• In levenden lijve

    In levenden lijve

    Zelfs wie tijdens de middelbare schoolopleiding geen klassieke talen heeft gehad, kent de meeste van de traditioneel genoemde eerste twaalf Romeinse keizers wel. Bijvoorbeeld uit de geschiedenis (Augustus), de literatuur (Julius Caesar en Caligula) of een tentoonstelling (Domitianus, zoals momenteel in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden). Enkelen zijn bij het grote publiek minder bekend, met name die uit de tijd van de burgeroorlog (Galba, Otho, Vitellius), maar, schrijft de bekende classicus, historicus en docent Mary Beard in het voorwoord van haar boek Twaalf keizers: ‘Hun invloed reikt veel verder’ dan hun naamsbekendheid.

    Wat zij zich in dit lijvige en rijk geïllustreerde boek afvraagt, is hoe die beeldvorming is ontstaan. Ze is daarbij ook geïnteresseerd in hoe wij ernaar kijken. Een originele invalshoek, die de basis vond in een serie lezingen die zij in 2011 in Washington gaf. De rode draad in de beeldvorming wordt telkens gevormd door ‘ontdekkingen, foutieve identificatie, hoop, teleurstellingen, controverses, interpretaties en herinterpretaties’ als het gaat om afbeeldingen van de keizers in allerlei kunstuitingen vanaf de renaissance tot nu toe.

    Keizer x of y?

    Het is Beards bedoeling om de keizers ‘hun rol in het verhaal terug te geven’, zoals ze wat onscherp formuleert. Dat wil zeggen: duidelijk maken waarvoor al die afbeeldingen op munten en beeltenissen eigenlijk dienden. Enige scepsis is haar daarbij niet vreemd: is dit nu wérkelijk keizer x of y? Enige zelfgenoegzaamheid ook niet: schrijvers x, y en z zaten er hélemaal naast, maar eureka, ik heb het gevonden! Dan bleek er sprake te zijn geweest van onder meer verdraaiingen, toe-eigening van het klassieke verleden of perspectiefwisselingen. Bovendien werden de keizers zonder een attribuut afgebeeld en werden eventuele gebreken weggepoetst, wat toeschrijven er natuurlijk ook niet makkelijker op maakt.
    Uitzonderingen vormden karakteristieken als een geplooide hals en een prominente adamsappel bij Julius Caesar, en beschrijvingen van tijdgenoten als bron. Wat overigens ook weer lang niet altijd alles zegt, want veel keizerbeelden werden na identificatie alsnog ontmaskerd. Of liever misschien: pasten niet meer in de onderhavige tijd.

    Politiek en continuïteit

    Het was misschien niet eens de bedoeling ze als individu te beschouwen, omdat ze geacht werden een politieke identiteit en continuïteit weer te geven. Zoals Beard het beschrijft, doet het een beetje denken aan het televisieprogramma In levenden lijve, waarin Derek de Lint probeert te achterhalen hoe een historisch persoon er nu werkelijk uitgezien zou kunnen hebben. Al gaat het daar misschien niet primair om, ook in de Romeinse tijd niet. Volgens Petrarca bijvoorbeeld moeten de keizerlijke koppen worden gezien als de belichaming van een morele les. Welke, blijft in duister gehuld, al heeft Beard het elders over de klassieke deugden en Caesars ‘genade’ (clementia).

    Illustraties bij de geschiedenis

    Waren al die keizerskoppen niet eerder gewoon illustraties bij de geschiedenis van het Romeinse Rijk of een levensbeschrijving van een bepaalde keizer? Niet meer en niet minder. Ook Beard zwalkt daar een beetje. Dit heeft misschien te maken met het feit dat haar boek niet zo strak is opgebouwd, wat na tien jaar werken daaraan ook een beetje valt te begrijpen.

    In ieder geval valt het verschijnen ervan min of meer samen met de grote tentoonstelling over keizer Domitianus in Leiden, ‘Een vergeten keizer’ genaamd. Dat kan wel kloppen want ook bij Beard vind je opvallend weinig over deze laatste van de twaalf keizers. Morele vragen roept dit boek ook op, gezien de levens en handelingen van de keizers, maar de antwoorden zullen we zelf op het spoor moeten zien te komen. Daarvoor is Beards stellingname te neutraal en te veel beperkt tot museale objecten. Maar een mooi boek blijft het, voor iedereen die in de klassieken is geïnteresseerd.

     

  • Oogst week 12

    Pingping

    Pingping is de achtste roman van Mariët Meester – schrijver van fictie en non-fictie. Het is een bijzondere uitgave omdat het een eenmalige druk betreft van duizend genummerde en gesigneerde exemplaren. Een experiment van de schrijver, die de oplage laag wil houden om zo een bijdrage te leveren aan een andere manier van omgaan met spullen. Er zal dan ook geen herdruk verschijnen. Meester heeft veel gereisd, en daarover veel geschreven.
    Haar eerste roman, Sevillana verscheen in 1990. Twee van haar non-fictieboeken gaan over haar ervaringen met de Roemeense Roma, waar ze een periode mee samenleefde. Haar boeken kunnen gerust onderzoeksliteratuur genoemd worden, ook in haar romans speelt het onderzoekende een rol. Niet zelden is de hoofdpersoon iemand die terugstapt uit het normale leven en op onderzoek gaat naar nieuwe manieren van leven. Zo ook in Pingping, waarin de jonge vrouw Lily nogal abrupt van de stad naar de polder verhuist. Ze wil niets meer met geld verdienen te maken hebben, Dat valt nog niet mee in een wereld waarin iedereen juist het tegenovergestelde wil. Meesters zet fijne personages neer en beschrijft hen met enige introspectie en een gezonde dosis zelfspot. ‘”Ach aansteller,” zei ze hardop tegen zichzelf, haar stem klonk dun. “Wijvengezeik.” Ze overdreef , dat deed ze ’s nachts altijd.’

    Pingping
    Auteur: Mariët Meester
    Uitgeverij: Uitgeverij Caprae (2020)

    De breedsprakige dame

    Maeve Brennan (1917-1993) was journalist en schrijver van korte verhalen en behoorde vanaf 1949 tot de staf van The New Yorker. Tussen 1953 en 1968 schreef ze columns die ze baseerde op haar wandelingen door New York voor diezelfde krant. Restaurant bezoek, mensen die haar opvielen, haar eigen handelen en gedachten daarover zijn het onderwerp van haar columns. Ze schreef ze onder het pseudoniem ‘The Long-Winded Lady’. Ze beschrijft haar belevenissen en observaties in het New York van de jaren zestig en zeventig op ongekende wijze. Brennan geeft elke ontmoeting, observatie van mens, dier of gebouw tot in detail weer. Zo schrijft ze in een van haar columns uitvoerig over hoe een jongen naar zijn vader rent, een puber die haar als reusachtig overkomt, ‘hij rende heel onhandig, alsof hij zeven armen en zeven benen had die hij allemaal onder controle moest houden’. Ook lezen we over de afbraak van de laagbouw in New York, iets wat ze zeer betreurde. Achterin het boek is een brief uit 1969 opgenomen die ze aan haar collega, schrijver en redacteur  William Maxwell schreef. En begint met, ‘Ik dacht dat ik je een brief zou schrijven als ik de drie woorden ‘koud en zonnig’ in een eerste zin zou krijgen. En zoals je ziet: het is me gelukt.’
    Haar hele leven is ze op een paar korte relaties na, altijd alleen geweest. In 1993 stierf ze vrij ongelukkig in een verzorgingstehuis.

    De breedsprakige dame
    Auteur: Maeve Brennan
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep (2020)

    De reizigers

    Toneelschrijver Regina Porter debuteerde in 2019 met De reizigers, een portret van twee families en een confronterende analyse van het moderne Amerikaanse leven. De roman wordt geïntroduceerd als een toneelstuk, eerst worden de personages voorgesteld onder ‘Dramatis persona’. Er wordt een ‘Tijd van handeling’, vanaf de burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig tot het eerste jaar van het presidentschap van Obama, gegeven, de belangrijkste plaatsen van handeling en enige achtergrond informatie. Het voelt als goed voorbereid een verhaal in gaan. Het gaat over de zwarte Agnes Miller die zich in 1966 met haar vriendje op een verlaten weg in Georgia bevindt en door de politie wordt aangehouden. En James Vincent, geboren in een wit arbeidersmilieu, ontsnapt aan zijn milieu door advocaat te worden. Beide levens kruisen elkaar, de keuzes die ze maken worden van generatie op generatie overgedragen. Een geschiedenis van het moderne Amerika. Hier in daar zijn er in de roman klein formaat afbeeldingen opgenomen die het verhaal goed begeleiden.

    De reizigers
    Auteur: Regina Porter
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2019)
  • Zomerlezen – Drie mooie klassiekers

    De bot

    Voor de zoveelste keer herlees ik Der Butt (De bot) van Günter Grass uit 1977. Dit boek bergt zoveel in zich dat het lijkt alsof je meerdere boeken tegelijk leest: een kookboek, een sprookjesboek, een feministisch manifest, een schelmenroman, een geschiedenisboek. Hierdoor wisselt ook de leeservaring: nu eens is het hilarisch, dan weer ontroerend, af en toe wrevel verwekkend, maar altijd om van te genieten. Het is zo bont en veelomvattend, dat je bij herlezing steeds weer iets tegenkomt dat je eerder niet was opgevallen.

    De bot wordt in de Steentijd gevangen in de Oostzee op de plek waar later Grass’ geliefde Danzig zal staan. In ruil voor de vrijheid belooft hij de visser, Grass’ alter ego, onsterfelijk te maken en hem met raad en daad bij te staan in zijn pogingen in verschillende tijdperken om onder de heerschappij van de vrouwen uit te komen. Zij hebben de macht in de keuken en in het bed. In de 20e eeuw is het de schrijver die het verhaal van de bot vertelt aan zijn zwangere vrouw: in negen maanden doet hij verslag van zijn negen levens, terwijl de bot opnieuw gevangen wordt en voor een feministisch tribunaal gebracht wordt, waar hij wordt aangeklaagd als voorvechter van de onderdrukking van de vrouw.

    In 2007 werd de eerste zin van Der Butt uitgeroepen tot mooiste openingszin uit de Duitstalige literatuur: ‘Ilsebil salzte nach’ (Ilsebil voegde zout toe). Volgens de jury zou hieruit blijken dat het toch weer de vrouw is die betekenis toevoegt.

     

    De bot
    Auteur: Günter Grass
    Uitgeverij: Meulenhoff

    Kim

    Zojuist heb ik Kim van Rudyard Kipling weer gelezen: een boek om van te houden. Dit verhaal, dat in 1901 verscheen,  verbeeldt Kiplings eigen jeugd in India. Het is een avonturenroman, maar het belangrijkste is het inzicht dat het boek biedt in de verschillen tussen oost en west, tussen de culturen van Indië en die van het Verenigde Koninkrijk. Kim is een twaalfjarige weesjongen, zoon van een Ierse soldaat, die aan het einde van de 19e eeuw onder de Britse overheersing leeft in Lahore als een vis in het water. Kim beheerst alle dialecten en is van alle markten thuis. Daarom wordt hij ingezet als spion in ‘The Great Game’ van de Engelsen om de controle over India te bewaken. Maar Kim is bevriend geraakt met een oude Tibetaanse lama, die op zoek is naar een heilige rivier. Kim vertegenwoordigt zowel Oost als West: hij gaat met de lama mee op diens queeste, maar alleen in de periode wanneer hij niet naar school hoeft. Uiteindelijk moet Kim een keuze maken: Kipling schreef in een van zijn gedichten ‘East is east and west is west and never the twain shall meet’.

    Kipling wordt steun aan het imperialisme verweten (The White Man’s Burden) en een paternalistische houding ten opzichte van de bevolking. Hij zag de overheersing van de Engelsen echter als economische en morele ontwikkeling voor India. Wat vooral uit de roman blijkt, is Kiplings grote liefde en respect voor het land. Het is dan ook geen verrassing dat Kim zijn geliefde lama trouw blijft.

     

    Kim
    Auteur: Rudyard Kipling
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

    Obsessie

    In 1990 verscheen Obsessie van Byatt, ik kocht het vanwege de intrigerende afbeelding op de voorkant en omdat het een lekker dik boek was. Ook hier zit een boek in een boek in een boek, als een Droste-effect: zeer complex en aantrekkelijk. Het is het verhaal van twee literatuuronderzoekers, Roland en Maud, en de twee dichters die het onderwerp van hun research zijn: R. H. Ash en Christabel LaMotte. De levens van Roland en Maud worden met elkaar verweven, net als de levens van de dichters, zoals ze bij toeval ontdekken: Roland vindt brieven van de dichter Ash, die zijn gericht aan LaMotte. In het hart van de roman wordt het liefdesverhaal van de twee dichters verteld. Byatt heeft er ook nog een literaire detective van gemaakt: de onderzoekers proberen het geheim van de dichters te achterhalen en worden daarbij lastig gevallen door andere academici die ook belang hebben bij het onderzoek.

    En daar tussendoor word je getrakteerd op poëzie, sprookjes, spiritualisme, beschrijvingen van landschappen en humor. Bovendien voert Byatt een aantal personen op die in totaal twee eeuwen bestrijken; ze laat de ingewikkelde verhaallijnen samenkomen zoals een jongleur zijn ballen in de lucht houdt: virtuoos.

    De roman laat de verschillende vormen zien waaruit obsessie kan bestaan: de kwellende drang om iets te bezitten, die mensen tot het uiterste kan drijven, waarbij het er niet toe doet wat het onderwerp van de hartstocht is: de geliefde, de zucht naar academische roem of het einde van een zoektocht.

    Obsessie
    Auteur: A. S. Byatt
    Uitgeverij: Uitgeverij Rainbow
  • Een zwarte brief in een blanke envelop

    Een zwarte brief in een blanke envelop

    Ze werden een belangrijk propaganda-instrument in het abolitionisme, de strijd voor de afschaffing van de slavernij: de beschrijvingen van ervaringen door degenen die zelf slaaf waren geweest. Amerika kent er beroemde voorbeelden van. Deze slave narratives werden ‘zwarte brieven in blanke enveloppen’ genoemd. De ‘blanke enveloppen’ sloegen op de inkadering. De getuigenissen werden meestal gepubliceerd met een inleiding en een afsluiting door hooggeplaatste blanken. Dat moest de betrouwbaarheid van de zwarte schrijver garanderen. Blijkbaar werd het verhaal als zelfstandige monografie anders – zelfs na de afschaffing van de slavernij – met ongeloof bekeken.
    Van dergelijke slave narratives zijn er liefst ruim zesduizend bekend. Een ervan is de autobiografie van Frederick Douglass – volgens de ondertitel de belangrijkste strijder tegen slavernij – uit 1845, die onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen.

    De schrijver werd geboren als Frederick Augustus Washington Bailey, waarschijnlijk als zoon van een slavin en haar blanke eigenaar. Het geboortejaar was vermoedelijk 1818. Zijn achternaam veranderde hij rond 1840 in Douglass, daartoe aangespoord door de blanke abolitionist die hem had opgevangen na zijn ontsnapping. Die had de naam ontleend aan het gedicht The Lady in the Lake (daarin geschreven met één s) van Walter Scott dat hij net had gelezen.

    Leren lezen

    Het levensverhaal van Frederick Douglass heeft in deze Nederlandse vertaling de opzet van de oorspronkelijke ‘zwarte brief in de blanke envelop’. Het wordt voorafgegaan door een promotioneel voorwoord van de blanke uitgever van de anti-slavernijkrant The Liberator, William Lloyd Garrison, en een aanbevelingsbrief van de eveneens blanke abolitionist Wendell Phillips. In de Nederlandse uitgave wordt het boek ingeleid door Laura Visser-Maessen van de Radboud Universiteit, specialist op het gebied van Afro-Amerikaanse geschiedenis en burgerrechten. Ze beschrijft niet alleen de context van het boek, maar ook hoe het verder ging met Douglass na 1845 tot aan zijn dood, vijftig jaar later, een periode waarin hij de behoefte had zijn levensverhaal aan te passen aan nieuwere politieke inzichten.

    De ondertitel van het boek dekt overigens niet de lading. We lezen slechts over de eerste twintig jaar van Douglass, toen hij daadwerkelijk slaaf was. De daaropvolgende vijftig jaar van zijn leven, toen hij onder andere politiek actief was, blijven buiten beeld.
    De persoonlijke geschiedenis over zijn slavernijverleden, in zijn eigen woorden dus, is nogal feitelijk beschreven in een strikte chronologie. Opvallend is dat hij zich alle namen uit zijn slavenbestaan nog herinnert. Het idee om er een verslag van te schrijven moet dan ook waarschijnlijk al vroeg zijn ontstaan. Als kind leert hij zichzelf lezen en later zelfs schrijven. Als de vrouw van een eigenaar van Douglass hem helpt bij het lezen wordt haar man woest omdat slaven die de taal machtig worden zich kunnen gaan verzetten. Het weerhoudt de jongen er niet van om op straat zijn kennis te vergroten. Hij doorziet al vroeg de structuren die erop zijn gericht om slaven willoos te maken. Dat gebeurt niet alleen door ze dom te houden, maar ook – ontdekt hij later – door ze precies zoveel vrijheid te gunnen dat ze die gaan misbruiken en zo het gevoel overhouden dat ze het bij hun baas zo slecht nog niet hebben.

    Zondagsschool

    Bijzonder negatief is Douglass over de Amerikaanse kerk. De zogenaamde christenen ‘ziften de muggen uit hun drank, maar slikken een kameel weg’, zo licht hij later zijn zienswijze toe, daarmee doelend op de tegenstrijdigheid tussen hun beleden rechtschapenheid en de manier waarop ze, met een beroep op de Bijbel, hun slaven afranselen.
    Douglass is al ruim voor hij in 1838 zijn laatste eigenaar ontvlucht actief in de bewustmaking van lotgenoten. Hij begint een clandestien zondagsschooltje (op zondag waren veel slaven vrij) waarin hij hen leert lezen en schrijven, maar vooral probeert hen te laten zien hoe hun onderdrukking in stand wordt gehouden. Met enkele van de bezoekers van zijn schooltje beraamt hij een vluchtplan dat echter wordt verraden. Na een korte gevangenisstraf probeert Douglass daarop in zijn eentje naar het dan van slavernij bevrijde noorden van de Verenigde Staten te vluchten. Ditmaal slaagt hij.

    De beschreven feiten zelf zijn voor een moderne lezer niet meer onbekend. Bovendien vertelt Douglass tamelijk gereserveerd, alsof hij in zijn tijd geen lezer tegen zich in het harnas wilde jagen (een ingreep van zijn blanke eindredacteur?). Het relaas houdt de lezer niet voortdurend in de greep; in zekere zin wordt deze gehinderd door zijn kennis van de geschiedenis. Het levensverhaal van Frederick Douglass is vooral waardevol als tijdsbeeld: zo kwamen de getuigenissen naar buiten, zo werden ze gebruikt door de strijders voor afschaffing van de slavernij. En zo hardnekkig geloofden slaveneigenaars dat ze niets verkeerds deden.

     

  • Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    De reputatie van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) heeft zich losgezongen van het alledaagse. Baudelaire is helemaal een ‘figuur’ geworden, een symbool, het prototype van de ‘gedoemde dichter’, de poète maudit. Het begrip ‘poète maudit’ werd gemunt in 1884 toen Paul Verlaine een bloemlezing uitbracht van het werk van gedoemde dichters die – toevallig of niet – min of meer gelijktijdig naar voren traden in Frankrijk in de 19de eeuw. Behalve Baudelaire betrof het onder meer Arthur Rimbaud, Tristan Corbière, Gérard de Nerval, Stéphane Mallarmé en Comte de Lautréamont. De poète maudit plaatste zich buiten de samenleving, spotte met normen en waarden van de burgerij, schopte heilige huisjes omver, ging zich te buiten aan seksuele uitspattingen, brak met vertrouwde, literaire technieken, gebruikte verdovende middelen, richtte zich kortom te gronde – en overleed jong.

    Baudelaire voldoet helemaal aan dit profiel. Zijn persoonlijke geschiedenis werd bepaald door drugsgebruik, grote armoede en schulden, onstuimig liefdesleven, ziekte (m.n. syfilis) – maar als literair figuur werd Baudelaire bekend en geroemd om zijn opzienbarende en vernieuwende werk. Met de scandaleuze publicatie Les Fleurs du Mal (1857) luidde hij een nieuwe fase in van de poëzie.

    De genese van de bundel Les Fleurs du Mal is een geschiedenis op zich. Enkele gedichten uit de eerste versie werden als onzedelijk verboden – een verbod dat in het libertijnse Frankrijk pas in 1949 werd opgeheven. Zijn hele korte leven lang werkte Baudelaire aan de bundel die zozeer met zijn dichterschap samenviel. De definitieve versie van Les Fleurs du Mal omvatte uiteindelijk 151 gedichten. Zonder specifieke aanleiding (?) verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep een eenvoudig uitgevoerd boekje met daarin vijftig gedichten uit Les Fleurs du Mal van Baudelaire in het Frans, met daarbij de vertalingen van de hand van Paul Claes, onder de titel Zwarte Venus. Een verwijzing naar de ‘mulattin’ Jeanne Duval, met wie Baudelaire ca. 20 jaar een weinig stabiele relatie onderhield. Paul Claes is dichter en schrijver, maar vooral bekend en gelauwerd om zijn vertaalwerk uit het Frans, Engels, Duits en Latijn, van berucht ‘moeilijke’ auteurs als Rimbaud en Joyce. Ook vertaalde hij werk van Nederlandstalige dichters in het Engels van bijvoorbeeld J.A. dèr Mouw en Guido Gezelle. Claes is een toegewijd en nauwkeurig lezer, die van zijn leesavonturen op gedegen wijze verslag doet, zoals ook nu in Zwarte Venus van Baudelaire.

    Zwarte Venus bevat een korte inleiding, een beknopt chronologisch overzicht van de belangrijkste feiten uit Baudelaires leven en een literatuuropgave, inclusief een overzicht van eerder verschenen Nederlandse vertalingen. Bovendien levert Claes per gedicht gedetailleerd commentaar, waarin hij ingaat op de geschiedenis en achtergronden van de gedichten. Het is, om kort te gaan, een uitstekend uitgangspunt voor een (hernieuwde) kennismaking met het werk van de gedoemde dichter Baudelaire. Voorbehoud daarbij is het feit, dat poëzie vertalen de moeilijkste aller kunsten is, zoals J.C. Bloem heeft gezegd. De vertaler blijft dicht bij het origineel en kan dan evidente gewrongenheid niet vermijden. Of de dichter vertaalt ‘vrij’, en maakt – geïnspireerd door het werk van een ander – eigenlijk nieuw werk. Van dit laatste zijn tal van vertalingen van Jean Pierre Rawie een goed voorbeeld.

    Nu dan naar de Zwarte Venus van Claes / Baudelaire. Uit de vertalingen en commentaar spreekt de grote deskundigheid van Paul Claes, evenals zijn zorgvuldigheid en toewijding. En de vertalingen zijn zonder meer knap – maar ‘tot leven’ komen de gedichten in het Nederlands niet. Als voorbeeld dient het gedicht ‘Spleen’, echt een Baudelaire-woord, een moeilijk vertaalbaar begrip dat Wikipedia niet onaardig omschrijft als zich ‘lekker droevig’ voelen, en waarvan de Duitse variant ‘Weltschmerz’ duidelijker is (en dus bekender werd).

    Spleen

    Wanneer de lage lucht haar deksel zwaar laat wegen
    Op onze geest die zucht in zijn neerslachtigheid,
    En op de omtrek van de horizon gezegen
    Een donker daglicht droever dan de nacht verspreidt,

    Wanneer de aarde kil verandert in een kerker
    Waarbinnen als een vleermuis onze Hunkering
    Tegen de wanden fladdert met verschrikte vlerken
    En met haar kop botst op de klamme zoldering,

    Wanneer de regen eindeloze vlagen laat beginnen
    En zo tralies nabootst van een weids gevang,
    En als een stille drom van walgelijke spinnen
    Zijn webben weeft binnen onze gedachtegang,

    Ontsteken klokken in een plotselinge toorn
    En richten naar de lucht hun dolle razernij
    Als zwervers die ver van hun land de weg verloren
    En losbarsten in onophoudelijk geschrei.

    – Een lange lijkstoet zonder trommen of trompetten
    Trekt langzaam door mijn ziel; na de genadeslag
    Weent de Hoop, en de wrede Angst, die mij verplette,
    Plant op mijn neergebogen hoofd zijn zwarte vlag.

    Ziedaar een programmatisch gedicht. Het is geen slecht Nederlands en zelfs, meelezend met het – gelukkig ernaast afgedrukte Frans – geen slechte vertaling, hier en daar zelfs mooi maar echt tot leven komt het niet. Juist de poëtische vonk, die als het goed is gedichten elektriseert en betovert, is in de vertaling verloren geraakt. En dat is jammer – maar misschien onvermijdelijk. Niettemin dient dit boekje uitstekend als leidraad tot het lezen van Baudelaires beroemde gedichten in het Frans, wat deze poëzie zeker verdient. De toegewijde dichter Paul Claes is daarbij – om zijn kennis van het Frans en van het werk van de gedoemde dichters – een leidsman zoals men zich geen betere wensen kan.

     

     

  • Nog pas gisteren

    Nog pas gisteren

    Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, opgetekend door hen die uit eigen geheugen putten, worden zeldzaam. Marcel Cohen, de schrijver van Het innerlijke toneel. Feiten, was vijf of zes toen hij, op 14 augustus 1943, als joods jongetje in Parijs meemaakte hoe vader en moeder werden opgepakt en hijzelf de dans ontsprong.
    Wat hij na zeventig (!) jaar (het Franse origineel is van 2013) nog meedraagt aan eigen herinneringen aan hen die nooit zijn teruggekomen is niet veel, en veel herinneringen zijn vaag of fragmentarisch. Voor dit boek is hij daarom ook te rade gegaan bij familieleden en andere direct betrokkenen, sommige zelf overlevenden van bezetting en vervolging. Maar ook hun herinneringen zijn schaars en bovendien verdacht eensluidend: de mythevorming is al lang geleden begonnen.
    Vader, moeder, de grootouders, een oudtante, een oom en een babyzusje: ze leven in meerdere of mindere mate voort in herinneringen en nu dan ook in dit boekje, dat soms de levende persoon oproept en soms niet meer vastlegt dan iets triviaals als het geluid van een ruisende jurk. Allemaal vermoord in Auschwitz. Voor hen is dit boekje een gedenkteken van grote soberheid.

    Herinneren
    Het boek toont de vergeefsheid van het ‘opdat wij niet vergeten’ dat elk jaar opnieuw wordt beleden wanneer we de oorlog herdenken, want het laat zien dat het vergeten onverbiddelijk voortschrijdt. Die foto van oudtante Rebecca, is dat eigenlijk niet haar zuster Suzanne? Van het zusje, Monique, bestaat zelfs geen foto, alleen een kettinkje dat ze waarschijnlijk nooit heeft gedragen.
    Het boek laat zich lezen als een poging tot verzet tegen het noodlottige vergeten en als een kleine studie van wat ons geheugen vermag. Het is een sympathiek boekje, dat laat zien dat een onderneming die tot mislukken is gedoemd – de vermoorde familieleden recht te doen – geslaagd mag heten doordat de lezer die ‘mislukking’ zo duidelijk voor ogen krijgt.

    De familie: uit Turkije afkomstige Joden, van kindsbeen af Frans-georiënteerd, na de Eerste Wereldoorlog geëmigreerd, de meesten rechtstreeks naar Frankrijk, het volgens de schrijver bij de Joden in Turkije indertijd zo geliefde land. ‘Niet alleen het land van Racine, de Verlichting en de Revolutie van 1789 waarbij – voor het eerst – burgerrechten aan de Joden werden verleend’, maar ook het land van de zaak-Dreyfus. ‘Haast overal elders ter wereld zou de kapitein na een standrechtelijk – of helemaal geen – proces zijn gefusilleerd, en niemand zou van hem hebben gehoord.’ Maar in Frankrijk zegevierde het recht. Oma borduurde als jong meisje kussens met de afbeeldingen van Dreyfus en Zola. Op naar Frankrijk! En dan komt de bezetting.

    Grote gebeurtenissen, kleinigheden, alles is vastgelegd, want het is alles wat de schrijver rest. Hoe moeder en baby gevangen zaten in het Rothschild-ziekenhuis en hoe de kleine Marcel op bezoek ging in de stampvolle ziekenzaal (waar moeder gevangen zat totdat de baby zes maanden zou zijn geworden, de minimumleeftijd waarop de Franse politie baby’s uitleverde). De rode bies rond het soepbord, die van hetzelfde rood was als de traploper. En de vele geuren, waar Cohen zijn leven lang naar op zoek is geweest, vaak met succes: de pommade van vader, diens eau de cologne, het pak van opa, moeders parfum.

    Behalve van de baby bevat het boek van elk besproken familielid een foto, plus geboorteplaats en -datum en de dag van het fatale transport (door de vertaalster ‘konvooi’ genoemd; de vertaling vertoont hier en daar een ongebruikelijke woordkeus). En er zijn zeven foto’s van voorwerpen, ‘documenten’ genoemd, die de tand des tijds hebben doorstaan en die, als relikwieën, de gestorvenen quasi-aanwezig doen zijn. Een eierdopje, een door vader speciaal voor zijn zoontje gemaakt hondje van wasdoek.
    De hoofdstukken zijn kort tot uiterst kort. De herinneringen van Cohen zijn schuin gedrukt om ze te onderscheiden van de gereconstrueerde verhalen.

    Zeggingskracht
    Het is niet veel wat Cohen heeft weten te verzamelen en in dit boek behoedt voor de vergetelheid, en dat weet hij: ‘Aan de gruwelijkheden uit het verleden kon onmogelijk het onrecht worden toegevoegd te laten geloven dat het materiaal te schamel was, de persoonlijkheid van de overledenen te wazig en, om een uitdrukking te gebruiken die erg pijnlijk is, maar waardoor ik duidelijk kan maken wat ik bedoel, te weinig “origineel” om een boek te rechtvaardigen.’
    Hij heeft gelijk, maar het levert geen literair hoogstandje op. De omslachtige wijze van uitdrukken die uit bovenstaand citaat blijkt, komt vaker in het boek voor, met name als de schrijver een analytische, beschouwelijke toon aanslaat. Soms is de toon wel érg nuchter. Zijn daar die zeventig voorbije jaren debet aan?
    Dit boek lees je niet voor de stijl. En die foto’s, ach. Nee, het gaat om de feiten en de zoektocht ernaar en om de herinneringen zelf, Het innerlijk toneel dus en de Feiten, en díe geven dit boek de zeggingskracht van een ‘Stolperstein’.

     

     

     

     

  • Geen volk kan zonder verhalen

    Geen volk kan zonder verhalen

    Wetenschapsjournalist Marcel Hulspas begint de epiloog in zijn boek Mohammed en het ontstaan van de islam als volgt: ‘Godsdienststichters komen nooit ‘uit het niets’ tevoorschijn. Ze zijn het product van hun omgeving en van hun tijd. Maar hun blik reikt verder’.

    Het is inderdaad wat dit boek zoveel boeiender maakt dan een levensbeschrijving van iemand die ideeën had waar hij anderen voor wist te winnen. Hulspas laat zien hoe de opkomst van de islam alles te maken had met de bewustmaking van een Arabische identiteit. En hoe die identiteit zijn basis vond in een herkomstmythe en geloof in een lotsbestemming. over zijn oorsprong.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Hulspas zijn biografie van Mohammed begint met de politieke constellatie van de regio. In de eerste eeuwen van onze jaartelling was er eigenlijk nog geen sprake van een Arabisch volk. Eeuwenlang was het gebied ten prooi aan een machtsstrijd tussen Perzen en Byzantijnen, die beurtelings Arabische stammen inschakelden om voor hen te vechten. Het was in de ogen van de strijdende partijen een gevecht tussen Goed en Kwaad, een zienswijze die zijn basis vond in de verschillende religies, het christendom van Byzantium en het zoroastrisme van Perzië. Dwars door deze tweestrijd liep bovendien het Joodse volk, waarvan de leden verspreid over de hele regio woonden.

    Arabië, voor zover daarvan sprake was, was niet meer dan een schiereiland (met onder andere Saoedi-Arabië en Jemen). Het allegaartje van stammen dat daar woonde werd gedwongen onderlinge verschillen voor lief te nemen en zich te verenigen, toen de tweestrijd van de grootmachten beslecht leek te worden in het voordeel van de Perzen. Dat was een schrikbeeld voor die stammen die vanouds meer sympathie hadden voor het christendom.

    Maar wat moest die Arabische stammen binden? Daarin speelde Mohammed een essentiële rol door zijn woonplaats Mekka, die in het handelsverkeer nauwelijks van betekenis was, en de daar aanwezige Kaäba, te verbinden met een religieuze oorsprong. In zijn visie stamden de Arabieren af van Abraham, net als de Joden en christenen. Maar die waren afgedwaald van het geloof van deze aartsvader. Dat gold ook voor de Arabieren zelf, doordat ze het oudste heiligdom van het Abrahamistische geloof, de Kaäba, ernstig hadden verwaarloosd. En zo kon Mohammed de nieuwe Profeet worden die waarschuwde voor de komende Eindtijd als de Perzen zouden winnen. Alleen een terugkeer naar het zuivere geloof van Abraham kon redding bieden. In het begin verzamelde Mohammed nog slechts een aanhang in kleine kring, vooral omdat zijn aanhangers (de Hoems) wel de afstamming van Abraham aanvaardden, maar moeilijk de verering van ‘de drie dochters’, de vrouwelijke bemiddelaars tussen God en de mens, konden loslaten; een verering die door Mohammed, als voorstander van een volmaakt monotheïsme, werd afgewezen. Het zou na 12 jaar de reden worden voor een verhuizing van de Profeet naar Medina, de plaats waar hij in 632 zou sterven.

    Wie het leven van Mohammed wil beschrijven kan zich nauwelijks op vaststaande feiten beroepen. Ook Hulspas stonden slechts de Koran en de traditie, dat wil zeggen de overgeleverde verhalen en gebruiken, ten dienste. Die verhalen zijn lang van mond tot mond gegaan voor ze werden opgetekend. De oudste bewaard gebleven verzameling ervan die een gestructureerde biografie van de Profeet biedt, is die van Mohammed ibn Ishaak (de Nederlandse vertaling, Het leven van Mohammed, verscheen bij Bulaaq en is nog altijd verkrijgbaar). Hulspas leunt zwaar op deze biografie, maar gaat er bijzonder kritisch mee om. Even gedegen en doorwrocht is zijn exegese van de Koran. Hij ontleedt de verzen tot op het bot en elke bewering van eerdere biografieën wordt zo minutieus tegen het licht gehouden dat de lezer alleen maar diep ontzag kan hebben voor de mate waarin Hulspas zich zijn onderwerp heeft eigen gemaakt. Een enkele keer dreigt zijn verhaal wat breed uit te waaieren als hij nuance op nuance stapelt bij alle mogelijke interpretaties of bewerkingen van een Koranvers of het belang dat iemand kan hebben gehad om elementen in een verhaal weg te laten of toe te voegen. Er zullen best lezers zijn die, bijvoorbeeld in hoofdstuk 17 ‘De oorlog tegen Mekka en de Joden’, bezwijken onder de vele zinswendingen als  ‘gesteld dat’, ‘mogelijk’, ‘waarschijnlijk’, ‘als dit echt gebeurd is’, ‘suggereert dat’, om dan aan het slot te lezen: ‘Kortom, de latere verhalen zijn niet te vertrouwen’.

    Maar wie bereid is alle voorbehouden voor lief te nemen heeft met Hulspas’ boek een heldere biografie van Mohammed en een goede handleiding voor de benadering van de Koran in handen. De auteur maakt tevens duidelijk wat dit heilige boek nu werkelijk zegt over zaken die in onze dagelijkse actualiteit vaak worden opgedist als de belofte dat martelaren voor het geloof een paradijs met maagden wacht en hoe het gesteld is met de vrouw in de islam.

    Bovendien is de toon van Hulspas altijd licht en verstaat hij zijn vak om wetenschap aan leken over te brengen. Hij vertelt de verhalen op een smeuïge manier in verrassend frisse taal. Maar ook zijn bespiegelingen zijn zo ingeleefd dat je meegenomen wordt in de tijd. Af en toe roepen ze zelfs een glimlach bij je op: ‘Humor is zeldzaam in de Koran (…) Maar hier en daar klinkt in de openbaringen de invloed door van beroepsvertellers, die hun luisteraars graag vermaakten met grappige verhalen. Zo kregen ze wellicht de lachers op hun hand met het uitbeelden van Mozes toen deze plotseling, bij het naderen van een wonderlijk brandende braambos, de stem van God hoorde.’

    En als hij beschrijft hoe tolerant de islam zich opstelt tegenover de plicht tot het verrichten van de ‘heilzame werken’ (het bidden, het geven van aalmoezen, de ramadan enzovoort) noemt Hulspas God ‘geen scherpslijper’.

    Mohammed en het ontstaan van de islam geeft een verhelderend zicht op de basis van een religie die het Arabische volk een gevoel van eigenwaarde gaf. Dat kan leiden tot meer begrip. Dat ieder er zijn eigen interpretaties op na houdt, van moslimfundamentalisten aan de ene en islamofoben aan de andere kant, daar kan Hulspas natuurlijk weinig aan veranderen.

     

     

  • Cryptisch puzzelproza in poëtische stijl

    Cryptisch puzzelproza in poëtische stijl

    Nedjma van Kateb Yacine (1929-1989) geldt als een klassieker in de Algerijnse literatuur. Yacine biedt een enigmatisch web van verhalen, waarbij het hem er niet om te doen lijkt te zijn om iets als begrip aangaande de gebeurtenissen bij de lezer te bewerkstelligen. In de inleiding schrijft vertaalster Hester Tollenaar dat de auteur de lezer graag in het duister laat tasten, ‘niet uit kwade wil of pesterigheid, maar omdat niet-begrijpen bij het leven hoort en verrijkend is.’ (p. 7). Het is echter de vraag of veel onduidelijkheid scheppen wel bij het ambacht van verhalen vertellen zou moeten horen. De romanschrijver moet de chaos van het leven in zijn tekst omvormen tot een op zijn minst enigszins coherent verhaal, als hij of zij ten minste iets wil communiceren. Een verhaal moet meer zijn dan slechts de fragmentarische weergave van het mysterieuze. De lezer die op zoek is naar een begrijpelijke geschiedenis blijft na lezing van dit boek met een gevoel van wrevel zitten.

    De in korte hoofdstukjes vertelde geschiedenis speelt in het door de Fransen gekoloniseerde Algerije. Vier arbeiders, Lakhdar, Mustapha, Rachid en Mourad spelen de hoofdrollen, maar de auteur laat de lezer niet echt dichtbij hen komen, waardoor het moeilijk is mee te leven met de gebeurtenissen; er wordt geen empathie opgewekt, ook niet in de dagboekpassages. Je leert de personages niet echt kennen en dit geldt zeker voor de voor alle hoofdpersonages belangrijke vrouw die de roman zijn titel gaf, Nedjma. Zij blijft een enigma.

    In het boek spelen familiekwesties, doodslag, gevangenschap en ontvoering een rol, maar Yacine weet ondanks heftige gebeurtenissen de lezer niet te raken of te ontroeren. Dat had hij mogelijk kunnen bereiken door politiek engagement. De auteur was actief voorstander van de Algerijnse onafhankelijkheid en werd in gevangenschap gemarteld. Nedjma is echter geen boek met politiek in het hart van de vertelling. Er zijn wel enkele geëngageerde passages zoals deze: ´Iedereen weet dat iedere moslim die in de luchtvaart werkt de peuken van de piloten moet opvegen, en dat een officier, zelfs als hij op de beste scholen heeft gezeten, alleen tot kolonel wordt benoemd om de administratie van zijn landgenoten bij te houden op het rekruteringsbureau.´ (p. 231) De roman is echter niet te lezen als een duidelijke stellingname tegen de Fransen. Wel belangrijk is, zoals Tollenaar in haar inleiding ook aangeeft, dat Yacine als een van de eersten de gebeurtenisen beschrijft vanuit het gezichtsveld van de Algerijnen en niet uit dat van de kolonisator.

    Het is een fragmentarische roman, waarvan de soms poëtische stijl tot de wèl sterke punten behoort. Yacine biedt vele complexe, rijke zinnen, zoals deze: ´er valt zelden regen boven de oostelijke vlakte van Algerije, maar dan wel in stortbuien; de miraculeus bezwangerde Seybouse baart woeste vloedstromen, als een rivier in doodsstrijd, uitgespuugd door de dorre oevers die ze heeft gevoed; breed kolkend en extatisch vreet de donker geworden zee een steeds grotere hap uit de stervende rivier, die zijn bronnen niet wil loslaten en drijfnat in zijn bedding ligt, maar altijd nog in staat is tot wanhopige golven, symbool van de onstuimigheid van een streek met waterschaarste, waar de ontmoeting van de Seybouse met de Middellandse Zee wel zinsbedrog lijkt…´  (p. 66 en 67) en zo gaat de zin nog vele regels verder.

    Dit boek verscheen voor het eerst in 1956, ten tijde van de Algerijnse bevrijdingsoorlog, die eindigde in onafhankelijkheid. De Nederlandse vertaling maakt deel uit van de Berberbibliotheek van Athenaeum-Polak & Van Gennep. In deze reeks verscheen eerder vertaald werk van onder meer  Ibrahim al-Koni, Mohammed Khaïr-Eddine en Tahar Djaout.

    De personages in deze roman worden niet uitgediept.  Het van buiten af zichtbare wordt getoond, niet het binnenleven van mensen, terwijl dat inkijkje in andermans leefwereld toch voor veel mensen de reden is om proza te lezen. Nedjma wordt wel in verband gebracht met de stroming van de nouveau roman die tegenwoordig niet relevant meer lijkt te zijn. Voor de liefhebber van cryptisch puzzelproza is deze roman een aanrader, voor de liefhebber van meer gangbare, invoelbare teksten niet.

     

    Nedjma

    Auteur: Kateb Yacine
    Vertaald door: Hester Tollenaar
    Verschenen bij: Athenaeum-Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 269
    Prijs: € 19,95

  • Meesterlijke volksroman

    Meesterlijke volksroman

    Nieuwe tijden breken aan in Ilhéus. Het is 1925 en de stad groeit doordat de cacao-plant er goed gedijt. Door de cacao-plant is er een rijke bovenklasse van zogenaamde kolonels ontstaan, en later ontstaat ook een middenklasse die gesteund wordt door rijke zakenlieden afkomstig van buiten het stadje. De op geweld en traditie gebouwde macht van de oude kolonels is tanende. Het begint er steeds meer op te lijken dat de komende verkiezingen door de middenklasse zullen worden gewonnen. Maar de tijden dat conflicten werden beslecht met geweld zijn nog niet helemaal voorbij. Deze ontwikkeling maakt de roman Gabriela van Jorge Amado vergelijkbaar met De tijgerkat van Di Lampedusa, waarin ook de overgang van een feodale naar een moderne samenleving wordt beschreven. Amado’s toon is echter veel vrolijker en zijn roman is rijker aan personages en geuren. Gabriela is kort gezegd meer een meesterlijke volksroman dan een meesterwerk.

    Jorge Amado (1912-2001) wordt beschouwd als een van de grootste Braziliaanse schrijvers. Hij bracht zijn jeugd door in Ilhéus en de stad speelt in veel van zijn romans een rol. Al op jonge leeftijd was hij zich bewust van het lot van mensen aan de onderkant van de samenleving en hij bekeerde zich tot het communisme. Deze politieke overtuiging komt ook tot uiting in zijn romans. Later schreef Amado romans die minder op sociale thema’s en meer op vrouwen en avonturen gericht zijn. Maar de politieke thema’s zijn nooit helemaal verdwenen uit zijn boeken.

    Gabriela is een roman uit Amado’s tweede periode. Zelfs tragische gebeurtenissen worden met een soort vrolijke luchtigheid gebracht en de sensualiteit van Gabriela en andere vrouwen wordt meermaals beschreven. Ook sociale verandering is een belangrijk thema in het boek. Naast de ontwikkeling naar een meer beschaafde samenleving in het algemeen wordt de ontwikkeling van de rol van vrouwen door Amado tot centraal thema gemaakt. Vrouwen hebben een traditionele rol in het oude Ilhéus. Eenmaal getrouwd komen ze nauwelijks het huis uit en dienen ze te zorgen voor de thuisbasis van de man. Er zijn ook andere manieren voor de vrouw om zich te gedragen, elk hoofdstuk van Gabriela is opgedragen aan een van die vormen. Er is de kwijnende vrouw die verlangt naar de man die buiten haar bereik is; er is de onderhouden vrouw; er is de vrouw die verlangt naar studie en onafhankelijkheid; en er is Gabriela die met haar onschuld, kookkunsten en schoonheid de verhouding tussen man en vrouw in Ilhéus volkomen op zijn kop zet. Haar naïeve verlangen naar vrijheid leidt uiteindelijk tot meer vrijheid voor alle vrouwen in het nieuwe Ilhéus.

    Ilhéus is een kustplaats in Brazilië en een prachtig, maar relatief onbekend decor voor veel lezers. Brazilië voert binnen Latijns-Amerika een geheel eigen literaire koers. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het taalverschil met de omringende landen. Ilhéus en de rol van de kolonels in Gabriela doen zeker denken aan Macondo en de boeken van Marquez, maar het magisch-realisme ontbreekt volkomen. Amado beschrijft een historische en sociale ontwikkeling en is daarbij meer begaan met de onderklasse. Bovendien zijn de romans volkser en vrolijker, er heerst een soort argeloosheid in Gabriela. De roman dompelt je onder in beelden, geluiden en geuren van een voorbije tijd in een exotisch land. De lezer moet in het begin misschien wennen aan de vele figuren, maar daarna wordt hij meegesleept door de vele anekdotes en (bij)figuren die de roman bevolken. De inwoners van het dorp, de politieke strijd, de affaires en de schandalen worden allemaal beschreven op een bijna nonchalante manier. Dat maakt het boek zeer vermakelijk en onderhoudend, een spetterende roman die met veel plezier te lezen is.

    Overigens veel complimenten voor de fantastische vertaling van Maartje de Kort. Haar liefde voor het boek en de taal is af te lezen aan de vertaling. Bovendien voegde ze een verklarende woordenlijst en een kort essay over Amado aan het boek toe. Er is natuurlijk al het nodige uit het Braziliaans vertaald door August Willemsen: Drummond de Andrade, Guimares Rosa, Ramos en natuurlijk De binnenlanden van Euclides da Cunha. Voor dat laatste boek wordt tegenwoordig op internet voor tweedehands exemplaren soms meer dan 200 euro gevraagd. Misschien is het tijd voor een herdruk? Er zijn echter nog veel meer literaire schatten te vinden in dit enorme en prachtig diverse land. Hopelijk zal Maartje de Kort zich daarmee nog veel gaan bezighouden.

     

     

     

  • Recensie door: Martin Lok 

    Recensie door: Martin Lok 

    Lezen als lijden

    Soms weet je het al bij de eerste zin: dit boek wordt afzien en moeizaam, als een rul, hellend zandpad. Dit boek lees ik niet in één ruk uit, in één doorwaakte nacht. Nee, verre van dat. Dit boek vangt stof in de lange weken dat het me vergezelt. Dit boek hoort bij die bijzondere categorie die lezen lijden maakt, maar die je toch niet weg kan leggen. 

    In de eerste zin van De leerschool van het lijden gooit Carlo Emilio Gadda je meteen in het diepe. Hij confronteert je met een niet bestaand land (Maradagal), waar de ellende zo groot lijkt dat het de zeven bijbelse plagen tot een kinderfeestje doet verschrompelen. Om vervolgens een verhaal te ontvouwen waarvan de rode draad nooit echt duidelijk wordt en de hoofdpersoon Gonzalo Pirobuttiro ternauwernood de vele omwegen, uitwijdingen en doodlopende verhaallijnen weet te ontstijgen. Maar ik had het kunnen weten. Ook dat andere boek van Gadda, Die gore klerezooi in de Via Merulana was niet makkelijk geweest. En Ronald de Rooy, die De leerschool van het lijden van een inleiding voorzag, waarschuwde al dat Gadda zijn verhaal ‘op geen enkel moment van deze roman makkelijk weggaf’. Dus verbaasd hoef ik niet te zijn dat het verhaal slechts tergend traag op gang komt. Het ene na het andere zijspoor wordt verkend en schetst beetje bij beetje dat vreemde Maradagal. Waar de oorlog net is afgelopen, het genieten van een onrechtmatig oorlogspensioen een wijdverbreid genoegen lijkt en de bliksem keer op keer hetzelfde huis lijkt te vinden, totdat dat huis de strijd opgeeft en in vlammen opgaat. De eerste ontmoeting met de hoofdpersoon vindt pas aan het einde van het tweede hoofdstuk plaats. Het verhaal is dan al zo’n vijftig pagina’s op weg als hij bezoek krijgt van de dokter, die bij zijn onderzoek geen andere ziekte kan constateren dan levenspijn, die het leven van zijn patiënt tot lijden maakt. Ondertussen leren we Gonzalo kennen als een gefrustreerde oorlogsveteraan, die een weerzin heeft ontwikkeld van zijn moeder (zijn vader en broer zijn dood) en van de mensen die naar zijn idee als klaplopers de deur bij zijn moeder platlopen. Om daarna als lezer te verdwalen in een zijspoor over de Palumbo, de oorlogsdove die door de mand valt als hij meer dan goed hoort dat het verlof dat hem wordt toegekend wat korter is dan hij verwachtte. Om vervolgens weer terug te keren in het huis van de Pirobutirro’s, waar de oude moeder van Gonzalo eenzaam door de lege kamers zwerft. Met pijn in haar hart vanwege haar gestorven man en zoon. Maar ook vol verdriet over haar nog levende zoon, die haar nooit iets vertelt over de oorlog en geen oorlogspensioen had meegebracht, laat staan wat roem om trots op te zijn. Moeder en zoon lijken langs elkaar heen te leven. Zij bezoekt geregeld het graf van haar man en zoon en schept er genoegen in om arme mensen wat extra’s toe te stoppen of te helpen. Hij gaat op in zijn eigen wereld van de literatuur en verafschuwt iedere medemenselijkheid. Verfoeit zijn moeder erom, omdat het naar zijn idee het weinige familiekapitaal dat er nog is doet verschrompelen. Tot Gadda zijn relaas uiteindelijk met een trieste apotheose tot een einde brengt, waarbij het nimmer duidelijk wordt wat dat einde is, laat staan waarom het zo is gegaan.

    Nee, de Leerschool van het lijden is geen gemakkelijk boek en Carlo Emilio Gadda geen toegankelijke schrijver. Het is een beetje ‘lezen voor gevorderden’, en dan nog wel in de buitencategorie. Maar het is ook lezen met onverwachte doorkijkjes en plotselinge pareltjes, in de vorm van prachtige zinnen die op zichzelf een klein gedichtje lijken te vormen. Zoals de omschrijving van Gonzalo als deze zich voor het eerst in het verhaal toont:  ‘Hij was groot, een beetje gebogen, met een ronde borstkas, een buikje en de gelaatskleur van een Kelt; maar zijn huid was slap en hij zag er moe uit, ook al was het een schitterende morgen.’ Of als kolonel Di Pascuale, weer zo’n terloopse randfiguur, zich door Palumbo laat inpakken en van ontroering breekt: ‘Hij slaagde er zelfs in uit de twee daartoe bestemde zakjes twee halve porties volstrekt vaderlijke tranen te persen, die langzaam neerbiggelden en opdroogden op het antieke perkament van zijn wangen, zoals het schaarse water van de wadi verdampt in de klaarte van de Syrthe’. Het zijn deze zinnen die je als lezer op de been houden en zorgen dat je – steeds weer opnieuw – het boek toch opent om verder te zoeken naar de rode draad die nog niet gesponnen lijkt. En het zijn ook deze zinnen die bewondering wekken voor het vakmanschap van de vertaler Frans Denissen, die een ondoorgrondelijke verhaal met onmogelijke zinswendingen in nog enigszins begrijpelijk Nederlands wist om te vormen.

    Plotsklaps dient de laatste zin zich aan: ‘Hij nodigde hem uit om nader te treden en de moerbeibomen op een rij te zetten, in de verlatenheid van het opgedoemde land.’ Een perfecte zin om een boek mee te beginnen. Onmiddellijk slaat de nieuwsgierigheid toe en wil je het opgedoemde land binnentreden. Terwijl je dacht aan het einde te zijn gekomen. Of is dat alles schijn en is dit was Gadda wil? Je met zo veel uitwijdingen, zijsporen en doodlopende steegjes onderdompelen in de leerschool van het lijden dat je daarna niet anders meer kan dan vol verwachting het opgedoemde land te betreden. Zonder lijden. Zonder vrees.

     

    De leerschool van het lijden

    Auteur: Carlo Emilio Gadda
    Vertaald door: Frans Denissen
    Met een voorwoord van Ronald de Rooy
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep (2011)
    Aantal pagina’s: 260
    Prijs: € 29,95

  • Pleidooi voor de draaikont

    Pleidooi voor de draaikont

    Is Nederland tolerant of niet? In 2006 verscheen er een artikel  van een aantal sociologen van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarin probeerden zij de vraag te beantwoorden of Nederland na de dood van Pim Fortuyn in 2002 minder tolerant was geworden ten opzichte van etnische minderheden. Het antwoord was duidelijk: nee. Volgens het onderzoek was Nederland in de jaren zeventig een stuk minder tolerant dan we nu geneigd zijn te denken. Met de huidige intolerantie tegenover ‘buitenlanders’ valt het ook wel mee: Nederland zit zelfs iets onder het Europees gemiddelde.

    Toch bepaalt het idee dat Nederland een tolerant land is heel sterk het beeld dat men van Nederland heeft. En velen denken ook dat we de laatste jaren met z’n allen minder tolerant zijn geworden. Guus Kuijer is zo iemand en hij maakt zich er zorgen over. Zijn boek Haatblaffers & Draaikonten is zowel een pamflet tegen onverdraagzaamheid als een kleine historische studie van Nederlandse tolerantie.

    Voor Kuijer begint verdraagzaamheid met twijfel. Wie alles zeker weet en niet durft te twijfelen aan zijn eigen standpunten, is dogmatisch en niet bereid naar anderen te luisteren. De tolerante mens is een wetenschapper, een vriendelijke rationalist die bereid is zijn mening te herzien en zijn fouten toe te geven.

    Om die boodschap duidelijk te maken vertelt Kuijer het verhaal van een aantal humanisten uit de zestiende eeuw die immers ernstig begonnen te twijfelen aan eeuwenoude zekerheden die vooral door de katholieke kerk in stand werden gehouden. Hoofdpersoon is de Spaanse humanist Benito Arias Montano (1527–1598), die in de entourage van de hertog van Alva naar Antwerpen kwam om daar zijn tweetalige bijbel te laten drukken.

    Aanvankelijk stond Montano pal achter Alva, die in Nederland een einde moest maken aan een opstand en vervolgens een waar schrikbewind begon. Het Spaanse gezag was nu niet bepaald verdraagzaam tegenover anders denkenden, zo maakt Kuijer goed duidelijk. De Inquisitie arresteerde iedereen waarvan men vermoedde dat hij er ketterse ideeën op na hield. Vrouwen liepen het gevaar als heks vervolgd te worden en iedereen van joodse afkomst was meer dan verdacht. Spanje zelf was al enige tijd ‘joden vrij’: in 1492 waren alle Spaanse joden bekeerd, verbannen of vermoord.

    De hertog van Alva ging dan ook niet zachtzinnig te werk in de Nederlanden, waar het calvinisme als maar populairder leek te worden. Niet dat de calvinisten nu zo verdraagzaam waren. Net als de fanatieke katholieke Spanjaarden waren er ‘haatblaffers’ onder hen. Kuijer schreef eerder het boek Het doden van een mens over de moord op Miquel Servet door Calvijn. Ook in Draaikonten & Haatblaffers wordt hij niet moe om op de onverdraagzaamheid van fanatieke calvinisten – waaronder Calvijn zelf – te wijzen.

    Maar in de Nederlanden zat een flink deel van de bevolking helemaal niet te wachten op een principiële strijd tussen katholieken en protestanten. Oorlog betekende onrust en dat verstoorde de handel. Wie geld wilde verdienen kwam er snel achter dat je meningsverschillen beter niet op de spits kunt drijven. Je zou kunnen beweren dat Nederland toleranter werd omdat dat voor veel mensen economisch aantrekkelijker was.

    Maar bij Guus Kuijer tref je een dergelijk argument niet aan. Voor hem is, zoals gezegd, tolerantie onlosmakelijk verbonden aan twijfel en rationaliteit. De humanist Montano is voor Kuijer de beste vertegenwoordiger van de opkomende tolerante gedachte in de zestiende eeuw.

    Wanneer deze katholieke Spanjaard in Antwerpen aankomt, staat hij nog pal achter Alva en zijn harde maatregelen. Maar bij de beroemde Antwerpse drukker Plantijn ontmoet hij humanisten, calvinisten en tal van mensen met liberale opvattingen. Hij maakt kennis met andere meningen, argumenten en kan de gevolgen van de Spaanse overheersing met eigen ogen aanschouwen. Dat brengt hem steeds meer aan het twijfelen aan zijn oude Spaanse, katholieke en dogmatische zekerheden. Hij twijfelt en is bereid andersdenkenden te tolereren en hun vervolging te veroordelen. Maar echt openlijk afstand nemen van het Spaanse gezag en de katholieke kerk doet hij niet. Montano is geen held, maar een draaikont die niet altijd zegt wat hij denkt omdat dat hem in de problemen zou kunnen brengen.

    De Haarlemmer Dirk Volkertsz. Coornhert was wat dat betreft een stuk moediger. Coornhert moest twee keer vluchten voor zijn leven omdat hij zijn mening iets te nadrukkelijk kenbaar had gemaakt. Eerst waren het de Spanjaarden die hem wegens ketterse ideeën probeerden te vervolgen en daarna was het de geuzenleider Lumey die Coornhert liever dood dan levend zag. De Haarlemmer is met zijn oproep tot verdraagzaamheid een uitzondering voor Kuijer. Misschien dat bewondering voor Coornhert en zijn denkbeelden teveel voor de hand ligt. Kuijer heeft uiteindelijk meer sympathie voor de minder moedige Montano.

    Kuijer neemt het op voor de draaikont, diegene die niet principieel is, maar van mening verandert. Draaikonten twijfelen en zijn niet bang ongelijk te hebben en te luisteren naar een ander. Zij zijn bereid van mening te veranderen en dat is in een tolerante samenleving onmisbaar.

    Het is vanaf de eerste pagina duidelijk dat Kuijer over het verleden vertelt om iets over het heden duidelijk te kunnen  maken.  Draaikonten en haatblaffers zijn in de huidige politiek ook aan te wijzen en met de vaderlandse geschiedenis als argument probeert Kuijer de draaikont van gisteren en vandaag te rehabiliteren.

    Terwijl hij het verhaal van Montano vertelt is Kuijer voortdurend bezig de lijnen naar het heden zichtbaar te maken. Dat is af en toe wat vermoeiend. Liever was ik even alleen gelaten met Montano, Coornhert en andere zestiende eeuwers. Nu blijft Kuijer voortdurend aanwezig en uiteindelijk stoort dat.

    Kuijer is scherp, geestig en ironisch maar zijn boodschap dat we het verleden moeten lezen als een les voor het heden ligt er wat mij betreft teveel boven op. Toch moet je bewondering hebben voor de directheid en de enorme energie die van de bladzijden springt. Wie denkt dat dit een saai boek is, heeft het mis. Kuijer heeft een duidelijke opvatting, kan goed vertellen en draait nergens om heen. Zijn recht-voor-zijn-raap benadering zorgt ervoor dat hij soms kort door de bocht gaat, maar echt tenen krommend wordt dat bijna nergens.

    Alleen in het laatste hoofdstuk, wanneer het verhaal van de zestiende eeuw al verteld is, schiet Kuijer wat door. Zijn analyse van onverdraagzaamheid in deze tijd, lijkt soms meer ingegeven door ergernis dan rationele overwegingen. Hij noemt zes punten waaraan we de intolerante medemens kunnen herkennen: een hekel aan kunst, wantrouwen in wetenschap… Kuijer noemt geen namen, maar je kunt zo ook wel raden over wie hij het heeft. Juist in die passages had ik Kuijer wel eens wat meer willen zien twijfelen. Vooral omdat hij beweert dat tolerantie voortkomt uit twijfel. Nu blaft hij tegen de haatblaffers terwijl het zoveel beter was geweest als hij als een echte draaikont rationele argumenten had gebruikt.

     

     

  • Laarmans uit Lijmen, Het been en Kaas vertelt

    Laarmans uit Lijmen, Het been en Kaas vertelt

    Antwerpen is de stad van Willem Elsschot, in ieder geval nog tot het einde van dit jaar, vijftig jaar na zijjn dood. De feestelijke herdenking is al een tijdje bezig, vanaf 2007 om precies te zijn. Toen was het 125 jaar geleden dat Elsschot als Alfons de Ridder in Antwerpen geboren werd. Afgelopen mei was er nog een groot tweedaags festival en tot het eind van het jaar zijn er nog allerlei activiteiten, waaronder een Dwaallicht stadswandeling en de tentoonstelling Dichter bij Elsschot.

    Wie plezier wil beleven aan de Dwaallicht wandeling en de tentoonstelling kan zich beter thuis eerst voorbereiden. Laten we beginnen met Het Dwaallicht. Het is Elsschots laatste novelle, uit 1946, en in de uitgave van Atheneum nog geen 55 bladzijden lang. Maar het leesplezier is hier omgekeerd evenredig met de leestijd. Niet lang maar wel veel vreugde.
    De geringe lengte en de leesbaarheid van Het Dwaallicht zijn ook redenen voor scholieren om het op hun verplichte leeslijst te zetten. Maar op bevel lezen is iets anders dan lezen voor het plezier of uit innerlijke behoefte. En Elsschot verdient het niet om als verplichte kost door de jonge strot geduwd te worden onder het mom dat het ergens goed voor zou zijn. Wie niet lezen wil moet de dunne boekjes van Elsschot maar links laten liggen en wachten tot honger naar mooie literatuur ontstaat.

    Het Dwaallicht wordt verteld door Laarmans die we kunnen kennen uit Lijmen, Het Been en Kaas. Laarmans wordt door de oude vrouw die hem een krant verkoopt gewezen op drie ‘rijstkakkers’, door Laarmans ‘zwartjes’ genoemd. Het zijn drie oosterse matrozen van het schip de Delhi Castle. Later blijken het Afganen te zijn. Zij zijn op zoek naar een zekere Maria van Dam en Laarmans biedt aan om hen door Antwerpen te leiden. Het enige houvast dat hij heeft om Maria te vinden is een kartonnetje ‘waarin met potlood een hobbelige tekst is gegrift’: Maria van Dam, Kloosterstraat 15.
    Karel van het Reve merkte op dat je van Elsschots werk onmogelijk kan zeggen dat er iets anders bedoeld wordt dan er staat. ‘Boodschappen- en symbolenzoekers slaan waarschijnlijk bij de eerste bladzijden de schrik al om het hart’, schreef hij in De miskenning van Elsschot (1979). Het merkwaardige is nu dat dit voor Het Dwaallicht helemaal niet opgaat. Hoe helder en zonder versiering Elsschot ook schrijft, toch heeft het sommigen er niet van weerhouden om in Het Dwaallicht nog veel meer te lezen dat uitgelegd moet worden. Een voorbeeld van een dergelijke analyse is die van Kees Fens in het tijdschrijft Merlyn uit 1965. Ook scholieren die op internet het verhaal samenvatten weten wel raad met de symboliek van het verhaal. Drie zwarte mannen uit het Oosten die ’s nachts op zoek zijn naar Maria, dat verwijst natuurlijk naar de drie Bijbelse wijzen uit het Oosten.

    Laarmans zelf ziet die vergelijking ook wel en hij spot er voortdurend mee. Bijvoorbeeld, als het viertal gelooft Maria gevonden te hebben staat er: ‘Nu kan Maria ieder ogenblik verschijnen, want in de grot van Lourdes is het wonder ook gebeurd.’ Het kartonnetje met Maria’s adres wordt gekscherend Mariaboodschap genoemd. Heel serieus kun je de vergelijking met het Bijbelverhaal toch niet nemen, en wie dat wel doet zal toch ook tegelijkertijd moeten glimlachen. Ik ben geneigd Karel van het Reve gelijk te geven en te concluderen dat er inderdaad niet meer bedoeld wordt dan er staat. En dat is mooi genoeg.
    Maria van Dam lijkt ook in niets op de moeder van de Goddelijke zoon die zich vrijwillig aan het kruis liet nagelen. In een hilarische dialoog in een café probeert Laarmans zijn drie metgezellen de essentie van het Christendom uit te leggen, maar de drie moslims begrijpen er niet veel van. Laarmans tekent voor hen de gekruisigde Christus waarop één van de matrozen vraagt: ‘wordt dat hier veel gedaan?’
    Maria van Dam doet me meer denken aan de droomvrouw in het verhaal van een andere zeeman: Larios van Slauerhoff. Een vrouw waar alles voor aan de kant wordt gezet nadat ze alleen maar in een flits voorbij is getrokken, die gevonden wordt om onmiddellijk weer te worden verloren en waar altijd naar wordt gesmacht. Zo hoog als de romantische golven bij Slauerhoff gaan ze voor Elsschots matrozen niet. En ook Laarmans laat zich uiteindelijk niet verleiden tot een romantisch of seksueel avontuur en kiest ervoor om toch maar naar huis te gaan, naar vrouw en kinderen. ‘Een pad dat tot inkeer leidt’.
    Het Dwaallicht blijft een magnifiek korte novelle. In de nieuwe uitgave van Atheneum is er de stadswandeling van Erik Rinckhout aan toegevoegd en het kleine boekje is makkelijk mee te nemen. De beschrijving van de wandeling bestaat niet uit een saaie opsomming van straten uit het verhaal maar probeert inzicht te geven in hoe de wereld van Laarmans er nu precies uitzag. Het dwingt je toch nog even de tekst te herkauwen en dat is niet onaangenaam. Zo komen we dicht bij Elsschot.

    Dicht bij Elsschot is ook de naam van de tentoonstelling die het hele jaar nog te zien is in het Antwerpse Letterenhuis. Uitgeverij Atheneum heeft het gelijknamige boek uitgegeven. De tekst is geschreven door de curator van de tentoonstelling, Wieneke ’t Hoen, en beschrijft bondig maar niet te kort Elsschots levensloop. Het is een prachtig fotoboek dat iedere Elsschotliefhebber niet kan laten liggen. Het bevat foto’s van de schrijver en zijn familie, maar ook van manuscripten, documenten en brieven. Veel is afkomstig uit het literaire en zakelijke archief dat in 2009 door het Letterenhuis is aangekocht.
    Dicht bij Elsschot kom je inderdaad door dit boek en je beseft weer eens dat Laarmans zo erg op Elsschot lijkt. Net als Laarmans uit Het Dwaallicht had Elsschot zes kinderen, was hij liever buiten de deur dan dat hij zwijgend thuis zat en dronk hij soms ‘om het hoofd te doen draaien’, zoals het in Het Dwaallicht staat. Met zijn huwelijk had hij het zwaar. Het beroemde gedicht Het huwelijk schreef hij overigens in Rotterdam na twee jaar getrouwd te zijn. Het boek bevat een foto van de handgeschreven versie.
    Dichter bij Elsschot kom je vooral door hem te lezen. Maar afstand kan bedriegelijk zijn zo valt ook in Het Dwaallicht te lezen. ‘Het is vlak in de buurt, maar de straat schijnt mij opeens zo veraf te liggen, eindeloos ver, zo ver als enige plaats waar de dingen zijn die men nooit bereiken zal.’
    Op naar Antwerpen!