Zonder het af te doen als obscurantisme geldt vaak dat wijsheid uit het Oosten cryptisch wordt gebracht. Deze wijsheidsliteratuur duiden en brengen is een vaardigheid op zich. Zie bijvoorbeeld Michael Puett’s De Weg uit 2016. Maar deze andere perspectieven kunnen ons een nieuwe kijk bieden op het dagelijks leven en even een venster openzetten naar een andere wereld. Een van de belangrijkste stromingen uit het Rijk van het Midden was het taoïsme, een traditie geënt op oudere volksreligies, de natuur en mysticisme. De taoïstische filosofen waren vooral bezig om zich af te zetten tegen het heersende confucianisme, een strijd van ideeën die vandaag de dag nog actueel is.
Filosoof Michel Dijkstra laat in Spiegel van hemel en aarde zijn licht gaan over het begrip hart-geest, een van die onmogelijk te vertalen begrippen uit de Chinese filosofie. Een woord dat lijkt te hinten op een verborgen affectieve dimensie van en sympathie met de ’tienduizend dingen’. Je zou het volgens Dijkstra ook kunnen vertalen als ‘inter-sensitiviteit’. Net als het woord Tao is het op vele uiteenlopende manieren uit te leggen. Dijkstra kiest ervoor het begrip hart-geest te benaderen vanuit vier verschillende hoeken: taoïsme, confucianisme, shinto en zen. Hij laat hierover vier verschillende denkers aan het woord uit verscheidene tijden.
Deze aanpak heeft Dijkstra eerder al gebruikt door zenmeester Dogen tegenover de christelijk mysticus Meester Eckhart te stellen in zijn boek In alle dingen heb ik rust gezocht (2019). Dijkstra is goed thuis in de comparatieve filosofie en oosterse bronnen en dit levert boeiende vergelijkingen op, zeker op punten waar het Oosten het Westen ontmoet. Deze aanpak resulteert in een spectrum dat loopt van de dogmatische zenleraar Dogen tot de flierefluitende haiku dichter Ryokan. Een onderscheid wat Dijkstra al snel maakt is de tegenstelling tussen dualiteit en non-dualiteit. In het samenvloeien van subject en object ontstaat een modus die je denk-voelen kunt noemen. Hierover zegt Dijkstra dat de ‘antieke Chinees denkt met zijn hart en voelt met zijn gedachten.’ Denkers zoals Zhuang Zi gebruikten vaak geen instrumentele denkwijzen maar volgden onorthodoxe en paradoxale methodes om tot hun conclusies te komen.
Het oppoetsen van de spiegel
Zhuang Zi is een tegendraadse denker die ervan houdt om paradigma’s om te keren en ingesleten waarden tegen het licht te houden. De school van zen en taoïsme legt sterk de nadruk op ‘gecultiveerde spontaniteit’ en stelt als doel om zo los mogelijk te komen van alle geconditioneerde manieren van denken. De ‘spiegel van de geest’ moet opgepoetst worden om tot een grotere vrijheid van denken en handelen te komen. De gedachte is dat we met onze vastomlijnde voorkeuren onszelf het meest in de weg zitten. Deze grotere openheid en onthechting zou volgens Zhuang Zi leiden tot meer vrijheid van het ego, en paradoxaal genoeg juist tot meer verbinding. Wars van dogma’s en conventionele kennis grossieren de taoïsten in ongrijpbaarheid.
Omdat de confucianisten in de optiek van de taoïsten rigide en moralistisch waren met hun nadruk op regels en voorschriften gingen zij de hele andere kant op. Zij zagen het als belangrijk om zoveel mogelijk niet in te grijpen in de loop van de dingen. Gevoel wordt op deze manier boven de categorieën van het denken geplaatst. Het zoveel mogelijk loslaten van oordelen en vooroordelen is hierbij het hoogste devies. Voor denkers als Zhuang Zi was het loslaten van controle belangrijk. Zo wordt voor Zhuang Zi ontvankelijkheid of receptiviteit tot de hoogste deugd. Iets wat hij verbond met het mysterieuze alomvattende vrouwelijke begrip van de Tao die ‘alle dingen voedt’. In het taoïsme is het begrip hart-geest een paradoxaal ontstijgen van verwarring. De taoïsten houden een pleidooi voor de zachte krachten, voor buigen in plaats van breken.
Voetballen met kinderen
Moraal was voor confucianistische filosofen als Mencius iets wat ingebakken zit in de mens. We verplaatsen ons volgens hem vanzelf in anderen door compassie te hebben met hen die het slechter hebben. Op fijngevoelige wijze lichten deze filosofen uit dat deugd natuurlijk handelen belichaamt. Deze morele ontwikkeling is iets wat vooral in relaties naar voren komt. Het cultiveren van deugden is voor het confucianisme iets wat vanzelf tot meer medemenselijkheid leidt. Hart-geest is voor de volgelingen van Confucius een vorm van openhartigheid, het inclusieve verbreden van de eigen morele kring. Goedheid straalt af op anderen en schept zo de voorwaarden voor een meer harmonieuze maatschappij.
Voor shinto is hart-geest dan weer meer een esthetisch besef, wat voornamelijk terugkomt in de Japanse poëzie. Shinto is doortrokken van het besef van de kami en de bezieldheid van de wereld. Getroffen worden door het besef van vergankelijkheid of ontroerd door schoonheid lijken dus uitingen van hart-geest te zijn. Iets wat je bijvoorbeeld terugziet in het spontane karakter van sommige haiku’s.
Voor het in de praktijk brengen van al deze verheven ideeën richt Dijkstra zijn blik op de zendichter Taigu Ryokan (1751-1831). De man die voetbalde met kinderen, dobbelde met prostituees en schijnbaar zorgeloos zonder bezit leefde, belichaamt het ideaal van in het moment leven het beste. Als dieven zijn hut plunderen beklaagt hij zich niet maar merkt op dat ze tenminste wel het raam hebben achtergelaten waardoor hij de maan kan zien. Deze wijze dwaas leefde ongebonden, en was in elk geval los van tradities een vrije geest. Bij hem zie je de liefdevolle aandacht, het dingen nemen zoals ze zijn en in het moment leven, wat je de kern van zen zou kunnen noemen.
Illusies loslaten
Intuïtie lijkt dus leidend te zijn voor veel van het denken rondom hart-geest, als alles met alles is verbonden dan is ook elke interactie waardevol. Het enigszins mystieke besef van hart-geest kan wel tot solipsisme leiden, de onthechte houding is goed voor meer gelijkmoedigheid maar maakt ons niet meteen meer invoelend of geneigd tot liefdadigheid. Dus blijft de vraag; hoe pas je het begrip hart-geest nou daadwerkelijk toe? Het dichtst in de buurt komt Dijkstra in de epiloog als hij het heeft over het afstemmen op je hart, oordelen en illusies loslaten en je perspectief verbreden en zuiveren van egocentrisme. Hoewel dit mooie idealen zijn is het gevaar wel dat het daarbij blijft. Lao Zi kan het mooi verwoorden maar de praktijk is vaak weerbarstig.
Ondanks dat Dijkstra overvloedig citeert en goed uitlegt kan dat niet verhinderen dat het begrip hart-geest zelf vaag blijft. Het is iets wat eigenlijk in de praktijk duidelijk moet worden. De vele voorbeelden, metaforen en wijsgerige parabels behandelen de hart-geest allemaal op andere manieren. Het gaat soms over de balans van actie tegenover contemplatie in de morele praktijk, wat het een gebalanceerd verhaal maakt omdat er ruimte is om ook de tekortkomingen van de houding te bespreken. Zo kun je ook te open zijn of jezelf verliezen. Af en toe grijpt Dijkstra in zijn discours ook terug op Griekse denkers; zo vergelijkt hij confucianisme met de Aristotelische deugdethiek. En hij maakt uitstapjes naar westerse cinema, zoals met Star Wars. Dit maakt dat je goed verbanden kunt leggen.
Over het geheel genomen kan het begrip hart-geest ons iets leren over niet-weten als levenshouding en hoe we onze cirkel van sympathie kunnen uitbreiden. Iets wat bijvoorbeeld heel goed aansluit bij het werk van Peter Singer, een verband dat Dijkstra ook legt. Zijn boek is dus meer een ideeëngeschiedenis dan een praktisch boek en dat is prima. Het geheel biedt een boeiend overzicht van pakweg tweeduizend jaar Chinese en Japanse filosofie. Soms verlies je wel het overzicht tussen al die lianen, maar dat komt ook omdat het begrip zo vaag is. Er is geen houvast, maar misschien is dat ook goed want alles is constant aan verandering onderhevig. We worden met alles wat we zijn ‘van ogenblik tot ogenblik opnieuw geboren.’
Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!
Jan Douwe Westhoeve
Liefde, als dat het is – Marijke Schermer
In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?
Oroppa – Safae el Khannoussi
Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”
Anna Husson
Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren
In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.
Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.
Ronald Bos
De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga
Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)
Mijn Lwów – Jozef Wittlin
Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’
Marjet Maks
De verkavelingen – Arthur Goemans
Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.
Luister – Sacha Bronwasser
Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.
Evert Woutersen
De resten van een mens – Detlev van Heest
Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mensvan Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.
BevrijdingDagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil
Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’
Els van Swol
De slager van Klein Birma – Håkan Nesser
Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.
Vacht! – Cobi van Baars
Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.
Hettie Marzak
Krekel – Annet Schaap
Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.
Beladen huis – Christine Brinkgreve
Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.
Adri Altink
Lied van de profeet – Paul Lynch
Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.
Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel
Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.
Joke Aartsen
Ossenkop – Manik Sarkar
Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!
Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland– Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker
Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.
Bjorn Lichtenberg
Onzichtbare steden – Italo Calvino
Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.
Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle
Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.
Ben Koops
Godric – Frederick Buechner
De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.
Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade
Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.
Juul Martin Williams
Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp
Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.
We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard
De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.
Anky Mulders
Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
Knausgård
De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.
De zwevende wereld – Annejet van der Zijl
Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!
Een man, een vrouw en een huis op een witte vlakte. Dit zijn de ingrediënten die dichter, componist en theatermaker Micha Hamel opvoert in Het zwarte raam, wat in 2021 ook als muziektheaterstuk is uitgevoerd. Hoewel de setting post-apocalyptisch is, is het zeker niet de zoveelste dystopie. Dat het als theaterstuk is bedacht laat zich lezen in hoe dicht de personages elkaar op de lip zitten en door de kluchtige inslag. Terwijl de houtvoorraad van de man en vrouw steeds meer slinkt en de wanhoop toeneemt komt er een onverwachte waarheid aan het licht.
Hoewel het gegeven vrij simpel is kun je er veel kanten mee op, maar de cabin fever besluipt je al snel. De vrouw schrijft aan een roman, de man gaat naar buiten om te werken. Wat voor werk weet zij niet, met deze gegevens moet de lezer het doen tot later in het verhaal. Er is een hoop herhaling in het schetsen van de situatie, telkens met een andere toon. Zo begint bijna elk hoofdstuk met een variatie van het huis, de haard, de vrouw en dan gaat de deur open. Een neiging tot deconstructie en het doorbreken van de vierde wand (een stilistische techniek waarbij de acteur zich rechtstreeks tot het publiek wendt) is Hamel ook niet vreemd in Het Zwarte Raam. De dichter in Hamel komt ook om de hoek kijken in de taalspelletjes en typografische trucjes, net als in zijn vorige boek, de poëziebundel is daar iemand. Bijvoorbeeld als hij de woorden letterlijk over de pagina laat rennen met maar twee woorden op een witte pagina, om de rennende man te symboliseren. Zo is de witte vlakte waar de vrouw en de man op leven ook de figuurlijke witte vlakte van het papier van de vrouw. Een tabula rasa waar alles in en op kan ontstaan, zoals de wonderlijke gedachtelezer die later in het verhaal komt kijken om de boel flink op te schudden.
Vrije val
De man doet er wanhopig alles aan om te voorkomen dat de vrouw te weten komt wat er werkelijk nog buiten is en hoe de beschaving eraan toe is. En dat is niet best, wat gespiegeld wordt in de steeds grimmigere sfeer in de relatie van de man en vrouw. ‘Als ze wist wat hij dagelijks doet, zou alles instorten.’ Dat de buitenwereld onbekend is voor de vrouw betekent dat ze erover kan verzinnen wat ze wil. Ze doet dit door het mysterieuze zwarte raam, waardoor ze de toekomst kan zien. De spanningen rond het aankomende einde van de wereld leiden de man tot het opvoeren van allerhande toneelstukjes. Zo komt hij met het volgende liedje over de wereld: ‘Alles wat wit was is paars / Alles wat groen was is bruin / Alles wat blauw was is zwart’
Het duurt niet lang voor ze beginnen met ruzie maken en ze zelfs met een bijl achter elkaar aan zitten. Een licht absurdistische toets van Hamel zijn de gortdroge beschrijvingen van spullen en gebruiksvoorwerpen regelrecht van Wikipedia: ‘Wat is een huis? Een huis is een door mensen gemaakt bouwsel, dat bedoeld is als beschutting tegen de elementen.’ Soms werkt dat goed en soms voelt het overbodig en flauw, vooral als hij het trucje te vaak achter elkaar herhaalt.
Om de vrije val van de relatie enigszins stop te zetten huurt de vrouw een gedachtelezer in om achter de geheimen van de man te komen. Dit is de droge humor ten top en een van de sterkere momenten van het verhaal. De gedachtelezer komt binnen als een volstrekt ongeleid projectiel. Hij is het onbekende element en zet alles op losse schroeven door zijn excentrieke gedrag en capriolen. Zijn bijdragen worden in het begin in hoofdletters opgetekend en hij spreekt exclusief in archaïsmen en raadsels. Als hij een boekje opendoet over de waarheid die de man probeert achter te houden, dreigen de verhoudingen in elkaar te storten. De vrouw gaat met dingen gooien en de man krijgt een aanval van razernij waarbij hij alles kort en klein slaat. Om dit af te sluiten met een knipoog zegt de gedachtelezer: ‘We zijn nu op pagina 89 van dit verhaal en ik vind dat ik het hartstikke goed doe.’
Laatste getuigen
De man en de vrouw zijn de laatste getuigen van deze wereld. Er is een mogelijk verband met de klimaatcrisis, maar er is erg veel onbekend over deze wereld. Is het een virtuele realiteit of bestaat ze alleen bij gratie van een grillige god? Het zwarte raam dient als een soort portaal naar de toekomst, maar waar komt het vandaan? De bedoeling van de tekst lijkt gedeeltelijk te zijn om te ontregelen. Ook altijd aanwezig is de subtiel omfloerste stem van de alwetende verteller die soms met zijn wijsheden strooit en sart of verwarring zaait. Wat ook opvalt is de vrij korte spanningsboog, het duurt niet lang tot de grote onthulling om de hoek komt kijken die dan al niet meer als een echte verrassing aanvoelt.
De licht experimentele opzet met de absurdistische elementen zal niet iedereen aanspreken maar is bij vlagen hilarisch en maakt nieuwsgierig. Wat wel stoort is dat het geheel op sommige plekken nog leest als een toneeltekst, inclusief regieaanwijzingen. Dat werkt licht bevreemdend, al zal het de bedoeling zijn. Ook het insulaire van de twee karakters met hun vinnige dialogen lijkt dit te bevestigen. In die zin is het een soort solipsistische tekst, ze staat op zichzelf en creëert zichzelf. De dialogen zijn scherp maar het gebrek aan beschrijving en opvulling van de blinde vlekken geeft dat het geheel minder beklijft. Alles bij elkaar is de novelle een frisse wind en een ode aan de onstandvastigheid van de liefde. Op de laatste ijsschots blijven de man en de vrouw over. Misschien is het goed het advies van de gedachtelezer in gedachten te houden: ‘VLUCHT NIET, MENSEN, VLUCHT NIET JULLIE ZORGEN ZIJN VOORBIJ KIJK NAAR ELKAAR EN NAAR JEZELF VIA MIJ VIA MIJ VIA MIJ.’
De auteur van het kleine maar fijne ironisch genaamde Mes Amis en het daaropvolgende Armand was zijn hele leven bestemd om de ultieme einzelgänger te zijn. Zich niet thuis voelend in zijn eigen land noch bij andere mensen, kon niemand beter dan Emmanuel Bove (1898-1924) zo treffend de hunkering naar en het verloren gaan van vriendschap beschrijven. Zich uitputtend in kleine, bijna pietluttige details verwijdt hij onze blik tot we alles in ons opnemen. De eenzame man op het bankje, de overbezorgde moeder en de buurman die vandaag net iets later dan normaal de hond uitlaat. Achter het kleinste gebaar gaat een wereld van betekenis schuil in het marginale bestaan.
De personages van Bove zijn geen makkelijke mensen, ze zijn behept met allerhande nukken en grillen die ze zelf soms nauwelijks begrijpen. Victor Bâton, de hoofdpersoon uit Mijn vrienden leeft van een kleine uitkering voor oorlogsveteranen en is een beetje mensenschuw geworden. De armoede maakt hem overgevoelig voor sociale verhoudingen waardoor hij zeer op zijn hoede is naar anderen toe. Dit wantrouwen komt tot uiting in verschillende tragikomische scènes waarin hij telkens weer een flater slaat of ten onder gaat aan misverstanden. Als eeuwige flaneur zwerft hij door de straten van een minutieus in kaart gebracht Parijs, waar hij zwelgt in spleen en zelfmedelijden. Het tedere en tegelijk wrange van menselijke interacties wordt door Bove meesterlijk uit elke situatie gepeuterd. Bâton zoekt zijn medemens maar vindt eeuwig en alleen zichzelf wanneer het weer spaak loopt.
Sympathie voor de buitenstaander
Wie hoopt op begrip van de schrijver voor de hoofdpersoon en bedrogen uitkomt is aan het juiste adres bij Bove. De smaak van mislukking loopt als een aperitief door zowel Mijn vrienden als Armand en het korte verhaal Een andere vriend. Uitgeverij Tzara heeft deze drie verhalen gebundeld als introductie tot het werk van Bove, de vertaling is van Wim Ver Elst. De ongelukkig uitgevallen aanvaringen van de hoofdpersonen van Bove vinden hun literaire echo in Knut Hamsun’s Honger en in de naamloze hoofdpersoon van Dostojewski’s Notities uit het ondergrondse. Om aan zijn kleurloze en trieste bestaan te ontkomen probeert Victor Bâton troost te vinden bij anderen, terwijl hij tegelijkertijd gebukt gaat onder het contact met zowel arme als rijke mensen. De alledaagsheid waarmee anderen hun dagelijkse boeltje regelen is hem vreemd, hun geluk wekt afgunst in hem en de misère van anderen veroorzaakt weer superioriteitsgevoelens. Deze tegenstrijdigheid en tegengestelde behoeften aan nabijheid en eenzaamheid zijn typisch voor hen die aan sociale isolatie lijden.
Wat vaak zo aangrijpend is in het werk van Bove is de geruisloze sympathie met allen die lijden aan de verborgen kwalen van het leven. Hij heeft een fijnzinnige aandacht voor gebogen mondhoeken, trillende handen en laagjes stof op servies. Bij gebrek aan gemeenschapsgevoel worden zijn personages gevoelig voor de geringste vriendelijkheden, elke uitgestoken hand is een uitnodiging. Bove was als geen ander vertrouwd met dit leven, toen hij zelf als 17-jarige jarenlang in hotels uit zijn koffer leefde. Dat was voor hij op zijn 21e ontdekt werd door Colette en een gevierde schrijver werd.
Bekende eenzaamheid
Het is niets minder dan onversneden wanhoop die Victor Bâton doet verzuchten: ‘Ik wil zo graag een vriend, een echte vriend hebben, of een vriendin, bij wie ik mijn hart kan luchten.’ De lange stiltes wegen zwaar op hem, de onvermijdelijke verveling van lange dagen zonder iets om naar uit te kijken werken afstompend op zijn gemoed. Zijn eenzaamheid slaat ook regelmatig om in het verlangen om er niet meer te zijn. Als hij zich bijvoorbeeld bijna wil verdrinken in het tweede verhaal van Mijn vrienden. Vlak voor de huisbaas hem uitzet mijmert Victor: ‘Het is vreemd hoe alles verandert zonder jou.’ Het zijn die kleine terloopse zinnetjes die de ware inventaris vormen van de vereenzaming. Van woorden die zich jarenlang opgehoopt hebben, stellingen gebouwd van luchtkastelen, doorgeslikte tranen en teleurstellingen. Van toch weer aan je eigen lot overgeleverd worden als een onbewoond eiland. Is het vergeefse moeite om toch altijd weer het contact met anderen te zoeken? Dat lijkt de centrale vraag in Mijn vrienden en de vraag stellen is hem beantwoorden voor Bove.
Armand vormt als het ware de spiegel van Mijn vrienden. In Armand treffen we een min of meer gesettelde familieman die terugkijkt op zijn jaren van armoede als hij zijn oude vriend Lucien bij toeval op straat treft. Armand is getrouwd met een vermogende vrouw en alles aan Lucien doet hem denken aan wie hij vroeger was, aan zijn onbehouwen manieren, zenuwtrekjes en hoe hij moest schrapen om de dag door te komen. Armands huwelijk lijkt minder stabiel dan hij dacht als een oude wrok weer oplaait en hij het gevoel heeft dat hij zich tegenover Lucien moet verantwoorden. De verhoudingen hier zijn subtiel anders dan in Mijn vrienden, maar de dynamiek is grotendeels hetzelfde. Het geluk van Armand voelt als toeval, zijn vroegere leven lijkt hem waarachtiger en als de zeepbel van het geluk doorgeprikt wordt resteert alleen de herinnering eraan.
De stenen waar Bove’s hoofdpersonen over struikelen zijn voor anderen steentjes in de schoen. De verhalen in deze bundel zijn kostbare kleinoden gezien door het oog van de voorbijganger, indachtig de wandelaar van Rousseau een oude traditie. Zijn stem is even wezenlijk als die van een oude vriend, misschien is de titel dus minder ironisch dan hij lijkt. De lezers kunnen zich voor even Bove’s vrienden wanen. Gedeelde smart zou halve smart kunnen zijn, maar voor Bove leek het geluk niet weggelegd. Ondanks zijn redelijke succes en erkenning leek hij tijdens zijn leven de voorkeur te geven aan in de marges werken, ver van het spotlicht. Hij gaf weinig tot geen interviews en was zeer bescheiden over zijn metier. Op het eind van zijn leven glipte hij na een korte ziekte geruisloos de stilte in, alsof hij uit de coulissen kwam. De stilte waarin hij zichzelf terugvond of herkende. Die hem als een vriend verwelkomde. ‘Het leven was doorgegaan.’
De geëngageerde Louis Paul Boon bleef zijn hele leven verknocht aan het stadje Aalst waar hij het levenslicht zag. Als ultralinkse socialist bleef hij altijd begaan met de arbeiders en was hij gefascineerd door de mogelijkheden van het socialisme in een tijd van grote industriële omwentelingen. Dat hij eigenlijk enorm pessimistisch was over de samenleving lees je voortdurend terug in zijn werk. Hij bleef altijd hopen op een soort utopisch anarchisme, dat dit zich nooit manifesteerde was voor hem geen reden om het erbij te laten. Hij stortte zich op de gemeente- en politiearchieven van Aalst en schiep daaruit het drietal Pieter Daens, De zwarte hand en Het jaar 1901, waarin hij zich met goesting en smaak uitleeft op ‘die gore klerezooi´ in Aalst.
In het kloeke negentiende deel van zijn verzamelde werk zijn De zwarte hand en Het jaar 1901 samen uitgegeven door het Louis Paul Boon documentatiecentrum en de Arbeiderspers. In het omvangrijke oeuvre van Louis Paul Boon is de strijd tegen armoede en onrecht een rode draad. Beide thema’s komen sterk naar de voorgrond in De zwarte hand, een bundeling fragmentarische verhalen over een bende anarchisten in Aalst rond 1900. Hoofdpersoon is daarbij de ruwe en waarschijnlijk corrupte smeris Johan Dabbers die bij de jacht op de bende van de Zwarte Hand volledig verstrikt raakt in allerlei andere zaken. Daarbij wordt hij steeds op de hielen gezeten door zijn antagonist en plaatsgenoot, de stokebrand Aart Nielsen. Nielsen en Dabbers waren beiden gebaseerd op echt bestaande personen, al heeft Boon de meeste feiten verfraaid of naar zijn hand gezet. Veel van de beschreven incidenten hebben daadwerkelijk plaatsgevonden maar er was nooit sprake van een bende. De Zwarte Hand is dus niet te vergelijken met Pieter Daens dat wel een documentaire roman is. Weliswaar komen sommige personages uit Pieter Daens terug in De zwarte hand maar dan als bij-personage.
Giftige adem van de stad
In de krottenwijken van Aalst ziet niet alleen Johan Dabbers het licht, ook het communisme en anarchisme vinden er vruchtbare voedingsgrond volgens Boon. Er zijn stakende arbeiders, opstandige socialisten, er worden anarchistische vlugschriften verspreid en het stadsbestuur ontvreemdt geld uit de kas. De arbeiderswijken staan volgestampt met krotten die onder de fabrieksrook als zwammen opschieten. Er is ontluisterende armoede in de industriestad en alles wat los en vast zit wordt gestolen. ‘Welke giftige adem hing boven het stadje?’ De misdaad floreert volop en Dabbers kan het aantal dieven nauwelijks bijhouden, overal wordt hij ingehaald door de feiten. In korte tijd drukt de Zwarte Hand al snel een stempel op de gebeurtenissen in Aalst. ‘De Zwarte Hand lag op de stad gedrukt, alles verstikkend, alles worgend.’ De wapenfeiten van de Zwarte Hand zijn vooral diefstal en vandalisme, waarbij ze de politie graag op het verkeerde been zetten.
De bende wordt zo genoemd vanwege de zwarte handafdruk die op de plaats delict wordt achtergelaten als teken. Ze dragen kapmantels en vrouwenrokken en overvallen voornamelijk welgestelde lieden en fabrieken. Als spoken verdwijnen ze na de slag geslagen te hebben in de omliggende landerijen. De politie van Aalst grijpt keer op keer mis en verdenkt zowat het halve stadje. Zijdelings stipt Boon hierbij veel zaken aan; het reilen en zeilen van de Belgische socialisten, misstanden in de behandeling van arbeiders, corruptie van de heersende macht en machtsmisbruik. Vaak neemt hij het op voor de benadeelde arbeiders. Hij suggereert dat de armoede de arbeiders uit behoeftigheid aanzette tot misdaad, de omstandigheden ‘verbeesten’ hen zodat ze tot alles in staat zijn. Gefrustreerd door het socialisme in België maakt Boon van de politieverslagen een soort crime noir vertelling waarin allerlei louche figuren zich verdringen om elkaar een loer te draaien. Mogelijk was hij daarbij ook geïnspireerd door het werk van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos.
Aan de hand van de politieverslagen zien we de ondergang van Dabbers als hij in een zedenzaak verstrikt raakt. Het gaat zelfs zover dat de rechtbank de politie in Aalst medeplichtig verklaart. Telkens is er het dubbelspel waarbij de politie zelf de grootste bandieten zijn en de misdadigers als een soort Robin Hood het onrecht blootleggen. Een thema waar Boon in De bende van Jan de Lichte al mee schermde.
Volksverhalen met de Franse slag
Boon beschrijft de liederlijke toestanden en uitwassen in Aalst met een onverbeterlijk romantische inborst. Tussen de twee boeken ontwikkelt zijn verteltrant zich in een meer minimalistische richting. Waar in De Zwarte Hand de verteller nog aanwezig is om regelmatig commentaar te geven op de gebeurtenissen staan in Het jaar 1901, dat voornamelijk over dezelfde zaken gaat, alleen de kale verslagen uit het archief. Het is een bloemlezing of een krans los van elkaar staande kolderieke of meer serieuze scènes die uit het dagelijks leven zijn gegrepen. De volgorde lijkt willekeurig en er zijn geen vaste personages, wel een paar bekende gezichten. Vaak lijkt er wel een bedoeling achter te zitten, al was het maar om de mensen ‘een geweten te schoppen’ en te tonen hoe het er werkelijk aan toeging aan de onderkant van de maatschappij. Alles bij elkaar biedt het een panoramisch beeld op het leven rond de eeuwwisseling.
In De Zwarte Hand volgen de gebeurtenissen elkaar heel snel op en is er veel herhaling. De stad Aalst is eigenlijk het hoofdpersonage en alles grijpt min of meer coherent in elkaar. Dan is er nog de enorme lijst van personages waarbij sommigen maar een of twee keer worden genoemd. Boon speelt ook met het verhaal van de socialistische anarchist Frans van der Niepen, de inspiratie voor Aart Nielsen. Waarbij hij een mysterieus dagboek noemt en zogenaamde jeugdherinneringen van zijn moeder. Kortom, hij gaat met de Franse slag te werk, wat ook blijkt uit de stadsarchieven waar hij met ruwe hand doorheen is gegaan, aantekeningen makend en met rode pen onderstrepend. Ook moet zijn eigenzinnige kijk op spelling genoemd worden, waarbij hij veel volks- en streektaal bezigt en steevast de c voor de k gebruikt bijvoorbeeld. Iets wat de redactie er bewust in heeft gehouden.
Het boek is wel een flinke kluif waarbij het nawoord van honderd pagina’s nog wat olie op het vuur gooit met vermiste manuscripten die opeens weer opduiken, het gaat allemaal op zijn onnavolgbare Booniaans. Al slaagt hij misschien niet helemaal in zijn opzet, de fictionele stad Aalst blijft een indrukwekkend bouwsel. Het is bewonderenswaardig hoe hij tracht om het vergeefse streven van een antiheld en het reilen en zeilen van een stad met elkaar te verbinden. Het idealisme van de cultuurpessimist doordrenkt de hele levendige boel. ‘Zo was de stad, en geen God, geen Duivel, die er wat aan verhelpen kon.’
Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.
Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.
Mijn Parijs
Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’
Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.
Die vervloekte literatuur
Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.
Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.
Fata morgana
De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.
En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’
Schrijven om te overleven, in letterlijke zin. De naamloze verteller uit Knut Hamsuns Honger (1890) weet er alles van. Deze zonderlinge figuur moet in de straten van Kristiana, het huidige Oslo, in mensonterende omstandigheden zijn kostje bij elkaar scharrelen. Op visionaire wijze beschrijft Hamsun wat alle soorten honger met een mens doen. Hij doopt je onder in de hersenspinsels, wanen en hallucinaties van een man op het randje van de dood, het scherp van de snede en de drempel van genialiteit. Uit dit wankele evenwicht schept hij een psychologische tour de force die zijn gelijke niet kent. De hertaling van de hand van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders, uitgebracht bij uitgeverij Oevers (2022), brengt deze klassieker weer helemaal bij de tijd.
Bij verschijning veroorzaakte Honger al flink wat opschudding omdat de details rechtstreeks uit de persoonlijke ervaringen van Hamsun kwamen. Alle hemeltergende details over de honger zijn daarom des te levensechter, hij overwoog om anoniem te publiceren omdat hij zich schaamde voor de armoede. In de tijd voor zijn doorbraak kon Hamsun nauwelijks rondkomen en had hij al zwervend allerlei luizenbaantjes. De honger die aan de ingewanden van de hoofdpersoon knaagt is meer dan alleen de fysieke variant, hij is net zo hongerig naar literaire erkenning en liefde. In Honger is Hamsun op zijn top, je vindt nergens anders de combinatie van rauwe wanhoop en enorme intensiteit die zichzelf kannibaliseert. Wie het spoor van elke gril van de hoofdpersoon volgt eindigt al net zo duizelig.
De vinger van God
Gedreven door een staat van delirium schrijft de hoofdpersoon de meest wonderlijke artikelen die hij voor een paar centen aan kranten verkoopt om niet van de honger om te komen. Tegelijkertijd lijkt hij de honger nodig te hebben om te kunnen schrijven. Zijn meest creatieve momenten heeft hij vaak als hij zich in de greep bevindt van de ‘vrolijke waanzin’ van de honger. Naast het verzinnen van artikelen liegt hij uit nieuwsgierigheid aan de lopende band alles bij elkaar. Hamsuns hoofdpersoon wordt alle kanten op getrokken en is even gevoelig als een emotionele seismograaf. Zijn lot leidt hem net als Job tot een serie rancuneuze aanklachten aan het adres van God: ‘God had zijn vinger in mijn zenuwstelsel gestoken en behoedzaam en nauw merkbaar de verbindingen wat verstoord. En nu had God zijn vinger weer teruggetrokken en kijk, er waren wat vezels en tere worteldraadjes van mijn zenuwen aan die vinger blijven zitten. En zijn vinger, die Gods vinger was, had een gapend gat achtergelaten en wonden in mijn hersenen waar zijn vinger was geweest.’
De lezer krijgt weinig informatie over de werkelijke omstandigheden van de hoofdpersoon. Alleen zijn verpletterende armoede is duidelijk en een zeker plezier dat hij schept in het schofferen van met name de politie en de middenklasse. Door zijn sterke plichtsgevoel kan de hoofdpersoon moeilijk hulp accepteren en maakt hij het zichzelf erg lastig. Hij wil bijvoorbeeld zelden giften aannemen. Hij is een vat vol contradicties en dat maakt hem zo ongrijpbaar. Tussen de regels door ontstaat een beeld van een man die vroeger een vermogend leven moet hebben gehad maar die nu bestaat bij de gratie van de goede gunsten van zijn hospita en de grillen van een redacteur. Zowat al zijn bezittingen heeft hij al naar de lommerd gebracht. Als de nood echt aan de man komt gebeurt er vaak iets wat de nood tijdelijk opheft, maar nooit voor lang. Dit maakt het ook een verhaal over het belang van kunst creëren als levensbehoefte in extreme omstandigheden. De ficties van de uitgehongerde schrijver functioneren als een ontwrichtend gegeven. In het ontdekken hoever hij hiermee kan gaan stelt Hamsun vraagtekens bij de goedgelovigheid van de lezer. Want hoeveel is verzonnen en hoeveel is echt?
Buitenstaander
Ten prooi aan wrede recollecties zwerft de hoofdpersoon in armoedige staat over de straten van de hem vijandige stad. Tot op het bot vernederd komt hij meerdere keren afzienbaar dichtbij de ondergang. Naast de constante armoede is de andere rode draad het meisje dat hij Ylajali noemt, die drie keer terugkomt in het verhaal. In deze wanhopige verhouding is geen plaats voor een echte romance, daarvoor is de hoofdpersoon te zeer gebonden aan zijn ‘kletspraat en boekentaal’. Zij ziet in hem eerst een losbol, maar als hij zijn werkelijke toestand aan haar beschrijft schrikt ze en is hij opeens een gevaarlijke gek. Door zijn wispelturige gedrag is hij veroordeeld tot de positie van eeuwige buitenstaander.
De speciale gevoeligheid van de zenuwlijder is het bijzondere onderwerp van Hamsun. Nooit krijgt de lezer een vinger achter het karakter van de hoofdpersoon, hij ontglipt elke beschrijving en karakterschets. Altijd maar balancerend op de rand van een inzinking bestaat hij in de eeuwige ironie van Kierkegaard. Of op de rotspunt die Dostojewski beschrijft in Misdaad en straf. Hij kan op een gegeven moment zijn wanen nauwelijks meer van de werkelijkheid scheiden. Of zijn gekte echt of gespeeld is laat Hamsun aan de verbeelding over. De oververhitte stream of consciousness van de fantasierijke hoofdpersoon zorgt voor een wervelend relaas.
Verschil vertaling
Net als Hamsuns vitale elan de literatuur nieuw leven inblies zet de vertaling van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders (2022) de brontekst weer op scherp. De vorige Nederlandse vertaling van Cora Polet dateert alweer uit 1976 en wijkt op belangrijke grammaticale punten af van de nieuwe vertaling. Het verschil is opvallend te noemen. Polet wijzigde bijvoorbeeld geregeld de verspringende werkwoordtijden en de grillige interpunctie omdat deze als storend werden ervaren. De wilde expressieve stijl van Hamsun wordt bij Polet op deze manier enigszins beknot en in banen geleid.
In het nawoord van de nieuwe vertaling wijzen de vertalers op de innerlijke onrust die weerspiegeld wordt in de tekst. Die onrust gecombineerd met de buitengewone precisie van Hamsuns taalgebruik zijn kenmerkend voor het effect dat hij probeert te bereiken. Juist het wisselen van tegenwoordige en verleden tijd weerspiegelt de onbetrouwbaarheid van de verteller en zijn wispelturige invallen. Dit heen en weer springen in tijden en aanspreekvormen is dus niet alleen belangrijk voor het ritme van de tekst maar behoudt ook de originele bedoeling van de auteur. Dat redigeren is het karakter van de roman wijzigen. De gekte lijkt opeens minder willekeurig en het manische tempo is niet meer zo bezeten. Ter illustratie volgt hier hetzelfde fragment uit beide vertalingen:
1976: ‘De honger had zijn aanval op mij nu ingezet. Ik zat te kijken naar het witte zakje dat bol scheen te staan van glanzend zilvergeld en spoorde me zelf aan te geloven dat er werkelijk iets inzat. Ik zat stijf rechtop en wilde dat ik het juiste bedrag zou raden-‘
2022: ‘Nu kreeg de honger me te pakken. Ik keek naar dat witte zakje alsof het bol stond van de zilveren munten en zweepte mezelf op te geloven dat er echt iets in zat. Ik daagde mezelf hardop uit het bedrag te raden-‘
De vertalers van de nieuwe vertaling hebben geprobeerd het ritme van de teks zo getrouw mogelijk te volgen om zo de innerlijke spanning te behouden. Het zijn juist die elementen die van Hamsuns roman een wegbereider van het modernisme maakten. Hij wilde de lezer volledig doen ondergaan in die razende gedachtestroom. Daarnaast is de woordkeuze in de nieuwe vertaling iets moderner en directer. Hamsun was minder geïnteresseerd in de standaard roman maar wilde iets nieuws scheppen, zijn individu laat iets van het essentiële mysterie van menszijn zien in al zijn onsamenhangende complexiteit. Iets wat hij in zijn volgende roman, Mysteriën, des te sterker zou treffen in de figuur van Nagel.
Zwijgen kan soms levensgrote proporties aannemen, zeker als je daarnaast ook nog eens een slopend geheim meedraagt. Voor wie met misbruik te maken krijgt geldt dat dubbel, je wordt opgezadeld met het geheim en de levenslange gevolgen daarvan. Misbruik vindt daarnaast ook nog eens vaak plaats in de familiekring, wat het nog lastiger maakt om erover te praten. Aisha Dutrieux kiest ervoor om in haar auto-fictionele boek Wat wij verzwijgen daarover een boekje open te doen. Daarnaast stipt ze ook het ‘Indische zwijgen’ over pijnlijke zaken in haar familie aan.
Voor het hoofdpersonage Mia die opgroeide in een Indisch gezin, was er een zekere gespletenheid in het opgroeien. Ze ontleende een houvast aan het verleden, maar tegelijkertijd groeide er sluipend bij haar een dubbelzinnig besef van iets wat niet klopte. Van zwijgen en van familie die eigenlijk geen familie meer is, in dit geval haar oom die haar jarenlang heeft misbruikt. In het boek vertelt ze in een lange monoloog de herinneringen die ze aan hem bewaart. Ze was vijftien toen ze aangifte deed. Na de rechtbank is de volgende keer dat ze hem ziet zijn begrafenis. De tijd daartussen vult zij zelf op om het verhaal compleet te maken. Dat verhaal vertelt ze terwijl ze zijn huis schoonmaakt. Het roept een wirwar aan tegenstrijdige emoties op: schaamte, woede, angst, maar ook rouw, medelijden, zijn aardigheid, zijn liefde. Afgewisseld met herinneringen aan haar oom vertelt ze episodes in het heden over haar eigen leven waarin ze inmiddels veertig, getrouwd en moeder van twee dochters is.
Verstikkend zwijgen
Mia constateert dat het zwijgen van de familie over de oorlog en over het gebeurde met haar oom een vorm van zelfbehoud was. Dit noemt ze typisch voor de Indo gemeenschap. De eerste generatie die zich met moeite aan moest passen aan een vreemd land draagt dat trauma over aan de tweede generatie die leert dat ze zich koest moet houden. Niet opvallen, en zwijgen: ‘Maar het zwijgen verstikt me. Ik zou het willen uitschreeuwen.’ Zodoende is het ook een verhaal over de kleine leugens die we onszelf vertellen om niet te zien hoe we anderen kwetsen. Mia probeert zich te bevrijden van het verhaal van haar verleden, maar allerlei lichamelijke klachten bevestigen dat het niet zo makkelijk is het verleden te vergeten. In haar herinnering speelt ze bepaalde gebeurtenissen dwangmatig af. ‘Wat er gebeurd was betrof enkel ons tweeën, jou en mij. Doorkliefde vervolgens een hele familie.’
De vraag blijft waarom je je überhaupt in zou willen leven in iemand die zoiets heeft gedaan. Het is een thema waar de meeste mensen niks mee te maken willen hebben. Dutrieux schrijft: ‘Het komt te dichtbij, het is te kwetsbaar. Te zeer vervuld met schaamte. Een volwassen man die aan een kind zit, geen mens wil weten hoe dat precies gegaan is. Hoe dat voelt, wanneer je het kind in kwestie bent.’ Toch beantwoordt dat weten net als boeken als Wij waren, ik ben aan een zekere behoefte. Autobiografische of semiautobiografische verhalen zoals deze doorbreken een taboe, maar dat neemt niet weg dat het zeer beladen is om over te lezen. Dutrieux kiest ervoor om het gebeuren zonder opsmuk te vertellen in een sobere stijl die balanceert tussen haar perspectief en dat van hem. Tegelijkertijd is het een manier om de processen waar ze in zat definitief af te sluiten. Uiteindelijk gaat het meer over de gevolgen van het trauma dan dat er in detail wordt in gegaan op het gebeurde.
Het verleden uitwissen
‘Vrijheid is wat je doet met wat je is aangedaan’ schreef Sartre al eens. Dutrieux probeert via Mia het gebeurde van zich af te schrijven en het bestaan van haar oom uit te wissen door zijn aanwezigheid uit zijn appartement te verwijderen. Vroeger had ze geen keuze, nu kiest ze er op deze manier toch voor om de controle terug te nemen. ‘Ik maak van jou een personage, zodat ik uit het verhaal kan stappen, en jou daar achter kan laten, zonder jou verder kan gaan.’ Waarbij het wel opvalt dat de lacunes in haar geheugen veelal opgevuld worden door vooronderstellingen. ‘Maar omdat jij geen antwoord geeft en ik je bij leven deze vraag nooit gesteld heb zal ik het nooit weten. Wie was jij?’ De persoon van de oom blijft een beetje vaag door het hele boek. Ze vraagt zich onder andere af hoe anders zijn leven had kunnen lopen. Als ze zelf niet die woorden had uitgesproken, of als ze gewoon vrienden waren geweest. De vele vragen halen soms wel het tempo uit de tekst, bijvoorbeeld: ‘Heb je spijt van het verleden, ons verleden? Hunkerde je naar vergeving, van mij, van je kleine broertje dat jou op jonge leeftijd in zoveel opzichten al ontstegen was? Hadden we je dit geschenk moeten geven?’
Naast de herinneringen aan gezellige uitjes naar Amsterdam en eindeloze gesprekken eist het verleden zijn bestaansrecht op in het lichaam en in het hoofd van Mia. Ze realiseert zich gaandeweg dat ze ondanks alles toch van hem hield en hem soms mist. Het helen, en het weer heel worden is een uiterst langzaam proces dat met veel vallen en opstaan gepaard gaat, het lijkt een bijna onmogelijke opgave. Dat het haar toch is gelukt, daarvan getuigt het boek. Het geheel voelt als een poging om ergens definitief een levensgrote punt achter te zetten. Op het einde resteren alleen zijn spullen nog, kan ze afscheid nemen van de herinnering aan het trauma. Er komt weer ruimte voor geluk, voor het mooie van haar dochters die opgroeien.
Ongemakkelijke waarheid
Het meeste van dit soort verhalen ontstijgt zelden de persoonlijke sfeer. Er is in dit geval ook het element van de Indische zwijgcultuur dat iets toevoegt maar niet heel diepgravend is. Het is wel interessant dat ook Mia’s particuliere trauma net als het koloniale trauma netjes wordt weggemoffeld. De waarheid is te ongemakkelijk om te kunnen bestaan. Zwijgen is geen oplossing concludeert Mia: ‘Ik begrijp waar het vandaan komt, en dat het mijn voorouders veiligheid heeft geboden. Maar misschien is het als oplossing voor alle kwalen over zijn houdbaarheidsdatum heen.’ Het verhaal is ongemakkelijk om te lezen, net als elke traumatische ervaring. Mia doorloopt alle stadia van zelfverwijt tot zich weer veilig gaan voelen. Misschien is het bespreekbaar maken van zo’n proces ook een manier om het familiale zwijgen te doorbreken. Het dubbele verleden van Mia wordt tot een heden waarin de schaduw naar de achtergrond verschuift. Mooi door haar verbeeld als een blauwzwarte vogel die haar onder het opruimen bekijkt. ‘De schaduwmaker, ik heb je ontmaskerd.’
Voor de Pullitzer prijswinnaar Annie Proulx (1935) is de tijd rijp om een activistische boodschap te laten horen met haar bundel essays Veen, dras, moeras.Het onderschatte belang van veengebieden voor onze planeet. Waar ze hiervoor in het veelomvattende Schorshuiden al had geschreven over ontbossing, gaat het nu voornamelijk over het verdwijnen van de moerasgebieden en de grote ecologische gevolgen daarvan. Ze had naar eigen zeggen altijd al iets met geschiedenis, en deze keer duikt ze diep onder in de materie van vennetjes, turf en kwalijke dampen. Ze doet dit met groot enthousiasme, maar lijkt af en toe even de draad kwijt te raken.
In coronatijd besloot Proulx de boeken in te duiken, dit resulteerde in haar ‘uitwaaierende gedachten’ over hoogveen, laagveen en broekland. De bundel gaat over het ecologische en cultuurhistorische belang van de moeras- en drasgebieden. Daarbij maakt ze uitstapjes naar het mesolithicum, de Amazone, Doggerland, iconische veenlijken en het Teutoburgerwoud. Telkens keert zij terug op een basaal thema: de mens is goed in het vernietigen van natuur maar minder goed in herstellen. ‘Veenvorming is een proces van duizenden jaren, het wegsteken van veen een kwestie van weken of hooguit jaren.’ Proulx onderstreept hierbij het belang van het veen voor de soortenrijkdom en de opslag van co2. Het draineren van het veen laat die broeikasgassen weer los in de atmosfeer. In de plaats van het veen komt vaak landbouw, wat leidt tot het uitsterven van diersoorten en de verschraling van het ecosysteem. Het veen verwerkt dode plantenresten en is zo een bron van voedsel en grondstoffen voor de omliggende flora en fauna.
Draslandvocabularium
Proulx weet te enthousiasmeren voor haar onderwerp. Ze gaat niet alleen in op de ecologische kant van het verhaal maar gaat ook in samenspraak met de bronnen op zoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het moeras. Vaak haalt ze particuliere dagboeken aan, literaire passages uit het werk van uiteenlopende schrijvers en historische verslagen om bijvoorbeeld het verschil met de hedendaagse tijd aan te duiden. Een van de grootste verschillen is wel hoe schrikbarend snel sommige van deze gebieden verdwijnen. Zoals in Engeland, waar als resultaat van de grote ontwateringsprojecten nog maar één procent over is van de veengebieden. Saillant detail is wat Proulx daaraan toevoegt: ‘analoog daaraan sijpelde ook de taal en de kennis van de venen weg.’ Als een rode draad loopt de impact van de mens door al deze gebieden. Het is duidelijk aan Proulxs thema’s te merken dat deze veranderingen haar aan het hart gaan.
Zo trekt Proulx van de Engelse laagvenen naar de historische Noord-Europese hoogvenen met vele antropologische en historische uitstapjes. Wat hierbij opvalt is dat haar interesse enorm breed is. Met de poten in de klei banjert Proulx gestaag door, zich bedienend van het ‘draslandvocabularium’, iets wat voor een leek geen sinecure is zoals ze zelf toegeeft. ‘Veen is geen eenvoudige materie.’ Zo komen woorden als oligotroof voorbij, regenwater is oligotroof, dat wil zeggen arm aan voedingsstoffen. Ze raakt aan antropologie als ze het over het idool van Sjigir heeft, of het geluid van de lure, een blaasinstrument uit de bronstijd. Dit alles om inzichtelijk te maken hoe de veenbewoners door de eeuwen heen geleefd moeten hebben. En zo leren we over veenmos, duizenden jaren oude veenboter en wat er verder zoal boven komt drijven.
Herinnering aan haar eerste avontuur
Dat de draslanden bedreigd worden is zeker. Deze gebieden werden over vele duizenden jaren gevormd maar verdwijnen nu zo snel dat de gevolgen ervan moeilijk zijn te overzien. Het huidige natuurbeleid lijkt minder respect voor de natuur te hebben, getuige bijvoorbeeld de houtkap in de Amazone. Proulx schrijft dat draslanden als een soort buffer kunnen werken om de schokken van ecologische veranderingen op te nemen. Maar de natuurlijke wereld verandert simpelweg te langzaam voor de mens om op te merken. ‘Eeuwen en millennia zijn de uren en dagen van een hoogveen.’ Proulx schrijft over onze voorouders dat ‘hun herinneringen de emotionele trossen waren die hen verbonden met de voorouderlijke geografie.’ Zoals ook natuurvorser Henry David Thoreau een grote voorliefde had voor de ruige achtertuin van het broekland volgens Proulx. Dit zou je in de context van haar romans kunnen zien die vaak sterk verbonden zijn met een bepaalde plek en soms meerdere generaties overspannen. Zo is dit boek ook het resultaat van het goed kijken naar haar directe omgeving.
Zo bezien staat Proulx in een zekere traditie van natuurschrijvers, als een soort hedendaagse Thoreau, die trachtten om de overvloed van de natuurlijke wereld in woorden te vatten en zo hopelijk veilig te stellen voor komende generaties. Ze is daarbij vrij activistisch en schrijft over ‘ecologische rouw’ en ‘klimaatdepressie’, en het dubbele gevoel dat ze tegenwoordig heeft bij het genieten van de natuur. Ze maakt hierbij gebruik van de metafoor van het web van het leven, een inzicht dat gedeeltelijk ook teruggaat op de Duitse naturist Alexander von Humboldt. Bij Proulx begon het allemaal bij de herinnering aan haar eerste avontuur als kind in het veen, waarbij ze bijna terechtkwam in het zigzagvormige web van een moerasspin. Door de sporen van het verleden te volgen helpt ze vorm te geven aan het verhaal van het veen. Deze sporen leiden haar naar de ‘oneindige complexiteit van de natuurlijke wereld.’ En vlak daarachter naar de mens die deze natuurlijke wereld plundert en ontregelt.
Griezelige schoonheid
Draslanden hebben een sleutelrol in het ecosysteem. Leven met het water is zoals veel dingen in de natuur een kwestie van geven en nemen. Zoals de mangrovebossen die een gedeelte van de tijd nat moeten zijn en voor de rest droog. Het herstellen van natuurgebieden is ook een ingewikkelde onderneming, zoals Proulx laat zien. Toch is haar tocht wel een bochtige. Hij weerspiegelt de aard van haar persoonlijke interesse, en de geschiedenis van het behoud of de vernietiging van deze gebieden. Zo overtuigt Proulx als het op het belang van de draslanden aankomt, maar blijven we achter met de vraag of het inmiddels niet al te laat is voor behoud en herstel. De opsomming van bedreigde broeklanden en natuurgebieden op het eind van het boek waarvan sommige tot de verbeelding spreken met namen als ‘Limberlost’ en de ‘Dismal swamp’, biedt een somber vooruitzicht. Rentmeesterschap van deze waardevolle gebieden lijkt in de meeste gevallen ver te zoeken. Het besef van de ‘broze aarde’, zoals Antjie Krog het noemt, moet eerst op aanhoudende wijze doordringen.
De frisse duik in het veen levert een belangwekkend beeld op van deze liminale overgangszones. ‘Wanneer we er voor het eerst voet zetten, bekruipt ons het unheimische gevoel dat we ons bevinden in een vreemde overgangszone tussen het leven en dat wat vergaat en wegrot.’ Net als de rivier van Heraclitus is ook het veenland geen twee keer hetzelfde. Het gebied is enorm divers, en Proulx beslaat op deze pagina’s dan ook maar een stukje. Een probleem hierbij is wel dat haar bronnen vaak verouderd zijn en dat er geen of weinig contact is met het wetenschappelijke veld. Het rommelige karakter van het boek resulteert in meer een bloemlezing van aanverwante feitjes of een pamflet over veengebieden dan een echte studie. De passie en liefde voor het onderwerp zijn wel duidelijk aanwezig. Proulx haalt op enerverende wijze de nodige curiosa op ‘van zeldzaam vreemde zaken en griezelige schoonheid’. Omdat ze er zoveel dingen bijhaalt en af en toe afdwaalt blijft het gelukkig geen lesje biologie maar is het een levend document van haar betrokkenheid.
Verdriet en rouw veranderen een mens, vaak definitief. Als iets vanzelfsprekends wegvalt ontstaat er een enorme leegte. Zoals de liefde van een ouder of een geliefde die er opeens niet meer is. Voor Sanne van Rij, journalist en schrijver voor onder andere de Volkskrant en ELLE was dit haar moeder. Zoals ze beschrijft in Ik weet zeker dat het liefde was moest ze leren leven zonder moeder. Dit resulteert in een zeer persoonlijk en intiem relaas. Ze beschrijft liefdesperikelen, levenslessen en allerlei dagelijkse trammelant met een fijne antenne voor interpersoonlijke verhoudingen.
Voor Van Rij begint het allemaal met de guacamole van haar moeder. Een herinnering die de essentie bevat van wat haar moeder voor haar betekende. Door oude videobanden leert ze haar moeder weer kennen zoals zij was voor de psychose. Dit trapt een stortvloed aan herinneringen af, vaak aan de hand van iets tastbaars. Zoals een bruisbal of een herinnering aan in olijfolie gedoopt stokbrood. Veel van die herinneringen zijn gekleurd door de bril van nostalgie en herkenbaar jeugdsentiment. De korte stukjes hebben telkens iemand uit haar leven als onderwerp. Ze worden vooral gekenmerkt door het grote empathisch vermogen van Van Rij, haar gave om zich in iedereen te kunnen verplaatsen. Wat ook soms als een tweesnijdend zwaard voelt.
De blauwdruk voor relaties lijkt soms al ontstaan te zijn in het verleden. Voor Van Rij was dit de relatie met haar moeder die zo abrupt eindigde. De worsteling van haar moeder met een psychose leverde verwarrende en tegenstrijdige gevoelens op voor de dochter die met vijftien jaar nog zo jong was. ‘Mijn moeder was vergankelijk, merkte ik, en ik had geen flauw idee hoe ik haar wegebben kon stoppen.’ Na het overlijden van haar moeder begint een zware tijd voor Van Rij. Ze moet wennen aan een leven zonder moeder, gaat studeren in Utrecht en begint het grote zoeken naar erkenning. De problemen met liefde en relaties die zij ervaart deelt ze vooral in intieme vriendschappen. Met vriendinnen en psychologen reflecteert ze over liefde, vriendschap en verlies. Daarbij ervaart ze een grote behoefte aan een vanzelfsprekende aanwezigheid van de ander.
Gebroken optimisme
In columns vormt het gezin altijd een dankbare inspiratiebron. De memoires van Van Rij gaan dieper dan kleine voorvallen, maar de toon daarvan is wel geworteld in de stijl van de column. Het is dan ook niet verwonderlijk om in het nawoord te lezen dat het boek begonnen is als artikel in het Volkskrant magazine. In korte stukjes, van hot naar her springend in de tijd, beschrijft Van Rij voornamelijk haar relaties met anderen en haar eigen rol daarin, waarbij ze probeert tot de kern te komen van haar problematiek. De fragmentarische stukken hebben een lichte toon, ook al gaat het vaak om vrij zware onderwerpen. Ze komt af en toe met leuke vondsten, zoals misplaatst doorzettingsvermogen. Daar staat tegenover dat er ook kleine taalkundige ergernissen zijn, zoals het gebruik van clichématige uitdrukkingen als: ‘de zenuwen gierden door mijn lijf.’ En er wordt vrij veel psychologisch jargon gebezigd.
Haar romantische strubbelingen zullen elke millennial maar al te bekend voorkomen. Ongemakkelijke stiltes, miscommunicatie, een hoop hansworsten en ongewenste intimiteiten passeren de revue. Van Rij weet haar relaties uitermate goed samen te vatten en geeft helder aan waar het wringt. ‘Ongelofelijk slecht in loslaten, dat was ik.’ De rode draad in het boek is absoluut de liefde. Maar de liefde maakt ook een trauma los. Naast verbinding met haar geliefde ervaart ze rouw om haar moeder. Haar vertrouwen in de ander moet weer groeien na alle slechte ervaringen. Dat ze zo open is over deze thema’s is moedig. In plaats van te verkrampen of verstijven in het aangezicht van de pijn kiest Van Rij voor een soort gebroken optimisme.
Licht en schaduw
De schrijfster durft behoorlijk diep te gaan in haar analyse en toont hoe de erfenis van verlies in een leven doorwerkt. De constant aanwezige schaduw daarvan weerhoudt haar er niet van zich in vriendschap en liefde te geven. Wat zich wel weerspiegelt in het aantal diepe vriendschappen die ze onderhoudt. Sommige van deze personen verdwijnen in het boek na een tijdje meer naar de achtergrond en dat is wel een beetje zonde. Ze weet de vinger vaak precies op de zere plek te leggen, ook als ze over haar relatiewens schrijft en het woord tot zichzelf richt. ‘Onbewust ben je er elke dag mee bezig: doen alsof je heel bent.’ Op deze manier vindt ze iets van schoonheid in het koesteren van haar verleden. Na de nodige tegenslagen groeit Van Rij in een veilige relatie toch langzaam naar geborgenheid toe. Onderweg demonstreert ze een hoop groei en zelfinzicht en dit maakt het boek tot een uitermate sympathiek verhaal, ook al moet de auteur daarvoor het nodige ‘in haar wonden roeren’, zoals ze het beschrijft.
De manier waarop zij het met veel warmte over relaties heeft doet denken aan een citaat uit de film Into the wild: ‘That happiness is only real when shared.’ Op een bepaalde manier kan het ook voor een lezer therapeutisch zijn om over Van Rij’s proces van heling te lezen. Dat het soms een beetje als een dagboek leest doet niets af aan de boodschap. Daarbij geeft ze uitdrukking aan iets wat iedereen ervaart: liefde en rouw, het licht naast de schaduw. Dat rouw ook in liefde verpakt kan zitten is een rauwe les. De grote gevoelens die dit oproept gaat de auteur niet uit de weg en ze weet een mooie taal te vinden voor het verlies in deze lessen in liefde. Door dat taalgebruik stijgt het boek uit boven de navelstaarderijen van generatiegenoten.
Daan Merkelbach ligt al zeven jaar op bed. In kasteel Rimmelzwaan ontvangt hij zijn bezoekers die met verhalen van de buitenwereld komen. Hij houdt deze verhalen nauwkeurig bij, vergelijkt en vermengt ze met elkaar, vooral als het op zijn vriendin van vroeger aankomt, Floor Manders. Waar Daans eigen verhaal eindigt, begint dat van de anderen, waarbij de grens tussen wat waar en niet waar is opzettelijk poreus lijkt. De veelheid aan perspectieven die auteur Anjet Daanje inzet resulteert in een werkelijk polyfone roman. Veelvuldig en alleen uit 2003 is na de successen van De herinnerde soldaat (2019) en Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) opnieuw uitgegeven door uitgeverij Pluim.
In het chaotische eerste deel, de spijtbetuiging, wordt snel duidelijk dat dit een ingewikkeld verhaal gaat worden. Een wervelende stoet gasten trekt in een optocht door het landgoed van het kasteel op weg naar een vreemd ritueel. Er wordt niet onthuld waar het ritueel voor is maar het is wel helder dat we met een vorm van collectieve schuld te maken hebben. Onder verschillende kopjes lezen we door de hele roman telkens andere interpretaties van gebeurtenissen. De kopjes hebben als titel de naam vanuit wiens perspectief we lezen. Op deze manier wordt een incident uitgelicht op een feest waar Floor het aan de stok krijgt met een jongen. Daans vader Ben, moeder Machteld, broer Wessel, vriend Marten, Floors huisgenote Mieke, en huishoudster Willemijn geven Daan hun versie van dit verhaal. De een vergroot weer een bepaald detail, de ander laat informatie weg om Daan te helpen of te hinderen. Daan zelf stookt ook. Hij zet vragen uit en gebruikt mensen om informatie te verzamelen. Marten speelt mensen tegen elkaar uit en probeert Daan te laten twijfelen. Daan lijkt met name geïnteresseerd in alles wat Floor doet, terwijl zij haar best doet om hem te ontlopen. De oorsprong van dit conflict lijkt te liggen in een vreselijke gebeurtenis die zeven jaar geleden plaatsvond tijdens een vakantie in Bretagne.
Alles is een verhaal
Daans keuze om niet deel te nemen aan de buitenwereld – hij is niet ziek – is het enige actieve aan zijn houding. Hij belichaamt de klassieke onbetrouwbare verteller. Je weet nooit zeker of zijn versie van de gebeurtenissen de juiste is. Anjet Daanje zorgt er steeds voor dat parallel aan elkaar meerdere versies van de gebeurtenissen worden gespiegeld. Daan doorspekt zijn verhalen met regelrechte fantasieën of onwaarheden en het is aan de lezer om te raden wat echt is en wat niet. ‘Alles is gereduceerd tot een verhaal.’ Daan kiest de versie die hem het beste bevalt, maar het is de vraag hoe lang hij de realiteit op afstand kan houden. Zijn leven langs de zijlijn is overzichtelijk maar zijn zicht op de buitenwereld loopt via andere oren en ogen.
Het incident dat de verdere loop van de levens van Floor, Marten en Daan heeft bepaald vormde tegelijkertijd ook de verhoudingen tussen hen. Ze hebben allemaal hun eigen kijk op die gebeurtenis en de ware toedracht is alleen aan hen bekend. Daan komt op vakantie met het idee om Floor te laten kiezen uit de drie jongens door een serie uitdagingen. In dit spel wordt er gemanipuleerd en gelogen en wordt de inzet steeds verhoogd. Alle drie dingen ze naar de aandacht en voorkeur van Floor, die het wel bevalt om als prijs gezien te worden. Zij fungeert als scheidsrechter maar is niet neutraal. Het is duidelijk dat ze niet kan kiezen maar wel een voorkeur heeft. Daan kan dit slecht verkroppen en dit speelt een grote rol in de laatste uitdaging die hij kiest voor zijn vriend.
De medeplichtigen
Zo veelvuldig als de versies van de waarheid zijn die Daan bijhoudt, zo gecompliceerd is de schuldvraag die aan hem knaagt. Hij kiest ervoor om in bed te blijven omdat hij zich schuldig voelt. Samen met Floor en Marten probeert Daan de gebeurtenissen van de bewuste dag te ontrafelen. Maar ook Floor en Marten speelden in de keten van gebeurtenissen van die dag een beslissende rol. Ze kunnen niet om de feiten heen en het verleden blijft een rol spelen in hun leven. Daanjes verhaal beweegt zich steeds van het heden naar het verleden als een slingerende pendule en van verbeelding naar werkelijkheid. Naarmate het boek vordert wordt in flashbacks geleidelijk meer van de beweegredenen en motivaties van de betrokkenen onthuld. Dat proces wordt geholpen door de rake karakterisering van Daanje die het innerlijk leven van de personages op bijna klinische wijze blootlegt.
In het laatste deel van het verhaal wordt de driehoeksverhouding tussen Daan, Floor en Marten steeds meer gespannen. De jaloezie tussen Daan en Marten lijkt bij hun verhouding te horen. Daans irreële liefde voor Floor vormt onmiskenbaar een belangrijk deel van zijn bestaan, maar Daanje laat de lezer ook hieraan twijfelen. Tot Daan op een bepaald moment zijn ware verlangen uitspreekt: ‘Hier was hij naar op zoek. Niet naar haar exclusieve, eeuwige, hartstochtelijke liefde. Maar naar opnieuw samen. Marten, Justin, Floor en hij.’ Het slot is krachtig maar laat ook een wrange smaak achter. Er zijn geen winnaars in dit verhaal, alleen maar schuldigen.
Schuld en boete
Floor saboteert haar eigen leven als boetedoening voor wat er is gebeurd en Daan gaat de schaamte en schuld uit de weg door in bed te blijven. Beiden hebben ze geen zuiver geweten. Ze begrijpen elkaar goed, Daan snapt als enige wat Floor doormaakt. Het is geen toeval dat Floor kiest om Daan voor te lezen uit Schuld en boete. Maar er is geen offer dat ze kunnen brengen om alles weer goed te maken. Nog belangrijker dan de verdraaiingen van Daan zijn wellicht de woorden die hij weglaat. Hij laat zichzelf en anderen de ruimte om te twijfelen, omdat hij bang is voor die ene waarheid. Zo zegt Daan het volgende over de verhalen van zijn bezoekers: ‘Ze vervormen hun verleden door het in woorden te vatten, want woorden zijn altijd vereenvoudigingen.’ Met alle grote literatuur is het net zo, de waarheid daarin is meervoudig.
Alle stemmen in het boek draaien om die ene gebeurtenis. De hele maskerade en façade van het eerste deel dienen om de lezer te behoeden voor een te simpele interpretatie. Hiermee lijkt Daanje te willen zeggen dat er geen juiste herinnering is, alle verhalen samen vormen de werkelijkheid. Het is net een puzzel zonder het laatste stukje. Hoe het nu uiteindelijk precies is gegaan doet er eigenlijk niet toe. Elke mogelijke uitkomst leidt weer tot eindeloze variaties. De vele mogelijkheden werken benauwend en herinneren aan het feit dat je altijd weer moet kiezen. Misschien is het geruststellend om te geloven in een enkele versie van de werkelijkheid. Maar ergens in geloven maakt het nog niet echt. Zo werpt Daanje een hoop interessante vragen op over wat realiteit is. De constante perspectiefwisselingen vragen wel om aandachtig lezen en geven het geheel iets filmisch. Daanje, die ook veelgeprezen scenario’s schrijft, belicht als het ware telkens een ander deel van de scène en heeft tot het noodlottige einde de regie in handen.
Als de Duitse verzetsstrijder Lisa Fittko samen met haar man Hans tijdens de Duitse invasie van Frankrijk in mei 1940, opeens in bezet gebied terechtkomt voelt ze zich geroepen om na haar eigen vlucht hulp te bieden aan andere vluchtelingen. Ze helpt ze de Pyreneeën over met visums naar Spanje. Onder de overwegend Duitse emigranten zitten meerdere internationaal bekende personen. Een van de meest bekende is wel de filosoof Walter Benjamin, die met een leren aktentas vol papieren met hulp van Lisa de oversteek waagt. Dit verhaal lezen we in de in meerdere opzichten uitzonderlijke memoires van Lisa Fittko getiteld Vlucht over de Pyreneeën – Mijn tocht met Walter Benjamin.
Lisa Fittko groeide op in een vrijgevochten Joods gezin, in wat destijds het Oostenrijks-Hongaarse rijk was. Haar vader had een literair tijdschrift en ging veel om met linkse schrijvers. Al snel na de machtsovername van Hitler vluchtten veel intellectuelen die in de ogen van dat regime verdacht waren. Lisa ging in die tijd naar politieke bijeenkomsten en protesten en verspreidde vlugschriften tegen het fascisme. Ook zij en haar man vluchtten naar Noord-Frankrijk maar werden door de Fransen na de Duitse inval als verdachten geïnterneerd in kampen. Fittko beschrijft hoe onwerkelijk het was om als vijand behandeld te worden door de Fransen die hen zagen als vijanden of spionnen. Ze vertelt hoe zij en haar man bedreven werden in het overleven en ontkomen. Het was de kunst om te ritselen en de autoriteiten moesten zo veel mogelijk worden misleid.
Ook als ze in het vrouwenkamp bij Gurs in de Pyreneeën terechtkomt probeert Lisa zoveel mogelijk medestanders te helpen. Haar toewijding voor de zaak is indrukwekkend want voor de Joodse bevolking en de verzetsstrijders was het een zaak van leven en dood. De Franse autoriteiten leverden niet alleen actief Joden uit, ze spoorden ze ook op. Als Lisa ontsnapt aan het kamp vindt ze in Marseille haar man terug. Na verschillende omzwervingen komen zij terecht in het dorpje Banyuls-sur-Mer waar ze als contactpersoon fungeren voor de stichting Emerescue die internationale vluchtelingen bijstaat. De burgemeester van Banyuls, Azema, is een socialist en staat in het geheim aan hun kant. Hij vraagt de Fittko’s om emigranten te helpen bij de grenspassage.
Zwarte aktentas
Via de Listerroute begint het echtpaar met het smokkelen van mensen. Deze route was veiliger dan die langs de kust waar zwaar gepatrouilleerd werd. Op 25 september 1940 klopt de ‘oude’ Walter Benjamin aan bij het echtpaar. Lisa heeft de indruk van een ietwat vormelijke geleerde. Er wordt besloten dat Benjamin meegaat op de ‘lichte wandeling’ de Pyreneeën over. Eenmaal in de koude bergen gaat de tocht langzaam en met regelmatige onderbrekingen verder. Gewapend met een zwarte leren aktentas steekt Benjamin met een ijzeren discipline de bergen over. In het hoofdstuk over de tocht vermeldt Lisa dat Benjamin een nieuw manuscript noemt, vermoedelijk van zijn laatste werk, het enigmatische Passagen-Werk. ‘Het viel me op dat Benjamin een aktetas bij zich had. De tas leek zwaar, en ik vroeg of ik hem kon helpen. “Daar zit mijn nieuwe manuscript in” legde hij me uit. “Maar waarom neemt u het mee op deze verkenningstocht?” “Weet u, deze aktetas is het allerbelangrijkste voor mij,” zei hij. “Die mag ik niet kwijtraken. Het manuscript moet gered worden. Het is belangrijker dan mijn eigen persoon.”‘
Eenmaal in het Spaanse Port-Bou aangekomen, moeten de emigranten zich melden bij de grenspost om vanaf daar door te reizen naar Portugal. In de nacht van zijn aankomst berooft Benjamin zich echter van het leven als bekend wordt dat de Spaanse grenspolitie van plan is de groep terug te sturen. Om zijn manuscript uit handen van de Gestapo te houden had hij zijn leven over. In het sterfregister wordt wel een zwarte leren tas vermeld, maar het manuscript is onvindbaar. Als Benjamins beste vriend Fittko veertig jaar later belt, vertelt hij haar dat het manuscript volgens hem überhaupt niet bestaat. Daar eindigt voor Lisa het spoor, niemand wist er iets van en zij moest zich immers op de tocht richten. ‘De filosofie moest wachten tot we de andere kant hadden bereikt.’ Het echtpaar blijft doorgaan met mensen overzetten, de oversteek zelf is niet heel gevaarlijk omdat ze het pad goed kennen en bij de lokale mensen bekend zijn. Alle vluchtelingen die ze begeleiden komen goed over en worden niet meer teruggestuurd. Op het smokkelen van mensen stond de doodstraf, dus de rebelse Lisa en haar pragmatische man riskeerden veel voor de vrijheid van anderen.
Uit de val
In het begin van het boek herinnert Lisa zich dat haar vader ooit gezegd heeft dat je ‘moet weten wanneer het tijd is om te wagen’. Iets van diezelfde opstelling heeft zij later, al neemt ze vooral ingecalculeerde risico’s. Zelf zegt ze daarover: ‘Je moet zeker dingen wagen en risico’s nemen, maar gewoon niet lichtzinnig. Elke nieuwe route moet goed doordacht en verkend zijn, elke stap ingecalculeerd.’ Toch krijgen zij af en toe ook hulp van goede Fransen, die wel menselijk bleven in het donkerste uur van het land. Lisa had niet kunnen overleven zonder wat geluk hier en daar. Mensen die bewust de andere kant op keken, haar wat toestopten of op een andere manier de hand uitstaken. Als overtuigde antifascisten zagen Lisa en haar man het als een plicht de slachtoffers van het nazigeweld en de bureaucratie te helpen vanuit hun overtuigingen. Als het systeem faalt is het aan de individuele mens om verantwoordelijkheid te nemen.
Over de tijd van de inval zegt Fittko: ‘Je komt in een val te zitten; je ziet hoe die zich langzaam sluit. De een staat als aan de grond genageld tegenover het onvoorstelbare noodlot, anderen rennen in paniek rond. Degenen die een doel hebben zoeken een uitweg. Het besluit om uit die val te komen neemt je helemaal in beslag.’ Juist het alles overstijgende doel van verzet bieden aan het fascisme leidt tot een soort verbeten besluitvaardigheid bij de Fittko’s. Als schietpartijen, executies, en deportaties aan de orde van de dag zijn vergt het een uitzonderlijk karakter om niet tot wanhoop te vervallen.
Met een zekere wrok beschrijft Fittko de Duitse burgers die ‘na zeven jaar naziterreur helemaal niets hadden geleerd, omdat ze de samenhang tussen hun persoonlijk lot en wat zich in de wereld afspeelde niet wilden of konden begrijpen.’ Dit onderscheidend vermogen is wat deze memoires van een verzetsvrouw zo bijzonder maakt. Dat de verzetsstrijders met ritselen en misleiden de wet moesten breken om mensen te redden toont wel hoe verdraaid de zaken waren. Het was vreselijk voor hen om de autoriteiten aan de verkeerde kant te zien staan. De Franse politie was immers evenzeer medeplichtig als de Gestapo.
Glashelder verhaal
Er valt wel enige kritiek te leveren op de ondertitel van het boek: Mijn tocht met Walter Benjamin. De tocht met Benjamin duurt één hoofdstuk. Het is uiteindelijk meer een voetnoot bij het grotere verhaal, al heeft Fittko wel interessante observaties over Benjamin. Zo schrijft ze over zijn karakter: ‘Wat een vreemde man, dacht ik. Glashelder denken, een onbreekbare innerlijke kracht, maar tegelijkertijd een hopeloze kluns.’ Benjamin slaat een apart figuur, de man van Lisa vertelt ook hoe hulpeloos hij was in het kamp. Voor de rest beschrijft Fittko op een vrij directe journalistieke manier de feiten. Er is geen veroordeling, er is alleen een glashelder verhaal over hoe het was om onder een bezetter te leven. Ze blijft bij de feiten, die zijn op zichzelf al erg genoeg.
Na hun ontsnapping in 1943 leven de Fittko’s een tijdlang in ballingschap op Cuba, tot de gezondheid van Hans hen noodzaakt om naar Amerika te gaan. Op het eind van het boek vraagt het nichtje van Fittko haar naar haar redenen om te helpen. ‘Onmenselijkheid is typisch voor het fascisme,’ zegt ze daarover. Zij is van mening dat het niet zozeer het ras van de Duitsers was, maar dat we altijd overal moeten blijven waken voor het fascisme in al zijn vormen. Het leven van Lisa en Hans is een verhaal van jaren strijd en vlucht en nauwelijks erkenning, maar is constant doortrokken van een sterk politiek bewustzijn. Het wordt met een zekere vaart verteld, maar het meest ongelofelijke is wel dat ze beiden aan al die gevaren zonder kleerscheuren zijn ontsnapt. Sommige dingen mogen we nooit vergeten: ‘We mogen niet vergeten wie wij zijn, wat we hier doen en waarom.’