• De zomerboeken van Hettie Marzak

    De zomerboeken van Hettie Marzak

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Hettie Marzak  leest deze zomer:
    David Leeming, James Baldwin
    Irene Vallejo, Papyrus
    Heather Clarke, Rode komeet
    Bettine Vriesekoop, Het China-gevoel van Pearl S. Buck
    Carl Friedman, Verzameld werk

     

    ‘In de biografie van James Baldwin door David Leeming ben ik al begonnen, omdat Baldwin als geen ander uit ervaring kon
    schrijven over de achterstelling van zwarte mensen, iets dat nog steeds actueel is.
     Papyrus van Irene Vallejo heb ik voor mijn verjaardag gekregen van mijn kinderen, die weten dat ze hun moeder blij kunnen
    maken met ‘het ritselen van papier’.
    De biografie van Sylvia Plath, Rode Komeet, door Heather Clarke, wil ik gaan lezen omdat ik weliswaar heel veel gelezen heb over
    en van Ted Hughes, maar van Plath nog veel te weinig.
    En Het China-gevoel van Pearl S. Buck van Bettine Vriesekoop moet alle vragen beantwoorden die ik me al zo lang gesteld heb
    sinds ik lang geleden voor het eerst Oostenwind Westenwind van Buck las.
    Carl Friedman, Verzameld werk, omdat ik heel benieuwd ben naar wat ze nog meer geschreven heeft dan alleen Tralievader, De
    grauwe minnaar
    en Twee koffers vol, die ik al gelezen heb.’

    Lees hier meer over Hettie Marzak
  • Schrijver en columnist Carl Friedman overleden (1952 -2020)

    Van haar uitgever ontvingen we het bericht dat schrijver en columnist Carl Friedman vrijdag 27 maart in haar woonplaats te Amsterdam na een kort ziekbed is overleden, haar zoon heeft dit wereldkundig gemaakt.

    Carl Friedman werd op 29 april 1952 in Eindhoven als Carolina Klop geboren. In 1991 debuteerde zij met de novelle Tralievader. Samen met de in 1993 verschenen roman Twee koffers vol werden dat haar beroemdste boeken. Beide boeken werden verfilmd, het laatste door Jeroen Krabbé‚ onder de titel Left Luggage (1998).
    In 1996 verscheen Friedmans derde boek,
    De grauwe minnaar. Onno Blom schreef destijds in een recensie in Trouw dat Friedmans ’transparante taal en haar scherpe oog voor treffende details’ ook in De grauwe minnaar opvallen.

    Friedman schreef wekelijks een column, eerst voor Trouw en vanaf 2002 voor Vrij Nederland. Haar columns verschenen gebundeld onder de titels, Dostojevki’s paraplu (2001) en Wie heeft de meeste joden (2004).
    Voor haar werk ontving de schrijfster in januari 2004 de E. du Perronprijs 2003, van de gemeente Tilburg en de letterenfaculteit van de Universiteit van Tilburg. 

    Doordat haar twee eerste boeken zich afspelen tegen de achtergrond van de jodenvervolging met vermenging van autobiografische gegevens, werd aangenomen dat Carl Friedman joods was. Dat zij de achternaam van haar ex-man (van joodse komaf) David Friedman, altijd heeft aangehouden, versterkte deze veronderstelling. In 2005 werd haar publiekelijk verweten dat zij deze aanname nooit heef ontkracht. Zelf heeft zij nooit op de aantijgingen gereageerd. Wel lieten haar familie en uitgever weten dat haar debuut Tralievader wel degelijk op feiten is gebaseerd en een sterk autobiografisch karakter heeft.

    Haar vader, Egbert Klop werd in de Tweede Wereldoorlog als verzetsman opgepakt en kwam in concentratiekamp Sachsenhausen terecht. Na de Dodenmars werd hij bevrijd door het Rode Kruis en kwam zwaar getraumatiseerd thuis. de impact die zijn trauma’s hadden op zijn kinderen, verwerkte Friedman in Tralievader.
    Het boek, geschreven vanuit het perspectief van een klein meisje, heeft internationaal een grote reikwijdte gehad. Friedmans boeken kenden een groot succes en worden nog steeds veel gelezen. In sommige delen van Duitsland is Friedmans debuut verplicht leesvoer geworden op middelbare scholen.

     

    In Filter, tijdschrift voor vertalen schreef vertaler Christiane Kuby, die Tralievader naar het Duits vertaalde, hoe zij Carl Friedman zich herinnert.

     


    Publicaties

    Tralievader. Amsterdam, Van Oorschot, 1991. (vert. in het Duits, Engels, Frans, Hebreeuws, Italiaans, Spaans)
    Twee koffers vol. Amsterdam, Van Oorschot, 1993. (vert. in het Duits, Engels, Frans, Hongaars, Russisch)
    De grauwe minnaar. Amsterdam, Van Oorschot, 1996. (vert. in het Duits, Engels, Italiaans)
    Dostojevski’s paraplu. Amsterdam, Van Oorschot, 2001.
    Wie heeft de meeste joden. Amsterdam, Van Oorschot, 2004.

     

  • O, kom er eens kijken!

    O, kom er eens kijken!

    Ik droomde dat ik nog in Sinterklaas geloofde en m’n schoen mocht zetten. Oh to be young again… Ik wist meteen wat er op m’n verlanglijstje moest: al die boeken die te lang op zich hebben laten wachten.

    1. Martinus Nijhoff, geboorten van literatuur. De langverbeide biografie. Vanzelfsprekend bovenaan mijn lijst, want ik word oud dus de tijd dringt. De auteurs, Dorleijn en Van den Akker, hebben eerder al een nieuwe editie van de Verzamelde Gedichten verzorgd en enkele studies gepubliceerd. Nu dan de kroon op hun werk.

    2. Het nieuwe boek van Carl Friedman. Eindelijk! Wordt het een roman? Verhalen? De uitgever houdt ons nog in spanning. Na de successen van Tralievader, Twee koffers vol en De grauwe minnaar – de eerste twee werden verfilmd – is het te lang stil gebleven. Autobiografische verwikkelingen zouden daar debet aan zijn. De liefhebbers van haar werk hadden haar wel willen toeroepen wat Toergenjev ooit schreef aan Tolstoi: ‘Mijn vriend, keer terug tot Uw literaire arbeid! Die gave hebt u immers van waar ook al het andere komt. Ach, wat zou ik gelukkig zijn als ik kon denken dat mijn verzoek die uitwerking op U zou hebben!’ Dezelfde brief besloot hij overigens met ‘Ik kan niet meer, ik ben moe’ en vijf weken later stierf hij.

    3. De verzamelde correspondentie van W.F. Hermans en Gust Gils. Opnieuw een brievenboek van Hermans, en dit keer niet zo’n dunnetje als de briefwisseling met Bordewijk. Uit dat enorme Hermans-archief moet natuurlijk veel meer te halen zijn. Zal ik het nog beleven?

    4. De ‘Amerikaanse’ romans van de in 2012 overleden Gore Vidal. Zijn historische romans over de ontwikkelingsgang van de Verenigde Staten zijn onovertroffen. Ook zijn talloze vijanden erkenden de kwaliteit van Burr, 1876, Lincoln, Empire, The Golden Age en Washington D.C. Wie deze meeslepende boeken leest, krijgt een uitstekende geschiedenisles en kijkt voortaan met andere ogen naar wat zich in de VS afspeelt. Eindelijk is de reeks nu compleet in het Nederlands verkrijgbaar, en in welk een mooie uitgave! Compleet met noten, kaarten en inleidingen van prominente amerikanisten. Zes delen in cassette, heerlijk. Mijn kennis van het Engels taant en mijn ogen gaan steeds verder achteruit; nu kunnen die armoedige pocketjes bij het oud papier.

    5. Simon Carmiggelt: Verzameld Werk. Commentaar overbodig, behalve misschien: hèhè, waarom hebben we hier zo lang op moeten wachten?

    6. Wat is hiervan de bedoeling? Deze pil bevat een selectie uit het epistolaire vuurwerk van Nicolien Mizee en Ger Beukenkamp, de schrijver wiens roem kort geleden nog werd bezongen door Mark Rutte. In ‘Zomergasten’ vertelde onze premier hoe hij in zijn lessen maatschappijleer gebruik maakt van scènes uit Den Uyl en de Lockheed-affaire (een van Beukenkamps prijswinnende televisie-series): ‘Wat een meesterlijke scenarioschrijver!’ Beukenkamp is de onverstoorbare goeroe, Mizee is de gedreven leerling die en passant de kroniek van haar leven schrijft.

    7. De Grote Jos Ruting Omnibus. Rutings werk werd een halve eeuw geleden al verramsjt en de boekjes die ik toen als tiener kocht, vallen uit elkaar. Maar nu is er deze kloeke verzameling proza, inclusief In de mierenrijken, plus een selectie uit de tekeningen en het grafische werk. Veel vogels, bloemen en vissen. Ruting, die nog heeft samengewerkt met Vroman en met Van Geel, was niet voor niets bioloog.

    Ik werd wakker en noteerde de droom. Wat zou mijn psychiater ervan vinden? Ik wreef me de slaap uit de ogen en dacht: anders maar een boekenbon.

     

     

  • Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Recensie door Hilde van Vlaanderen

    In de dierenverhalen die Carl Friedman gekozen heeft uit de omvangrijke Russische bibliotheek gaat het niet alleen om de dieren zelf, maar meer nog over de relaties tussen mens en dier. Daarnaast geeft deze bundel een mooie indruk van de verschillende schrijfstijlen van de zes schrijvers van wie eenentwintig verhalen zijn opgenomen.

    ‘De kleine burgerman Michael Petrov Zotov, een jaar of zeventig oud, aftands en eenzaam, werd wakker van de kou en van de pijn in al zijn leden’. ‘Een jonge, rossige hond – een kruising tussen een teckel en een straathond – met een kop die erg op een vossesnuit leek, rende heen en weer over het trottoir en keek onrustig om zich heen.’ Dit zijn de beginregels van het laatste en het eerste verhaal, beide geschreven door Anton Tsjechov, van wie negen verhalen in de bundel te lezen zijn. Bij Tsjechov schuilt de droefheid en de weemoed vaak om de hoek, evenals de hoop op betere omstandigheden. Zoals in het prachtige eerste verhaal Kasjtanka over de jonge hond, die zijn baas bij wie hij het eigenlijk helemaal niet zo goed heeft kwijt raakt, dan bij een zorgzame man terechtkomt waar hij ruim te eten en drinken krijgt en vriendelijk wordt toegesproken. De man is clown in het circus en hij leert de jonge hond een aantal trucjes, maar bij het eerste optreden gaat het mis. Boven in de nok van het circus zit de eerste baas met zijn zoon, zij herkennen en roepen Kasjtanka, die dwars over alle banken naar boven rent en weer met hen mee naar huis gaat. Tsjechov schrijft niet, of iets goed of beter is, hij registreert en laat het aan de lezer over na te denken over de implicaties van bepaalde gebeurtenissen. Zo is de weemoed in het laatste verhaal gelardeerd met oneindige onmacht van de arme man, die niet voor zijn zieke oude hond en zijn broodmagere oude paard kan zorgen. Het helpt niet om te praten met zijn oom, het helpt niet om te drinken, het helpt niet om ergens nog om geld te gaan vragen. Hij moet een beslissing nemen en wanneer hij dat gedaan heeft, gaat hij naar huis. En Tsjechov schrijft: ‘Daarna waren zijn ogen tot in de avond met een dof waas bedekt geweest, waardoor hij zelfs zijn eigen vingers niet kon onderscheiden’. Hoe subtiel kun je verdriet beschrijven?

    Veel minder subtiel, maar glashelder, beeldend en precies schrijft Isaak Babel zijn verhalen. Babel (1894-1940) heeft net als Tsjechov voornamelijk verhalen en enkele toneelwerken geschreven. Zijn verhalen spelen in Odessa in de Joodse wijk, beschrijven gebeurtenissen tijdens een veldtocht tegen de Polen en vertellen over zijn jeugd. Het beroemde verhaal De geschiedenis van mijn duiventil is min of meer autobiografisch. Ook Babel maakte in zijn jeugd pogroms tegen de Joodse bevolking mee. In dit verhaal vertelt hij over de vader, die zo graag wil dat zijn zoon naar het gymnasium gaat, dat hij hem een duiventil belooft. Een van de leraren wordt als volgt beschreven: ‘Die Karavajev was een blozende, verbolgen man, die in Moskou had gestudeerd. Hij was amper dertig. Zijn mannelijke wangen hadden een blos als die van boerenkinderen, op zijn ene wang zat een wrat waaruit een plukje asgrauw kattenhaar groeide.’ Precies in zijn taalgebruik en de keus van zijn metaforen: ‘Niemand ter wereld reageert zo sterk op nieuwe spullen als kinderen. Kinderen beven bij de geur ervan, zoals een hond bij een hazespoor, en voelen een uitzinnigheid die we later, volwassen geworden, inspiratie noemen.’ Precies en gruwelijk, zoals in de scène, waarin de jongen eindelijk zijn duiven heeft gekocht, terug naar huis gaat en dan blijkt daar een pogrom te zijn. Een woedende man slaat hem met een van zijn duiven om zijn oren. Hoe gruwelijk het was, heeft Babel zonder pardon beschreven. Dat zie je voor je, daar heb je geen film meer voor nodig. De verhalen van Babel komen echt bij je binnen en blijven hangen. Enerzijds is het taalgebruik prachtig, anderzijds is de sfeer vaak zo indringend, dat je die verhalen gedoseerd moet lezen.

    Ivan Boenin (1870-1953) is net als Babel een schrijver uit het begin van de 20e eeuw. Hun leven en hun lot verschilden echter hemelsbreed. Boenin had een weliswaar niet rijke, maar wel aangename, rustige jeugd op een landgoed in Midden-Rusland. Hij volgde een opleiding tot bibliothecaris en journalist en werkte enkele jaren als ambtenaar. Zijn verhalen zijn gekleurd door de sfeer van het platteland. Door gesprekken met boeren tijdens zijn jonge jaren kon hij later een mooi beeld geven van de Russische volksaard. Zijn verhalen zijn vaak suggestief, zoals in De kraanvogels de lezer zich maar moet voorstellen, waarom de jonge molenaar zo wanhopig is als de kraanvogels al weggevlogen zijn. En in het verhaal Wolven een jonge vrouw de rest van haar leven met een mysterieus glimlachje vertelt over die keer, dat de paarden op hol sloegen bij het zien van enkele wolven. Boenin was een groot bewonderaar van Lev Tolstoj en van Anton Tsjechov. Van de een nam hij wellicht de nostalgie over en van de ander het suggestieve, geconcentreerde schrijven.

    Cholstomjer. De geschiedenis van een paard is een lang verhaal, onderverdeeld in 12 hoofdstukken. Lev Tolstoj laat hier een ander perspectief zien, hij laat een paard zijn – droevige – levensverhaal vertellen. En daarin zijn ook, typisch voor Tolstoj (1828-1910) filosofische gedachten opgenomen, over andere dieren, over die andere dieren – de mensen -, over jaloezie, over armoede en rijkdom. Niet alleen in geld, maar ook van geest. Het paard verlangt zijn hele leven naar de goede tijd, die hij ooit bij een huzarenofficier heeft doorgebracht. Toen was zijn leven mooi, hoewel zijn baas niet van hem hield, maar alleen met hem pronkte. Tolstoj weet ook in dit verhaal de goede en slechte kanten van de mens te tonen, ditmaal via de observaties van het trouwe paard.

    Ontroerend zijn de drie verhalen van Fjodor Dostojevski, die het verlangen van mensen naar een levend wezen, ook al is dit een hond of een paard laat zien. In een fragment uit Aantekeningen uit het dodenhuis, de roman die Dostojevski (1821-1881) over zijn tienjarig verblijf in een kamp in Siberië schreef, beschrijft hij hoe de band met de hond Sjarik is ontstaan en hoe belangrijk deze voor hem is. Ook vertelt hij in het fragment De dieren uit onze gevangenis welk effect sommige dieren op de gevangenen en het leven in de gevangenis hebben. Dostojevski was als politiek gevangene tussen dieven en moordenaars geplaatst in het kamp, toch schrijft hij met veel mededogen over zijn medegevangenen.

    Het enige verhaal van Ivan Toergenev in dit boek is Moemoe, een realistisch verhaal geschreven in 1854, zeven jaar voor de afschaffing van de lijfeigenschap. Ivan Toergenev (1818-1883) was opgegroeid op een landgoed in het midden van Rusland, een gebied waar fraai en zuiver Russisch werd gesproken. Toergenev is dan ook in eigen land geliefd om zijn verzorgde taalgebruik en zijn mooie natuurbeschrijvingen. In het verhaal Moemoe beschrijft hij het lot van een lijfeigen boer, Gerasim die door zijn oude bazin mee naar Moskou wordt genomen. Gerasim is doofstom, groot en ijzersterk. Hij is doodongelukkig in de grote stad, de kleine behuizing en met het werk wat hij in en om huis moet doen. Dan wordt hij verliefd op een aardig meisje, maar zijn bazin huwelijkt haar aan iemand anders uit. Gerasim is diep verdrietig. Er komt een hondje aangelopen, Moemoe, waar Gerasim voor gaat zorgen. Met Moemoe is hij gelukkig en tevreden. Maar ook dat gunt zijn oude, krengerige bazin hem niet. Ze zegt, dat ze last heeft van het geblaf van het hondje. En gelast de andere bedienden te zorgen, dat Moemoe weg moet. .. Enfin, hoe het verder gaat moet de lezer maar ontdekken. Wat echter karakteristiek is voor Toergenev, is dat hij de willekeur van een eigenaar ten opzichte van een weerloze, onmachtige lijfeigene toont. Dit heeft alles te maken met de jeugd van Toergenev, wiens moeder eveneens zeer hardvochtig was tegen haar personeel. In die tijd was men niet verheugd over deze realistische verhalen van Toergenev, waarin de boeren, de lijfeigenen positieve eigenschappen kregen.

    Een mooie bundel verhalen, een interessante eerste indruk van zes verschillende schrijvers, die gemeen hebben dat ze allen met grote intensiteit over mens en dier schrijven, en tegelijkertijd in hun taal en stijl ook weer heel gevarieerd zijn.

     

    Bijt met toch, bijt me!
    De mooiste dierenverhalen uit de Russische bibliotheek

    Samenstelling: Carl Friedman
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,50 .