• Niet langer onverschillig

    Niet langer onverschillig

    In haar debuutbundel Indolente neemt Dewi de Nijs Bik de lezer mee op een reis door de tijd en door diverse landen heen. Ze vertelt een verhaal dat, hoewel het zeer persoonlijk is, niettemin voor een breed publiek bestemd is. Ze heeft Indische voorouders en geeft vanuit die achtergrond haar ervaringen en observaties weer. Niet alleen om persoonlijke herinneringen vast te leggen, maar zeker ook om een gedeelde en gemeenschappelijke koloniale geschiedenis en een culturele identiteit te onderzoeken. De zoektocht naar deze collectieve herinneringen wordt al duidelijk gemaakt in de motto’s die ze gekozen heeft: ‘Persoonlijke dingen moeten groter worden verstaan’ van Juliana Spahr en ‘Omdat we geleefd hebben en nog steeds bestaan’ van Tjalie Robinson.

    Om tot uitdrukking te brengen hoe ver die zoektocht haar gebracht heeft en hoe divers haar vindplaatsen van de verhalen zijn, maakt ze gebruik van een aantal gevarieerde en moderne versvormen: prozagedichten, collages, inventarisatielijsten, handleidingen en visuele poëzie met verspringende versregels en cursief gedrukte woorden. Die veelzijdigheid van deze bundel wordt ook verwacht van de lezer. Maar omdat het geheel wat rommelig oogt, is het voor de lezer een puzzel om uit te vinden waar het over gaat. In deze bundel spelen oesters en parels een belangrijke rol. De leeservaring is als het openen van oesters; na veel moeite tref je af en toe een parel aan.

    Co-starring: the readers

    De eerste afdeling Two Suitcases, 60 Dollars and a Three-Month-Old Baby brengt de lezer in Californië. Het lyrisch ik wordt opgepikt door Rodney in zijn Buick. Samen gaan ze naar een pasar malam, die Rodney’s moeder organiseert op een parkeerplaats. Het zijn de herinneringen van Rodney’s moeder die volgen, hoe ze als vluchteling naar Amerika kwam, over het proces van integreren en aanpassen, van nooit helemaal geaccepteerd worden in het nieuwe land, maar ook nooit helemaal jezelf toestaan dat je daar deel van uitmaakt. De Nijs Bik positioneert haar versregels als een interview, met afbrekingen en aarzelingen, zoals een gesprek verloopt. Het vergt wel wat van de lezer, die zelf moet bepalen wat er verteld wordt en in welke context de woorden staan.

    ‘wat zegt het nou de inhoud
    van deze sinkholes:
    literpakken, autobanden
    een pijp, wasmand –
    how the hell did you just call us?

    Op deze manier maakt de dichter de lezer een metgezel tijdens de zoektocht, maar dan vanuit een ander vertrekpunt: de lezer is objectief en kijkt anders naar de verhalen dan de dichter die beladen is met een collectief cultureel verleden en van daaruit haar blik richt. Niet voor niets noemt de dichter in haar dankwoord de lezer een ‘coproducent [die] mijn gedichten bestaansrecht geeft.’

    Toko in Mokum

    Ze brengt de lezer naar Amsterdam in de tweede afdeling: Herfst in Amsterdam. Hierin drukken drie maaltijdrecepten in de vorm van een blokgedicht de geschiedenis uit van de mensen die uit Nederlands-Indië kwamen. Ook in de derde afdeling, Panty’s voor Daisy, speelt voedsel een belangrijke rol. Zo is er een gedeelde herinnering aan de kookkunst van oma’s en tantes, die met vijzel en stamper de heimwee wekkende geur van de Indische kruidige keuken voortbrachten. In het nieuwe land wordt de vijzel echter verbannen naar de bodem van de kast ‘omdat hij naar knoflook stonk’:

    ‘een stuk steen op een stuk steen, tik, tik, was wat ik hoorde wanneer ik de keuken binnen-
    kwam, jouw oma die voor het aanrecht stond: knoflook, djeroek poeroet, trassi, ui, in de komvormige stamp je en in die platte is het meer wrijven; mijn tante had ze op de schoor-
    steenmantel want ze zijn toch van onze moeders geweest – deze schending van de ver-
    wachting, waarmee ze zichzelf herhaalt, 50 cent voor een blokje asem maar niemand hield
    bij hoe haar naam werd geschreven (2 gulden, panty’s voor daisy)’

    La insolente, de indolente

    In de volgende afdeling, Indolente, draait het om identiteit die zich niet verbergt of onderdrukken laat. De afdeling bestaat uit drie delen die alle vertellen over de parelvangst. Het eerste deel Parelkoorts opent met een gedicht dat is geschreven naar aanleiding van een schilderij van Jacopo Zucchi (1585), La Pesca del Corallo, (= het vissen op koraal). Het verbeeldt een allegorie op de ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld. We zien zeenimfen, oesters, koraal, paarlemoeren schelpen. ‘[…] Natuur en duiker / zijn in harmonie. Smetteloos de juwelen / en verhalen.’ Een idyllisch tafereel, dat in schrille tegenstelling staat tot de andere gedichten in Indolente. Want na een brief van een koopman aan ‘Hunne Majesteiten’ uit 1509, waarin hij verzoekt om drie extra schepen met elk driehonderd zwarte parelduikers uit West-Afrika voor een gunstige vraagprijs, volgt er een ‘Duikersdossier’ dat nog beschamender is dan de brief. De Nijs Bik heeft een lijst aangelegd waarin de zwarte parelduikers beoordeeld werden op hun beschavingsniveau (gemeten langs de meetlat van de witte slavenhandelaars uiteraard), hun uithoudingsvermogen en hun capaciteiten om pareloesters van de zeebodem op de duiken. Het onderdeel ‘Hutplicht’ is vreselijk om te lezen: hierin worden de bevindingen vastgelegd omtrent de gewilligheid en de lichamelijke hygiëne van een parelduikster die als seksslavin gehouden werd en die de bijnaam La Insolente kreeg vanwege haar opstandige gedrag (‘Advies: Gehoorzaamheid afdwingen met mes (tegen keel / of geslacht)’.

    De Nijs Bik schetst in een ‘doxografie’ (een tekst waarin de auteur meningen van anderen heeft verzameld) puntsgewijs een biografie van deze opmerkelijke vrouw, van wie je meteen aanneemt dat ze echt bestaan heeft. Opmerkelijk is haar bijnaam vergeleken met de titel van de bundel: insolent tegenover indolent, brutaal tegenover onverschillig, maar ook: ongevoelig voor pijn. En misschien heeft ook het woord ‘Indo’ dat opklinkt in de titel, een rol gespeeld bij de keuze van de dichter voor de titel van haar bundel. Er is een spreekwoord dat zegt dat een parel nooit haar glans verliest, door hoeveel handen ze ook gaat. Zo laat De Nijs Bik zien dat de vele generaties van Indische Nederlanders weliswaar opgegaan zijn in de Nederlandse samenleving, maar nooit hun afkomst en geschiedenis hebben ontkend. Het is juist iets dat hen verbindt en waar ze trots op zijn.

    Dichten over dichte oesters

    In Veldgids voor oesterrapers, het tweede deel van hoofdstuk vier, staat de oester zelf centraal. Met én zonder parel. ‘De parel is onze biografie, de oester is onze biograaf’, zo vertaalt De Nijs Bik de woorden van Federico Fellini.

    ‘En zo wordt ze uitgerust met haar schelp: eeuwige vuist
    waaruit haar kreet slechts ontsnappen kan
    als glansrijk bezit: de parel
    die niets meer is dan dat zij met haar speeksel omfloerst
    dat wat niet langer draaglijk is:
    raak mij niet aan.’

    Daarom staan er twee gedichten in dit deel over hoe een oester te openen: niet alleen het mes moet scherp zijn, maar ook je vingertoppen en je geheugen: ‘hoe diep kun je gaan/ zonder snijden?’ Dit gaat niet alleen over de oester, maar over geschiedenis en een verleden waarin pijn en schoonheid, het mes en de parel, samenkomen.

    Het laatste deel De emmer: inventarisaties gaat over de verschillende soorten oesters en hun kenmerkende eigenschappen. Even divers als de oesters zijn alle mensen in Yerseke, die de oesters komen rapen, ieder met zijn eigen nationaliteit en geschiedenis.

    Indolente is geen gemakkelijke bundel. De samenhang tussen de afdelingen is niet altijd duidelijk en de combinatie van verschillende elementen lijkt soms willekeurig te zijn. De overeenkomst met een oester die opengewrikt moet worden, ligt voor de hand. Maar dan vind je ook af en toe een parel.

     

     

  • Aangename verstrooiing

    Aangename verstrooiing

    Bob Beerhorst en zijn dochter hebben een geheim, liever gezegd twee geheimen, zo vernemen we op het einde van Huis Vrede Breuk, de nieuwe roman van schrijver en journalist Boudewijn Smid. Alvorens daar te komen lezen we over Bobs perikelen, waarvan het laatste hem in de gevangenis brengt, waarin hij de eerste twee pagina’s van het boek zit. Dat feit verdwijnt al snel naar de achtergrond.

    Bob, zijn vrouw Mira en hun puberkinderen Lotta en Zeb wonen in een mooi appartement midden in Amsterdam. Bob werkt op een instituut dat doet denken aan het Meertens Instituut, waar schrijver Smid zelf een aantal jaren werkte. Hij neemt ontslag om zich volledig te gaan wijden aan zijn ‘darwinistische roman (…) over homo sapiens als kroon op de evolutie tegenover homo sapiens als plaag voor de aarde’, zijn debuut waarvoor hij van de uitgever een riant voorschot krijgt. Maar eigenlijk, memoreert Bob, ‘was het een verhaal over zijn moeder, over godsdienst, waanzin, liefde,’ waarover Smid eerder schreef in zijn tweede roman Een goede zoon (2010). Deze is grotendeels autobiografisch en serieus van toon. Voor Huis Vrede Breuk – en eerder voor Op de helling (2017) – heeft de auteur gekozen voor lichtvoetigheid met stereotype personages.

    Problemen

    Bob zal aan zijn roman werken tijdens het begeleiden van de renovatie van de ‘idyllische woning’ die hij en Mira hebben gekocht net buiten Amsterdam. De vlotte, zelfverklaard architect Geert (‘De oren staan als buitenspiegels aan zijn hoofd’) fungeert als aannemer, regelt de technische en financiële kant van de verbouwing en levert de Polen aan die het uitvoerende werk komen doen.

    Zoon Zeb en dochter Lotta vertonen onbehoorlijk pubergedrag en negeren hun vader. Ze zijn boos over de aanstaande verhuizing. De verbouwing gaat gepaard met problemen en tegenvallers, vooral van financiële aard. Klussen vallen duurder uit, de Polen doen moeilijk. De nieuwe buurt is minder aangenaam dan gedacht. Er komen inbraken voor, hangjongeren deinzen niet terug voor vernielingen en geweld, de buren blijken niet zo meegaand als ze zich aanvankelijk opstelden. Intussen is Bob na een opgebouwde gewoonte aardig aan de drank en heeft last van kwaaltjes en spanningen waarvoor hij zich tot de archaïsche huisarts Van Sprengel wendt. Met hem heeft Bob kleine discussies over het leven, terwijl de arts hem in het café intieme zaken toevertrouwt.

    Mira, met een goede baan als belangrijk iemand in de kunst, heeft nergens echt last van. Ze laat de kinderen zijn wie ze zijn, eist niets, maakt zich geen zorgen over financiën, gaat luchtig naar openingen van tentoonstellingen en vertrouwt erop dat alles goedkomt. Zelfs onbehouwen gedrag van Bob, wanneer hij een restaurant waar ze gevieren zouden gaan eten ontvlucht en in de kroeg gaat zitten, kan haar nauwelijks van haar stuk brengen.

    Aardige inzichten

    Smid vertelt gemakkelijk en het verhaal zit goed in elkaar. De dialogen zijn levendig. Het is een verdienste van de welbespraakte auteur om in alle oppervlakkigheid toch aardige inzichten te debiteren, zoals: ‘te veel mensen worden grootgebracht met het idee dat ze iemand zijn. (…) Uniciteit is een idee-fixe. (…) Maar in feite zijn we helemaal niemand. (…) En dan die obsessie met geluk (…) Geluk is een verdienmodel. We moeten kinderen vanaf de geboorte meegeven dat het leven een grap is. Een samenloop van omstandigheden. Dat voorkomt trauma’s en andere ellende.’ Even stereotiep als de personages zou je denken, maar stonden deze woorden in een filosofie- of zelfhulpboek dan zouden ze wellicht als een betekenisvolle zienswijze worden omarmd.

    Na de verhuizing – Bob en Mira kamperen dan in de woonkamer omdat de aanbouw nog niet klaar is – worden Zeb en Lotta meegaander. Als Bob, de schrijver die niet erg opschiet met zijn boek, belaagd wordt door jongeren is het Zeb die hem helpt en nog een aardige zoon wordt ook. Lotta keert zich als ze hem met een andere vrouw ziet tegen Bob, maar bij een conflict met de buurman is zij de hulpvaardige dochter die het voor haar vader opneemt. Aannemer en architect Geert is een levensgenieter: ´Ik kwam er langzamerhand achter dat ik geen ambitie heb. Ja, zo aangenaam mogelijk versterven. Mediteren, seksen en dansen, en zo nu en dan een huisje renoveren. Ook bij een levenskunstenaar moet de schoorsteen roken.´Soms schemert kennis van zaken door die zo van internet lijkt te komen, bijvoorbeeld in een gesprek over tantra, en over de verbouwing.

    Netjes afgerond

    Het boek is door Smids luchtige en humoristische verteltrant aangenaam om te lezen. ‘God heeft mij geschapen naar zijn beeld: een luie donder die vanaf de zijlijn toekijkt hoe de wereld naar de ratsmodee gaat.’ Nadelig is dat de oppervlakkigheid het menselijk leed tenietdoet. Eerder zal de lezer geamuseerd kennisnemen ván dan meeleven mét de narigheid die het gezin treft. Bob noch anderen roepen medelijden of medeleven op. Het verhaal wordt wel netjes afgerond. Geert verdwijnt na een confrontatie met Mira uit zicht, de Polen hebben zich al eerder teruggetrokken, Van Sprengel houdt plotseling zijn deur voor zijn patiënten gesloten en we vernemen zelfs nog wat er van hem is geworden. De buurman overspeelt zijn hand waardoor ze van hem en zijn vrouw ook geen last meer hebben. En het gezin gaat de toekomst tevreden tegemoet, al zit Bob in de gevangenis. De twee geheimen maken nieuwsgierig naar het perspectief van de dochter op de geschiedenis – iets wat we niet te weten zullen komen. Huis Vrede Breuk is een aardig boek om ter verstrooiing te lezen, al dan niet in de vakantie.

     

     

  • Oogst week 13 – 2023

    Omtrekkende bewegingen

    De Russische schrijver Sergej Dovlatov (1941-1990) schreef korte verhalen en romans met een veelal autobiografisch karakter. Hij groeide op in Leningrad waar hij ook een paar jaar Finse taal- en letterkunde studeerde. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij als bewaker in een goelagkamp, daarna ging hij journalistiek studeren. Schrijver Joseph Brodsky zegt dat Dovlatov van dat goelagkamp terugkwam als ‘Tolstoj uit de Krim met een bundel verhalen en een zekere verbijstering in zijn blik’.

    Dovlatov bleef verhalen schrijven, waarvan het hem niet lukte die uitgegeven te krijgen. Pas in 1978 werden twee boeken van hem gepubliceerd, bij een uitgeverij in New York waarheen hij – met toestemming van de Sovjetautoriteiten – met zijn gezin was verhuisd. In 1990 overleed hij aan een hartstilstand. Kort daarop werd hij een van de populairste schrijvers van Rusland.

    Zijn stijl doet eenvoudig aan en heeft een laconieke, soms hilarische toon. Niet zelden komen er pechvogels, verschoppelingen of criminelen in voor, maar vooral maakt Dovlatov zijn eigen leven tot onderwerp. Omtrekkende bewegingen bevat vier romans. Compromis gaat over zijn mislukkingen bij een Estlandse krant; Die van ons vertelt zijn familiegeschiedenis, van zijn grootvader uit Vladivostok tot zijn in New York geboren zoon; Ambacht bevat zijn ervaringen met afwijzingen van zijn werk van Leningradse uitgevers en met de krant die hij in New York begon. Filiaal tenslotte handelt behalve over zijn eerste huwelijk over een conferentie met geëmigreerde Russische schrijvers in Californië.

     

    Omtrekkende bewegingen
    Auteur: Sergej Dovlatov
    Uitgeverij: Van Oorschot 2023

    Huisgenoten – Insecten in en om je eigen huis

    Entomoloog, schrijver en spreker Aglaia Bouma is onderzoeker bij Naturalis en heeft een veelgelezen column over insecten in de NRC. Wie niet wist dat kakkerlakken sociaal zijn en oorwurmen zorgzaam doet er goed aan zich te verdiepen in HuisgenotenInsecten in en om je eigen huis van Bouma. In 2020 schreef zij het boek Insectenrijk. Dertig jaar eerder overleefde zij nauwelijks een steek van een grote wesp met een fobie tot gevolg. Daarop besloot ze zich grondig in insecten te verdiepen.

    Uit Huisgenoten blijkt dat er veel meer diertjes in en rond je huis vliegen, rennen, kruipen en scharrelen dan je ooit had gedacht. ‘We wonen gemiddeld samen met ongeveer honderd verschillende soorten geleedpotigen, al willen de meesten het vermoedelijk niet weten.’ schrijft Bouma. Insecten zijn niet populair, de meeste mensen houden er niet van en schromen niet ze te doden wanneer ze er in huis een tegenkomen. Bouma laat zien hoe fascinerend de kleine kriebelige beestjes zijn en welke er leven in alle hoeken en kieren van je huis, in de potten met kruiden in je keuken en in je tuin. Je leert ze kennen en gaat begrijpen hoe één bedwants of één limonadewesp het voor de hele groep verpest.

    Net als de film Onder het maaiveld – over wormen en microscopisch kleine beestjes op en in de aarde onder onze voeten – leert Huisgenoten over gedrag en belang van de allerkleinste dieren, de wezens zonder aaibaarheidsfactor. Bouma verandert door begrip en kennis de menselijke blik van wegkijken in begroeten.

     

    Huisgenoten - Insecten in en om je eigen huis
    Auteur: Aglaia Bouma
    Uitgeverij: Atlas Contact 2023

    Siciliaanse brieven – Berichten van Ortigia

    Ze doen denken aan dagboekaantekeningen, de 25 brieven van Geerten Meijsing in Siciliaanse brieven (Berichten van Ortigia). De auteur schrijft over Sicilië en zijn woonplaats Ortigia, het schiereiland en historisch centrum van Syracuse. Hij geniet van zijn appartement met dakterras, dwaalt door kleine steegjes, langs oude gebouwen, langs vissersboten, zwemt in zee en geniet van de natuur. Aan wie hij de brieven richt wordt niet duidelijk. De ontvanger zou een ‘verloofde uit het noorden’ zijn. Tien eerder verschenen brieven zijn ook in deze bundel opgenomen.

    Als oudere schrijver laat hij de ouderdom niet onvermeld, andere onderwerpen zijn onder meer de maffia, filosofie, literatuur, zijn werkster. Ook zijn oudere, in 2012 overleden zuster Doeschka Meijsing wordt gememoreerd als hij mijmert over een bezoek van haar: ‘Nu kon ik haar verzorgen en behoeden. Ik sliep op de bank en zij in mijn bed, en buiten bonkte de winterzee tegen het bastion.’ En in het kader van de oudheid vertelt hij over zijn dochter die dit tot onderwerp van haar studie heeft gemaakt. Eén brief is helemaal gewijd aan Siciliaanse schrijvers. Ondanks de wat weemoedige toon is duidelijk dat Meijsing geniet van het leven op Sicilië.

    Siciliaanse brieven - Berichten van Ortigia
    Auteur: Geerten Meijsing
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 8 – 2023

    Niets dat hier hemelt

    Tomas Lieske is in 1943 geboren in Den Haag. De stad staat voor de ene helft op zandgrond, voor de andere helft op veengrond. Niets dat hier hemelt – Lieskes nieuwste roman – vertelt over de ondergang van een veengebied. Hiervoor is niet de invasie nodig van een heel leger of een tsunami uit de Noordzee. Slechts één familie volstaat om het geboortedorp van de hoofdpersoon te bedreigen. Vijf broers plunderen de omgeving en vinden zelfs een halfdode ruiter op zijn paard. Hun jongste broer, uiteraard Benjamin geheten, laten ze letterlijk in de huid van de paardrijder kruipen. Bear Grylls, eat your heart out…

    In 1992 gedebuteerd met proza geldt Lieske als een laatbloeier. Sinds Oorlogstuinen schreef hij een slordige twintig romans en won hij onder meer de Libris Literatuur Prijs en de Littéraire Witte Prijs. In de vroege jaren ’80 echter oogstte hij al lof met zijn gedichten en essays voor Tirade en de Revisor. Velen werden gecompileerd in Een hoofd in de toendra (1989). Nu voert hij onze hoofden naar veen en moerassen, die wegzinken onder de wreedheid van vijf broers.

    Niets dat hier hemelt
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Zij.

    #MeToo-schandalen komen tegenwoordig in zulke grote getallen aan het licht, dat verontwaardiging plaatsmaakt voor ongevoeligheid. Daarom is Zij. van Maaike Neuville misschien wel het belangrijkste boek van dit voorjaar. De lezer volgt Ada Peeters, een gelauwerde actrice die in de theaterwereld met veel mannen heeft samengewerkt. Het zweet loopt haar over de rug wanneer zij een monoloog zal houden in de stad waar ‘hij’ woont… Neuvilles ervaringen als film- en theatermaker zullen voor Ada’s belevenissen een dankbare inspiratiebron zijn geweest.

    Zij. wordt gepromoot als een boek over intimiteit en overschreden grenzen, zelfs bij wederzijdse instemming. Een verhaal dat het onderscheid tussen dader en slachtoffer vervaagt, maar niet weggumt. De titel alleen al is voer voor speculatie: ‘zij’, is dat de hoofdpersoon? Zijn ‘zij’ de mannen? De vrouwen? Aangezien Neuville evenals Ada actrice is, onder andere in Red Light, ligt een autobiografische lezing voor de hand. Dat Zij. het verhaal van vele Ada’s vertelt, bewijst andermaal de urgentie van deze roman.

    Zij.
    Auteur: Maaike Neuville
    Uitgeverij: Bezige Bij

    Goed komen – een seksuele queeste

    Een populair Nederlands motto luidt: ‘Komt goed.’ Het betekent dat we niet te veel moeten nadenken over de toekomst, waar we beperkt invloed op hebben. Waar Joy Delima vroeger een beperkte invloed op had, mede door gebrekkige kennis en nare ervaringen, was haar seksleven. In plaats van te denken dat het allemaal wel goed zou komen, besloot zij tot een seksuele queeste: Goed komen. De kaft van dit boek eert het vrouwelijke genot door het orgaan af te beelden dat zo vaak wordt gezocht, maar slechts mondjesmaat gevonden.

    Hoewel Goed komen gepubliceerd werd op Valentijnsdag van dit jaar, beschouwt en behandelt Delima seksualiteit niet als onderdeel van de romantische liefde. Veel meer gaat haar boek over schaamte, zelfwaardering en eenzaamheid. Het is bedoeld voor wie houdt van seks, of ervan wil leren houden. Met name haar openhartigheid en humor worden alom geprezen en leverden haar reeds een wekelijkse column in Volkskrant Magazine op. Na Goed komen is te hopen dat er nog vele hoogtepunten zullen volgen!

    Goed komen - een seksuele queeste
    Auteur: Joy Delima
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 5 – 2023

    Bij de buren

    De introverte, twijfelende Julia, tegen de veertig, is met haar man vanuit de stad verhuisd naar een dorp aan het Noord-Oostzeekanaal, waar het leven minder duur en hectisch is. Ook hoopt zij dat hun kinderwens alsnog wordt vervuld.

    Julia heeft in het dorp een keramiekwinkel met onlineshop en is een van de twee personages vanuit welk perspectief Bij de buren wordt verteld. Het andere is Astrid, een 60-jarige huisarts die een opvolger voor haar praktijk zoekt en zich zorgen maakt over haar oude tante met verschijnselen van dementie.

    Om de beurt doen Julia en Astrid verslag van hun levens en gevoelens, tegen de achtergrond van een leegstaand huis waaruit een gezin plotseling spoorloos is verdwenen. Het leegstaande huis wordt het middelpunt van de buren. De personages zijn vreemden voor elkaar, ze cirkelen om elkaar heen op zoek naar geborgenheid en intimiteit maar trekken zich toch weer terug in hun eigen innerlijk. De hele dorpsgemeenschap heeft geheimen en verlangens en wordt voortdurend geconfronteerd met angst, die nog wordt gevoed als in de tuin van het leegstaande huis een mysterieus kind verschijnt. Ook met afbrokkelende huizen, ontmoetingen met doden, mysterieuze observaties en anonieme brieven en boodschappen brengt Bilkau een griezelig aspect in het verhaal.

    Kristine Bilkau werkt als journalist voor verschillende bladen. In 2015 debuteerde ze met de roman De gelukkigen. Begin 2019 verscheen Een liefde, in gedachten en nu is daar Bij de buren.

    Bij de buren
    Auteur: Kristine Bilkau
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023

    Geheugen, geschiedenis, beschaving – Lofzang op de bibliotheek

    Mira Feticu (1973) is een Roemeens-Nederlandse schrijfster. Ze studeerde in Boekarest Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap. Al jong schreef ze gedichten en later proza. Aan de universiteit leerde ze haar Nederlandse man kennen, voor wie ze in 2003 naar Nederland kwam, waar ze de taal opnieuw moest leren. Ze liep een taalstage bij de Openbare Bibliotheek in Den Haag.

    Haar liefde voor boeken en literatuur komt tot uiting in Geheugen, geschiedenis, beschaving – Lofzang op de bibliotheek. Een bibliotheek is voor Feticu een verheven oord van kennis en inzicht, waar lezers boeken en hun schrijvers treffen, en schrijvers hun lezers vinden. ‘Er is geen betere plek in een land van adoptie voor iemand die zijn boeken achterliet dan de bibliotheek,’ schrijft ze.

    In Roemenië werkte Feticu als radiomaker en publicist, net als in Nederland. Zij bespreekt vooral culturele en sociale onderwerpen. Sinds 2008 publiceerde ze zes boeken in het Nederlands, waaronder het goed ontvangen Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal. Feticu is ook producent bij de Haagse literaire show Literatuur Late Night. Voor de Roemeense Academie van Wetenschappen verricht ze literair onderzoek en ze zit in de redactie van het Algemene Woordenboek van de Roemeense Literatuur. Nederlandse media nodigen Feticu geregeld uit bij onderwerpen op het gebied van Roemenië en Oost-Europa.

    Tijdens het schrijven van Geheugen, geschiedenis, beschaving overleed haar man en is ze ‘veranderd van iemand die Medea wilde schrijven, in iemand die een boek over Orpheus schrijft.’ Daarmee werd het boek behalve voor de bibliotheek ook ‘een klein requiem’ voor hem.

     

     

    Geheugen, geschiedenis, beschaving - Lofzang op de bibliotheek
    Auteur: Mira Feticu
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus 2023

    Shotgun wedding

    Op 18 september 2019 werd stafrechtadvocaat Derk Wiersum voor zijn huis in Amsterdam doodgeschoten. Wiersum was de advocaat van een kroongetuige in een groot proces tegen een criminele organisatie. De daders voerden de moord in opdracht uit en met voorbedachten rade. Wiersums beste vriend Lucas Hirsch, die in de nacht voor de moord nog met hem appte, schrijft in de roman Shotgun wedding zijn gevoelens van rouw en verdriet van zich af.

    Dichter Lucas Hirsch zoekt in Shotgun wedding naar de taal die weer kan geven wat er precies met zijn vriend is gebeurd en welk effect dat op hem heeft. Wat vriendschap en liefde betekenen. Zijn stijl is poëtisch, zijn klaagzang niet minder rauw. ‘September is sinds vorig jaar voor altijd van jou, en dus een dode maand,’ schrijft hij. Hirsch probeert woorden te vinden om zijn emoties weer te geven, maakt een lijstje met pijn- en angstmetaforen. ‘Maar de woorden dekken na een jaar nog steeds de lading niet. (…) Ik ben stuk. Wat ik ook probeer, een gedicht zit er niet in.’ Uiteindelijk berust hij in het feit dat zijn beste vriend er nooit meer zal zijn.

    Hirsch studeerde Amerikanistiek en werkte in het bedrijfsleven. Onderwijl dichtte hij en publiceerde een aantal bundels. Hij was huisdichter van Museum De Hallen in Haarlem, draagt voor op literaire festivals in binnen- en buitenland en verbleef een aantal maanden in onder andere New York voor het schrijven van de dichtbundel Wu wei eet een ei. Hirsch geeft ook workshops over dichten. Shotgun wedding is na De weinigen (2019) zijn tweede roman.

     

    Shotgun wedding
    Auteur: Lucas Hirsch
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers 2022
  • Memoires van een avontuurlijke filmmaker

    Memoires van een avontuurlijke filmmaker

    Meer dan zeventig films heeft hij gemaakt, de filmreus Werner Herzog. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag verschenen zijn herinneringen onder de veelzeggende titel Ieder voor zich en god tegen allen. Het boek is het weergaloze relaas van een levenslustige avonturier voor wie zowel mentale als fysieke grenzen er zijn om ze te overwinnen.

    Van meet af aan is Herzog van wereldformaat. Vanaf zijn tienerjaren reist hij de wereld rond, aangetrokken door het onbekende, het onmogelijke en het gevaar. Bij wijze van een karakterschets citeert hij uit een interview met zijn eigen moeder: ‘Toen hij op school zat, leerde Werner nooit. Hij las nooit de boeken die hij moest lezen. Het leek wel alsof hij nooit wist wat hij moest weten. Maar in feite wist Werner altijd alles. (…) Hij weet, hij ziet, hij begrijpt, maar hij kan niets uitleggen.’ Verder in een zelfanalyse gaat hij niet. Hij heeft een grondige hekel aan psychologie en beschouwt de twintigste eeuw, de eeuw van Freud, als een mislukking.

    Over zijn films schrijft hij daarentegen graag, en over wat het vak van de filmmaker inhoudt heeft hij een duidelijk idee. ‘Het belangrijkste wat ik over film moest weten, leerde ik binnen een goede week uit dertig à veertig bladzijden van een encyclopedie over radio, televisie en film. Ook nu ben ik van mening dat je niet meer kennis nodig hebt,’ stelt de man die zijn eerste filmcamera jatte. Die gestolen camera is een van de talrijke mythes over zijn filmcarrière, en hij geeft grif toe dat ook hij zelf een aardige bijdrage daaraan heeft geleverd.

    Geen hersenspinsels

    Het mythologische interesseert hem in allerlei opzichten. Zo bekeerde hij zich als veertienjarige schooljongen in München tot het katholicisme. De dogma’s van de georganiseerde religie lieten hem koud, maar des te meer zag hij in de legendes en verhalen over heiligen en helden. Toch, waarschuwt hij, moet je het mythische niet verwarren met het abstracte: ‘Mijn films bevatten een aantal terugkerende motieven, die bijna altijd op directe ervaringen in de werkelijkheid teruggaan. Films zijn in de regel niet geschikt voor abstracte hersenspinsels.’

    Uit de werkelijkheid distilleert hij steeds onderwerpen die tot de verbeelding spreken. Denk maar aan zijn operaverfilmingen of films zoals Encounters at the End of the World, waarin hij visionairen en wetenschappers bij elkaar laat komen op de Antarctica. Of aan Cave of Forgotten Dreams, een documentaire over de pas in 1994 ontdekte grot van Chauvet, waar hij als de enige heeft mogen filmen. Waarom juist hij en niet een Franse filmmaker de toestemming kreeg, mag curieus lijken, maar Herzog geeft een plausibel uitleg: de toenmalige Franse minister van cultuur bleek een grote fan van zijn films.

    Zoeken naar problemen

    Het ongeluk volgt hem op de hielen zodra hij aan een project begint, schrijft Herzog haast trots. Doorgaans komt hij terecht in ingewikkelde, zo niet onmogelijke situaties. Om een voorbeeld te noemen: zijn eerste speelfilm Lebenszeichen filmde hij in de jaren zestig in Griekenland tijdens de staatsgreep, met in de hoofdrol een koorddanser die tijdens het filmen zijn been brak. Typerend zijn ook zijn boude uitspraken en grootse beloften, waarvan de bekendste waarschijnlijk zijn weddenschap met Errol Morris is: lukt het deze zijn film af te maken, dan eet Herzog zijn schoen op. Morris maakte de film en Herzog hield zijn belofte, en niet alleen dat: de bevriende filmmaker Les Blank maakte er een documentaire van, Werner Herzog Eats His Shoe.

    Aan anekdoten heeft Herzog geen gebrek. Het plezier spat van het papier af als hij de obstakels beschrijft die hij moest overwinnen bij het maken van een van zijn bekendste speelfilms, Fitzcarraldo. Alleen al de voorbereidingen duurden jaren, en toen hij met zijn crew eenmaal de Peruaanse jungle bereikte, kwamen ze terecht in een grensoorlog tussen Peru en Equador. Daarna waren er ziektes, vliegtuigrampen en vijandelijke aanvallen van inheemse bewoners die vreemdelingen niet gewend waren. In de pers werd gerept over de onherstelbare schade, die Herzog aan de geïsoleerd levende oorspronkelijke bewoners zou hebben berokkend. In het boek weerkaatst hij de kritiek met een sarcastische verwijzing naar de Ray Ban-zonnebrillen en Travolta-T-shirts die hij bij dezelfde Amazon-bewoners tegenkwam.

    En dan was er nog Klaus Kinski, de hoofdrolspeler in Fitzcarraldo en vier andere films van Herzog. Naar zijn zeggen was Kinski een onmogelijke persoon, die om het minste in een woeste razernij kon raken; een onbestuurbare maniak, maar tegelijkertijd ook een man met een magnetische kracht. Fitzcarraldo, het bizarre verhaal over de negentiende-eeuwse rubberbaron die een schip door de jungle liet slepen, paste zowel Kinski als Herzog als een handschoen. In feite delen alle door Herzog bewonderde en soms ook bevriende mannen – altijd mannen; de ‘vrouwen in zijn leven’, zoals hij zijn vier echtgenotes noemt, zitten in één ietwat obligaat aandoend hoofdstuk gepropt – met hem een voorkeur voor het ongetemde en avontuurlijke. Onder andere: Philippe Petit, koorddanser. Bruce Chatwin, schrijver en wereldreiziger. Ryszard Kapuściński, journalist en schrijver, die, zoals later bleek, het niet altijd even nauw nam met de feiten.

    Poëtische waarheid

    Ook Herzog denkt het zijne over een feitelijke weergave van de werkelijkheid. Feiten zijn nodig als achtergrond bij het maken van documentaires, maar een film die zich bij de feiten houdt, is armoedig, want: ‘Ik beschouw waarheid nooit als vaste ster in de horizon, maar altijd als een activiteit, een zoektocht, een poging van een benadering.’ In een interview heeft hij gezegd dat zijn documentaires altijd speelfilms in vermomming zijn. In het boek staat hij uitgebreid stil bij wat hij de ‘extatische waarheid’ noemt: ‘De waarheid moet niet met de feiten overeenstemmen.’

    Hij is beslist niet de eerste die van mening is dat alleen dichters een diepere laag van waarheid zichtbaar maken, en tussen de regels door wordt al snel duidelijk dat hij zichzelf in de eerste plaats tot die dichters rekent. In de biografische documentaire Werner Herzog: Radical Dreamer van Thomas von Steinaecker, die tegelijk met het boek uitkwam, zegt Herzog: ‘Mijn bestaan heeft een betekenis wanneer ik een verhaal vertel dat in ons allemaal leeft, maar nog niet eerder gearticuleerd is.’

    De combinatie van het poëtische en het avontuurlijke is ook eigen aan Ieder voor zich en God tegen allen: het boek eindigt midden in een zin, en wel met een reden die Herzog in het voorwoord uit de doeken doet. Zo’n rare ingreep in de gang van zaken, bekend uit zijn films, is het ‘Herzog-moment’ komen te heten. Als Herzog zulke momenten in zijn herinneringen inbouwt, is hij op zijn best ook als schrijver. De associatieve overgangen en abrupte breuken aan de chronologie van zijn levensloop geven het boek een toegevoegde dimensie, die de lezer wakker houdt. Dan vergeef je hem de andere hoofdstukken, waarin hij eerder lijkt op een verslaggever dan de strijdlustige filmmaker die ook op z’n tachtigste aan vier, vijf nieuwe filmprojecten werkt.

     

    Noot: De documentaire Werner Herzog: Radical Dreamer is te zien op het internationale documentairefestival IDFA in Amsterdam tot en met 18 november 2022.

     

  • Oogst week 39 -2022

    Ieder voor zich en God tegen allen

    Wie ooit de film Fitzcarraldo met Klaus Kinski in de titelrol zag, zal vast nog het beeld voor zich hebben van de doorgedraaide fanaticus die zijn stoomboot de Molly Aida over modderige hellingen van de ene rivier in Peru naar de andere laat slepen. Ook in Aguirre worden we meegesleept in de bizarre gekte van een conquistador in Peru.
    Uit 1974 stamt zijn film Jeder für sich und Gott gegen alle waarin een bijzonder leven centraal staat, dat van Kaspar Hauser, de raadselachtige 16-jarige jongen die op Pinkstermaandag 1828 werd aangetroffen in Neurenberg en de bron van allerlei speculaties werd. Ieder voor zich en God tegen allen is nu ook de titel van de herinneringen van een van de belangrijkste Duitse cineasten, Werner Herzog, die de genoemde titels op zijn naam heeft staan. De in 1942 in München geboren regisseur haalt daarin herinneringen op aan de productie van zijn films, maar ook aan zijn eigen jeugd, zijn tijd in Engeland en Amerika en zijn befaamde wandeltocht van München naar Parijs, die hij beschreef in Over een voettocht door de kou.

    Ieder voor zich en God tegen allen
    Auteur: Werner Herzog
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De man uit de toekomst

    De man uit de toekomst. Het visionaire leven van John von Neumann van Ananyo Bhattacharya is een wetenschapsbiografie over de man die wel eens wordt vergeleken met Einstein maar nooit diens bekendheid kreeg. Von Neumann (1903-1957)was van oorsprong wiskundige die eens het ‘fonkelende intellect’ van de 20ste eeuw werd genoemd. Hij was een van de belangrijkste betrokkenen bij het Manhattan Project dat de atoombom ontwikkelde. Als kind al gaf hij blijk van een fabelachtig geheugen. Ananyo Bhattacharya, die onder andere voor wetenschappelijke bladen als Nature schrijft gaat in deze biografie meer in op de wetenschappelijke verdiensten van Neumann dan op strikt persoonlijke geschiedenissen. Toch vermeldt hij wel wat anekdotische details zoals het gegeven dat hij zo vaak zakte voor zijn rijbewijs dat hij het papiertje pas kreeg door de examinator om te kopen. Ook mét zijn rijbewijs bleef hij een gevaar op de weg.

    De man uit de toekomst
    Auteur: Ananyo Bhattacharya
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Strengel

    Jona Oberski (geboren in 1938) heeft veel gepubliceerd, maar dan als kernfysicus. Buiten de wetenschap is hij vooral bekend door de novelle Kinderjaren uit 1978, waarin de lezer door de ogen van een kind naar de Tweede Wereldoorlog kijkt. Zijn literaire oeuvre is beperkt tot drie romans/novellen. Daaraan wordt nu, vijfentwintig jaar na zijn laatste, een vierde toegevoegd: Strengel. Daarin probeert een man in brieven aan Liz vat te krijgen op de doorwerking van het verleden in zijn heden.
    In de tweede brief aan Liz reageert hij op haar vraag of hij misschien ergens bang voor is: ‘En of. Ik geloof er steeds meer in dat ik al zo lang als ik mij kan herinneren bang was, en ook op enkele uitzonderlijke ogenblikken na, voortdurend. Niet speciaal voor iets, of voor iemand, al herinner ik mij wel aangstaanjagende situaties en personen, maar eigenlijk voor alles en iedereen altijd, alsof het nergens speciaal op sloeg, maar algemener was, dus geen moment zonder angst’.

    Strengel
    Auteur: Jona Oberski
    Uitgeverij: Ambo/Anthos
  • Oogst week 15 – 2022

    Te waar om mooi te zijn

    Wat een prachtige combinatie van titel en omslag: Te waar om mooi  te zijn tegen de achtergrond van één van de bekendste werken van Teun Hocks die de meest bizarre scènes ontwierp voor zijn kunst.  In het boek heeft Frank Westerman veertien verhalen gebundeld die ontstonden naar aanleiding van reizen van hem naar Venetië, naar Auschwitz, naar Spitsbergen enzovoort. Het zijn verhalen over de kunst, de mens en de natuur. In zijn Proloog schrijft hij: ‘Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat – mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek.
    Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren – met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten’. Westerman stemt graag in met wat Antoine de Saint-Exupéry in De kleine prins schrijft: ‘Een kind kijkt niet alleen met zijn ogen. Het weet dat de belangrijkste dingen onzichtbaar zijn.’

    Te waar om mooi te zijn
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    De schaamte

    Sinds Nederland in 2020 enthousiast kennismaakte met De jaren van Annie Ernaux verschijnen in hoog tempo herdrukken van vertalingen van haar werk zoals Meisjesherinneringen (eerder in 2017) en Het voorval (eerder in 2004). Nu is er ook een herdruk van De schaamte dat in 1998 al eerder verscheen, ook toen in de vertaling van Rokus Hofstede. Al haar boeken zijn autobiografieën van een bijzonder soort. Zeer persoonlijke en schokkende verhalen afgezet tegen de tijdgeest waarin ze leefde. De schaamte begint op 15 juni 1952 toen de twaalfjarige Annie er ’s middags getuige van was dat haar vader haar moeder met een mes wilde vermoorden. Sindsdien was er voor haar een leven daarvóór en een leven daarná: ‘Ik schaamde me voor mijn ouders, voor de gescheiden vrouwen om mij heen, voor de dronken klanten in ons café, voor hun platte taalgebruik, voor al die verstarde gebruiken die hoorden bij mijn sociale klasse; meisjes kregen hun eerste permanentje na de communie, jongens droegen voor het eerst een lange broek op de eerste schooldag, trouwen moest je op die en die leeftijd, alles was vastgesteld. In De schaamte wilde ik onderzoeken wat er in mij nog over was van dat meisje van twaalf. De enige manier waarop ik dat kon doen was door als het ware etnoloog van mijzelf te worden. Ik zocht naar wetten, waarden, rituelen en de taal van mijn milieu, mijn school en mijn familie en ik zette de beelden uit mijn herinnering om in woorden, zodat ze een soort documenten werden. Maar niemand kan zich zichzelf echt herinneren. Het meisje van toen lijkt in niets meer op de vrouw die ik nu ben. Ik zou haar niet herkennen als ik haar tegenkwam’.

    De schaamte
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Station Tokio Ueno

    De Japanse Yu Miri (1968) is kind van Koreaanse ouders maar schrijft in het Japans en woont met haar zoontje in het Fukushima van na de ramp in 2011. Ze heeft er een boekwinkeltje en een theater. En ze schrijft zo nietsontziend dat haar eerste roman in 1994 in Japan verboden werd.
    Hoofdpersoon en verteller in haar eerste in het Nederlands vertaalde boek Station Tokio Ueno is  Kazu, een bouwvakker uit Fukushima die gesloopt wordt door zijn werk, zijn gezin zelden ziet en tenslotte leeft in het daklozenkamp Tokio Ueno, vlakbij het station. Het toppunt van vernedering is dat het tentenkamp met zijn bewoners tijdelijk ontruimd wordt als de keizer langs komt voor een museumbezoek. Die tragiek wordt nog eens benadrukt doordat Kazu op dezelfde dag jarig is als keizer Akihito en zijn zoon op dezelfde dag als diens zoon en huidige Japanse keizer Naruhito.
    Kazu werkt bij de aanleg van de voorzieningen voor de Olympische Spelen die de aandacht van de wereld moeten trekken, maar mensen als hij vinden geen plek in die gelikte wereld. Pas langzaam wordt de lezer duidelijk vanuit welk perspectief Kazu zijn verhaal doet.

    Station Tokio Ueno
    Auteur: Yu Miri
    Uitgeverij: De Geus
  • ’k Wens het permenente en evenzeer het efemere te beleven!

    ’k Wens het permenente en evenzeer het efemere te beleven!

    In het werk van Georges Perec spelen hij en zijn lezers een spel met elkaar. Dat heeft alles te maken met de uitgangspunten van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), het gezelschap van wiskundigen en schrijvers dat zich toelegde en nog steeds toelegt – want OuLiPo is springlevend met als huidige voorzitter Hervé Le Tellier die in 2021 de Prix Goncourt won – op taalkundige en literaire experimenten met de lezer aan de andere kant van het speelbord. In het begin van Het leven een gebruiksaanwijzing gebruikt Perec daarvoor de metafoor van de legpuzzel: ‘In weerwil van de schijn is het geen spel dat je in je eentje speelt: iedere beweging die de puzzelaar maakt heeft de maker van de puzzel vóór hem gemaakt’.
    Maar het is nooit een spel om het spel alleen. Wie bereid is zich er echt aan over te geven puzzelt niet alleen maar wordt ook meegetrokken in filosofische en existentiële vragen.

    Vanaf 1967, toen Perec lid werd van OuLiPo, ging hij (samen met vooral Raymond Queneau en Italo Calvino) misschien wel het verst in het schrijven onder zichzelf opgelegde beperkende regels (contraintes). Hij voelde die juist als een enorme vrijheid om via de taal zijn worsteling met zijn verleden vorm te geven, het verleden waarin hij als kind zijn vader en moeder verloor in de oorlog en waarin hij tijdens zijn onderduik zijn Joodse afkomst moest verdonkeremanen.

    Lipogram

    Wie dit verleden van Perec te weinig kent zal misschien zijn twee lipogrammatische (een lipogram is een tekst waarin één of meer letters met opzet niet worden gebruikt) romans afdoen als knappe kunststukjes, of op zijn gunstigst als vindingrijke en creatieve verhalen: La Disparition, waarin de letter E niet wordt gebruikt, en Les Revenentes, waarin de E juist de enige klinker is. Het zijn echter vormkeuzes die de motor zijn voor de inhoud ervan. Verhalen bovendien die in hoge mate autobiografisch zijn. In La Disparition is de eliminatie van de E de gedaante waarin het verhaal wordt verteld van leegte, verlies en uitsluiting, van miskenning van identiteit en Jodenvervolging. La Disparition is de metafoor voor de moord op Perecs moeder in Auschwitz – ‘la Disparition’ was de naam van de verklaring van de Franse staat dat zij werd geacht op 11 februari 1943 te zijn gestorven.
    En op dezelfde manier is Les Revenentes de terugkeer van de E, nu met uitsluiting van alle andere klinkers. Het is de roman waarin tal van toespelingen staan op de moeder- en vaderfiguur (‘mère’ en ‘père’), twee woorden die de E als enige klinker hebben.

    Met de keuze voor een lipogrammatische vorm creëert Perec een geheel nieuw taaluniversum. Dat stelt aan de vertaler van dergelijke romans de eis om, naast een zo getrouw mogelijke weergave van stijl, gelaagdheid en tonaliteit ervan, ook dit universum over te nemen.  Het is dan ook niet vreemd dat in besprekingen van anderstalige versies van de twee romans veel aandacht uitgaat naar de vertaler.

    Thematiek

    Zowel La Disparition als Les Revenentes zijn in het Nederlands vertaald door Guido van de Wiel. In 2009 verscheen van hem ’t Manco (afgelopen maand herdrukt als paperback). De bespreking ervan op Literair Nederland vindt u hier.
    Op de palindroomdatum 22-02-2022 publiceerde hij bovendien zijn vertaling van Les Revenentes onder de titel De wedergekeerden. Dat lukte weinigen. Waar La Disparition in liefst negen andere talen is verschenen (in het Engels zelfs in drie versies) was dat tot voor kort met Les Revenentes slechts in twee talen het geval (Duits en Engels). En nu dus de derde. Je kunt je afvragen of dat iets zegt over de moeilijkheidsgraad van de tekst. Wellicht spreekt de inhoud het publiek minder aan dan die van La Disparition.
    Toch zijn ‘t Manco en De wedergekeerden ook qua thematiek elkaars tegenpolen, zo licht Van de Wiel in zijn voorwoord toe. Hij somt vervolgens tien karakteristieken op die dat illustreren. Ze worden nog eens uitgebreider uiteengezet in twee omvangrijke digitale bestanden waarin hij achtergronden beschrijft en vertaalkeuzes verantwoordt. Deze bestanden kunnen gratis worden gedownload.

    Homofonie

    De wedergekeerden draait om de jacht op juwelen in Exeter, die gepaard gaat met complotten en een gigantische orgie met een opzienbarende rol voor de bisschop. Dat alles verteld met enkel de letter E als klinker. Daarbij veroorloofde Perec – en dus de vertaler – zich enkele inbreuken op zijn zichzelf opgelegde contrainte (iets dat binnen OuLiPo op afspraak geoorloofd is en een clinamen wordt genoemd). Perec neemt bijvoorbeeld vaak zijn toevlucht tot de E bij het gebruik van woorden die een nagenoeg homofone schrijfwijze hebben, hij laat klinkers weg die toch niet worden gehoord of voegt ze juist auditief toe doordat ze impliciet in een medeklinkerklank te horen zijn. Dat is in de Nederlandse vertaling ook toegepast.
    Enkele voorbeelden mogen dat hier verduidelijken, om te beginnen met de titel. Het eigenlijke Franse woord voor teruggekeerden is les revenantes. Het bevat dus een a, maar die gaat vrijwel op in een e-klank. Het Nederlands biedt de vertaler met ‘de wedergekeerden’ juist een perfecte oplossing.

    Q

    Dat is ook het geval met quelques dat door Perec als qelqes wordt gespeld waarvoor we in het Nederlands ‘enkele’ beschikbaar hebben. Op dezelfde manier kan Perec dan weer Evêqe schrijven, waar de Nederlandse vertaler vastloopt met ‘Bisschop’. Het werd bij Van de Wiel ‘Kerkheer’.
    De u kan wegblijven uit ‘sneew’ omdat de klank dan behouden blijft, terwijl de u- klank juist kan worden toegevoegd door de letter q te gebruiken. Perec doet dat in een woord als réQpère en de vertaler in ‘ejeQleerde’
    Veelvuldig wordt in het Nederlands de i een e. Dat gebeurt vooral bij getallen. Het kan moeilijk anders omdat elk getal boven twaalf in het Nederlands een i heeft. Le sept septembre trente-sept wordt dan ‘de zevende september zevenenderteg’. Zelfs waar het er misschien de schijn van heeft dat Van de Wiel zich wel erg veel vrijheid veroorlooft als hij woorden gebruikt als ‘kedneppeng’ voor enlèvement (ontvoering), wijst hij er in zijn verantwoording op dat Perec dat trucje in vergelijkbare vorm toepast als hij seelwettes schrijft in plaats van silhouettes. De vertaler kan hooguit van enig gesmokkel worden beschuldigd als hij klinkerelisie toepast in voorzetsels als ‘op’ en ‘in’.  Maar meer dan een minimaal smetje mag dit niet heten als je zijn enorme totaalprestatie in acht neemt.

    Perec heeft gezegd dat de mooiste zin die hij ooit schreef deze was: Je cherche en même temps l’éternel et l’ephémère. Hij staat in hoofdstuk 13 van Les Revenentes. Van de Wiel vertaalt hem als: ‘’k Wens het permenente en evenzeer het efemere te beleven!’ Perec gebruikte de zin later als motto van hoofdstuk XCIX van Het leven een gebruiksaanwijzing. In de Nederlandse vertaling van die roman werd dat ‘Ik zoek zowel de eeuwigheid als het korte ogenblik’. Dat ging ten koste van de e-formulering. Het is dáárom zo’n prachtige zin omdat hij kernachtig weergeeft hoe gelaagd Perecs taalspellen zijn en hoe onder het vluchtige de diepte van het leven schuilgaat.

     

     

  • De toekomst van een afstand

    De toekomst van een afstand

    Aafke Romeijn schreef 7B als vervolg op haar debuutroman Concept M. Zij is naast haar schrijven bekend als dichter en muzikant, en bracht in 2021 Godzilla uit, een electropop-album dat ingaat op haar leven met depressie. In het nummer ‘South Park’ zingt ze met breekbare stem over de redenen om nog geen zelfmoord te plegen, als een mantra waarmee ze zichzelf overtuigt: ‘Ik kan nog niet weggaan / Er staan nog boeken in mijn kast die ik niet gelezen heb  / Ik kan nog niet weggaan / De planten willen water en mijn stekjes groeien net.’ Ze kan nog niet weggaan: de taakjes stapelen zich op en iedereen zal boos op haar worden. Romeijn publiceerde in 2020 de dichtbundel Leegstand, en recent publiceerde zij een gedicht in De Gids. Kenmerkend aan haar werk is de politieke betrokkenheid die in al haar werk doorklinkt. Haar kritiek op rechtse partijen wordt haar niet altijd in dank afgenomen: in 2021 verwijderde ze haar account van Twitter omdat ze belaagd werd door rechtse internettrollen.

    Epidemie van kleurloosheid

    7B gaat over een fictieve, dystopische wereld die Romeijn in Concept M al zorgvuldig heeft opgebouwd. Het is vernoemd naar een fictief gebouwencomplex dat huisvesting biedt aan militairen die getraumatiseerd zijn door de grondstoffenoorlog in Turkije. In de wereld van 7B heerst er een epidemie van ‘kleurloosheid’, die leidt tot een abnormaal grote vraag naar lithium. Mensen die kleurloos zijn hebben grijs haar en een lichte, doorschijnende huid: ze zijn letterlijk en figuurlijk kwetsbaar in hun bestaan. De vraag naar medicijnen hiervoor zorgt voor een wereldwijd tekort aan lithium, dat heeft geresulteerd in een gewapend conflict. ‘Het is vreemd,’ schrijft Romeijn, ‘dat politiek leiders over de hele wereld blijven vertrouwen op wapens in conflictsituaties. Je zou toch verwachten dat men na eeuwen van langslepende oorlogen in elk geval gaat nadenken over andere strategieën, maar niets is minder waar.’ In deze dystopische wereld leidt machtsongelijkheid, net zoals in de onze, tot geweld en uitsluiting in plaats van solidariteit. 

    Het is het verhaal van Menno, een getraumatiseerde soldaat, en zijn vrouw Hannah, moderator bij Konnekt (een soort Facebook, maar dan beheerd door Europa). Moeder en dochters Yaya en Timsen lijden aan kleurloosheid, en zijn deel van de kwetsbaren. Daarnaast volgen we Kim, een infiltrante van de Europese geheime dienst, wier missie het is om een lek van staatsgeheimen te vinden. Wanneer Kim’s pad dat van Hannah kruist en haar Konnekt-collega Merel, die geheime video’s hebben ontdekt, wordt het pas echt spannend. Romeijn beschrijft de manieren waarop persoonlijke data van individuen wordt doorgespit op zoek naar strafbare informatie, en dit voelt alsof het griezelig dicht bij de waarheid ligt. Jammer is dat het pas op de laatste tachtig pagina’s van 7B spannend wordt, waardoor alles dat daarvoor kwam, voelt als achtergrondinformatie. 

    Grondig onderzoek gedaan

    De lezer voelt dat Romeijn slim en grondig onderzoek heeft gedaan en goed heeft nagedacht over een logisch verloop van hoe de wereld er nu uitziet: de ondergang van de wereld zal geleidelijk en niet abrupt zijn, aldus Romeijn. De scenario’s die zij uittekent,voelen realistisch. Tegelijkertijd bewaart de roman met haar formele, soms algemene taal een forse afstand tot haar personages. Daardoor is het lastig om enige betrokkenheid op te bouwen met de personages. Er vindt weinig  ontwikkeling plaats bij de personages om te kunnen spreken van een einde dat tevreden stelt. Het is voor te stellen dat de afstandelijke manier waarop Romeijn schrijft over haar personages een kenmerk is van de wereld waar wij ons naartoe bewegen, een wereld waar de menselijkheid langzaam maar zeker wegvaagt. Maar ook met dit gegeven in het achterhoofd stelt de leeservaring uiteindelijk teleur. 

    Daarnaast maakt Romeijn veelvuldig gebruik van beeldspraak, terwijl haar taal meer zou overtuigen als ze dit doseert. Op een en dezelfde pagina glijdt de blik van een man eerst ‘heen en weer als een grijparm’, daarna ‘hupt zijn blik als een vogeltje’. Ergens anders voelt alertheid ‘alsof er ergens koekjes gebakken worden’. Dit soort taalversieringen voegen niet veel toe: ze voelen overbodig en leiden af van het verhaal. Romeijn is op haar best als ze schrijft over de kleine gevolgen van politieke spanningen: de persoonlijke, emotionele veranderingen die geweld en angst teweegbrengen. ‘Karakters en principes worden vloeibaar onder de druk van langdurige angst,’ schrijft ze na een terroristische aanslag van een extremistische groepering die verdacht veel doet denken aan hedendaagse ‘wappies’. 

    Doordat het boek traag op gang komt en de lezer zich tot het eind toe door lange stukken theorie moet heen worstelen, worden de veelbelovende en interessante dystopische concepten niet op een bevredigende manier uitgewerkt en zijn de personages niet memorabel genoeg om te beklijven.

     

  • Getuigen van de geschiedenis

    Getuigen van de geschiedenis

    Voor de Oostenrijkse auteur Robert Menasse is de geschiedenis een aaneenschakeling van gestrande pogingen om te vergeten, waarbij getuigen zich door de coulissen van historische gebeurtenissen bewegen. Symbool voor de rozige belofte voor de toekomst is de zonnebril van zijn moeder in het verhaal De Amerikaanse bril, het titelverhaal uit de gelijknamige bundel. Het is een bril met luiken, een sjiek prul waardoor de toekomst als een overbelichte Hollywoodfilm oogt. Deze metafoor wordt vervolgens uitgebreid tot de hele naoorlogse orde en de lege idealen en clichés waarin deze grossiert.

    De vertellers uit de bundel bevinden zich in de schaduw van de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis, als nationalisten zonder thuisland. Ze zien de val van de Berlijnse muur op tv, ze protesteren tegen de moord op Allende of ze bevinden zich simpelweg bij een historisch moment. Meestal staan ze in de marges of zijn ze ten prooi gevallen aan zingevingscrises. De verhalen van vaders voldoen niet langer en het heden vervalt in steeds nieuwe banaliteiten. Zoals een van de vertellers zegt: ‘Symbolen, iconen, maatschappelijke idealen – in het dagelijks leven zijn het alleen clichés.’ Menasse laat zijn personages manoeuvreren langs relatieperikelen, lastige gerechtsdienaren en onbetrouwbare herinneringen, ontworteld en ontgoocheld, steeds begeleid door een flinke dosis filosofie en humor. Want er is genoeg humor te vinden in de vaak absurde voorvallen uit de bundel, die op grillige wijze worden aangestuurd door de speelse hand van Menasse.

    Historische sensatie

    In de meer essay-achtige verhalen volgt ook stevige kritiek op de uitwassen van de globalisering en het nieuwe nationalisme dat Menasse ontwaart. Het politieke aspect is altijd op de achtergrond aanwezig. De rode draad wordt gevormd door de blik van de auteur op de geschiedenis en wat die betekent in de persoonlijke sfeer. Zo komt er bij de vader van de verteller in het verhaal Het begin van de hongerwinter veel los als hij vertelt over zijn ervaringen als onderduiker in de dierentuin van Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het vertellen herinnert de vader zich iets nieuws wat hij nog nooit heeft verteld en zo ziet de zoon hem opeens in een nieuw licht. In alle verhalen is iets van deze historische sensatie aanwezig, als het verleden het heden kruist of nieuwe betekenis opdoet. 

    In het verhaal De Amerikaanse bril haalt Menasse herinneringen op aan de dag van de moord op John F. Kennedy en in het verlengde daarvan aan 9-11. Hij filosofeert over het verschil in de publieke reactie op deze twee gebeurtenissen. In het eerste geval was er oprechte verbinding en rouw, en in het laatste geval was er in zijn herinnering geen ‘overeenstemming van de mensen in een gezamenlijke droefheid, geen spontane solidariteit als uiting van de soort, geen algehele geschoktheid buiten de plaats van het gebeuren.’ Holle frasen domineerden het nieuws en de steeds herhaalde berichten op televisie. De rouw werd in een dwangbuis gestopt van voorgeprogrammeerde reacties, wat ertoe leidt dat Menasse vraagtekens zet bij de consequenties die werden getrokken, zoals de War on Terror die erop volgde.  

    Een stad van decors

    De stad waar voor Menasse alles samenkomt is Wenen, ‘een stad van decors’. In het verhaal Kroniek van de Giradigasse gaat het over hoe deze straat en het bordeel daarin door de jaren heen veranderden. Hij associeert de bewoners van Wenen met toneelspelers en de stad zelf met een theater. De geschiedenis van de Weners is volgens Menasse ‘de ervaring dat ze altijd te veel voor hun potentiefantasieën hebben betaald, omdat ze, als het erop aankwam, toch impotent waren – en desondanks smoezelige daders bleven.’ Het bordeel en de hele straat werden opgeruimd onder invloed van de ‘katholieke klerikaal-fascistische standenstaat’. En zo verdween met de meisjes in de Giradigasse ook een fase in de Oostenrijkse geschiedenis. Het verhaal van het gebouw is voor Menasse het verhaal van de hele stad. ‘Het imperiale bezit geen imperium meer, het barokke geen Phaekendom, de biedermeier geen weeë idylles, de modernen geen moderniseerders.’

    In het verhaal Lang niet gezien komt een oude man voor die bij vergissing in het juridische systeem terechtkomt. Hij loopt op straat met zijn ogen gesloten. Als hij ondervraagd wordt op het bureau blijkt hij niks aan zijn ogen te mankeren. De toenmalige geliefde van de verteller moet onderzoeken of de man recht heeft op een curator. Als zij hem vraagt naar de reden van zijn gedrag, vertelt hij dat hij niet meer kan aanzien wat je allemaal ziet als je met open ogen op straat loopt. Hij sluit zijn ogen voor het heden. Deze querulant symboliseert hoe Menasse over het heden denkt, of zoals de grootvader van een van de vertellers die met de Britten Europa bevrijdde zegt: ‘Was ook geen overwinning. Waarom? Kijk toch om je heen. Nou ja je zult nog wel zien wat ik bedoel.’ 

    Een grotesk misverstand

    Menasse heeft duidelijk een afkeer van de meeste grote verhalen. Daarom zoekt hij in persoonlijke geschiedenissen naar iets wat de tijd kan overstijgen. Iedereen is zowel dader als getuige in zijn wereld, en de moderne tijd is een verschrikking geworden omdat er zoveel als vanzelfsprekend wordt aangenomen en het individu de maat is geworden van alles: ”Ik’ kan zoals bekend eenieder zeggen – maar juist dat is vandaag de dag niets verbindend meer.’ De vaak geestige ironie van zijn hoofdpersonen is een manier om door het moderne landschap te navigeren, een landschap waar Menasse als filosoof maar al te bekend mee is. Hij voert ook Hegel op in de verhalen, er wordt gediscussieerd over Dostojewski en is er een klein bijrolletje voor een boek van Adorno. 

    In het verhaal Anekdoten met doden haalt Menasse een interview met de, eveneens Oostenrijkse, schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) aan, waarin deze gezegd heeft ‘dat wat we leven noemen of zelfs weer-tot-leven brengen in wezen een grotesk misverstand is.’ Vandaar dat hij liever op kerkhoven ging wandelen. Als Menasse later Bernhards favoriete kerkhof gaat bezoeken blijkt het overbevolkt te zijn met toeristen en nieuwsgierige mensen met fototoestellen. De geest van Bernhard waart ook een beetje door Menasses verhalen, dezelfde Bernhard die in deel 1 van zijn memoires opmerkt dat in zijn kostschool in de tijd van het fascisme het portret van Jezus simpelweg vervangen werd door het portret van Hitler. 

    Bij Menasse leven we samen met de doden en de herinneringen en werkt het verleden vaak op wonderlijke wijze door in het heden. Zelfs al is de geschiedenis verdrongen of vergeten ‘dan is ze nog altijd op te maken uit de constellatie van vergissingen’. Wat we leren van de geschiedenis is dat ze vol onverwachte wendingen zit. Als Menasse terugdenkt aan de bril van zijn moeder waardoor ‘je de wereld zag met andere ogen, en ook anders werd bekeken’ denkt hij aan de tijd dat die bril een belofte inhield voor een stralende toekomst. Met heimwee denkt hij terug aan die tijd van onschuld toen hij nog geen kloof ervoer tussen (politieke) idealen en werkelijkheid. In deze fijne, scherpzinnige bundel krijgen we niet alleen een kritische blik op het heden maar ook een nieuwe blik op het verleden, dat ons verdeelt en samenbrengt. 

      

     

  • Een leven met vele verhalen

    Een leven met vele verhalen

    Frederika en haar man Henrik hebben besloten uit elkaar te gaan, en die breuk is op het oog bedrieglijk liefdevol. Van de laatste keer samen de feestdagen vieren tot Henriks gewoonte ’s ochtends haar koffie te maken, zelfs als het hoge woord er al uit is; alles lijkt op het patroon van een gelukkig getrouwd stel. Dat is het uitgangspunt van Riikka Pulkkinens De kinderplaneet, de roman die in 2018 uitkwam en in 2020 in de Nederlandse vertaling van Annemarie Raas verscheen bij De Arbeiderspers.

    Maar onder de rimpelloze oppervlakte die Pulkkinen schetst, roert zich iets. Het ‘we’ en ‘ons’ dat Frederika bezigt, komt voort uit gewoonte: ze vult in wat Henrik voelt en vindt, ze denkt zoals een koppel in plaats van zoals een individu. ‘We voelen ons goed’, ‘(…) we zouden niet blijer kunnen zijn’, ‘We zouden ons net zo goed in het heelal kunnen bevinden, omdat we los zijn van onze eigen tijd of ons besluit uit elkaar te gaan’. Praten, écht praten over de scheiding doen zij en Henrik niet, totdat ze er uiteindelijk niet meer aan ontkomen. Plotseling gebruikt Frederika het defensieve ‘ik’ en ‘hij’. Henrik verwijt haar dat ze gevoelloos is, dat ze mensen – onder wie hij ook valt – veroordeelt tot iets wat zij verzonnen heeft. ‘Je schrijft een script voor dit soort situaties en beeldt je dan in hoe de mensen moeten zijn,’ zegt hij. In de weken erna raken ze elkaar niet meer aan.

    Frederika’s angst

    Pulkkinen is een meester in het vormgeven van een ogenschijnlijk doorsnee setting: een simpel en vredig eettafereel met geurige zelfgemaakte baksels, of de zon die door de kieren van gordijnen valt herbergen na eerste lezing zo veel meer dan alleen die volmaakt lichte buitenkant. Al snel wordt Frederika’s persoonlijke verslag van de beslommeringen die een scheiding met zich meebrengt – de inhoud van kastjes uitzoeken en haar vondsten droogjes benoemen, meubels verdelen, onderling afspraken maken en schema’s in rastervorm uittekenen – onderbroken door een andere verhaallijn, De geschiedenis van de angst. Een alwetende verteller tekent die op. Af en toe lijkt deze nieuwe stem er een sadistisch genoegen in te scheppen om enkele personages aan hun eigen keuzes ten onder te laten gaan. Die personages zijn onderdeel van Frederika’s verleden: drie studentes, die er met de moed der wanhoop voor proberen te zorgen dat een van hen op tijd wordt behandeld voor haar psychische aandoening.

    Wanneer Frederika kort na haar breuk met Henrik verhuist naar een treurige flat vlakbij ‘Psychiatrisch ziekenhuis Hesperia’, dient zich de vraag aan wie ze nog is zonder degene die ze haar man noemde. Óf ze wel een eigen identiteit heeft. Het is het begin van een periode vol onzekerheid, waarin ze worstelt met de ouderschapsregeling die zij en Henrik na veel discussiëren en ruziën hebben getroffen, waarin ze haar peuterdochter in het gareel moet houden, ze zich afvraagt of ze een slechte moeder is en een mogelijk nog slechtere huisvrouw en waarin ze zich ergert aan die irritante buurman en zijn hond. Dat psychiatrische ziekenhuis op de achtergrond is dramatische ironie: je weet dat er iets is met dat ziekenhuis wat Frederika angst inboezemt, iets met gekte in het algemeen wat haar bang maakt. Waarom is ze zo gefixeerd op de instelling?

    Filosofische bespiegelingen

    Pas later begrijp je welke rol Frederika zelf heeft gespeeld in haar verleden en denk je als lezer te begrijpen waarom ze is geworden wie ze nu is. Iemand die kastjes liever gesloten laat dan uitpluist, die zich te veel aantrekt van wat anderen over haar denken en van haar vinden, die graag de regie voert, overal controle over wil hebben. De scheiding is niet alleen die van haar en Henrik, maar ook die van Frederika’s oude en huidige zelf. De versnippering van verhaallijnen, stemmen en metaforen maakt dat je je als lezer afvraagt hoe veel verschillende verhalen er überhaupt te vertellen zijn. En vooral: welk van die verhalen waar is.

    Die constante twijfel vormt het uitgangspunt voor Frederika’s filosofische bespiegelingen over de mogelijkheden van het bestaan, over de rollen die mensen aannemen ondanks of dankzij de gegeven mogelijkheden en tegenslagen, over de wereld die iemand wil achterlaten voor (hypothetische) kinderen. Zo valt op dat Frederika haar dochtertje standaard ‘de kleine’ noemt, alsof elk kind ter wereld in haar plaats zou voldoen. En dat is juist niet het geval, want Frederika is angstaanjagend veel bezig met het moederschap; hoe ze haar kind opvoedt, of ze het wel genoeg waardeert, koestert en verwent. Die afstandelijke bijnaam, ‘de kleine’, impliceert dat het verhaal over elke ouder zou kunnen gaan en dat alle ouders dezelfde tegenslagen en worstelingen kennen, hoe geïsoleerd en uniek ze zich in hun vertwijfeling ook voelen.

    Weergaloos onbetrouwbare verteller

    Daarmee ontstijgt De kinderplaneet het particuliere verhaal van de huwelijksproblemen van Henrik en Frederika, dat haast enkel een vehikel lijkt te zijn, een opstapje naar een onderzoek betreffende de essenties van het bestaan. Tegelijkertijd is het de kern van de vertelling: samen zijn of alleen zijn staan niet lijnrecht tegenover elkaar, maar worden eerder onderzocht als verschillende mogelijkheden binnen de opvattingen van individuen en maatschappij over relaties. Pulkkinen kaart verschillende andere overkoepelende thema’s aan: waar zijn we thuis, wie zijn ons thuis, wat betekent tijd voor de relaties die we onderhouden, is tijd opofferen aan de ander het ultieme offer? Geef je daarmee iets van jezelf weg, en word je ooit weer ‘heel’? Die vragen resoneren in Frederika’s reflecties. Haar angsten strekken zich uit over alle facetten van het leven en komen in elke periode van haar leven terug.

    Dat is ook meteen de paradox van haar bestaan: er is zo veel om bang voor te zijn dat ze het net zo goed niet zou kunnen zijn. Maar helpt dat besef haar, laat ze haar angsten los? Er is geen catharsis in de strikte zin van het woord. Als lezer blijf je je afvragen wat Frederika verzonnen heeft en wat er echt zo is gebeurd als je het krijgt voorgeschoteld. Ze is een weergaloos onbetrouwbare verteller. Meermaals denk je: hoe kan het dat ik zo ontzettend veel weet over de beweegredenen van dit personage, deze verteller, en haar tegelijkertijd zo slecht ken? Misschien is het antwoord daarop: omdat je ook over jezelf leest, en over ieder ander. In De kinderplaneet wordt de wereld nietsontziend geanalyseerd, soms op hoopvolle, soms op pessimistische toon, maar wordt ook een rigide zelfonderzoek voltrokken.