• Oogst week 49 – 2024

    Oogst week 49 – 2024

    Hout

    Erik Lindner (1968) heeft inmiddels twee romans en zes dichtbundels geschreven. Lindner is tevens oprichter van het tijdschrift Terras. Daarnaast schrijft hij recensies voor onder meer Ons Erfdeel, is adviseur en coördinator van het literaire programma van de Jan van Eyck Academie en docent poëzie van de Schrijversvakschool Amsterdam. Dit jaar verscheen zijn zevende bundel Hout. Het losse gedicht Hout verscheen al in 2021 bij Uitgeverij Druksel. 

    Lindners poëzie is bedachtzaam en schenkt aandacht aan wat zich aan hem voordoet. Zijn observaties worden in woorden vastgelegd zoals verf wordt aangebracht op een schilderij, ogenschijnlijk neutraal en afstandelijk, maar met verborgen emoties.

    ‘Klei fluit
     als je er water op gooit
     Ignace, de schep boven zijn hoofd
     staand in de put die hij voor zich groef
     met zijn spade een skelet doorklievend, het uitgravend
     het zwarte polshorlogebandje rond de tattoo op zijn arm
     materiaal dat geen vorm krijgt maar geluid maakt
     de regen valt op zijn rug als hij stuit op de klei
     die diep in de grond naar hem fluit

     een trein die bijna is aangekomen waarvan
     de slag over de bielzen vertraagt

     vuur laait manhoog op uit de put
     vlammen slaan om elkaar naar de lucht’



    Hout
    Auteur: Erik Lindner
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jullie weten niet wat liefde is

    Raymond Carver (1938-1988) is vooral bekend als schrijver van bondige en schijnbaar laconieke short stories, maar zijn poëzie doet daarvoor niet onder. Zelf zei hij dat hij als dichter begonnen was. Zijn gedichten kennen dezelfde minimalistische stijl als de verhalen en worden gekenmerkt door het fundamentele verlangen naar liefde en acceptatie. Jullie weten niet wat liefde is werd vertaald door Joris Iven.

    Opgegroeid in armoede was Carver tot zijn veertigste verslaafd aan alcohol, maar na een ommekeer in zijn leven schreef hij in tien jaar de verhalen en gedichten die hem tot een van de grootste Amerikaanse auteurs maakten. Zijn werk gaat meestal over mensen aan de onderkant van de maatschappij, relaties die stuklopen, de uitzichtloosheid van het leven en de troost van de drank. Carver was een van hen en hij vergat nooit waar hij vandaan kwam.

    Ook toen hij zijn leven veranderd had, bleef hij zich betrokken voelen bij deze mensen, over wie hij schreef zoals nooit iemand eerder had gedaan. Joris Iven is dichter en vertaler van poëzie. Hij vertaalde van Carver al eerder de bundel Where Water Comes Together with Other Water in Waar water samenvloeit met ander water (2015).

     

    Jullie weten niet wat liefde is
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: P

    Vuurbloem

    Roan Kasanmonadi (1995) is schrijver, moderne danser en psychiater in opleiding uit Rotterdam. Hij studeerde Geneeskunde en Filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en Moderne Dans aan de Fontys Dansacademie. Hiernaast is hij arts in opleiding tot psychiater en tot moderne danser. 

    Hij was in 2021 en 2022 onderdeel van Poetry Circle 010 en treedt geregeld op als spokenwordartiest. Roan Kasanmonadi debuteerde in september met de dichtbundel Vuurbloem en stond een maand later meteen op de 41ste Nacht van de Poëzie. 

    In zijn werk combineert hij abstracte associaties met alledaagse taal en verwijzingen naar popcultuur. In deze bundel schrijft hij over zijn zoektocht naar een plaats in de wereld en over het verlangen te ontsnappen, over hoe het leven je kan neerslaan en hoe je weer overeind moet krabbelen.

    ‘Driemaal kraait de haan als ik
     opnieuw een ongelezen boek in de kast zie staan
     het is ochtend in mijn jeugd
     ik vermoed dat het ochtend is
     een frisse decembermorgen
     sneeuw op ons beeldscherm
     nu er nog stroom bestaat
     laat het ijzer zich het beste smeden

     er is een haan bevroren
     op een ochtend in december’



    Vuurbloem
    Auteur: Roan Kasanmonadi
    Uitgeverij: Lebowski
  • Spoorzoeker

    Spoorzoeker

    De meeste sporen die we achterlaten vergeten we. De weg die je ging, wie je ontmoette, de liefde. Er geen actieve herinnering aan hebben (hier begrijp ik opeens Rutte beter), omdat je gaande was, anders was. Dat iemand niet actief in je geheugen zit, heet vergeten. Tot er iets gebeurt waardoor je toegang krijgt tot zo’n vergeten episode. Het overkomt Erik Lindner in 51 manieren om de liefde uit te stellen als hij op de aftiteling van een film een naam herkent.  ‘…en dan lees ik de naam Karmele Soler. Ze bestaat, hier is het bewijs dat ze werkelijk is, dat het geen verzinsel is.’
    Het is 1996 als hij dit na afloop van de film
    Tierra in een filmzaaltje in Amsterdam ziet. Het staat ergens midden in het boek, maar voelt als het beginpunt van de exercitie die Lindner aanging. Karmele is het beginpunt van dit verhaal. Daarna kijkt hij alle films waaraan zij meewerkte, leiden alle wegen naar Karmele. 

    Zo’n tien jaar daarvoor, jaren tachtig, was hij in San Sebastián om een stuk te schrijven voor een tijdschrift. Toen ontmoette hij de Baskische jonge vrouw Karmele Soler, een make-up specialist voor films, voor het eerst. Ze werden elkaars minnaars voor een week, toen moest hij terug naar Nederland. In de jaren daarna gaat hij nog eens terug met een boek, in de hoop haar te zien. Hij geeft het af bij het huis van haar vader, geen spoor van Karmele. 

    In de films waaraan zij meewerkte, speurt hij naar een teken van haar werk, het schminken. Het heeft iets romantisch (niet te verwarren met geluk). Als Lindner de film Palmeras en la nieve ziet waarvoor zij ook de schmink deed, schrijft hij. ‘Ze heeft haar sporen, haar handtekening achtergelaten op lichamen die op het scherm voor me op het veldbed liggen.’ Met deze beelden krast hij groeven in zijn ziel. Het verhaal intrigeert, de vrouw die hem bezighoudt, die hij zoekt en weer kwijtraakt, benadert en weer afstoot. Wat voor vrouw is dit? En wat voor man? 

    Ik moet dringend op zoek naar de dvd Hable con ella, gekocht in 2003 in Lissabon. Dit was wat we in die jaren met onze vrije dagen deden, met de Citroën Dyane vanuit Seia naar het driehonderd kilometer verderop gelegen Lissabon rijden. Een pension namen, boekwinkels bezochten, naar de FNAC om muziek, films te halen. In Hable con ella, (Pedro Almodóvar) heeft Geraldine Chaplin, de enige naam die ik kende, een bijrol, en van zanger Caetano Veloso, die er zichzelf in speelt. Ik vind hem in een doos op zolder, en zie, helemaal links onderaan in zeer kleine letters staat, ‘Maquillaje: Karmele Soler’. Daar is ze, vanuit het boek op de dvd in mijn hand, Hable con ella.

    Dit verhaal, de verhalen in de zijwegen die Lindner inslaat, ik ben er niet zomaar klaar mee. Het is een ontwikkelingsverhaal, een liefdesverhaal, een mentale ‘tour de force’, voor alles een rijk boek waarin alles de moeite waard lijkt. Er komen stukken in voor van de schrijver als jongen in Scheveningen waar hij opgroeide, over zijn werk als redacteur van een tijdschrift (denk Terras). En dan die films! Door alles heen ontstaan de lijnen van een plattegrond, wordt een mensenleven zichtbaar.

    ‘Maar zie haar wegen krullen op de kaart.
     Mijn leven dwaalt zo sierlijk: elke omweg
     lijkt de moeite waard.’ 

     

    Citaat uit het gedicht ‘Reisdoel’ van Marjoleine de Vos, uit: Hoe verschillig.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns met het raam open.

  • Een liefdesroman met de filmwereld als decor

    Een liefdesroman met de filmwereld als decor

    De roman 51 manieren om de liefde uit te stellen van Erik Lindner bestaat uit een lange reeks korte, titelloze hoofdstukken. Het boek begint met een inleiding van amper een bladzijde lang, waarin de ik-figuur zich afvraagt: ‘Kan ik iemand tevoorschijn schrijven die er niet is?’ Een vraag die aan het eind van het verhaal herhaald wordt en de lezer uitdaagt het antwoord te geven. De roman is een chronologisch opgebouwd verslag van de liefde die de ik-figuur opvat voor Karmele, een vrouw die opgeleid is in de grime- en opmaakstudio van haar moeder en die ambities heeft om zich verder als maquillista (visagiste) te vestigen in de filmwereld. De chronologie van het verslag wordt geregeld onderbroken door een hoofdstuk tussen twee asterisken te plaatsen. In zo’n hoofdstuk wordt van ruimte gewisseld, hoewel niet altijd duidelijk wordt welke ruimte dat is.

    Karmele Soler

    Karmele en de ik-figuur ontmoeten elkaar in de Baskische stad San Sebastián, die gelegen is aan een baai van de Golf van Biskaje. Het is een aantrekkelijke badplaats voor toeristen en bekend vanwege zijn internationale filmfestival dat al sinds 1953 daar gehouden wordt. De ik-figuur werkt als journalist aan een tijdschriftartikel over het onafhankelijkheidsstreven, de culturele eigenheid en de identiteit van de Basken. Hij ziet Karmele met een vriendin een bar binnenkomen, maar het eerste oogcontact wordt vanuit het perspectief van Karmele beschreven: zij zwaait bij haar vertrek naar de ik-figuur die naast de dj zit te schrijven.

    De dagen daarna ontwikkelt zich in snel tempo het contact tussen de twee: van elkaar verhalen vertellen over hun werk tot vrijpartijen in het appartement van Karmele, die voor de ik ‘een geur tussen Carmen en karamel’ heeft. De taal geeft problemen, maar belemmert niet hun hartstocht voor elkaar. De ik-figuur spreekt geen Spaans en Karmele geen Engels, om die reden verlopen hun gesprekken moeizaam in het Frans, een taal die ze beiden niet goed beheersen. Karmele is geen fictief personage, maar een bestaande Baskische visagiste die in de internationale cinema belangrijke prijzen heeft gewonnen, zoals de Goya-prijs (2012) voor de grime in La piel que habito, van regisseur Pedro Almodóvar en de Zinemira Award (2015), een oeuvreprijs voor 25 jaar grimeren en kapsels verzorgen in ruim 50 films. De roman is hierdoor niet alleen een liefdesroman, maar tevens een eerbetoon aan Karmele Soler, zoals ze in werkelijkheid heet. 

    Een afstandelijke aanwezigheid

    Wanneer Karmele aan het werk is, verzamelt de ik-figuur materiaal om verder aan zijn artikel te werken, maar sinds zijn ontmoeting met Karmele is zijn motivatie om dat te doen duidelijk minder geworden. Daarbij wordt in de roman duidelijk dat Karmele na hun kennismaking in San Sebastián nog amper contact met de ik-figuur zoekt. Ze concentreert zich volledig op haar werk in de internationale cinema. Wat 51 manieren om de liefde uit te stellen tot een bijzonder boek maakt, is het noemen en navertellen van talloze Spaanstalige films, die in verband worden gebracht met het reilen en zeilen van de ik-figuur.

    De inhoud van de genoemde films loopt parallel met de gevoelens van de ik-figuur en geeft hem een zekere mate van inzicht in de activiteiten van Karmele. Althans, hij denkt dat het zijn inzicht is; in feite is het meer zijn verbeelding die geactiveerd wordt. Opvallend is de verwijzing naar punk- en rockgroepen in de roman, zoals de Engelse groep Wire, Nick Cave en de experimentele band Tuxedomoon uit Californië. Daarnaast wordt ook ‘Pirate Jenny’ van Kurt Weill en Bertolt Brecht in de uitvoering van Nina Simone vermeld. De teksten van de songs worden in de tekst verbonden met de ervaringen van de ik-figuur. 

    Verhalen van films

    Mooi is de verwijzing naar de verfilming van De kus van de spinnenvrouw (1976) van de Argentijnse auteur Manuel Puig. Molina, een veroordeelde homoseksueel, en Valentin, een marxistische verzetsstrijder, zitten in een gevangeniscel in Buenos Aires. Molina vertelt ’s nachts verhalen aan Valentin om de tijd te doden; hij wordt door de geheime politie gedwongen om Valentin informatie te ontfutselen. Ook 51 manieren is gebouwd op verhalen van films die de ik-figuur ziet op momenten dat hij niet in de buurt is van Karmele. De ik-figuur en Karmele lijken in de 23 jaar waarin ze elkaar niet zien uit elkaar te groeien. Het verlangen van de ik-figuur wordt sterker, elke keer wanneer hij een film ziet waaraan Karmele meegewerkt heeft. Het telkens opnieuw wachten van de ik-figuur op de aftiteling van de film waarin de naam van Karmele vermeld staat krijgt iets aandoenlijks. Zo komt Karmele steeds meer in de ik-figuur tot leven. Voor de ik-figuur is zij de vrouw ‘die ongezien is omdat ze mensen mooi maakt.’ De films, waarin Karmele als visagiste werkt en die de ik-figuur ziet, zijn hun deelgenoot.

    De titel, 51 manieren om de liefde uit te stellen wekt de nieuwsgierigheid. Na het schrijven van een artikel en het schrijven van brieven aan Karmele die niet beantwoord worden, gaat de ik-figuur korte teksten schrijven: ‘Ik noem ze manieren om de liefde uit te stellen en het moeten er in totaal 51 worden zodat ze uitgegeven kunnen worden als kaartspel.’ Hij onttrekt één kaart aan het spel: een vrouw, een aas, een joker of eventueel een instructiekaart. De kaarten zijn voor de ik-figuur een speels alternatief voor brieven of artikelen schrijven. Het is voor hem een vastlegging en een cultivering van zijn eigen uitstelgedrag. Zo creëert hij een ‘afstandelijke aanwezigheid’ van Karmele. Iets van: ze is er niet, maar toch weer wel.

    Zorgvuldig verteller

    De roman is een construct. Soms bewandelt de auteur teveel een zijspoor, maar er is geen sprake van een blokkerende werking op het verloop van dit liefdesverhaal op afstand. Dat komt mede omdat Lindner niet alleen binnen zijn romanwerkelijkheid, maar ook in de samenvattingen van de films een zorgvuldig verteller is. Hij heeft, als het om beschrijvingen van steden en dorpen gaat, een sterk visueel geheugen en is een goed waarnemer en een bekwaam stilist. Elke plaats die hij bezoekt, beschrijft hij nauwkeurig tot in de kleinste details.

    Deze roman is een aantrekkelijk boek voor filmliefhebbers. Vooral bekende Spaanse films worden genoemd, besproken en gekoppeld aan het leven van de verteller. Om er enkele te noemen: Tierra (1996) van Julio Médem, Hable con ella (2002) van Pedro Almodóvar en El olivo (2016) van Icíar Bollaín. Voor wie de films gezien heeft die in de roman een rol spelen, krijgt de inhoud van het boek meer betekenis. Je kunt het ook omdraaien: na het lezen van deze roman ben je geïnteresseerd geraakt in de genoemde films en wil je deze alsnog gaan zien. Dat zal een verrijking van de leeservaring zijn. 

     

  • Oogst week 2 – 2020

    Vanuit het duister stralend licht

    De oogst van dit nieuwe jaar bevat twee titels uit het oude jaar, waaronder een literair tijdschrift, een nieuwe uitgave van de duizend-en-één-nacht vertellingen en de deze week verschenen roman over David Livingstone.

    Toen de Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone in 1873 in een klein gehucht in West-Afrika overleed, besloten zijn rouwende bedienden zijn lichaam naar de dichtsbijzijnde havenstad te brengen om hem te verschepen naar zijn thuisland voor een waardige begrafenis. Een tocht van tweeënhalf duizend kilometer wordt te voet afgelegd, het ontzielde lichaam van Livingstone op schouders gedragen. Met dit gegeven, en na veel onderzoek naar de feiten, schreef de in Zambia geboren schrijfster en advocate Petina Gappah de roman Vanuit het duister stralend licht. Ze heeft voor deze roman meer dan tien jaar historisch onderzoek gedaan, maar benadrukt dat het een roman is. In de proloog wordt op de geschiedenis vooruit gelopen: ‘Tijdens de lange, gevaarlijke tocht om hem naar huis te brengen, verloren tien leden van ons gezelschap het leven.’ Het verhaal van de tocht wordt verteld vanuit twee perspectieven, de mondige Halima en de diepgelovige Jacob.

    Vanuit het duister stralend licht
    Auteur: Petina Gappah
    Uitgeverij: AtlasContact

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht

    De verhalen uit Duizenden-en-een-nacht zijn zo oud als de mensheid. Aanvankelijk dacht men dat de verhalen oorspronkelijk Perzisch waren. Later ontdekte men dat deze verhalen afkomstig zijn uit verschillende Arabische landen, deels van het Indiase subcontinent en uit Afrika. Het verhaal gaat dat het meisje Sjarazaad zich vrijwillig aanmeldt als een van de meisjes die koning Shahriaar elke nacht uit het volk kiest om met haar te slapen, de volgende ochtend wordt het meisje van die nacht omgebracht. Dit, omdat de koning eens bedrogen werd door zijn vrouw, wat hem niet weer zal gebeuren als hij ze steeds ombrengt. Maar Sjarazaads vertelt hem elke nacht zo’n mooi verhaal dat hij hongert naar meer. Ze houdt dit 1001 nachten vol, waarna de koning zoveel van haar houdt dat hij haar tot zijn definitieve vrouw maakt. Wat een mooi sprookje, en al haar verhalen zijn over de hele wereld heen vertaald. Richard van Leeuwen vertaalde al in de jaren negentig deze erotische sprookjes. Voor deze uitgave koos Van Leeuwen de mooiste passages die Floris Tilanus met prachtige pentekeningen illustreerde.

    De vertellingen van duizend- en-één-nacht zijn veelal liefdesverhalen, erotische passages, (imaginaire) reisverhalen en zelfs schelmenromans.

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht
    Auteur: Gekozen en vertaald door Richard van Leeuwen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Terras

    Het halfjaarlijkse literaire tijdschrift Terras bevat net zoveel pagina’s als waarin een goede roman verteld wordt. Deze zeventiende editie draagt het thema ‘Theater’. De redactie onderzocht wat er met een tekst gebeurt als je hem in het theater brengt. En wat je moet doen met een tekst om er theater van te maken. En vervolgens: wat gebeurt er als een toneeltekst in een literair tijdschrift verschijnt? Van Terras is bekend dat het de literaire grenzen opzoekt, eroverheen gaat, zo ook met het thema ‘Theater’. Met een niet eerder vertaalde theatertekst van schrijver Roland Barthes, De kracht van de klassieke tragedie, in vertaling van Walter van der Star. Een stuk uit 1968 van de Italiaanse auteur en filmmaker Pier Paolo Pasolini, Manifest voor een nieuw theater, vertaald door Piet Joostens, is gericht aan ‘De lezers’ en begint zo:
    ‘ 1) Het theater waar jullie op zitten te wachten zal, ook al is het volkomen nieuw, nooit het theater kunnen zijn waar jullie op zitten te wachten. Immers, als jullie op een nieuw theater zitten te wachten, dan doen jullie dat onvermijdelijk in de context van de ideeën die jullie al hebben, meer nog, iets waar jullie op zitten te wachten is iets wat op een bepaalde manier al bestaat.’ Wat een meesterlijke gedachte is en waarmee de redactie van Terras voortschrijdend uit de voeten kan; niets is volgens de verwachting in dit tijdschrift, maar des te prikkelender als je je erin verdiept. En wie verdieping zoekt, komt terecht bij Terras.

    Verder bevat dit nummer onder meer bijdragen van de Cubaan Carlos A. Aguilera, de Noor Johan Harstad, de Zwitser Jürg Federspiel en de Oostenrijkse Kathrin Röggla. Binnen het Nederlands taalgebied haalden ze toneelauteurs Bruno Mistiaen en Dounia Mahammed uit de literaire schaduw.

     

    Terras
    Auteur: Onder redactie van Kim Andringa, Tommy van Avermaete, Herman van Bostelen, e.a.
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Het witte schuim

    Het witte schuim

    Al enige tijd dompel ik mij onder in het werk van verschillende componisten die in Nederland wonen en werken, of – in een enkel geval – woonden en werkten. Dit ter voorbereiding van een cursus voor de Volksuniversiteit Amsterdam die ik met een oud-collega, filmer en musicus Patricia Werner Leanse, in mei bij voldoende aanmeldingen hoop te gaan geven. Op dit moment is Willem Jeths aan de beurt, oud-Componist des Vaderlands. Ik ben altijd al erg gecharmeerd geweest van zijn muziek, maar hoe leg je nu duidelijk uit waarin hem dat zit? Maar zie daar: opeens kwam een gedicht van Erik Lindner te hulp uit zijn recent verschenen bundel Zog (het spoor dat een schip achterlaat). Er zijn grote overeenkomsten tussen dit gedicht en Jeths compositie Flux/Reflux (Eb en Vloed) en kleine accentverschillen.

    In de eerste plaats zijn beide een uiting van muziek, klank en ritme. Luister maar hoe de dichter een van de gedichten voorlas in een uitzending van VPRO Boeken (12 maart jl.) waaruit hier twee gedeelten:

    Branden – randen van de wolken
    zeilend – meeuwen als de wind aanzwelt

    surfers op hun buik als drenkelingen

    (…)

    hoe een golf omslaat
    en pas daarna schuim maakt

    hoe het witte schuim van een nieuwe golf
    als een tong door bruin gedroogd schuim glijdt

    (…)

    Lindner schrijft het in twee regels op, en eentje – over de surfers – die eruit springt en die na de bootvluchtelingen een ander beeld oproept dan van een golf die op je afkomt en zich weer terugtrekt.
    Zo componeerde ook Willem Jeths zijn orkestwerk Flux/Reflux dat wij tijdens die cursus van de Volksuniversiteit zullen laten horen. Hierin worden ook golven verklankt die op het publiek toekomen en zich weer terugtrekken. Om dit effect te bereiken schrijft Jeths een plaatsing in een V-vorm voor van de strijkers op het podium met daarachter het slagwerk en de blazers.
    Het werk is geschreven na de dood van zijn moeder en van zijn compositieleraar Tristan Keuris en is opgedragen aan de weduwe van Keuris, Marion. De dood komt voor in het midden van het stuk, waarin een dodenmars met vibrafoon en klankschalen valt te horen.
    Water staat vaak symbool voor de dood, maar er is ook zoiets zoals Shakespeare verwoordde:

    Genade (…)  
    drupt, als zachte regen uit de hemel
    op aarde neer, en brengt een dubbele zegen:
    zij zegent hem die geeft, hem die ontvangt.

    Iets daarvan proef ik ook in de laatst geciteerde regels van Lindner, waar hij het heeft over een nieuwe golf. Na het donkere midden van Jeths gaat ook zijn stuk verder. De rouwstoet is weggetrokken. Het werk eindigt hoog en ijl, als wit schuim dat weg spat en neerdaalt.
    Een dubbele zegen: dat is het werk van Lindner en Jeths, voor lezers en luisteraars.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Terras 04 – Berlijn

    Het gaat goed met Duitsland. Praten we in Nederland over weinig anders meer dan crisis, bezuinigingen en werkloosheid, in Duitsland lijkt het alleen maar goed te gaan. U gelooft me niet? Neem dan eens een willekeurig literair tijdschrift en bespreek het zonder de woorden ‘bezuinigingen’, ‘voortbestaan’ en ‘subsidie’ te gebruiken. Als het u lukt neem ik mijn spreekwoordelijke hoed voor u af.

    Het vierde nummer van het literaire tijdschrift Terras is gewijd aan de Duitse hoofdstad Berlijn. En misschien is het daarom dat men bij de bespreking ervan niet de minste behoefte voelt woorden als ‘bezuiniging’ of ‘crisis’ te gebruiken. Misschien komt het omdat Terras herrezen is uit de as van het tijdschrift Raster dat in 2008 ophield te bestaan. Wie de dood heeft overleeft is nergens meer bang voor. Terras ademt in elk geval leven en rijkdom, kwaliteit en behaaglijke uitbundigheid.

    Berlijn wordt door Terras gepresenteerd als een centrum van een mondiale poëtische kracht. Oost, West, binnen- en buitenland, oud en nieuw worden hier moeiteloos verenigd. Dit nummer bevat meer dan 200 bladzijden vol met voornamelijk poëzie, maar ook proza en essays, al moet gezegd worden dat zowel proza en essays erg poëtisch aandoen. De opgenomen schrijvers komen uit Oost en West, heden en verleden, en binnen- en buitenland. Alle schrijvers wonen of woonden in Berlijn. Dit nummer bevat behalve veel uit het Duits vertaalde teksten ook gedichten van de Canadees Ken Babstock, de Amerikaan Peter Gizzi en de Française Michèle Métail.

    Het nummer is prachtig verzorgd en leest als een bloemlezing moderne poëzie. Aan geruststellende inleidingen ontbreekt het niet want bijna iedere dichter wordt voorgesteld met een wervend stuk van de vertaler. Geruststellen is hier en daar wel op zijn plaats want Terras heeft een duidelijke voorkeur voor het experiment.

    ‘Experimenteel’ impliceert voor sommigen wellicht ontoegankelijkheid als het om poëzie gaat, maar ontoegankelijkheid ontstaat pas na de soms bijna onverwoestbare aanname dat een gedicht geanalyseerd en begrepen moet worden. Wie moeite heeft deze aanname los te laten doet er goed aan om Ilja Leonard Pfeiffers essay De mythe van de verstaanbaarheid (2000) eens te lezen.

    ‘Je moet afleren je zorgen te maken over de oplossing van het cryptogram. (…) Je moet je analytische hoofd, dat wil snappen hoe het zit, afschroeven.’

    Deze woorden van Pfeiffer lijken hier goed op zijn plaats. De Berlijnse dichteres Monica Rinck lijkt Pfeiffers poëtica te delen als ze zegt ‘Ik wil ook niet alles begrijpen. Dit gaat zover dat ik bijvoorbeeld in sommige gedichten van Ezra Pound woorden die ik niet begrijp opzettelijk niet opzoek…’

    Vertaalster Miek Zwamborn die Rincks poëzie hier inleidt, geeft ook toe dat ze er in eerste instantie ‘geen touw aan vast kon knopen.’ Ze vergelijkt Rincks teksten met de nesten van prieelvogels waarin allerlei kleurige objecten verzameld zijn. Dat is een aardige vergelijking waarbij aangetekend moet worden dat ook in tweede en derde instantie wij nog weinig aanknopingspunten voor een touw kunnen vinden. Maar mooi is het wel:

    Horen jullie dat? Zo honen honingprotocollen, roodgouden, fraai, pasteus:
    kleverigheden. Pluis. Wat de honing bindt: protocollen.
    Bevlokte unies op grijs- tot grijsblauwe tricotstof. Mensen.
    Zullen. Hangen. Blijven. Net als zaden en pollen. Zoetheid van de lucht.

    De opvallendste dichter in dit nummer, is Ulf Stolterfoht. ‘Nederland kan een injectie Stolterfoht goed gebruiken,’ meent Terras-samensteller Erik Lindler en inderdaad onderga je deze poëzie als het effect van het onderhuids inspuiten van het één of ander. Maar wat is het in vredesnaam dat in de bloedbaan terecht komt? Na het lezen van zijn gedichten heb ik geen enkel idee maar de woorden ‘roezeboom en sijsjesheid’ nemen ze me niet meer af.

    Stolterfoht gebruikt zogenaamde Fachsprache als basis van zijn poëzie. Vaktaal, jargon ergens opgepikt en opgeknipt, verdraaid en verwrongen. Een klein voorbeeld uit het gedicht ‘para-vel beziet de huid’ waarin Stolterfohts omgang met leerlooiers is verwerkt.

    ten geleide: toen ik ongeveer twintig jaar geleden in ’t instituut
    de analyse overnam stond men semantisch tegen de muur. dit beslist
    ook als bedoeld in: niets betekende meer iets. grotendeels
    lusteloos villen. dat dachten we althans. de laatste
    oorlog deed de rest. volledig in ’t lab doorgebracht. afgestapt.

    Terras’ goed verzorgde website biedt zelfs een voorlezende Stolterfoht in beeld en geluid.

    Een andere interessante bijdrage in dit nummer is een poëtisch essay van nobel- prijswinnaar Herta Müller. ‘Altijd dezelfde sneeuw en altijd dezelfde oom’ gaat heel toepasselijk over wat anderen al gauw de ontoereikendheid van de taal zouden noemen. Maar die kort-door-de-bocht formulering is Müller duidelijk te makkelijk. Zij geeft aan de taal niet te vertrouwen en worstelt met formuleringen van belangrijke ervaringen. ‘Wanneer je precies wilt zijn in je beschrijving, dan moet je in de zin iets vinden dat heel anders is, pas dan kun je precies zijn.’

    Het is een prachtig essay dat juist hier tussen alle poëzie goed op zijn plaats is. De boodschap is glashelder en legt precies de vinger op de poëtisch gevoelige plek. Alleen voor dit essay zou je dit nummer al aanschaffen.

    Er is veel te beleven in dit nummer, teveel om hier uitvoerig te beschrijven. Wie kritisch wil zijn kan opmerken dat het wel erg serieus is allemaal. Al kun je om Rinck heel af en toe wel lachen en ook Stolterfoht probeert met lichte toetsen zijn materie wat minder zwaar te maken maar de algehele indruk is toch die van poëzie met een hoog soortelijk gewicht. De kwaliteit van veel van deze gedichten laat zich dan ook bijna in grammen uitdrukken. Stolterfoht weegt daarbij het zwaarst, gevolgd door Rink.

    Een welkome uitzondering tussen de zwaargewichten is Tilman Rammstedt die vrolijk drie pagina’s vol schrijft met een fantasie over een te houden feest. Twee van de drie pagina’s zijn erg goed en het voorlezen waard. Dit zijn de openingszinnen:

    Nu is het zover. Nu moet het gevierd worden. Het moet nu eindelijk gevierd worden. Nu moet je haar goed zitten. Nu moeten de gasten komen. Nu moet de muziek inzetten. Het buffet is geopend.

    Het moet nu eindelijk gevierd worden. Er is een aanleiding. Neem buitenspullen mee. Neem zwemspullen mee. Je wordt thuis gebracht. Dat spreekt vanzelf.

    En voort gaat het in een al feest vierende opsomming van plezier, maar helaas weet Rammstedt de vreugde net niet tot het einde toe door te zetten. Het feest gaat als een dovend peertje uit.

    Echt zwaar, maar dan in negatieve zin, wordt het tijdens het lezen van ‘Sociale Poëtica’ van Guido Graf, gevuld met beschouwingen over Erb, Rinck, Popp en Stolterfoht (die, op Popp na, allen in dit nummer vertegenwoordigd zijn). Graf produceert zinnen als ‘Voorzetselprefixen schrappen in samenstellingen is een daad tegen de tijd, tegen de duur die het gebruik van een woord, van een zin, van een wending in beslag neemt.’ Ben je in het begin nog geneigd dit essay als een voortzetting van het poëtisch experiment op te vatten, na anderhalve bladzijde wordt het tijd om door te bladeren. Maar, zoals gezegd, er is veel te beleven in dit nummer en het essay van Graf is dan ook gauw vergeten.

    Dit nummer van Terras is in meerdere opzichten geslaagd. De afzonderlijke teksten vormen een sterk geheel en veel auteurs zullen voor Nederlandse lezers onbekend zijn. De redactie van Terras rantsoeneert de pagina’s bepaald niet; auteurs krijgen flink de ruimte. Zo krijgt dichteres Marion Poschmann elf bladzijden voor haar gedichten. Collega Lutz Seiler mag het met maar liefst veertien doen. Op deze manier leer je tenminste nieuwe dichters kennen.

     

  • Internationale poëzie en Strak proza in Terras en De Revisor

    In de eerste editie van Terras,  geeft de achtkoppige redactie (waaronder Micha Andriessen, Kim Andriga, Erik Lindner, Hélène Gelèns en Miek Zwamborn) toe dat de naam Terras niet toevallig een anagram is van Raster (1977-2008). Raster is de inspiratiebron waar de redactie op vaart. De redactie is tevens de bewaarder van de literaire erfenis van Raster met een website. Evenals voorheen Raster, richt Terras de aandacht vooral op internationale literatuur.

    In het nulnummer van Terras ligt het accent op poëzie. Erik Lindner schreef een mooi portret van de Chinees-Taiwanese dichter Shang Ch’in (1930-2010). Op 15 jarige leeftijd wordt Shang Ch’in opgepakt door plaatselijke troepen en in een schuur opgesloten. Een schuur vol literatuur, waar hij eerst niets mee doet maar die hij later gaat lezen. Hierna volgt een leven van gevangenschap en ontsnappingen. Vanaf 1955 schrijft hij prozagedichten. Lindner ontmoette Shang Ch’in tweemaal in zijn leven waarover hij een mooi verslag schreef.
    Lindner is ook verantwoordelijk voor de inleiding bij de gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson in vertaling van Bernlef.

    De dichter K. Michel vertaalde de gedichten van de Amerikaan Russel Edson (1935) en schreef een inleiding op zijn werk, ‘nagenoeg allemaal prozagedichten die nog het meest doen denken aan duistere sprookjes’. Michel typeert Edson als een een soort kruising van Beckett, Charms, Michaux en Gerdrude Stein, waarbij hij zich tegelijk afvraagt wat deze typering bijdraagt aan het beeld van Edson. Als kennismaking met deze relatief onbekende dichter biedt het in ieder geval een kader voor wie hem kennen wil. Luister: ‘En zo kwam de zon door het raam van een kamer en wekte / een persoon die koffie schonk uit een mok in zijn hoofd.’ (Uit het gedicht: Verschijning)
    De poëzie van de Australiër Les Murray wordt ingeleid door Mischa Andriessen, waarbij hij ingaat op de ‘in een veelheid  aan vormen gevangen tegestrijdigheden’ van Murray’s poëzie. Hélène Gelèns gaf zich gewonnen voor de poëzie van de Duitse dichteres Monika Rinck met het gedicht, ‘vijver’.
    Van de Fransman Pierre Michon, een fragment uit zijn onlangs gepubliceerde boek, Elf.

    En een verhaal van de Amerikaanse schrijver Richard Powers (1957), Gemeten maten. Waarin Powers een mensenleven afmeet tegen de leesgeschiedenis van een boek. De inleiding hierop werd geschreven door Jan Pieter van der Sterre.
    Bijdragen (zonder inleiding) werden geschreven door Janneke Wesseling, Tonnus Oosterhoff, Jan Baeke en Anneke Brassinga, auteurs van eigen bodem waarbij de redactie er waarschijnlijk van uitging dat zij geen voorspraak nodig hebben. Terras toont zich veelzijdig in haar opgenomen stukken. Enige minpunt is de layout, die leest niet prettig. Het geeft een wat rommelige indruk en dat heeft te maken met de inleidingen die steeds in twee kolommen per pagina gedrukt zijn. Hiermee wordt de illusie van een krantenpagina gewekt, maar de bladzijden zijn duidelijk te klein om met twee kolommen te werken.

     

    In de tweede editie van De Revisor, die toch net even wat lekkerder oogt en in de hand ligt, veel sterk proza. Het lastige met een literair tijdschrift is dat er een grote verscheidenheid aan literatuur in staat. Soms, heel soms kun je niet verder lezen, na een verhaal zoals De stok van Bart Koubaa, waardoor alle andere bijdragen in het niets verdwijnen. In een ritmisch dwingende stijl verhaalt Koubaa over een jongeman en een stok, die hij vond toen hij veertien was. Een is een rusteloze, ontheemde jongeman voor wie die stok het enige kader in zijn leven blijkt. Het is een gewelddadig verhaal, zonder dat er daadwerkelijk geweld in voor komt. Achter de woorden (niet ertussen, want die zijn hermetisch gesloten) is een wereld voelbaar van angst en voortvluchtig zijn. Adembenemend verteld.

    Elke Geurts schreef Terug naar huis. Het verhaal wordt verteld door de 15-jarige Erica, die samen met haar ouders in het ziekenhuis is waar haar doodzieke babyzusje Summer is binnengebracht. Een gezin dat niet in orde is. De moeder en vader zijn niet sterk begaafd en dochter Erica voelt zich voor het welzijn van haar zusje verantwoordelijk. Maar het verplegend personeel stuurt haar, als minderjarige, naar huis. Erica is een sterk karakter, met veel  ontwijkend gedrag. De scène waarin ze, alleen in de taxi naar huis wordt gebracht, verklaart veel. En zo zijn er meer, veel meer mooie stukken proza in De Revisor van onder meer Sanneke van Hassel, Rob van Essen, Richard de Nooy, een echt kort verhaal van Gerbrand Bakker en een intrirgerende brief(wisseling) in Je sneeuwvlokje, Brieven aan Christophe Vekeman, van Peter Terrin. Victor Schiferli schreef een mooie reeks gedichten met De man van vroeger. Meer gedichten van o.a. Martijn den Ouden (die vorig jaar debuteerde met Melktanden), Anneke Brassinga en Hans Groenewegen. Jan van Mersbergen schreef een essay getiteld Helden, slachtoffers, rampen. Erik Lindner ontmoette Colin Newman, voorman van de punkband Wire. Hij was ooit fan, maar is inmiddels de punk ontgroeid. Des te beter kan hij de band volgen in hun ontwikkelingen. Want het ‘venijn’ van punk is geheel uit Wire verdwenen.

    De Fransman Daniel Cunin is literair vertaler, hij schreef: Van Duinkerken tot Vlieland, van Hadewijch tot Hafid. Het is de visie van een Franse lezer over de Nederlandse literatuur. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Daan Stoffelsen schreef het redactionele stuk, een zoektocht – met veel vragen en twijfels -naar literatuur. De Revisor: een literair avontuur.

     

    Terras
    Uitgeverij Perdu
    verschijnt 3 x per jaar
    Prijs los nummer: € 12,50
    Abonnementen: € 30,-

    De Revisor
    Uitgegeven door:
    Querido / Stichting De Revisor
    verschijnt tweemaal per jaar
    Prijs los nummer: 19,95

     

  • Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    De vierde bundel van Erik Lindner ziet er als volgt uit: over de voor- en achterzijde van de bundel loopt een grote foto. Een rood dienstwagentje met Chinese karakters op de voorruit staat op een parkeerterrein. Achter het wagentje staat een hoge muur, in volle breedte van de foto, de muur is wel een meter of zes, zeven hoog. Boven de muur een stukje lucht, een luidspreker, in de verte een viaduct met verkeer, gebouwen. Meer in de nabijheid een verkeerslicht op rood en een verkeersbord dat verbiedt links af te slaan. Links onderin de foto, aan de achterzijde van de dichtbundel dus, een deur die open staat, met een hek ervoor.

    Nu gaat het om de muur. Op de muur is een veel rustieker beeld geschilderd, of mogelijk zelfs in zeer fijn mozaïek ingelegd. Het is een gezicht op een park, oude bomen, gras, een pad, bankjes aan het water, in de verte – na het water – wel weer een stad.

    Het rode wagentje op het parkeerterrein staat zo geparkeerd dat hij ook geparkeerd kan zijn op het brede pad, dat in het park leidt, naar het vergezicht toe, het water met de bankjes. Wie de bundel vast heeft denkt een ogenblik naar het parkplaatje te kijken, dan verschuift zijn aandacht en ziet hij de muur, de stad die hij erachter vermoedt.

    Zo’n foto op een omslag zegt een aantal dingen: ‘We laten ons in de luren leggen door wat anderen willen dat we zien.’ ‘We hebben geen kennis van wat zich achter de muur bevindt.’ ‘We houden van bomen, maar leven in de stad.’ Maar ook: ‘voor wie goed kijkt staat er een deurtje open’. Of, ‘alleen al iets beter kijken toont in elk geval wat er boven de muur nog aan werkelijkheid overblijft.’

    Het is dit soort denken dat ook in de bundel in 27 gedichten steeds weer gestalte krijgt. De lezer neemt iets waar, maar is het dat wel? De poëzie van Lindner ontwikkelt zich tot een staccato bijna subjectloze waarnemingpoëzie:

    ‘De laadklep van het schip opent boven de kade
    schuift heen en terug over steen

    vlaggentouwen slaan tegen palen
    in een handpalm klikken kralen tegen elkaar

    een man dweilt met opgetrokken schouders
    de door televisieschijnsel verlichte winkelvloer

    een vrouw staat in een stoel om een kaars aan te steken

    wier opgehoopt in een baai
    een bestelwagen draait stationair

    kinderen zitten tussen plastic zakken
    hun knieën tegen de borst

    op de loopbrug rollen mensen koffers voor zich uit

    midden in de passage is een gat
    boven een tafel vol zaagsel

    vanaf een mast schijnt licht op het water
    scheepstouwen spannen voor de boeg.’

    Net als op de foto weet de lezer niet wat-er-achter-de-muur-is. Dat wil zeggen: de dichter somt op, dingen die hij ergens hoort en ziet. Het lijkt wat op zo’n omineuze scène in een spaghettiwestern, de wind beweegt het stalen uithangbord van de barbier, een dorre struik rolt door de wind aangedreven door de straat. De hoofdpersoon kijkt met tot spleetjes geknepen ogen hoe vlaggentouwen tegen de palen slaan. Ennio Morricone op de achtergrond. Lindner is de cowboy van hier en nu.

    Maar Lindner doet wat meer dan deze cowboy, Lindner neemt dingen waar die niet helemaal lijken te kloppen. Midden in de passage is een gat boven een tafel vol zaagsel? Dat klinkt als sabotage. En mensen die op een loopbrug koffers voor zich uitrollen. In een stoel staan om een kaars aan te steken?

    In het gehele eerste deel van deze bundel, Steiger en boeg wordt op deze aanstekelijke manier de lezer met een regen van waarnemingen overspoeld, waarvan de druppels tussen nek en kraag belanden. Lindner laat de lezer bijna zelf, authentiek, waarnemen, doordat hij zo gepast op afstand blijft. Dat is een kwaliteit. Dat maakt een verklarend slotakkoord aan die reeks bijna overbodig:

    ‘Herstel wat veraf is. Onderdruk wat
    vooraan staat. Kiept het kantelraam
    en duikelt de kijker in de tuin.’

    Het voorbehoud van  de dichter

    De drie afdelingen in deze bundel, ‘Steiger en boeg’, ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’, ‘Acedia’, worden elk voorafgegaan door een opmaat, 1 gedicht dat de toonhoogte aangeeft, of juist de lezer ontstemt. Het zijn bijvoegsels die het hooggestemde niet-weten van de bundel wat doorbreken, maar het zijn voor de gelegenheid niet de sterkste. Het sterkste blijkt Lindner in juist de acedia, ook de titel van de laatste reeks. ‘Acedia’ is de benaming voor de gemoedsgesteldheid waaraan asceten en solitair levende monniken wel eens gaan leiden. De staat van desinteresse in de eigen positie in de wereld, die leidt tot verzuim, maar ook goed gedefinieerd kan worden als een slordig soort gelatenheid. Het is in zichzelf al een voorbehoud de naam van deze afdeling. De dichter zegt: ik neem waar maar handel niet.

    ‘Drie ranke hoge bomen voor een laan
    bladeren buitelen er over de grond
    vogeltjes schieten los uit de struiken

    een man loopt met een lijst op de schouder
    zijn arm steekt er doorheen

    de draaiende ventilator bij het open raam
    de gordijnen die over het kleed waaien

    over de helft van de vierkante kamer
    wiegt het licht van een goudvissenkom.’

    Ook dit gedicht toont weer dat de dichter er nauwelijks bij wil zijn. Of in elk geval problematiseert hij nadrukkelijk zijn positie. Waar moet je staan om de drie ranke bomen voor de laan te zien, gordijnen die over een kleed waaien? Door de hele bundel lees je dit: de waarnemer is er wel, en hij ziet en hoort meer dan menigeen, maar zijn positie is onzeker. Ongewis is hoe hij zicht verhoudt tot het waargenomene. Dat is waar Lindner voor te prijzen is. Terrein materialiseert het vraagstuk van je eigen aanwezigheid, het perspectief. Je kunt de bundel lezen als een spervuur van waarnemingen, een tocht door de stad zonder dat je ging. Je kunt de bundel ook lezen als een geformuleerde vraag naar waar je eigenlijk bent als er iets gebeurt, en wat de wijze waarop je ernaar kijkt ermee te maken heeft. Op beide fronten heeft Lindner een formidabele bundel achtergelaten.