• Oogst week 46 – 2024

    Oogst week 46 – 2024

    Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken

    Delphine Horvilleur verschijnt regelmatig in de Franse media waar ze tekst en uitleg geeft over allerlei Joodse kwesties. Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken is als een schijnsel in de nacht voor al diegenen die weigeren zich te laten ontmenselijken door haat. Het leven van de Franse vrouwelijke rabbijn en feministe stortte in na het bloedbad dat Hamas in Israël aanrichtte op 7 oktober 2023. In verdoofde toestand schreef zij deze verhandeling die haar bij wijze van zelfanalyse terugbrengt naar de fundamenten van het bestaan. De tekst bestaat uit tien gesprekken – sommige waarachtig, sommige denkbeeldig: over haar pijn, haar grootouders, de Joodse paranoia, antiracisten, haar kinderen, Israël en de Messias.

    De Franse versie verscheen onder de titel Comment ça va pas? In deze Nederlandse uitgave is ook de preek opgenomen waarin Horvillleur, kort voor die zevende oktober, vanuit de traditionele Joodse wijsheid kritiek uitoefende op het beleid van de Israëlische overheid jegens de Palestijnen.

     

    Overleven na 7 oktober / Tien gesprekken
    Auteur: Delphine Horvilleur
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Als de zon valt

    Als de zon valt is een romance, een coming-of-ageverhaal over queer liefde en vriendschap. Het verhaal speelt zich af in 2016 op een middelbare school in Utrecht. Nederlandse Alex en Turkse Omar worden verliefd, terwijl hun omgeving niet in de gaten heeft wat voor intieme vriendschap tussen de jongens ontstaat. Vanuit wisselende perspectieven ontdekken de jongens zichzelf en elkaar. Een intiem portret over gedeelde onzekerheid en identiteit, over verbergen, verdoven en zoeken naar geluk.

    Als de zon valt is het debuut van Stijn de Vries (1998, Almelo) die ook fotograaf, presentator, journalist en schrijver is. In 2021 rondde hij de BNNVARA Academy af. Vóór Spuiten en slikken maakte hij de series Jong Geleerd, Nooit Gedaan (2021) en Mooi, Man (2022). Met Duncan Tromp maakt hij de podcast Relnichten, hij interviewt voor Jongstof en schrijft voor VogueLINDA. en LINDA.meiden.

     

    Als de zon valt
    Auteur: Stijn de Vries
    Uitgeverij: Lebowski

    De goddelijke comedyclub

    De goddelijke comedyclub, Weijts’ achtste boek, is een zoektocht naar een vader aan de hand van jeugdherinneringen tijdens de jaren tachtig. Protagonist is Felix Kajuit, een succesvol ‘stand-up-archeoloog’ en radiocolumnist. Tijdens de lockdown in de coronapandemie komt hij terecht in een clandestiene comedyclub waar hij wordt omringd door artistieke paria’s en complotdenkers. In zijn herinneringen gaat hij onder andere terug naar het circus dat naar zijn dorp kwam en de bouw van een nieuwe woonwijk. Daarnaast analyseert hij de moeizame relatie met zijn ouderwetsdenkende vader.

    Christiaan Weijts (1976) is een Nederlandse schrijver en columnist, die diverse prijzen en nominaties in de wacht sleepte voor zijn literaire werken.

     

    De goddelijke comedyclub
    Auteur: Christiaan Weijts
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Zware thematiek in een monument van licht

    Zware thematiek in een monument van licht

    Als van lucht is het levensverhaal van de met borstkanker gediagnosticeerde ex-balletdanseres Ada d’Adamo, geschreven aan haar zwaar gehandicapte dochter Daria. Kort na het uitkomen van de roman in 2023 overleed d’Adamo aan de gevolgen van borstkanker. De koude constatering van de ziekte vormt de proloog van de roman: ‘Invasief carcinoom. Rechterborst, bovenkwadrant. Botmetastase in th6.’ Je wordt meteen bij de lurven gegrepen en in de hoofdstukken erna, komt daar de diagnose van het HPE-syndroom van de pasgeboren dochter Daria nog bij. Het HPE-syndroom, ofwel holoprosencephalie, is een aangeboren hersenafwijking en Daria heeft de meest ernstige vorm. Ze is slechtziend, kan niet praten of bewegen en heeft epileptische aanvallen. Niet bepaald lichte kost, toch is ‘lichtheid’ wel degelijk wat deze roman kenmerkt.

    Zwaartekracht en inlijving

    Het boek is opgebouwd uit dertig hoofdstukken, een proloog, acht observaties van kinderen en twee korte verkenningen van de begrippen zwaartekracht en inlijving. Twee belangrijke termen in de studie van de dans, maar ook centrale begrippen in de relatie tussen moeder en dochter. Het openingscitaat is van de experimentele danser en choreograaf Steve Paxton: ‘Birth is not so much a beginning as it is an abrupt change in which suddenly there are different factors than those in the womb, and there is gravity.’ De zwaartekracht, een vanzelfsprekend thema voor d’Adamo — hoe vaak zweefde zij als danseres niet door de lucht om daarna weer terug op het podium te belanden —, maar een immer blijvend mysterie voor Daria, die vastgekluisterd zit aan haar rolstoel. Zwaar is de handicap, maar lichtheid wenst d’Adamo haar dochter toe: ‘Je bent Daria, je zult D’aria (come d’aria red.) zijn, van lucht.’ 

    Waar Ada in het begin van de roman de beperkingen van haar ziekte, zoals het ijzeren korset dat ze moet dragen, als een fysiek obstakel ervaart tussen haar lichaam en dat van haar dochter, komt daar aan het einde van het boek een andere ervaring voor in de plaats, namelijk die van de inlijving. ‘Zo blijf ik me verder en verder met jou vereenzelvigen. Mijn lichaam ervaart, zij het in mindere mate, de beperkingen van het jouwe. Eerst kende ik ze, voelde ik ze, betastte ik ze via jou; toen begon ik ze geleidelijk in te lijven. (…) Ik ben Ada. Ik word D’aria… Van lucht…’ Waar de lichamen door de geboorte, via de zwaartekracht werden gescheiden, komen ze nu via de inlijving weer tot elkaar. 

    Antiabortuswetgeving

    Had d’Adamo destijds de keuze gehad, dan had ze ‘abortus op medisch indicatie gekozen’, zo schrijft ze in februari 2008 in een ingezonden stuk in La Repubblica. ‘Ik schreef dat ik graag had kunnen kiezen. En een dergelijke, niet theoretische, maar uitgesproken stelling in bijzijn van een levend, florerend kind klonk sommigen onverdraaglijk in de oren.’ De abortuswetgeving is sinds 2008 onder de rechtse regering van Meloni alleen maar verder onder druk komen te staan, met als nieuw dieptepunt een voorstel om antiabortusactivisten toe te laten in abortusklinieken. Als van lucht kan gelezen worden als een aanklacht tegen die beweging: ‘Wie kan besluiten of een leven de moeite waard is om geleefd te worden?’ Als lezer word je geconfronteerd met het lijden van Daria, de epilepsieaanvallen als ze nog een baby is, het lijden van Ada, die door haar eigen ziekte geconfronteerd wordt met een nieuwe angst. Wie zorgt er voor Daria als Ada er niet meer is? D’Adamo werpt deze zware vraagstukken op, zonder pathos, droog bijna, in korte hoofdstukken waar geen woord te veel in staat.

    Rauwe realiteit

    Dat deze roman vooral lichtheid verschaft, komt door de korte dagboekachtige observaties van kinderen die met Daria in contact komen. Daria is een bron van verbeelding en licht voor hen: ‘Dialoog aan zee tussen je papa en Viola van vijf. Viola: “Ze kan niet zien, hè?” Papa: “Nee.” Viola: “Maar praat ze wel?” Papa: “Nee.” Viola: “Kan ze lopen?” Papa: “Nee.” Viola: “Maar dan is ze betoverd!”’

    De rauwe realiteit van het aardse leven wordt prachtig afgewisseld met de dromerige fantasiewereld van kinderen. De nuchtere schrijfstijl in combinatie met de poëtische observaties zorgen ervoor dat deze roman, die bolstaat van de heftige emoties, nergens melodramatisch of sentimenteel wordt. Als van lucht in de soepel leesbare vertaling van Jan van der Haar is een prachtig monument van licht, tegen de achtergrond van een loodzware thematiek. Het boek werd bekroond met de Premio Strega 2023, de belangrijkste literaire prijs van Italië.

     

     

  • Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Ruim een half jaar voor de Russische inval in Oekraïne namen schrijver Jonathan Littell en Antoine d’Agata in Kiev de metro naar Babi Jar, de plek waar in de Tweede Wereldoorlog rond de honderdduizend slachtoffers door de nazi’s zijn vermoord. Zij deden onderzoek voor een boek, geïllustreerd met zwart-wit foto’s. Als de Russen  Oekraïne binnenvallen is het manuscript af, maar door de gruwelijke werkelijkheid achterhaald. Littell begint opnieuw, vanuit ‘een heel ander perspectief’. Het vorig jaar verschenen boek is onlangs uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek, die meerdere boeken van Littell heeft vertaald.
    Jonathan Littell schreef eerder een boek over de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa. De roman Les Bienveillantes (De Welwillenden) (2008) kreeg onder meer de Prix Goncourt. Een ongemakkelijke plek is geen roman, maar een duizelingwekkend boek samengesteld uit 222 genummerde, caleidoscopische prozateksten en zo’n tachtig indrukwekkende zwart-wit foto’s.

    Plattegrond van slachtingen

    Jonathan Littell ging met fotograaf Antoine d’Agata op zoek naar de overblijfselen van Babi Jar. Kort na het bloedbad in september 1941, toen in twee dagen tijd meer dan 33.000 joden werden gefusilleerd, lieten de nazi’s de lijken met zand bedekken door Sovjet gevangenen. In het boek staat een foto die er indertijd van is gemaakt. En twee jaar later, vlak voor de komst van het Rode Leger, werden gevangenen uit het nabijgelegen concentratiekamp Syrets gedwongen de overblijfselen van de slachtoffers op te graven en te verbranden. ‘De Sovjetmacht zette het karwei voort en bracht het tot een einde. In 1950 besloot een commissie tot een volledige nivellering van Babi Jar.’ Daarna ging het dichtgooien van de ravijnen door. ‘De herinnering aan Babi Jar ligt ondergronds, net als de resten van de lichamen.’

    Littell somt een lijst van monumenten op die tegenwoordig op de plek van Babi Yar staan. Daterend van 1976 tot 2022, daarna is de bouw van nieuwe monumenten stilgelegd door de inval van Rusland. ‘Een warboel van monumenten’, noemt Littell het. ‘De herinnering aan Babi Jar (blijkt) volledig gefragmenteerd, als een caleidoscoop waarin iedereen zijn of haar eigen doden waarneemt.’ Littell beschrijft hoe ze door de omgeving wandelen, ze bezoeken de pope van een kerk, ontmoeten wat pubers in een bos en bezoeken een psychiatrisch ziekenhuis met bijbehorend mortuarium en kerk. De teksten vormen geen doorlopend verhaal, maar springen heen en weer.
    Littell en D’Agata bezoeken Boetsja aan de hand van een plattegrond van de slachtingen uit de New York Times van 11 april 2022. Het resultaat is zo’n vijftig pagina’s van hun eigen onderzoek op die plekken, gesprekken van ooggetuigen als een soort ‘evidence-based journalism’ of ‘oral history’. De gruwelijke verhalen zijn per huisnummer in de Vokzalna- en Iabloenskastraat opgeschreven. De slachtoffers zijn maar een deel van de ruim 600 vermoorde inwoners. Het verschil tussen Babi Jar en Boetsja is volgens Littell dat in Boetsja ‘de hele stad was getransformeerd tot lijkenhuis.’

    Systeem van strategisch geweld

    Na Boetsja ‘zoomen ze uit’ en bezoeken het dorpje Motyzjyn, waar dominee Oleh Bondarenko de leiding had over een centrum voor alcohol- en drugsverslaafden. Hij werd gemarteld door Russische troepen omdat ze door een misverstand bij de Russische militaire inlichtingendienst dachten dat hij wist waar Oekraïense commando’s zich verborgen hielden. Een actie die  deel uitmaakt van het systeem van strategisch geweld om tegenstanders uit te schakelen. De Russische soldaten kregen opdracht ‘niemand gevangen te nemen maar ze meteen neer te schieten’ en ‘het maakt niet uit of het burgers zijn of niet, schiet iedereen dood.’ Het geweld door de Russen in de bevrijde Oekraïense steden was volgens Littell gebaseerd op deze logica.

    De inwoners van Boetsja geven de schuld van deze wreedheden aan de Boerjaten, een berooide Siberische bevolkingsgroepen die zijn gerekruteerd voor de brigade in de Kiev regio en uit klassenrancune hun woede zouden uiten. Een Russische soldaat vertelt aan zijn moeder in een telefoongesprek: ‘Niet te geloven! Ze hebben hier warm water, wc-potten van porselein.’
    Op een muur in de buurt van Kiev staat een Russische grafitto: ‘Wie heeft jullie toestemming gegeven het er zo goed van te nemen?’ Duizenden computers, televisies, fietsen en huishoudelijke apparaten werden in vrachtwagens van het leger getransporteerd naar Belarus en vervolgens naar Rusland. Bij de plunderingen en andere wreedheden wordt Littell bevangen door een ‘een zwart gat in zijn denken’, maar ook weet hij, ‘het zijn normale mensen die dit hebben gedaan.’ Om te kunnen bevatten wat er is gebeurd, leest en citeert hij John Steinbeck en Paul Celan die over de Tweede Wereldoorlog schreven.

    In het fragment ‘Geschiedenisles’ laat Littell zien dat eind 19e eeuw iedere Oekraïenstalige publicatie in het Russische rijk al was verboden. En Poetin hield drie dagen voor de inval een tv-toespraak waarin hij beweerde: ‘Oekraïne is niet gewoon een aangrenzend land, het is een onvervreemdbaar deel van onze eigen geschiedenis, cultuur en spirituele ruimte.’ Ook noemde hij ‘denazificering’ als doel van zijn ‘speciale operatie’. Littell haalt hier de woorden aan van historicus Timothy Snyder: ‘In het denken van Poetin  en zijn regime is een nazi een Oekraïener die weigert toe te geven dat hij een Rus is.’

    Tweede Wereldoorlog en de huidige oorlog

    Bij ‘Nr 134’ staat weer een korte tekst:’We waren nog niet klaar met Babi Jar, we moesten opnieuw. Niet alles kan in één dag.’ In 2002 was Littell hier al geweest voor een ander boek en hij ontmoette Roevin Sjteyn, een overlevende van Babi Jar. Sjteyn is intussen overleden, maar zijn verhaal is te zien in een film in het Spielberg Project van de Shoah Foundation. Als vijftienjarige wist hij te ontsnappen aan zijn groep door een buis in te glippen die onder de weg doorgaat. Door dat verhaal komen Littell en D’Agata terecht bij een restant van een Joodse begraafplaats en Mortuarium nr 1, de hoofdvestiging voor gerechtelijke-geneeskundige expertise van de stad Kiev. Na de inval van Rusland zat de kelder vol mensen met langs de muren opgestapelde lijken. Na een lijkenruil met Rusland kwamen er 120 lijken binnen van de Azovstalfabriek die geïdentificeerd moesten worden. Hier lopen de verhalen van de Tweede wereldoorlog en de huidige weer door elkaar.

    In de laatste prozastukken veel verhalen over bijvoorbeeld Russisch en Oekraïens antisemitisme. Over de OOeN (Organisatie van Oekraïense Nationalisten), een ‘racistische, antisemitische en weldra fascistoïde groep’ schrijft Littel. De OOeN wilde weliswaar een onafhankelijk Oekraïne, maar voerden pogroms uit tegen de Joden waarbij zo’n twintigduizend slachtoffers vielen. Verhalen over Olena Teliha, een bekende dichteres die een vurig bewonderaar van Mussolini en Hitler was, over een andere nationalistengroep, de Oekrajinska Povstanska Armia (OePA) die in Volhynië tussen de veertig- en zestigduizend Polen heeft vermoord en in Galicië nog eens vijfentwintigduizend. Over Stepan Bandera, één van de leiders van de OePA (Oekraïense Opstandelingenleger 1942-1956), wordt in Oekraïne nog steeds een cultus gewijd. Veel Oekraïeners kennen de geschiedenis van Bandera en zijn organisatie slecht. Littell ontmoette voormalig ultra-nationalist Dmytro Reznitsjenko voor de Russische inval. Reznitsjenko vertelt over zijn bizarre ervaringen vanaf de Oranje revolutie (2004) met nationalistische groeperingen, maar heeft uiteindelijk ‘de progressieve waarden erkend’.

    Littell sprak ook met een priester van een buurtkerk die hem vertelde dat het zelfmoordcijfer in de wijk het hoogste in de stad is. Hij denkt dat het komt doordat de tragedie van Babi Jar niet is verwerkt. ‘We dachten niet dat er een oorlog zou komen… de landen van de Sovjet-Unie zijn niet door een fase van berouw gegaan. En dus moest het vroeg of laat tot een uitbarsting komen.’ Op het laatst geeft Littell aan de hand van wandelingen in de omgeving een beeld van het ravijnengebied van Babi Jar en schrijft als een variant op een de werken van Heraclites, over de betonnen afvoerbuizen die door de gemeente zijn geplaatst om het water onder controle te houden: ‘De afvoerbuizen bestaan nog steeds, de beek van Babi Jar stroomt nog steeds: het is nooit hetzelfde water , maar nog altijd dezelfde beek’.

  • Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Het toevallige en achteloze van een bestaan

    Kees van Domselaar (1954) publiceerde onlangs zijn vierde bundel, Fabrieksinstellingen. Eerder verschenen van hem Postfris (2005), Een vrouw op het Zuiden (2009) en De stille fanfare (2019). Domselaar groeide op in Zeist en woont er nog steeds. Het deftige dorp en de omgeving vormen het landschap van zijn ziel. Het motto van Fabrieksinstellingen is een citaat uit het werk van J.C. Bloem: ‘Ten einde is dit wellicht nog ’t meest: / te kunnen zeggen: het is even / tussen twee stilten luid geweest.’ Waarbij de afbeelding op de voorkant van de bundel – van een geluidsfrequentie, door Steven van der Gaauw – beginnend en eindigend met nul, mooi aansluit.

    Van Domselaar staat als dichter in de klassieke traditie van Bloem en Nijhoff en zijn werk doet denken aan dat van Herzberg en Kopland. Hij schrijft geen ingewikkelde, abstracte gedichten, maar neemt concrete gebeurtenissen en herinneringen, voorwerpen en plaatsen en mensen als uitgangspunt. Zijn werk wordt gekenmerkt door een besef dat alles vergankelijk en niets blijvend is. IJdelheid der ijdelheden, zou de Prediker zeggen. En de dood blijkt nooit ver weg, zoals in een gedicht uit zijn eerste bundel Postfris. Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt / die de dag breekt en de hoop een slappe hand is / en het luistert niet meer nauw’.

    Spel en werkelijkheid

    Wat in zijn leven tot voor enkele jaren terug een spel was, over alles wat een mens kon overkomen of werd waargenomen bij familieleden of vrienden, is in de nieuwe bundel Fabrieksinstellingen realiteit voor de dichter geworden. En is ‘Luistert niet meer nauw’ – ‘niets luistert meer’ geworden. In het voorjaar van 2023 werd Van Domselaar ernstig ziek en dicht hierover. ‘Hoe het geheel / buiten je om gebeurt / wat je lichaam bekokstooft’. In deze situatie maakte de dichter haast met het schrijven van de bundel die hij onder handen had. Deze gedichten zijn, om het zo maar eens te zeggen – positieve bijwerkingen, een zegen – van de ziekte. Vandaar de titel ‘Bijwerkingen’ van de eerste sectie gedichten in deze bundel. In zijn gedichten kan de dichter overleven. ‘voortvluchtig als we zijn waren we vergeten / waar we woonden / behalve dan / in het gedicht’.

    In het eerste gedicht maakt de dichter meteen duidelijk waar de bundel over gaat en staat de titel al genoemd. Een man ‘van top tot teen met tijd besmet’ die de ‘voortgang van zijn dagen uitziekt’ staat voor het raam. Hij ziet zichzelf weerkaatst en maakt de balans op van zijn bestaan. De laatste strofe: ‘Verlaat mij niet, zei hij, staande / voor zijn spiegel en keek zijn profiel / voor altijd aan, terug, zei hij, zie hier dan / de fabrieksinstellingen van mijn bestaan.’

    Fabrieksinstellingen is een woord uit een gebruiksaanwijzing. Als een apparaat het niet meer doet, bestaat de optie om het via die instellingen te resetten. De zieke man in Van Domselaars gedichten probeert uit noodzaak zijn leven in fabrieksinstellingen te plaatsen, een romantisch terug naar het begin. Wat voor een apparaat mogelijk is, is dat voor een mens niet, maar wel voor een dichter. Ieder gedicht is een nieuw begin waarin het leven een nieuwe vorm krijgt. Ieder gedicht is een terugkeer naar hoe het begon en wat van betekenis was, naar de kern. Wat voor de dichter de kern is, blijkt uit zijn gedichten. Die gaan over zijn geliefden, zijn ouders, zijn (kinds)kinderen, zijn vrienden, de muziek die hij luisterde, de poëzie die hij las, de omgeving van het dorp Zeist waar hij opgroeide en de taaltraditie waarin hij werd opgevoed. Die van de Statenvertaling, van Johannes de Heer en van de psalmen, die hem beelden verstrekte voor wat hij dacht, voelde en beleefde. Hij kan en wil die taal niet verloochenen in zijn gedichten al spot hij er anderzijds ook volop mee. Die christelijke taaltraditie is voor hem een rijk bezit zoals blijkt in ‘Hoog Beek en Royen’, dat sterke herinnert aan het werk van Rutger Kopland.

    ‘Al wandelend onder de oude bomen
    van het landgoed Hoog Beek en Royen
    bespraken we de eeuwige gang van zaken
    terwijl er iets ruischte langs de wolken

    we droegen rugzakjes met oude verhalen
    verzamelden restjes van een bezield verband
    hoorden in de verte een orgel vol hele noten
    en zongen balorig een lied van genade’
    (…)

    Relativering van een dichter

    De bundel bevat enkele gedichten over zijn familie, zijn ouders, zijn vrouw en (kinds)kinderen. Het gedicht ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige spreekt over het toevallige en achteloze van het bestaan van een mens. ‘Bij toeval verwekt in het eenmalige / en volop deelgenomen aan de tijd / angst, plezier, verdriet, geluk en woede / en lang geleden liefde, die hem spijt’. Van Domselaar spot ook met zijn familie. Zijn moeder waarschuwde hem ooit dat hij zichzelf nog wel eens tegen zou komen als hij zo door zou gaan. Hij schrijft hierover, ‘Je komt jezelf / nog weleens tegen / zei mijn moeder / lang geleden / in een boze bui // vandaag was het zover.’ De vader komt in de bundel voor als de man die aan tafel bidt in een gedicht waarin de leraar in Van Domselaar om de hoek komt kijken en hij de verleden tijd ‘geschiedde’ en de aanvoegende wijs ‘geschiede’ naast elkaar gebruikt.

    ‘Uw wil geschiede
    gelijk in de hemel
    alzoo ook op de aarde

    ik was een kind
    aan tafel en wist niet
    wat het betekende

    maar zo mooi klonk het
    uit de mond van mijn vader
    dag in, dag uit, na het eten

    voorbij en leeg geworden
    die oude woorden
    Uw wil geschiedde.

    Hoe urgent zijn levenssituatie tijdens het schrijven van deze gedichten ook was, Van Domselaar kan ook dan nog relativeren. ‘Nooit is er zekerheid / wat er precies gebeurt / zelden sterft een mens / tijdens zijn diagnose’.

    Ontroering en vertedering

    In de tweede sectie gedichten, ‘Twaalf intieme gesprekken uit de nalatenschap van Jeroen Dageraath’, is Van Domselaar ronduit geestig. Jeroen Dageraath is een pseudoniem van de dichter uit vroeger tijden. De gedichten gaan over een merel-echtpaartje dat op een tak zit. De vrouwtjesmerel is nuchter en praktisch, het mannetje doet allerlei quasifilosofische uitspraken die door het vrouwtje gerelativeerd worden. De lol die de dichter bij het schrijven ervan moet hebben gehad, spat ervan af. Ontroering en vertedering vechten om voorrang. ‘Heb je wel gehoord / vroeg de merel aan zijn vrouw / hoe mooi ik gisteravond floot? // ach lieverd, zei zijn vrouw / het geeft niet / maar juist als je fluit / hoor ik / dat je ouder wordt.’

    De bundel sluit af met een serie luchthartige gedichten met grote levensthema’s geformuleerd in een heldere en directe taal. Zijn vakmanschap bewaart de gedichten voor al te oppervlakkige sentimentaliteit. In zijn werk breekt ook af en toe een glimp van hoop door, naast het ‘basso continuo’ van de dood.

    ‘We moesten maar niet denken
    aan de dood
    dat kon altijd nog

    we moesten maar denken
    aan groeien en bloeien
    en aan de kleinkinderen
    en aan al het leven
    dat nog kwam

    aan al die foto’s
    en filmpjes
    die nog moesten.’

    In Fabrieksinstellingen toont Domselaar zich, in de woorden van de dichter K. Michel, ‘Naakt als de stenen’.

  • Oogst week 36 – 2024

    In den vreemde – Kronieken

    Frida Vogels (1930) is bekend geworden met het driedelige De harde kern (1992) en vooral door het tweede deel waarvoor ze in 1994 de Libris Literatuur Prijs ontving. Tussen 2005 en 2014 zijn elf delen van haar dagboeken gepubliceerd, over de jaren 1954-1978. Vogels schreef meerdere boeken, en vertaalde uit het Italiaans. Haar onderwerp is haar eigen leven, altijd in relatie tot familieleden en vrienden die dan ook uitgebreid beschreven worden, soms als hoofdpersoon. Zichzelf en anderen doorgronden is wat haar drijft, en verantwoording afleggen – aan de onbekende lezer. Ze wil kennen en gekend worden.

    In de proloog van In den vreemde schrijft ze: ‘Ik schrijf woorden op het papier. De lezer zit op mijn schouder en leest mee. (…) Hij heeft me door. Dat is trouwens precies wat ik verlang. Ik stel me voor dat hij me ongenadig zal ontmaskeren, (…) dat ik woorden op papier schrijf is geen gekkenwerk; ik heb me te verantwoorden.’ Het is een veel directere stijl dan de meer omfloerste van haar vroegere boeken. In den vreemde beslaat haar jeugd in Bloemendaal en Laren, de oorlog, haar studietijd in Parijs en Milaan, haar huwelijk met de Italiaanse Ennio, haar leven in Bologna en de jaarlijkse gang van enkele maanden naar Amsterdam om er te schrijven.

    ‘Pappa en mammie hielden een Levensboek bij,’ zo begint ze, ‘over mijn eerste levensjaren en dat boek heb ik pas nu, nu ik tweeënnegentig ben, voor het eerst in handen gekregen. Dat ik ooit die bedrijvige, zorgzame kleine Frida ben geweest waar zij twee toen over schreven, “al zo echt een vrouwtje” zoals pappa tevreden constateerde, kan ik nauwelijks geloven, maar zo is het dus geweest.’

     

    In den vreemde - Kronieken
    Auteur: Frida Vogels
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Boven aarde, beneden hemel

    Kodokushi is een Japans woord voor mensen wier eenzame overlijden voor langere tijd door niemand wordt opgemerkt. Gespecialiseerde schoonmaakdiensten halen de lijken weg en maken de woning schoon. In Boven aarde, beneden hemel van de Oostenrijkse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980, Japanse moeder, Oostenrijkse vader) is Suzu nieuw in het werk, waarvoor behalve eerbied en zorg vooral geduld en een sterke maag vereist zijn. In steden met een toenemend aantal mensen en een kleiner en duurder aanbod van woningen groeien de problemen. Mensen zijn afstandelijk, de grens tussen desinteresse en discretie vervaagt, kodokushi komen vaker voor. Suzu, die thuis haar eenzaamheid deelt met een goudhamster, vindt het moeilijk om met mensen om te gaan, inclusief haar eenzelvige collega die net als zij een gebruiksaanwijzing heeft. Toch leert ze in haar werk iedereen snel kennen. Ook de doden, waarvoor ze groot respect toont. Door hen en hun voorbije leven ontdekt ze de waarde van omkijken naar een ander mens. Ook de kleurrijke collega’s van de schoonmaakdienst helpen Suzu zich te ontwikkelen tot iemand die het belang van contact met andere mensen leert kennen en waarderen.

    Net als in Flašars Een bijna volmaakte vriendschap (2015), waarin een jongeman, een hikikomori, twee jaar het huis van zijn ouders niet uit is geweest, zijn de hoofdpersonages sociaal onhandige, geïsoleerde individuen. Langzaamaan laten ze anderen toe, durven ze toenadering te zoeken en de verbinding met een ander mens aan te gaan.
    Ondanks de zwaarte van de onderwerpen weet Milena Michiko Flašar haar verhalen op droogkomische toon lichtvoetig te vertellen.

     

    Boven aarde, beneden hemel
    Auteur: Milena Michiko Flašar
    Uitgeverij: Cossee 2024

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog

    Bioloog Arjen Mulder leerde met bomen communiceren en schreef erover in De vriendschap met bomen. Eerder al schreef hij Vanuit de plant gezien (2019) waarin hij zich in planten verplaatste. Voor meer bomenkennis volgde hij een cursus bij fysisch geograaf en boomdruïde Maja Kooistra die in veel werelddelen onderzoek naar bomen deed. Mulder had al ontdekt dat hij met bomen kon communiceren. In De vriendschap met bomen legt hij uit dat bomen onder- en bovengrondse netwerken hebben waarmee ze met elkaar communiceren en ook met dieren en mensen. Bomen kunnen een stemming oproepen, of actief de menselijke somberheid doen verdwijnen en op vragen reageren, schrijft Mulder. Maar of het allemaal echt zo is weet hij niet. Wel heeft hij ontdekt dat je deze wereld alleen kunt kennen via gevoel, intuïtie en zelfkennis. Als je met bomen wilt communiceren moet je de aannames van het psychologisch model loslaten.

    In het radioprogramma Vroege vogels vertelt hij over zijn ervaringen. Hij merkte dat bomen op hem reageren. Of een boom werkelijk zijn onbewuste kan lezen weet hij niet. ‘Ik heb geen flauw idee. (…) Misschien klopt het idee van hoe wij in elkaar zitten wel niet en kunnen wij met ons lichaam veel meer registreren zonder dat we er erg in hebben, maar leren we onszelf om dat niet te doen.’ In het begin nam hij de beslissing om geen verklaringen te zoeken maar het gewoon mee te maken. Hij ontdekte dat er meer mensen waren met dezelfde ervaring. ‘Toen wist ik zeker dat ik niet gek aan het worden was.’

     

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog
    Auteur: Arjen Mulder
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2024
  • Iedereen en niemand in het bijzonder

    Iedereen en niemand in het bijzonder

    Het poëziedebuut van Maaike de Wolf De dansvloer is van iedereen,  leest als een ensemblefilm; een mozaïekverhaal samengesteld uit meerdere kleine verhalen. Denk aan Love Actually, Alles is liefde, The Family Stone, Notting Hill. En dan vooral die scène waar Hugh Grant met zijn ziel onder de arm door vier seizoenen loopt. In dit geval is het geen man, maar een jonge vrouw in een grote stad, en wie ze daar zoal tegenkomt. Voor liefhebbers van dit soort vertellingen is het een genoegen om te lezen, om mee te dwalen door die stad, de straat met de döner kebab-tent, biologische groenteboer, Starbucks op de hoek.
    ‘Ze waarschuwt me voor de middelmaat, drukt me op het hart scherp te blijven en niet te / verdwijnen tussen de juwelier met wansmaak en de failliete platenzaak.’

    De Wolfs poëzie dwaalt zo ver naar haar buitengrenzen dat het raakt aan verhalend proza. En zo leest het ook, als miniatuurverhalen, met een begin, en einde en daarin een minuscuul klein plot. Niettemin een verhaal. Maar wel met de vrije interpunctie en opmaak die poëzie eigen is. Vier blokken van ongeveer gelijke lengte, voorafgegaan door twee losse gedichten waarvan niet duidelijk is waarom ze niet in een van die blokken zijn ondergebracht. De meeste titels bestaan uit slechts een woord: Plek, Vis, Idee, Woensdag, We, Party, Prognose. Afgewisseld met titels zoals gedichten ze verdienen. Speels, origineel, cryptisch: Logboek tropisch eiland, De dirty dancer en ik, De nacht ft. Harry Mens.

    Dwalen door een dichtbevolkte stad

    Niet enkel de dansvloer is van iedereen, ook de straat, de bankjes in tram en metro. Een bevolkte stad is het, anoniem in de uitgestrektheid, de diversiteit, de veelheid van naamloze mensen. Intiem in de ontmoetingen, in de namen en eigenaardigheden die gekend zijn. Of die men te weten komt, omdat de ander – al dan niet met naam – een openheid aan de dag legt die door weer anderen als schaamteloos kan worden ervaren.

    ‘Maria

     Ik zei nog: ik ben Maria niet,
     maar het eerste waar ik aan dacht (zijn vrouw)
     was het laatste waar hij aan dacht en voor ik het wist
     stond ik tegen een afwasmachine die nog warm was.

     Uit angst voor bewijzen betaalde hij niets en dus was ik degene
     die het eten kocht en beloofde – om argwaan te voorkomen –
     me exact zo te bewegen als voorheen.

     Af en toe moest ik even kijken als hij boven op me lag,
     omdat ik de kleur van zijn ogen vergat. Als ik klunzig deed, zei hij:
     een echte roker krijgt hem onder alle omstandigheden aan.

     Er zijn mannen, zo blijkt, die nauwelijks bloeden en steeds vaker
     twijfelde ik of ik überhaupt een roker was.’

    In deze urban jungle legt de hoofdpersoon – bijna alle gedichten zijn vanuit eenzelfde ik-figuur geschreven – de laatste meters af van adolescentie naar volwassenheid. In een setting waar die stappen door veel jonge mensen gezet worden, met alles wat daarbij hoort. Het verloren lopen in half gekende systemen, onhandige afspraakjes, uit de hand gelopen feestjes en het bij gelegenheid wakker worden in een onbekend bed.

    Gewoon mensen

    ‘Er is ook liefde

     Mijn eerste nachten in een nieuwe stad
     waar ik wakker onder de balken lig
     en een storm over mijn dak trekt.

     Op de verdieping onder mij bestiert een narcist
     zijn harem van drie, waar hij ‘hond’ tegen schreeuwt
     wanneer ze zich als dieren gedragen.
     Een huwelijk

     met een verlamde kunstenaar die – elke dag
     naar buiten gereden – als uithangbord fungeert

     met de zwakste van hem, die binnenkort
     de wereld af gaat vallen – het duurt.

     Er is ook liefde
     niet voor mens, maar voor wollen truien,
     een obsessieve pas, naderend gerinkel.

     De derde zegt: er stond een zwarte man
     in de gang vannacht we dachten
     dat het een inbreker was.’

    Ontmoetingen vormen de rode draad. Ontmoetingen met echte mensen, of niet; met echte lijven, of niet; in echte kamers, of niet. Met op de vloer een landschap van kapotte huisraad, gereedschap en losse onderdelen, uitgetrokken kleding; het allergewoonste, dagelijkse: boerenkool, gehaktballen, dubbelvla. Dat alles beschenen door flikkerend blauw computerlicht van chatboxen, met ook daar ontmoetingen, en allemaal zijn ze zo rafelig als het leven zelf. Het gaat steeds om identiteit die lang niet zo helder en eenduidig is als we vaak hopen. En als we zelf niet eens weten of we af zijn, hoe moeten we dan onze zinnen afmaken.’
    Wat ik doe: / kijken naar de ander / één hand voor mijn oog, één hand op mijn rug. // Ze laat zich in delen bij me achter / in de hoop er na een tijdje helemaal te zijn. // Soms ademen we samen, we denken: / niet te vaak voorlezen, samen liggen, kruipen, / sinaasappels persen, gehakt rullen, rustig aan, / het hout aftasten.’

    Dan is het maar goed dat De Wolf, anders dan veel dichters van haar generatie en evengoed nog vrijblijvend, wel kiest voor interpunctie. Dan staat er in ieder geval een punt aan het eind van al die niet afgemaakte gedachten.

    Onbevredigende onvoltooidheid

    Van veel situaties die worden beschreven, krijgen we als lezer niet te weten hoe het afloopt. Maar precies in die onvoltooidheid – die gepaard gaat met een prettig soort ongenoegen – raken de gedichten aan het leven zoals het is. Immers, als we vanuit de tram kijken naar een burenruzie, een kroegbaas die een dronken klant de deur uitwerkt, een moeder die haar kleuter overeind helpt en troost, dan weten we ook niet hoe het verder gaat zodra de tram zich weer in beweging zet.
    Of in het echt, of in computerbeelden, fragmentarisch en flikkerend, als een lampje dat bijna de geest geeft, zó zien wij het merendeel van mensenlevens gebeuren. En in die weerspiegeling zien we vaak ook ons eigen leven.

    Tegelijk schuilt in dat gratuite, in dat niet-afgemaakte het risico dat de dichter de aandacht van de lezer niet overal consequent kan vasthouden. Bij het woord ‘iedereen’ laat zich al gauw ‘niemand in het bijzonder’ aanvullen. Uiteraard ligt daarin de ruimte waarin onbeperkt kan worden ontmoet, gekeken, geobserveerd, gesproken, gedacht en gedicht. Tegelijk mist – juist door dat ongedefinieerde, die onbegrensde anonimiteit – de bundel hier en daar urgentie en ligt onverschilligheid op de loer. Vooral waar de vertellende ik-figuur zich overgeeft aan een niet mis te verstane indolentie, verkeert die lokkende, nieuwsgierig makende ruimte gemakkelijk in haar tegendeel, en raakt ook de lezer met deze desinteresse, met deze onverschilligheid geïnfecteerd. De dwaaltocht die zo verwachtingsvol werd aangevangen, blijft dientengevolge niet van begin tot eind boeien en lijkt bij tijd en wijle te verzanden in een dwaalspoor.

    Uiteindelijk weet De Wolf het allemaal wel weer vlot te trekken en tot een goed einde te brengen. Maar ondertussen heeft zij meermaals het risico genomen van lezers die afhaken. Daarbij komt nog dat op geen enkel moment duidelijk wordt of die toon van ‘ach nou ja, wat doet het er ook toe’ een bewuste keuze is die hoort bij het karakter van haar gedichten, of dat het haar werkelijk niet kan schelen. En de afgehaakte lezers bijgevolg ook niet. Voor een debuutbundel nogal een risico, maar daarover mag men van mening verschillen.
    ‘Waarom niet meegaan. / Voor wie de vlag mag voeren is de reis zo vreemd nog niet / misschien heeft mijn rol in deze samenhang betekenis. // Op pad met vintage leren handschoenen stel ik me voor / een zwarte hoed, voor als ik straks die ander ben. / Boeken, die me op het juiste moment verzwaren.’

     

     

  • Oogst week 27 – 2024

    Bechamel mucho

    Volgens de een kan lasagne niet zonder, volgens de ander juist liever wel: bechamelsaus. Bechamel mucho, het 59ste boek van Vlaming Dimitri Verhulst (Aalst, 1972), is in elk geval zo gelaagd als het pastagerecht, maar heeft er verder weinig mee te maken. In meer dan 30 landen is het werk van Verhulst vertaald, van De helaasheid der dingen en De laatste liefde van mijn moeder tot De intrede van Christus in Brussel en De laatkomer. Dit laatste boek gaat over dementie, maar Bechamel mucho zou zomaar net zo onvergetelijk kunnen worden!

    We volgen personage Alex, een animator in een hotel op vakantie-eiland Mallorca. Een echte charmeur bovendien, die met de ene na de andere vrouw in bed belandt. Hoe lichtvoetig dit ook klinkt, langzaamaan ontstaat een pijnlijk beeld van lege zomervakanties, die voor de eenzame dames niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden. Of dit bloeden nu het weduwschap is, een verloren kind of een nare scheiding. Alex moddert aan en vraagt zich af, waarom de mensen om hem heen niet gewoon hetzelfde kunnen doen.

    Bechamel mucho
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Na de komma – Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme

    Op 1 juli wordt Keti Koti gevierd: de afschaffing van de slavernij. Langzamerhand ontstaat hierover steeds meer bewustzijn in Nederland, maar het blijft een gevoelig thema. Juist daarom verdient het boek Na de komma van Shantie Singh aandacht. De titel is geen willekeur: Nederland zet graag een punt, terwijl het slavernijverleden tot op heden doorwerkt in de levens van voormalig onderdrukten en hun nazaten. Dit geldt ook voor hindoestanen. Want nadat Afrikanen niet meer gebruikt mochten worden in Surinaamse plantages, liet Nederland gewoon werkkrachten uit Brits-Indië (Pakistan en India) overvliegen.

    Shantie Singh (Almelo, 1982) debuteerde in 2014 met Vervoering, een kroniek over een hindoestaanse familie, en schreef in 2020 de liefdesroman De Kier. Intussen had zij zich al aangesloten bij het schrijverscollectief Fixdit, dat zich hardmaakt voor sekse- en gendergelijkheid binnen de Nederlandstalige literatuur. Met de kritiek op het Nederlands kolonialisme geeft Na de komma andermaal blijk van Singhs maatschappelijke betrokkenheid.

    Na de komma - Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme
    Auteur: Shantie Singh
    Uitgeverij: De Geus

    Friezen in Rome

    Atte Jongstra (1956) schrijft essays, dichtbundels en romans. Bovendien is hij redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DWB en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Voor de verhalenbundel De psychologie van de zwavel werd hij in 1989 beloond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Negen jaar later ontving hij de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret. Publiekelijke bekendheid verwierf hij definitief met de historische roman De avonturen van Henry II Fix. En nu is daar het geestige, intrigerende Friezen in Rome.

    Fries geschiedkundige Atte Sixma werkt aan het Academisch Instituut in Rome, temidden van allerlei wetenschappers en kunstenaars. Hij doet onderzoek naar Friese strijders voor keizers en Vaticaanstad. Maar niet iedereen stelt zijn inbreng op prijs. Vooral vanuit Leeuwarden klinkt steeds hardere kritiek, zijn peers pesten hem en zijn seksuele uitspattingen komen hem ook duur te staan. Ineens wordt alles twijfelachtig: heeft het Friese volk überhaupt wel bestaan? En wat blijft er in roerige tijden over van Sixma zelf?

    Friezen in Rome
    Auteur: Atte Jongstra
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Prachtig memoir

    Prachtig memoir

    Je weet over de ontbossing van het Amazonewoud. Door houtkap, bosbranden. Je tekent petities, doneert aan Greenpeace. Daarna ga je over tot de orde van de dag. Doet de dingen die je doen moet. Dat zegt iets. Over de erge dingen die er in de wereld gebeuren, maar die je niet direct raken. Elke ochtend sta je op, maakt koffie, laat de kat buiten, maakt een boodschappenlijstje, verstuurt een appje. Dat is jouw realiteit. Dan lees je de ‘memoir’ van een Braziliaanse oud-trucker, door de zoon opgetekend. De vader genoot als kind een paar jaar onderwijs, ging toen op het land werken. ‘Ik heb dus van mijn zevende tot mijn veertiende op de trekker gewerkt, van mijn veertiende tot mijn eenentwintigste ongeveer als automonteur en op mijn tweeëntwintigste ben ik gestopt als monteur en de baan op gegaan.’

    De zoon (1984) is gepromoveerd, doceert sociologie en politiek aan de universiteit van São Paolo. Hij heeft zes lange gesprekken met zijn vader gevoerd. ‘Ik hoor hem graag praten over alledaagse zaken, over de indrukken en kleine dingen van het leven.’ Hij zoekt naar ‘het wezen van de geest’.

    Een boek over een vader, verweven met de infrastructuur van het grootste land van Zuid-Amerika, Brazilië. Zoals het grootste project dat Brazilië vooruit moest helpen. ‘De Rodavia Transamazônica (BR-230), een megalomaan project om de Atlantische Oceaan over land te verbinden met de Stille Oceaan, beloofde het land in het begin van de jaren zeventig op te stuwen naar grote hoogte.’  

    De vader vertelt: ‘Om ‘n truck te besturen in ‘t Amazonegebied, in de tijd dat de boel daar werd ontsloten, moest je ‘n avonturier zijn. Restaurants en winkels waren er bijna niet, alleen van die kraampjes langs de weg.’ En ook: ‘Eind jaren zestig waren d’r al veel houtzagerijen, maar toen er meer wegen kwamen, ontplofte de houthandel zowat. Als je [in die tijd] door Acre reed, zag je alleen maar van die lange colonnes vrachtwagens met boomstammen, overal. (…) Ik vond toen al dat ze de boel naar de knoppen hielpen. ’t Leek me geen goeie zaak, maar in die tijd zei niemand er wat van, iedereen dacht dat het regenwoud niet kapot kon.’ 

    De zoon weet: ‘Aan de arbeiders die werden aangetrokken door deze uitdijende grenzen werd het kappen van het regenwoud verkocht als de onvermijdelijke route naar collectieve vooruitgang en een beter leven.’ De vader raakte tijdens de halve eeuw dat hij met zijn vrachtwagen Brazilië doorkruiste aan de belangrijke zaken die het land zo verdeeld hebben. ‘Mijn vader heeft in het begin van de jaren zeventig tientallen keren door het gebied langs de rivier de Araguaia gereden. Daar, tussen het zuidoosten van Pará en Tocantins, woedde een schrijd tussen het militaire bewind en een stel jong revolutionairen en plaatselijke boeren, die resulteerde in een van de bloedigste hoofdstukken van de Braziliaanse dictatuur.’

    De mengeling van de onopgesmukte verhalen van de vader en de wetenschappelijke visie van de zoon maken het tot een bijzonder boek. Het zijn de verhalen van de vader die je wakker schudden. Alsof er een kaart wordt opengevouwen, de geografie van een man en zijn land zichtbaar wordt. Dit boek is een prachtig essayistisch memoir. Een liefdevol portret van een vader, een kritische beschouwing van Brazilië. Lees het.

     

     

    Wat van mij is / José Henrique Bortoluci / vertaling Marilyn Suy / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

    Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

    De Duitse sinoloog Richard Wilhelm (1873-1930) hield in 1923 voor Carl Gustav Jung (1875-1961) en zijn collega’s in de Psychologische Club te Zürich een lezing over I Tjing of Het Boek der Veranderingen. Dit oude Chinese wijsheids- en orakelboek gaat terug op bronnen tot 4000 v. Chr., vermoedelijk afkomstig uit de Han-dynastie. Kort tevoren had Wilhelm het boek in het Duits vertaald en van commentaar voorzien. Al vanaf 1913 kende Jung Wilhelm en zijn vertaling van het boek Het geheim van de gouden bloem, een ander Chinees levensboek. Na lezing daarvan kwam Jung tot de conclusie dat de wijsheid van het Oosten aan de mensen daar toebehoort en hem alleen datgene toebehoort wat uit hemzelf voortkomt. Maar de fascinatie voor het Oosten was wel bij hem gewekt.

    Hester Knibbe heeft het Boek der Veranderingen als uitgangspunt genomen voor haar nieuwe bundel Binnen in de aarde is een berg. Ook bij haar moet er door de lezing van de I Tjing iets van die fascinatie voor die geheimzinnige werkelijkheid zijn opgeroepen, maar ook de afstand daartoe. Het gaat haar niet zozeer om het orakelkarakter, maar om kennisname van teksten met eenzelfde scala aan driften, mogelijkheden en beperkingen waarin we ons in deze moderne tijd nog altijd kunnen herkennen. In het bijzonder heeft ze de titels van de hexagrammen als inspiratiebron gebruikt om te zien in hoeverre er verbazingwekkende coïncidenties ontstaan tussen gewaarwordingen en ervaringen in haarzelf. 

    Vanuit de bron en verder

    De bundel bestaat uit twee afdelingen en bevat vierenzestig hexagrammen en opent met een citaat van Louise Glück: ‘Who can say what the world is? The world / is in flux, therefore / unreadable’. Onze wereld is permanent in beweging en laat zich moeilijk in woorden vangen, maar mensen blijven zoeken naar een houvast te midden van die nimmer aflatende beweging. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘Aan de voet van de berg ontspringt een bron’. Vanuit deze onnatuurlijke situatie is het mogelijk op een tegendraadse manier te denken. Het gedicht, voorafgaand aan de hexagrammen, spreekt over een vrouw die een denkbeeldig pad in haar geest harkt, en zo een creatief spoor creëert door de tijd heen. We volgen daarna in grote lijnen de ontwikkelingsgang van kindertijd naar volwassenheid. 

    Al in het eerste hexagram, in tweeregelige strofen geschreven, beseft de ik dat hij met zijn woorden niet gelooft ‘de waarheid te [kunnen] kennen’. Soms zingen de woorden rond: ‘bitterzoet soms als hemelse honing’. Maar een mens redt het niet alleen met de hemel. We hebben de aarde nodig, die door ons toedoen ‘verschraalt’, maar we willen ondertussen geen gemis ervaren in leven en liefde. Die afhankelijkheid ervan begint al op het moment dat een kind ter wereld komt. De daaropvolgende periode, ‘de jeugddwaasheid’ van de puberteit, behelst de zwerftocht naar geluk en liefde. 

    Vanuit het perspectief van de levenslange ontwikkeling heeft Knibbe een reeks gedichten gecomponeerd waarin een enorme vaart zit. Enjambementen en de snelle opeenvolging van beelden, gebiedende wijs en versregels zonder werkwoordsvormen, filosofische observaties als ‘Het uitzicht is nergens hetzelfde en zoeken duurt langer dan vinden’ dragen daartoe bij. Knibbe wil veel zeggen in zo min mogelijk woorden. De gedichten zijn gelaagd en compact van opbouw. Soms lijkt de inspiratie haar te overspoelen. 

    Spiegelende problematiek

    De gedichten spiegelen de actuele problematiek: klimaat, migratie, smartphone, armoede en eenzaamheid. Naast de aantasting van de natuur is er het probleem van de bedelaars op straat, terwijl er ‘een gloed / lente over het leven en de meeste passanten / leken tevreden’, is er ‘Het leger’ van ‘makkers voor even’ die luidkeels van zich laten horen en die dromen op ‘Plaza Utopia’. Ze klampen zich aan elkaar vast. Maar gelukkig is de temmende kracht van de smartphone die hen toelacht’ en die de jeugd zich machtig doet wanen. Dit kleine heelal waarin op beeld de wereld langskomt, doet sterk verlangen ‘naar een aardse omhelzing’. 

    Dat het egocentrisme hoogtij viert, blijkt voor de ‘spiegel van de maakbaarheid’ als iemand zich ontkleedt. Hij weet zich afgesneden van de wereld om zich heen. Hoe vind je dan ‘de vrede’, de moed, in zo’n geïndividualiseerde wereld om ‘een vreemdeling binnen te laten’. Hoe moeilijk is het in een ‘Gemeenschap van mensen’ ‘de Olympus [te] bestijgen // en […] de vlakte / met haar luie bedrijvige menigte // [te] mijden.’ 

    Een mens dient immers te weten dat hij ‘tot beiden: god / die een mens zoekt en andersom in één lijf // dat met de voeten stevig geplant op de grond / het niet nalaten kan naar de hemel te kijken.’ Deze dubbelzinnigheid lijkt mij de dualiteit waarom het in deze bundel draait. Die verscheurdheid is van alle tijden: hoe je welkom te weten in deze leegte: ‘die men ontwaarde in eigen en / andermans ogen en adem’. 

    In al het onmogelijke klinkt een positieve levensinstelling door. In ’De bekoorlijkheid’ zien we in het maken van het selfie boven op de denkbeeldige berg heel duidelijk de grootheidswaan en zelfzucht van de hedendaagse dalbewoner: ‘Het is / me gelukt! Voegt hij toe (met dat // uitroepteken erachter, hartje erbij).’ 

    Ondertussen moeten we de onschuld van onze kinderen afschermen tegen alles wat het leven tegenwoordig bedreigt, zoals de algoritmen op de telefoon: ‘O algoritme van de liefde red de gestrande reiziger! […] wat // liegen verhullend je enen en nullen? / Zeg het niet, zeg // tegen de eeuwige reiziger: / weet ik niet.’ In het innerlijk hooggebergte met al zijn veranderingen en verschuivingen ligt het gevaar op de loer. 

    De tweede afdeling ‘Op de berg is een vuur’ gaat over de inwerking van andere mensen op het leven van het individu gedurende zijn tocht door de bergen: ‘is het [dan] de geest die het lichaam / meesleept of neemt het lijf de geest mee op reis?’ Het leven zit vol schijnbewegingen en is een vuur ‘dat steeds hoger // en dieper vlamt. Misschien bestaat het grote / soms even uit samen.’ Er zit een optimistisch grondtoon in deze voortsnellende, observerende poëzie die de ironie van ons tijdgewricht niet uit de weg gaat. Knibbe toont haar meesterschap in haar metafoorkeuze. Ze gaat dilemma’s niet uit de weg: ‘Het is de wereld vandaag / die we veroveren moeten voor morgen’. Ze vraagt zich af of er wel voldoende aandacht voor het zwakke in onze samenleving, zoals al die ontheemde jongeren, voor wie het gezin ‘Het gezin’ zo wezenlijk is: ‘het hart [zou daarin] de basis [moeten] vormen / voor de verdeling’. Veel blijft voor Knibbe een vraag waarvoor geen oplossing voorhanden is, maar ze blijft zoeken en zich openstellen voor de routes omhoog uit het dal, op weg ‘naar het vuur’: ‘binnen in de aarde is een berg’.

    Deze bundel geeft een schets van een levensweg langs steilten en afgronden. Heel nadrukkelijk werpt Knibbe in deze tweede afdeling de vraag naar de zin van dit leven op: ‘Of ik besta is een vraag die niemand mij stelt. / Mijn wereld? Een raam met uitzicht op elders // en nergens’. Daarmee brengt ze de metafysica haar poëzie binnen. Wie zegt er eigenlijk ‘ik’ in mij? In ’De omwenteling’ rijst de vraag: ‘waarvan en waarheen”. Je ontwaakt in een andere droom, ‘steeds besta ik in een andere droom’. Het wereldnieuws klimt lomp door het raam: ‘Waar / gaan ze naartoe? We volgen de waan van de dag. Telkens blijkt dat ‘Een duider / duidt en een andere duidt // hetzelfde anders, ze spreken / de taal van zeker weten’. Het blijft een Babylonische spraakverwarring. 

    Toenemende verlatenheid

    Naarmate de tocht op de berg vordert, neemt de verlatenheid toe. De eenzame zwerver, de pelgrim, de doler, hij moet lenig van geest zijn. In ‘Innerlijke waarheid’ geeft Knibbe een prachtig portret van de dichter die verleidend zich de woorden en beelden toe-eigent: ‘salonfähige non in habijt / met hoog split, ik kuis mij klunzige // schaamte schrans taaloordeel / over komma en punt spreek // niet met gom in mijn mind.’ Ze zoekt naar waarheid en verblijft in leugenachtigheid. Door alles heen is ‘mijn weg […] goedgelovig en / louche van aarde, ik kijk naar de mier: is nijver // de basis van een solide / bestaan? 

    64 – Voor de voleinding

    Een vrouw harkt het grind in haar tuin, harkt
    het in banen in cirkel, harkt

    de golfslag van zee rond een steen, harkt
    aandachtig een pad

    in haar geest. Ze weet dat
    wind wat ze doet zal verwaaien, tijd

    het slordig zal wissen, één
    voetstap en de golf

    breekt, is het eiland opnieuw niet meer
    dan die steen. Ze weet dat 

    het grind geen betekenis heeft: het gaat
    erom dat de hand beweegt.

    Dezelfde vrouw als uit het openingsgedicht harkt haar tuin en sluit de cirkel: ‘Ze weet dat / wind wat ze doet zal verwaaien, tijd / het slordig zal wissen’. Het grind heeft geen betekenis: ‘het gaat /erom dat de hand beweegt.’ Knibbe laat het begrijpen van deze levensreis als mens en dichter voor wat het is, het gaat ‘erom dat de hand beweegt.’ Niet het waarom, maar het meegaan in de beweging waarin je gesteld bent, is waar het om gaat. 

     

     

  • Oogst week 3 – 2024

    Het enige kind

    Een oogst zou maar saai worden, als we slechts prijzen opnoemen die schrijvers in het verleden wonnen. Guadalupe Nettel, bijvoorbeeld, heeft een erelijst waarmee we een hele tekst kunnen vullen. Ze geldt als een van Amerika’s vermaardste auteurs. Bovendien verdient ze haar sporen als academica; ze promoveert op Taalwetenschappen in Parijs. Haar vierde roman, Het enige kind (La hija única), omschrijft het leven van vrouwen in Mexico-Stad. Klinkt simpel en droogjes. Wie zich echter mondjesmaat in de lokale cultuur verdiept, weet dat vrouwen daar dagelijks moeten vechten voor hun leven, alleen door vrouw te zijn. Moeders inclusief.

    We volgen vriendinnen Laura en Alina. Beiden diepgewortelde feministen, maar de één wil absoluut geen moeder worden en de ander… wellicht ooit wel. Moederschap brengt immers nogal wat teweeg, naast ‘gewoon’ een kind. Met heldere taal en kleurrijke bijfiguren laat Nettel zien welke offers moederschap vraagt: lichamelijk, sociaal en psychisch. Het complexe is, dat géén moeder willen worden, eveneens tot ongemak leidt. Het enige kind waarschuwt voor stelligheid; lonkt eenmaal de kans om voor een kind te zorgen, vertoont zelfs vrouwenactivist Laura moederlijke trekjes, waarvan ze altijd dacht die te moeten verafschuwen.

    Het enige kind
    Auteur: Guadalupe Nettel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Het mensenschip

    Telkens wanneer een Portugeestalig meesterwerk in het Nederlands verschijnt, is Harrie Lemmens erbij betrokken. Dit geldt ook voor A barca dos homens van Braziliaan Waldomiro Freitas Autran Dourado, vertaald als Het mensenschip. Dourado (1926 – 2012) kiest als decor vaak zijn geboorteregio Minas Gerais, wat hij nu nalaat. Binnenkort geeft uitgeverij Koppernik ook Opera der doden (Opera dos mortos) uit. Uniek binnen de Braziliaanse literatuur is dat Dourado zijn romans gebruikt voor poëtische stijloefeningen. Zijn prozaïsche stijl reserveert hij voor de journalistiek en advocatuur.

    In Het mensenschip staat de jonge knul Fortunato centraal. Die naamkeuze zal ironisch zijn: Fortunato heeft bepaald geen geluk en lijdt aan een verstandelijke beperking. Op een avond verdenkt men hem ervan een pistool te hebben gestolen. Er volgt een koortsachtige klopjacht door de complete gemeenschap. Per hoofdstuk wisselt Dourado van vertelperspectief; bijna elk lid uit de nabije omgeving komt voorbij, inclusief Fortunato zelf. Zo veel mensen, zo veel manieren van uitdrukken… een perfecte aanleiding voor Dourado om zijn stilistische begaafdheid te laten zien. Wie houdt van een gezonde dosis barok, zit bij A barca goed.

     

    Het mensenschip
    Auteur: Autran Dourado
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    Binnen in de aarde is een berg

    Wie een gedichtenbundel getiteld Oogsteen uitbrengt, mag in de oogst van Literair Nederland natuurlijk niet ontbreken. Al gaat deze vermelding niet over dat boek, maar over Binnen in de aarde is een berg. Hester Knibbe (1946), alom geprezen dichteres uit Harderwijk, schreef al meer dan vijftien dichtbundels, die haar bijna allemaal prijzen opleverden. De laboratoriumanaliste is er beroepsmatig al aan gewend om tot de kern te komen, wat ze in haar verzen doortrekt. Critici loven haar nieuwsgierigheid en oog voor detail. Bovendien oogst Knibbe bewondering vanwege haar interesse in vroegere culturen, waaronder de Klassieke Oudheid.

    Ditmaal vormt I Tjing haar voornaamste inspiratiebron. Het Oud-Chinese Boek der veranderingen geldt als één van de oudste orakelboeken van de mensheid. Meer dan in een tarotsessie of een halfbakken toekomstvoorspelling bedient de I Tjing zich tóch ook van wetenschap, hetgeen Knibbe zal hebben gewaardeerd. Ze gebruikt de hexagrammen uit I Tjing als titels van haar gedichten en actualiseert ze. Uit het oude Griekenland kennen we natuurlijk al het motto ‘Panta rei, ouden menei’. Binnen in de aarde is een berg trekt verder oostwaarts om verandering niet alleen te accepteren, maar ook te wórden: het principe van de Tao.

    Binnen in de aarde is een berg
    Auteur: Hester Knibbe
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 49 – 2023

    De Muur voorbij – Berlijnse fado

    De dreiging van de ‘linkse wolk’ is voorlopig afgeslagen, zo verzuchtte menig stemmer een paar weken geleden. Nog altijd associeert men een socialistisch bewind met Oost-Duitsland, de DDR. Geen ander land kent tijdens de Koude Oorlog een hogere concentratie afluisteraars en spionnen voor de staat. Des te verrassender dat vertaler en lusitanist Harrie Lemmens er vrijwillig drie jaar gewoond heeft om te werken voor Intertext. Zijn literaire non-fictiewerk De Muur voorbij vormt hiervan het ooggetuigenverslag. Hij ontmoet er de liefde van zijn leven, Ana Carvalho, en wijdt zijn Berlijnse fado (ondertitel) aan haar.

    Lemmens geldt als dé schrijver die de Portugese literatuur naar Nederland importeert. Als blijk van dank schenkt de Portugese president hem in 2022 de Ordem do Infante Dom Henrique. Van Fernando Pessoa, José Saramago en vele anderen vertaalt hij in totaal meer dan 100 boeken naar het Nederlands. Hoewel hij ook vanuit het Spaans, Engels en Duits omzet, ontzenuwt hij steevast de precisie waarmee een vertaler werkt. Hij zegt daarover: ‘Vertalen is verzinnen wat er staat.’ Met De Muur voorbij vertaalt Lemmens vooral zijn eigen gedachten op papier. Het geheugen als enige brontekst.

    De Muur voorbij - Berlijnse fado
    Auteur: Harrie Lemmens
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Ik kom hier nog op terug

    Ik kom hier nog op terug van Rob van Essen klinkt als een belofte. Zijn nieuwste roman gaat over Rob Hollander die een fout uit het verleden tracht te herstellen. In zijn poging dit te doen komt hij echter op een ander spoor terecht. Van Essen (1963) oogst met zijn oeuvre tot nu toe lof voor zijn eenvoudige stijl. Die combineert hij met een geloofwaardig spel tussen schijn en werkelijkheid. Het levert hem een luisterrijke palmares op: met De Goede Zoon won hij de Libris Literatuur Prijs (2019). Zijn verhalenbundel Hier wonen ook mensen leverde hem bovendien de J.M.A. Biesheuvelprijs op (2015). Hij is getrouwd met de getalenteerde Belgische schrijfster Lize Spit.

    Rob van Essen doet aan tijdreizen in Ik kom hier nog op terug. Maar dan gewoon door zijn hoofdpersoon van Schiphol naar L.A. te laten vliegen. Simpel zat. Jeugdvriend Icks, die hem daar opwacht, presteert bepaald niet niks: hij heeft het helemaal gemaakt als game-ontwikkelaar. Toch gaat de roman niet alleen over deze hereniging. In de breedste zin van het woord behandelt Van Essen niet slechts een plot, maar ook het plot dat we onszelf voorhouden, als gedane zaken geen keer nemen. Want of iets echt gebeurd is of niet, staat vaak los van wat we kunnen of willen geloven. En daar kun je altijd op terugkomen.

    Ik kom hier nog op terug
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Hoe eindig alles – Een kleine kroniek van mijn moeder

    Elliptische formuleringen als Hoe eindig alles zien we tegenwoordig vaker voorbijkomen in poëtische uitingen. Marre van Dantzig titelt aldus de kleine kroniek over haar moeder. De onaffe zin suggereert een onvoltooid leven dat Van Dantzig wil eren. Of gevoelens die zich niet in woorden laten vatten. Tien jaar hiervoor schreef zij al een kroniek over haar vader, getiteld Zolang niet alles is verteld. Van Dantzig bestierde tot vorig jaar een boekhandel in Amsterdam die barstte van de reisboeken en itineraria: Evenaar. Maar soms is het leven de reis die een verhaal op zich verdient. Zoals het leven van Van Dantzigs moeder.

    Hoe eindig alles begint met Marres moeder en sluit met haar af. Tussendoor verweeft de schrijfster allerlei familieleden, plekken en gebeurtenissen met het leven van haar moeder. De pijn dat alles voorbijgaat, zal net als in de hommage aan haar vader, in dit boek een melancholische uitwerking hebben. De illustraties en foto’s zullen bovendien bijdragen aan de weemoed over het verstrijken der tijd. Hopelijk is Hoe eindig alles geen aankondiging van een stagnerend schrijverschap. Van Dantzig zal nog velen tot vertroosting en verstrooiing zijn, als haar oeuvre hier niet eindigt.

    Hoe eindig alles - Een kleine kroniek van mijn moeder
    Auteur: Marre van Dantzig
    Uitgeverij: Uitgeverij De Brouwerij
  • Niet klagen, niet jammeren

    Niet klagen, niet jammeren

    Om niet te verzinken in het gevoel dat de Nederlandse aarde in tweeën is gespleten. Om niet klagend en jammerend ten onder te gaan, is het goed Annie Ernaux te lezen. De soberheid van haar schrijven, waar zij vandaan komt, stelt mij op achterstand. Troost vinden in het armoedige bestaan van anderen. Niets is ongewoon. ‘Precies twee maanden’ nadat Annie Ernaux een aanstelling als lerares had verworven aan het lyceum in Lyon, overleed haar vader, zevenenzestig jaar. Het was op een zondagmiddag. Van bovenaf de trap zei haar moeder, ‘Het is afgelopen.’ Haar ogen bettend met een servet. ‘De volgende minuten herinner ik me niets meer. Ik zie alleen de ogen van mijn vader nog die naar iets ver achter mij staarden, en zijn tot boven het tandvlees opgetrokken lippen.’

    De dode werd gewassen en geschoren. Het pak dat hij drie jaar daarvoor bij zijn dochters bruiloft had gedragen, kwam nu van pas. ‘Mijn moeder sprak tegen mijn vader alsof hij nog leefde of bezield werd door een speciale vorm van leven, zoals dat van een pasgeborene. Een paar keer noemde ze hem vol genegenheid “mijn arme oudje”.’ De volgende dag begon het lijk te stinken. ‘De zoete en daarna verschrikkelijke geur van bloemen die iemand in een vaas met smerig water heeft laten staan.’ Tussen de zondag van zijn overlijden en de woensdag van zijn begrafenis, kwamen vaste klanten van het café afscheid nemen. Ze leverden commentaar zoals gebruikelijk bij een overledene. ‘laconiek en op zachte toon’ zei men, ‘Hij heeft er voor de donder niet lang over gedaan’ of, ‘Dus de baas is hem gesmeerd!’

    Ook zeiden ze wat het met hen had gedaan toen ze de doodstijding ontvingen. ‘Ik was ervan ondersteboven’, ‘ik wist niet wat me overkwam’. Dingen die gezegd worden in een poging te delen in het verdriet, ‘een vorm van beleefdheid’, noemt Ernaux het. Dat is wat ik na de verkiezingen voelde, niet weten wat me overkwam, verwend als ik was te krijgen wat ik verwachtte. Dat zal nu anders gaan, ik zal er nu zelf voor moeten zorgen dat de vluchteling bij mij terecht kan. Maar goed, op maandag kwam de begrafenisonderneming. De kist paste niet door de opening van de keuken naar de slaapkamer een trapje hoger. Het lijk werd in een plastic zak gewikkeld, voortgesleept over de traptreden naar de kist midden in het café.

    Die avond kwam haar man, ‘bruinverbrand en slecht op zijn gemak, omdat hij geconfronteerd werd met een verdriet waar hij buiten stond.’ Niets zo erg als verdriet waarmee je niets hebt. Ze sliepen in het enige tweepersoonsbed dat er in huis was, het bed waarin haar vader kort tevoren gestorven was. ‘Er zat een kuil in het kussen waarop zijn hoofd sinds zondag had gerust.’

    Dan begint ze aan het verhaal over het leven van haar vader. ‘Het verhaal begint een paar maanden vóór de twintigste eeuw in een dorp in het land van Caux, op vijfentwintig kilometer van de zee.’ De plek was haar vierde novelle. Ze won er de Prix Renaudot mee en brak ermee door in Frankrijk. In deze novelle paste ze voor het eerst ‘emotieloos schrijven’ toe. Wat volgens haar het best paste bij het leven van haar vader. ‘Geen poëzie der herinneringen, geen jubelende hoon. Als vanzelf schrijf ik in een vlakke, banale stijl, diezelfde stijl die ik vroeger gebruikte, wanneer ik aan mijn ouders schreef om hen van de belangrijkste zaken op de hoogte te stellen.’ Ernaux lezen is de werkelijkheid onder ogen zien.

     

     

    De plek / Annie ernaux / vertaler Edu Borger / blz. 99 / uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.