• Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    De vierde bundel van Erik Lindner ziet er als volgt uit: over de voor- en achterzijde van de bundel loopt een grote foto. Een rood dienstwagentje met Chinese karakters op de voorruit staat op een parkeerterrein. Achter het wagentje staat een hoge muur, in volle breedte van de foto, de muur is wel een meter of zes, zeven hoog. Boven de muur een stukje lucht, een luidspreker, in de verte een viaduct met verkeer, gebouwen. Meer in de nabijheid een verkeerslicht op rood en een verkeersbord dat verbiedt links af te slaan. Links onderin de foto, aan de achterzijde van de dichtbundel dus, een deur die open staat, met een hek ervoor.

    Nu gaat het om de muur. Op de muur is een veel rustieker beeld geschilderd, of mogelijk zelfs in zeer fijn mozaïek ingelegd. Het is een gezicht op een park, oude bomen, gras, een pad, bankjes aan het water, in de verte – na het water – wel weer een stad.

    Het rode wagentje op het parkeerterrein staat zo geparkeerd dat hij ook geparkeerd kan zijn op het brede pad, dat in het park leidt, naar het vergezicht toe, het water met de bankjes. Wie de bundel vast heeft denkt een ogenblik naar het parkplaatje te kijken, dan verschuift zijn aandacht en ziet hij de muur, de stad die hij erachter vermoedt.

    Zo’n foto op een omslag zegt een aantal dingen: ‘We laten ons in de luren leggen door wat anderen willen dat we zien.’ ‘We hebben geen kennis van wat zich achter de muur bevindt.’ ‘We houden van bomen, maar leven in de stad.’ Maar ook: ‘voor wie goed kijkt staat er een deurtje open’. Of, ‘alleen al iets beter kijken toont in elk geval wat er boven de muur nog aan werkelijkheid overblijft.’

    Het is dit soort denken dat ook in de bundel in 27 gedichten steeds weer gestalte krijgt. De lezer neemt iets waar, maar is het dat wel? De poëzie van Lindner ontwikkelt zich tot een staccato bijna subjectloze waarnemingpoëzie:

    ‘De laadklep van het schip opent boven de kade
    schuift heen en terug over steen

    vlaggentouwen slaan tegen palen
    in een handpalm klikken kralen tegen elkaar

    een man dweilt met opgetrokken schouders
    de door televisieschijnsel verlichte winkelvloer

    een vrouw staat in een stoel om een kaars aan te steken

    wier opgehoopt in een baai
    een bestelwagen draait stationair

    kinderen zitten tussen plastic zakken
    hun knieën tegen de borst

    op de loopbrug rollen mensen koffers voor zich uit

    midden in de passage is een gat
    boven een tafel vol zaagsel

    vanaf een mast schijnt licht op het water
    scheepstouwen spannen voor de boeg.’

    Net als op de foto weet de lezer niet wat-er-achter-de-muur-is. Dat wil zeggen: de dichter somt op, dingen die hij ergens hoort en ziet. Het lijkt wat op zo’n omineuze scène in een spaghettiwestern, de wind beweegt het stalen uithangbord van de barbier, een dorre struik rolt door de wind aangedreven door de straat. De hoofdpersoon kijkt met tot spleetjes geknepen ogen hoe vlaggentouwen tegen de palen slaan. Ennio Morricone op de achtergrond. Lindner is de cowboy van hier en nu.

    Maar Lindner doet wat meer dan deze cowboy, Lindner neemt dingen waar die niet helemaal lijken te kloppen. Midden in de passage is een gat boven een tafel vol zaagsel? Dat klinkt als sabotage. En mensen die op een loopbrug koffers voor zich uitrollen. In een stoel staan om een kaars aan te steken?

    In het gehele eerste deel van deze bundel, Steiger en boeg wordt op deze aanstekelijke manier de lezer met een regen van waarnemingen overspoeld, waarvan de druppels tussen nek en kraag belanden. Lindner laat de lezer bijna zelf, authentiek, waarnemen, doordat hij zo gepast op afstand blijft. Dat is een kwaliteit. Dat maakt een verklarend slotakkoord aan die reeks bijna overbodig:

    ‘Herstel wat veraf is. Onderdruk wat
    vooraan staat. Kiept het kantelraam
    en duikelt de kijker in de tuin.’

    Het voorbehoud van  de dichter

    De drie afdelingen in deze bundel, ‘Steiger en boeg’, ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’, ‘Acedia’, worden elk voorafgegaan door een opmaat, 1 gedicht dat de toonhoogte aangeeft, of juist de lezer ontstemt. Het zijn bijvoegsels die het hooggestemde niet-weten van de bundel wat doorbreken, maar het zijn voor de gelegenheid niet de sterkste. Het sterkste blijkt Lindner in juist de acedia, ook de titel van de laatste reeks. ‘Acedia’ is de benaming voor de gemoedsgesteldheid waaraan asceten en solitair levende monniken wel eens gaan leiden. De staat van desinteresse in de eigen positie in de wereld, die leidt tot verzuim, maar ook goed gedefinieerd kan worden als een slordig soort gelatenheid. Het is in zichzelf al een voorbehoud de naam van deze afdeling. De dichter zegt: ik neem waar maar handel niet.

    ‘Drie ranke hoge bomen voor een laan
    bladeren buitelen er over de grond
    vogeltjes schieten los uit de struiken

    een man loopt met een lijst op de schouder
    zijn arm steekt er doorheen

    de draaiende ventilator bij het open raam
    de gordijnen die over het kleed waaien

    over de helft van de vierkante kamer
    wiegt het licht van een goudvissenkom.’

    Ook dit gedicht toont weer dat de dichter er nauwelijks bij wil zijn. Of in elk geval problematiseert hij nadrukkelijk zijn positie. Waar moet je staan om de drie ranke bomen voor de laan te zien, gordijnen die over een kleed waaien? Door de hele bundel lees je dit: de waarnemer is er wel, en hij ziet en hoort meer dan menigeen, maar zijn positie is onzeker. Ongewis is hoe hij zicht verhoudt tot het waargenomene. Dat is waar Lindner voor te prijzen is. Terrein materialiseert het vraagstuk van je eigen aanwezigheid, het perspectief. Je kunt de bundel lezen als een spervuur van waarnemingen, een tocht door de stad zonder dat je ging. Je kunt de bundel ook lezen als een geformuleerde vraag naar waar je eigenlijk bent als er iets gebeurt, en wat de wijze waarop je ernaar kijkt ermee te maken heeft. Op beide fronten heeft Lindner een formidabele bundel achtergelaten.

     

  • Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

    Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft

     

    De tijd dat dichters bundeltjes met slechts 30 pagina’s konden afscheiden, ligt inmiddels achter ons. Menige dichtbundel van de laatste jaren daagt het formaat van een in boekvorm uitgegeven novelle uit. En ook de nieuwe en daarmee vijfde bundel van Jan Baeke, Brommerdagen, doet met 65 pagina’s een redelijke poging in die richting. Evenals zijn vorige Groter dan de feiten is ook deze van een in het oog springend voorkant voorzien: tegen een oranje achtergrond zien we het bovenste gedeelte van een plafondlamp, een zwevend televisietoestel met kamerantenne en iets wat op een gedateerd soort bom lijkt. Het oogt niet onaardig, zolang we die bom maar kunnen vergeten.

    De bundel is opgebouwd uit 2 reeksen: Blessures en Brommerdagen. Van elkaar gescheiden door het onheilspellende gedicht Ten slotte het diner dat met 4 pagina’s het langste van de bundel is. De andere gedichten zijn allen 1 of 2 pagina’s lang. In vrije versvorm. De ideale vorm, lijkt het, voor de meanderende stroom van beelden, en weerbarstige maar toch ook vaak vrolijke associaties, met hier en daar vileine weerhaakjes, waar Baeke het patent op heeft. De gebruikte woorden zijn stuk voor stuk alleszins begrijpelijk. Wat voor het gedicht in zijn geheel niet altijd het geval is, maar het is gelukkig meestal wel duidelijk waar Baeke jou wil hebben. Bovendien: het spoor bijster raken, dat mag best een beetje, want de achterflap meldt dat de vele personages, die in ontregelende monologen het woord voeren, zelf ook het spoor aardig bijster zijn geraakt. Maar vaak vallen de ogenschijnlijk losse eindjes bij nader inzien aardig aan elkaar te knopen. Daarbij is er ook niets op tegen om je op de associatieve toon van zijn gedichten te laten meestromen om op die verrassende wendingen te stuiten, zoals het slot van Respect: ‘Vuur is genadig, vuur is muzikaal /  Vuur hoor je niet zo gauw zeiken.’ Of op de laconieke melancholie in de laatste regels van Als de toekomst ter sprake komt: ‘We herinnerden ons / dat dergelijke avonden zo gewild zijn / om hun afscheid.’ En passant leert de lezer nog dat ‘vrolijkheid van bloemkool afstamt’. Tijdens de eerste lezing begon het mij al snel te dagen dat dit een bundel is voor een tweede en derde lezing. Om het gewone aan ongewoonheid te zien winnen en het ongewone aan gewoonheid. De tweede reeks vind ik niet de sterkste omdat in de eerste misschien een enkel gedicht staat dat mij niet zoveel deed, maar omdat ik in de tweede reeks op het allermooiste gedicht van de bundel stuitte:

    Tot het samenvalt

    Valt het oog van de moeder
    op de held die zij heeft grootgebracht
    ziet ze hoe oorlog hem de dossiers in sleurt
    en sloopt, tot hij samenvalt met grijs haar
    en een hand die zijn hart
    door zijn vlees heen tracht te steunen.

    Voor zijn kinderen een feestdag geknutseld. ’s Avonds, achter de verduistering, streept hij
    de woorden door die hem vergeten moeten
    mochten vragen volgen.
    Hij kijkt opzij, de spiegel in
    het stokken van zijn adem tegemoet.

    Op het tapijt zit altijd nog die vlek die lijkt.
    Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt
    het zijn er vele, juist degene die over niets gaan.
    Zoals afgesproken praten wij, zijn kinderen
    vloeken dan of piekeren
    willen er de schuld van zijn.

    Een zeer geslaagd gedicht over een man die zich voorbereidt op iets clandestiens in de oorlog. Gezien het naoorlogse geboortejaar van Jan Baeke is het duidelijk dat het ‘wij’ in dit gedicht niet de dichter zelf impliceert. Het is vrij beeldend en suggestief, haast een scene uit een film. Het mooist vind ik misschien wel die vlek in het tapijt die vanwege zijn vertrouwdheid een baken van rust kan zijn te midden van de dreiging. Om zulke vondsten leest men poëzie. En Baeke blijkt ook in veel andere gedichten een geoefend oog te hebben voor veelzeggende vlekken in een tapijt. Het zijn bij hem vaak beelden waarin het woord het voor het zeggen heeft, zodat het ook bij herlezing boeien blijft. Ook een zin als ‘streept hij de woorden door die hem vergeten moeten / mochten vragen volgen’ is schitterend, zelfs al zou je niet meteen denken aan de situatie waarin een verzetsman voor verhoor wordt opgepakt. Zijn vorig poëtisch wapenfeit Groter dan de feiten kreeg een nominatie voor de VSB poëzieprijs. De concurrentie moet in 2010 wel met werk van uitzonderlijk hoog niveau voor de dag komen, wil het niet als verregaand onredelijk voorkomen indien deze bundel buiten het blikveld van een jury zou vallen.

     

     

  • Anna Enquist – Nieuws van nergens, gedichten

    In februari 2010 verschijnt bij Uitgeverij De Arbeiderspers de zevende dichtbundel van Anna Enquist. Zij brak weliswaar naar het grote publiek door met haar eerste roman Het meesterstuk, maar haar naam vestigde ze daarvoor al als dichter. Voor haar debuutbundel Soldatenliederen (1991) ontving zij meteen de C. Buddingh’-prijs en haar tweede bundel Jachtscènes  (1993) werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt prijs.  

    Zes jaar na De tussentijd, poëzie die doordrongen was van gemis en verlies na het overlijden van haar dochter, komt Anna Enquist met een nieuwe bundel gedichten. Hoewel dit op zichzelf een gebeurtenis van formaat is, lijkt de titel – Nieuws van nergens– het belang van de bundel nogal te relativeren. Schijn bedriegt. Weliswaar wordt het gewicht van het hier en nu in deze nieuwe gedichten ondermijnd, maar daarvoor komt iets anders in de plaats. In veel van de gedichten wordt de alledaagse werkelijkheid afgepeld tot haar kale existentie. Het naakte bestaan, dat is de actualiteit van deze bundel. Anna Enquist schrijft onverminderd elementaire poëzie. Over de seizoenen en het verstrijken van de tijd, over weer en wind, ouders en kinderen, taal en muziek, verdriet en hartstocht. Over alles wat het leven genadeloos en groots, bitter en zoet maakt.

  • Dansen op spijkers

    Dansen op spijkers

    Door Benno Zuidenga

    Het is meer dan 20 jaar geleden dat de dichter des vaderlands Gerrit Komrij iets met muziek deed. Dit betrof een samenwerking van de dichter met Boudewijn de Groot. In 1976 schreef Komrij op muziek van Boudewijn de Groot een lied genaamd Kinderballade, dat een jaar later op single verscheen. Oorspronkelijk was het nummer geschreven voor de lp Zing je moerstaal welke uitgebracht werd in het kader van de kinderboekenweek.

    In  2009 leverde het tweetal Komrij en Gauthier een luister-cd af waar de gedichten  mooi samengaan met de popachtige en soms als rap klinkende muziek van Gauthier. De composities van Gauthier en het aparte stemgeluid van Komrij zijn een zeer verrassend samengaan van muziek en proza.

    De cd begint met een intro van Gauthier, dit openingsnummer is een instrumentaal muziekstuk en verraadt nog niet veel aan de stijl en toonzetting van de composities op de rest van de cd, maar weet wel gelijk een sfeer te scheppen.

    De compositie Avondje met de tantes laat een verrassende tempowisseling horen. Door de samenvoeging van de vrolijke muziek met de dichtregels van Komrij zie je de tantes bijna echt zitten op hun avondje, met al hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden.

    De speciale toon en geluidseffecten van de muziek van Louis Gauthier brengen je helemaal in de sfeer van het gedicht van Gerrit Komrij, het ene gedicht is sexy en goor zoals Liefde waar in het intro het geluid van elektrische gitaar en kerkklok de heftigheid en sinistere sfeer al verraden, maar waar het uiteindelijk toch maar om één ding draait en dat is ‘liefde’, het andere dat reflecteert op de huidige tijd genaamd Twintigste eeuw. Deze compositie brengt je in ruim drie minuten door honderd jaar ups en downs in Nederland. In het titelnummer Zij danst op spijkers geeft de dichter mooi weer dat het leven van een dichter ook niet over rozen gaat.

    Louis Gauthier, geboren in IJsselstein op 4 maart 1981, is een jonge alleskunner. Hij is componist en werkte onder andere samen met de eenmans-band Spinvis, Ingmar Heytze en Henk Westbroek wat resulteerde in een aantal cd-singles.

    Gauthier werkt samen met diverse fotografische kunstenaars zoals Margi Geerlings, Bart van de Hulsbeek en Ramses Singeling. Louis heeft een studie afgerond aan de Universiteit in Utrecht en specialiseerde zich daar in theater-, film- en televisiewetenschap. Hij heeft meegewerkt aan prestigieuze radio- en televisiedocumentaires, zoals de radiodocumentaire over de Extra Beveiligde Inrichting in Vught welke bijna de RVU Radioprijs won in 2003.

    Gerrit Komrij,  dichter, schrijver, vertaler, toneelschrijver en criticus, heeft met Louis Gauthier componist, producer en ontwerper een luisterrijke en zeer verrassende cd afgeleverd. De poëzie en goed gearrangeerde muziek zijn mooi verweven en vullen elkaar goed aan. De cd is niet alleen een aanrader voor mensen die van aparte muziek houden, maar zeer zeker voor de liefhebbers van poëzie en Gerrit Komrij.

    De cd bevat bevat twaalf gedichten/composities en wordt geleverd in een mooi door Louis Gauthier ontworpen boekje met de teksten van de gedichten.

     

  • Poëziedebuut van Floor Buschenhenke: 'Eiland op sterk water'

    Kies exact. Of Floor Buschenhenke deze overheidscampagne uit de jaren tachtig gevolgd heeft is onbekend, uit haar debuutbundel Eiland op sterk water spreekt in elk geval een fascinatie voor meetinstrumenten en techniek. In het gps-systeem ontwaart Buschenhenke zelfs een nieuwe muziek der sferen. Maar toch moet zij constateren dat al die mooie meetapparatuur, als het erop aankomt, overal net naast kijkt. De gedichten in Eiland op sterk water gaan daarom tussen de harde feiten en cijfers op zoek naar momenten vol inzicht en overgave. De heldere taalvoering, de treffende beelden, maar vooral de milde, eigenzinnige stem die overal doorklinkt, maken Eiland op sterk water tot een debuut dat niets belooft maar gewoon direct prachtige poëzie levert.

    Floor Buschenhenke (1978) schrijft poezie en proza. Daarnaast is ze redacteur en schrijfcoach, bewonderaar en onderzoeker. Ze publiceerde eerder in diverse tijdschriften (Lava, Krakatau, Hollands Maandblad) en werd opgenomen in bloemlezingen. In 2006 ontving ze de Hollands Maandblad Schrijversbeurs. Haar website is www.woordheks.nl

    Floor Buschenhenke, Eiland op sterk water. Atlas, paperback, 60 p., € 18,50

  • De Poëziekoerier

    De Poëziekoerier is een uniek commercieel concept waarbij gedichten op maat per fiets aan huis worden bezorgd inclusief professionele voordracht. Bestel een gedicht op maat inclusief voordracht vanaf 50 euro excl btw!

    De Poëziekoerier is een origineel en persoonlijk cadeau voor vrienden, familie, bekenden en collega’s en geschikt voor elke gelegenheid.

    De Poëziekoerier stelt zichzelf ten doel meer oog en draagvlak te creëren voor gedichten en het poëtische in het algemeen.

    De Poëziekoerier is een initiatief van Fietsdiensten.nl (www.fietsdiensten.nl) en Stichting Poëtisch (www.stichtingpoetisch.nl)

    Voor meer informatie belt u Stichting Poëtisch: 024-8441452 024-8441452 of mailt u info@stichtingpoetisch.nl
    Bezoek onze site: http://www.gedichtenaanhuis.vpweb.nl

    Poëzie per fietskoerier.
    dag dauw, zal ik op je klimmen
    met mijn trappers de ochtend in?
    de grond geurt naar woorden
    en mijn voeten wortelen al
    kijk, ik spiegel in mijn fietsbel,
    ik regen poëzie vandaag
    dag dauw, zal ik je wakker maken
    en dit gedicht beginnen?
    mijn bagagedrager draagt reeds voor,
    ik ben op reis zoals je ziet.
    als straks de avond valt
    ben jij dan de inkt, ik de pen?
    dag dauw, ben je wakker?

    Gedicht: Marjolein Pieks
    Foto: Theo Jennissen

  • Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Publiek juicht terwijl gevestigde literaire orde de wenkbrouwen fronst

    Dat Simon Vinkenoog (1928) de tachtig is gepasseerd is maar moeilijk voor te stellen. Hij treedt overal op, danst en swingt, dicht en zingt en lijkt nog immer alom aanwezig. Dat uitgeverij Nijgh &Van Ditmar nu met zijn verzamelde gedichten komt lijkt een eerbetoon aan deze performer/dichter.

    Vinkenoog organiseerde Poëzie in Carré in 1966, een inmiddels legendarische bijeenkomst met een keur aan dichters, die na een copieuze maaltijd optraden in het stampvolle theater. Namen als A.Roland Holst, Ed Hoornik, Bert Voeten, Jan Hanlo en Cees Noteboom waren van de partij maar ook toenmalige nieuwkomers als Jules Deelder (in bloemetjesoverhemd!) en Johnnie de Selfkicker. Het was voor het eerst dat dichters zo massaal optraden, er waren in die dagen weinig performing poets. Vinkenoog was de animator en presentator en het luidde een nieuw tijdperk in met poëten, die op padia klommen. Vinkenoog was een exponent van De Vijftigers, samen met Campert, Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek e.a. Hij bracht Amerikaanse Beatdichters als Ginsberg en Corso naar Nederland. Maar hij weekte zich in de zestiger jaren los. Toen ontwikkelde hij zich als geëngageerd dichter en later als een experimentele poëet. Een onafhankelijke dichter zonder club of stroming met een eigen geluid. Dat leverde veel optredens op, maar ook veel kritiek van de gevestigde orde. Men verafschuwde de Bresredacteur, de kosmopoliet, LSD-gebruiker, Zen Boeddhist en hippie. Hij schreef bovendien controversiële romans met veel drugs, sex en jazz erin.

    Misschien raakte men de kluts kwijt -niet verwonderlijk – want wie de rubriek Wereld in Beweging uit Bres nog eens raadpleegt, wordt duizelig van de associaties. Vliegende schotels, complotten, voedsel, landbouw, literatuur worden in een bonte warreling opgedist met een eindeloze lijst van namen. Want Simon Vinkenoog was overal en nergens. Oude opnames van het VPRO programma Hoepla (1967) tonen Vinkenoog enerzijds in meditatie bij een Zen Meester en tijdens een andere opname danst Simon stoned rond op de klanken van The Soft Machine. Hij leefde toen vooral volgens de uitspraak van Shakespeare: “All this life is but a play, be Thou the joyfull player!”

    Nu liggen er de verzamelde gedichten van Vinkenoog, bijeengebracht door Joep Bremmers. Dat zal een heidens karwei zijn geweest, de bundeling telt maar liefst 1228 pagina’s! En dan ontbreken er nog diverse verzen. Zoals het destijds in tijdschrift Ruim verschenen gedicht: Nederlandse Beeldenroute. De officiële bundels zijn er zoals Wondkoorts, De heren Zeventien en Tweespraak bij grote uitgevers als De Bezige bij en Stols en deze rij uitgaven gaat tot diep in de jaren ’70 door, maar daarna lijkt de belangstelling te luwen en komt Vinkenoog bij kleinere uitgeverijen terecht of geeft in eigen beheer uit, maar treedt vooral veel op. Hierin lijkt zijn carrière op die van Hans Plomp, de Ruigoordridder, die onlangs 65 jaar werd en toegezongen door Simon Vinkenoog, die Ruigoord, de kunstenaarsenclave bij Amsterdam een zeer warm hart toedraagt. Hans Plomp scoorde in de zestiger jaren hoge ogen met o.a. Het Amsterdams Dodenboekje, maar werd later in de ban gedaan omdat hij koos voor Oosterse wijsbegeerte en andere spirituele stromen. Nu staat hij op podia in België en Nederland en vertegenwoordigt hij een bijna vergeten generatie.

    In 1950 verschijnt Wondkoorts met een klassiek gedicht genaamd Afrekening: ik was de haat/ de adem van de dood/en andere grote woorden/die aan dit jonggestorven leven/als vrachtgoed toebehoorden/(…) Zinnen, die door Achterberg geschreven hadden kunnen worden. En iets later in de jaren ’50 in Koopman geeft Vinkenoog zijn bedoelingen prijs met het woord : ik vent een vracht / vol woorden voor mij uit/ door lege zonbedoelde straten/(…).
    In 1952 verschijnt de cyclus Land zonder nacht opvallend zijn de grote symbolen waar Vinkenoog voor kiest: (…) ver als de horizon ben je/ in de glazen kist van het weer geborgen/ beukend op blikken deksels/ van het najaar / ik zie de bliksem langs je lichaam trillen/en de regen loopt onrustig door je ogen/(..)
    Maar vanaf 1953 treedt de taal van de Vijftigers in. Het protest, de onmacht. Het rijmen lijkt even verdwenen. Bitter: (…) Als een heerser over glasheelal/ zie ik dame zie ik bloed en schaatsenrijden/ op de Noorse ijzers van betekenis./(…)

    De bundel Gesproken Woord uit 1964 vormt een cesuur in Vinkenoogs werk. De bundel werd in eigen beheer uitgegeven, maar is later in een bundeling van de Bezige Bij nog wel opgenomen. Vinkenoog is hier al de latere declameerdichter geworden. Tijd:U leeft allemaal/ in de onvoltooid verleden tijd/ in de voltooid verleden tijd /in de onvoltooid tegenwoordige tijd/ in de voltooid tegenwoordige tijd /in de onvoltooid toekomende tijd/ in de voltooid toekomende tijd /in de onvoltooid verleden toekomende tijd// in de voltooid toekomende tijd/in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd/ in de voltooid tegenwoordige toekomende tijd/ Misschien ben ik een van u vergeten.
    Het is een geestige opsomming met een quasi filosofisch einde, maar op papier lezen we er snel doorheen. Je moet het Simon horen voordragen! Veel van de latere verzen gaan mank an dit euvel. Wat absoluut niet wil zeggen dat hij na 1964 geen mooie gedichten meer heeft geschreven. In 1972 bijvoorbeeld het vers J.C.1966 (J.C. staat voor Jezus Christus) uit de bundel Wonder boven Wonder: Schop mij een geweten/ schop mij een wereld binnen/ waarin ik niet langer mor/ en honger naar vergelding/ (…)
    In de cyclus over Vincent van Gogh in Louter genieten staan ook wonderschone zinnen: Je haalt de zon/ niet in, die/ ondergaat/ maar in je hoofd/ blijft het suizen/ is de kleur de kleur/ is de kracht de kracht/ is het leven/ weergegeven/ nog het leven?/(…)

    Als Dichter des Vaderland ad interim werd Simon Vinkenoog door het publiek gekozen in 2004, toen Gerrit Komrij onverwachts opstapte, maar de NRC erkende deze verkiezing niet. Symptomatisch voor de hele loopbaan van Vinkenoog, overigens. Publiek dat staat te dansen en te juichen, de gevestigde literaire orde, die zijn wenkbrauwen fronst. Hij maakte een paar gedichten in deze betwiste functie o.a. voor Mabel Wisse Smit, die in het huwelijk trad met Johan Friso van Oranje Nassau: Mabel en Friso: De werelden veroveren doe je met z’n tweeën/ Verliefd, verloofd, getrouwd,/ Nooit raak je uitgevreeën/(…) Vraag is of het echtpaar dit gedicht aan de muur heeft gehangen, maar het is wel een vers met een geestig begin. In 2006 kwam Zonneklaar uit bij uitgeverij Passage. De bundel is opgedragen aan Edith, de onafscheidelijke vrouw, die Simon inspireerde de laatste tientallen jaren. In deze bundel het vers Niets: ik wilde verhalen laten komen/ maar pijnbesprongen woorden/ wilden niet loskomen/(…) Misschien hadden deze woorden juist af en toe wel moeten loskomen, want ze vormen maar al te vaak de broodnodige ingrediënten voor dramatische poëzie zoals bijvoorbeeld destijds Cor Vaandrager kon maken. Simon Vinkenoog ziet het leven rooskleurig in, wit misschien, maar wit kan vergelen.

    Een eindoordeel vellen over deze gigantische bundel gedichten is moeilijk, zo niet onmogelijk. Daarvoor is er te veel van verschillend kaliber. Van zeer fraai tot oubollig. Op het verjaardagsfeest van Hans Plomp verzuchtte Simon Vinkenoog voor de microfoon: “Ben ik eindelijk verzameld, word ik niet besproken.” Onterecht en ook niet billijk. Een laagdrempelig fenomeen als Vinkenoog, verdient het besproken te worden! Maar een serieuze recensent moet zich dan niet door het omvangrijke oeuvre laten afschrikken. Misschien zou er een uitgebreide biografie van hem moeten verschijnen met veel- erg veel- over de ontstaansgeschiedenis van alle verzen, flarden en gedichten. Misschien moeten we het bij Vinkenoog Verzameld laten, het zien als een kunstwerk, meer nog dan een verzameling gedichten. En daarvoor dankbaar zijn als een Bikkhu, een bedelmonnik. Deze recensent knielt alvast met u mee. Maar wordt waarschijnlijk door de Zen Meester gestraft met een klap tussen de schouderbladen. Meditatie vereist namelijk contemplatie!

    Dat Vinkenoog een momentum is voor de Vaderlandse Dichtkunst en de podiumtijgers, waar we niet omheen kunnen, staat als een paal boven water. Sinds de beroemde bloemlezing Atonaal waarin hij experimentele dichters aan het woord liet is Vinkenoog nooit weggeweest van de podia, hoezeer het establishment het ook had gewenst. Of dit altijd verzen heeft opgeleverd, die we met een knijpbril op moeten lezen is de vraag. Moeten we Simon Vinkenoog vragen ze bij ons thuis te komen voordragen of is dat niet nodig? Op zijn website www.simonvinkenoog.nl kunnen we hopelijk lezen waar hij zo iedere dag uithangt en optreedt. In de tussentijd hebben we genoeg te genieten aan Vinkenoog Verzameld.
    Want: We lachen weer. De lucht is opgeklaard/ Wat stoom afgeblazen, de chaos bedaard,/ ik kan weer een gedichtje tikken,/ de telefoon opnemen, zeggen:/
    Ja, daar spreekt u mee/ Ik steek van wal./ Niets meer te onderdrukken.

    Karel Wasch

    (Auteur: Vinkenoog, Simon Uitgever: Nijgh & Van Ditmar Eerste druk: 1-10-2008 ,Verkoopprijs: € 45,00 ,Aantal pagina’s: 1228
    ISBN: 9789038890739)

  • Hollandse sermoenen H.C. ten Berge

    H.C. ten Berge in toptien 2008
    Hollandse sermoenen van H.C. ten Berge werd  door De Groene Amsterdammer verkozen als een van de beste bundels van 2008. Piet Gerbrandy schrijft: ‘Ten Berge kruipt in de huid van Occitaanse troubadours, bezingt Amerikaanse landschappen, gaat in discussie met mystici en Engelse dichters, identificeert zich met een verkrachte vrouw en observeert een fluitende pad in een karrenspoor. […] Dit is een imposant boek.’

  • Een zoektocht in woorden gevat

    Een zoektocht in woorden gevat

    Na de bundels Eindaugustuswind en Op de hoge lijkt dichter en essayist Willem Jan Otten in zijn nieuwe poëziebundel Welkom nog steeds niet te hebben gevonden wat hij zoekt. En dat hoeft ook niet, zo liet hij Vrij Nederland enkele jaren geleden weten, want: “Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht”. Maar toch is er een vorm van berusting: zijn gedichten zijn helderder en lichter van toon. Bovendien stelt Otten zijn vragen in deze bundel niet meer via omwegen maar rechtstreeks aan God. Het is of Otten je nu pas welkom durft te heten in zijn nieuwe denkwereld, die hij in de tijd rond zijn bekering in 1999 heeft leren kennen. Maar Otten is nog lang niet uitgedacht. Zijn bundel bestaat uit associatieve overdenkingen over afwisselende onderwerpen in gevarieerde stijl.

    Dat dit wederom een echte Otten is, lezen we direct in de eerste regel van het openingsgedicht van de eerste reeks gedichten met de titel ‘Ochtenden’: “Hoe kon ik, strekking, weten dat ik deze zin zou zijn”. Het woord ‘strekking’ kwamen we ook al tegen in het gedicht ‘Eindaugustuswind’ uit de gelijknamige bundel. Toen was de strekking het raadsel en nu de dorst; in beide gedichten gaat het om het gemis, maar er is iets duidelijk geworden: wát er gemist wordt. Als we verder lezen in de eerste reeks komen we meer van deze herkenbare taal tegen. Bijvoorbeeld bij de metaforen van een sneeuwvlok, wak en eiland (lees: Vlieland) en zinnen zoals “wat je wees dat was je zelf” of “laat allebei je fijn / besluitloze vleugels / los” uit het tweedelige gedicht ‘Via Negativa’. Of bij prachtige, zelf geconstrueerde samenstellingen in het gedicht ‘Kattenluik’: ‘kattenluikzwak’ en ‘beginzindun’. Tenslotte zien we ook duidelijk Ottens hand in het anekdotische gedicht over een man die een stok werpt voor zijn denkbeeldige hond Vidocq.

    Hij komt me tegemoet want nam
    het bospad andersom en losjes
    zwaait hij met zijn riem en roept
    met onbetwist gezag
    Vidocq,

    of werpt een stok die hij dan volgt
    met scherpe blik. Eén ding aan hem
    is vreemd, althans zo menen sommigen
    van ons: hij heeft geen hond.

    Een sprookjesachtig gedicht: je leest wat er niet is. Op deze manier slaagt Otten erin om zijn existentiële boodschap tot in het diepst van zijn poëzie over te brengen: de zoektocht naar het onmisbare, dat niet aanwezig hoeft te zijn om aan te nemen dat het er is.

    In de tweede reeks ‘Levenswerk’ zijn een aantal algemene gedichten samengepakt. Hierin wordt bijvoorbeeld een ode gegeven aan de linkerhand: de grote afwezige totdat de rechterhand uitvalt. Het gedicht is luchtig van toon, humoristisch ook:

    Nooit heb je terdege neus
    gepeuterd, nooit mijn rivaal
    de hand gedrukt, de bal geworpen
    naar de eerst honk.

    Otten gebruikt meer sportbeelden in gedichten over tennis, voetbal en wielrennen. In het gedicht over de wielrenner Bahamontes ga je met hem mee de berg op, terwijl hij zich al zwoegend afvraagt wie hem het zetje heeft gegeven. En ook hier weer de herkenbaar queeste van Otten. Wie begon met deze zwoegtocht? Gaf hij zichzelf het eerste zetje of deed iemand anders dat? Of, zoals Otten in een interview met het Nederlands Dagblad verwoordde: “Ik zoek, omdat ik word gezocht.”

    Otten schrijft geen belijdenispoëzie maar denkt, peinst en overweegt. Het meest concreet is hij in de derde reeks ‘Gerichte gedichten’, waarin hij poëzie en gebed met elkaar vermengt tot een zestal persoonlijke overdenkingen. Ottens denktocht eindigt in een oase van rust. Terwijl hij in zijn eerdere bundels nog vooral de schepping ondervroeg, de doop onderzocht en zijn bekering beredeneerde, richt hij zich nu rechtstreeks tot God. Niet meer vertwijfeld op zoek naar antwoorden, maar luchtig vragend in een berustende eenvoud en verklarende helderheid. Het meest geslaagd in deze cyclus is ‘Hoeveel weet ik van u’, waarin hij in een stapeling van beelden de ambiguïteit van zijn zoektocht weergeeft. Hij heeft gevonden, maar niet wat hij zocht.

     In het slotstuk van Ottens bundel, of zelfs van al zijn gepubliceerde poëzie, duikt het eilandbeeld weer op: voor Otten symbool voor een dichterlijke wereld, afgezonderd in taal en tijd. Het is stille zaterdag, de boot komt eens per jaar met Pasen. Op de boot staat de hoofdpersoon van het gedicht en hij ziet iemand op de kade wuiven. Hij wuift zelf ook. Maar wie begon met wuiven? Zie hier: weer het beeld van het begin van de zoektocht. Hij wordt in zekere zin aan het zoeken gezet, want vervolgens verkent de hoofdpersoon het eiland. Hij gaat op zoek naar het mysterie, waar hij alleen de taal van poëzie bij kan gebruiken. Het is een zoektocht waarin woorden worden gevonden, de rede wordt afgetast. Maar de rede heeft grenzen: het mysterie is niet verklaarbaar. En terwijl de hoofdpersoon zoekt, krijgt hij langzamerhand door dat er ook naar hem wordt gezocht. Aan het einde van de reeks namelijk een vergelijkbare situatie als aan het begin: nu staat de hoofdpersoon op de kade, op zoek naar degene die naar hem wuifde:

    Je moest de nieuwelingen aan de reling zien
    daar op de boot, eer je eindelijk begreep
    hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

    toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.

    Hij zoekt terwijl hij gezocht wordt. Hij was allang welkom geheten: op het moment dat hij met Pasen aankwam. Hierin vindt Otten het einde van zijn bekeringsproces. Terwijl hij in zijn vorige bundels nog deinde op open zee, is hij nu aangekomen op het eiland en: “Eenmaal / binnen zult u niet meer weg, / tot u omhelst wat u beseft.”

    Willem Jan Otten is er in deze prachtige bundel in geslaagd zijn zoektocht in woorden te vatten. Waarbij hij blijft afwegen, zoeken naar de juiste woorden, zinnen, beelden. Dat levert mysterieuze poëzie op, die je misschien tot op het bot kan analyseren maar waarvan het mysterie immer bewaard blijft. Poëzie die even mooi als kwetsbaar en bereikbaar is.

  • Zinnen van eenvoud en trefzekerheid

    Zinnen van eenvoud en trefzekerheid

    Godelieve Prantl (1948) debuteert met deze fraai uitgegeven bundeling van haar gedichten. De 20 gedichten uit De nacht is bont en blauw zijn in vier cycli verdeeld: Cyclus van 7, Kou, Kinderkamer en Halleluja. De eerste cyclus is beschouwend, de cyclus Kou adembenemend. In Kinderkamer komen we tedere gedichten tegen en Halleluja is wat luchtiger van toon. Dat geeft een uitgebalanceerde dynamiek aan deze bundel. Ze schaafde duidelijk veel, want de gedichten, die we krijgen voorgeschoteld zijn van een bedrieglijke eenvoud, maar zeer goed uitgewerkt. Zoals het openingsfragment uit de Cyclus van 7:

    De zon komt op in neveljas
    reigers bassen luid
    er valt een vis

    Laat de reiger de vis uit zijn snavel vallen? Is hij betrokken bij het opkomen van de dag? Of valt er een vis uit de hemel omdat het een bijzondere dag gaat worden? Is dit het begin van een dag, zoals nooit tevoren? Het is het openingsgedichtje van de bundel. Het is een stukje uit het gedicht Februari , waarin ook de zin van de titel: De nacht is bont en blauw.(.) voorkomt.

    De vader en moeder van de dichteres staan centraal in de eerste gedichten. Verwondering ook over kinderen, die ouders worden en vaders, die nu opa zijn.

    Zinnen van een grote eenvoud en trefzeker neergezet. De grootmoeder en de dochter hebben een ontmoeting en de moeder kijkt naar de dochter die ook vrouw en moeder is: (.) haar rimpels, meisjesblik verbaasd.(.). We kloppen aan met warme broden, water. Hierin zit speels water en brood. Wie staat er op water en brood? Of is het zijn het de essentialia van het leven? Er is immers een kind geboren, want de geur van luier leidt hen door het huis. De moeder en de dochter houden van de vader (dezelfde man). En dan komt het: de moeder weer, de dochter later.

    Verderop wordt in een titelloos vers de vader weer neergezet:
    Met losse handen walst hij naar de troon
    mijn vader koning wacht geslepen
    tot ik opkijk naar zijn kroon (…)
    maar aan het eind van het gedicht is de dichteres dichtbij de vader gekomen: Ik kan de vader koning aan.

    Hij is niet meer de kruising tussen God en Sinterklaas, maar veeleer de belofte, de realiteit van alle dag geworden. En die moeten we aan kunnen. Die moeten we gewoon accepteren. En die acceptatie zit in meerdere gedichten van Prantl. Wat dit betreft staat ze nadrukkelijk in een Hollandse traditie en doen haar gedichten in de verte denken aan een gigant als Martinus Nijhoff, die weliswaar de grote vragen van het leven ter sprake bracht maar op een uiterst (voor het oog-) simpele wijze. In het weglaten toont Prantl zich een meesteres. Nergens bombast, geen komma, geen bijvoeglijk naamwoord vooral ook, te veel.

    Sommige gedichten in deze bundel zijn uit een ijskoude sfeer geschapen. Neem ‘Enkelspoor’:

    Moeders moeder ging niet dood van kou
    ze droeg een blauwe jas, een kraaltjestas
    als ze op zondag kwam
    zij had haar winkeltje in aria’s gesloten
    borg haar jurken van brokaat, liet
    de kinderen op haar spitzen lopen
    zij bracht haar zussen weg
    brieven kwamen terug
    verhalen zongen rond van
    prikkeldraad en smalle bedden
    moeders moeder ging niet dood van water
    brood met niets erop, zij werd gered
    voorop de stang van Noach’s fiets gezet
    zij droomde dat haar zussen alle zes
    nog één keer kwamen
    haar op de schouders namen
    om haar dood te vieren.
    Een mooi gedicht, waarin beelden worden opgeroepen met een grote- soms zelfs dreigende- diepte. Zoals in de derde strofe
    (..)verhalen zongen rond van
    prikkeldraad en smalle bedden (..)

    Waren het joodse familieleden, die werden ‘weggebracht’ ?(zo zei men dat met gevoel voor understatement vlak na de oorlog). De zes zussen die ze verloor, moeten in de laatste strofe maar terugkeren. Maar waarom? Om haar dood te vieren. Wordt dood gevierd?

    Pas nu begrijpen we ook de eerste twee strofes, waarin de grootmoeder (moeders moeder) de aria’s had opgeborgen. Zoveel leuks was er niet meer namelijk door de dood van haar zussen. Wat een drama in een gouden notendop! Het Enkelspoor uit de titel was een weg zonder terugkeer. Wie het concentratiekamp Vught bezoekt, ziet een rail omgebogen naar de hemel. Daar eindigde de reis en vaak ook het leven. En wat enkele wonden laat dat achter.

    Maar Prantl schuwt ook de absurditeit niet, die ze komisch opdist in een gedicht als

    De kamer
    Als een dobbelsteen rol je de kamer binnen, zes!
    je mag beginnen; de stoel vangt je jas
    de bank je tas, de vloer zegt: kom op met die schoenen
    met de hiel op de grond telt de voorvoet tot vier (..)
    Of ze kan teder zijn en met woorden strelen:
    Morgen
    kom ik je wekken, laat je
    het strand zien
    het licht van de zee (..)
    In de laatste cyclus Halleluja staat het enige luchtige vers van de bundel Ode aan de merel met de verrukkelijke zin:
    Wil mij uw snavel lenen
    uw vleugels voor de hoogste tak (..)

    Reizen van het ene gedicht naar het andere en ieder gedicht in deze bundel is de moeite waard. Middernacht moet men lezen over de dood van de moederfiguur en vooral ook Apparaat over de vader die niet meer kan lopen. Wat een rijk palet heeft deze dichteres! Vakmanschap en een fraaie stijlbeheersing.

     

     

  • Paul Claes, Lyriek van de lage landen

    De canon in tachtig gedichten

    Zoals een mens niet kan leven zonder herinnering, kan een cultuur niet bestaan zonder traditie. Om de lyrische traditie van Nederland en Vlaanderen levend te houden heeft Paul Claes in dit boek tachtig klassieke gedichten uit onze literatuur verzameld en deskundig toegelicht. Hij geeft verhelderend technisch en thematisch commentaar, portretteert de makers en toont hun nawerking tot in deze tijd.
    De ‘canon van Claes’: een rijk geïlustreerd standaardwerk voor iedere in poëzie geïnteresseerde lezer.

    Verrassend in deze bloemlezing is opname van het gedicht ‘Ne roibaard ip ’n wisse’ ‘Een roodborstje op een twijg’ van de West-Vlaamse dichter Omer Karel de Laey, die in nog niet menog canon-bloemlezing verscheen.

    ISBN: 978 90 234 3288 3
    Omvang: 304 bladzijden
    Uitvoering: Gebonden
    Prijs: € 24.90

  • Martje Brandsma danst een gedicht van Remco Campert

    Voor haar nieuwe poëzieproject verbeeldt Martje Nitsch-Brandsma – samen met een cellist en een professionele spreekster – een stuk van de Russisch-Tartaarse componiste Sofia Gubaidulina en een gedicht van Remco Campert. De presentatie demonstreert bij uitstek de euritmische benadering van moderne muziek en poëzie en is met name gericht op jongeren.

    Met haar driemansformatie treedt Martje Nitsch-Brandsma op verschillende scholen, theaters en festivals in heel Nederland op.

    Euritmie werd aan het begin van de vorige eeuw ontwikkeld te midden van een reeks vernieuwingen binnen de kunsten. Zij kwam in Europa op – samen met de abstracte schilderkunst en de atonale muziek – als een van de moderne dansvormen. Omdat euritmie het hoorbare zichtbaar wil maken en daarom gebruik maakt van muziek en poëzie is zij heel effectief binnen het kader van cross-over projecten.

    De voorstelling is te boeken voor scholen, theaters en festivals. Binnenkort – 15 november – is een dvd van het project beschikbaar.

    www.avantiproductions.nl