • Het beslissende moment

     

    In de inleiding op een keuze uit zijn gedichten (Alles onecht, 1984) schreef Gerrit Komrij over het moment dat hij wandelend, negentien jaar oud, een dichter werd op de Jachthuisweg. ‘In een handomdraai was het gebeurd. (…) Ik kreeg er niets bij, ik werd er niet rijker of vollediger door – het licht ging aan in een kamer, meer niet. De kamer zelf was er al.’ Nu ga ik niet beweren dat ik op een bepaald moment een schrijver of dichter ben geworden, maar bij het lezen van Komrij’s woorden dacht ik wel gelijk terug aan twee momenten die voor mij – achteraf – van beslissende invloed bleken.

    Op mijn zestiende, anno 1988, treinde ik met een vriendje door Nederland. We waren op Tienertour.  Vier bestemmingen in 10 dagen, geloof ik. Voor het eerst in mijn leven alleen op pad. Ik kan me onder andere een camping in Limburg herinneren waar we een paar dagen verbleven. Tukkers hadden een metershoge muur van bierkratten gebouwd die voor mijn gevoel het zinderende zonlicht weg hield van ons tentje. Het was een van mijn eerste alcoholische en delirische ervaringen. Maar ik werd geen alcoholist. Een andere bestemming van de Nedertrip was Rotterdam, en wel het museum Boijmans Van Beuningen. Vraag me niet waarom we daarheen gingen, misschien stond het gewoon in een begeleidend boekje van de NS. Maar de treinreis naar deze havenstad pakte uit als een beslissend moment in mijn leven. We liepen het museum in, het was mogelijk zelfs de eerste keer dat ik een museum betrad, en ‘Páng’ (Komrij): voor mij zag ik een levensgroot triptiek van de Spaanse verfalchimist Salvador Dalí. Een leeg, groots, panoramisch woestijnlandschap met een touwspringend meisje. De leegte van het doek knalde me tegemoet. Ik was verkocht aan de schilderkunst en de wereld die erdoor werd opgeroepen.

    Met boeken had ik zo’n moment toen ik, net student aan de Universiteit van Amsterdam, antiquariaat Book Traffic aan de Leliegracht binnenliep, er langs de boekenkasten struinde en mijn eerste boeken kocht. Daarna kwam ik er meerdere keren per maand. De Amerikaanse eigenaar Herb, legde steeds een paar boeken van net verschenen Nederlandse romans voor me klaar. Het was in de jaren negentig, de tijd van Ronald Giphart, Herman Brusselmans, Serge van Duijnhoven, het tijdschrift Zoetermeer en de Generatie Nix. Een neo-post-punk-gevoel dat een leven buiten de conformistische kaders voorstond. M’n kritische blik op de wereld werd geboren.

    Misschien heb jij ook wel eens zo’n ervaring gehad waardoor je leven een bepaalde richting is opgegaan? Ben benieuwd naar jouw beslissende ervaring. Laat het me weten via redactie@literairnederland.nl.  Ik kom er vast nog eens op terug.

    JOOT.NL

     

  • Oeuvre van Komrij weerspiegeld in aforismen

    Oeuvre van Komrij weerspiegeld in aforismen

    Gerd de Ley, de Belgische bloemlezer zocht al in de jaren 80 contact met Komrij om hem een aantal aforismen te ontfutselen. Het kwam tot een boekje in 1986, In de geest van de gieter. Het boekje werd verramsjt en Komrij en De Ley spraken af dat ze de exercitie opnieuw zouden doen. De Ley was/is specialist in aforismenboeken en bloemlezingen. Komrij: ‘Gerd de Ley selecteert aforismen uit alles en iedereen. Je moet je in een bunker met mortiergranaten ingraven om niet door Gerd de Ley geplunderd te worden.’ Onlangs verscheen van De Ley een boekje over Carmiggelt in de Prominent-reeks.

    Leverde dat leuke tekstjes op? De titel: Tien woorden per dag, verwijst naar een uitspraak van Komrij. Hij vond dat de mens in feite aan tien woorden per dag genoeg had, mits trefzeker neergezet. Hij had het over wijsneuzigheden, die op latere leeftijd aforismen zouden kunnen worden.

    Er staan een aantal vlijmscherpe aforismen in:

    ‘Politiek. De tak van criminaliteit waarin de dader vrijuit gaat.’

    ‘Wie niets te zeggen heeft en dat voor de televisie doet, is meteen cabaretier.’

    ‘Je moet in Nederland ook nooit laten blijken dat je ergens verstand van hebt, dan word je niet meer gelezen.’

    ‘Het probleem van het antwoord is de vraag.’

    En er is veel meer scherpzinnigs te lezen in dit boekje. Maar ook veel light verse in de trant van:

    ‘Stotteren is: zingen vertaald in ’t Hollands.’    of:

    ‘Ik houd niet van intelligente mensen. Ze zijn te intelligent.’

    Maar uiteindelijk is het is een boek om af en toe ter hand te nemen en er dan wat teksten uit op te diepen om ze op je in te laten werken. Of om er ongegeneerd uit te citeren in toespraken. Of de uitspraken te citeren op feesten en partijen. Dat is nog eens wat anders dan de teksten te debiteren van de meest geciteerde filosoof van Nederland: Johan Cruijff.

    Even iets over Komrij vertellen is niet eenvoudig. Ik schets een klein gedeelte van zijn werkzaamheden.

    Gerrit Komrij (1944-2012) was een van de meest markante verschijningen in het naoorlogse literaire wereldje in Nederland. Dat veroorzaakte hij vooral door zijn houding.

    Hij geselde zijn gehoor met vlijmscherpe teksten en joeg hele bevolkingsgroepen tegen zich in het harnas. Hij voerde een eenmansguerilla tegen de scientologykerk in Amsterdam. Daarnaast won hij een groot aantal literaire prijzen zoals de P.C. Hooftprijs, publiceerde gedichten, romans, toneel en essays en eenmaal had hij zelfs een eigen talkshow bij de VPRO. ‘Satirisch praatprogramma met publiek waarin Gerrit Komrij als Mies Bouwman door anderen vertolkte televisiepersoonlijkheden ontvangt en hen onverbloemd de waarheid zegt over hun aandeel in het aanbod van televisieprogramma’s.’ Hij noemde televisie de treurbuis. En schreef kritieken op de televisieprogramma’s in de NRC. Zijn knorrende nasale stem maakte hem  een markante verschijning en hij bezocht in Amsterdam etablissementen als Welling, achter het Concertgebouw en De Kring. Altijd in gezelschap van zijn vriend, steun en toeverlaat Charles Hofman. Met Amsterdam had hij een haat/liefdeverhouding. Zo kunnen we in de essays uit 1991 gebundeld in Het Boze oog lezen:

    ‘Nu de architectuur, na een korte en geduldig gedragen doodsstrijd, haar laatste snik heeft uitgeblazen is zij het onvervreemdbaar eigendom geworden van de al evenmin op aanwezigheid van geest gestelde gieren van de sociologie. Voor de sociologen is de architectuur een rijk en dankbaar lijkenveld.’ Gevolgd door een vlijmscherpe aanklacht tegen de zielloze nieuwbouw in Amsterdam en vooral tegen de architecten, die daarvan de schuld dragen.

    In 1984 verhuisde Komrij naar Portugal. Hij vestigde zich in Alvites. Later bewoonde hij een statig huis in de heuvels: Vila Porca de Beira.

    Hij volgde Viktor van Vriesland op als een soort gedichtenpaus. Die rol bestond uit het samenstellen van een bloemlezing van gedichten getiteld: De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en meer gedichten. De vuistdikke bloemlezing lag nog niet in de boekhandel of ook daar barstte weer een rel los. Veel dichters voelden zich beledigd omdat hun verzen niet in de bloemlezing stonden en anderen protesteerden weer omdat sommige verzen er wel in stonden, terwijl die gedichten in hun ogen weer ondermaats zouden zijn.

    In 2000 werd Komrij de eerste Dichter des Vaderlands. Een replica van de Engelse Poete Laureate, de titel die daar al sinds de middeleeuwen bestaat.

    Niet verwonderlijk dat De Ley deze excentrieke, bijna onnederlandse satiricus op zo’n rijke manier voor het voetlicht wist te brengen. De aforismen zijn gegroepeerd onder diverse rubrieken zoals:

    Komrij, definities, Nederlanders, politiek, televisie, computer, literatuur en nog veel meer. Een rijk beeld van een stormachtige man. Vreemd genoeg merk je dat het hele oeuvre van Komrij zich weerspiegelt in deze aforismen. Dat is een prestatie.