• Kaf en koren

    Kaf en koren

    Het concert was prachtig: acht perfect op elkaar ingespeelde stemmen die werk van Palestrina ten gehore brachten. Sopranen, alten, tenoren en bassen, van elk twee. De menselijke stem als precisie-instrument. Als toegift zongen ze een kort polyfoon motet ‘Salva me domine’ van Jean Mouton, geboren in 1459, van wie ik nog nooit gehoord had. Zo ongelofelijk mooi en sereen, het streek de scheuren in mijn ziel een beetje glad en bracht tranen in mijn ogen.

    Toen ik na het concert naar buiten liep, ving ik flarden van gesprekken op tussen de andere bezoekers. Palestrina werd geprezen en daarna ging het gesprek over tot de orde van de dag, met vragen naar de treintijden en nog even iets drinken. Maar niemand had een woord over voor dat lied van Mouton en ik vroeg me af waarom. Omdat alleen de grote namen de moeite van het bespreken waard zijn? Omdat onbekend onbemind maakt?

    Ook in de literatuur vind je dat terug: onbekende auteurs komen niet gauw aan bod in de bestsellerlijsten, tenzij er flink aan promotie gewerkt wordt door de uitgeverij. Voor beginnende auteurs is het moeilijk om een uitgeverij te vinden die wel iets ziet in je werk. Veel van die schrijvers geven hun boek dan maar zelf uit, maar daar wordt vaak de neus voor opgetrokken: als geen uitgever het wilde hebben, dan zal het vast en zeker ook wel niks zijn. Iedereen kent het verhaal van J.K. Rowling die langs twaalf uitgevers had lopen leuren met haar eerste boek over Harry Potter voordat eentje het aandurfde om haar boek te publiceren.

    RECEPTIE

    ‘Poëzie’, sta ik te beweren
    tegen een paar ongelovige klootzakken
    in wandeltoilet, ‘komt niet uit de lucht vallen.’
    En ineens zeg komt er, je zou het
    poëtiseren kunnen noemen, poëzie
    uit de lucht vallen.
    Gelukkig dat niemand het zag verder.

    C.B. Vaandrager

    Uit: Made in Rotterdam – Verzamelde Gedichten, 2008

    Er zijn genoeg kleine dichters die grote dromen koesteren. ‘Een groot dichter zijn en dan te vallen’, zegt het ‘Dichtertje’ van Nescio. Sommigen lukt het om de droom dan maar zelf te verwezenlijken.

    Van een lieve kennis kreeg ik twee bundels cadeau: Mirjam Musch, Bloedlijn, en Theo Monkhorst, Levenslang, beide uitgegeven bij een printing-on-demand-uitgeverij. Monkhorst heeft zijn sporen verdiend met proza, maar de gedichten die hij schreef van 1960 tot 2025 gaf hij in eigen beheer uit. Ook voor Musch is deze bundel, waarin zij vertelt over haar Indische ouders die in de jaren vijftig naar Nederland kwamen, geen debuut. Self-publishing heeft grote opgang gemaakt en beide bundels zien er prachtig uit. Zowel in die van Monkhorst als van Musch staan goede en minder goede gedichten.

    Staat het al per definitie vast dat een bundel die niet bij een officiële uitgeverij is uitgekomen, daarom geen literaire waarde heeft? Nee, natuurlijk niet. Er zijn ook genoeg bundels van beroemde dichters uitgegeven door bekende uitgeverijen waarvan je denkt: mwah. Toch zou ik altijd kiezen voor een traditionele uitgeverij. Die staat garant voor kwaliteit, zowel voor binnen-  als de buitenkant van de bundel. Een professionele redacteur is onmisbaar om het kaf van het koren te scheiden. Bij een zelf uitgegeven boek moet de lezer dat doen.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • De lift

    De lift

    De lift in het ziekenhuis gromt en spert zijn kaken open als een monster uit een verhaal van Stephen King. Ik moet naar de vijfde verdieping, omdat mijn man daar is opgenomen, maar ik durf niet. Lang geleden heb ik een weekend vastgezeten in een gammele lift. Op een zaterdagochtend wilde ik iets ophalen uit het gebouw waar ik toen werkte. Er was geen alarmknop in de lift en mobieltjes bestonden nog niet. En omdat ik alleen woonde, was er niemand die zich afvroeg waar ik bleef. Pas op maandagmorgen werd ik bevrijd, toen ik allang gek geworden was in het donker en de stilte, zonder enig begrip van tijd. Ik hield er claustrofobie aan over, die zelfs na langdurige therapie nooit verdwenen is. Het blijft een van mijn grootste angsten die zich ’s nachts manifesteert als een klamme nachtmerrie waaruit ik schreeuwend wakker word. Ik heb liften sindsdien altijd weten te mijden, maar als ik nu de trap neem naar de vijfde, zullen ze me ergens tussen de derde en vierde verdieping moeten oprapen.

    Bij de lift in het ziekenhuis sta ik minutenlang besluiteloos te kijken. Dan zie ik een jonge vrouw in een rolstoel. Zij heeft geen andere keuze dan met de lift te gaan. Ik overwin mijn schroom en vraag haar of ze me wil helpen. Maar ze hoeft niet met de lift, zegt ze, ze blijft gewoon op de begane grond. Misschien ziet ze mijn ontreddering, want ze zegt vriendelijk dat ze me toch wel naar boven wil brengen. Ik vraag of ze eerst wil gaan, dan haal ik diep adem en zet een stap in de lift. Terwijl ik me vastklamp aan de reling en naar de grond staar, breekt het zweet me aan alle kanten uit. Het lijkt uren te duren, mijn spieren staan strak en ademhalen gaat moeizaam. Om me heen bulderend geruis en duisternis. Als ik een bevrijdend ‘ping’ hoor, stort ik me door de open deur van de lift naar buiten, snakkend naar adem. Maar de vrouw roept me terug, dit is pas de derde verdieping, er heeft iemand van buiten op de knop gedrukt. Trillend over mijn hele lijf moet ik me opnieuw vermannen, naar binnen stappen, me overleveren aan de lift die op een dodencel lijkt. Op de vijfde verdieping struikel ik bijna huilend naar buiten.

    Stel je niet aan, zegt mijn rationele brein elke keer. Er gebeurt niets, die lift gaat duizend keer per dag op en neer. Maar mijn bange hart zet zijn hakken in het zand en schreeuwt zich geluidloos buiten zinnen. Zelfs het gedicht van Vaandrager kan ik niet lezen zonder dat paniek mijn keel dichtschroeft.

    ‘Aangekomen op de vierde

    Wat is er veranderd op deze m²?
    Er zijn maanden over heen gegaan.
    En leveranciers en hoeveel
    onbevoegden?

    Wat is er veranderd dat deze schacht
    steeds vaker weigert?

    Nog steeds geen gebrek aan beleefdheid:
    Gaat u voor en men vraagt zelfs
    welke knop men mag indrukken voor mij.’

    Maar voor nu: rug recht, opgewekt naar binnen, niets laten merken. ‘Hallo lief, hier ben ik weer, hoe gaat het vandaag met je?’

     

    C.B. Vaandrager (uit: Met andere ogen, 1961)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Ongrijpbare paradijsvogel – In memoriam Hans Verhagen (1939-2020)

    Op mijn netvlies staat die beroemde foto uit 1965 van de vierkoppige redactie van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik/De Nieuwe Stijl. Recht in de camera kijkend: Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar. Met uitdagende blik spieden de kersverse grondleggers van het poëtisch neorealisme in de lens. Armando als de getergde bokser, Sleutelaar als de gewiekste reclamemaker, Vaandrager als ongeleid projectiel, en er ietwat verbaasd tussenin de jonge Hans Verhagen. De heren hebben zojuist hun nieuwe stroming gepresenteerd waarmee ze de poëzie op haar grondvesten zullen doen laten schudden. Alles gericht tegen die vermaledijde Vijftigers die de poëzie met hun lyrische experimenteerkunst voorgoed hebben besmet. De ‘Zestigers’ propageerden een Nieuw Realisme dat voornamelijk moest bestaan uit het ‘intensiveren van de werkelijkheid’ en de ‘authenticiteit van de informatie’.


    Hans Verhagen is het minst
    overtuigende lid van deze club geweest. Vooral geïmponeerd door de reputatie van Armando en zijn Rotterdamse kompanen bleek na enige tijd dat hij niet helemaal in de wereld van de reclameteksten en readymades thuishoorde. Zijn in 1963 gepubliceerde debuutbundel
    Rozen & Motoren toont aanvankelijk nog het tegendeel. Uit de cyclus Genocide bijvoorbeeld dit:

    ‘Geboren 30-7-’61 10 u. 55, zoon van
     Hans Verhagen & Conny Tavenier’

    Een readymade in topvorm. Toch is in deze eerste bundel de wispelturigheid van Verhagen al aanwezig. De lyriek ligt op de loer en uit zich op haast onbewuste wijze in een groot aantal verzen. Alleen al het korte, titelverklarende gedicht is een duidelijke weerklank van de verteller, een persoonlijke uiting die de wenkbrauwen van de overige Zestigers zeker zal hebben doen fronsen:

    ‘Het is niet vrij van rozen
     en ook het gebruik van motoren
     is aan mijn lichaam niet vreemd.’

    De verwoording van de alledaagsheid in snoeiharde oneliners, wervende teksten uit het straatbeeld, het was allemaal razend interessant voor de dichterlijke veelvraat die Verhagen was. Maar het was niet voldoende. Daarbij voelde de aansluiting bij een stroming voor hem als een keurslijf dat er juist om vroeg op gezette tijden doorbroken te worden. 


    Hans Sleutelaar noemde Verhagen in
    die tijd ‘een romanticus tegen wil en dank, die de pathetiek niet schuwt.’ Dat werd in vele gedichten aangetoond, waarin Verhagens romantische lyriek een grote vlucht neemt. Uit de cyclus
    Sterren boven Bombay:

    ‘Je zei dat je zou komen,
     ik heb op je gewacht.
     Je zei dat je bij mij zou blijven,
     ik ben alleen gebleven.
     Ik hoopte dat je me alleen zou laten
     maar je hebt me met een menigte gevuld
     en ik weet niet wat ik doen moet –’

    Ook de uiterlijke vorm speelt al vroeg een rol in Verhagens werk. De bundels Cocon (1967) en Sterren cirkels bellen (1968) vallen op door hun uitbundige vormgeving. Kleurige pagina’s, geometrische vormen, typografische experimenten, de traditie om poëzie op gepaste wijze in zwart-wit aan het papier toe te vertrouwen is aan deze dichter niet besteed. Een directe link met zijn beeldende werk als schilder – in de jaren tachtig heeft hij zijn eerste solo-expostie – wordt goed zichtbaar in deze bundels. 


    Verhagen doet zijn ongrijpbaarheid eer
    aan en verdwijnt met enige regelmaat van de radar als dichter. Hij legt zich toe op de beeldende kunst en steekt veel tijd in zijn werk als televisie- en filmmaker. Als producent van de spraakmakende VPRO-programma’s
    Hoepla en Het Gat van Nederland weet hij de in die tijd geldende grenzen flink op te rekken. In 1983 verschijnt er dan weer een nieuwe dichtbundel, Kouwe voeten. Een diepzwarte bundel met veel regels die verwijzen naar Verhagens ex-vrouw Conny die, sinds hun scheiding, meerdere zelfmoordpogingen heeft gedaan. De verzen zijn sterk emotioneel, overladen met sentiment en handelen over de doorlopende levenscyclus en de betekenis van eeuwigheid:

    ‘In 1 keel meeschreeuwend met al wat niet kan zingen
     jaag ik tevergeefs door het stenen tafereel
     waarin ze plotseling oploste
     toen ik even niet keek.

     O de holte van d’r romp op zolder gevonden,
     met een gat waar d’r hart was en waar
     je doorheenkeek in een wirwar van stegen
     waarin ze verdween, m’n geweten.’


    Na opnieuw een lange pauze,
    en twee door critici slecht ontvangen bundels in de jaren
    negentig, is er vanaf 2000 weer een opleving in de poëzie. Verhagen laat zich in die jaren kennen als flamboyante, maar vooral onvoorspelbare gast op literaire avonden en festivals. Toch heeft de door drank en drugs overeindgehouden paradijsvogel met zijn bundel Triomfantelijke wandelingen weer een groot deel van de recensenten voor zich gewonnen. Met een sterk engagement en een reflecterend oog kijkt de dichter vooral naar zichzelf en zijn eigen beweging:

    ‘zonder punt van aankomst kom je niet tot stilstand,
     schiet je door je punt van nooit meer terugkeer heen –
     aankomen en wegwezen hebben geen betekenis meer
     tot je je zó in het bewegen hebt geïnfiltreerd dat je
     – niet gezegd op een plek waar jij het meest aan hecht –
     opnieuw lijkt stil te zullen staan; je begint weer om je heen
     te kijken en herkent van alles, alsof er in je leven
     niets veranderd is, wat opvallend is,
     omdat je juist is opgevallen
     dat alles anders is.’

     

    Dan volgen nog een aantal succesvolle bundels én een verzamelbundel en wordt in 2009  aan Verhagen de PC Hooftprijs voor Letterkunde toegekend. De jury spreekt van ‘verbluffend goede poëzie, vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’. De dichter reageert koeltjes op de prijs en vindt het allemaal ‘wel leuk – ik heb dat werk gemaakt, dat is ook wel wat waard’. Met het geldbedrag is hij erg blij. ‘Kan ik allicht een middag van roken. O ja, moet ik er iets nuttigs mee doen? Iets literairs? Een peuk van Kloos kopen of zo?’

    Hans Verhagen, de Zestiger die zich verzette tegen de Vijftigers, terwijl zijn grote liefde voor Lucebert altijd is gebleven. Over hoe hij zelf schrijft heeft hij nooit veel meer kunnen zeggen dan: ‘associatief, de woorden komen gewoon tot me’. De eeuwigheidswaarde van zijn omvangrijke oeuvre? Wil hij niets over horen. De ongrijpbare dichter, altijd in het hier en nu, schrijft de onmacht van zich af in Implosie (2009):

    ‘Met al mijn lyrische geneeskracht
     heb ik nog geen enkel wezen
     van het sterfbed teruggebracht’

     

     

  • Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

    Bescheiden oogst van zestig jaar dichterschap

    De dichter Hans Sleutelaar doet zijn naam eer aan. Hij blijft aan zijn oeuvre ‘sleutelen’ tot er bijna niets van overblijft. ‘het schrompelt als een kriks ineen’, zou men vrij naar ‘De blauwbilgorgel’ van C. Buddingh’ kunnen zeggen. In het jaar dat Sleutelaar tachtig werd, 2015, verscheen zijn bundel Wollt ihr die totale Poesie? Die ‘totale poëzie’ omvat in dit geval nog geen 100 bladzijden, waarvan er slechts ruim 70 daadwerkelijk gedichten bevatten, ‘korte en zeer korte’, zoals de ondertitel van de bundel al aankondigt. Een poëtische oogst van een bescheiden, beslist dichterschap dat meer dan zestig jaar omvat.

    Hans Sleutelaar komt voort uit de groep dichters rondom het tijdschrift Gard sivik, waartoe ook Armando behoorde, evenals C.B. Vaandrager en Hans Verhagen. Sleutelaar liet zich in de jaren zestig in met artistiek-weerbarstige stromingen als de Nul-beweging en ‘De nieuwe stijl’. Veel weerstand riep Sleutelaar op met zijn boek De SS-ers (1967). Hierin bundelde hij interviews (samen met Armando) met Nederlanders die in de oorlog ‘fout’ waren geweest, om ook hun geluid in het na-oorlogse Nederland te laten horen. Het riep een storm van verontwaardiging en protest op. Later was Sleutelaar als adjunct-hoofdredacteur verbonden aan het opinieweekblad Haagse Post en publiceerde hij met Eelke de Jong in kloek formaat uitgegeven een aantrekkelijk geïllustreerde verzamelingen Nederlandse sprookjes uit de Lage Landen (3 delen).

    Sleutelaars poëzie laat zich bij oppervlakkige kennismaking aanzien als nuchter. Het zeer fraaie, zakelijk en grijzig vormgegeven uiterlijk van dit bescheiden bundeltje draagt aan die verwachting bij. De zorgvuldige lezer echter wordt voortdurend getroffen door geloofwaardig sentiment. Overduidelijk aanwezig is bijvoorbeeld het effect van de oorlog op de Rotterdammer Sleutelaar.

    Willemsbrug mei ‘40
    Smeulend puin. Een graflucht. Meeuwen krijsen.
    Maar ik ben achter vaders rug niet bang. Hij wijst.
    – De jongenslijken die de Willemsbrug bevolken.
    Nog zie ik het zwarte water om de pijlers kolken.

    In de ‘Lof van de poëzie’ wijst de dichter niet zozeer op de kracht van de tekst, maar op het mirakel van de werkelijkheid die de inspiratie tot een gedicht verwekt.

    Wat is poëzie? Wat zijn woorden?
    Wat niet? Een echo van een echo
    is het woord. Maar menigeen
    die geen vermoeden heeft van poëzie,
    ziet soms de wereld in haar wonder licht.

    Dit bundeltje bestaat uit vijf afdelingen, getiteld ‘Schaars licht’, ‘Vermiste stad. Rotterdamse kwatrijnen’, ‘Verspreide gedichten’, ‘Vroege verzen’ en ‘Vertalingen’, plus een opstel uit 2005 met de titel ‘Kan rijm nog?’. Ook relevant zijn de ‘Aantekeningen’ waaruit blijkt dat sommige gedichten zijn opgedragen aan vrienden en bekenden. Meermalen duikt daarbij de naam op van C.B. Vaandrager, voor wie Sleutelaar het volgende grafschrift schreef.

    De dichter, in het stugge woord bedreven,
    die zijn gesloten hart nors openstelde,
    sleet hier zijn barre, boze dichtersleven.
    De stad bestaat in wat hij haar vertelde.

    Naast de hier aangehaalde korte gedichten staan er in deze bundel nog kortere maar ook langere. Het motto bij dit alles is van Martialis, een Romeins schrijver uit de 1ste eeuw na Chr.: “Je kunt niet strenger zijn voor mijn nietige verzen dan ik zelf ben geweest.” Sleutelaar zelf zegt al, in zijn kwatrijn ‘Nieuw Rotterdam’, “Hier is geen plek voor nietigheid.” Deze bescheiden verzameling stroeve maar volwaardige gedichten verdient volkomen mededogend en welwillend te worden tegemoet getreden.

     

     

     

  • Herrijzende ster van Vaandrager en de tijd dat poëzie op straat lag

    Herrijzende ster van Vaandrager en de tijd dat poëzie op straat lag

    De naam Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) wordt vaak in één adem genoemd met die van Hans Sleutelaar, Hans Verhagen en Jules Deelder. Zij zijn bekende performers of, specifieker, ‘aucteurs’ waarvan er anno 2017 zovelen rondgaan. Ze schrijven en treden op, begeven zich tussen lezers of tussen toehoorders die hun werk misschien niet eens meer hoeven te lezen.

    Vaandrager en zijn kompanen, aucteurs- avant-la-lettre, verfoeiden de ivoren toren van de Tachtigers, de Vijftigers, van alle vorige generaties. Toen Vaandrager in de vroege jaren zestig begon te publiceren brak hij nog niet resoluut met die traditie. Toch schemert al – in zijn veelgeprezen roman Leve Joop Massaker (1960) ,en de poëziebundel Met andere ogen (1961) – zijn latere revolutionaire manier van kijken door. Uitgangspunt is daarbij dat de alledaagse realiteit, hoe lelijk ook, een voedingsbodem voor kunst vormt.

    In de bundel met de onopgesmukte titel gedichten (1967) presenteert Vaandrager een kale en bovenal ongefilterde benoeming van de dingen. Kenmerkend is verder dat de openingscyclus ‘Het sexuele leven’ evenals de meeste andere afdelingen uit ultrakorte gedichten bestaat:

    Kind: Wie was die meneer? / Moeder: die meneer kent mammie nog van vroeger, / toen mammie nog niet getrouwd was

    Vaandrager was een smaakmaker. Hij wees Toon Hermans met zijn onemanshow de weg in het cabaret, stond aan het begin van de podiumliteratuur waarin Johnny van Doorn – alias Johnny The Selfkicker – en Bart Chabot zouden excelleren. Bovendien is hij een belangrijk vernieuwer van vooral de Nederlandse poëzie. Deze verdiensten rechtvaardigen de aan hem gewijde uitgave Vaan nu ten volle. Zij laat zien, zoals in het voorwoord is aangekondigd, wat Vaandrager ‘ons anno 2017 – 25 jaar na zijn overlijden – te zeggen heeft.’

    Het boek bevat onder andere een informatief essay van Bertram Mourits over de literaire ontwikkelingsgang die Vaandrager vanaf 1960 doormaakte. Verder zijn er bijdragen van ruim twintig anderen hedendaagse auteurs, herinneringen en anekdotes alsmede poëzie die door de ‘Rotterdamse Reus’ beïnvloed of geïnspireerd is.

    Een ontroerende notitie is van de hand van Mustafa Stitou: ‘Eind 1973 […] Wilhelmina Gasthuis, paviljoen 3 […] Als een mysticus met zonnebril rookte hij de ene na de andere joint.’ In genoemd jaar leidde Vaandrager na de voor hem roerige sixties een in drugszucht en zwerflust gedrenkt bestaan met opnames in psychiatrische instellingen als gevolg. Volgens Mourits had dit te maken met miskenning. Hij was niet zoals Sleutelaar, Verhagen en Jules Deelder doorgedrongen tot een groot publiek. Bovendien besteedde de literaire kritiek in die latere jaren minder aandacht aan zijn werk, dat door Vaandragers lichamelijk en geestelijk verval in frequentie en kwaliteit, tanende was.

    Vaandrager stierf nog geen zestig jaar oud aan verwaarlozing en uitputting zoals Johnny van Doorn, René Stoute of Riekus Waskowsky. Ook zij gingen aan de literatuur al of niet door miskenning en in elk geval aan psychedelica ten gronde.
    Na zijn dood kreeg Vaandrager een (her)waardering waarop Vaan nu met diverse bijdragen van jongeren en ouderen een kroon zet. Zoals in de introductie op het boek en in daaropvolgend inleidend essay wordt aangestipt, Vaandrager was de voorman van de ‘Bende van vier’. Zij fulmineerden in de gezaghebbende tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl tegen de Vijftigers en hun te beperkte binding met de realiteit. Niet minder dan een nieuwe generatie, die der Zestigers, schaarde zich rond de ‘Bende’. In de jaren van zijn revolutionaire gedichten – merkt de inleider van Vaan nu op – heeft Vaandrager ‘getracht de grenzen van wat literatuur is op te rekken en verbinding te zoeken met de (indertijd) opkomende pop- en mediacultuur.

    Als schrijver en dichter droeg hij de geestesgesteldheid in zich van ons huidig multimediale tijdperk. Eveneens is er een relatie tussen het afbreken van autoriteit in de jaren zestig – waarin Vaandrager zich als betoger tegen de officiële literatuur thuis voelde – en het postmodernisme met zijn relativeren van verworvenheden. De ‘Bende van vier’ had immers (anders dan de ready made-cultuur van Barbarber rond Bernlef en Schippers eind jaren vijftig) de alledaagse realiteit tot poëzie verheven. De poëzie lag om zo te zeggen op straat, in materiaal dat slechts opgeraapt moest worden en slechts een geringe bewerking behoefde.

    Een van de mooiste bijdragen aan Vaan nu is een interview van Bart Chabot met Herman Brood die herinneringen aan Vaandrager ophaalt. Het vraaggesprek is geschreven met dezelfde schijnbare onbewogenheid als werk van bewonderaars onder wie Ramona Maramis en Lilian Zielstra. Van de laatste is ‘boekhandel’, een tekst die in de lijn ligt van het geciteerde uit gedichten: Verkoopster: Is het een cadeau? / Klant: Ja, voor mezelf.

    Vaan nu is en geslaagd eerbetoon en eerherstel voor een auteur die zijn sporen in de Nederlandse letteren overduidelijk heeft nagelaten.