• Trucs

    Trucs

    Al een paar dagen verkeer ik in het hoofd van een drieënzestigjarige man in de nabije toekomst. Er zijn robots op dienstverlenende plekken, iedereen heeft een basisinkomen, het leven lijkt eentonig. De man wordt nergens verwacht en het regent nogal veel. Ook denkt hij vaak: ‘Ik ging niet met hem in discussie hierover!’ Zijn moeder, die hij twintig jaar wekelijks bezocht, is op honderdjarige leeftijd overleden. Dan komt een oude bekende hem ophalen, waarheen het gaat is voor de man niet duidelijk. Alles blijft op afstand. Wat aanzet tot een verlangen naar empathische verhoudingen, naar contactmomenten. Na honderd bladzijden heb ik nog geen idee waar het heen gaat en wil ik uit dat hoofd.
    Ik lees een ander boek over  een liefdesrelatie die na twintig jaar door de vrouw verbroken wordt. De man ervaart het als een natuurramp, de vrouw als een bevrijding. Er zijn kinderen, die vinden het vooral gênant en onbegrijpelijk. Ik wordt er door geraakt, vraag me af wat liefde nu eigenlijk is. Tussen neus en lippen door lees ik verder in De goede zoon, waarbij ik ergens in de kantlijn krabbel: ‘langdradig, raakt me kwijt’. Wat ik mezelf verwijt.

    In het boek over de liefde: ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, (..).’ Begint daar het bedrog, het misverstand dat de relatie onontkoombaar naar een einde voert?
    Een liefdesverbond  is dansen langs de afgrond want, ‘Je begint je te bemoeien met elkaars gewoonten, je begint elkaar te leren waar je je voeten moet zetten, wat je moet eten of dragen of zeggen, je stemt je smaak en je bedtijd op elkaar af, je voelt je verantwoordelijk voor het gedrag van die ander in het openbaar.

    In de laatste honderd bladzijden over de zoon voert een sprekende robotauto hem naar een onbekende bestemming. Tijdens de twee dagen durende reis ontstaat er een band tussen hen, er ontstaat contact. Er zijn prachtige scenes in een bos, de afstandelijke zoon wordt menselijk. Dan vertelt hij over zijn moeder, dat ze op een dag buiten zaten, over een heidevlakte uitkeken en zijn moeder op volkomen natuurlijke wijze zei, ‘Ach wat is dit prachtig’. Zonder komma. Ze zei het niet voor hem. Het klonk, zegt de zoon, ‘berustend, zonder al die trucs die ze zichzelf in het contact met anderen had aangeleerd omdat ze op die manier de meeste respons kreeg.’ Het is een openbaring zijn moeder als autonoom figuur te zien. Dit was het moment waarnaar je verlangt, het hele boek door. Als een E.T. ervaring, wanneer E.T. zijn vinger tegen het voorhoofd van het jongetje Elliot legt en met die trage stem: ‘Phone Home’ zegt. Ik had geen idee waar dit boek me brengen zou. Wat een ingenieus geschreven toestand.

     

    De goede zoon, Rob van Essen (Atlas|Contact)
    Cursiefgedrukte uit: Liefde, als dat het is, Marijke Schermer (Van Oorschot)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest dagelijks.

  • Oogst week 38 – 2019

    Zwarte schuur

    Onvoorspelbaar, anders en toch onmiskenbaar Oek de Jong. Dat zijn de eerste geluiden die je hoort over Zwarte schuur, de nieuwe roman van Oek de Jong.
    Zwarte schuur begint met de opening van een tentoonstelling van het nieuwe werk van de succesvolle kunstenaar Maris Coppoolse:

    … ‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd aan hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voor- ouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen. Op deze avond in september hing er bovendien de aura van een grote ten- toonstelling om hem heen – vijftien zalen met schilderijen, het werk van een half leven – en van een al weken durende voorpubliciteit.’

    Maar dan wordt pijnlijk duidelijk wat hem al die jaren heeft geïnspireerd, een catastrofe uit zijn jeugd, waar hij al die jaren mee heeft moeten omgaan.

    Zwarte schuur gaat over dit leven van de kunstenaar, zijn huwelijk en zijn jeugd. Binnenkort hier een recensie.

    Zwarte schuur
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Sal

    Een jong meisje wil haar jongere zusje beschermen tegen haar vader. Koste wat kost. Bijna een jaar lang bereidt zij daarom een vlucht voor. Ze steelt een landkaart uit de schoolbibliotheek. Met gestolen creditcards koopt ze een kompas, een goed mes, regenjassen en een ehbo-set. Ze informeert zich op het gebied van overlevingstechnieken en leert zichzelf hoe ze een schuilplaats kan bouwen en vuur kan maken. Maar de praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Het wordt een strenge winter en haar zusje heeft een arts nodig.

    Dit bijzondere verhaal dat zich afspeelt in de barre Schotse natuur is het debuut van Mick Kitson (1962). Deze journalist werd op zijn 40ste leraar. Uit onvrede over de boeken op de leeslijst van zijn leerlingen schreef hij Sal dat meteen een groot succes werd.
    Sal werd o.a. door The Scotsman bekroond tot een van de ‘Beste Schotse Boeken van 2018’ en The Guardian schreef: ‘Sal is an ambitious and skilled novel. Literature needs more stories like this.

     

    Sal
    Auteur: Mick Kitson
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De ziekte van Weimar

    Ook Kees ’t Hart vindt het belangrijk dat middelbare scholieren goede literatuur op hun lijst zetten. Hij heeft in ieder geval dit voorjaar meegedaan aan de serie ‘De ideale leeslijst’ in een toe te juichen serie in de Groene Amsterdammer afgelopen voorjaar.

    ’t Hart zet zich ook in Den Haag in voor de literatuur. In het Nationale Theater organiseert hij samen met Hans Muiderman het programma Over boeken. Drie verschillende gasten praten onder leiding van Kees ’t Hart over drie boeken. Tussen de gesprekken door is er livemuziek, een debuterende schrijver en maken de toeschouwers kans op een gratis boek. De volgende editie van Over boeken is op 2 oktober a.s.

    Maar het gaat hier natuurlijk om zijn nieuwe roman, De ziekte van Weimar. Deze keer speelt het verhaal zich af in 1807 in Franeker. Aan de Academie aldaar komt geld vrij voor de oprichting van een monument ter ere van de nieuwe wetenschap en maatschappij. Men is diep onder de indruk van een beeld in Goethes tuin in Weimar. Albert van Huszen reist daar per koets heen, vergezeld door de leden van de Franeker ceremoniële commissie om er met de schrijver en wetenschapper te overleggen over een replica van het beeld. Op te richten in Franeker, maar dan groter en grootser.
    In Weimar heerst na de Slag bij Jena van 1806 nog steeds chaos. Bovendien verdringen tientallen bezoekers zich voor Goethes huis; iedereen wil bij hem op audiëntie. Hij laat zich zelden zien. De tijd dringt als Albert erin slaagt hem te spreken.

    De ziekte van Weimar
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Ode aan het leven

    Ode aan het leven

    De eerste van de vijf gedichtenreeksen in de nieuwe bundel van Frans Kuipers (1942), Alles waait, is getiteld, ‘Het sterft van de verloren dromen hier’. De dichter is oud(er) geworden en beseft dat zijn leven voor het grootste gedeelte voorbij is, dus ook zijn dromen:

    ‘Want link is het en niet makkelijk te verstouwen,
    ziektes die niet overgaan,
    deuren voor altijd dichtgedaan,
    geen sneeuwvloks kans in de hel te maken
    en alles door zien gaan.

    […]

    Eens was het anders.

    Haast kopje-onder in haar wonder ging je.
    Achter de woorden stond haar naam.
    In de kamer op het zuiden stond je vleugel bij het raam.

    Het sterft van de verloren dromen hier.’

    De wereld is er intussen niet beter op geworden: ‘Steeds meer slagers aan het hoofd van de kudde’. Hij haalt herinneringen op aan zijn op familiefeestjes kaartspelende ooms, bezoekt zijn ouderlijk huis ‘zoals de meesten doen,/het huisje aangegaapt, rondgedwaald,/in het gras gelegen’ om met de volgende paradoxale constatering te komen: ‘alles is er nog, niets is gebleven’. Gebleven zijn de dromen, de universele natuur om het huis, maar de ooms en tantes zijn allang dood.

    Het gaat Kuipers hierbij niet om weemoed, al krijgen de gedichten door het terugkijken vanzelf iets melancholieks. De toon is luchtig, de taferelen zijn soms humoristisch met al die drinkende en zingende ooms. Kuipers citeert wat ze zongen: een cynisch liedje over de dood: ‘De kist is ien de kuul gezakt – /Boem!’ Daartegenover zet hij zijn eigen lied, een – licht veranderd – gedicht dat in zijn bundel ‘De tafel van wind’ (2001) stond. Hij is ‘de Joker’, ‘de Nar’ uit het kaartspel van zijn ooms, de kaart die altijd terzijde werd gelegd: ‘Die mocht niet meedoen maar was wel belangrijk, verklaarden zij.’ De dichter zit er duidelijk niet mee en speelt zijn rol van nar met verve. De laatste afdeling van de bundel heet ‘Narrenliederen’.
    Ondanks alle verloren dromen en voorbij avontuur staat de dichter nog hetzelfde in het leven:

    ‘Dit houd ik staande: hoe naamloos nietig en kortstondig ook
    onder maan, melkweg en sterrenstraten, groot nochtans
    het raadsel van ons figureren in dit sprookje
    van een bij het zonspinnewiel goudwevende Schone is.’

    Het gaat in het leven om het raadsel. En om schoonheid, vooral die van de natuur. Dit alles is universeel en valt nog steeds te bezingen. Dat doet Kuipers uitbundig in deze bundel. De gedichten zijn zeer persoonlijk en buitengewoon vitalistisch. Ze zijn daardoor heel aanstekelijk, zoals het eerste gedicht van de afdeling ‘Waar te beginnen’, waarin hij de lezer op een ironische wijze van advies dient:

    ‘Je koffers pakken is Goed.
    Je hielen lichten is Goed.
    Zitten op het dek van een stampende veerboot
    door kermende meeuwen omgeven is Goed,
    staan aan de reling als een dolende koning
    tussen andere dolende koningen uitkijkend over zee is Goed
    en is een Uitstekend Begin.’

    Het raadsel bestaat omdat de werkelijkheid altijd veranderlijk is en bepaald wordt door toeval: ’Altijd dat woord samenloop/met dat andere woord onachterhaalbaar in zijn kielzog’. ‘Al wat vaststaat liegt: alles waait’. Kuipers gebruikt, net als in eerder werk, vaak de wolkenmetafoor: ‘nooit komt er aan het worden van wolken een einde’. Hij richt zich op geestverwanten:

    ‘Aan de Duimpjes verdwaald
    en de kaalgeworden Kuifjes van het laatste avontuur,

    houd moed.

    Aan de dubbers en dobbelaars,
    aan de rijders op de tijger de tijger de tijd,

    een groet.’

    De moed dus om het raadsel van het leven tegemoet te treden. De laatste woorden van de bundel zijn ‘heb de moed’. Het klinkt zelfgenoegzaam, maar, schrijft hij ergens, we zijn ‘aanmodderaars onder elkaar’. De dichter heeft juist een afkeer van al die ‘ikken’, ‘mijn verhaal is niet uniek’. Hij deelt een inzicht. Dat kan hij omdat hij dichter is. Veel gedichten gaan over het dichten zelf, wat overigens een moeilijk proces is:

    ‘En als het niet te zeggen is en dat is het niet, bekwaam je dan,
    in stamelen in stamelen, hartenvanger van Hamelen.

    En als het niet te vatten is en dat is het niet,
    raadsel wil je dan mijn vriendje zijn.’

    Het zijn open en vrije gedichten, zonder vaste vorm. Ze zijn zeer verstaanbaar, heel realistisch en ook lyrisch. De regels hebben een mooi ritme en de dichter maakt veelvuldig gebruik van alliteraties en klinkerrijm. Dat levert fraaie regels op als: ‘vliegebeestjes veel en vlug vonkten in de lucht’, ‘er zijn snoevers en droeven in kroegen meer dan genoeg’.

    Er staan prachtige natuurbeschrijvingen in. Je krijgt zin om net als de dichter wandelend de natuur in te trekken om je over de schoonheid ervan te verwonderen. Vooral de korte gedichten in de afdeling ‘Passages’ zijn vaak zeer mooi:

    ‘Een cumulusdag door de zomer gedwaald, naar nergens
    op weg, naar niets getaald, onder het doorschenen groen
    van een laaghangende bladerentak aan een met de zon
    kaatseballend water gevraagd steek me aan
    leeuwenlicht, goudvonkenpolka, hemelvuurkoorts.’

    Het is poëzie waarin echo’s doorklinken van dichters als Kloos, Marsman en Campert, maar die vooral heel erg Frans Kuipers is. Alles waait is een ode aan het leven. Want ‘de wereld is zorgwekkend klote [maar] de wereld is betoverend mooi’, omdat alles waait.

     

  • Een spannende avonturenroman

    Een spannende avonturenroman

    Mark Haddon blijft achtervolgd door het wereldwijde succes van Het Wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht (2003), een schitterend meesterwerk over een jongetje met het syndroom van Asperger. De romans, Een Akkefietje (2006) en Het rode huis (2012), twee behoorlijke familiedrama’s, kenden niet hetzelfde succes. Met zijn verhalenbundel De Pier stort in (2016) gooide de Britse auteur het over een andere boeg. Zijn verhalen werden duisterder, gruwelijker en vertoonden een duidelijke invloed van de gothic novel. Haddon was echter nog niet klaar met de roman als genre. Met De Dolfijn haalt hij een ware krachttoer uit. Hij exploreert de grenzen van de roman tot het uiterste en brengt metafictie op zijn best in fantastisch proza boordevol actie.

    De Dolfijn start met een tragische gebeurtenis. Multimiljonair Philippe laat zijn hoogzwangere vrouw, een Zweedse actrice, met een privévliegtuigje overvliegen vanuit Frankrijk naar Winchester. De onervaren piloot crasht en de enige overlevende is de baby, die ternauwernood uit de moeder bevrijd kan worden. Philippe voedt zijn dochter Angelica alleen op, afgesloten van de wereld en is overbeschermend. Hij eigent zich Angelica toe en misbruikt haar. Als playboy Darius flirt met de 16-jarige Angelica, slaan bij Philippe de stoppen door. Tot zover de eerste veertig bladzijden van het boek. Dan ontpopt het verhaal zich in een onconventionele vertelling en krijgt de lezer een mix voorgeschoteld van verschillende verhalen met dezelfde oorsprong. De lezer wordt van heden naar verleden getransporteerd, van de Klassieke Oudheid naar Shakespeare in een wervelend tempo.

    Omzwervingen en tragische gebeurtenissen

    Dan is er de vraag: vermoordt Philippe Darius, of kan Darius ontsnappen? Dat blijft wat onduidelijk. Feit is dat we hem even later aan boord zien van het zeiljacht De Dolfijn, maar dat kan ook in de fantasie zijn van Angelica, die als verdedigings- en overlevingsmechanisme voor het misbruik in hongerstaking gaat en zichzelf verliest in verhalen. Wat volgt kan dus evengoed ontsproten zijn aan haar verbeelding. Darius wordt wakker op het schip en is plots de Griekse prins Pericles geworden. Het vervolg van de roman is een afwisseling tussen het hedendaagse verhaal van Philippe en Angelica, en de lotgevallen van Pericles, met alles erop en eraan: schipbreuk en muiterij, hongersnood en pest en bloederige vechtscenes waarbij Darius soms op het nippertje aan de dood ontsnapt. Zijn omzwervingen en vele tragische gebeurtenissen volgen elkaar in snel tempo op, de lezer moet er echt zijn hoofd bijhouden om het overzicht te bewaren. Soms is het even teruggrijpen naar de vorige bladzijde: wie is er nu aan het woord? Vaak lijkt dat Angelica te zijn, maar ze blijkt naast verteller ook gewoon luisteraar te zijn. Er lijkt geen duidelijke lijn te zitten in het verhaal, maar dat is schijn. Haddon navigeert tussen twee werkelijkheden en geeft de lezer met opzet een gedesoriënteerd gevoel mee.

    Evenwichtsoefening tussen realiteit en droom

    Haddon baseert zijn verhaal op  de geschiedenis van Pericles, zoals die beschreven werd in de 17e eeuw door Shakespeare en Wilkins. In dat verhaal ontdekt Pericles de incestueuze relatie van zijn toekomstige met haar vader, een Syrische koning en dan gaat de bal aan het rollen. Hij moet halsoverkop vluchten en alle figuren ondergaan een zware lijdensweg tot het bittere eind. In een subliem intermezzo laat Haddon ook de stervende Wilkins en de geest van Shakespeare aan het woord. Het werk zit boordevol intertekstualiteit en Haddon speelt met de meerdere verhalen, klassieke motieven en verschillende interpretaties.

    De Dolfijn is een subtiele evenwichtsoefening tussen realiteit en droom in een verbluffende taal, nu eens voortjagend als een aanstormende trein, dan weer vertragend, even rust brengend om vervolgens weer als een raket de hoogte in te schieten. De rake karaktertekeningen geven het werk nog eens extra glans. De vele vrouwelijke protagonisten krijgen een prominente rol: ze zijn een uiting van het sterke geslacht en overleven met verve de vele ontberingen en tegenslagen, soms ternauwernood, maar ze komen er steeds sterker en meer vastberaden uit. De donkere achtergrond en ongekende wreedheden vormen een ideaal decor om enerzijds de verschrikkelijke ravage te tonen die de mens soms ondergaat, maar anderzijds ook de enorme veerkracht die daar tegenover staat. De verschillende getergde vrouwen uit het verhaal staan hier zeker symbool voor. Haddon is erin geslaagd onder het mom van een spannende avonturenroman die van begin tot einde boeit, een roman over de roman te schrijven die aantoont dat het genre nog lang niet op zijn laatste benen staat, maar toelaat een subtiel spel te spelen met verhaalstof, personages én lezers.

     

  • In een film is geen plaats voor toeval

    In een film is geen plaats voor toeval

    Wat een raak omslag van Nanja Toebak kreeg het romandebuut Draaidagen van Bianca Boer (1976) mee. Eerder verscheen van haar een verhalenbundel en een dichtbundel. Een omslag dat bestaat uit enkel de titel, waarbij de tweede a van ‘Draaidagen’ op z’n kop is afgedrukt. Het is namelijk niet alleen die letter die op zijn kop staat, maar de hele wereld van hoofdpersoon Judith, die zonder ouders opgroeit bij haar oma, de dementerende Auschwitz-overlevende Nini (Nelly). Het verhaal van oma en kleindochter vormt de eerste verhaallijn van de roman.

    Omgedraaide rollen

    De roman begint in medias res, in het midden van het verhaal, wat nog eens wordt benadrukt door het voegwoordje ‘en’: ‘En ik geef je de roomboter aan’. De ‘ik’ is de drieëntwintigjarige Judith, ‘je’ is haar tweeënnegentig jarige grootmoeder Nini. Judith woont weer bij haar oma, omdat ze – een terugkerend refrein – nergens anders heen kan. De rollen zijn omgedraaid: Judith zorgt voor haar oma in plaats van omgekeerd. In bed draait ze haar gezicht naar de muur, omdat ze wil slapen en niet ’s nacht eruit moeten om haar oma naar het toilet te helpen. Het verhaal over Judiths studie filosofie en de reden waarom ze die afbrak en weer bij oma intrekt, wordt gaandeweg als tweede verhaallijn vertelt. Dat wil zeggen: aan de lezer, niet aan oma. Zoals Judith in het studentenhuis nooit over thuis vertelde, praten veel Auschwitz-overlevenden niet over de oorlog. De herinneringen eraan zijn echt, ‘en toch kloppen ze niet’, omdat zij de overlevenden geen recht doen. ‘Zíj zijn daar niet geweest. In Auschwitz. Ze weten niet hoe het was’, zegt oma.

    Draaidagen

    De derde verhaallijn gaat over Judith als figurante in een film over de deportatie van de psychiatrische patiënten van de inrichting het Apeldoornsche Bosch naar Auschwitz. Hiermee ontvlucht Judith enerzijds de omstandigheden en probeert er anderzijds achter te komen hoe het daar was.
    De gedeelten over de filmset krijgen het karakter van een sleutelroman, waarbij je probeert de regisseur Frans Verschueren (‘kleiner dan ik dacht’) en een titel als ‘Terug van Gisteren’ te plaatsen: Franz Weisz, ‘Onderweg naar morgen’? Ondertussen speelt wel een ethische kwestie: brengt zo’n film je echt dichter bij de Tweede Wereldoorlog? Kan en mag je dat van fictie verwachten? Is het geen toeeigening van een niet-joodse schrijfster? De lezer mag zelf oordelen. Een mogelijk antwoord geeft het boek zelf: ‘Een film beantwoordt aan andere wetten dan het echte leven. In een film moet een verhaal verteld worden, een verhaal dat de hele constructie draagt. In het echte leven komen vreselijke dingen steeds terug, of ze gebeuren juist nooit weer. In het echte leven heb je toeval, in een film niet.’

    Ideeënroman of toch sleutelroman

    Opvallend is hoe de nadruk op de set valt voor ‘continuïteit’. Het is niet de bedoeling dat je iets in een scène verandert, want dat doet inbreuk op het vervolg; de film wordt niet chronologisch opgenomen. Als lezer ben je geneigd dit te vertalen naar een andere filosofische vraag: was de Tweede Wereldoorlog nu een breuk of ging het leven daarna gewoon door? Zo krijgt de roman naast trekjes van een sleutelroman ook elementen van een ideeënroman – beide niet nadrukkelijk, maar knap ingeweven in het geheel.

    Fictie en werkelijkheid schuiven in elkaar. In de film is Judith een verpleegster. ‘Ik probeer de mensen rustig te krijgen door zelf rustig te blijven. Dat werkt bij jou ook altijd het beste, Nini’, zegt ze. Het is een gegeven dat terugkomt wanneer enkele mensen met een verstandelijke beperking met hun begeleiders op de set arriveren om te figureren: ‘Ze blijft rustig en houdt overzicht’ zoals de paarden die Nini bereed ‘rustig van haar werden en zij van hen’.

    Smalle wegen

    Deze figuranten begrijpen net als Nini ook niet wat er gebeurt. Een hoofdrolspeler waarschuwt Judith: ‘Dit is niet het echte leven. Vergeet dat niet’. Ze vraagt zich daarop af, wat dat dan wél is. Een leeg huis? Iemand die steeds verder van haar wegdrijft? Een oorlog waar ze steeds meer over te weten komt, maar steeds minder van begrijpt?
    Deze ontwikkeling wordt prachtig weergegeven door middel van het beeld van de wegen waarover Judith naar een volgende opname plaats rijdt. Wegen die steeds smaller worden, ‘van autoweg naar autoweg, daarna een tachtigkilometerweg met witte strepen in het midden, dan een tweebaansweg zonder belijning en als laatste een weggetje net breed genoeg om er met onze auto overheen te rijden’.

    Zoals het boek begint met de zinnen: ‘En ik geef je de roomboter aan. Mijn ogen volgen de botervloot’, zo staat er tegen het eind: ‘En ik geef je de roomboter aan. Je ogen volgen de botervloot wel, maar je steekt je hand niet uit’. Alles is omgedraaid, maar er is sprake van empathie in de manier waarop beide zinnen elkaar als een beeld van de werkelijkheid spiegelen.
    Zeg niet dat er in Nederland geen goede romans worden geschreven!

     

  • Klassiek verhaal in populaire genres gebracht

    Klassiek verhaal in populaire genres gebracht

    Wouter Godijn, vooral bekend als stilistisch dichter, neemt in het hedendaagse Nederlandse literaire landschap een unieke plaats in. Voor zijn dichtwerk won hij de Jan-Campert-prijs, maar ook als prozaïst kan hij niet ontkennen van nature een begenadigd poëet te zijn. Zijn roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde in 2012 de shortlist van de AKO literatuurprijs. Met zijn nieuwe roman De kamer waar alle verhalen beginnen pakt hij opnieuw uit met een geheel eigen stijl die de grenzen van diverse literaire genres exploreert.

    Stilistisch huzarenstukje

    Godijn begint met een motto van Edgar Allan Poe dat gelijk het gehele boek omvat: ‘All that we see or seem is but a dream within a dream’. Vanaf dat moment wordt de lezer geconfronteerd met drie slaapkamerscènes en drie lange dromen. Een redacteur van drieënzestig staat op het punt naar bed te gaan, misschien wel voor de laatste keer, want hij voelt zich niet goed. Hij klaagt over het feit dat literatuur niet meer is wat het ooit was. Hij dient zich op de redactie enkel nog bezig te houden met de populaire lectuur van fantasy, thrillers en sciencefictionverhalen en hij is het (leven) moe. Wat volgt is een waar stilistisch huzarenstukje. In drie lange dromen en met een knipoog naar de door de redacteur zo verguisde genres, ontwikkelt Godijn met heel veel taalgevoel een uniek portret van een tragische en verziekte familiegeschiedenis. Een gezin met een te vroeg gestorven vader, een depressieve moeder en de incestrelatie tussen broer en zus komt terug in de drie dromen, die telkens in een andere stijl worden geschreven. Door de donkere verhalen heen kan de lezer de zwarte familiegeschiedenis van de redacteur en zijn tragische evolutie ontdekken.

    Therapieën

    De redacteur probeert in het reine te komen met zijn verleden. Verschillende therapieën en behandelingen bleken nutteloos en de zus verdween noodgedwongen uit zijn leven. In de drie dromen onderneemt de jongen/man telkens een zoektocht naar de verdwenen zus. De eerste is een fantasy-verhaal met een hoog Game of Thrones-gehalte. Bij thuiskomst van jagende mannen blijkt het kasteel Droomredeom verwoest en geplunderd en vrouwen en kinderen zijn verdwenen. Wat volgt is een achtervolging op zoek naar de moeder en de zus met bloederige afloop.

    De naam van het kasteel is een omkering van het woord ‘moedermoord’, een verwijzing naar zijn eigen verleden. De moeder van de redacteur werd depressief omdat haar zoon niet te behandelen was en pleegde uiteindelijk zelfmoord. Hij ontdekte haar, hangend aan de trap. De tweede droom is een ware thriller. De zaak van de verdwenen zus eindigt net als het eerste verhaal tragisch en opnieuw speelt de man zelf een hoofdrol. Hij leert dat het leven an sich niets waard is en dat de dood het ultieme geluk betekent.

    Het laatste verhaal speelt in een futuristische, maar desolate wereld waarbij broer en zus het huis verlaten op zoek naar betere oorden. Zus gaat plots mee met een groep die rondtrekt en hij verliest haar uit het oog. Een zoektocht zonder einde is het vervolg. De drie dromen werken als een soort therapie voor de redacteur, maar net als vroeger, brengen ze weinig soelaas. In een allerlaatste droom komen engelen hem halen. Hij krijgt als toetje nog een vierde droom. Daarin komt hij tot besef van zijn zonde en is hij klaar (om te sterven?!).

    Taalvirtuoos

    De taal die Godijn hanteert is op zijn minst poëtisch te noemen. Bijwijlen zoekt hij het ver en bemoeilijken zijn ingewikkelde constructies en lange zinnen een vlotte lezing. Hij gebruikt veel stijlfiguren als synesthesieën, maar vooral ook tegenstellingen en oxymorons, als wil hij laten zien dat er voor elke negatief element ook iets positiefs bestaat. Of misschien wil hij hiermee aanduiden dat niets is wat het lijkt, een expliciete verwijzing naar het motto van Poe.

    Eenmaal aan de stijl gewend, staat de lezer verbaasd van de virtuositeit die aan de pen van Godijn ontspringt. Deze stijl, gecombineerd met de tragische inhoud, zorgt voor een onrustig gevoel, waarbij de lezer telkens uit zijn comfortzone wordt getrokken. Gelukkig wordt dit goed gemaakt door de vele humoristische knipogen en sarcastische reminiscenties aan onze hedendaagse maatschappij. Knap hoe de auteur een klassiek verhaal vertelt aan de hand van enkele populaire genres, alsof hij daarmee wil aantonen dat ook deze deel geworden zijn van de echte literatuur en als referentiekader kunnen dienen voor het leven. Maar natuurlijk ‘Literatuur is nergens goed voor… Niets is ergens goed voor’, zo relativeert Godijn opnieuw elke these.

     

  • Experimenteel verhaal met elegantie geschreven

    Experimenteel verhaal met elegantie geschreven

    Twee jaar geleden verscheen in De Volkskrant  een stuk met de titel De jonge schrijver is een vrouw’. Op de bijhorende foto pronkten Maartje Wortel, Hanne Bervoets, Nina Polak, Alma Mathijsen en Niña Weijers. Weijers’ bekendheid kabbelde nog altijd voort op het enorme succes van haar in 2014 verschenen ijzersterke debuut De consequenties, een ideeënroman die ondertussen haast tot de status van cultboek wordt verheven. Het boek won zowat alle belangrijke literaire prijzen en zorgde voor vernieuwing in het Nederlandse literatuurlandschap. Het was vijf jaar wachten op een nieuwe roman van de jonge schrijfster. Kamers Antikamers is een roman die niet zomaar in een hokje te plaatsen valt. Soms bevreemdend, soms verwarrend, soms afstandelijk en soms herkenbaar.

    Wat is de werkelijkheid

    Kamers Antikamers is een verhaal zonder plot. Wie probeert enige lijn te vinden in het geheel, kan zich de moeite besparen. Het is onmogelijk te reconstrueren wat zich in de roman afspeelt of hoe alles samenhangt. Er is natuurlijk een startgegeven: een jonge schrijfster van ongeveer dertig jaar, zonder enige twijfel het alter-ego van Weijers, betrekt een kamer in een laatnegentiende-eeuws pand aan een stadspark.  Een terugkerend motief zijn haar wandelingen en gesprekken met schrijfster M. (alter-ego voor Maartje Wortel).

    Met dit uitgangspunt begint Weijers te experimenteren. Ze haalt in het begin van het boek uitdrukkelijk de term parataxis aan, het naast elkaar plaatsen van zaken. Ze verwijst naar het fragmenteren en vervormen van vertrouwde verhalen, naar meervoudige perspectieven. Ook haar personage bouwt ze op die manier op: ‘Je begrijpt dat je als mens voortdurend bezig bent te splijten, je zou het uiteenvallen kunnen noemen’.

    En zo begint ze met de vervorming van de werkelijkheid. Weijers vraagt zich voortdurend af hoe het echte leven eruitziet. Haar personage ziet het perfecte gezin als ze door haar raam neerkijkt op de buren in het belendende pand.  Weijers en haar personage worstelen met de klassieke verwachtingen van het burgerlijke bestaan. Daarom tekent de auteur verschillende levens die in elkaar overvloeien. Zo leeft de schrijfster alleen op haar kamer, maar het volgende moment is ze samen met een man.  Ze lijkt plots een kind te hebben, daarnaast is ze een stoere vrijgezel die leeft van affaires. Ze is weer alleen en nodigt vriendinnen uit of ze heeft een relatie met een vrouw.

    Het causale verband tussen die verschillende fases is er niet, bestaat ook misschien helemaal niet. Weijers exploreert het leven via een naadloze overgang tussen de werkelijkheid en het onbestaande, tussen verleden, heden en toekomst, tussen droom en daad. Soms zijn er wel aanwijzingen dat we ons in een nieuw stuk bevinden. Heel subtiel verspringt ze van een ik-verteller naar een hij-verteller. De auteur gebruikt ook bijna geen namen in het boek. Het hoofdpersonage krijgt , afhankelijk van in welke werkelijkheid ze zich op dat moment bevindt, telkens een andere aanduiding: ‘de vrouw’ of ‘de ander’ of ‘de kleine’. Lettend op de kleine details kan toch enige structuur in het plotloze verhaal gevonden worden.

    Heldere vertelstijl

    Het experimenteren met de grenzen van de werkelijkheid leidt vaak tot onleesbare draken van schrijfsels. Dit is zeker niet het geval bij Kamers Antikamers. De zeer heldere vertelstijl, die Weijers ook al hanteerde in De Consequenties, zorgt voor de samenhang en maakt het werk bijzonder leesbaar. Ze lapt alle conventies en regels aan haar laars en componeert verschillende levens van hetzelfde personage die wonderwel goed samengaan. Er is een overheersend gevoel van voyeurisme: de lezer neemt een kijkje in haar kamer, haar leven, maar van zodra hij te dicht komt, bevindt hij zich in een andere kamer. Dat gebeurt ongemerkt, zonder overgang of aankondiging, maar is helemaal niet storend.

    Precies daar ligt de sterkte van Weijers: een experimenteel verhaal schrijven, zonder plot, zonder veel poeha, maar met de elegantie en het gemak alsof alles zo makkelijk loopt.

    Ondanks het ontbreken van een echt verhaal, gaat het boek wel degelijk ergens over. Het exploreert niet alleen de grenzen van de werkelijkheid, maar toont hoe mensen in het leven kunnen staan. Vrijheid is een belangrijk gegeven, maar de keuzes die mensen maken zijn misschien nog belangrijker. De roman toont hoe liefde kan groeien en verdwijnen, hoe mensen vrienden vinden en verliezen. Weijers beschrijft op een heel heldere en verbluffende manier dat het leven niet rechtlijnig is, dat er verschillende naast elkaar bestaande levens zijn en dat er niet zoiets bestaat als de enige juiste weg.

     

  • Het is niet allemaal om te lachen

    Het is niet allemaal om te lachen

    De Vlaams dichter Norbert de Beule (1957) was gedurende zevenentwintig jaar godsdienstleraar. In 2004 besloot hij uitsluitend voor de poëzie te gaan nadat hij in 2003 bekendheid kreeg met zijn bundel YELLe!. Hij debuteerde in 1987 met de bundel Rockoco en sindsdien is hij gestaag blijven werken aan zijn oeuvre. Het lesgeven heeft hij inmiddels voor enkele uren per week weer hervat. Vigor anorexia is zijn negende bundel; een ruwe vertaling van de titel zou luiden: De kracht van het gebrek aan eetlust.

    Het gebruik van het Latijn laat zich verklaren door de ondertitel: Een misboek. Ook het openingsgedicht Kyrie en gedichten als Hymne, Eerste Lezing, Credo en Gloria wijzen in de richting van het opdragen van een katholieke mis. De titel van de bundel is dan misschien ook een referentie naar het vasten van Jezus in de woestijn, waar hij door onthouding van voedsel de kracht vond om de verzoekingen van de duivel te weerstaan. Dat zou geen vreemd motief zijn voor een dichter en godsdienstleraar, die zoveel verwijzingen naar de Bijbel en de christelijke heiligen in zijn bundel stopt. En ook deze haiku zou kunnen slaan op het weigeren van voedsel:

    ‘Dragend geraamte –
    om dichter bij God te komen
    leert men rekenen’

    Na het Kyrie kondigt het begin van de bundel en ook dat van de mis tevens het begin van een nieuw leven aan:

    ‘In den Beginne was het Vlees
    het klopte mij de ziel uit de kleren
    Ik durf nog nauwelijks ademhalen
    Pas later kwam het Woord’

    Zelfportretten

    Dit zijn de eerste regels van het portret dat de dichter schildert van zichzelf als Paus Benedictus. Er volgen door de bundel heen nog verschillende zelfportretten: als Jamie Olivier, als Franciscus van Assisi, als Marianne Moore en zelfs als ‘sardientje op een bord’.
    De overige gedichten houden de volgorde aan van het ordinarium van de katholieke mis, maar ook die van het leven van de dichter: herinneringen aan zijn jeugd, de handelingen van zijn vader en moeder, zijn spraakgebrek ( ‘Ik zal […] blaaf telug naal moeke gaan’), de puberteit (‘Onzen Norbert heeft haar op zijn piezewiezeken’), het verlaten van het ouderlijk huis, de eerste liefde en de dood van zijn ouders.

    De typografie van de bundel is opvallend: er is gebruik gemaakt van diverse lettertypes in variabele grootte, van vetgedrukte woorden en facsimile’s van boodschappenbriefjes. Ook geven bekende en onbekende mensen onderaan sommige van de gedichten commentaar en ‘likes’ zoals op Facebook gebeurt:

    ‘Simone Weil Ik ben niet iemand om je lot aan te verbinden.
    Norbert de Beule Heb ik je gevraagd om mijn moeder te zijn dan?
    Paul Engelbeen vindt dit leuk.’

    Hierdoor wordt de complexe inhoud van de bundel beter bepaald, ook al is het niet altijd mogelijk er een daadwerkelijke functionele betekenis aan te hechten. Dat geldt ook voor de grootgedrukte haiku’s die regelmatig tussen de andere gedichten worden weergegeven: hoewel ze geestig en goed overdacht zijn, is soms niet duidelijk wat ze met de rest van de bundel te maken hebben; misschien dat ze daarom helemaal alleen op een pagina staan.

    Vormconcept volgens Bruegel

    Het vormconcept maakt van deze doorwrochte bundel een bont en gevarieerd geheel als een schilderij van Bruegel. Het is alleen jammer dat een index ontbreekt.

    De gedichten worden afgewisseld met prozastukken die geschreven zijn in de stijl van de schrijver aan wie ze zijn opgedragen: Cyriel Buysse, Richard Minne, Anneke Brassinga, Gerrit Krol en nog vele anderen. De Beule laat hiermee zien hoe goed hij thuis is in het werk van vele auteurs: vooral de stijl van Gerard Walschap en die van Louis Paul Boon zijn feilloos geïmiteerd en zeer de moeite waard. Ook in de gedichten zelf zitten veel verwijzingen naar bekende gedichten van bijvoorbeeld Kopland, Hoornik (Het kleine dochtertje van Jaïrus wordt bij De Beule een klein ezeltje) en Nijhoff. Het Vlaams dat de dichter zijn personages – in dit geval de moeder – in de mond legt, draagt bij aan de sfeer van de gehele bundel: ‘Miljardenvlammenste millemiekeste nondedjuu / zoudt ge nu geen vlammen schijten, jong!’ 

    Vooral door zulke uitspraken kan een Nederlandse lezer het idee krijgen dat dit een leutige en  plezante bundel zou zijn, maar hoewel de humor in ruime mate aanwezig is, is deze af en toe behoorlijk wrang. Het is niet allemaal om te lachen.

    Anorexia

    Vooral ouders krijgen veel liefdevolle aandacht in de gedichten: de vroegste herinneringen aan vader en met name aan de kordate, kort aangebonden moeder worden met smaak en pret opgedist, maar over hun stervensproces is de dichter ernstig en teder. Moeder stierf aan kanker, ‘of beter nog aan magerzucht’. Bij de zoon ‘[…] zakte zijn broek af van magerte. […] Honger en verlangen naar hoger honger […]’. Waarmee de bundel weer terug is bij de titel.

    Net als de mis wordt de bundel afgesloten met het ‘Ite missa est’, bij De Beule: ‘Zending & zegen’ genaamd, de titel van een prachtig en ontroerend gedicht waarin nogmaals sprake is van de dood van de moeder, maar ook van de verrijzenis: ‘Gaat nu allen heen, het offer is voltrokken.’ Maar als allerlaatste is er een foto van een bladzijde uit een huishoudboekje uit 1963 te zien, waarop de afbetaling is bijgehouden van de prijs voor een paard, ‘20 duizend frank’ met 1000 frank per maand. Vader De Beule was kolenboer en trok met paard en kar langs de huizen om zijn waren te leveren. Hoewel er onder de rekening staat: ‘voledig betaald’ (sic),  is het totale eindbedrag van de aflossingen echter 15.000 frank. De rekening is nog niet voldaan.

     

  • Zomerlezen- España

    Aan de oever

    Op nummer drie in de lijst van populaire vakantiebestemmingen voor Nederlanders prijkt Spanje, na Frankrijk en Duitsland. Het is er nu toch veel te heet om iets anders te doen dan de schaduw op te zoeken met een goed boek, dus hierbij drie tips waarvoor u vast nog wel een plekje vindt in uw koffer, naast de zonnecrème.

    Kenners van de Spaanse literatuur weten dat Rafael Chirbes (1949-2015) niet de bekendste, maar misschien wel de grootste van zijn generatie was. Als u iets wilt begrijpen van het moderne Spanje, mag u hem niet missen. Misschien is het u wel eens opgevallen dat er sinds de instorting van de Spaanse vastgoedmarkt overal aan de Spaanse costa’s half afgewerkte bouwprojecten staan te verkommeren? Welkom in de wereld van Esteban, hoofdpersonage van Chirbes’ Aan de oever, die het geld van zijn vaders bescheiden meubelmakerij investeert in een bouwonderneming in de hoop mee te profiteren van de vastgoedhausse die aan de verwoestende crisis voorafging. Uiteindelijk wordt de meubelmakerij meegesleurd in de ondergang van Estebans vastgoedproject, staat het personeel op straat en kan hij de verpleegster die voor zijn dementerende vader zorgt, niet langer betalen. Chirbes geeft u een kijkje achter de schermen van de Spaanse bouw- en toerismesector, waar louche zakenlui, corrupte politici en andere onfrisse figuren rijk proberen te worden over de rug van de Spanjaarden onder aan de sociale ladder. Geef de ober die uw paella opdient straks dus maar een mooie fooi, want hij/zij moet rondkomen van een hongerloon.

     

    Aan de oever
    Auteur: Rafael Chirbes
    Uitgeverij: Meridiaan

    De nacht der tijden

    Een andere sterkhouder van de Spaanse letteren is de Andalusiër Antonio Muñoz Molina. Een van zijn mooiste boeken is ongetwijfeld De nacht der tijden, over een onmogelijke liefde tussen een Spaanse architect en een Amerikaanse schrijfster aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog. Dat klinkt sentimenteel, maar niets is minder waar. Slechts weinigen verstaan de kunst om over liefde te schrijven zonder te vervallen in stereotypen of melodramatische clichés, maar Muñoz Molina draait zijn hand er niet voor om en toont met succes hoe lastig en tegelijkertijd hoe mooi el amor kan zijn.

    De nacht der tijden
    Auteur: Antonio Muñoz Molina
    Uitgeverij: De Geus

    Andalusisch logboek

    Over de derde Spanje-tip hebben ik nog even getwijfeld. Andrés Barba, die met Republiek van licht een verbluffende roman schreef, was zeker een goede kandidaat, maar het boek speelt eigenlijk meer in een fictieve Latijns-Amerikaanse stad. Bovendien stellen ik u graag voor aan een Vlaming die al jaren in Spanje woont: Stefan Brijs. Misschien kent u hem als romancier, maar zijn Andalusisch logboek is zeker niet te versmaden. Brijs woont in een afgelegen dorp in de bergen bij Málaga en beschrijft in zijn logboek over het leven aldaar, van de cultuur tot de mensen, maar ook de natuur. Wist u bijvoorbeeld dat er een dramatisch watertekort dreigt in Andalusië omdat de lokale boeren massaal zijn overgeschakeld op het telen van aardbeien en avocado’s? Vroeger verbouwden ze gewassen die minder moesten worden besproeid en beter waren bestand tegen de droogte. Reken daar nog bij dat de Spaanse costa’s in de zomer worden overspoeld door toeristen die de schaarse watervoorraad nog meer uitputten, en er dreigt echt een milieuramp. Geniet van uw vakantie, maar sta daar misschien toch even bij stil voordat u het zwembad induikt.

    Andalusisch logboek
    Auteur: Stefan Brijs
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Schuldig kinderspel

    Schuldig kinderspel

    Welke keuze heb je als kind? Kun je je ouders ook níet vertrouwen? In Het beroep van mijn vader blikt de Franse schrijver en journalist Sorj Chalandon via zijn alter ego Émile terug op zijn jeugd. Het was een jeugd die gedomineerd werd door zijn paranoïde en agressieve vader, André Choulans. Aanvankelijk lijken diens anekdotes over zijn carrière als zanger of voetballer nog gewoon sterke verhalen. Ernstiger wordt het als hij zegt ook spion te zijn geweest en adviseur van president Charles de Gaulle. Wanneer André zich verraden voelt door De Gaulle maakt hij op een ochtend van zijn twaalfjarige zoon ook een geheim agent: ‘Sta op, rebel!’

    Het is eind april 1961, de krant France-Soir kopt ‘Militaire coup in Algiers’. Op het journaal veroordeelt De Gaulle deze putsch van de dissidente generaals. In 1958 hadden de pied-noirs, de Franse Algerijnen, De Gaulle aan zijn verkiezings­overwin­ning geholpen. Ze hoopten dat hij de onafhankelijkheid van Algerije zou tegenhouden. André voelt zich verraden en sympathiseert met de terreurbeweging OAS, de Organisation de l’Armée Secrète.

    Als eerste opdracht van zijn vader moet Émile de naam van generaal Salan op muren schrijven om zo hun steun uit te drukken aan de oprichter van de OAS. Via zijn vader krijgt Émile ook opdrachten van de Amerikaanse agent Ted, die zijn verrichtingen voor de organisatie nauwgezet volgt. Meer opdrachten volgen die steeds minder onschuldig zijn, zoals het bezorgen van dreigbrieven. Helemaal opgenomen door zijn rol, betrekt Émile een klasgenootje erbij. Zonder medeweten van zijn vader begint Émile hem opdrachten te geven.

    Terreur
    In het grootste deel van Het beroep van mijn vader schrijft Chalandon vanuit het perspectief van het kind. Hij overtuigt hiermee en dat geeft de roman zijn dramatiek. Als lezer heb je al snel door dat André aan waanvoorstellingen lijdt en zijn gezin terroriseert. Door de opdrachten die hij zijn zoon geeft gaat het op school met Émile steeds slechter, waarvoor hij hem afranselt. Ook zijn vrouw krijgt het te verduren wanneer ze bij uitzondering een keer naar een concert gaat. Ook dat ziet André als verraad.

    Het is pijnlijk te beseffen dat de roman gebaseerd is op Chalandons eigen jeugd. Een jeugd met een moeder die niet bij machte is haar zoon te beschermen tegen het geweld van haar man – en zichzelf ook niet. En tegelijk zie je Émile zoeken naar de liefde en erkenning van zijn vader. En hoe ver hij ook wil gaan voor zijn vader, klappen zijn het enige dat hij krijgt.

    ‘Ik huilde. Niet van de pijn, maar om de onrechtvaardigheid. Mijn kaakbeen deed zeer, mijn tanden. Ik zwoer het. Ik had nooit iets over hem of over Ted of over wat dan ook verteld. Ik had De Gaulle in mijn eentje willen vermoorden. Ik had hem willen verrassen. Hem een plezier willen doen. Zodat hij trots op me zou zijn.’

    Het enige dat Émile houvast geeft in zijn jeugd is zijn tekentalent. Later, eenmaal volwassen, wordt hij restaurator. Wanneer zijn eigen zoon naar school gaat en het beroep van zijn vader moet invullen, probeert hij te begrijpen wat een restaurator is: ‘schilder op zieke schilderijen’. Het maakt een schrijnend contrast met Émiles eigen jeugd. Maar de laatste hoofdstukken maken duidelijk dat André hem er niet onder heeft gekregen. Wat bijzonder is gezien de thuissituatie in zijn jeugd: ‘In ons gezin was er geen huidcontact. De lippen van de een raakten maar zelden de wang van de ander. We meden zelfs elkaars blik.’

     

  • Oogst week 24 – 2019

    Sofia Express

    De oogst van deze week: twee non-fictie boeken en een roman. In de reeks ‘Literaire steden’ van Het oog in ’t zeil, werd onlangs het twintigste deel Sofia Express uitgegeven. De schrijver van dit deel is slavist Jan Paul Hinrichs, die op fantastische wijze deze stad in Bugarije tot literatuur verheft. Eerder schreef Hinrichs al in dezelfde reeks De Mythe van Odessa (2011) en Trefpunt Riga (2017). Sofia is de stad van de dissidente schrijver Georgi Markov. Eric Ambler situeerde er enkele van zijn thrillers en Lucebert schreef in 1955 een reeks reisgedichten over de stad. Ook spelen romans van Cees Nooteboom en Dimitri Verhulst in Sofia. Hinrichs laat zijn ‘Woord vooraf’ beginnen met een citaat uit een van de boeken van Eric Ambler:
    ‘Mag ik zo bescheiden zijn te vragen waar u heen gaat?’
    ‘Ik ga naar Sofia.’
    ‘Zo Sofia? Een schitterende stad – werkelijk schitterend.’

    Zo is ook Sofia Express een schitterend boek, met mooi fotomateriaal en intirgerende verhalen van Hinrichs. Zeker een boek ter voorbereiding voor wie naar Bulgarije afreist, en hart en ziel van de stad wil doorgronden.

    Sofia Express
    Auteur: Jan Paul Hinrichs
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    De avonturen van Alexander von Humboldt

    De avonturen van Alexander von Humboldt is de tweede graphicnovel van Andrea Wulf (1972) en heeft als onderwerp het leven van Alexander von Humboldt (1769-1859), de ontdekkingsreiziger naar Zuid-Amerika. In haar eerste graphic novel over Humboldt, De uitvinder van de natuur beschreef Wulf de gewaagde expedities die hij ondernam en gaf ze inzicht in zijn onderzoek naar de vorming van het landschap op verschillende continenten. In deze tweede duikt ze dieper in het leven van Humboldt. De avonturen van Alexander von Humboldt focust op de vijfjarige expeditie in Zuid-Amerika die hij in juni 1799 begon. Samen met Lillian Melcher geeft Wulf deze expeditie in tekeningen weer, compleet met fragmenten uit Humboldts dagboeken, atlassen en publicaties. Het is een mooi en intiem portret van de man die klimaatverandering door menselijke invloed al voorspelde, poëtisch narratief verkoos boven wetenschappelijke observatie en iconische figuren als Simon Bolívar, Thomas Jefferson en Charles Darwin beïnvloedde. Dit verslag van de expeditie laat niet alleen zien hoe Humboldt zijn baanbrekende kennis en begrip van de natuur verfijnde, maar laat ook een man met passies zien. Het is prachtig vormgegeven in een groot formaat boek.

    De avonturen van Alexander von Humboldt
    Auteur: Andrea Wulf en Lillian Melcher
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Welkom in het Rijk der zieken

    Welkom in het Rijk der zieken is de zevende roman van Hanna Bervoets (1984). Ze schreef onder meer de succesvolle romans Efter (2014), Ivanov (2016) en haar voorlaatste roman Fuzzie (2017). Ze debuteerde in 2009 met Of hoe waarom en twee jaar later verscheen Lieve Céline, waarvoor ze de Opzij Literatuurprijs kreeg. In 2017 won Bervoets de BNG Bank Literatuurprijs voor Ivanov en in datzelfde jaar kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar hele oeuvre.

    Welkom in het, is een roman over ziek zijn, en onderwerp dat haar fascineert, zoals Bervoets zelf zegt. In de roman gaat het over de kinderoppas Clay, die ziek wordt na een bezoek aan een kinderboerderij. Hij krijgt hoge koorts en vecht voor zijn leven. Wanneer de koorts daalt, blijft de vermoeidheid en krijgt hij last van vreselijke pijnen. Q-koortsvermoeidheidssyndroom, luidt de diagnose. En daar zal hij nooit meer vanaf komen, wordt hem voorspeld. Dan volgt een zoektocht naar genezing. Behandelingen die niet aanslaan, zijn relatie houdt geen stand en eenzaamheid is zijn lot. Zo belandt hij in het Rijk der zieken, een wereld waar ondoorzichtige regels gelden en de eindbestemming onduidelijk is. Over de mallemolen van een chronische ziekte, in trefzekere taal geschreven.

    Welkom in het Rijk der zieken
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Oogst week 23 – 2019

    Eiland in de nevel

    Alleen de intense ervaringen die wandelaar Pieter Kikkert ervoer tijdens zijn kilometerslange wandeling in 1791 kunnen wandelaars van nu misschien herkennen, maar niet het landschap. Dat zag er in 1791 heel anders uit dan tegenwoordig. Kikkert wandelde in die zomer over Texel, met een dichtbundel onder de arm, net nadat het had gestormd en er hele stukken land in zee waren verdwenen. Hij schreef er een verslag over dat Texelaar en auteur Lodewijk Dros (1964) twee jaar geleden bij toeval vond. Dros ontdekte wat een veelzijdig man Pieter Kikkert is geweest en gebruikte diens verslag voor Eiland in de nevel
    Eiland in de nevel geeft volgens uitgeverij Boom ‘een caleidoscopisch beeld van het leven op een eiland rond 1800’.

    Lodewijk Dros (Texel, 1964) werkt sinds 2000 bij dagblad Trouw, momenteel als chef van Letter & Geest. Hij studeerde theologie en was predikant in Amsterdam.

    Het originele manuscript van Pieter Kikkert is online te lezen.

    Eiland in de nevel
    Auteur: Lodewijk Dros
    Uitgeverij: Boom (2019)

    Met mijn smoel in mijn handen

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904 – 1969) is een van de vertegenwoordigers van de Poolse avantgarde. Zijn werk wordt vergeleken met dat van Kafka, Ionesco en Beckett. Zijn belangrijkste romans zijn Ferdydurke, Kosmos, Pornografie, en Het huwelijk

    Paul Beers die bijna het gehele oeuvre van Gombrowicz vertaalde vond het Dagboek het hoogtepunt in diens werk en zeer relevant voor het begrip van zijn romans. Gombrowicz schreef het Dagboek bewust om het te laten publiceren, en formuleert daarin zijn gedachten over ‘hoe ons door anderen een vorm wordt opgedrongen, over waarom het onrijpe en lage machtiger zijn dan de rijpheid, over wat schijn is in de juist zo persoonlijk geachte beleving van kunstzinnige uitingen, waar de grenzen liggen van onze moraal op een aardbol waar het probleem van het explosieve bewonersaantal onmogelijk kan worden genegeerd.’

    Huub Beurskens maakte een selectie uit het Dagboek zoals dat in de integrale Nederlandse vertaling door Paul Beers in 1986 verscheen. Volgens uitgeverij Koppernik is Met mijn smoel in mijn handen ‘nog actueler en urgenter […] dan toen Gombrowicz het schreef’.

     

    Met mijn smoel in mijn handen
    Auteur: Witold Gombrowicz
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De fantastische meneer Willughby

    In de wereld van ornitologen werd John Ray jarenlang als een van de eerste en meest toonaangevende wetenschappers gezien. Hij publiceerde in 1676 samen met Francis Willuhhby een standaardwerk de Ornithologiae. Op het moment van verschijnen was deze Willuhhby echter al overleden en de roem ging bijna volledig naar Ray.
    Totdat Tim Birkhead (1950), hoogleraar gedragsbiologie en wetenschapsgeschiedenis aan de universiteit van Sheffield , in contact kwam met een verre nazaat van Willuhhby en gewezen werd op diens werkelijke betekenis.
    Dit was voor Birkhead aanleiding om op onderzoek uit te gaan, gelden te verzamelen en vervolgens Willuhhby de eer te geven die hem toekwam. In het voorwoord schrijft Birkhead: ‘Dit is het verhaal van de man die de grondslag legde van het wetenschappelijk onderzoek van vogels.’

    De fantastische meneer Willughby
    Auteur: Tim Birkhead
    Uitgeverij: Atlas Contact(2019)

    In het hart van het hart van de schrijn

    Het nieuwe nummer van Terras, nummer 16 heeft als thema ‘Over de grens’ en biedt nieuwe poëzie van alle continenten.
    Over de grens is het grote internationale poëzienummer waarvoor in 2017 dichters, redacteuren, vertalers en conservatoren van poëziebibliotheken samenkwamen om over een nieuwe bloemlezing van poëzie van de hele wereld te spreken.
    Deze editie wordt voor abonnees vergezeld door de dichtbundel In het hart van het hart van de schrijn van Anne Kawala, uit het Frans vertaald door Kim Andringa.

    Terras #16 verschijnt aan de vooravond van de 50ste editie van Poetry International maar presenteert een eigen en onafhankelijke selectie dichters. Het nummer brengt lectuur uit Argentinië, Ierland, Italië, Oostenrijk, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Duitsland, Cuba, Spanje, Engeland, Mexico, de VS, Hongarije, China en Schotland.

     

    Voor meer informatie: Https://tijdschriftterras.nl/hart-hart-schrijn/

     

    In het hart van het hart van de schrijn
    Auteur: Anne Kawaba
    Uitgeverij: Perdu – Terras Poeziëcentrum