• Een circulaire tijdreis

    Een circulaire tijdreis

    In De weg naar huis beschrijft Juliën Holtrigter een onderweg zijn, en soms een thuiskomen. Recht is die weg allerminst. Eerder is het een circulaire tijdreis in drie delen, ‘Hoog water’, ‘Verstekelingen’ en ‘De weg naar huis’. Elk deel bevat veertien gedichten met een overzichtelijke structuur. Veel gedichten tellen ook nog eens veertien regels, als bij een sonnet, weliswaar zonder rijm en in vrije vorm. Maar met een sobere en aangename cadans waardoor de lezer – waarheen het ook gaat – met de dichter kan oplopen. Bij Holtrigter geen gesol en met visuele grapjes, wegspringende letters en talige acrobatiek waaraan geen touw is vast te knopen. Deze bundel bevindt zich in de veilige zone tussen klassiek en modern, het experimentele is tenslotte niet aan iedereen besteed. De grondtoon die door bijna alle gedichten loopt is een soort melancholieke somberte. Al is die melancholie eerder nostalgisch dan zwaarmoedig. Dat maakt een groot verschil. Voor wie op grijze winterdagen graag mijmerend uit het raam staart, is deze bundel een niet te versmaden literaire lekkernij. En zelden paste een coverafbeelding zo bij de inhoud als deze ‘Bomenrij’ van Jan Mankes.

    Duurzaam leed

    Meteen al in het eerste van de drie delen wordt het introspectieve karakter van deze bundel duidelijk. Niet gelijk somber, maar weemoedig is het wel. Omdat deze tijdreis moeiteloos toen en nu, daar en hier aan elkaar paart, kan het gebeuren dat in een enkele strofe wordt beschreven wat er zo mooi is aan de wereld, en tegelijk wat er allemaal zo foeilelijk aan is. En nee, geen eenmalige ergernissen. Klinkklare ellende is het die zich telkens opnieuw aandient of zelfs helemaal niet meer weggaat. Het arriveert dagelijks in megacontainers, als de onnutte meuk uit lagelonenlanden.

    ‘Uit sterven / Een gloednieuwe morgen

    Een gloednieuwe morgen breekt aan,
    de haven ontwaakt, de sluizen gaan open,
    schepen voeren het heil aan in megacontainers:
    de nieuwste gadgets en speeltjes – lees: afvalhopen.

    Het land van belofte loopt onder en droogt ernstig uit.
    Een overvloedig tekort stapelt zich op. We hebben
    de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is
    noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.

    Terwijl de wereld vergaat, traag weliswaar maar
    gestaag, zitten wij naar ons beeldscherm te staren.
    We hebben het niet geweten, zal men ooit zeggen.
    Als alle leven is uitgestorven, staan onze kunststof
    kozijnen nog lang overeind, onze keramische heupen
    overleven nog eeuwen.’

    Hoop en vrees

    Toch zijn er ook prachtige beelden en zinnen. ‘Eenzaamheid fietst als een zieke artiest door de stad, besmet ongewild wie hij ziet.’ Of deze, ‘De trein komt voor even tot stilstand. Stapvoets gaat het verder, alsof er een dode aan boord is gekomen.’ Er zijn mensen – van een tijdperk eerder nog – die blijven zoeken naar potten met troost en hoop. Er is de nachtzuster die liefdevol haar patiënten kust. ‘In mijn zaaltje van angst en beven zal ze gaan zingen / vanmorgen, maar ik hoor haar nog niet. // Ik, nota bene de bedenker van het omhelzende bed, / ben een van de velen. / Zij is doodmoe en ik kan geen kant op.’

    Het is nooit allemaal zwart-wit, er zijn veel nuances, veel grijstinten. Hoop en vrees houden het naast elkaar uit in een wankel evenwicht, als bij een koorddanser op het slappe koord. En dat is wat ook de lezer in balans houdt, verontrustend en geruststellend tegelijk. Voor elke hardheid is er iets zachts, tegenover elk nieuw staat iets ouds, iets vertrouwds. De tijdreis gaat razendsnel en traag tegelijk: ‘Hij heeft de tijd: van vuistbijl tot smartphone duurde / een nanoseconde vanuit de Orionnevel gerekend.’

    Bijbelse motieven

    Omdat alles altijd in beweging is, is er ook altijd licht aan het eind van de tunnel. Of komt men weer vrij uit de buik van een enorme vis. ‘Er doemt een gigantische monstervis op / met wijd open kaken en alles wordt zwart. / Ik kan niet meer denken en hoor slechts ruis / totdat ik als een kersenpit uit word gespuugd. / En dan mag ik naar huis. – U hoort nog van ons.’

    Behalve deze strofe, die erg doet denken aan Jona in de walvis, zijn er meer bijbelse beelden: verloren zoon, woestijn, engelen en profeten, en zelfs een voorzichtige verwijzing naar Lazarus en de rijke vrek.

    Meer inspiratie werd gevonden achter de Hema: / een aftandse kameel wierp veel stof op, gaapte geweldig, / knielde gedienstig en bood me een lift aan. // Het beest, vast ontsnapt uit een circus, / droeg me de stad uit en verder en verder, richting woestijn. // Om weer te aarden?

    Sowieso spelen er – ragfijn, maar toch – mooie ouderwetse motieven door deze bundel. De liefde van een puber voor een lerares, met alle aandoenlijke onhandigheid van dien. En inderdaad iets met geloof en kerk, hoewel allang niet meer dat zwaar-zwarte waar Wolkers en de zijnen eertijds tegenaan schopten. Nee, een mild geloof, knus en huiselijk. Even Nederlands als vissersboten, tegenwind en fietsen over de dijken. Nostalgisch bijna, van toen geluk heel gewoon was. Hoewel, zo gewoon was dat geluk niet. In ieder geval niet probleemloos of volkomen, want tegenover thuis staat ontheemd zijn; bij op weg gaan hoort onvermijdelijk verdwalen, de weg kwijt raken. Dieper ligt de vraag of de plek die lange tijd je thuis was, wel de beste plek is om naar terug te keren.

    Litanie van gesukkel

    De reizigers op deze circulaire tijdreis – Holtrigter noemt ze verstekelingen – ervaren de tijd op eigen wijze en hebben daar hun eigen gevoelens bij. Over het precieze hoe en wat van tijd en ruimte is weinig onderlinge overeenstemming. De dichter lijkt daar niet mee te zitten, die laat zich niet opjagen; die laat het allemaal naast elkaar bestaan.

    ‘Waar tijd niet bestaat maar wel lichtjaren ruimte, / zijn daar de zielen van oude kettinghorloges? / Is er een klok die lichtjaren telt?’

    Toch hebben die verstekelingen wel een paar dingen gemeen. Hoe kan het ook anders als het onderscheid tussen begin en einde, oorsprong en bestemming, verleden en toekomst zo vaag is dat daardoor zelfs de lijn tussen herinnering en droom niet meer helder is. Telkens is het maar de vraag of iets al heeft plaatsgevonden of dat het nog te gebeuren staat. Of dat, en daar schuurt zachtjes de weemoed, het gedane nog eens gebeuren mag, opnieuw, maar anders. En daar is de omgekeerde weg die blijkbaar veel dichters – of mensen met een dichtersgemoed – afleggen. Bij wie het leven niet licht en zorgeloos begint zoals bij de meeste kinderen, maar juist zwaar, en dat het gaandeweg lichter wordt. En niemand weet waarom.

    Of misschien ook wel. Iets met gewenning, niet door de zwaarte van het leven overvallen worden, maar altijd al geweten hebben dat die er was, dat het nu eenmaal een litanie van gesukkel zou worden. Alles wat daarna blijkt mee te vallen is winst.

    ‘Dit wandelend eiland

    Dit wandelend eiland is tijdloos want onbewoond.
    Roestige boten, daar vastgelopen, staren hol
    naar elkaar als ontluisterde goden.

    Rondom woelt de zee.
    Er drijven, als in de kosmos planeten.
    Ik duik en luister, hoor golfslag en ruis.

    Ik heb mijn ziel bloot gelegd, lispelt de zee,
    en nu jij.
    Er is een diepte in mij, zing ik, die ik niet ken
    maar vermoed, ik was er dichtbij.

    Een vis ben ik die in de loop van de eeuwen
    zijn afkomst voorgoed is vergeten.

    Dolend niet weten dat je verdwaald bent.
    Zoiets.’

     

     

  • Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    In 1988 debuteerde Elma van Haren (1954) met de bundel De reis naar het welkom geheten, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht Het schitterende uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Ze schreef ook een verhalenbundel en een roman en is naast schrijver ook beeldend kunstenaar.

    Haar veertiende bundel, Uit de klatergouden boot gevallen, laat zich lezen als een uitbundig sprookje, een scheppingsverhaal uit een zelfgeschapen mythologie, waarin de realiteit een ondergeschikte functie heeft. Er klinken echo’s door van de Japanse godenverhalen en de Griekse mythologie, met een vleugje van de Noorse.

    In haar ‘Aantekeningen’ vertelt Van Haren dat de bundel ontstond naar aanleiding van een zin die ze maar niet uit haar hoofd kreeg: ‘In de parels rond de ranke hals van meisjes zit de adem van ama’s…’ Vanuit deze zin schreef ze een verhaal dat zich afspeelt in Japan, waar jonge vrouwen, ama’s genoemd, al eeuwenlang parels opduiken uit zee. Het is een gevaarlijk beroep, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van apparatuur en de vrouwen vertrouwen op het inhouden van hun adem. 

    Parelduiksters en pareldraagsters

    Van Haren verdeelt de wereld in parelduiksters en pareldraagsters, ‘heldinnen en slechteriken’, twee groepen die erg ver van elkaar afstaan. Degenen die de parels opduiken met gevaar voor eigen leven, zijn immers nooit degenen die de parels dragen. Een van de ama’s, die later Shinju genoemd wordt, ontvoert een van de pareldraagsters, Madelief, die later Meri genoemd wordt. Meri – met gouden krullen en blauwe ogen- is het tegenbeeld van Shinju, maar toch ontwikkelt zich tijdens hun vlucht een liefdesrelatie tussen beide vrouwen, die later weer dreigt te verzanden als te veel ruzies de liefde afzwakken.

    ‘Twee boeken opengeslagen op elkaar. Copulatie.
     Stijlen vervloeien, verdrinken, zinken. Hier en daar
     sterke trampolinewoorden.
     Het beste zuigt zich gretig in elkaar, weefseltaal, stijlvampier,
     op de tenen wordt om het meest herkenbare heengelopen
     en met een handgebaar,
     verdwenen!
     De tweesprong: één snelweg naar de einder. Perfectie.
     Alice met de appelwangen en Cleopatra met haar slangen.
     Een plaatje paradijsgewijs. Klassiek.
     Wij, liefdespaar.
     Uiteindelijk.’

    Spinnenkoningin regeert de wereld

    Het verhaal wordt bezongen door acht verschillende stemmen, waarvan de verteller het vaakst aan het woord is, maar ondanks dat is hij/zij niet de belangrijkste. Dat is namelijk de stem van de Spinnenkoningin die alle touwtjes in handen heeft. Zij regeert de wereld en weeft het noodlot voor iedereen: ‘Tussen de planeten heb ik ieders naam in het sterrenstof geschreven.’
    Ook is er een koor als in Griekse tragedies dat commentaar levert op de gebeurtenissen, maar er zelf niet bij betrokken is. Alle stemmen hebben een eigen teken meegekregen dat naast de titel van elk gedicht geplaatst is waardoor meteen duidelijk wordt wie er aan het woord is. Het teken voor de Spinnenkoningin lijkt op een web. 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor de Dood/Man met de zeis, maar hij wordt in de tweede afdeling van de bundel vervangen door een vrouwelijke dood, Hella genaamd, of ‘Hare Heftigheid’: ‘Dat mijn baas bazin is, Spinnenkoningin, gaf me goede hoop/ toen de [positie van Magere Hein voor het grijpen lag./ Deze tijd is rijp voor vrouwelijk beleid.’ Hoe het verhaal afloopt, wordt door de dichter in het midden gelaten. Dat kan de lezer zelf bedenken. 

    In sprookjes kan de werkelijkheid ondersteboven worden gezet, evenals de volgorde van de gebeurtenissen en de wetten van de logica gelden hier niet. Belangrijker dan het verhaal is de wijze waarop Van Haren het vertelt. Haar poëzie kenmerkt zich door een bonte schakering van fragmenten, losse hersenspinsels die door middel van associaties aan elkaar geregen worden. Deze bundel is een overweldigend geheel van verschillende stijlen, lettertypes, typografieën, dialogen, haiku’s, zelfs van talen, omdat er ook Japanse gedichten in afgedrukt staan. 

    Ingewikkeld web met vaste patronen

    De versvormen zijn heel divers, voornamelijk vrije gedichten die uitwaaieren over de pagina en lange gedichten die uit één zin kunnen bestaan. Alleen de Spinnenkoningin heeft een eigen versvorm gekregen, alleen voor haar, een sonnet van een octaaf en een sextet met een strak gehouden schema voor het eindrijm. Dat is ook passend voor een spin die zelf een ingewikkeld web weeft met vaste patronen. 

    ‘Ingesponnen

     Mijn acht spinnenogen haken zich aan alle kanten vast,
     Soms gevangen door kleinigheden van grote onbelangrijkheid
     En hoe ik ook mijn best doe, ik raak het maar niet kwijt,
     Het drukt op de doorluchtigheid van mijn weefsel, een grote last,

     Waardoor het patroon verwart als ik niet oppas, dus tot mijn diepe spijt
     Eist dit soort onbenulligheid dat het al mijn aandacht
     Krijgt, het klemt zich als een weerhaak aan mijn kantkloskracht
     Tot de juiste oplossing met eindelijk van deze marteling bevrijdt.

     Dit! Ik zie een lieve en een agressieve, toevallig samengesmeed,
     Behept met machteloze mensgevoelens, vluchtend voor het onvermijdelijke lot.
     Vechten, rennen, vrijen. Doden? Als het zo uitkomt, zullen ze het zeker doen.

     Een raadsel waarom deze twee beklijven, maar mijn professioneel fatsoen
     Dwingt me het serieus te nemen ook al voel ik mij beknot tot op het bot.
     Weet dat ook een Spinnenkoningin  heftig lijdt onder menselijk leed.

    De gedichten in deze bundel lijken ongeordend, maar wie goed leest merkt dat schijn bedriegt. Van Haren speelt een fijnzinnig spel met de taal, dat levert knappe vondsten op waarbij een soort droge humor eruit springt. Heel bewust haakt ze aan bij dramatische clichés, om daarna zelf een loopje te nemen met wat ze geschreven heeft. Een bundel als een achtbaan: heftige emoties vliegen van hoog naar laag en omgekeerd, het geschreeuw kan oorverdovend zijn en regelmatig gaan de gedichten ‘over the top’, zowel wat inhoud als uiterlijk vorm betreft. Het is aan het verhaal om te bepalen wat het wordt, schrijft de dichter in de ‘Aantekeningen’. Geen bundel om te analyseren of te ontleden, dit is een bundel om je te laten overrompelen door het taalplezier dat van de pagina’s afspat en dat nog lang in je hoofd blijft nadenderen.



  • Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Het wegdenken van woorden

    Het wegdenken van woorden

    Het is niet voor het eerst dat Judith Herzberg zich in haar nieuwe bundel Bijna 90 Hopla’s bedient van de korte dichtvorm. Bijna tien jaar geleden introduceerde zij deze dichtvorm in Nederland. Ze publiceerde zulke poëtische snippers in bundels als Dagrest (1984) en Het vrolijkt (2008). In 2014 verscheen 111 Hopla’s en in 2021 100% Hopla’s. Nu is Herzberg een dichter die doordacht en sober met haar woorden omgaat. Herzberg is in staat om met weinig woorden gelaagdheid aan te brengen en de ambiguïteit werkzaam te laten zijn in haar verzen. Het vervreemdende effect daarvan maakt het wezen van haar poëzie uit. Een dergelijke omgang met taal zorgt voor een veranderde blik op de werkelijkheid, al is het maar tijdelijk. Daarin gaat iets van het mysterie van de poëzie schuil.

    Of deze snippers zijn blijven liggen na voltooiing van eerdere bundels of van die in wording zijn, doet eigenlijk niet zo ter zake. Herzberg acht ze levensvatbaar en geschikt voor publicatie. Deze hopla’s doen denken aan de vertaalde Spaanse copla’s van Hendrik de Vries. Een vrije versvorm van vier versregels en acht lettergrepen. Verder raken ze in hun beperkte omvang en woordgebruik aan de slanke, soms eenregelige Japanse gedichten van Bashõ. Of aan het Perzische ghazele dat uit zes verzen van twee regels bestaat. Hélène Swarth vertaalde dat soort verzen begin twintigste eeuw. En niet te vergeten de Japanse haiku die met zijn lyrische beknoptheid als drieregelige vers bestaande uit zeventien lettergrepen. De korte verzen van de schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974) munten uit in beeldrijkdom. Zijn begeleidende Japanse kalligrafieën staan op zichzelf naast de korte gedichten. In deze verzen is alles en iedereen met elkaar verweven. De korte gedichten van Herzberg staan in een traditie en in al haar eigenzinnigheid heeft ze er een eigen naam aangegeven.

    Hopla, het leven in en uit

    Bijna 90 hopla’s zijn twee, drie- of vierregelige verzen, meestal slechts één strofe van verschillende regellengte, al dan niet voorzien van een titel. Dat alles vervat in een klein formaat boekvorm met stevige omslag. Een boekje voor in de tas om waar dan ook ter hand te kunnen nemen en je even te laten inspireren: ‘hopla’, het leven van alledag in en uit. Er is geen vast pandoer in vorm en inhoud van deze verzen. Soms ligt het geestige accent in de laatste versregel:

    ‘vrolijk kwetteren
    de vogels maar het
    allerkwetterendste jij’

    Zo personifieert de dichter de ‘volwassen / ‘golven die ze in het meer nog laat nalebberen ‘in riet en gras / aan kiezelkant’. De alliteratie in het laatste woord onderstreept nog eens de zachte botsing met de oeverrand. Het is een verrassende opening in ‘Wegdenken’ om je voor te stellen de mensen uit je bewustzijn weg te denken en je af te vragen wat de bevindingen van de schoenen van die mensen zijn over wat voor mensen het zijn. Dan weer speelt ze met de letterlijke en figuurlijke betekenis van een woord als ‘tippen’ in ‘Protocol’. Ergens niet aan kunnen tippen heeft protocollair niets van doen met het drinken van het een of andere soort sap op een receptie. 

    Diverse invalshoeken

    De onderwerpen die in deze hopla’s worden aangesneden zijn heel divers. In alle gevallen is de dichter erop uit het vertrouwen in eigen waarneming te ondermijnen, iemand op het verkeerde been te zetten. Soms komt het niet verder dan een woordgrapje, zoals in: ‘Gehoord’

    Hoe
    Bedoelu
    Zonnen
    Schadu’

    Geestig is het sympathieke bedrog van de ‘Hospita 1 en 2’. Het lekkere hapje is wat van haar eigen maaltijd over is en tegelijk snakt de hospita naar de komst van haar kostganger om hem of haar opnieuw te kunnen verwennen. Wat verhevener klinken de woorden in: ‘In plaats van kamers’

    Je krijgt nog: “Het gebouw des Heren / heeft vele localen”. Een verwijzing naar Johannes 14: 2: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen’, aldus Jezus. Waarbij het woord ‘localen’ allerlei associaties oproept.  Het de onbezorgdheid en gastvrijheid mist die de Bijbelse tekst oproept. Bovendien associeert het woord met de ‘Zang der vocalen’ (1931-32) van de Litouwse beeldhouwer Jacques Lipchitz. Waarbij de harp een eenheid vormt met het lichaam van de speler. Dan krijgt het woord meer het ontvangende dat past bij de oorspronkelijke Bijbeltekst. Geestig zijn de hopla’s ook, zoals: ‘Intimiderend’

    oude vrienden
    met hun nieuwe
    halfbakken liefdes
    effe wenne
    In een tijd van partnerwisselingen een voorstelbare situatie. Herzberg zoekt dikwijls het gedoe van alledag op in haar verzen. In de ‘Vondst’ laat ze treffend zien hoezeer de telefoon een onmisbaar onderdeel van onze samenleving is geworden:

    Los barst
    wat bij telefoon
    lach
    zaterdag
    Vooral dat ‘lach’ toont een subtiele pirouette in de taal van ‘lach’ naar ‘lag’, en tegelijk de momentopname van een afspraak door de telefoon die door lachen wordt begeleid.

    Beeld- en slagkracht van taal

    Niet altijd lukt het Herzberg om de beeld- en slagkracht van de taal te mobiliseren zoals in ‘Slotsom’: het is bedroevend / dat het niet meer hoeft’, of: ‘Hoe zo’: Ze haalde / eruit / wat erin zat. Maatschappelijke betrokkenheid spreekt uit het vers ‘Goodall’, verwijzend naar het werk van de Britse antropologe Jane Goodall (1934) en haar zorg om de apen. Dit vers is een rechttoe rechtaan oproep: ‘

    en waarom dringt
    nog steeds niet door
    dat wij onszelf
    de das om doen

    In ‘Druk’ blijkt dat gepensioneerden het ‘niet eerder zo druk gehad’ hebben, en de plicht dus blijft bestaan. Weer verrassend is het luisteren in, ‘Hoe hij luistert’: De toonhoogte / van zijn ogen, van elk oog, / zo anders dan / die van een dove. Enig besef van zinloosheid is Herzberg niet vreemd. Zo stelt ze zich in ‘Slede’ voor wat de zin van een rit is: hierheen of daarheen / als in de rit zelf geen / waarheen zit. Of je eigen lichaam bevragen in ‘Intern’: je hart. je darmen / slaan alarm / herken je dat. Nee dus, vertolkt de ontgoocheling vriend te zien overlijden terwijl die gedacht, de ik te helpen wegglijden in de dood. Zo stuit zij voortdurend tegen de absurditeit van ons doen en laten aan.

    Al met al is deze bundel een meer of minder persoonlijk en maatschappelijk betrokken reeks hopla’s geworden, die hier en daar verrassen in het op het verkeerde been plaatsen van de lezer. Terwijl de dichter zoveel mogelijk woorden heeft weggewerkt, wordt de lezer gedwongen de woorden te wegen in hun letterlijke en figuurlijke betekenis, hun klankspel, hun maatschappelijke insteek, hun doorbreking van het gangbare doen en laten en hun vertrouwde waarneming. Een lichvoetige bundel, geestig en zo nu en dan verrassend van toon. Hierbij dan nog een laatste:

    verre van
    bij lange na

    Hopla!



     

  • Oogst week 18 – 2024

    Wally en wij

    Niemand weet waar de jonge walrus vandaan kwam en waarom hij vermoeid maandenlang langs de West-Europese kust trok, tot aan Spanje toe, en een bezienswaardigheid werd. Het eerst werd hij gezien in Ierland, in maart 2021. Wally, zoals hij al snel werd genoemd, hees zich regelmatig in havens in bootjes en werd een steeds grotere attractie. Schrijver en vertaler Irwan Droog van Wally en wij heeft Wally nooit gezien. Door een verblijf op een Noors eiland voor zijn boek Het huis aan het einde had hij niets meegekregen over Wally’s Europese reis. Toen hij veel later een foto zag van een walrus in een bootje twijfelde hij er eerst aan of dat echt was en kwam toen achter het verhaal van Wally. Maar hoe kwam het dier daar aan die kust? Was hij op een ijsschots afgedreven, of door het smeltende zee-ijs in het poolgebied naar het zuiden gedwongen?

    Droog besloot te proberen antwoord te vinden op die vragen door dezelfde reis te maken als Wally. Hij merkte dat de walrus behalve geliefd ook gehaat was, zoals door vissers die dachten dat hij hun vis op at of door eigenaren die hun boot zagen zinken onder Wally’s gewicht.

    Droog voert in zijn boek walrusexperts op (die de dieren zien als meest intelligent van het Noordpoolgebied), heeft het over klimaatverandering en over de veranderende relatie tussen mensen en dieren. Door het toenemend aantal mensen moeten dieren en wij ons beider leefgebied steeds meer delen. Hoe gaan wij daarmee om?

     

    Wally en wij
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Uiterst vertrouwelijk

    De dreiging vanuit het Duitse keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije was vlak voor de Eerste Wereldoorlog voor Nederland aanleiding om geheime diensten op te richten. Onlangs heeft de AIVD een historisch belangrijk rapport vrijgegeven over deze diensten in de periode 1912-1947. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken wilde toentertijd niet dat de verhalen van de diensten verloren zouden gaan en liet ze opschrijven door M. de Meijer. Deze insider putte gedeeltelijk uit documenten die hij na de Duitse inval had begraven in zijn achtertuin.

    In Uiterst vertrouwelijk- Achter de schermen van de Nederlandse geheime diensten reflecteren vier wetenschappers op de toenmalige inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ze duiden De Meijers geschiedschrijving – bestaand uit toen nog eenvoudig documentatiewerk van een paar militairen – en verbinden deze met de hedendaagse ontwikkelingen. Het werk van de diensten is sinds die eerste decennia sterk uitgebreid. Nadruk ligt nu ook op economische en militaire spionage, het voorkomen van terroristische aanslagen en het beletten van buitenlandse inmenging in de Nederlandse samenleving. Hoe zijn de oude geheime diensten uitgegroeid tot een professionele organisatie met duizenden werknemers? Hoe verhoudt die organisatie zich tot de democratische rechtstaat, wat waren en zijn de vijandbeelden van Nederland?

     

    Uiterst vertrouwelijk
    Auteur: Constant Hijzen, Bart Jacobs, Florentijn van Kampen, Rowin Jansen
    Uitgeverij: Querido 2024

    Het Heidi-feest

    In Het Heidi-feest van theaterschrijver Jannemieke Caspers (1982) wordt een klein dorp waar treinen zelden stoppen gedurende vijf dagen overstroomd, reden waarom het Heidi-feest is uitgesteld. Het water komt meters hoog en ‘… stroomde de huizen binnen, het hotel De Vallei, de apotheek, de bakker, het café, het boekwinkeltje… Alleen in de kiosk op het station (…) bleef het droog.’ De dorpsgemeenschap is aan zichzelf overgeleverd.

    De kiosk wordt bemand door Grietje, een meisje met de ‘brozebottenziekte’ en het middelpunt van het boek. Tijdens de overstroming kijkt ze vanuit de tweede verdieping naar buiten. ‘Grietje (…) leunde voorzichtig naar buiten. Haar haren en schouders direct nat. En daar beneden, midden in het water, zag ze de Barbiepop. Kom dan. De Barbie lachte, stak haar arm uit en Grietje dook het water in. Zodra haar haren het water raakte, voelde ze het meteen. Dit is wie zij is. Dit is wie zij had moeten zijn. Een zeemeermin.’ Als het water weg is ziet Grietje vanuit haar kiosk twee vreemde mannen, een waarneming die door geen enkele dorpeling wordt gedeeld. Ook leven er volgens Grietje ondergronds tunnelmensen die zich nooit laten zien en mollen, wortels en ratten eten. Door Grietjes praatjes, steeds meer ziek wordende mensen en het verdwijnen van spullen voor het Heidi-feest slaat de paniek in het dorp toe.

    Van het boek bestaat ook een theaterstuk. Deze tekst Wolf (of het Heidifeest) werd ‘Verse tekst 2023’. Er is ook een podcast van.

     

    Het Heidi-feest
    Auteur: Jannemieke Caspers
    Uitgeverij: De Harmonie 2024
  • Luchtig verhaal over hedendaags progressief Amerika

    Luchtig verhaal over hedendaags progressief Amerika

    Het is de week na de presidentsverkiezingen van 2016 en gastvrouw Eva Lindquist uit Schuilen in stijl van David Leavitt kan de naam Trump al niet meer horen. Om te vluchten voor haar republikeinse buurman en voor de aankomende fascistische staat die ze al voor zich ziet komt ze met het plan om naar Venetië te verhuizen. Terwijl Eva bezig is met de aankoop van een huis in Venetië ontvouwt zich tussen haar vrienden en man Bruce een verhaal dat licht werpt op de linkse elite. Waarin Leavitt soms vervaarlijk zwalkt tussen spot en melodrama.

    Eva en Bruce zijn typische vertegenwoordigers van de linkse elite. Ze hebben veel geld, meerdere vakantiehuizen, progressieve meningen en drinken witte wijn. Eva laat een altijd roulerende poule van jonge homomannen koken voor haar diners. Zij speelt de rol van veeleisende gastvrouw en nodigt een wijde trits aan mensen uit met een vage connectie met de kunsten. Ze is snobistisch, oppervlakkig en houdt zich erg bezig met de tafelmanieren en juiste onderwerpen van haar gasten. Bruce is een goedzak die er nauwelijks meningen op na houdt over wat zijn vrouw doet, of zoals hij het zelf zegt: ‘Zij is van het willen hebben, ik ben van het betalen.’ Als vermogensbeheeradviseur is hij niet zo blij met de in zijn ogen riskante aankoop van zijn vrouw. 

    Eva’s vlucht lijkt voornamelijk ingegeven door een soort panische angst. Buurman Alec zegt daarover spottend tegen Bruce: ‘Als je het mij vraagt is dat de reden waarom het nooit wat wordt met jullie, progressieve types. Jullie zijn altijd bang.’ De vrienden van Eva doen angstvallig hun best niet op haar tenen te trappen, al delen ze haar angst niet. Ze voeren veel gesprekken waarin verschillende vraagstukken worden aangesneden, van Me-too problematiek tot de kloof tussen arm en rijk. Leavitt doet hierdoor een poging bij actuele thema’s aan te haken, maar het blijft allemaal een beetje te braaf. 

    Luxeproblemen

    De schrijver bewandelt veel zijpaden in het boek. Er is een secretaresse met kanker, die Bruce financieel probeert bij te staan. Er is het verhaal van Jake, de architect die Eva voor het huis in Venetië wil, die eigenlijk niet terug wil naar Venetië vanwege zijn verleden. Min, de vriendin van Eva, heeft ondertussen haar eigen plan en probeert Eva’s verhaal aan een tijdschrift te verkopen. Deze karakters komen allemaal even kort aan het woord, maar niet lang genoeg om ze echt te leren kennen. We kijken vooral door de ogen van Bruce, die zich in het begin lijkt te verzetten tegen Eva’s beslissing. In een gesprek met Jake noemt Bruce dit ‘een kostbare opwelling uit ongenoegen.’

    Net zoals de meeste discussies met Eva lopen de meeste zijverhalen met een sisser af. Alleen de zwarte Calvin die voor Eva kookt wordt heel even boos op haar, omdat zij zich luxeproblemen kan veroorloven. Voor de rest blijft het verhaal redelijk aan de oppervlakte, dingen worden onder het tapijt geveegd of uitgepraat en daarna is alles ogenschijnlijk goed. Tot een echte ruzie met de republikeinse buurman komt het ook niet, Bruce laat zelfs gezellig samen met hem de honden uit. De enige echt onaangepaste figuur is de ontslagen redacteur Aaron Weisenstein die ongegeneerd zijn meningen ventileert en het met Eva oneens durft te zijn. Hij loopt constant te schelden op andere schrijvers en vergalt de boel bij een boekpresentatie van Lydia Davis. In een gesprek daarover hekelt Aaron de progressieve mensen die schrijvers als Davis klakkeloos goed vinden omdat ze denken dat dat hoort. 

    Een groot deel van het boek bestaat uit dialogen, de humor is onderkoeld en subtiel. Dit maakt het niet een echte komedie, en het is net niet scherp genoeg voor een satire. Dat neemt niet weg dat er oprecht grappige scènes zijn en dat Leavitt soms scherp uit de hoek kan komen. Bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe de kinderen van de op Trump stemmende buurman om die reden geen contact meer met hem willen. De elementen voor een goed verhaal zijn aanwezig, maar het lijkt alsof Leavitt in de uitwerking een paar steken laat vallen. Het blijft allemaal net iets te luchtig en er zijn geen echte consequenties voor de karakters. Alleen Bruce maakt een betekenisvolle ontwikkeling door. 

    Stad van illusies

    De aankoop van het huis in Venetië kabbelt ondertussen op de achtergrond door als een soort running gag en wordt telkens gecompliceerder. Jake weigert in eerste instantie in te gaan op het aanbod van Eva om het huis in te richten, waar hij zo zijn redenen voor heeft. In een van de mooiste passages in het boek wijst Jake op het fundament van Venetië. Het is een stad van illusies zegt hij, men doet alsof ze altijd zal bestaan maar in de toekomst is het bijna zeker dat ze door de zee zal worden verzwolgen. Net als Eva’s hysterische vlucht rust het fundament van de stad op onzekerheid. Het verhaal van Jake, en zijn verleden in Venetië is een van de weinige keren dat Leavitt weet te ontroeren. 

    Leavitt zelf zegt het nog het beste: ‘”Dit gesprek brengt ons geen steek verder”, zegt Min. ”Integendeel, het brengt ons wel degelijk verder” zegt Bruce, ”alleen niet naar een plek waar we heen willen.”‘ Zo is dit verhaal ook niet wat het lijkt en komt het uiteindelijk uit op een hele andere plek dan verwacht. Tijdens een diner stelt iemand de aanwezigen de vraag wat thuis nu werkelijk voor hen betekent. Dit blijkt een nogal confronterende vraag en leidt tot een interessante discussie over privileges. Het soort privilege wat ertoe leidt dat Eva in Venetië lekker onbezorgd kan dineren. Calvin stelt daarover: ‘Alleen omdat jij je kunt veroorloven over dit soort dingen te filosoferen denk je dat iedereen dat kan. Terwijl de waarheid is dat de meeste mensen dat niet kunnen. Wij, de meeste mensen op deze planeet, voelen ons nooit veilig en we voelen ons nooit vrij. We voelen ons alleen maar bang.’

    Terwijl Eva obsessief met de inrichting van haar nieuwe huis bezig is ontgaat het haar dat er belangrijkere zaken zijn dan het meubilair. Iedereen, zelfs Bruce, lijkt dan ook opgelucht als ze eindelijk vertrokken is naar Venetië. Met haar afwezigheid komt er lucht voor nieuwe ideeën en lijkt ook Bruce zijn kans te grijpen. Het verhaal laat je uiteindelijk met een onbevredigend gevoel achter, al is het einde best verrassend. De politiek lijkt een ondergeschikt gegeven te zijn, wat gek is voor een verhaal dat door moet gaan voor een politieke satire. Ook helpt het niet dat bijna alle personages in het boek onsympathiek zijn of onbegrijpelijke motieven hebben, zoals Eva. Leavitt probeert grappig te zijn en politiek commentaar te leveren maar hij slaat helaas de plank mis.

     

  • Van achteren naar voren leven

    Van achteren naar voren leven

    Soms lees je een zin waarbij je het idee krijgt, dat daarin misschien wel een heel boek, een heel oeuvre besloten ligt. Of, liever: dat je vanuit die ene zin opeens alles meent te begrijpen. Voor de een zal dat een andere zin zijn dan voor de ander die het kwartje doet vallen met betrekking tot een bepaald boek, oeuvre of – in dit geval – drie toneelstukken: Leedvermaak (1982), Rijgdraad (1995) en Simon (2001), de zogenaamde Leedvermaak trilogie van de winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren Judith Herzberg.

    Wat zij ten diepste wil zeggen

    In Leedvermaak, dat in 1972 speelt, is het de zwerver Daniel die op driekwart van het stuk zo’n zin uitspreekt: ‘Omdat ik van achteren naar voren leef’. Een zin die doet denken aan het beroemde adagium uit een van de dagboekfragmenten van de Deense filosoof Søren Kierkegaard: ‘Het leven kan slechts achterwaarts begrepen worden, maar moet voorwaarts worden geleefd’. Dat wil volgens kenners zeggen, dat het bestaan nooit helemaal kan worden begrepen.
    Er is echter nóg zo’n soort omschrijving, die Kierkegaard boven de onlangs verschenen Christelijke toespraken zette: ‘Gedachten die van achteren treffen – ter opbouwing’. Dat zou dan weer slaan op het als nieuw horen van een oude tekst.
    In beide citaten zit iets van wat Herzberg vermoedelijk bedoelt, want wat zij ten diepste wil zeggen is, dat iemand die de Tweede Wereldoorlog in de kampen of in de onderduik, of welke crisis dan ook heeft meegemaakt, niet anders kán dan doorleven met die ervaring in het achterhoofd. 

    Elke scene gaat over de oorlog

    Laten we wel wezen, in elk van de drie toneelstukken speelt de oorlog mee, al gaat het an sich niet over de oorlog. In elke scène, elk lied of duet, want er zit muziek bij, gaat het over de oorlog. Soms schrijnend, zoals in Leedvermaak in de scènes over een tram of trein (‘En we gaan nog niet naar huis / nog lange niet nog lange niet’), soms als een klap in je gezicht à la Kierkegaard: ‘Wij wensen u een goede reis’. Het laatste geeft de onnadenkendheid weer die Hannah Arendt de ‘banaliteit van het kwaad’ noemde. 

    In dit eerste toneelstuk worden de hoofdrolspelers tijdens een bruiloftsfeest voorgesteld: Lea, een violiste en haar man Nico, een arts. De ouders van Lea: Simon, een geslaagd zakenman en Ada, een hoedenontwerpster, Zwart, een hoopvol zakenman en vader van Nico, zijn vrouw Duifje, die in een stomerij werkt en Riet, de oorlogsmoeder van Lea die werkzaam is als fabrieksdirecteur. 

    Herinneren in de toekomst

    Het tweede toneelstuk Rijgdraad gaat over herinneren en datgene wat je overkomt. Zwart zegt: ‘Werd ik maar seniel (…). Dan ben je toch van alles af!’ Het is dezelfde die zegt dat de oorlog doodnormaal is ‘voor wie het meemaakt. Doodnormaal!’ Het is een andere toon dan in Leedvermaak, er is een zekere dubbelzinnigheid voor in de plaats gekomen. Neem Pien, een naoorlogse vrouw en van origine niet-joods, die haar zeven kinderen in een bolderkar zet. Zij beginnen te huilen en te schreeuwen. ‘Stuk voor stuk’, zegt ze, ‘het gevoel dat ze niet genoeg plaats hebben’. Lea zou het ‘associaties’ noemen. Dat zei ze tenminste toen iemand viel over het woord ‘weghalen’ van een baby: ‘Het woord alleen al!’
    De humor is in dit stuk minder beladen. Zoals diezelfde Lea, die als ze een zoontje zou krijgen, hem Isaac wil noemen, maar dat wil Dory óók al. Tot Lea’s vader uitlegt dat dit komt omdat Dory’s vader Isaac heet, waarop Lea zegt: ‘Ik wou het alleen maar vanwege Isaac Stern’, naar de beroemde violist.           

    Ada zegt als vervolg op de hiervoor genoemde zin van Daniel in Leedvermaak: ‘Mijn herinneringen slaan op de toekomst. Ik herinner me alles wat nog gaat gebeuren’, zoals het feit dat ze ‘gewoon [is] gestorven doordat [ze] een versleten hartklep had’. Hoewel Lea haar toch als een oorlogsslachtoffer wil bestempelen en haar het zwijgen over de oorlog verwijt. 

    ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’

    Het surreële neemt in het laatste stuk van de trilogie, Simon, toe. Ada hangt aan een kledingrek met wintermantels, een boekenkast is dan kast dan weer een foto van een kast, Simon laat alles uit zijn handen vallen, wat op het toneel eerst een slapstick en daarna beklemmend moet overkomen; eten als dieren van de grond. ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’ zegt Hans, een ex-leraar en zakenman even verderop. Maar toch. Je voelt het, je ziet de beelden op je netvlies. 

    Ook als de trilogie ten gevolge van de corona-crisis niet zou kunnen worden opgevoerd. Want dat was de bedoeling: voor het eerst, in zijn geheel in een marathonvoorstelling door Het Nationale Theater en Asko|Schönberg in de regie van Eric de Vroedt, waarbij Simon überhaupt voor het eerst op de planken zou worden gebracht.
    Wanneer het gespeeld wordt, zal duidelijk worden dat het niet primair over de oorlog gaat, maar over een ‘gewone’ familie die moeizame relaties onderhoudt tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Dat zou nu, anno 2020, weer twintig jaar later, net zo goed de corona-crisis kunnen zijn die alles op scherp zet. In huis, waar de hele familie aanwezig is, inclusief huilende en schreeuwende kinderen, inclusief het soms wegkijken en niet-begrijpen van de ernst van de zaak. Zo actueel is deze trilogie, die relaties tegen de achtergrond van een crisis schijnbaar terloops en op luchtige toon ten tonele voert. Ook als zij niet kan worden opgevoerd, rest deze fraaie, complete uitgave. 

     

  • Paradoxaal

    Paradoxaal

    Silence out loud is de titel van de tentoonstelling die de schrijver Joost Zwagerman vlak voor zijn dood samenstelde. Het is een luidruchtige ode aan de stilte, zoals een bevriende kunstpaus de onderneming typeerde. Voor wie het werk van Zwagerman kent is zo’n paradox niet verrassend. Zwagerman had twee gezichten, schrijft Carel Peeters in zijn zojuist verschenen essaybundel De cultuur van de paradox: aan de ene kant het gezicht van de Bekende Nederlander, niet van het tv-scherm weg te branden en altijd het hoogste woord, aan de andere kant een schaduw-ik die gedreven werd door de wens liever niet te willen bestaan. Zijn hele oeuvre is in dat licht te zien, of zoals Peeters zegt: Het wemelde van tegenstellingen in Zwagermans hoofd. Hij wilde altijd twee dingen tegelijk: deelnemen en toekijken, een grens over en thuisblijven, het alles en het niets.

    Cultuur van de paradox
    Maar de paradox geldt niet alleen voor Zwagerman, Peeters heeft een cultuur van de paradox ontdekt–Bas Heijne is radicaal in het midden, Michaël Zeeman een flexibel absolutist, Gerrit Komrij een gelukkige schizo, Patricia de Martelaere bevindt zich in de hitte van de kou. Een uitdagende gedachte. Peeters lijkt bij uitstek degene die zo’n gedachte kan formuleren en uitwerken, hij is een wandelende encyclopedie. De oud-redacteur van de ooit befaamde Boekenbijlage van Vrij Nederland heeft hele bibliotheken in zijn hoofd, kent de Nederlandse literatuur als geen ander en is op de hoogte van het internationale literaire discours. Met het grootste gemak schudt hij een stuk of twintig intellectuele portretten uit zijn mouw van schrijvers, essayisten, filosofen en zelfs economen; dit alles in korte stukken waarin het werk van de besproken personen tot de kern wordt teruggebracht.

    Verhelderend?
    Maar hoe geleerd Carel Peeters ook mag zijn, de vraag is of zijn perspectief werkt: is deze benadering verhelderend? Bij een paradox gaat het om tegenstellingen waarvan de polen van gelijk gewicht zijn, daar valt eigenlijk niet tussen te kiezen, zoals Peeters zegt. Het gaat om zaken als emotie en verstand, gelijkheid en ongelijkheid, lichaam en geest, schijn en wezen. De paradox is zelf een paradox, aldus de auteur, waar geleefd en nagedacht wordt ontstaan paradoxen. Zo bezien is een paradox zo’n beetje alles en daarmee loop je het risico dat het begrip zijn onderscheidend vermogen verliest. Is de Zwagermanparadox, waarbij de behoefte aan publieke aandacht en commercieel succes ondermijnd werd door een ongecontroleerde doodsdrift, eenzelfde soort paradox als die van dichter en nar, volgens Peeters karakteristiek voor Gerrit Komrij? Bij de een is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis, zou je denken, bij de ander van een pose; de een heeft betrekking op de kern van iemands bestaan, de ander op een bepaalde, literaire, levensstijl. In andere portretten is het nog moeilijker om aan te wijzen waarin precies het paradoxale schuilt, soms denk je aan dilemma’s, soms aan intellectuele beperkingen. Susan Sontag’s paradox, if any, had toch vooral te maken met haar volstrekte warhoofdigheid en politieke verdwazing.

    Zijspoor
    Af en toe lijkt de ingang van de paradox zelfs een beetje naar een zijspoor te leiden. Wellicht is het werk van Zwagerman, de Martelaere of Zeeman aan de hand van een simpele tegenstelling te verduidelijken, het gaat tenslotte om doorsnee auteurs of denkers, die niet boven de middelmaat uitstijgen. Maar bij intellectuele hoogvliegers als Amartya Sen, Isaiah Berlin, Charles Darwin of Alexis de Tocqueville raak je de weg kwijt: hun werk is te complex, gelaagd en veelzijdig om er een simpele formule op toe te passen. Er kleeft misschien iets paradoxaals aan de aristocraat Tocqueville die met bewondering schrijft over de Amerikaanse democratie, maar zijn rijke observaties en etnografische beschrijvingen vormen uiteindelijk het fundament waarop zijn visie berust en daar is niets paradoxaals aan te ontdekken. En het is maar de vraag of Amartya Sen zelf zijn pleidooi voor een ‘sociaal bewogen kapitalisme’ paradoxaal zou vinden, je dwingt de auteur daarmee in een korset dat hem niet past. Peeters’ bewering dat India dankzij Sen een bloeiende economie en een werkende democratie zou hebben is ridicuul.

    Peeters is het best op dreef in zijn stuk over de opkomst van de romantiek: Authentiek kunstmatig. Ook stilistisch – er klinkt plezier en bevlogenheid door in het betoog, een welkome afwisseling van het soms nogal knarsende proza in de rest van het boek. Hij beschrijft de opborreling van het verzet tegen de Verlichting omstreeks 1800. Het binnenste van de mens werd aangepakt, schrijft hij: de ziel, de fantasie, de droom, het spirituele, het ik, het verlangen, het demonische, het bovenzinnelijke, de diepte en het oneindige. Deze door de Romantiek blootgelegde verzameling van menselijke gevoeligheden werd geconfronteerd met de permanente antithese van het rationalisme, van de logica, de wetten, de regels, het systematische. Het was een bron voor het ontstaan van paradoxen.
    Het onderzoeken van de tegenstelling tussen ‘wet en werkelijkheid’ is een veelbelovende strategie om door te dringen in een cultuur, om diepere lagen aan te boren en grenzen vast te stellen, maar wie alles ophangt aan de paradox verliest makkelijk de nuance uit het oog.

     

     

  • Zorg voor een snor

    Zorg voor een snor

    De haren die slechts dertig dagen boven de bovenlip van Arjen van Lith (o.a. publicist en televisiemedewerker) kans kregen tot snor uit te groeien, zijn allesbehalve onopgemerkt gebleven. Hun opmars tot snor werd destijds in een blog gevolgd dat niet lang geleden als logboek in zakformaat in de handel verscheen. De dertig dagen werden vervat in evenzovele korte hoofdstukjes met bij iedere dag een nieuwe foto voor de meest recente update van het groeiproces. De snor doet Van Lith zich mannelijker voelen. ‘Ik kan wel wat mannelijkheid gebruiken,’ bekent hij zelf. Maar veel gelegenheid daarvan blijk te geven is hem niet gegund, want hij lijkt weinig minder dan een dagtaak te hebben aan het verlenen van ‘intensieve kraamzorg’ aan zijn kwetsbare snor. Wordt deze in zijn eerste dagen nog als ‘conceptueel’ gekenschetst, die beginnende snor is al wel meteen zijn werk gaan doen. Het langzaam meeveranderende zelfbeeld van zijn drager is het eigenlijk onderwerp van dit boekje.

    Waar er van iedere vorm van gezichtsbeharing een verhullend werking uitgaat, is de snor van deze auteur voor hem juist aanleiding om zichzelf bloot te geven. De lezer wordt geen cultuurhistorisch exposé over de snor opgediend, maar maakt een frisse duik in het persoonlijke leven van de auteur. Zo houdt Van Lith de lezer niet onkundig omtrent zijn visie ter zake genitale beharing, maar ook over de moeizame verhouding tot zijn eigenzinnige tweelingzus en zijn aan chemokuur onderworpen moeder krijgt men een en ander te lezen.

    Het moet gezegd dat het boekje vlotter leest dan zijn snor wil groeien. Van Lith pakt bij vlagen onderhoudend uit in dit niemendalletje. Met de nodige ironie trakteert hij de lezer op enkele hilarische scènes. Zo wordt niet alleen alles tot en met een wellness-behandeling uit de kast gehaald om zijn snor tot wasdom te laten komen, zelfs zijn bepaald niet kinderachtige garderobe dient te worden aangevuld omwille van zijn nieuw verworven uiterlijk. Binnen luttele dagen wordt een totaal aan snorgerelateerde aankopen van € 1.900 – ‘ik zou willen dat ik een goedkopere smaak had’ – via zijn zakelijke rekening gedaan, omdat zijn snor inmiddels ook werkgerelateerd is geworden. Benieuwd hoe dat bij de fiscus valt. Gaan we in de toekomst meer besnorde schrijvers tellen?

    Onder het motto ‘alle revoluties beginnen klein’ probeert Van Lith zo zelfverzekerd mogelijk zijn plaats als snordrager op te eisen. De weerstand en onbegrip waarop hij in zijn omgeving stuit, worden onderkoeld genoteerd. Zo schrijft Van Lith over een ontmoeting met een vriendin in een supermarkt: ‘bij de groenteafdeling vertelde ze me dat ze niet naar mijn snor kon kijken zonder onvrijwillig urineverlies. Toen wist ik dat ik het maximale uit mijn snor had gehaald.’ Het kleine opblazen tot grote proporties is een bekend komisch procédé dat veel toepassing vindt onder columnisten. Dit boekje is dan ook niet meer dan een verzameling persoonlijk getinte columns over ’s mans snor. Much ado about nothing. Ondanks een uitstapje naar Limburg, een skypesessie met zijn vriend in Texas en een bezoekje aan een allochtone kapperszaak blijft het allemaal dicht bij huis. De snor gaat niet zijn eigen weg zoals bijvoorbeeld de Neus bij Gogol.

    Op het moment dat men zich afvraagt waar de schrijver het nu nog over kan gaan hebben met zijn snor is het einde nabij. Deze snor moet er namelijk – spoiler alert- na 30 dagen aan geloven. Met de veronderstelling dat de snor debet is aan de doorzettende kaalheid op zijn schedel, is het doodvonnis van het haar onder zijn neus getekend. Het einde is daarmee een tikkeltje onbevredigend, als wanneer men op de laatste bladzij leest dat het allemaal maar een droom is geweest.

    Mijn Snor is een aangename lectuur. Zal ook goed in de smaak kunnen vallen bij wie weinig met boeken heeft. Maar het moet gezegd dat het pluspunt ook in zijn beperkte omvang zit. Een snor die een langer leven beschoren is, zou andere koek zijn.

     

    Mijn Snor

    Auteur: Arjen van Lith
    Verschenen bij: Uitgeverij De Harmonie
    Aantal pagina’s: 160
    Prijs: € 15,-

  • Pijnlijke ontleding van het mens-zijn

    Pijnlijke ontleding van het mens-zijn

    Een klein hotelletje aan de Engelse kust, juli 1962. Twee jonge mensen, Edward Mayhew en Florence Ponting zijn zojuist getrouwd. Ze worstelen zich door een onappetijtelijke maaltijd heen in de wetenschap dat weldra het moment aanbreekt dat zij zich naar het bed zullen begeven en de liefde zullen bedrijven. Allebei zijn ze onzeker over wat er komen gaat. Edward piekert over een te grote mate van opgewondenheid waardoor hij wellicht te vroeg klaar zal komen. Florence kampt met een onoverwinbare weerzin tegen alles wat met ‘de daad’ te maken heeft. Ze heeft plichtsgetrouw een handboek voor jonge bruidjes van kaft tot kaft gelezen, maar dat heeft voor haar de situatie er niet beter op gemaakt. Wanneer het dan zo ver is, nemen de gebeurtenissen een onvermijdelijke wending en met elk woord, elk gebaar, elke stap, raken Edward en Florence nog verder van elkaar verwijderd. Tot een weg terug voor eeuwig onmogelijk is geworden en de twee jonggehuwden elkaar na die ene nacht nooit meer zullen terugzien.

    Ian McEwan ontleedt zijn hoofdpersonen zo nauwkeurig dat het bijna pijnlijk is. Hij legt laag voor laag iets bloot van het wezen van mens-zijn. In dit geval, hoe de verstikkende mores van de tijd het deze twee mensen onmogelijk maakt om vrijuit met elkaar te praten, hun hart te luchten en hun problemen en zorgen te delen. Nu zijn Edward en Florence er toe veroordeeld om ieder in hun eigen gesloten wereld te blijven. Ze kunnen geen wijs worden uit de wirwar van gevoelens en gedachten in hun eigen hoofd, laat staan dat ze zich in kunnen leven in de belevingswereld van de ander. Dat is een onbarmhartig leefklimaat: zowel Edward als Florence kunnen niet anders dan invullen voor de ander. Ze vinden beweegredenen en verklaringen die de werkelijkheid geen recht doen, en die een positief verloop van de gebeurtenissen onmogelijk maken. Ian McEwan heeft met Aan Chesil Beach voor zijn doen een vrij positief boek geschreven, omdat hij de suggestie wekt dat het in de huidige tijd wel makkelijker is geworden om op een opener manier met elkaar te communiceren. Het is te laat voor Edward en Florence, maar wellicht niet voor mensen die vandaag de dag in een vergelijkbare situatie verkeren.

    Hoewel McEwans schrijfstijl me soms het gevoel geeft ik me in een snijkamer bevind, zou ik het nooit kil of afstandelijk noemen wat hij doet. Integendeel: het getuigt van groot mededogen en een diep inzicht in zijn medemens die deze auteur in staat stellen om elke keer opnieuw een meesterwerk aan zijn oeuvre toe te voegen.