• Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Voorbij het cliché

    Voorbij het cliché

    De vijfde roman van Cobi van Baars, Vacht!, begint met een cliché. In één woord heet het: ‘Knotje’. Hoe vaak wordt een bibliothecaresse of archivaris niet voorgesteld met een knotje? Denk aan juffrouw Bits van Annie M.G. Schmidt (zelf bibliothecaresse) en Wim Bijmoer of aan de film 8 Femmes. Sommige collegae van hoofdpersoon Eline hebben haar weinig origineel zo gedoopt: ‘Knotje’. Maar Cobi van Baars gaat voorbij aan dit cliché.

    Eline werkt als archivaris in het archief van een voormalig klooster. Ze maakt plaatsingslijsten van het archief van de Liefdezusters van het Kostbaar bloed. Medewerkers van een bibliotheek of archief kunnen veel herkennen in de gebruiken binnen zo’n instelling die Van Baars beschrijft: als je een doos of map uit een kast licht, plaats je een rode flap terug. Je leest het als was je de cavia op kantoor in de boeken van Paulien Cornelisse, die alles van een afstandje bekijkt. Eline is natuurlijk ook vrijgezel, al wordt door een misverstand haar buurman Jaap aangezien voor haar vriend.

    Een kudde schapen en collegae

    Buiten het klooster kijkt Eline geregeld naar een kudde op de dijk grazende schapen. Ze is jaloers op de herder. Hij heeft géén collegae ‘die hij het hoofd moet bieden, geen bezoekers die hij uitnodigend, nee, wérvend moet bejegenen’. Nee, hij heeft een kudde ‘die hem omringt en beschermt’. Het tegenovergestelde van haar laatdunkende collegae – met uitzondering van Camiel, die digitaliseert – waartegen ze zich verschanst met stapels bananendozen die als vesting dienen. In de archiefdozen die Eline behandelt zitten ook foto’s die door Camiel in de beeldbank dienen te worden opgenomen.

    Er zijn ook vergelijkingen te maken tussen de schapen en Eline, met name tussen één ooi en haarzelf: ze laten het allebei maar gebeuren. Dat de herder de vacht van de ooi liefdevol kroelt staat haaks op collega Machteld die gevoelens van Eline in negatieve zin openkrabt met vragen als ‘Zullen we even bijpraten?’ of wanneer ze roept: ‘Wat een beeldig vest!’ Waarop Eveline denkt: ‘Vacht!’. Een vacht beschermt je immers. Ze heeft behalve die gedachte ook een reflex of tic ontwikkeld door op moeilijke momenten tegen haar knotje te tikken.

    Baars gaat hiermee psychologisch dieper dan het cliché aan het begin van het boek zou doen vermoeden; dat knotje heeft ze nodig als kapstok voor haar zich geweldig ontwikkelende verhaal over intermenselijke, alledaagse relaties. Op het werk en thuis, met buurman Jaap. En over de omgang met de schapen, waarin Eline trekjes van haar collegae ontwaart, zoals de opdringerige 72123 die haar doet denken aan Machteld. Een nummer en geen kwetsende bijnaam als ‘Knotje’.

    Verlangens, beelden en gevoelens

    Zo eendimensionaal is het echter allemaal niet. Eline kan wel degelijk genieten van haar moestuin, een glas witte wijn, de laatste zonnestralen, kijken naar sterren en de wassende maan. Ze voelt zich er prettig bij. Om erbij te horen gaat Eline mee in de roddels van haar collegae over haar en buurman Jaap. Dat ze een petunia van hem kreeg voor haar verjaardag, want Jaap houdt van petunia’s. Ze ‘wrijft met twee handen teder door die roze-purperen bloemetjes alsof het een krullenbol is, die, die …’. Je ziet Eline door de vacht van de kop van een ooi gaan terwijl ze zegt: ‘Je moet je niet zo opzij laten drukken’. Tegen de ooi én tegen zichzelf. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait.

    Zo grijpen alle beelden en gevoelens knap in elkaar, hoewel Eline zelf niet in staat is in beelden te denken. Collega Pim, die zijn achtjarige hond Basta aait, wil maar niet op haar netvlies blijven staan. Eline doet graag de deur van haar werkkamer dicht om de collegae en haar baas buiten te sluiten. Ze moet aldoor alert zijn op mogelijk pestgedrag en door de stress uit ze onwillekeurig kreten die daar het gevolg van zijn. Kreten die klinken ‘als een dier, een lam in nood’, wat misschien weer net even te nadrukkelijk beschreven is door Van Baars.

    Symboliek

    Het draait allemaal om afstoten en aantrekken, om een net dat soms gaten heeft of zich soms weer steeds strakker sluit. Het feit dat het verhaal in en om een voormalig klooster is gesitueerd, speelt daarbij een rol. Op een dag krijgt Eline een schoenendoos te verwerken waarin twaalf kleine katoenen zakjes met boetegesels zitten. Hiermee sloegen kloosterzusters zichzelf terwijl ze ‘Ave Maris Stella’ baden (Wees gegroet, ster van de zee). Een gebruik dat tot in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw werd volgehouden. Het was de bedoeling dat zusters zo voelden wat Christus aan het kruis moet hebben gevoeld, zoals Eline misschien mag hopen dat mensen zich in haar kunnen verplaatsen?

    Wat Machteld ook daadwerkelijk probeert. Van Baars geeft haar zo een gelaagd en méér dan een eendimensionaal karakter. Overigens wordt de symboliek van het lam bij Van Baars minder nadrukkelijk in christelijke richting uitgewerkt dan bijvoorbeeld Jannie Regnerus doet in haar roman Het lam. Ook in Van Baars’ boek De onbedoelden speelt het rooms-katholicisme geen al te grote rol van betekenis.

    Niemand merkt dat Eline van het paradijs (de eerste jaren in het archief) inmiddels in de hel terecht is gekomen, al heeft Machteld daar wel een vermoeden van. De vraag is hoe Eline daar weer uit komt. Zal Machteld haar redden, zoals ze eens een ooi redde die vastzat in het prikkeldraad? Of Jaap? Of Camiel? Of wordt ze zelf assertiever? Het antwoord op deze vraag, de ontknoping, zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Met andere woorden: Vacht! Is een boek dat flink nazindert.

  • Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Het leven van Johan Veeninga (1915-1966) eindigt ‘zo erg morsdood (…) op een snelweg’, zoals zijn jongste dochter (Djoeke) nogal direct over hem verwoordt in haar boek Het privédomein van mijn vader. Wat ze wil, is haar vader daarin weer tot leven brengen. Dat doet ze vooral in zijn eigen woorden, geput uit brieven en andere teksten en aan de hand van foto’s en de inhoud van zijn boekenkast. Tegenover ‘altijd weer dat ongeluk’ plaatst ze de man die aan de wieg stond van de literaire reeks ‘Privé-domein’ van uitgeverij de Arbeiderspers, waar hij adjunct-directeur was.

    Maar zover zijn we nog niet. Djoeke Veeninga beschrijft eerst de jeugd van haar vader in een gezin in Haarlem dat het niet al te breed had, de kweekschool, de baan als onderwijzer aan de Montessorischool in Haarlem en de dienstweigering. Toen hij werd opgeroepen, weigerde hij dienst en kwam terecht in de rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Het hierboven telkens herhaalde lidwoord ‘de’ is ingegeven door de inhoudsopgave van het boek, waarin elke paragraaf binnen één van de drie hoofdstukken (Haarlem/Veenhuizen, Den Haag en Amsterdam) vooraf wordt gegaan door dit lidwoord.

    Levensloop

    De loop van Veeninga’s leven wordt afgewisseld met beschouwende gedeeltes (bijvoorbeeld over ‘De zoekende ideoloog’, 1939) en als gezegd brieven en andere teksten van Djoeke Veeninga’s vader. ‘De zoekende ideoloog’ leest wat stroef, stroever dan de tekst van de dochter, die journaliste en programmamaker is.

    Niet alles wat hij schrijft valt meteen te plaatsen of is voor een buitenstaander even interessant, maar gelukkig geeft Djoeke context aan personen en situaties mee. Voor achtergrondinformatie plukt ze uit boeken van bijvoorbeeld de historicus Ger Harmsen. En toch ontglipt haar vader haar soms. Waarom is bijvoorbeeld de dienstweigeraar en pacifist die in het verzet zat overgegaan tot het liquideren van de WA-commandant van Haarlem? Een schot dat overigens niet dodelijk bleek.

    Soms ontkomt Djoeke Veeninga niet aan wat opsommerige passages, bijvoorbeeld wanneer ze de boekencollectie van haar vader beschrijft. Veel namen en titels passeren de revue. Maar waarom haar vader juist díe boeken las, wat de samenhang ertussen was, blijft onbesproken. Dat verwondert temeer omdat de schrijfster haar vader al op de eerste pagina introduceert als existentialist. Dat roept de vraag op: waar blijven existentialistische schrijvers als Sartre, De Beauvoir en tot op zekere hoogte Camus? We moeten geduld hebben, blijkt, want dit thema komt later alsnog aan de orde, wanneer Johan in een brief vermeldt dat zijn ‘vertaling van Sartre persklaar moet’. Dat wil zeggen van Het existentialisme is een vorm van humanisme (1946).

    Den Haag

    Interessanter is het tweede hoofdstuk over de Haagse periode na de bevrijding. Niet zozeer omdat Veeninga inmiddels een baan heeft als hoofdredacteur van de Jeugdkampioen van de ANWB, maar omdat van die periode de brieven met ‘zijn meisje’ ook haar antwoorden en zijn ‘kanttekeningen’ daarbij zijn opgenomen. Dat meisje is Djoekes moeder, Johanna (Joke) Kloosterboer.

    Na de tijd in Veenhuizen en de Tweede Wereldoorlog komt nu ‘deze lichtvoetigheid’ met Joke ‘zijn leven binnen trippelen’. Johan wil alle narigheid achter zich laten. Ze gaan samenwonen, trouwen en Johan onderhandelt over zijn salaris. Er wordt een zoon geboren, Duco.

    Amsterdam

    In november 1952 verlaat Veeninga de ANWB en gaat met zijn gezin naar Amsterdam. Daar wordt Djoeke ‘gehaald’, door de bekende huisarts/wethouder Ben Polak. Het boek wordt steeds interessanter, ook bijvoorbeeld door de beschrijving van Nieuw-West, de Amsterdamse buurt waar ze wonen: ‘Zo erg aan de rand van de stad dat je er bijna af valt’.

    Johan gaat als redacteur en na 1961 als adjunct-directeur werken bij de Arbeiderspers, als opvolger van Alfred Kossmann. Een van de eerste manuscripten die hij onder ogen krijgt, is De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. In zijn Memoires van Boontje (1988), welke memoires deel uitmaken van de beroemde serie Privé-domein, schreef Boon hierover. Al lezend kom je ook een schrijver tegen waarover Inge Meijer van Literair Nederland een column schreef: Ab Visser (1913-1982), een Flamboyant schrijver. Leuk hoe zo’n min of meer vergeten schrijver opeens ook op een andere plaats weer opduikt. Veeninga schrijft overigens, naast vertalen, zelf ook. Onder meer een reeks over Pukkie Planta bij de gelijknamige margarine en een jeugdboek, Het raadsel van de vier getallen.

    Op z’n minst even belangrijk als Privé-domein is de ABC-reeks, het eerste Nederlandse pocketboek dat helemaal in de geest van de Arbeiderspers én van Johan Veeninga past. Op die manier kon namelijk de gewone man ook een boek kopen en lezen.
    Het privédomein van mijn vader eindigt weer met het verkeersongeluk, waardoor de cirkel rond is. Veeninga is slechts vijftig jaar geworden. Ook de zoon Duco overleed bij dit ongeluk. Met haar boek doet Djoeke Veeninga haar vader eer aan en ondanks enkele kanttekeningen is het een interessant verhaal omdat het niet alleen als biografie maar ook als tijdsbeeld is te lezen.

     

     

  • Buiten de eigen bubbel willen denken

    Buiten de eigen bubbel willen denken

    Margot Brouwers debuut als schrijver, Sterrenstof zijn wij, draait om ‘een gemeenschappelijke visie: een coherente levensbeschouwing waarin natuurwetenschappen en zingeving elkaar versterken’.

    Brouwer heeft ‘als zinzoekende natuur- en sterrenkundige’ daarbij filosofie te hulp geroepen. Met name die van Spinoza (1632-1677), die hen (Brouwer is non-binair) op het spoor kwam door een van de heldere boekjes van de inmiddels overleden theoloog Jan Knol. En dan toegespitst op Spinoza’s adagium ‘Deus sive natura’ (God ofwel de Natuur), al komen er ook heel wat andere geleerden voorbij uit allerlei hoeken en gaten van de wetenschap en de wereld, van vroeger en nu.

    Benedictus de Spinoza

    In diens boek omschrijft Brouwer Spinoza’s filosofie als pantheïstisch (God is in alles), hoewel panentheïstisch (alles is in God) misschien adequater is. Maar daarover zou je in discussie kunnen gaan. Iets dat helemaal in diens lijn ligt, want de auteur staat dit nadrukkelijk voor: ‘Ik wil lezers inspireren het gesprek aan te gaan: met mij, met gelijkgestemden, maar ook met mensen die je uit je vertrouwde denkwereld kunnen lokken’. Hen wil als gezegd niet alleen een bijdrage leveren ‘aan een positieve dialoog tussen natuurwetenschap en zingeving’, maar ook – zoals de ondertitel van het boek luidt – ‘ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven’ bieden.

    Opvallend is de manier waarop hen dit doet. Elke titel van de zeven delen waaruit dit omvangrijke boek bestaat, is een vraag: Waar ben ik? Bestaat God? Heeft het bestaan zin? Wat kunnen we weten? Wie ben ik? Waarom bestaat het kwaad? Waar ga ik heen als ik sterf? Dit geeft niet alleen aan dat Brouwer zich niet verbeeldt de waarheid in pacht te hebben en antwoorden kant en klaar op te kunnen dissen, maar het maakt de lezer ook nieuwsgierig welke weg wordt ingeslagen om tot antwoorden te komen.

    Elk deel begint met een persoonlijk Intermezzo. Zo lezen we dat de kleine Margot al vanaf het zevende levensjaar sterrenkunde wil gaan studeren. Alle muren van diens kinderkamer zijn bedekt met afbeeldingen van sterren en planeten. Op onware grootte, om met Nicolaas Matsier te spreken (in 2023, over zijn fascinatie voor verkleiningen). Kind kunnen blijven en als volwassene het universum proberen te begrijpen; is dat wat Brouwer doet?
    Uiteindelijk worden ‘planten, dieren, mensen, jijzelf, de zon, maan en sterren, de natuurwetten en zelfs het universum (…) door God verklaard of veroorzaakt’. Ze bestaan, zoals Spinoza meende, ‘in God’.

    Nieuwe vorm van zingeving

    Voor Brouwer maakt Spinoza’s filosofie ‘het (…) mogelijk om een nieuwe vorm van zingeving te ontdekken die niet in tegenstellingen is tot de natuurwet, maar er juist op is gebaseerd’. Spinoza’s denken gaat niet uit van doeloorzaken, zoals Aristoteles deed, maar van de causale oorzaken van de wiskunde. Een steen valt niet omdat God dat wil, maar door de zwaartekracht. ‘Doeldenken maakt ons blind voor de intrinsieke waarde van de natuur zoals zij op zichzelf bestaat: onafhankelijk van enig nut voor de mensen. Zoeken naar zin sluit ons af van het diepe spirituele besef dat alles al volmaakt is.’ Helemaal vanuit Spinoza gedachte zinnen.

    Tijdens een lezing van de Russisch-Amerikaanse fysicus Andrei Linde stelde Brouwer eens een vraag. Alleen omdat hen ‘het antwoord wilde weten’. Volgens Spinoza is het moment toen en daar, op dat moment er rijp voor, wat dus dieper gaat dan alleen het antwoord willen weten. Overigens maakt Brouwer ook aantekeningen bij de redeneringen van Spinoza. Bijvoorbeeld bij stelling 4 uit het derde deel van de Ethica, het boek waartoe de auteur zich grotendeels bepaalt: ‘Geen ding kan worden vernietigd, tenzij door een uitwendige oorzaak’. Brouwer zet daar tegenover dat er ‘wel degelijk dingen bestaan die vanzelf uit elkaar vallen’, zoals lithium. Maar daarbij moet dan wel worden aangetekend dat lithium pas lang na Spinoza, in 1817, door Johan Arfwedson werd ontdekt. Hen deed in dit geval dus aan postdatering.

    Innerlijke rust en vrede

    Ook is de auteur het niet eens met Spinoza’s definitie van geluk als de gemoedstoestand van innerlijke rust en vrede, die je altijd moet proberen te bereiken, omdat hen wel blijdschap kan ervaren, maar niet ‘het volmaakte, blijvende geluk’. Dat kan misschien ook niet in de grote voorbeelden die Brouwer noemt (een relatie, prestigieuze baan, grote reis, mooi huis) maar misschien eerder door op een eenvoudige manier te leven, zoals Spinoza deed. En niet door – zoals Brouwer voorstelt – ‘je overlevingsbril’ (conatus noemt Spinoza dat) af te zetten, want die is ook bedoeld om een beter mens te worden in de wereld(politiek) en niet om jezelf per definitie neer te leggen ‘bij je eigen beperktheid’.

    Brouwer komt in deel 7 van de studie uiteindelijk uit bij Spinoza’s besef dat ‘bewustzijn onsterfelijk is’, het weten dat de dood niet hoeft te worden gevreesd, zoals hen als kind en jongvolwassene deed. Het is dat weten waardoor die zich ‘nooit tevredener gevoeld [heeft] dan hier en nu (…) reflecterend op [diens] eeuwige eenheid met het Al’. In de wetenschap dat volgens Spinoza ideeën voortleven in een ander.

    Al met al is Sterrenstof zijn wij niet alleen buitengewoon rijk qua ideeën, maar ook nog eens gewoon fraai geschreven, met de nodige lichtheid, humor (‘wie heeft nooit van een collega gedacht: loop naar de maan!’) en zelfrelativering. Bijvoorbeeld wanneer hen schrijft dat bijna iedereen last heeft van ‘duistere, geniepige gedachten’ en vervolgt met: ‘Wat zeg je? Ik ook? Hoe kom je daar nou bij?’ Een hoopvol boek voor iedereen die buiten de eigen bubbel wil denken en nieuwsgierig is naar de combinatie van natuurwetenschap en zingeving.

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Meteen in de eerste paar zinnen en op de eerste pagina’s van de debuutroman van de Amerikaanse interdisciplinair kunstenaar en schrijver Anne de Marcken wordt veel maar tegelijk ook weinig informatie gegeven. We lezen dat de ik-persoon de linkerarm is kwijtgeraakt. En dat ene Janice 2 hem heeft opgeraapt en meegenomen naar het hotel. De ik leeft in een nieuw bestaan, dat van een ‘ondode’ in een postapocalyptische wereld.

    Ene Mitchem, die zijn penis afbrak, zegt dat de ik-figuur rouwt. Om de arm én het leven. Mitchem blijkt een prediker te zijn, die vertelt dat ‘alleen de ondoden werkelijk de betekenis van het leven kunnen begrijpen’. Geen enkele hotelgast herinnert zich zijn/haar naam. De naam wordt ook, in tegenstelling tot de arm, niet gemist. De ik – die gaandeweg het verhaal een vrouw blijkt te zijn – vindt een overhemd dat zich makkelijk laat dichtknopen. Het is rood, van het bloed (?) van een man die de ik doodde en waarvan ze een been opat. Misschien om dichter bij diens of haar eigen pijn te komen, die te internaliseren?

    Dode kraai

    De ik vindt vervolgens een dode kraai en heeft daar in haar lichaam, onder de ribben, ruimte voor uitgesneden. Gewikkeld in het rode overhemd zit hij daar. Of is het slechts het gevoel daarvan, in de borst, dat kan worden omschreven als een kraai? De kraai zou dan kunnen staan voor de stem van de natuur in ons, als geweten. Natuur op de manier zoals de 18de-eeuwse Duitse filosoof Herder het verwoordde: als innerlijke kracht. De ik voelt hoe de kraai ‘daarbinnen een besluit neemt’, dingen voorziet. Zo heeft hij het over een hoed en even later gáát het ook over een hoed. Of over een taart, en even later worden er bessen geplukt.
    De ik stelt zich voor hoe de kraai naar beneden zou kijken en ziet wat zij ziet: ‘een ongeregelde groep guerilla-activisten’ die haar omsingelt en insluit in een net. Als was ze zelf een vogel. Ze gaan richting een open plek waar ze op de grond wordt neergelegd, een menigte haar omsingelt en op een gegeven moment ruimte maakt voor iemand in een overall. Ze wordt los gemaakt uit het net en ziet enkele hoge kruisen rondom de open plek staan. Aan de meeste hangt een onthoofd lichaam. De ik wordt ook onthoofd. Ze wordt ondersteboven opgehangen, zoals de apostel Paulus.
    Dan verschijnt een oude vrouw uit het bos die haar naar beneden haalt. Maar wat is ze nog, met één arm, geen hoofd en een holte onder het hart waarin de kraai zit? Ze verdwijnt in het water. Symbool voor zowel leven als dood.

    Verdriet

    Het gaat in dit boek niet om leven of dood, niet om iets of niets, echt of onecht, wel of geen arm. Het draait allemaal om verdriet. Dat honger eigenlijk verdriet is, of vraatzuchtige hoop. ‘Een luchtspiegeling. Die altijd wijkt. De zwarte zwerm achter mijn tanden.’ Verdriet is een tijdmachine, zoals een andere hotelgast, Marguerite, er een op het dak bouwt. Wanneer die in brand wordt gestoken ‘huilt ze alsof huilen zingen is’. Op het dak ‘duurt het eeuwig en dan is het voorbij’.

    Het boek wordt regelmatig vergeleken met Max Porters Verdriet is een ding met veren (2016). De kraaien in beide boeken verschillen echter wezenlijk van elkaar. Om te beginnen omhelst hij bij Porter ter kennismaking de ik-figuur, overal veren achterlatend. ‘IN JE REET, IN JE EIKEL, IN JE BEK.’ Maar niet in de hartstreek. Bij Porter is de kraai omgekeerd ‘een mythe om je in te hullen. Om je in te verhullen’. De kraai kijkt ook niet naar beneden, niet vooruit maar achteruit en zegt: ‘ACUUT TRAUMA-GEÏNDUCEERD COMA.’ De kraai fungeert hier als een psychiater en een huisvriend, wat wezenlijk anders is dan bij De Marcken die bovendien dieper reikt.

    Nouveau roman 2.0

    De formele overeenkomst is dat beide boeken uit veel witte tussenruimtes en korte, soms uiterst korte passages bestaan. Inhoudelijk is Porter minder hermetisch. Je zou het boek van De Marcken een nouveau roman 2.0 kunnen noemen, à la Janice 2. In zo’n roman is gebroken met tradities qua taal en vorm en wordt daarmee geëxperimenteerd. Er is geen verhaal of intrige, laat staan een plot, maar wel is er sprake van veel vervreemdingseffecten. Het gegeven van de kraai, waar De Marcken kortom een mooi en diepgaand spel mee speelt, is ook door andere schrijvers opgepakt. Soms al even metafysisch en minder experimenteel in het verhaal Zwartwaterkoorts in de gelijknamige verhalenbundel van Rascha Peper (2009).

    Als de roman van De Marcken dan toch ergens mee kan worden vergeleken, dan is het met een film als The Tree of Life van Terrence Malick. Vooral een begrip als ‘genade’ dat beiden bezigen als het postapocalyptische slot van deze film, doet denken aan de beschrijvingen van De Marcken. Je ziet er mensen als zombies, zoals de ik-figuur in het boek zichzelf ook beschrijft: ‘als de zombies uit een B-film – schijnbaar gedachteloos, toegevend aan een onhoorbare roep’, hoewel Malick zeker niet onder B-filmers kan worden geschaard.

    Dit kleine boek is een grootse debuutroman, mooi vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die al eerder gezamenlijk Gezelschap van Samuel Beckett vertaalden. Nog zo’n naam die dit boek oproept.

  • De dag was toch al niet goed begonnen

    De dag was toch al niet goed begonnen

    Je zou met wat fantasie kunnen zeggen dat Çiler İlhans roman Een zandstorm, zeiden ze, voortborduurt op de zogeheten Aristotelische wetten. De wetten van eenheid van tijd, plaats en handeling. De tijdspanne van één dag, één plaats en één centraal staande handeling. De Turks-Nederlandse schrijfster Çiler İlhan (1972) speelt er op een knappe manier mee.

    Het verhaal speelt zich af op 4 mei 2009 – al zijn er vooruit- en terugblikken – in een dorp in het zuidoosten van Turkije en draait om de aanloop naar de aanstaande verloving van Leyla en Bilal afkomstig uit twee verschillende dorpen ( Eigenheim en Ginderbuiten), en de rampzalige afloop ervan. Mensen die een beetje thuis zijn in de roerige Turkse geschiedenis zegt de datum in dit verband genoeg, maar om het geheugen op te frissen hier in een paar zinnen wat er toen gebeurde: Op 4 mei 2009 vielen in Bilge (provincie Mardin in Turkije, met diverse etnische groepen) tijdens een verlovingsfeest een groep mannen met kalasjnikovs de zaal binnen en schoten. Daarbij vielen vierenveertig doden, vooral vrouwen en kinderen. Het was een moordpartij waarvoor de Turkse staat mede verantwoordelijk werd gehouden omdat hij boeren aan wapentuig hielp om te kunnen strijden tegen de Koerdische PKK. De Koerden strijden nog steeds voor hun eigen identiteit, maar nu liever via diplomatieke wegen dan met wapens. Ilhan heeft haar verhaal gebaseerd op de schokkende gebeurtenis van die 4e mei en weeft ze door en om de aanstaande verloving van Leyla en Bilal heen.

    Het verhaal wordt verteld in de vorm van negentien tableaus die beginnen met een voorzegging. De eerste alinea geeft niet alleen hiervan een duidelijk beeld, maar ook van de stijl van de schrijfster: ‘Maral was de eau de cologne vergeten. En haar moeder had het nog zo tegen haar gezegd, een paar dagen geleden al. Geen lauwe eau de cologne voor het bezoek. De eau de cologne moet op tijd in huis worden gehaald, zodat die de ijskast in kan en de gasten later verfrist. De dag was toch al niet goed begonnen. Hoe zou een dag die zo begon ook tot een goed einde kunnen komen?’ Die dreiging van een slechte afloop hangt boven elke episode en wordt steeds sterker. Donkere wolken pakken zich samen. Was het binnen de moslimgemeenschap te wijten aan het feit dat er geen beest was geofferd? Dat de aalmoezen karig waren? Ze zich niet aan de vijf dagelijkse gebeden hadden gehouden?

    Concentrische cirkels

    Om de eenheid van tijd, plaats en handeling worden concentrische cirkels getrokken, in het klein en het groot. Bij de kwesties tussen de twee families komt bijvoorbeeld een toestand met hun eer erbij. Bij koppijn komt honger en hitte. En duizeligheid. Die werden allemaal pas minder nadat personage Halil had gegeten, maar verergerden weer toen hij (te snel?) opstond.

    Het verhaal grijpt vooruit. Na de gebeurtenissen gaat het onder meer over wapens van hetzij de dorpswachter hetzij van buitenaf neergelegd om verwarring te zaaien. Was het nu een zandstorm? Ze zeiden het. Uit de richting van Ginderbuiten? Of was het eerder een stofstorm? Of een windhoos? Laten we het houden op een storm die alles verwoestte, zoals stormen wel vaker in de literatuur symbool staan voor dreigingen van binnenuit of buitenaf.

    İlhan vertelt het verhaal van Leyla en Bilal in het dorpje in zuidoost Turkije in een stijl die een samensmelting is van prachtig, beeldend taalgebruik en een compacte uitdrukkingswijze in korte zinnen. De spanning loopt op op een manier die ook door detectiveschrijvers wordt gebruikt door kleine hints te geven over wat dreigt. Het enige minpuntje zijn misschien de vele namen die vaak twee aan twee voorkomen (vader-moeder, moeder-zoon, tante-neef) en over elkaar heen buitelen.

    Stilistische kracht

    Çiler İlhans werk beweegt zich tussen literatuur en essays. Van haar hand verscheen in het Nederlands eerder een verhalenbundel: Verbannen, die werd bekroond met de EU-Literatuurprijs. Verhalen over alle denkbare vormen van lichamelijk en geestelijk geweld. Over klein gehouden worden en je eigen taal niet mogen spreken of niet mogen trouwen met degene die je liefhebt. In haar boeken valt haar grote stilistische kracht samen met kennis die ze onder meer opdeed tijdens haar studie Internationale Betrekkingen en Politieke Wetenschappen in Istanbul.
    İlhans vertelvoorkeur gaat uit – zoals ze in een interview met Charlotte Remarque tijdens Writers Unlimited (2025) zei – naar de verhaalvorm, omdat je ‘in verhalen meer met de taal kunt spelen’. Dat geldt ook voor de vertaalster van deze roman, Hanneke van der Heijden, die eerder onder meer boeken van Orhan Pamuk vertaalde. Zij kwam met woorden als Eigenheim en Ginderbuiten voor de twee dorpjes. Je moet er maar opkomen.

     

     

  • Leven in de tussentijd

    Leven in de tussentijd

    De lijst met fictie over ziektes en afwijkingen groeit met de dag. Van Hanna Bervoets (Welkom in het Rijk der zieken) tot Wytske Versteeg (Quarantaine). Ook dichtbundels van bijvoorbeeld Eva Meijer (De grenzen van mijn taal) en een kinderboek als Lennox en de gouden sikkel van Zindzi Zevenbergen behoren daartoe. En tussenvormen die niet in een hokje passen, zoals Kleinzeer van Nadia de Vries, Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman en Variaties op aanwezigheid van de al eerder genoemde Eva Meijer.

    Het debuut van Emma Laura Schouten (1994), Nachtschade, gaat over in dit geval een hersenziekte (migraine) én valt niet in een hokje te stoppen, al wordt het op de achterflap als een roman gekarakteriseerd. Zou de thematiek er aanleiding toe geven dat er op veel boeken in dit genre eigenlijk geen eenduidig etiket past? In ieder geval beheerst Schouten, docente Nederlands, verschillende genres: essays, proza en poëzie.

    Haar taalgebruik is vaak poëtisch. Ze heeft het over ‘stilstaande tijd’ en ‘stilleven’. Dat is knap, want een fysieke ervaring als migraine laat zich eerder uitdrukken in (haar eigen) tekeningen – die op enkele plaatsen in het boek staan – dan vangen binnen de grenzen van de taal, om de titel van de bundel van Meijer te parafraseren. Tekeningen van bijvoorbeeld een spiraal of gekartelde halvemanen, vormen van pijn die ook mensen met oogmigraine zien en zullen herkennen.
    Want Schoutens ik-figuur is niet de enige die aan migraine lijdt. De auteur noemt die ziekte naar de naam van de oud-Griekse migrainedemon Antaura en stelt haar voor als levensgezel. De titel van het boek verwijst naar het dieet dat iemand haar aanraadde: geen planten uit de nachtschadefamilie eten. Maar het is ook de nacht, het donker dat bij een aanval een toevlucht biedt. Donker richt geen extra schade aan maar dempt de pijn.

    Op zoek naar Anne Conway

    Andere vrouwelijke denkers en schrijvers met migraine, zoals Hildegard von Bingen, Jane Austen en Virginia Woolf komen door het hele boek terug. Telkens op één pagina per persoon opgesomd. Kijkt de ik of er een lijn in zit waar zij wat aan zou kunnen hebben?
    Het is met name Anne Conway die haar boeit, een zeventiende-eeuwse Engelse filosofe die tegen het cartesiaans dualisme ageerde. In die visie worden lichaam en geest gescheiden van elkaar voorgesteld. Conway schreef al even fragmentarisch of caleidoscopisch als Schouten. De ik, student, wil een scriptie over haar maken en gaat ter voorbereiding daarvan naar Londen, waar Conway is geboren en gestorven. Dat wil zeggen: de ik ‘was niet op zoek naar Anne de filosofe’, ze ‘zocht Anne, de zieke vrouw’.

    Het scriptieonderzoek levert niet direct op wat ze ervan verwachtte. Ondertussen geeft zij Nederlandse les, wat haar steeds beter af gaat en zit of ligt ze de tussentijd van een migraineaanval – die soms twee dagen duurt – uit. De beschrijving ervan doet denken aan wat Sylvia Plath eens benoemde als ‘een zieke, pijnlijke bijna-doodslaap’.
    De ik neemt pakken printpapier uit school mee om er ‘een muur, een iglo, een nest’ om haar bed in haar kamer in een met andere studenten gedeeld huis mee op te trekken. Haar huisgenoten ontdekken het en reageren ronduit vijandig. ‘De sociale afwijzing was vernietigend definitief en zou door mijn hersenen op dezelfde manier verwerkt worden als fysieke pijn’. Die laatste probeert ze te lijf te gaan met de inhoud van ‘blauwe doosjes’. Of met een helm op het hoofd.

    Rafelige breukzones

    Ze verhuist naar een donker souterrain, dient haar ontslag op school in en gaat steeds meer op in ‘Anne de mens, Anne de jonge vrouw (…), haar lelijkheid, haar ongeduld, de hautaine Anne die geloofde dat haar een onrecht werd aangedaan en die weerstand bood aan de verpletterende zinloosheid van zoveel pijn’.
    Bij dat onderzoek laat Schouten haar ik-persoon associatief te werk gaan. Een gedeelte naar aanleiding van een ‘wazige notitie door John Ward, pastoor van Stratford-upon-Avon: “Lady Conway heeft hevige pijn in haar hoofd, haar schedelnaden open”’ wordt gevolgd door een alinea op driekwart van de volgende pagina, over de structuur van de aardkorst met alle naden van dien. ‘Rafelige breukzones als moeizaam geheelde wonden.’
    Toch komt ze niet dichter bij Anne, noch bij alle andere, overleden vrouwen die aan migraine leden. De enige die ze echt kent is haar levensgezel Antaura.

    Nachtschade is een sterk debuut, fragmentarisch en caleidoscopisch in de zoektocht naar vrouwen met migraine. Naar Anne en naar die andere vrouwen, inclusief zijzelf. Dat levert stillevens op met verschillende invalshoeken en lege plekken. Zo heeft de auteur het lijden aan migraine vormgegeven, zoals ook enkele andere auteurs die over ziekte schrijven dat op vergelijkbare wijze deden.
    Hoewel Schouten het zichzelf en de lezer zo niet makkelijk maakte, zou je willen weten hoe het de ik-figuur nu vergaat, nadat ze tot de conclusie is gekomen dat zowel de zoektocht naar Anne, als naar andere lijders aan migraine en naar triggers van jongs af aan (menstruatie, demonen die opduiken, een te zure vrucht, stroboscopisch licht, onweer, storm en sneeuw) weinig hebben opgeleverd. Niet in een boek van of over een zieke vrouw, maar van een getalenteerd schrijfster die over welk onderwerp dan ook schrijft en er vorm en stem aan weet te geven.

     

     

  • Pijn en lach

    Pijn en lach

    Vader en zoonromans bestaan al lang, van Toergenjev en Borderwijk tot Weijts, maar het lijkt wel of het thema in het algemeen nu sterker leeft dan ooit. Gijs Scholten van Aschat speelt bijvoorbeeld samen met zijn zoon Reinout in een film (Alpha), Jacob en Roman Derwig treden samen op in Shakespeares Hamlet, het werk van de beeldend kunstenaars Jozef en Isaak Israëls wordt in Domburg nadrukkelijk als dat van vader en zoon tentoongesteld. En nu is er dan een herdruk van de roman Kopzorg (1987) van Edgar Cairo (Paramaribo 1948 – Amsterdam 2000). De eerste uitgave dateert uit 1969 (Temekoe), de tweede verschijnt als Temekoe/Kopzorg in 1979 en in 1988 verschijnt het met de ondertitel Het verhaal van vader en zoon.

    Het boek werd bij eerste verschijning niet onverdeeld positief ontvangen, al waren er uitzonderingen. Zoals bijvoorbeeld van Frank Martinus Arion die het als een ‘juweel’ bestempelde, maar Michiel van Kempen had zijn bedenkingen. Hij vond dat Cairo zijn doel voorbij was geschoten. De vraag is dan: hoe lezen we nu de heruitgave, voorzien van een nawoord door Thalia Ostendorf, die bij eerste lezing was overvallen door ‘een gefascineerd soort verbijstering’? ‘Het was,’ schrijft ze, ‘als een storm waar ik in meegezogen werd’.

    God en demon

    Meteen al aan het begin wordt duidelijk dat de 50-jarige vader, Nelis, kopzorg heeft. Is hij behekst? Dan moet hij door de pastoor een duivelse demon uit laten drijven. Hij is dus rooms-katholiek, en – staat er – ‘neger’. Voor de zoon, de ik-figuur, is hij ‘in het geheim een god en tegelijk de demon der verschrikking’. De zoon is een stadskind, geboren in Paramaribo. Zijn vader was geboren in het oerwoud van het Para-district. Dit district kent ook twee kanten, net als de inborst van de vader: die van de ‘paradijselijkheid en het hellevuur (…). Pijn en de lach’. En armoede. Toen Nelis’ ouders waren overleden, kwam hij bij een tante in huis die hem beschouwde als ‘onkind van ’n satanskring’. Hij loopt weg en gaat naar Paramaribo, waar hij zijn ogen uitkijkt: auto’s, gaslantaarns …

    Cairo beschrijft de overgang van het leven in Para naar Paramaribo als ‘het oerouderwetse negerleven’, waaronder magie- en andere praktijken zoals winti, voodoo met jorka’s (geesten van overlevenden) en bakroes (kwelgeesten). Daarna gaat hij over op een stukje geschiedenis, zoals de crisistijd rond de jaren dertig en het feit dat Nelis zonder werk kwam te zitten. Zo glijdt het grote verhaal in een particulier verhaal dat trekken van een sprookje heeft. ‘Daar ging Nelis, met het krieken van de dag z’n erfhuisje uit. Snel het krotje achter zich latend verliet hij het vervallen woonerf en ging de straat op, waar het nog aardedonker was.’ Hij liet zijn zogeheten sekswijf Selina achter, ‘met grote, bobbelende borsten en zoetzalige vleesheupen, naast grote, draaiende, haast uit zichzelf sambadansende billemoten’. Dit volkse taalgebruik wisselt af met woorden in het Sranantongo en ouderwetse uitdrukkingen als ‘aan den lijve welgesteld van lust & vleze’.

    Kantelingen

    Ondertussen vindt Nelis een vaste baan bij de overheid, maar alsnog slaat het noodlot toe: de baby die Selina krijgt overlijdt, Nelis raakt aan de drank, ze krijgen slaande ruzie (koenoe, een vloek) en hij verliest zijn baan. Het wordt allemaal heel gecondenseerd verteld. Net als de kanteling in het verhaal waarin de liefde tussen Nelis en Selina groeit en ze nog een kind krijgen: de ik-figuur. Hetzelfde geldt voor de kanteling in de verhouding tussen vader en zoon. Eerst wordt de zoon door zijn vader stierlijk verwend en vertroeteld, hoewel hij hem ervoor uitmaakt dat hij ‘zo vuil was als ’n stuk zwartteer’. Eerder had de ik-figuur al gesteld dat hij zo’n opvoeding niet neer wilde halen, maar wél kritiek wil leveren op het leven zelf. Ook hier wordt het particuliere met het algemene vermengd. De ogen van het ik-personage worden ‘verlost (…) van de nevelen der onwetendheid’. Misschien had hij die meegekregen door zijn moeder, die vond dat de wereld zijn leerschool was.

    Het is in dezelfde tijd dat vader en zoon uit elkaar groeien. Nelis raakt verouderd, nukkig, nors en eenzaam. Uiteindelijk gaat het boek meer over de vader dan over de zoon, zoals het voorafgaande gedicht het ook heeft over:

    ‘Zo schep ik u, vader, naar ’t woord:
    uw schrijfzaam erebeeld.
    En even vluchtig spiegel ik mij aan u
    tot ’n gelijkenis, uw spiegelbeeld.’

    Misschien wist het boek door de vermenging van taalregisters en stijlen destijds niet iedereen geheel te overtuigen. Dat is nu anders. We zijn gewend geraakt aan al dan niet postmodernistische combinaties van elementen uit verschillende genres, technieken en stijlen en zijn die gaan waarderen. Cairo’s boek is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het werk van een land- en tijdgenoot, musicus en schrijver Ronald Snijders. Diens muziek staat nu opeens weer midden in de belangstelling – waarschijnlijk juist door zulke combinaties van stijlen (jazz, funk, Surinaamse en Braziliaanse invloeden) en eveneens door een heruitgave van zijn muziek (Penta in 2024 heruitgebracht op het Britse label Night Dreamer).

    Het is al met al een goed idee dat uitgeverij Cossee Cairo’s boek juist nu weer opnieuw onder de aandacht heeft gebracht. Mede in een tijd waarin vaders en zoons en de vermenging van stijlen in de belangstelling staan. Het boek verdient het.

     

     

  • Een stand-up-archeoloog

    Een stand-up-archeoloog

    Wie denkt dat De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts wel over humor zal gaan, wordt het op de eerste pagina ervan al duidelijk dat het ik-personage, Felix Kajuit, klaar is ‘met alle komedie’. En wie denkt dat het iets met De Goddelijke komedie van Dante heeft te maken, komt ook bedrogen uit. Waarover gaat het dan wel? Over de voorstelling Wachten op de Bataven die door de covid-19 pandemie niet door kon gaan. En alles daaromheen. Dát het niet door kon gaan, lucht Kajuit op, omdat de daaraan voorafgaande voorstellingen alleen maar een slechte pers hadden gekregen. Al was hij finalist geweest bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs, de cabaretprijs van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) die sinds 2003 jaarlijks wordt toegekend. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

    De kleine en grote wereld

    Felix was trouwens op school, in 1981, ook al niet de lolligste. Hij had een bruine juf, Joyce, voor ‘Zwarte Piet’ uitgemaakt en lachte met een vriendje mee om zijn eigen moeder, die krom liep van de pijn. Of met zijn broer als zijn vader grauw zag van duizeligheid. Dat is de kleine wereld, dicht bij huis, maar ook in de grote wereld mislukken veel dingen. Een treinongeluk in de Leidse Merenwijk, de Challenger die ontploft, de kernramp in Tsjernobyl om maar wat te noemen.

    Bovendien gaat Felix’ verhaal niet alleen de breedte in, van Leiden naar Amerika en Oekraïne, maar ook letterlijk de diepte in, naar herinneringen. Tijdens een voorstelling wil hij ‘allerlei voorwerpen opgraven die met [zijn] kindertijd in de jaren tachtig te maken hadden’. Als een stand-up-archeoloog, een beeld dat Weijts verder uitwerkt: ‘Uit scherven en fragmenten moesten we een samenhangend verhaal maken.’ Zoals zijn vader op zijn werk, een laboratorium, niet aan complete projecten mag werken ‘maar aan opgeknipte delen ervan’.

    Zo zit ook deze roman in elkaar. Afwisselend over de jeugd van Felix en zijn tijd als al dan niet werkloos cabaretier tijdens covid-19. Fantasie heeft hij altijd gehad. Zoals op school, toen hij een verhaal schreef ‘over een jongen die ’s avonds naar de overkant van de straat keek, naar een meisje. Op een dag werden ze – door tussenkomst van een Romeinse godheid – verwisseld en leefde hij in haar kamer’. Fantasie én mooie zinnen, zoals ‘Ze leefden overal tussendoor’, dat herkennen we van Weijts.

    De meeste karakters worden raak neergezet, zeker dat van Felix’ vader, die de genegenheid voor zijn zoon niet anders kan uiten dan door in zijn vrije tijd dingen voor hem in elkaar te zetten, zoals een sirene voor op zijn fietsstuur, waarover Felix uitweidt. Want dat had hij al jong van de oudejaarsconferences van Freek de Jonge geleerd: ‘De uitweiding als vormgevend principe.’ Een verhaal in de breedte, de diepte en vol uitweidingen dus. En details over de tijd waarin alles speelt: zowel de jeugd van Felix als de covid-19 tijd.

    De comedyclub en de tijdgeest

    Toch is het niet Felix die in coronatijd een illegale Comedyclub begint, maar zijn rivaal Tom, een iets minder goed uitgewerkt karakter. Tom heeft Felix’ naam nodig om in zijn subsidieaanvraag te vermelden. Hij was immers finalist bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs. In ruil mag Felix rustig in een van Toms cabinewoningen bij zijn club werken aan voorbereidingen voor comedylessen en schrijfworkshops die hij geeft in Toms comedyclub.

    Felix verzint net als in zijn jeugd verre van leuke grappen (‘Incest, ach ja, zolang het binnen de familie blijft, vind ik het allemaal best’). Maar ja, ‘the first draft of anything is shit’ citeert hij Ernest Hemingway. Daarna zou hij een uitblinker worden als cabaretier. Maar is dat zo?
    Nee en hij geeft de tijdgeest de schuld dat dit niet lukt. Een tijdgeest die in dit boek ruimschoots, en soms een beetje te veel in de vorm van opsommingen, aan bod komt. Bovendien wijt hij de mislukking ook aan zijn verknipte jeugd.
    Comedy maken in een tijd van corona is niet alles. Een goddelijke comedy nog wel. Dat wil zeggen ‘alles betekenis geven, alles wat in [de] omgeving gebeurde rangschikken tot een coherent verhaal’, zoals zijn steeds depressiever wordende vader.

    Het ontglipt Felix allemaal. Hij verwaarloost zijn cabinewoning en zichzelf, raakt zijn humor kwijt en wordt een wappie genoemd. Dat laatste geldt ook voor Tom, die ‘het virus’ oploopt bovenop onderliggend lijden. Maar dat is lang niet alles. De wereld zelf wordt een verhaal zonder samenhang. Hiermee wordt een interessante laag onder de roman blootgelegd die misschien teveel bedolven is geraakt onder de vele uitweidingen en details over de tijdgeest.

    Wat niet wegneemt dat de klassieke opbouw van het geheel, met de twee aan elkaar gerelateerde verhalen over vroeger en nu, knap is gedaan. Je moet er als lezer even inkomen om dit scherp te krijgen, maar Weijts heeft zich sinds zijn debuut Art. 285b weten te vernieuwen met deze tragische komedie. Zonder humor. Dat wel.

     

     

  • Stille gedachten

    Stille gedachten

    Wat komt Susan Sontag in het Sarajevo van 1993 brengen? De stad heette volgens de VN-resolutie 824 een VN-veilig gebied te zijn, onder de bescherming van UNPROFOR. Sontag regisseert er een toneelstuk. En wat doet Cody Garner er op hetzelfde moment? Komt hij iets brengen, of eerder iets halen; verhalen, avontuur, liefde, werk? Dat is de vraag in het eerste hoofdstuk van Het Stravinsky-spel van Arthur Japin. En misschien ook wel de centrale vraag in deze historische roman, waarin je als lezer meteen wordt meegenomen, maar die toch niet helemaal bevredigt.

    Susan Sontag (1933-2004) was een Amerikaanse schrijfster en filosofe. Japins partner Benjamin Moser schreef een veelgeprezen biografie over deze gekwelde vrouw: Sontag. In Het Stravinsky-spel raakt Cody Garner – een verzonnen personage en de ik-verteller – in de jaren veertig van de vorige eeuw bevriend met Sontag. Ze ontwikkelen samen een spel, het Stravinsky-spel, waarover straks meer.

    Cody, David, Sue

    Sontag vertelt aan het toneelgezelschap dat Cody komt assisteren bij de productie van Wachten op Godot van Samuel Beckett. ‘Je hebt geen idee’, schrijft ze hem, ‘hoeveel goed ze dat doet, alleen die mededeling al. Dat je hiertoe bereid bent, betekent dat zij door de wereld niet worden vergeten.’ En dat terwijl haar zoon David Rieff (die over zijn moeders laatste levensjaar het boek Swimming in a sea of death schreef), vanuit het getroffen gebied wereldkundig maakt wat er gebeurt. Dit zegt wat over de gespannen verhouding tussen moeder en zoon, die ze destijds heeft achtergelaten toen ze na haar studie in Europa weer terugging naar de Verenigde Staten. Japin geeft dit op die manier fijntjes, en later ook duidelijker, weer.

    Herinneringen voeren Cody terug naar de tijd dat hij in Los Angeles Susan Sontag, bakvis Sue, leert kennen. Ze zijn onafscheidelijk en doen intellectuele spelletjes, zoals het in een platenwinkel raden van het juiste Köchel Verzeichnisnummer terwijl ze naar een stuk van Mozart luisteren. Ze gaan naar films, struinen boekwinkels af, bezoeken tentoonstellingen en concerten.

    Stravinsky en Thomas Mann

    Zo horen ze op een gegeven moment het baanbrekende Le sacre du printemps van Igor Stravinsky in een uitvoering door het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Otto Klemperer, een concert dat ook wordt bijgewoond door de componist en diens vrouw. Sue en Cody vinden uit waar het echtpaar woont en gaan op een dag op de stoep zitten luisteren naar pianospel, waarvan ze aannemen dat dit van Stravinsky is. Daar bedenken ze een spel, dat ze het Stravinsky-spel noemen: wat als je een poos(je) van je leven zou kunnen geven om Stravinsky of een andere kunstenaar, zoals de schrijver Thomas Mann, nog grotere kunst te laten maken? Zou je daartoe genegen zijn?

    Want ook op het werk van Mann zijn ze allebei dol, maar of een bijna zestienjarige, al dan niet vroegwijze puber zich daarover uit in woorden als: ‘Hoe hij dit gevoel van vrijheid afzet tegen het beklemmende, onvermijdelijk verziekende, ziekmakende moeras’ valt te betwijfelen.
    Beiden gaan studeren en ontdekken hun geaardheid: Susan (zoals ze zich inmiddels noemt) is bi- en Cody homoseksueel. Ze achterhalen via via Manns telefoonnummer en gaan op theevisite, wat ze achteraf allebei verschillend beleven; Cody begrijpt dat Susan ‘afstand prefereerde boven contact. Dat geldt voor haar idolen, maar misschien houdt ze die afstand uiteindelijk het liefst tot iedereen.’ In tegenstelling tot zoon David, die een band had met Susans vriendinnen, zoals de laatste partner van zijn moeder, de fotografe Annie Leibovitz. Nee, Susan Sontag, vertelt Cody, ‘genoot (…) naast haar roem, haar status (…) de reputatie ook gevaarlijk harteloos en ongeïnteresseerd te zijn, snel opgebrand en dan onnodig beledigend of ronduit bot en wreed.’ Hij verklaart dit ‘uit onmacht, uit verlegenheid, uit die hang naar stille gedachten en dat aangeboren onvermogen om zich in andermans gevoelens te verplaatsen.’

    Opmerkingen als deze geven diepte aan het karakter van Sontag in een verder rustig voortbewegend verhaal in een mooie stijl, zoals we dat van Japin kennen. Soms slaat hij een zijpad in zoals de vergelijking van hiv met de oorlog in Bosnië Herzegovina. Als thema komt hiv in het verhaal terug wanneer Cody’s vriend Eli Marshall eraan overlijdt, een ontroerend gedeelte.

    Het boek is inherent ook een aanklacht tegen de bezuinigingen op kunst. De verteller heeft het over ‘het nut van moderne kunst in een (…) uitzichtloze situatie’ zoals in Sarajevo. Al is het woord ‘nut’ misschien niet zo goed gekozen, de boodschap is duidelijk. Een boodschap die in dit geval misschien duidelijker verankerd had kunnen worden in de vraag of de personages nu iets kwamen brengen of halen. En of ze nu écht zelf dat Stravinsky-spel hadden willen spelen.

     

     

  • Een duivelspact

    Een duivelspact

    ‘De woonkamer was volgestouwd met kleedjes, kussens, tafeltjes, vetplanten op de vensterbank, snuisterijtjes. Aan de muur prijkten een olieverfschilderijtje van een zeegezicht met aan de horizon op de baren een eenzaam zeil, en een schelpenschilderijtje met “groeten uit Katwijk”.’ Het is alsof Tsjechov of Toergenjev een huiskamer beschrijven, een raak getroffen voorbeeld van het beeldende schrijven van Lisette Lewin – in dit geval van een Nederlandse huiskamer uit de jaren twintig-dertig van de vorige eeuw. Het is de woonkamer van de grootouders van de ik-figuur uit de uit 1992 daterende en nu opnieuw uitgegeven roman Een hart van prikkeldraad van oud-journaliste en schrijfster Lisette Lewin.

    De ik-figuur beschrijft zichzelf als een alleenganger. Dat ‘kwam voor iedereen goed uit, want geliefd was ik niet’ zo aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Greetje heet ze. Greetje van der Plas. Haar eerste vriendje, een Pool, heet Mendel. Hij houdt haar ten onrechte voor joods, net als hijzelf, maar ze spuit alleen maar anti-joodse vooroordelen. Na een avondje is het dan ook alweer uit. En dat terwijl ze verre van anti-joods is opgevoed. Tegenover de buitenwereld blijft ze volhouden dat ‘Max’ (zoals ze hem is gaan noemen) naar de Verenigde Staten is vertrokken en hopelijk ooit terugkomt.

    Greta en Heinz

    Mendel wordt opgevolgd door een Duitser in uniform, Heinz Leinweber. Zelf noemt ze zich inmiddels Greta. Of, zoals Heinz haar noemt: Gretchen. ‘”Greta!” verbeterde ik zwakjes’. Greta leest Nietzsche, Heinz (Hein noemt zij hem tegen haar ouders) speelt Wagner, waarmee Lewin twee sjablonen van stal haalt van mannen die in de tijd van nazisympathieën al dan niet terecht in dat kamp worden getrokken.
    Lewin geeft Greetje/Greta/Gretchen als 17-jarige ouwelijke trekjes mee. Niet alleen omdat ze Nietzsche leest, maar ook omdat ze de sjans van Heinz ‘nogal vermoeiend’ vindt en zich ‘een hoog kapsel, met kammetjes en sierspelden’ laat aanmeten. Heinz worden wat minder nazi-welgevallige uitspraken in de mond gelegd, zoals zijn bewondering voor dirigent Bruno Walter en de violist Yehudi Menuhin. En de terechte wetenschap dat Nietzsche absoluut geen antisemiet was.
    Raak is het motto uit Bizets opera Carmen voorin het boek, temeer daar Nietzsche zijn voorliefde voor Wagner op een gegeven moment inruilt voor Bizet: Si tu ne m’aimes pas, je t’aime / Si je t’aime, prends garde à toi!. Het tweede motto verwijst, behalve naar Greetjes hart, naar de titel van het boek en is ontleend aan een soldatenliedje uit de mobilisatietijd: Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad / Blijf maar thuis… / Prikkeldraad!!

    Ingenieus maar niet zo strak

    Alles wat Heinz over Nietzsche en Wagner vertelt, schrijft Greta na de oorlog, in de jaren vijftig op in haar dagboek, waaruit ze regelmatig citeert. Hierin vermeldt ze ook dat Heinz haar een hoertje noemt en dat haar ouders erachter komen dat ze met een veel oudere Duitser heult. Ze verlaat daarop het ouderlijk huis. Ze moet van Heinz naar Strauss’ opera Salomé luisteren, een opera over een vrouw die de man moet behagen. Dit libretto rijmt met haar leven, net zoals het verhaal over oom Arie, die tegen het eind van de oorlog opeens ‘goed’ wordt, rijmt met de houding van de ik-figuur die opeens gaat twijfelen of haar ideologie, ontleend aan die van de nazi’s, wel de juiste is. De een uit opportunisme, de ander meer gemeend. Zulke voorbeelden geven aan hoe ingenieus Lewin deze omvangrijke roman heeft opgebouwd en uitgewerkt.

    Hetzelfde geldt voor de verhaallijn, die steeds zwartere randen begint te vertonen. Op een gegeven moment beveelt ze een vriend van Heinz, Dietrich, aan dat hij maar eens bij haar tante en oom in ‘Het Kaashuisje’ moet gaan kijken, ‘want daar is het niet pluis’ (lees: zij haten de nazi’s). Pure rancune omdat ze daar ooit de winkel werd uitgeschopt vanwege haar nazisympathieën. Zoals Heinz haar het in bezit genomen huis uitzet als ‘Mutti’ (zijn vrouw) komt en Greta even moet verkassen naar een pension.

    Behalve ingenieus is de roman een enkele keer ook op het randje van sentimenteel. Als de ik-figuur bijvoorbeeld na de oorlog op een stormachtige dag in een restaurant het verhaal aanhoort van een vrouw wier zoon in het laatste oorlogsjaar op straat is vermoord, staat er dat ‘het raam huilt’. Niet de vrouw zelf huilt, het is de regen die langs het raam druipt. Schijnheilig kijkt ze toe en liegt er tegenover de vrouw – die net als destijds Mendel in haar een joodse meent te zien – lustig op los. Tot haar naam, haar identiteit aan toe. Ze noemt zich Jessica, variant op de joodse naam Jiska: hij ziet uit naar God. Een duidelijk voorbeeld van toe-eigening. In dit geval misschien omdat de hoofdpersoon zich een slachtofferrol wil aanmeten.

    Dit neemt tussen haakjes niet weg dat de opbouw van het boek met terugblikken, dagboekfragmenten en met elkaar rijmende verhaallijnen, misschien wat strakker en meer uitgedund had mogen zijn, waardoor het ongetwijfeld aan kracht had gewonnen.

    Medicijnen en destructie

    Als Jessica Carvalho schrijft de ik-figuur zich na de oorlog in voor een studie medicijnen aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Ze raakt wederom verliefd op een joodse jongen, Eli, wiens eerste meisje in de oorlog spoorloos is verdwenen. Haar studie medicijnen staat haaks op de destructieve kracht die ze steeds meer tentoonspreidt. Ook Eli laat haar vallen. Ze heeft onenightstands en een verhouding met een docent, dr. Bonebakker, die bij de Joodse Raad en in Westerbork heeft gezeten. Het is overigens uitgerekend in zijn huis dat Heinz en zij hebben gewoond. Als lezer denk je inmiddels: hoe krijgt Jessica het weer voor elkaar! En Lisette Lewin. Ze neemt wraak op Bonebakker, die voor zijn vrouw kiest en maakt zijn carrière en huwelijk kapot.

    Vervolgens gaat ze in Spandau op zoek naar Heinz. En – o toeval – op straat komt ze hem, zijn vrouw, kleinzoon en diens wanstaltige hond tegen. Een beschrijving die de lezer weer terugvoert naar Russische romans waarin zulke beschrijvingen bon ton zijn. Het boek verliest door dit toeval nog meer aan geloofwaardigheid, of het moet zijn dat de auteur al dan niet terecht wil benadrukken dat je nooit van je verleden los kunt komen, al speel je een rol en verander je je naam.
    Ook op Heinz neemt ze wraak, en uiteindelijk ook op Eli. ‘O God, dat ik mij met één wrake wreke!’ schrijft ze in haar dagboek, de Bijbel citerend. Al ziet ze het zelf niet als wraak, want berouw kent ze niet.