• Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.

    Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.

    Mijn Parijs

    Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’

    Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.

    Die vervloekte literatuur

    Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.

    Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.

    Fata morgana

    De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.

    En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’

     

     

  • Fotosynthese 30 – Twee kisten

    Fotosynthese 30 – Twee kisten

     

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Vier rouwboeketten en ruim veertig belangstellenden, is dat veel of weinig? Ik heb me wel eens afgevraagd hoeveel mensen er bij mijn eigen begrafenis zullen komen opdagen. Vermoedelijk hangt dat af van de leeftijd waarop een mens ‘gaat’, zoals dat met een curieuze uitdrukking heet. Als je jong sterft, is de rouw massaal. Wie halverwege het leven doodgaat, mag ook nog op substantiële belangstelling rekenen. En voor wie ‘op zijn tijd’ overlijdt, zijn die vier rouwboeketten en veertig man publiek waarschijnlijk een alleszins redelijke score. In het land waar deze foto werd genomen was op dat moment de gemiddelde levensverwachting voor wie de volwassenheid had bereikt, ongeveer vijfenveertig jaar.

    ‘Veertig man publiek’, zei ik, want het springt direct in het oog dat er op deze begrafenis maar één vrouw te bekennen valt. Vele jaren terug was zij de inwonende huishoudster van de overledene, en kennelijk is zij haar werkgever niet vergeten. Voor het overige zijn het allemaal mannen, merendeels beter aan te duiden als ‘heren’, in pak en met stropdas, hun hoed respectvol in de hand en een uitdrukkingsloze blik op hun gezicht. Kleine kinderen zijn er ook niet. De overledene kon prima met kinderen overweg, maar hij bleef zijn leven lang ongetrouwd en had ze voor zover bekend zelf niet. Men veronderstelt zelfs dat hij bij zijn dood op zevenenveertigjarige leeftijd nog maagd was, maar dat zijn van die gegevens in een mensenleven die een biograaf nooit met honderd procent zekerheid kan verifiëren.

    Het is de dichter Fernando Pessoa die hier in zijn kist ligt, en de foto werd genomen op maandag 2 december 1935, twee dagen na zijn overlijden in het Franse Hôpital Saint Louis in Lissabon. Het gebouw op de achtergrond is vermoedelijk de kapel op de Cemitério de Prazeres, de negentiende-eeuwse begraafplaats van de Portugese hoofdstad. Voor kenners van de Portugese literatuurgeschiedenis vallen tussen de op deze foto vereeuwigde heren ongetwijfeld wel gezichten te identificeren van in de jaren ’20 en ’30 bekende tijdschriftredacteuren, plus een paar dichters en literaire journalisten. Naast enkele familieleden zien we verder diverse bazen van de handelsfirma’s waarvoor Pessoa als vertaler en correspondent werkte.

    Wie er ook tussen staat is zijn kapper, Manassés Seixas, die de dichter daags voor zijn overlijden nog had geschoren; bij hem thuis, zoals hun gewoonte was. In later jaren zou Manassés nog vaak geïnterviewd worden als ‘de barbier van Pessoa’. Op grond van hun vroegere affiniteit en hun vertrouwelijke omgang had hij van zeer dichtbij een unieke, bijna intieme kijk gehad op de man die na zijn dood zou uitgroeien tot de belangrijkste modernistische dichter van Portugal. Op deze ochtend heeft hij zijn kapperszaak speciaal gesloten om de uitvaart van zijn favoriete klant te kunnen bijwonen.

    Het ‘pièce de milieu’ op de foto is natuurlijk de kist op de eenvoudige, ietwat boertige draagkar. Het stoffelijk overschot zal onvermijdelijk zware sporen hebben gedragen van een door en door ongezonde levensstijl. Volgens zijn beste biograaf, de Engelse vertaler en criticus Richard Zenith, is Pessoa overleden aan een ileus, dat wil zeggen: een verstoring van de passage van voedsel door het darmstelsel. Als dat zo is, dan mag het een wonder heten dat de doodsoorzaak uiteindelijk niet levercirrose is geweest, zozeer had de dichter door zijn zware dagelijkse alcoholconsumptie dat vitale orgaan jarenlang op de proef gesteld.

    Vanaf zijn vroege jeugd, die hij deels in het Zuid-Afrikaanse Durban doorbracht, tot een dag voor zijn overlijden, had Pessoa de gewoonte om op losse velletjes papier, op de achterkant van rekeningen of enveloppen, in schriften en op briefpapier van de firma’s waarvoor hij werkte dichtregels te schrijven, aanzetten tot nieuw werk of losse ingevingen. Hij deed dat overdag en vooral ook ’s nachts, minstens zo compulsief als zijn alcoholinname, en de veelheid van persoonlijkheden (‘heteroniemen’) die hij daartoe in zichzelf opriep, verleent zijn productiviteit als dichter de proporties van een onbeheersbare epidemie. Die decennialange, obsessieve schrijfdrift onder ruim honderd schrijversnamen resulteerde bij zijn dood in een nagelaten kist vol met snippers, vellen, brieven, dagboekbladen, schriften en enveloppen. Men schat – een precieze telling schijnt door de veelheid niet mogelijk te zijn – dat het bij elkaar om meer dan 30.000 individuele manuscripten gaat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sinds 1935, met het groeien van Pessoa’s postume dichterlijke roem in en buiten Portugal, de opeenvolgende uitgaven van zijn verzamelde werken als een cascade van steeds grondiger inventarisatiepogingen over elkaar heen gebuiteld zijn.

    Daarmee kreeg die nagelaten manuscriptenkist in zijn onuitputtelijkheid een bijna mythische status, zeker in het licht van het feit dat Pessoa bij zijn leven slechts één kleine dichtbundel had gepubliceerd. In feite is deze dichter zijn hele solitaire leven lang bezig geweest om een kist te vullen, die op een dag de plaats zou innemen van de kist waarin zijn fysieke lichaam op deze foto uitgeleide wordt gedaan.

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste boek, De meteoriet en het middagdutje (2021), een bundeling van vijftig fotosyntheses, verscheen bij Uitgeverij Boom.

     

     

    Foto: Sascha de Boer

  • Expat

    Expat

    Er waren avonden dat R. en ik, vlak voor we gingen slapen, in de hal bij de voordeur stonden en met ons hoofd wat scheef luisterden naar pianomuziek uit het appartement van de Japanse expat. De expat woonde hier sinds kort. Eén keer had ik hem bij de afvalcontainers gezien en begroet. Een jongeman met een sjaaltje.
    We kwamen er niet uit, hoe lang we ook bleven luisteren. R. dacht aan een CD of een playlist op Spotify. Ik raadde Chopin, live gespeeld op de piano. Niet omdat ik dat kon horen, maar omdat ik dat zo’n fijne gedachte vond: de buurman speelt romantisch Chopin en wij kruipen onder ons dekbed.

    Op een ochtend zag ik hem beneden bij de berging. In plaats van een obligaat goodmorning – je praat als vanzelf Engels – zei ik dat ik zo genoot van zijn muziek ’s avonds laat. Wat volgde was Lost in translation, een botsing van sorry’s en no no-sorry’s. Hij interpreteerde mijn opmerking – afgaand op zijn gezichtsuitdrukking – als een beleefde vorm van kritiek, dat hij overlast bezorgde en mij uit mijn slaap hield. Het was het laatste wat hij wilde. Het laatste wat ik wilde was dat hij stopte met ’s avonds pianospelen. Zo transformeerden zijn excuses in dankjewels en mijn vriendelijke woorden in overdreven loftuitingen.

    Een paar weken later, bij de lift, vroeg hij of ik een keer bij hem wilde komen eten. Dan zou hij ook iets voor mij spelen.
    ‘Dat doe je toch niet?’ zei R. toen ik hem van de uitnodiging vertelde.
    ‘Waarom niet?’
    ‘Ik vind het niets voor jou om te doen. Is het er soms eentje?’
    ‘Daar gaat het toch niet om?’

    Hij deed iets in Sales. Maar pianospelen kleurde zijn leven. ‘Ik speel alleen zeer matig.’ In Japan had hij nooit vakantie. Nu reisde hij elke maand naar een Europese stad, Milaan, Berlijn, Madrid. Alleen.Op zijn vakantiebestemmingen vroeg hij aan vriendelijk ogende voorbijgangers een foto van hem te maken. Hij liet me ze op zijn telefoon zien. Telkens keek hij schuw, een beetje verschrikt in de lens. Alsof hij eigenlijk niet gefotografeerd wilde worden. Hier, Lissabon. Hij staat achter het bronzen beeld van Fernando Pessoa. De eenzame dichter Pessoa, de expat kende hem niet. Dan zegt hij verlegen glimlachend: ‘Als mensen héél vriendelijk zijn, dan vraag ik of ze met mij op de foto willen.’ Hij swipet verder. De expat tussen een Braziliaans echtpaar. De expat naast twee meisjes uit Hongarije, op gepaste afstand. ‘Door deze foto’s verbeeld ik me dat ik niet alleen op vakantie was.’

    Ik kijk van zijn smalle rug naar zijn handen die feilloos de toetsen raken, een pianosonate van Mozart. En ik denk aan dat gedicht van Pessoa, dat ooit door Frank Boeijen op muziek werd gezet: Wanneer de lente komt/En als ik dan al dood ben/Zullen de bloemen net zo bloeien/En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. De werkelijkheid heeft mij niet nodig.
    En ik denk aan een eigen eenzame vakantie, lang geleden. Soms weet je niet precies waarom je ergens bent beland, je bent er misschien wel om de echo van je eigen herinneringen terug te horen.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Monotoon leven

    Monotoon leven

    Ik ging eropuit die tweede dag na de lockdown, alleen uiteraard. Liep over zandwegen met kuilen volgelopen met regenwater. Zag een torenvalk in de top van een kale boom. Hij spreidde vleugel voor vleugel zijn veren breeduit, pikte erin met zijn snavel, schudde zijn staartveren, koesterde zich in het zonlicht. Ik kon behoorlijk dichtbij komen, ook een torenvalk verlegt zijn prioriteiten, wordt roekeloos als het licht op hem schijnt. Toen vloog hij met veel misbaar omhoog, van me weg. Verder lopend, kwamen er gedachten in me op die het gevolg waren van wat ik op de radio had gehoord. Ik denk nooit aan wc papier, nu drong het zich aan me op, moest ik dat nu bij de Action halen, om de supermarkten te ontlasten? Dat had iemand van de retail gezegd, het klonk logisch. En of ik voor mijn koffie dan naar de Hema zal gaan, en kaarsen, zijn die essentieel? Ik vroeg me opeens af of ik mijn krant nog wel bij de supermarkt kon halen, zo niet, waar dan als de Primera alleen open is voor postpakketjes. 

    Ik dacht: zal ik iemand een boek sturen, ik heb er genoeg. En als ik dan binnen ben bij Primera, ach, dan pak ik gewoon een krantje mee. Toen zag ik beelden van die meneer in het journaal voor me, met dat pak printpapier van de Hema onder zijn arm. Dan denk ik, Andy Warhol, dat in de toekomst iedereen zijn 15 minuten van beroemdheid zal hebben. In die toekomst leven we nu, zaak is het hoofd koel te houden. Thuis kwam Pessoa erbij, die over alles geschreven heeft, ook over essentiële zaken en roem. In het geweldige Kroniek van een leven dat voorbijgaat, vertaald en samengesteld door Michaël Stoker, lees ik in Een brief aan een toekomstig genie, ‘Roem is een vorm van onbeleefdheid. Jezelf voortdurende in de kijker spelen is verachtelijk. De werkelijk superieure mens is zich geheel bewust van zijn superioriteit zonder oog te hebben voor de superioriteit die anderen in hem zien of in hem missen.’ Een nadenkertje, gaat het over de blinde vlekken in het beeld dat ieder van zichzelf creëert? Verdraaid, naast dichter, filosoof, is Pessoa ook therapeut. 

    In wat Pessoa ‘een overdenking voor toekomstige generaties’ noemt, gaat hij uit van de gedachte dat het leven in essentie monotoon is. ‘Geluk bereik je daarom vooral door je in aanvaardbare mate aan te passen aan de monotonie van het leven. Door onszelf monotoon te maken, stellen we ons gelijk aan het leven, hetgeen, kortom, voluit leven is. En voluit leven betekent gelukkig zijn.’ Een vorm van geluk die ik verdragen kan, want, ‘Zich overgeven aan monotonie betekent alles steeds als nieuw ervaren. De burgerlijke blik op het leven komt overeen met de wetenschappelijke blik, want alles is feitelijk steeds weer nieuw: vóór vandaag is er immers nooit een vandaag geweest dat exact zo was als de dag van vandaag.’ Maar schreef Pessoa, ‘Het moge duidelijk zijn dat de burgerman niets van dit alles zal toegeven. Als hij tot een dergelijk inzicht zou zijn gekomen, dan zou hij niet gelukkig kunnen zijn.’ Ach, die discrepantie tussen gelukkig zijn en gelukkig zijn. Vrolijk kerstfeest allemaal en moge het een monotoon 2021 worden!

     

     

    Kroniek van een leven dat voorbijgaat / Fernando Pessoa / 351 blz. / vertaling en samenstelling Michaël Stoker / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, wast haar mondkapjes.

  • Fotosynthese 16 – Personen

    Fotosynthese 16 – Personen

     

    Klik op de foto om de achtergrondfoto te zien


    Wanneer je twee grote spiegels in een gestrekte hoek ten opzichte van elkaar plaatst, dat wil zeggen een hoek van 180º, dan zie je jezelf eenmaal weerspiegeld. Maak je die hoek kleiner dan 90º, dan weerspiegelen de spiegels ook elkaar en lijkt het alsof je met meerdere ikken bijeen bent. Hoe kleiner je de hoek tussen de beide spiegels maakt, des te groter wordt het aantal spiegelbeelden, totdat de spiegels recht tegenover elkaar komen te staan en je spiegelbeeld naar twee kanten in een eindeloze rij wordt herhaald. Deze foto is gemaakt met de twee spiegels in een hoek van ongeveer 72º, zodat de echte persoon – op de rug midden vooraan precies tussen twee van de spiegelbeelden in zit. Zo zie je vier complete weerspiegelingen, en lijkt op de foto een ‘gezelschap’ van vijf mensen bijeen te zijn. Dergelijke bedrieglijke opstellingen zijn van oudsher op kermissen en in amusementsparken te vinden, al zul je tegenwoordig ook wel apps hebben, waarmee je uit de losse pols zo’n vermenigvuldigings- effect kunt toepassen. Het aardige is dat je pas in tweede instantie ziet dat het vijf keer hetzelfde meisje is, zozeer lijkt haar gezichtsuitdrukking met de verschillende invalshoeken te variëren. En dat terwijl het in dit geval juist om een goudeerlijk en ongecompliceerd iemand ging, die zich bepaald niet anders voordeed dan ze was. Op deze getructe foto lijkt ze een jaar of zeventien te zijn. Twee jaar nadien ontmoette ze de liefde van haar leven, wat op een hopeloze en frustrerende teleurstelling uitdraaide, zoals tot in detail valt na te lezen in hun liefdesbrieven, die van beide kanten bewaard zijn gebleven.

    Haar naam was Ofélia Queiroz. Ze was geboren in 1900 en woonde in Lissabon. In november 1919 ging ze als typiste en vertaalster solliciteren bij de handelsfirma Félix, Valadas & Freitas op de tweede verdieping van de Rua da Assunção nr. 42 in Baixa, het commerciële centrum van de Portugese hoofdstad. Bij wijze van chaperonne was zij in het gezelschap van een dienstmeisje van haar zuster.
    Het kantoor bleek nog gesloten, maar even later arriveerde er een medewerker die met zijn verschijning meteen een onvergetelijke indruk op de negentienjarige Ofélia maakte. Hij was in de rouw, omdat kort tevoren zijn stiefvader was overleden, dus hij was geheel in het zwart gekleed, droeg een breedgerande hoed met zwart lint, een vlinderdas en een bril. ‘Hij liep,’ zo herinnerde Ofélia het zich vele jaren later, ‘alsof zijn voeten de grond niet raakten.’ Zijn broekspijpen zaten bovendien in zijn slobkousen gepropt. Ofélia kon haar lachen bijna niet inhouden, maar was tegelijk volkomen vertederd door deze onaangepaste verschijning, die uiterst verlegen informeerde wat de dames kwamen doen. Zo verliep de eerste kennismaking tussen de dichter Fernando Pessoa en de enige vrouw die een amoureuze rol van betekenis in zijn leven gespeeld heeft. Dat was geen gemakkelijke rol, zo blijkt op elke pagina van hun liefdescorrespondentie die pas in 1978 (zijn brieven) respectievelijk 1996 (de hare) werd uitgegeven.

    In Nederlandse vertaling werd de complete briefwisseling in 2005 in één band bijeengebracht. Ofélia Queiroz wilde niets liever dan dat haar ‘Fernandinho’ de grote liefde die hij voor haar zei te voelen zou omzetten in een toezegging met haar te trouwen, zodat zij met elkaar een bestaan konden opbouwen. Maar Pessoa had het in zijn hoofd veel te druk met zijn geobsedeerde werklust, verdeeld over een veelheid aan productieve ‘heteroniemen,’ in hemzelf bestaande onafhankelijke nevenpersoonlijkheden, die tezamen verantwoordelijk waren voor een in alle opzichten ontzagwekkend dichterlijk oeuvre, dat vooral ’s nachts tot stand kwam. Het zijne was een bezeten creatief bestaan waarin, ondanks de vertedering, de koosnaampjes, de liefdescadeautjes, de verliefde wandelingen en de ontelbare kussen op papier en in het echt, niet het hart regeerde maar ‘een andere Wet,’ zoals hij haar op 29 november 1920 in een afscheidsbrief liet weten.

    Wonderlijk genoeg herleeft hun liefdesverhouding in 1929, maar ook dan schrijft hij haar al spoedig in alle duidelijkheid: ‘Mijn leven draait […] om mijn literaire werk. […] Heel de rest is voor mij van secundair belang.’ Met een aan het onvoorstelbare grenzend optimisme blijft Ofélia het nog proberen, tijdens ongeregelde ontmoetingen, met begripvolle brieven en later nog – tot aan zijn overlijden eind 1935 op zevenenveertigjarige leeftijd – met felicitatietelegrammen op zijn verjaardag. Maar haar ideaal van liefdesgeluk legde het af tegen zijn ideaal van een onuitputtelijk dichterschap. Tegenover de diep toegenegen Ofélia stond een dichter die zichzelf, zonder hulp van kunstig opgestelde spiegels, in meer dan honderd dichterspersoonlijkheden had opgedeeld, en heel die menigte van productieve afsplitsingen wilde niets liever dan schrijven. Zelfs als Ofélia Queiroz, die in 1986 op zesentachtigjarige leeftijd overleed en haar verdere leven ongetrouwd is gebleven, in het echt met zijn vijven in plaats van in haar eentje was geweest, dan nog had ze geen kans gehad tegenover de overmacht van Pessoa’s heteroniemen.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is ‘Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon’ (De Bezige Bij, 2020). Asscher werkt aan een bundel met ‘fotosyntheses’, in de hoop dit door Rudy Kousbroek bedachte literaire genre in bloei te houden.

     

    Foto: Sacha de Boer

     

  • Pessoa

    Pessoa

    Soms kan ik niet op een woord komen. Dan dwing ik mijn gespreksgenoot te wachten door de ogen dicht te knijpen en dramatisch het hoofd te schudden, handen beelden uit. We wachten. Met wat geluk dient het woord zich aan, bevrijdend als een nies. Maar af en toe blijft het ergens plakken, in een verbaal voorgeborchte stel ik me zo voor want als ik het zo noem, heeft het tenminste klasse. Dan hoef ik me niet af te vragen of ik het woord even kwijt ben of voorgoed. Bovendien, iedereen mist weleens iets.
    Een paar maanden geleden zag ik de MRI scan van mijn eigen hersenen: een dwars doorgesneden bloemkool. Het zijn de vlekjes littekenweefsel her en der die ruis op de lijn kunnen geven. Ineens is het aanwijsbaar, waar de materie geestelijk wordt. 

     Ik hou van woorden, ik ben woorden. Dus leer ik de laatste tijd als een haas nieuwe, prop mijn hoofd overvol zodat het minder zal opvallen als ik er later een paar mis. Portugese woorden om precies te zijn, want mijn geliefde is Portugees. We spreken hoofdzakelijk Engels met elkaar, soms wat Nederlands maar af en toe breek ik mijn tong en haspel me door Portugese peuterzinnen. Over zijn en hebben, die kat en deze hond, brood eten en melk drinken. Niets mis met minimalisme, maar het gaat me natuurlijk allemaal veel te langzaam, ik verlang naar meer. Als stip op de horizon krijg ik een dichtbundel van Fernando Pessoa cadeau met zowel de vertaling als het Portugese origineel. Het is mooi, hoe de woorden in deze taal naar elkaar toebuigen, elkaars klank aannemen. Want het geslacht van het onderwerp doordesemt de hele zin, waardoor er zomaar vanzelf klankrijm ontstaat.

    Nogal pretentieus, om maar direct Pessoa te willen lezen en ik beken dat ik er inderdaad weinig van snap. De gedichten zijn, ook in vertaling, nogal ondoorgrondelijk. maar zijn streven spreekt me aan. Hij legt de lat hoog, wil datgene van de menselijke conditie vangen wat zich, tsja, moeilijk laat vertalen. En het vermoeden rijst dat het ook helemaal zijn doel niet was, begrijpen of begrepen worden. Dus ik probeer net als hij of zijn heteroniemen niet te denken, betekenis los te laten. En ik voel weer de roes van hoe het was om te jong ingewikkelde boeken te lezen of de kwelling het gezochte woord te proeven op je tong. Het is de bedwelming van schemertaal die blootlegt wat je nog niet kent. 

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (AtlasContact).

  • Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Vierde editie Zuca-Magazine, een kennismaking met Braziliaanse literatuur

    Het online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur Zuca-Magazine publiceert jaarlijks een papieren themaversie, samengesteld uit artikelen die in het onlinemagazine zijn verschenen. Zo was er een special over José Saramago (1922-2010), een poeziënummer en eind vorig jaar verscheen de vierde editie met het thema, ‘Brazilië en de kunst van het vertalen’. 

    De bekendste Portugeestalige schrijver is zonder twijfel Fernando Pessoa, gevolgd door de eerder genoemde (Nobelprijswinnaar 2010) José Saramago en – sinds Benjamin Moser haar biografie bezorgde – de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector. Maar we willen meer schrijvers ontdekken. In deze editite aandacht voor vijf Braziliaanse schrijvers en hun vertalers onder het hoofdstuk ‘Over vertalen’. Adri Boon realiseerde zich tijdens het vertalen van Alle verhalen van Clarice Lispector hoe een omvangrijk werk dit is, zo anders dan een enkele roman te vertalen. Soms sloeg de wanhoop toe in zijn zoektocht naar een vertaling van iets dat in het origineel al vreemd klonk, om dat in het Nederlands ook nog vreemd te laten zijn, maar wel acceptabel. Vertaler Frans en Portugees, Maartje de Kort vertaalde de verhalen in De ziel in het bloed van Ana Paula Maia, over twee varkensslachters, ontleend is aan de werkelijkheid: ‘een fait divers uit 2009 over suïcidale koeien in Zwitserland’. Het was voor de vertaling belangrijk zich onder andere in het slachtersjargon te verdiepen, wat ze deed met het Handboek voor de slager uit 1955.

    Research bij vertalen

    Dat vertalers gelijk schrijvers research moeten verrichten om een vertaling waarachtig te laten klinken, beschrijft ook vertaler Kitty Pouwels. Zij vertaalde verhalen die ontstaan zijn in de krottenwijken van Rio de Janeiro, van de Braziliaan Geovani Martins. Zij kwam via songteksten van Braziliaanse rapnummers uit bij Nederlandse rapartiesten als Fresku en MocroManiac. Ook bezocht ze vele internetfora voor Nederlandse drugsgebruikers en graffiti-artiesten.
    Vertaler Piet Janssen mobiliseerde onder meer zijn kinderen om bij de vertaling Twintig over twaalf van Daniel Galera, een roman over een internetgeneratie, hem in de wereld van Whatsapp en games te introduceren. Janssen ging voor de vertaling van dit boek en op advies van zijn kinderen over tot de aanschaf van een iPhone, om zelf ervaring op te doen in het gebruik daarvan. Voor de wetenschappelijke biologische vertaalkwesties sprak hij met een bevriend arts, zocht in Braziliaanse online woordenboeken naar informeel taalgebruik, computerprogramma’s en games werden onderzocht, alvorens het vertalen te kunnen volbrengen. Janssen besluit met: ‘Het vertalen was een zware, (…) maar ook amusante klus’.

    Yves van Kempen, voormalig literatuurcriticus bij De Groene en redactielid van het teloorgegane literaire tijdschrift Bzzlletin, belicht de kunst van het vertalen aan de hand van het stuk ‘Schrijven is vertalen’ van José Saramago, in deze editie opgenomen. Saramago zag het schrijven in de eigen taal al als een vertaling; een vertaling van dat wat de schrijver ziet en voelt, omgezet naar een algemeen aanvaard ‘tekensysteem, het schrift’. Het werk van de vertaler bestaat aldus uit: ‘omzetting in een andere taal (in principe de eigen taal) van wat in de oorspronkelijke taal al een vertaling was. Kunstig, en zeer doordacht gegeven.

    Absurdisme en Pessoa hand in hand

    In de serie ‘Ofélia’, een samengaan van beeld en tekst, uit brieven aan een meisje dat Fernando Pessoa van kantoor kende. Hij schreef haar, maar het kwam nooit tot een werkelijke relatie. Drie fragmenten uit die brieven zijn geïllustreerd door Zuca Sardan, pseudoniem van Carlos Felipe Alves Saldanha (1933) en tekenaar van absurdistische beelden. Bij het eerste fragment gericht aan Ofélia: ‘Let maar niet op mijn handschrift. Ik weet dat dat een beetje raar is, maar dat heeft zijn redenen. Het eerste is dat dit papier (het enige dat ik vinden kon) erg glad is en de pen er zeer snel overheen schiet; de tweede is dat ik hier in huis voortreffelijke port gevonden heb, waarvan ik een fles heb opengemaakt, en die is al half leeg. De derde reden is dat er maar twee redenen zijn, en er dus helemaal geen derde reden is’, is het beeld een met potlood getekende Pessoa aan een tafeltje waarop een halflege fles waarin een vrouw op het punt staat te verdrinken, blaadjes schrijfpapier fladderen door de ruimte en een gekarakteriseerde Pessoa staart verwezen naar die fles. Uiteraard zijn dit beelden die zelf gezien moeten worden, om zijn goed getroffenheid als om zijn absurdistische humor die erin verscholen zit.

    Bladeren en scrollen

    Verder zijn er enkele gedichten van Marco Lucchesi, Ana C., Pessoa en Zuca Sardan in opgenomen, alsook twee columns onder het motto, ‘Zon & Zeer’ van Harrie Lemmens, en citaten uit het werk van António Lobo Antunes, ‘ De afstand tussen mijn hoofd en mijn stem is zo groot.’ (uit: Voor wie in het donker op mij wacht) in samenspraak met foto’s van Ana Carvalho.

    Portugees is een van de tien meest gesproken talen ter wereld en Zuca-magazine is een goede handreiking voor wie zijn leesgebied van Portugeestalige schrijvers wil verbreden. Sommige bijdragen in de papieren editie overlappen elkaar, zoals een citaat van Saramago dat door Yves van Kempen wordt aangehaald, ook in een van de columns die erin opgenomen zijn, wordt gebruikt. Online valt zoiets niet echt op, maar in een papieren versie leest het wat dubbel. Neemt niet weg dat het zeer prettig is om onlineteksten zo nu en dan op papier in handen te hebben; bladeren door een tijdschrift is gewoon anders dan scrollen op een website. Voor wie dit begeert, het tijdschrift is te koop bij de boekhandel of bij uitgeverij Koppernik. En bezoek ook Zuca online en laat je rondleiden, je komt er beslist verder mee.

     

  • Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Vertaler Harrie Lemmens maakte uit een aanbod van drie dikke boekdelen orthonieme gedichten, (500 blz.) een keuze van 109 gedichten en stelde een tweetalige bundel samen met de veelzeggende titel Een spoor van mezelf.
    Fernando Pessoa schreef deze gedichten onder zijn eigen naam (‘orthos’ is Grieks voor ‘correct’ of ‘juist’). Zijn keuze lichtte Lemmens toe in het interview Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten dat in juni op Literair Nederland verscheen. Eveneens schreef Lemmens een interessant en verhelderend nawoord en werd er een kleine chronologie van het leven van Pessoa in opgenomen.

    Ongrijpbare dichter

    Van alle Portugese dichters is Fernando Pessoa (1888-1935) zonder twijfel de bekendste en misschien wel de meest geliefde, ook in Nederland. Dat is zeker niet vanzelfsprekend, want zijn poëzie is niet gemakkelijk. Pessoa was een complexe en ongrijpbare dichter, die ervan hield om heteroniemen te bedenken, afsplitsingen van zichzelf, die hij voorzag van niet alleen een naam, maar ook een persoonlijkheid, een eigen schrijfstijl, handschrift en zelfs een horoscoop. Vijf of zes van deze heteroniemen zijn algemeen bekend, maar er zouden er inmiddels meer dan honderdzevenentwintig geteld zijn.

    ‘Als je het moe wordt
    om steeds op één plek te zijn,
    waarom dan niet ook
    om maar één mens te zijn?’

    Ontwikkeling

    De gedichten zijn opgenomen in de volgorde waarin ze geschreven zijn: het eerste gedicht dateert van 21 november 1909, het laatste is van 22 november 1935, bijna exact 26 jaar later. Duidelijk is te zien hoe de stijl van Pessoa veranderde naarmate hij ouder wordt: de vroege gedichten bevatten onder invloed van het Franse symbolisme veel doorwrochte vergelijkingen ( ‘Zacht als het hebben van een moeder en zusters valt de avondstond…’) en lijken met veel schaven en polijsten tot stand te zijn gekomen; ze maken een veel traditionelere indruk dan de latere gedichten die eenvoudiger van taal zijn, intiemer, alsof Pessoa de lezer deelgenoot maakt van zijn geheimste gedachten. Want elk gedicht gaat alleen maar over Pessoa zelf: het is een gedachte, een mijmering, een droom, geschreven vanuit het ik-perspectief, alsof de dichter in zichzelf praat. Deze gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, alsof het geen moeite heeft gekost. Toch worden ze daardoor niet gemakkelijker om te begrijpen.

    ‘Zoals ik het lieg’

    Pessoa hield ervan zich te verhullen en raadselachtig te blijven, ook al verwerkte hij persoonlijke herinneringen, uit zijn kindertijd en latere leven, in zijn werk. Het is nooit duidelijk of de dichter iets echt zo bedoelt of dat het een pose is, een doen alsof. Alsof hij een personage in zijn eigen werk is, van wie de identiteit inwisselbaar is: ‘Mijn leven verloopt / zoals ik het lieg.’ En net als het lijkt alsof hij zijn ware ik toont, voegt Pessoa een opmerking toe die alles ontkracht of ontkent wat hij daarvoor gezegd heeft:

    ‘Niets van wat ik ben zal ik ooit zijn.
    Ik droom en in mijn wezen droomt alleen
    een droom van wat ooit van mij zal zijn,
    maar het is weg nog voor het verscheen’

    Vergankelijkheid als thema

    Terugkerende woorden in elk gedicht zijn dood, droom, leven, melancholie, met als overheersend thema de vergankelijkheid van alles. Deze onderwerpen worden echter niet vanuit het gevoel, maar vanuit het verstand benaderd. Voor Pessoa was schrijven een cerebrale bezigheid; het gevoel was eruit zodra hij het had opgeschreven. ‘Wat ik voel wordt gewoon niet / door mijn hart voortgebracht, / maar door mijn verbeeldingskracht.’, schrijft hij in Dit, een gedicht uit 1933, met in de laatste strofe: ‘Voelen? Voelen moet wie het leest!’ Maar ook dit moet een mystificatie van de dichter zijn, want waardoor ‘voelen’ de gedichten dan zo echt aan? Pessoa roept op onvergelijkbare wijze de sfeer op van zijn geliefde Lissabon in de schemering, de schaduwen aan de kade, de eenzaamheid van de cafés, de regen. Het onvertaalbare Portugese woord ‘saudade’ krijgt ineens betekenis.

    ‘Het vale licht van de wintermorgen,
    de kade en mijn verstand
    bieden niet meer en ook niet minder hoop
    aan mijn hart.
    Wat komen moet
    komt onherroepelijk, of ik dat wil of niet.’

    Hoewel er niets boven de oorspronkelijke taal van de schrijver gaat, hoef je als  lezer geen Portugees te kennen om onder de indruk te komen. Een vergelijking tussen de Portugese versie en de vertaling, laat zien dat Lemmens erin geslaagd is hetzelfde rijmschema en ritme aan te houden als in de originele gedichten. Bovendien heeft hij de inhoud weergegeven in soepele spreektaal, die dicht bij de lezer blijft.

    ‘Niets van wat ik ben interesseert mij.
    Als er in mijn hart al iets leeft
    dat haast heeft om zich vrij
    te maken, is die haast tevergeefs.’

    Weerslag van een leven

    Deze 109 complexe en verontrustende gedichten gaan allemaal over Pessoa’s verwondering over de absurditeit van het bestaan en het zoeken naar een identiteit. Hij schrijft over zijn leven, gekweld door de leegte in zichzelf en om hem heen, door twijfels bevangen over het mysterie van het leven. Misschien dat daarom – sinds in de jaren tachtig van de vorige eeuw, onder druk van de hectische maatschappij, zingeving in het leven steeds belangrijker werd – het werk van deze Portugese dichter zo’n grote betekenis heeft gekregen. Het zijn geen gedichten die even tussendoor gelezen kunnen worden. Al lezend word je deelgenoot van Pessoa’s verlangen zich terug te trekken, een beschouwelijk leven te willen leiden dat geheel in dienst staat van de literatuur. Daarvoor moet je wel bereid zijn afstand te doen van wie je denkt te zijn.

     

  • Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Verglijden van de tijd

    Verglijden van de tijd

    Of de meeste boekenliefhebbers na lezing van de bloemlezing Vogels, vlinders & andere vliegers nu eens niet de naam Hans van Pinxteren in de eerste plaats zullen associëren met zijn gerenommeerde vertalingen van o.a. Flaubert, Rimbaud en Montaigne, blijft natuurlijk de vraag, maar dat deze vertaler ondertussen ook nog een serieus te nemen poëtisch oeuvre op zijn naam heeft staan mag met deze publicatie een feit heten.

    Opus 10

    Ofschoon voor deze bloemlezing gekozen is uit de negen bundels die Van Pinxteren vanaf 1979 deed verschijnen, aangevuld met een handjevol verse oogst – en het oudere werk waar nodig bijgeschaafd – is de bundel zodanig gecomponeerd dat de dichter hem zelf als zijn ‘opus tien’ beschouwt.

    De essentie van Hans van Pinxterens poëzie zetelt vooral in de beroemde openingsregels van Air van Jan Luyken die dan ook zeer terecht als motto aan deze bloemlezing is meegegeven: ‘Droom is ’t leven, anders niet, / t Glijdt voorby gelijk een vliet, / Die langs steyle boorden schiet.’ Alsof het licht door het prisma van dit motto de gedichten in deze bundel beschijnt. Zelden een bundel gelezen waarin zoveel water stroomde, waarin zoveel licht zich uitspant dan wel zich verdiept in water, waarin zo vaak weggedroomd werd bij het spiegelende watervlak. Waarin zoveel uitzicht met inzicht samenviel. De bundel mag dan Vogels, vlinders & andere vliegers heten maar een titel als ‘wateren, spiegelingen en andere dromen’ was even ladingdekkend geweest.

    Alles is schijn

    Ergens vraagt de dichter zich af of hij de tijd neemt, of neemt de tijd de dichter? De lezer kan maar beter wel de tijd nemen om deze gedichten langzaam tot zich te nemen. Alleen dan proeft hij de verfijning, de suggestieve kracht waarin een spiegeling in het water ook een ’verdieping in de lucht’ wil zijn en de woorden van de dichter een verdichting van de schijn. Schijn bedriegt, maar de dichter maalt er niet minder om en triomfeert in het besef dat alles schijn is en niets zich eraan onttrekt.

    Niet wonderlijk dus dat Van Pinxteren in een van zijn gedichten Alberto Caeiro opvoert, een van heteroniemen van Pessoa en wel degene voor wie de dingen geen andere betekenis hebben dan dat ze bestaan. Al beseft de dichter Van Pinxteren temeer dat hij als kind bestaan heeft, daar in dat landschap, met dat licht. En veel van zijn gedichten gaan over die momenten dat het inzicht van het schon dagewesen daagt. Het bewegen van de takken wordt algauw een wenken naar een verloren droom. Gelatenheid heerst alom. Zelfs de dood wordt niet als beangstigend gezien. De dichter laat hem in zijn verbeelding zijn ‘vreedzaamst gelaat’ opzetten zodat hij niet langer een dissonant is: ‘zo buitengewoon vredig en onthecht dat even / dit leven iets luchtigs krijgt en speels / zo speels haast als een fractie van wolkend licht // in een fuga van Bach’. Weemoedig, dan toch eerder gerieflijk dan schrijnend.

    Dromerig

    Op een aantal anekdotische gedichten na, kenmerkt het leeuwendeel van deze poëzie zich door haar dromerige setting met een weemoedig, berustende toon. Niet bepaald een afwisselend palet, wat getemd ook. Mede daarom is het geen  bundel die je in een ruk uitleest. Hier en daar doemt een wat ouderwets aandoende zin op als: ‘Weegt aan het venster de nacht al op je schouders’.
    Het vocabulaire huist nog in de vertrouwde wereld van vroeger. Alle schijn en het ontbreken van eindpunten ten spijt, wordt de verstaanbaarheid in deze poëzie weinig in de weg gelegd. Integendeel, niet zelden doen de gedichten bij aanvang uit de doeken hoe de vork in de steel zit en vervolgt het gedicht de weg van het uitgelegde beeld. Zo geeft het gedicht Het silhouet reeds in de eerste regel de sleutel: ‘Inbraak in mijn slaap, een paar / huizen verderop schreeuwen twee stemmen / lang tegen elkaar.’ Met deze uitleg is het raadsel al uit z’n droom geholpen. Soms wordt net iets te nadrukkelijk naar een beeld toegeschreven, zodat de verbeelding niet meer weet te verrassen:

    Vloeibare taal

    ‘kijk ik later nog naar buiten / wordt het uitzicht inzicht / valt de vlieger in de ruit / samen met de bodemloze nacht’. Wat dat betreft zijn de meeste van deze gedichten een variatie op hetzelfde thema. De taal in deze poëzie is verfijnd en dient voornamelijk ter beschrijving van gevoelens en gewaarwordingen en is niet van zins zelf een schijnbeweging uit te voeren. Hier en daar had iets meer afgrond in de taal ten koste van de afgeronde beelden mogen komen.

    In de beste gedichten volgt Van Pinxterens schijnbaar onaangedaan, als op Oosterse wijze, het proces van de zich eeuwig transformerende schijn zoals in

    Korte metamorfose

    De tak van de acacia
    spiegelt zich
    in de ruit aan de overkant

    de tak van de acacia
    reikt wiegend in de wind
    naar de beker op de tafel

    wordt een gezicht, het
    silhouet van iemand die
    zijn mond zet aan de beker

    die daarvan drinkt
    en weer afstand neemt
    van de beker

    voor het raam wiegt
    een tak in de wind

    Alles wordt vloeibaar zodat de tijd oogt als een stilstaande klok. Een mooie bloemlezing waarin goed verbeelde gewaarwordingen in verstaanbare versregels zijn gegoten. Deze gedichten zullen je niet van de sokken blazen, maar je wel doen stilstaan bij het langzaam verglijden van de droom die men leven noemt.

     

  • Het is mooi als het nog een kant op kan

    De Portugese fotografe Ana Carvalho (1952, Porto) is van oorsprong vertaler. Ze vertrok halverwege de jaren zeventig naar Berlijn waar ze Thomas Mann en Ernst Jünger in het Portugees vertaalde. Later, toen ze in Nederland woonde, vertaalde ze Adriaan van Dis, Hugo Claus en Judith Herzberg. Sinds tien jaar is ze fotografe en sinds twee jaar vormgeefster bij Zuca-magazine, een online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur waar ze samen met haar man, vertaler Harrie Lemmens, invulling aan geeft. Op 13 juni, de dag dat Fernando Pessoa 130 geleden in Lissabon geboren werd, verschijnt het fotoboek Het uurwerk van de ziel van Ana Carvalho.

    Het uurwerk van de ziel is een keuze uit de gedurende twee jaar wekelijks gepubliceerde korte citaten uit het Boek der rusteloosheid door Fernando Pessoa in vertaling van Harrie Lemmens, begeleid met een foto van Ana Carvalho op Zuca-magazine.

    ‘Een dialoog’ merkt Ana Carvalho op als we in Utrecht tegenover elkaar aan tafel zitten bij restaurant De Rechtbank. ‘Mijn foto’s zijn geen illustraties maar gaan een dialoog aan met literaire teksten.’

    Literair Nederland ging met haar in gesprek over Portugese literatuur, foto’s voor boekomslagen en waar haar inspiratie vandaan komt.

     

    Zijn de foto’s er eerst en wordt daarbij een tekst gezocht of is een tekst het uitgangspunt?

    ‘De foto’s maak ik veelal zonder opdracht. Ik ben doorlopend aan het fotograferen. In Portugal heb ik een paar jaar geleden een catalogus van mijn werk gemaakt met teksten van Antonio Lobo Antunes, een hommage aan de schrijver. De teksten zijn er al en vormen het uitgangspunt. Mijn laatste fotoboek was wel een opdracht, van de stad Póvoa de Varzim bij Porto. In dat boek heb ik een beeld van de stad geschetst in verbintenis met de zee met de titel MarTerraMar (ZeeLandZee). Omdat de zee belangrijk is voor de economie en cultuur van de stad. De citaten van Pessoa voor Zuca-magazine waren er natuurlijk al en daar zocht ik een foto bij. Bij zijn zinnen pasten mijn meer abstracte foto’s.’

     

    Hoe ontstaat een beeld zoals deze verfspuwende kraters?

    ‘Ik ensceneer nooit voor een foto. Deze foto maakte ik op een bouwplaats. Ik fotografeer graag op plaatsen waar gewerkt wordt. Ook op scheepswerven. Dit is nadat er een kwast is uitgeschud tegen de muur. Wat ik erin zag is een soort vallen, vallende druppels maar dan zonder beweging.’


    Wat is de aantrekkingskracht van een bouwplaats?

    ‘Bouwvakkers hebben een bepaalde structuur van werken. Ik heb er verschillende stillevens gemaakt. Dan staat er een emmer, de kwasten, een potje. Alles zetten ze klaar voor ze aan het werk gaan. Dat heeft mijn interesse en dat fotografeer ik. Ik fotografeerde in Portugal eens een muur op een bouwplaats. Tegen de schilder zei ik, “Dat is kunst wat je daar maakt.” Toen zei hij: “U moet straks nog eens komen, dan is het nog veel mooier.” Maar ik vind het mooi als een werk nog niet af is, zodat het nog alle kanten op kan. Een strak geschilderde muur heeft niets meer te vertellen. Wat ik doe met fotografie is de werkelijkheid in fictieve beelden vangen. Als ik een deur zie, zie ik geen deur maar de vorm van een deur. Composities van vorm, ruimte en kleur.

     

    Hoe kom je tot deze vorm van beelden maken, was er een eerste keer?

    ‘Ik maak zintuiglijke foto’s. Ik fotografeerde altijd al veel, maar niet zozeer de gewone foto’s die je in een album plakt. Wat ik zoek zijn de sporen van de tijd, de vergankelijkheid van de dingen. Ik voel me aangetrokken tot beelden die iets anders laten zien dan wat het in werkelijkheid is. Ik was een keer in een kelder waar een trap op een onmogelijke plek zat, de traptreden en de geometrie van dit alles trok me aan. Dat werd mijn eerste abstracte foto. Ik werk veel met diagonalen, contrast, licht en schaduw en dat met de sporen van de tijd. De tijd vind je in verschillende lagen terug in een beeld. Dat kan een deur zijn met afgebladderde verf, een affiche aan de muur dat er al jaren hangt, roestige schepen. Imperfectie is wat ik interessant vind en fotografeer. Het zijn sporen die spontaan ontstaan zijn, dat breng ik in beeld.’

     

    Is er wel eens een moment geweest dat je op zoek ging naar een bepaald beeld?

    ‘Toeval is een belangrijk aspect in mijn werk. Ik ga niet op zoek, ik loop rond en dan treft me iets. Net als Picasso zei: “Ik zoek niet, ik vind.” Dat is zoals ik werk, ik kom het tegen, ik zoek het niet op. Ik zie bijvoorbeeld sporen van slijtage op een muur en maak er een foto van. Maar dan zie ik daarnaast iets dat veel interessanter is. De beste foto zat waar ik niet zocht. Ik fotografeer geen composities, ook mensen fotografeer ik als objecten van een compositie, als personages in een verhaal. Het is dat wat ik zie en fotografeer wat het wordt. Ik hoef het niet in te kaderen of te bewerken, het enige wat ik soms doe is kleur toevoegen.’

     

    Zoals een schrijver notities maakt, maakt Ana Carvalho doorlopend aantekeningen met haar fototoestel. Net als de notities van een schrijver, is niet alles bruikbaar. ‘Ik kies uit wat er het beste in past, in dialoog met een tekst.’

    De laatste jaren leverde ze de afbeeldingen voor verschillende boekomslagen, zoals voor de in het Nederlands verschenen romans van Eduardo José Agualusa, Raduan Nassar en Dulce Maria Cardoso.

     

    Is het anders om een foto bij een boek te zoeken dan bij een enkel citaat?

    ‘Meer dan dat ik foto’s maak, maak ik afbeeldingen. Een fotograaf maakt de keuze van portret- of documentaire fotografie. Bij mij gaat het om het detail, om kleur en de vorm. Ik heb een eigen stijl ontwikkeld. In Het uurwerk van de ziel is uitgegaan van een enkele zin en daar heb ik een beeld bij gezocht. Voor een boekcover is dat anders, dan zoek ik een beeld dat een reactie is op het hele boek, dat het verhaal moet weergeven. Voor de hommage aan Lobo Antunes heb ik voor een heel oeuvre beelden gezocht. Dat is duidelijk moeilijker. Ik heb dat toen in drie hoofdstukken ingedeeld: personages, scenario’s en geheugen.’

     

    Er komen weinig mensen op je foto’s voor, waarom is dat?

    ‘De foto’s die ik maak zijn fictie, net als literatuur. Ook mensen zie ik als fictieve personages. Laatst maakte ik een foto van een vrouw die haar hand naar het achterhoofd van een man beweegt. Ze zaten op een bank, ik zag ze van achteren. De zon scheen en ik fotografeerde hen op het moment net voor haar hand op zijn hoofd neerkwam. Dat is het dus, een hand die in de lucht blijft, dat is een verhaal. Je weet niet of zij überhaupt haar hand op zijn hoofd legt of weer terugneemt. En dat is fictie. Zo’n foto maak ik zo snel dat ik niet aan alles denk wat ik er in eerste instantie in zie. Als in een flits zie ik de huizen op de achtergrond, de brug en de twee personages op de bank. In basis is alles daar, de kijker kan er een verhaal van maken. Als ik iets zie, moet ik het direct kunnen fotograferen. Maar zelfs een foto die onscherp is, kan goed zijn. Kan ik gebruiken voor een tekst.’

     

     


    Past het bij deze tijd deze snelle manier van fotograferen?

    ‘Vroeger was er niet veel keus in het maken van foto’s. Je moest werken met de apparatuur die er voorhanden was. Met een digitale camera werkt het sneller, en dat past heel goed bij mij, hoe ik de werkelijkheid in fictieve beelden zie. Snel kunnen reageren is belangrijk voor mijn werk.’

     

    Welke kunstenaars hebben je geïnspireerd?

    ‘Het begon met het constructivisme in de schilderkunst. Ik herinner me dat ik in het Van Abbemuseum was en daar werk zag van de Russische kunstenaar El Lissitzky. De kleuren en de vormen, het was een openbaring voor me. Een ander moment was in een kerk in Rome waar een schilderij van Caravaggio hing. Het was er donker, ik kon het werk niet goed zien. Toen deed een bezoeker een munt in een apparaat en scheen er opeens licht. Het rood uit het schilderij sprong op me af. Ik heb het schilderij niet kunnen zien, alleen dat rood. Het was overweldigend en had een grote impact op me. Het enige dat echt indruk op me maakte van dat hele schilderij. Rood is zo rood bij Caravaggio, zo fel. Toen werd rood mijn kleur, wilde ik het gebruiken. Ook film noir is voor mij belangrijk geweest. De foto met de twee personages en de hand bijvoorbeeld is voor mij als een still uit een film, een fragment. En natuurlijk de fotograaf Cartier-Bresson, die werkte veel met schaduwen, lege plekken in het beeld.’

     

    Welke Portugese schrijver heeft veel voor je betekend?

    ‘Lobo Antunes was toentertijd voor mij echt een ontdekking, zoals voor veel Portugezen. Hij heeft de werkelijkheid zo goed beschreven, de koloniale oorlog, de revolutie. Bijvoorbeeld in De pracht en praal van Portugal, een heel sterk boek, en Fado alexandrino. Zijn stijl spreekt me erg aan. En ook José Saramago, hoewel niet alles van hem me aanspreekt, maar Memoriaal van het Klooster, heeft sterke beelden.’

     

    De titel van het boek ‘Het uurwerk van de ziel’ doet denken aan een citaat van Pessoa.

    ‘Nee, het is geen citaat van Pessoa. Ik was wel aan het werk voor een expositie van Pessoa over Rusteloosheid, toen het beeld daarvoor ontstond. Ik zette zinnen van Pessoa op papier en knipte die uit. Ik had ze op de tafel uitgespreid. De uitgeknipte woorden lagen over elkaar heen en het woord alma (ziel) was zichtbaar en daarnaast mijn horloge. Dan zie ik de grafische vorm erin en maak een foto. Daarna heb ik er kleur in aangebracht en dat werd de cover. In het Portugees is het ‘O Relógio da Alma’.

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Het uurwerk van de ziel (uitgeverij Koppernik).
    Deze link verwijst naar de site van Ana Carvalho.

     

     

  • Mensen en mistroostigheid in Lissabon

    Mensen en mistroostigheid in Lissabon

    Als ik opkijk van mijn polvo à Lagareiro zit hij aan het belendende tafeltje. Dat wil zeggen: de jongere versie van een zelf. Hij draagt al een brilletje, het snorretje heeft hij nog niet. Over het ontbreken van hoed, overjas en aktetas valt geen zinnig woord te zeggen. Op latere leeftijd zal hij zelden zonder gefotografeerd  worden.
    Het is mijn vierde dag in zijn stad aan de Taag. Gisteren bezocht ik zijn huis aan de Rua Coelho da Rocha, al woont hij daar al lang niet meer. Ik doorkruiste het Jardim da Estrala waar hij ook wel eens wandelde. Dronk wat in zijn stamcafé, in één van de vele. Zocht hem in straten waar ik hem vermoedde, maar vond hem niet. En nu zit hij naast mij.

    Als schrijver wil Fernando Pessoa voor mij maar geen mens van vlees en bloed worden. Ik weet dat hij een leven had, en zijn biografie bevestigt dat, maar de mythe waarmee dat leven omgeven is, maakt van Meneer ‘Persoon’ een personage. Fernando António Nogueira Pessoa was niet alleen Fernando Pessoa maar ook Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Álvaro de Campos, Bernardo Soares, António Mora en Barón de Teive, en dan had hij ook nog een stuk of wat pseudoniemen. Hij was heel veel mensen: honderdzevenentwintig om precies te zijn. Al is honderdzevenentwintig een voorlopige tussenstand. Vanavond is hij een jonge man met overtollig rughaar.

    Het is de derde keer dat ik in Lissabon ben. De eerste keer stapte ik over. De tweede keer flotterde ik in het kielzog van. Dit keer zoek ik het zelf uit. Ik heb Fernando Pessoa als gids overwogen, maar ik bleek het tempo waarin hij toeristen rondleidt niet bij te kunnen benen. Lissabon is geen wedstrijd. Bovendien wil ik niet alleen bezienswaardigheden bezoeken, maar ook mensen zien, en dan vooral alfacinhas (‘slakropjes’) die doen alsof hun stad niet wordt overspoeld door vakantiegangers.

    Zij lezen de stad zonder dat ze een kaart nodig hebben. Zij weten er blindelings de weg. Ik niet. Ik kan me onderweg niet verliezen in een gesprek. Ik zou zomaar verdwalen. Dat spijt me.
    Wat zou ik graag tot de ziel van Lissabon doordringen en een beetje thuis zijn in deze stad. Maar Lissabon zal altijd van anderen zijn. Van hen die haar verleden in hun genen meedragen en van hen die  verantwoordelijk zijn voor haar toekomst. Dat stemt weemoedig. Of is mistroostig een beter woord voor wat ik voel?

    Terwijl ik dit denk, en ondertussen geniet van mijn inktvis uit de oven, zit hij daar. Alleen. Zonder mobiele telefoon. Die in gedachten verzonken anachronistische jongeling. Hij is inmiddels uitgegeten. Nog even en dan moet ik hem laten gaan. Dan rekent hij af om vervolgens te verdwijnen in het labyrint dat deze stad voor mij is.

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:
    Het meervoudige leven van Fernando Pessoa – Ángel Crespo (vertaling: Barber van der Pol)
    Fernando Pessoa: vivendo e escrevendo, vol. 1 – Teresa Rita Lopes
    Het onbekende zelf: Fernando Pessoa – Octavio Paz (vertaling: August Willemsen)
    Lissabon: wat de toerist moet zien – Fernando Pessoa (vertaling: Adri Boon)
    Lissabon: een logboek. Stemmen, gezichtspunten en mijmeringen – José Cardoso Pires (vertaling: Catharine Barel en Arie Pos)

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Venetië en Oostende, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.