• Zonder tamboerijn en trompetgeschal

    Zonder tamboerijn en trompetgeschal

    Kees van Domselaar (1954) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, publiceerde in diverse tijdschriften over Nederlandse poëzie en was jarenlang als poëziecriticus verbonden aan het Utrechts Nieuwsblad. Poëzie van hem verscheen in literaire tijdschriften als Tirade en De revisor. De stille fanfare is zijn derde bundel en begint met een oxymoron (speciaal geval van de paradox) als titel: hoe kan een fanfare stil zijn? Die trekt gewoonlijk luid kletterend door de straten en speelt hard genoeg om iedereen wakker te doen schrikken. Maar dat doet deze stoet van gedichten niet: het zijn verstilde weergaven van observaties, meestal gebeurtenissen uit het verleden. Gedichten van een tevreden mens die met enige weemoed terugkijkt op zijn leven en in gedachten teruggaat naar zijn ouders, relaties, een denkbeeldig weerzien beleeft met mensen uit het verleden. 

    De titel kan verwijzen naar de grote optocht van bekende dichters die óf met name genoemd worden, zoals Wim Brands en Rutger Kopland – aan wie de derde afdeling uit deze bundel is opgedragen – óf wier werk geciteerd of geparafraseerd wordt. Zo zijn er dichtregels aan te wijzen die rechtstreeks uit het werk van bijvoorbeeld Hans Lodeizen, Jacobus Revius en zelfs Gerard van Maasakkers lijken te zijn opgenomen of enigszins in hun stijl bewerkt zijn; wat betreft de laatste, een Brabantse zanger, wordt duidelijk gerefereerd aan diens lied De fanfare van honger en dorst, wat in dit geval een wel zeer toepasselijke tekst is. 

    Status quo en het heden

    De bundel bestaat uit zeven afdelingen, waarmee echter niet perse een noodzakelijke of duidelijke verdeling van de gedichten is aangebracht. De eerste afdeling bevat gedichten die het heden en de status quo beschrijven:

    ‘de zon schijnt, de ramen open
    we zetten koffie, we eten wat
    ik zie de weelde van je haren
    je lacht een beetje
    je kijkt me aan
    het scheelt niet veel
    of er klinkt Bach’

    Terugblikken

    In de tweede afdeling begint het terugkijken naar wat geweest is. Het gedicht Dit moest nog is een duidelijke verwijzing naar het bekende gedicht van Gerrit Kouwenaar dat begint met de regel ‘Men moet zijn zomers nog tellen’. Van een leraar Nederlands hoeft het geen verwondering te wekken dat hij zoveel andere dichters aanhaalt, maar van de lezer kan wat teveel gevraagd worden wat belezenheid betreft, hoewel de gedichten ook heel goed leesbaar zijn zonder die extra informatie. 

    De vierde afdeling lijkt een eerbetoon aan de geliefde: de dichter mijmert weemoedig over het begin van hun relatie, de vakanties samen, de huizen die ze bewoond en verlaten hebben, ‘over de voorbije jaren / tussen jou en mij’. 

    Omringende wereld

    Pas in de vijfde afdeling wordt de toon anders. Gaat het niet meer over de dichter en zijn directe omgeving, maar worden er mensen en gebeurtenissen uit de omringende wereld onder de aandacht gebracht, zoals in De Vrede van Utrecht en Op het graf van Barones Blanckenhagen. De gedichten in deze afdeling worden niet gekenmerkt door tevreden gemijmer, maar hebben scherpe rafelrandjes gekregen. Het woordgebruik is niet lieflijk en zoet, maar lijkt soms regelrecht van de schutting af te zijn gekomen. Juist door die bitse toon in bijvoorbeeld een gedicht als Tot later, waarin een hangjongere wordt beschreven, of de donkere kant van de werkelijkheid in het gedicht Ruilverkaveling waarin een boer zich heeft opgehangen ‘met zijn pet op aan de balken’, zijn dit de interessantste en beste gedichten van de bundel. Het louter constateren van observaties is nu eenmaal minder boeiend dan het aanbrengen van een diepere laag waarin naar betekenis gezocht moet worden.  

    De dood

    De zesde afdeling valt dan, na die mooie vijfde, ook een beetje tegen; de gedichten die hierin zijn opgenomen, zijn niet erg spannend en lijken te veel op die van de eerste vier afdelingen waarin opnieuw herinneringen aan de ouders worden opgehaald. Hun levenseinde wordt onder de aandacht gebracht, of het bergafwaarts gaan door dementie. Opnieuw wordt een dode dichter tussen de regels binnengesmokkeld: ‘zo ruikt het kopland weer / naar hooi en mest / drinken de kinderen limonade / is er geluk onder de paarden’.

    In de zevende en laatste afdeling is de dood sterk aanwezig. De dood van de ouders, een broer, de diagnose van een terminale ziekte, de voorgestelde dood van de dichter zelf en de aankondiging van een gestorvene. Ook deze gedichten springen eruit wat kwaliteit betreft. Ellende en leed lenen zich blijkbaar beter om te bezingen dan stil geluk en tevredenheid. Ook hier zijn de gedichten minder simpel en eenduidig en is er meer werk gemaakt van beeldspraak die minder voor de hand ligt, origineler is dan in de andere afdelingen. Al met al had deze fanfare wat luidruchtiger van zich mogen laten horen.

     

  • Een dwaling

    Een dwaling

    Marianne Vaatstra, Anne Faber, namen die in het collectieve geheugen zitten. Slachtoffers van gruwelijke misdaden, we kennen de geruchtmakende rechtszaken. In haar nieuwe roman Dorsmans dood stelt Miek Smilde een vergelijkbare, maar verzonnen zaak centraal. Het perspectief dat ze kiest is opvallend. Het is namelijk niet dat van de dader, zoals veel vaker voorkomt in de literatuur maar dat van de rechter die in hoger beroep een uitspraak moet doen. Wanneer jaren later blijkt dat hij een fout heeft gemaakt, brengt het hem aan het twijfelen. Niet alleen aan zijn vonnis, maar ook aan wie hij dacht te zijn.

    De rechter om wie het draait in Dorsmans dood is Pieter Coorn, opgegroeid in een Rotterdams arbeidersgezin. Zijn twee oudste broers werden fietsenmaker, net als hun vader. Zijn derde broer Hessel, met wie Pieter de beste band had, verdween plotseling om elders een ander leven op te bouwen. Als enige in de familie is Pieter gaan studeren. Rechten in Groningen, zo ver mogelijk weg bij zijn familie. De afstand tussen Pieter en de rest van zijn familie is altijd gebleven.

    Die afstand blijkt pijnlijk op een van de zondagmiddagen dat de drie broers en hun echtgenoten samen­komen. Onder de gesprekken die ze voeren voelt Pieter het sluimerende verwijt van zijn broers dat hij is gaan studeren. Dat hij daardoor tot een andere sociale klasse behoort. Pieter heeft natuurlijk ook zijn best gedaan om zich te ontworstelen aan zijn milieu en familie. Toch weet hij er nooit helemaal aan te ontkomen. Zijn afkomst heeft hem blijvend gevormd.

    Geschiedenis van het strafrecht

    Pieters verwijdering tot zijn familie en carrière gaan hand in hand. Met de beschrijving van Pieters loopbaan komt ook een aantal decennia rechtsgeschiedenis langs. Denk aan de toegenomen media-aandacht voor het strafrecht of het wegbezuinigen van de reclassering. De ontwikkeling in de afgelopen decennia in het strafrecht is meer dan alleen achtergrond bij het verhaal over de rechterlijke dwaling. Her en der klinkt er een kritische mening door in de beschrijving. Bijvoorbeeld hoe onrealistisch het is om te verwachten dat het strafrecht alles kan oplossen wat misgaat in de samenleving.

    De verhandelingen over de ontwikkelingen in de rechtsspraak leiden niet tot het meest enerverende proza. Dat heeft niet zozeer te maken met de inhoud – de juridische wereld kan interessant genoeg zijn – maar met de uiterst moeizame formuleringen die Smilde gebruikt. Niet zelden stuit je op zinnen als deze:

    ‘Met de komst van de Raad voor de rechtspraak als overkoepelend orgaan om de organisatie van de rechtspleging te stroomlijnen, was de aanpak van zaken bedrijfsmatig geprofessiona­liseerd en ging de tijd in vanaf het moment dat het OM het dossier over de schutting gooide.’

    En het wemelt in Dorsmans dood van dit soort zinnen. Elders klinkt het:

    ‘De aanhoudende en zich verdiepende economische malaise die na de bankencrisis van 2008 had ingezet, dwong de overheid tot harde financiële maatregelen en het opsporingsapparaat was al overbelast door de aanhoudende strijd tegen de georgani­seerde misdaad en de golf van liquidaties die daarmee gepaard ging.’

    Teveel toelichting voor de lezer

    Geen zinnen om de aandacht van de lezer mee vast te houden. Voor een deel is het misschien eigen aan het juridisch jargon, dat bekend staat om zijn lelijke en houterige formuleringen. En omdat je het verhaal leest via de beleving van een rechter zou het haast heel toepasselijk lijken. Toch gaat het mis in Dorsmans dood, omdat Smilde’s verteller en haar personage veel te ver uit elkaar staan. Zie bijvoorbeeld onderstaande zin:

    ‘Hij was net gedetacheerd op het ministerie van Justitie om als fraude-expert de parlementaire enquêtecommissie bijzondere opsporingsmethoden onder leiding van het Partij van de Arbeid-Kamerlid Maarten van Traa bij te staan en kon zich daarnaast geen langdurige mantelzorg veroorloven.’

    Het is een krukkige zin die uiterst moeizaam loopt door alle uitleg om de lezer precies te laten weten waar en over wie het gaat. En daar zit precies het probleem. Was dit beschreven vanuit het bewustzijn van Pieter dan zou veel van de uitleg niet nodig zijn. Pieter was er zelf bij en wéét onder wiens leiding die commissie stond. En van welke partij hij was overigens ook. Er is geen enkele reden waarom hij zichzelf daaraan zou herinneren. Zonder alle toelichting voor de lezer zou de zin waarschijnlijk een stuk soepeler lopen.

    In gewetensnood

    Dorsmans dood is niet alleen een roman over de ontwikkelingen in het strafrecht en het verhaal van een man die aan zijn afkomst probeert te ontkomen. Het wil ook een verhaal zijn over een rechter in gewetensnood, nadat hij erachter komt dat hij een verdachte ten onrechte heeft veroordeeld. De vraag dringt zich aan hem op of hij en zijn twee collega’s anders hadden kunnen oordelen op basis van het beschikbare bewijs. En welke gebeurtenissen en keuzes, zowel privé als in werk, waren van invloed op de beslissing om een onschuldig man te veroordelen?

    Het zijn vragen die Pieter in een crisis brengen. Maar omdat de lezer zo op afstand wordt gehouden, wil deze persoonlijke crisis nergens echt raken. Het is jammer dat de stijl zo’n afbreuk doet aan het verhaal dat Smilde wil vertellen. Als het goed is versterkt vorm de inhoud, in dit geval echter staat het de inhoud hopeloos in de weg.

     

  • Duistere kanten van het menselijk bestaan

    Duistere kanten van het menselijk bestaan

    Om de zoveel tijd komt  een ervaren lezer wel eens een boek tegen waarvan de bedoeling hem niet helemaal duidelijk is. Ofwel heeft hij er niets van begrepen, ofwel is het precies de bedoeling van de auteur om verwarring te scheppen en de lezer aan het denken te zetten. Dat laatste is waarschijnlijk de opzet van het nieuwste boek van de Amerikaans-Franse schrijver Jonathan Littell. Een oude geschiedenis liet lang op zich wachten. Littell teerde nog voort op het gigantische succes van zijn controversiële De Welwillenden, winnaar van de Prix Goncourt in 2006, wat hem meteen een plaats bezorgde bij de nieuwste generatie van topauteurs.

    Littell zat de voorbije twaalf jaar echter niet stil, maar schreef vooral non-fictiewerk over zijn ervaringen in oorlogsgebieden als de Balkan, Tsjetsjenië en Syrië. In De Welwillenden voerde Littell de perverse Max Aue op, de SS-officier die de grootste gruwelen niet uit de weg ging. Tegen wil en dank ging de lezer zich identificeren met deze verdorven geest. Dat kon omdat Littell, ondanks alle ziekelijke gebeurtenissen, de lezer meenam in een verhaal waarin hij duidelijk wilde maken tot wat de mens, in de persoon van een nazi, in staat is.

    Verontrustende leeservaring

    In Een oude geschiedenis gaat Littell een stapje verder. Hij schreef een eerste versie van het boek in 2012 die bestond uit twee hoofdstukken. In deze Nieuwe versie, de subtitel van zijn roman, breidt hij het uit tot zeven hoofdstukken, omdat hij ‘op een dag merkte dat de tekst, als een geest, op raadselachtige wijze door bleef werken. Ik moest dus opnieuw beginnen met schrijven, alsof er nog geen boek was. Vreemde ervaring.’ Vreemd is het ongetwijfeld ook voor de lezer die geconfronteerd wordt met een verontrustende en onrustige leeservaring waarin alle donkere kanten van het menselijk bestaan naar boven gehaald worden.

    De zeven hoofdstukken volgen allemaal dezelfde structuur. Elk hoofdstuk bestaat nog eens uit vijf al dan niet geconnecteerde onderdelen waardoor je een soort van muzikale compositie krijgt van vijfendertig stukjes die eigenlijk variaties zijn op hetzelfde thema. Veel ingrediënten komen telkens terug: een elektrische stroomstoring, een reproductie van De dame met de hermelijn, appels, dekbedovertrek met een afbeelding van groen gras, borden vol rauwe vis en gekonfijte groenten, een groen-met-goudgeel deken, en zo kunnen we nog even doorgaan. Elk hoofdstuk begint en eindigt ook op dezelfde manier. Het ik-personage komt uit het zwembad, dwaalt in een lange, kromme gang en ontwaart plots een blinkende deurklink waardoor hij in een heel andere ruimte komt. De 35 stukjes spelen zich telkens af in een andere ruimte na het openen van een deur. Op het einde van elk hoofdstuk belandt het personage opnieuw in het zwembad, wat gerust gezien mag worden als een vorm van loutering na de ‘avonturen’ die hij heeft meegemaakt.

    Machtswellust

    Het hoofdpersonage wisselt ook telkens: nu eens een man, dan weer een vrouw, dan een kind, verschillende genderfluïde personages, maar telkens worden ze geconfronteerd met hetzelfde: ze komen in een wereld terecht waar de chaos overheerst en worden het slachtoffer van de manipulaties van anderen (of van de schrijver?) en hun eigen onzekere seksuele identiteit. De ruimtes lijken gevuld met psychopaten die het beste van zichzelf geven. Het is alsof Littell ‘la condition humaine’ in zijn meest duistere vorm tracht vast te leggen en de lezer om de oren wil slaan met zijn visie over het menselijk bestaan. De mens is een verdorven machtswellusteling, lijkt hij te willen zeggen. Alles draait om macht en wellust en de personages bevinden zich ofwel in  een machtspositie of in een onderdanige positie, al toont hij ook aan dat dit snel kan wisselen.

    Identificatie onmogelijk

    Seksscènes verworden tot gewelddadige pornoscènes, het seksuele genot draait uit op sadistische machtspelletjes waarbij hij het grove geweld niet uit de weg gaat. Bloed, sperma en stront spatten van de pagina’s om de lezer niet tot identificatie te laten komen, maar om hem eerder een gevoel van afschuw en walging te geven, alsof hij daarmee zijn grote gelijk wil halen. Identificatie is dus niet mogelijk, en dat maakt het zo moeilijk om in dit boek te geraken. De vervreemding zorgt ervoor dat de lezer af en toe, toegegeven ook uit misprijzen, het werk aan de kant moet leggen, maar toch is er iets wat hem ertoe dwingt het weer op te nemen. Ook de stijl draagt bij tot die vreemde leeservaring: Littell gebruikt een uiterst koele, zakelijke stijl die zeer precies en gedetailleerd is en waar alle emoties nauwkeurig uitgefilterd zijn. Deze klinische, zintuiglijke vorm van schrijven maakt het geheel nog afstandelijker waardoor de lezer geen kans krijgt om zich betrokken te voelen. De vele avonturen vol seks en geweld zijn vooral gericht op een mix tussen lust en afschuw, al lijkt het laatste absoluut de overhand te krijgen. Littell drukt de lezer met de neus op de feiten of liever: lijkt zelf een neus te zetten naar de lezer.

     

  • In memoriam Ilse Starkenburg 1963 – 2019

    Op 11 november is onverwacht dichteres en schrijfster Ilse Starkenburg overleden. De in Dieren geboren schrijfster overleed in haar woonplaats Amsterdam. Sinds haar debuut, Verdwaald ontwaken in 1990 was De Arbeiderspers haar uitgever. Haar laatste bundel, De boom valt op mij uit 2017, waarin ze inging op dingen die zomaar kunnen gebeuren, is geïnspireerd op het voorval hoe een boom ook werkelijk op haar viel toen zij zich op straat begaf. Deze bundel werd door critici zeer goed ontvangen.
    Starkenburg was geen dichteres van het complexe en moeilijk te doorgronden metaforen. Ze stond bekend om haar eenvoudige en vaak spaarzame taalgebruik waarmee ze hele werelden kon oproepen.

    In 1996 ontving Ilse Starkenburg voor haar debuut en haar tweede bundel het Charlotte Köhler Stipendium, een stimuleringstoelage voor beginnende auteurs. Ook maakte ze deel uit van de  Poule des Doods, een dichtersgroep in Amsterdam die met een speciaal voor de overledene een gedicht schrijft en daarmee de laatste eer bewijst aan eenzaam afgestorvenen. Vertalingen van haar werk verschenen in Duitsland en Spanje. De Duitse vertaling leidde in 2000 tot een nominatie voor de Nordrhein-Westfalen Literaturpreis.
    Ook heeft ze werk gepubliceerd in de literaire tijdschriften Maatstaf, Rottend Staal, Tirade en komen haar gedichten veelvuldig voor in samengestelde bloemlezingen.

    ‘dat wat ik draag laten vallen
    de kakkerlak vertrappen
    soms is het of niemand
    iemand anders kan verdragen

    toch zullen de stenen een lichte
    aanraking toe moeten laten
    stof verdwijnt niet zomaar.’

    Ilse Starkenburg publiceerde de volgende bundels en een essay over Louis Lehmann:

    Verdwaald ontwaken (1990, gedichten)
    Afspraak met een eiland (1995, gedichten)
    De blinde vlek op de kaart (1998, verhalen)
    Thuisreis (1999, bibliofiele uitgave)
    In plaats van alleen (2003, gedichten)
    Gekraakt klooster (2007, gedichten)
    Louis Lehmann als Homo Universalis (essay over dichter en scheepsarcheoloog Louis Lehmann, 2007)
    De boom valt op mij (2017, gedichten)

     

    (fragment uit de bundel: afspraak met een eiland)

     

  • Niemand is wie hij denkt te zijn

    Niemand is wie hij denkt te zijn

    Twintig jaar geleden debuteerde de Vlaamse schrijver Christophe Vekeman met Alle mussen zullen sterven. Sindsdien maakt hij deel uit van de literaire wereld. Met Cruise is hij aan zijn tiende roman toe en haalt hij alle registers boven van het groteske. Want dat is het geworden. Anders dan zijn twee vorige romans, Hotel Rozenstok (2015) en Mensen als ik (2018) heeft dit keer het autobiografische geen aandeel in zijn boek, maar voert hij veertien dolgedraaide figuren op die samen op een boot verzeild raken. Niet autobiografisch, maar misschien toch: Vekeman ontpopte zich op vele literaire podia tot een fantastische performer, en dat is wat hier precies gebeurt, maar dan op papier.

    Kalme chaos

    De veertien personages die het cruiseschip Calm Sea bevolken, hebben zich ingeschreven voor een bezinningscruise. Want dat is het nieuwe concept van kapitein Verdussen: een bezinningscruise zonder de overdaad aan entertainment, zonder overvloedige culinaire uitspattingen, maar vooral met rust. Het idee slaat echter niet aan en meer dan de helft van de kajuiten staat leeg. Toch wordt het wel een verhaal van overdaad, maar dan wel een aan de kant van de losbandige, over-the-top karakters die allemaal aan eenzelfde kwaal lijken te lijden: ze worstelen met hun ware aard of hun identiteit. Op deze cruise verkennen ze de grenzen van hun eigen bestaan en komen ze tot nieuwe inzichten. Zo is er onder meer een hamburgerverkoper die niet tegen de geur van uien kan, een detective-in-spe die telkens de bal misslaat, een homoseksuele psychiater die hetero is en een priester die alleen maar aan seks denkt. Gedurende de reis komt hun ware aard boven en transformeren ze in nieuwe persoonlijkheden die vaak slechter af zijn dan hun vorige ik. De auteur wil duidelijk maken dat  heel wat mensen op zekere ogenblikken in hun leven geconfronteerd worden met een of andere identiteitscrisis. Hoe men ermee omgaat kan zeer verschillen. Dat bewijzen de van de pot gerukte karakters en scènes in Cruise.

    Stilistisch en schokkend pareltje

    De manier waarop Vekeman dit gegeven brengt is hilarisch, losgeslagen, ongeremd, maar ook aangenaam om lezen. Ondanks de soms lange zinnen is het uiterst leesbaar en blijft het amusant. Neem de beschrijving van een figuur als Barteke Courtois, een notoir onderzoeksjournalist die tot het inzicht komt dat hij eigenlijk in hart en nieren een racist pur sang is. Vekeman houdt zich niet bezig met politieke correctheid. Hij gaat er zo over dat de lezer niet anders kan dan inzien dat het hier gaat om parodie, ironie en sarcasme. Naast scènes die de grenzen verkennen van racisme, seksueel misbruik en geweld besteedt Vekeman veel aandacht aan opvallende en beestachtige seksscènes waarbij hij grof taalgebruik niet schuwt. De lezer valt van de ene verbazing in de andere en vraagt zich vaak af in welke wondere wereld hij is beland. De bezinningscruise is een broedplaats voor aberrant gedrag waarbij alle remmen zijn losgeslagen. Soms waant de lezer zich in een scène uit een  film van Tarantino waarbij de overdrijvingen zo grotesk zijn dat je alleen maar kunt bulderen van het lachen en niets au sérieux neemt.

    Toch schuilt er meer achter de humor dan je zou denken. Impliciet bekritiseert Vekeman alles wat met bezinning en meditatie te maken heeft en zwaait hij de lof voor plezier en genot, twee vermaledijde gevoelens waarin het in deze tijd soms ontbreekt. Hij tast alle grenzen af en waakt erover dat de lezer meegaat in het afwijkende gedrag van de personages. Vekeman maakt vaak gebruik van de innerlijke monoloog waarbij de lezer een inzicht krijgt in het bizarre denkpatroon van het personage. De lezer kan zijn eigen conclusies trekken en de grenzen aftasten van het aanvaardbare.

    Maatschappijkritisch

    Het is niet makkelijk een antwoord te geven op de vraag waarover het boek nu eigenlijk gaat. Is het een aaneenschakeling van humoristische karakters en scènes of schuilt er meer achter? De lezer kan zich niet van de gedachte ontdoen dat Vekeman op zijn geheel eigen manier en in zijn geheel eigen stijl de draak wil steken met mensen die zich anders (lees: beter) voordoen dan ze eigenlijk zijn. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ De mens hoeft zich niet anders voor te doen dan hij is. Alleen gebruikt hij het perfecte medium van de satire om dat heel overdreven uit de doeken te doen, zonder zelf met het vingertje te wijzen. Iets wat hij verschillende van zijn personages ongetwijfeld verwijt. Hij doet er bovendien nog een schepje bovenop en toont dat er best gelachen en genoten mag worden in het leven. Vekeman bewijst eens te meer dat hij een literair buitenbeentje is, net zoals zijn generatiegenoot Dimitri Verhulst. Beiden hebben een eigengereide manier van schrijven, maar dat is ook hun handelsmerk. Beiden lijken ze de lezer te zeggen: take it or leave it.

     

  • Er is de voltooiing en er is het falen

    Er is de voltooiing en er is het falen

    Tegen het einde van haar Waagstukken schrijft Charlotte Van den Broeck dat ze van de  Amerikaanse non-fictieauteur John McPhee zou willen leren ‘hoe minder aanwezig te zijn in het boek dat ik wil schrijven’. Volgens haar is hij in zijn boeken ‘geen misplaatste figurant die in de weg loopt van zijn onderwerp’. Hij heeft ‘geen greintje profileringsdrang’. Die gedachte maakt duidelijk dat Van den Broeck geworsteld heeft met de vraag of ze zichzelf niet teveel in haar verhalen schreef. Een zeer reële vraag in het algemeen. Er zijn Bachminnaars die bij het zien van de onlangs bij de NPO uitgezonden serie Tijl in het voetspoor van Bach al snel afhaakten. De serie ging niet over Bach, maar vooral over de dweepzucht van presentator Tijl Beckand. Maar die had nog een crew met adviseurs om zich heen. Charlotte Van den Broeck stond wat dat betreft meer alleen, al kon ze volgens haar dankwoord wel een beroep doen op een mentor (Lucas Vandervorst) en een begeleider (Ilja Leonard Pfeijffer). Van den Broeck is duidelijk aanwezig in haar boek, maar op een manier die haar onderwerp schraagt in plaats van het in haar eigen schaduw zet.

    Waagstukken, het eerste prozaboek van de Turnhoutse dichteres van de bundels Kameleon en Nachtroer, beschrijft haar queeste naar dertien gevallen van architecten die zelfmoord pleegden – of zouden hebben gepleegd, want niet in alle gevallen staat dat onomstotelijk vast – om een reden die verband hield met hun werk. Maar haar reportage gaat evenzeer over de hang naar perfectie als over falen. De verschillende beschrijvingen winnen juist aan kracht omdat Van den Broeck verschillende keren duidelijk is over wat haar in die zelfmoordgevallen intrigeert. En dat heeft te maken met haar eigen hang naar perfectie en de angst die zij kent voor de mislukking. ‘Perfectionisten’, zo schrijft ze, ‘zouden door gebrek aan zelfliefde naar perfectie streven om via de bewondering van anderen zichzelf bevestigd te zien, maar het is een verlangen zonder bevrediging. Eenmaal bevestigd doet het me weinig. Is dat niet juist een teveel aan zelfliefde? (…) Bovendien denk ik dat ik, ondanks mijn verlangen naar perfectie, voor weinig dingen zo bang ben als voor voltooiing. De verantwoordelijkheid voor volledigheid zou ik nooit op mij kunnen nemen’.

    Pygmalion

    Ze komt op die relatie tussen streven naar perfectie, de zelfliefde en het falen herhaaldelijk terug in de tragiek van de beschouwde architecten, maar ook in de beeldende kunst. Een mooi voorbeeld daarvan is haar uitwijding over het verhaal van Pygmalion uit de Metamorfosen van Ovidius. Die verwarde ‘het hechte verbond, de besmetting tussen kunstenaar en schepping, met zelfliefde’. Pygmalion was zozeer op zoek naar het allerhoogste dat hij zijn normen aan iedereen oplegde. Misschien daarom vond hij geen vrouw, maar schiep hij de volmaakte vrouw uit ivoor en werd verliefd op dat beeld. Zijn Galatea is echter niet meer dan de veruiterlijking van zijn eigen verlangens: ‘In feite bemint hij via het beeld zichzelf. En deze vorm van zelfliefde, deze perfecte, voltooide vorm, is niet bevredigend’. Pas wanneer Pygmalion bereid is het gebrek toe te laten zal zijn verlangen worden vervuld. Het is een interpretatie die zeer aan Narcissus doet denken.

    Waagstukken – met die titel benoemt de schrijfster het grote gebaar dat architecten met hun grootschalige werken maken in de publieke ruimte; falen ze dan doen ze dat meteen voor duizenden ogen en voor lange tijd – gaat over zelfmoord als uiterst persoonlijk drama van dat falen. Maar Van Den Broeck omkleedt al die tragische geschiedenissen met de thematiek van perfectie, voltooiing en angst die ze zo goed van zichzelf kent. Het boek is daarmee reisverhaal, zelfanalyse en kunstbeschouwing in één. De dertien verhalen staan als gevolg daarvan niet op zichzelf. Van den Broeck legt regelmatig terloops of uitdrukkelijker dwarsverbanden tussen de verhalen.

    Failliet van het eigen leven

    Ze begint met een jeugdherinnering aan het zwembad in haar woonplaats dat voortdurend gesloten was door een structurele fout die op het conto moest worden geschreven van de architect. Die zou zich daarvoor zo hebben geschaamd dat hij een eind aan zijn eigen leven maakte. Een gerucht? Misschien wel, maar het trekt Van den Broeck meteen haar onderwerp in: ‘Wanneer is een mislukking de moeite om voor te sterven? Wordt een fout groter dan het leven, of zo allesomvattend groot dat het leven zelf een mislukking wordt?’, vraagt ze zich af.

    Op de achtergrond van alle volgende stukken staat dan ook steeds de vraag in hoeverre een architect zich zozeer identificeert met zijn project dat het mislukken ervan niet minder is dan een failliet van zijn eigen leven (‘zijn’ leven, want het valt op dat alle behandelde bouwmeesters mannen zijn). En inderdaad komen er in de bundel architecten voorbij voor wie het hele leven absoluut geen zin meer heeft als het publiek hun creatie verfoeit. Het gaat in die gevallen om mensen die zich niet begrepen voelen.

    Veel voorstelbaarder is de enorme schaamte die de architect de hand aan zichzelf doet slaan als zijn constructie leidt tot een ramp met veel doden. Het treffendste voorbeeld daarvan is het hoofdstuk over het filmtheater waarvan in 1922 het dak instortte als gevolg van extreem hevige sneeuwval. Er werden vijfennegentig doden geteld en ongeveer honderd gewonden. Uit onderzoeken bleek dat de ramp een gevolg was van gebrekkige verbindingen tussen de spanten. Die konden een sneeuwlaag van ongeveer zeventig centimeter niet dragen. Het gevolg was dat de architect naast zijn schuldgevoelens moest ervaren hoe het was om nooit meer opdrachten te krijgen. Wat het extra tragisch maakte is dat de vraag in de lucht bleef hangen of je van een architect wel mag verwachten dat hij dergelijke extreme weersomstandigheden verdisconteert in zijn berekeningen. Het hoofdstuk dat over deze casus gaat is het boeiendste van de verzameling door zijn opbouw, zijn stijl, de ingeleefde verteltrant van de auteur en de prachtige zijsprongen, zoals die over het schilderij Venus en Cupido als honingdief van Lucas Cranach. Waagstukken is een boek dat tot nadenken stemt en maant om niet te snel te oordelen.

     

  • In Trocadéro is alles onheilspellend

    In Trocadéro is alles onheilspellend

    Wie wel eens op een regenachtige novembermiddag door Parijs heeft gekuierd weet dat de stad niet per definitie pracht en praal is. De haussmanniens lijken dan vooral hoog, grijs en zelfs een beetje intimiderend. In het boek Trocadéro vertelt John-Alexander Janssen het verhaal van de Nederlandse Julian, recent afgestudeerd jurist, die heeft gesolliciteerd als rechter. In afwachting van de afronding van die procedure gaat hij een paar maanden naar Parijs om wat vakken te volgen. Niet voor niets laat Janssen zijn hoofdpersoon in het najaar, als het weer steeds druileriger en duisterder wordt, naar Parijs vertrekken. Ook de terroristische aanslagen van 2015 en 2016 verwerkt hij in het verhaal, alsof hij wil zeggen dat Parijs daarmee voor altijd een grimmiger stad is geworden.

    Maar niet alleen de passages die zich in Parijs afspelen hebben iets onheilspellends, ook in Den Haag, waar de lezer Julian volgt terwijl hij op weg is naar zijn laatste sollicitatiegesprek, lijkt er al iets mis te gaan: ‘Achter zijn ogen school alertheid. De tram tingelde en vertraagde. “Korte Voorhout”, klonk het. Een schokje ging door zijn buik. Hij opende zijn ogen. Was het gesprek wel vandaag? Had hij zich niet op de een of andere manier vergist? Hij pakte zijn telefoon uit zijn broekzak en bekeek de datum: 5 september 2014. Met een lichte schaamte stak hij het toestel weer weg. Maar met sommige dingen kon je geen risico nemen. Soms was een vergissing onvergeeflijk.’

    Julian lijkt daarmee een wat neurotische jongen die zijn zaakjes niettemin goed voor elkaar heeft. Hij zou vermoedelijk ook eindeloos dubbelchecken of hij zijn paspoort wel bij zich heeft als hij zou vliegen, terwijl hij weet dat het reisdocument in het voorvak van zijn tas zit. Maar toch lijkt ook hij een duisterder kant te hebben en het nodige te verbergen.

    Ook de achtergrond van één van Julians Parijse vrienden, van wie onduidelijk is of hij studeert, is aanvankelijk een mysterie. Hij is bijzonder rijk en legt Julian, die hij nog maar net kent, in de watten. Deze Danto, ook een Nederlander, lijkt zich voornamelijk op te dringen aan Julian zodra hij te weten komt dat Julian rechter wil worden. Daarnaast is hij een idealist, en is hij bezig met het organiseren van een groot feest voor alle lagen van de bevolking in Parijs, om hen met elkaar verbinden. Hij troont Julian mee naar de buitenwijken, hoewel die er eigenlijk helemaal niets mee te maken wil hebben. Toch is Danto zo dwingend en overtuigend dat Julian niet anders kan dan zijn vriend helpen.

    Het verhaal ontwikkelt zich verder met een soort onheilspellende ondertoon, waarbij de terroristische dreiging nog kan worden opgeteld. Lang blijft ook onduidelijk waar het verhaal precies toe leidt, wat de sfeer – voor Julian, niet voor de lezer – des te onplezieriger maakt. Janssen doet uiteindelijk wel uit de doeken hoe de vork in de steel zit, met de aanslag op Charlie Hebdo op de achtergrond, maar laat daarbij net voldoende aan de verbeelding van de lezer over en weet daarmee de roman spannend te houden. Bij elke zin bekruipt de lezer het gevoel dat er iets naars staat te gebeuren. Elke op het eerste oog normale gebeurtenis of handeling, geeft hij daarmee iets akeligs mee. Al met al schreef Janssen met Trocadéro een mooi portret van de duistere kanten van de lichtstad die, inderdaad, sinds de terroristische aanslagen voor altijd is veranderd.

     

  • Oogst week 41 – 2019

    Het klimaat zijn wij

    In zijn non-fictiebestseller Dieren eten zette Jonathan Safran Foer al de voor- en nadelen van een (grotendeels) vegetarisch eetpatroon op een rij, zij het zonder een direct waardeoordeel te vellen: hij lichtte verschillende perspectieven en argumenten uit. Zelf werd hij na zijn onderzoek vegetariër. In Het klimaat zijn wij reflecteert hij op de urgente milieuproblematiek en zet hij zijn lezerspubliek ertoe aan samen verantwoordelijkheid te nemen voor het voortbestaan van de planeet door ons voedingspatroon te herzien. De ondertitel luidt niet voor niets De wereld redden begint bij het ontbijt. Foer benadrukt het belang van voedsel dat het milieu niet overbelast en stelt voor om alleen ’s avonds bij het diner nog vlees te eten. Hij is vooral gekant tegen de bio-industrie, vanwege de enorme co2-uitstoot die ze veroorzaakt. Dat het besef van klimaatverandering nu eindelijk landt, plaatste Foer in een interview met NRC Handelsblad in treffend perspectief: “In de VS zijn er twee keer zoveel mensen die in Bigfoot geloven als mensen die de klimaatverandering ontkennen.”

    Foer is hiernaast auteur van het autobiografisch geïnspireerde Everything is Illuminated (Alles is verlicht) en van Extremely Loud and Incredibly Close (Extreem luid & ongelooflijk dichtbij). Beide romans werden verfilmd.

    Het klimaat zijn wij
    Auteur: Jonathan Safran Foer
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Waagstukken

    Charlotte Van den Broeck debuteerde met de dichtbundel Kameleon en ontving daarvoor de Herman de Coninck Debuutprijs. Waagstukken is haar romandebuut. ‘Waagstukken’ moet hier worden opgevat als architectonische projecten die zó mislukten dat de verantwoordelijke architecten zelfmoord pleegden of in het ‘beste geval’ diep in het ongeluk werden gestort. Van den Broeck vertelt dertien individuele verhalen. Een bijzondere opzet, die wordt afgewisseld met passages over de positie van de schrijver in het algemeen en Van den Broecks schrijverschap in het bijzonder en het onzekere bestaan dat verbonden is aan het willen verwezenlijken van je artistieke ambities.

    Waagstukken
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Drie vrouwen

    De Amerikaanse auteur en journaliste Lisa Taddeo publiceerde onder andere in Esquire en New York Magazine en ontving de Pushcart Prize voor haar korte verhalen. Drie vrouwen schreef ze vanuit haar wens het vrouwelijk perspectief op seks en verlangen centraal te stellen en verder uit te diepen. Ze begon aan een journalistiek project van de lange adem: ze volgde acht jaar lang met enorme toewijding Lina, Sloane (pseudoniemen) en Maggie. “Om hun de stem te geven die gewone, onbekende, onopgemerkte vrouwen doorgaans niet hebben,” concludeerde ze in een interview met de Volkskrant. Taddeo laat de vrouwen afwisselend aan het woord en brengt hun wensen, gevoelens en ideeën in kaart, waarmee ze een brug wil slaan tussen het particuliere en het universele.

    Drie vrouwen
    Auteur: Lisa Taddeo
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
  • Oogst week 40 – 2019

    Hogere natuurkunde

    Hogere natuurkunde is de vierde dichtbundel van Ellen Deckwitz. Het thema is de doorwerking van ervaringen in Jappenkampen in Indië op de tweede en derde generatie. Deckwitz’ oma Koos deelde die ervaringen met Ellen, maar nauwelijks met anderen. Ze bespaarde haar kleindochter daarbij de gruwelijke details niet. Na oma’s dood in 2014 ontdekte Ellen dat zij alleen stond met die verhalen en ging ze op zoek naar andere nakomelingen van gevangenen uit de Jappenkampen. ‘Je zult moeten leren verdragen wat in je zit’, zegt ze in NRC Handelsblad. Therapie biedt geen oplossing. Het schrijven aan Hogere natuurkunde hielp haar wel. Op 29 september sprak ze over haar bundel in VPRO Boeken.

    Hogere natuurkunde
    Auteur: Ellen Deckwitz
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Dorsmans dood

    Mieke Smilde is rechtbankjournalist. In haar tweede roman, Dorsmans dood, beweegt ze zich volledig op haar vakgebied. Ze roept vragen op over de invloed van publiek en media op de waarheidsvinding in rechterlijke oordelen, maar ook over wat iemands afkomst betekent voor zijn latere werk. Rechter Pieter Coorn, van oorsprong een Rotterdamse stadsjongen, moet in hoger beroep beoordelen of een Bulgaarse verdachte inderdaad Esther Dorman heeft vermoord. Hij stelt nogal wat fouten vast die de familie en de pers liever niet horen. Ook met Miek Smilde is een interview te beluisteren in VPRO Boeken, op 22 september.

    Dorsmans dood
    Auteur: Miek Smilde
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaderliefde

    Het veelzijdige oeuvre van P.F. Thomése (De weldoener, De onderwaterzwemmer en de bijna burleske J. Kesselsromans) kende tot nu geen werk dat zo autobiografisch was als Schaduwkind (over de dood van zijn dochtertje Isa), ook al draagt Nergensman uit 2009 de ondertitel ‘Autobiografieën’. Daar is nu Vaderliefde aan toegevoegd. Hij schreef het na de dood van zijn beide ouders. Het verhaal gaat over veel meer dan zijn vader. Aan de hand van brieven, nagelaten spullen en persoonlijke herinneringen construeert hij zijn familiegeschiedenis tot ver terug, met aan het slot de vraag hoe hij zelf als vader in die geschiedenis zal worden opgenomen.
    Op 6 oktober zal Thomése in VPRO Boeken te gast zijn over Vaderliefde.

    Vaderliefde
    Auteur: P.F. Thomése
    Uitgeverij: Prometheus
  • Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Verontrustende gedichten van een Portugees dichter

    Vertaler Harrie Lemmens maakte uit een aanbod van drie dikke boekdelen orthonieme gedichten, (500 blz.) een keuze van 109 gedichten en stelde een tweetalige bundel samen met de veelzeggende titel Een spoor van mezelf.
    Fernando Pessoa schreef deze gedichten onder zijn eigen naam (‘orthos’ is Grieks voor ‘correct’ of ‘juist’). Zijn keuze lichtte Lemmens toe in het interview Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten dat in juni op Literair Nederland verscheen. Eveneens schreef Lemmens een interessant en verhelderend nawoord en werd er een kleine chronologie van het leven van Pessoa in opgenomen.

    Ongrijpbare dichter

    Van alle Portugese dichters is Fernando Pessoa (1888-1935) zonder twijfel de bekendste en misschien wel de meest geliefde, ook in Nederland. Dat is zeker niet vanzelfsprekend, want zijn poëzie is niet gemakkelijk. Pessoa was een complexe en ongrijpbare dichter, die ervan hield om heteroniemen te bedenken, afsplitsingen van zichzelf, die hij voorzag van niet alleen een naam, maar ook een persoonlijkheid, een eigen schrijfstijl, handschrift en zelfs een horoscoop. Vijf of zes van deze heteroniemen zijn algemeen bekend, maar er zouden er inmiddels meer dan honderdzevenentwintig geteld zijn.

    ‘Als je het moe wordt
    om steeds op één plek te zijn,
    waarom dan niet ook
    om maar één mens te zijn?’

    Ontwikkeling

    De gedichten zijn opgenomen in de volgorde waarin ze geschreven zijn: het eerste gedicht dateert van 21 november 1909, het laatste is van 22 november 1935, bijna exact 26 jaar later. Duidelijk is te zien hoe de stijl van Pessoa veranderde naarmate hij ouder wordt: de vroege gedichten bevatten onder invloed van het Franse symbolisme veel doorwrochte vergelijkingen ( ‘Zacht als het hebben van een moeder en zusters valt de avondstond…’) en lijken met veel schaven en polijsten tot stand te zijn gekomen; ze maken een veel traditionelere indruk dan de latere gedichten die eenvoudiger van taal zijn, intiemer, alsof Pessoa de lezer deelgenoot maakt van zijn geheimste gedachten. Want elk gedicht gaat alleen maar over Pessoa zelf: het is een gedachte, een mijmering, een droom, geschreven vanuit het ik-perspectief, alsof de dichter in zichzelf praat. Deze gedichten lijken in één keer te zijn opgeschreven, alsof het geen moeite heeft gekost. Toch worden ze daardoor niet gemakkelijker om te begrijpen.

    ‘Zoals ik het lieg’

    Pessoa hield ervan zich te verhullen en raadselachtig te blijven, ook al verwerkte hij persoonlijke herinneringen, uit zijn kindertijd en latere leven, in zijn werk. Het is nooit duidelijk of de dichter iets echt zo bedoelt of dat het een pose is, een doen alsof. Alsof hij een personage in zijn eigen werk is, van wie de identiteit inwisselbaar is: ‘Mijn leven verloopt / zoals ik het lieg.’ En net als het lijkt alsof hij zijn ware ik toont, voegt Pessoa een opmerking toe die alles ontkracht of ontkent wat hij daarvoor gezegd heeft:

    ‘Niets van wat ik ben zal ik ooit zijn.
    Ik droom en in mijn wezen droomt alleen
    een droom van wat ooit van mij zal zijn,
    maar het is weg nog voor het verscheen’

    Vergankelijkheid als thema

    Terugkerende woorden in elk gedicht zijn dood, droom, leven, melancholie, met als overheersend thema de vergankelijkheid van alles. Deze onderwerpen worden echter niet vanuit het gevoel, maar vanuit het verstand benaderd. Voor Pessoa was schrijven een cerebrale bezigheid; het gevoel was eruit zodra hij het had opgeschreven. ‘Wat ik voel wordt gewoon niet / door mijn hart voortgebracht, / maar door mijn verbeeldingskracht.’, schrijft hij in Dit, een gedicht uit 1933, met in de laatste strofe: ‘Voelen? Voelen moet wie het leest!’ Maar ook dit moet een mystificatie van de dichter zijn, want waardoor ‘voelen’ de gedichten dan zo echt aan? Pessoa roept op onvergelijkbare wijze de sfeer op van zijn geliefde Lissabon in de schemering, de schaduwen aan de kade, de eenzaamheid van de cafés, de regen. Het onvertaalbare Portugese woord ‘saudade’ krijgt ineens betekenis.

    ‘Het vale licht van de wintermorgen,
    de kade en mijn verstand
    bieden niet meer en ook niet minder hoop
    aan mijn hart.
    Wat komen moet
    komt onherroepelijk, of ik dat wil of niet.’

    Hoewel er niets boven de oorspronkelijke taal van de schrijver gaat, hoef je als  lezer geen Portugees te kennen om onder de indruk te komen. Een vergelijking tussen de Portugese versie en de vertaling, laat zien dat Lemmens erin geslaagd is hetzelfde rijmschema en ritme aan te houden als in de originele gedichten. Bovendien heeft hij de inhoud weergegeven in soepele spreektaal, die dicht bij de lezer blijft.

    ‘Niets van wat ik ben interesseert mij.
    Als er in mijn hart al iets leeft
    dat haast heeft om zich vrij
    te maken, is die haast tevergeefs.’

    Weerslag van een leven

    Deze 109 complexe en verontrustende gedichten gaan allemaal over Pessoa’s verwondering over de absurditeit van het bestaan en het zoeken naar een identiteit. Hij schrijft over zijn leven, gekweld door de leegte in zichzelf en om hem heen, door twijfels bevangen over het mysterie van het leven. Misschien dat daarom – sinds in de jaren tachtig van de vorige eeuw, onder druk van de hectische maatschappij, zingeving in het leven steeds belangrijker werd – het werk van deze Portugese dichter zo’n grote betekenis heeft gekregen. Het zijn geen gedichten die even tussendoor gelezen kunnen worden. Al lezend word je deelgenoot van Pessoa’s verlangen zich terug te trekken, een beschouwelijk leven te willen leiden dat geheel in dienst staat van de literatuur. Daarvoor moet je wel bereid zijn afstand te doen van wie je denkt te zijn.

     

  • Literair spel van de schrijver

    Literair spel van de schrijver

    Soms associeer je de hoofdpersoon van een roman onwillekeurig met diens schepper. Dat kan komen doordat op de achterkant een foto staat van de auteur die je brein koppelt aan het personage in de roman. Wat ook voorkomt, is dat het er zo dik bovenop ligt dat een personage het alter ego van de schrijver is. Zo voerde Philip Roth regelmatig in zijn boeken een schrijver op van joodse komaf – zie daar dan maar eens niet het gezicht van de schrijver aan te koppelen. Dat alles pleit eigenlijk voor het lezen van boeken zonder dat de lezer weet wie de auteur is; dan staat slechts nog de tekst centraal. De opvattingen van een personage worden dan in elk geval nooit ten onrechte aan de auteur toegeschreven. Dichter, romancier, recensent en columnist Rob Schouten speelt in deze roman met die spanning tussen auteur, verteller, hoofdpersoon, personages én de lezer.

    Alter ego

    Ook de verteller en hoofdpersoon van De groene gravin, Titus Orbaan, die vertelt over de neergang van zijn huwelijk, ga je als vanzelf verbinden met de man die op de achterflap van het boek is afgebeeld. Niet helemaal ten onrechte trouwens, want Schouten vertelde in een interview aan Trouw dat het autobiografische elementen bevat – hij is zelf recent gescheiden. Uiteindelijk treedt hij ook expliciet naar voren als auteur, al erkent hij dat de Rob Schouten van papier nooit dezelfde is als de Rob Schouten die de pen hanteert.

    Orbaan is getrouwd met een Duitse van verarmde adel, Else. Het boek begint met hun scheiding. Vervolgens spoelen we terug naar Amerika waar ze elkaar hebben ontmoet toen ze allebei aan de universiteit aldaar werkten, hun huwelijk in Las Vegas, hun wittebroodsweken en hun gezamenlijke huis vlak over de grens bij Groningen. De lezer volgt de neergang van het huwelijk op de voet, vanuit Titus’ perspectief. Of beter gezegd vanuit zijn brein, waarin hij van de hak op de tak springt: van referentie naar literatuur naar banale grappen, de ene associatie na de andere passeert de revue. Hij denkt en denkt, maar hij wordt ook gek van zichzelf: ‘het zijn allemaal gedachten die ik niet wil denken maar die ik niettemin wél denk, misschien juist des te harder omdat ik het niet wil.’

    Grote denkwereld

    Zulke stille observaties zijn soms ook erg geestig. Zoals wanneer Titus op een mondain feestje van een collega in diens veel te grote Amerikaanse mansion genadeloos de inrichting van zijn Amerikaanse collega-academicus fileert: ‘(…) de witte vleugel die met nietsontziende smakeloosheid ergens in de hoek als een enorme zwaan stond te wachten op begaafdere spelers (…) de metallic ijskast had iets weg van een klein huisje op zich, een woning waarin Holle Bolle Gijs zich had laten invriezen om tot in de lengte der dagen te kunnen schransen.’ Tegelijkertijd kunnen dit soort woordenstromen een beetje te veel van het goede zijn: je zou Orbaan wel willen adviseren om eens wat minder te denken. Maar dat zou waarschijnlijk averechts werken.

    Ondanks de onderdompeling in zijn brein leert de lezer Orbaan niet écht kennen. Hij blijft toch een beetje een vreemde kwast wiens drijfveren een mysterie blijven. Ook Else blijft in de hele roman een wat plat, onpeilbaar figuur. Maar wie weet is dat nu juist wat Schouten probeert te thematiseren. ‘Probleem is natuurlijk dat Else helemaal niet weet wat er in mij omgaat en ik weet trouwens ook niet wat er in haar omgaat. (…) Wie kent elkaar nou helemaal? Ha, de fundamentele onkenbaarheid van de mens, W.F. Hermans. Je ziet iemand, hoort degene praten, luistert, gaat met hem of haar naar bed, deelt je leven samen en toch kom je er niet achter. (…) Het probleem is helemaal niet dat we elkaar allicht niet kennen of doorgronden maar dat ik er eigenlijk niet over kan nadenken.’ Toch doet hij niet anders.

    Uiteindelijk kennen we niemand

    Ook de lezer kan de hoofdpersonen niet volledig leren kennen. Het is misschien eigenlijk maar goed ook dat de ander toch altijd in meer of mindere mate een onbekende blijft, simpelweg omdat je diens gedachten niet lezen kan. Daardoor ontstaan weliswaar misverstanden (zoals tussen Titus en Else), maar dat is te prefereren boven een situatie als die van ‘the Borg’, de wezens in de serie Star Trek die geen eigen gedachten bezitten en daardoor altijd uitstekend op elkaar zijn afgestemd. Blijven daarom Orbaans wegen zo ondoorgrondelijk, is dat wat Schouten met zijn alter ego duidelijk wil maken?

    Hoe het ook zij, het is knap dat de lezer zover wordt meegenomen in iemands gedachten dat je begrijpt dat die Else niet begrijpt. Orbaan is wat dat betreft uit het leven gegrepen: hij twijfelt, is inconsequent, flauw, piekerig en onredelijk. Eerlijk is eerlijk: wie is dat alles niet? Toch heeft het ook iets onbevredigend dat iemand, in wiens hoofd de lezer zich bij wijze van spreken bevindt en hem dus goed zou moeten kennen, een onbekende blijft – al is dat misschien inherent aan het bestaan en menselijke relaties.

     

  • Het leven van de Oldenbarnevelts nazaten van Johan Van Oldenbarneveld

    Het leven van de Oldenbarnevelts nazaten van Johan Van Oldenbarneveld

    Vierhonderd jaar geleden op 13 mei 1619, was er de omstreden onthoofding van ‘Vader des Vaderlants’ Johan van Oldenbarnevelt. Een gebeurtenis die nog steeds gespreksstof oplevert bij vele historici en waarover uitgerekend dit jaar verschillende boeken verschijnen. Historicus Ronald Prud’homme van Reine maakte naam met zijn biografieën over de zeehelden Michiel de Ruyter, Maerten en Cornelis Tromp en Piet Hein, maar besloot zich daarna te verdiepen in de 17e- eeuwse geschiedenis van de Republiek der Nederlanden. In 2013 verscheen zijn werk over de moordenaars van Johan de Witt, in 2016 het boek over de zelfmoord van Van Speijk. Nu sluit hij zijn trilogie af met het verrassende Onthoofdingen in de Hofstad – De val van de Oldenbarnevelts. Inderdaad, een meervoud, want waar het in alle andere werken over van Oldenbarnevelt stopt bij de onterechte terechtstelling van de landsadvocaat, gaat Prud’homme van Reine een stuk verder in de geschiedenis en toont hij de gevolgen van deze executie voor zijn gehele familie.

    Minutieus bronnenonderzoek

    De auteur gaat gedetailleerd te werk. Zijn minutieus bronnenonderzoek leverde hem heel wat stof op die hij detail na detail verwerkt in zijn omstandige geschiedenis. In zijn inleiding schetst hij de figuur van Oldenbarnevelt als ambitieuze intellectueel met een enorme gedrevenheid die één belangrijke zaak miste: sociale status en afkomst. Zijn hele verdere leven zal hij daaraan werken door zichzelf een gefingeerde stamboom toe te eigenen en ervoor te zorgen dat zowel zijn zonen, door een gedegen opleiding en uitgekiende contacten, als zijn dochters, door goed uitgekozen huwelijkspartners, in hoog aanzien komen te staan op de sociale ladder.

    Johan van Oldenbarnbevelt vs. Maurits van Nassau

    Het levensverhaal van Johan van Oldenbarnevelt is als een sprookje met een slechte afloop. Hij klimt steeds hoger op de sociale ladder en schopt het tot landsadvocaat, in welke functie hij eigenlijk de hoogste bestuurder is van de Republiek der Nederlanden. Hij beslist over de binnenlandse politiek en de financiën en is hét aanspreekpunt bij uitstek voor de buitenlandse politiek. Hij onderhoudt goede contacten met de koning van Frankrijk en de koningin van Engeland, die natuurlijk de strijd met Spanje nauw in de gaten houden. Belangrijker is zijn verhouding met de hoogste militaire gezagvoerder, Maurits van Nassau, prins van Oranje. Hoewel ze een tegengesteld karakter hebben, heerste er aanvankelijk wederzijds respect en is er een goede samenwerking.

    Dat verandert wanneer het Twaalfjarig Bestand aanbreekt. Maurits wil verder oorlog voeren, van Oldenbarnevelt kiest voor een diplomatieke oplossing. Als ook het godsdienstige conflict tussen remonstranten en contraremonstranten hoog oplaait, en beide hoofdrolspelers ook daar een tegengestelde houding aannemen, loopt het volledig mis. Van Oldenbarnevelt neemt enkele beslissingen die lijnrecht ingaan tegen Maurits en dat leidt uiteindelijk tot de arrestatie van de landsadvocaat. Na een schijnproces dat ettelijke maanden duurt, wordt hij ter dood veroordeeld en op 13 mei 1619 valt de bijl. De auteur laat ook niet na een ontluisterend beeld te schetsen van prins Maurits. Oorlogszuchtig en wraakzuchtig deinsde hij er niet voor terug om de wet naar zijn hand te zetten of te overtreden. Bovendien was hij een vrouwenversierder en had overal in het land bastaardkinderen rondlopen.

    Afrekening met de Van Oldenbarnevelts

    Halverwege het boek is Johan van Oldenbarnevelt geëxecuteerd en dat maakt dit werk zo uniek. Het vervolg is een boeiend stuk geschiedenis dat minder bekend is bij het brede publiek. Na de executie breekt Maurits onmiddellijk zijn woord: hij had beloofd zorg te dragen voor de nabestaanden van van Oldenbarnevelt, maar niets is minder waar. De goederen worden verbeurdverklaard, zodat de familie alles kwijt is. De zonen, Willem en Renier, verliezen al hun belangrijke posten en aanstellingen en worden gemeden door iedereen. Bij de remonstranten leefde er ook bijzonder veel ongenoegen over de manier waarop Van Oldenbarnevelt was aangepakt en geëxecuteerd. Kortom, er ontstond een voedingsbodem om iets te ondernemen tegen Maurits.

    Mislukte aanslag op Maurits

    In wat volgt, beschrijft de auteur de omstandigheden en aanloop naar de mislukte aanslag op Maurits door Willem en enkele remonstranten. Willem van Oldenbarnevelt maakte de fout door te veel mensen en enkele onbetrouwbare kornuiten bij het complot te betrekken. Renier, die helemaal niet betrokken wou zijn, kwam uiteindelijk over de brug met geld om de aanslag te financieren. Het complot kwam echter aan de oren van Maurits en alle betrokkenen werden gearresteerd en terechtgesteld. Willem kon ontkomen en zou de rest van zijn leven in ballingschap in Brussel doorbrengen. Renier had minder geluk en werd 4 jaar na zijn vader ook geëxecuteerd in de Hofstad.

    Lotgevallen nabestaanden

    Prud’homme van Reine sluit zijn werk af met een overzicht van de lotgevallen van de overgebleven familieleden en nakomelingen van Van Oldenbarnevelt. Veel lof is er voor Jacob Westerbaen, die na de dood van Renier met diens vrouw huwde. Westerbaen, begenadigd dichter en vaak in één adem genoemd met Vondel, Cats en Huygens, schreef meerdere teksten over Johan van Oldenbarnevelt en werkte zo mee aan diens eerherstel. Hij zorgde er mede voor dat de herinnering aan hem levendig en positief bleef.

    Met Onthoofdingen in de Hofstad is Prud’homme van Reine erin geslaagd een stuk (vergeten) vaderlandse geschiedenis op boeiende en aangename wijze te brengen. Sommige lezers zullen de vele details storend en vertragend vinden, maar de auteur heeft hiermee geprobeerd een zo uitvoerig en volledig mogelijk beeld te schetsen van de omstandigheden en gebeurtenissen.  Op die manier is er een inkijk in de karakters en maatschappelijke context van een bijzonder boeiende periode. Een sterk staaltje geschiedschrijving met een goede wetenschappelijke onderbouwing, gegoten in een vlot lezend verhaal.