• Uiteengespatte verbeelding

    Uiteengespatte verbeelding

    Mijn fantasie gaat regelmatig met mij op de loop. We beginnen in een pittig drafje, dat gaandeweg overgaat in een stevige galop, waarna ik al snel de teugels kwijtraak en we op hol slaan, om na een dolle rit abrupt tot stilstand te komen voor een blinde muur in het doodlopend steegje van de realiteit. Mijn fantasie komt zelden of nooit overeen met de werkelijkheid. Als kind had ik er al last van. Illustraties in mijn lievelingsboeken kraste ik altijd door, omdat ze het niet haalden bij mijn eigen voorstelling van het verhaal. Elke op handen zijnde gebeurtenis was later in het echt nooit zo mooi als wat ik er van tevoren over verzonnen had. De jurk die mijn moeder voor me gemaakt had, was prachtig, echt, maar hij kon me niet veranderen in de prinses die ik me al weken voor de spiegel gedroomd had. De knapste jongen van de middelbare school, die ik uit de verte zwijmelend aanbad en alle eigenschappen van een sprookjesprins had toebedacht, bleek bij het eerste afspraakje een hork te zijn. 

    Alles was altijd mooier in mijn gedachten. Wat dat betreft leek ik op een van de zoontjes van Anton Coolen in zijn beminnelijke boekje Uit het kleine rijk, waarin hij beschrijft hoe zijn vier kinderen opgroeien. Op de ochtend van het Sinterklaasfeest zegt het jongetje, terwijl hij zijn uitgepakte cadeautjes beziet: ‘Hoor eens vader, ik vind alles zo leuk, maar toen ik het nog niet gezien had, vond ik het nog veel leuker.’ Coolen zelf moest daarbij denken aan de aanplakker uit Strindbergs Droomspel, ‘als die eindelijk zijn hevig begeerd schepnet heeft: ‘Het is wel goed, maar niet zoals ik het mij had voorgesteld, wel groen, zoals het moest, maar niet dat groen.’
    Als mijn fantasie zich weer eens te pletter heeft gelopen, dan zit er voor mij niets anders op dan de scherven van mijn uiteengespatte verbeelding op te rapen en proberen ze samen te voegen tot een mengvorm waarin weliswaar de werkelijkheid weerspiegeld wordt, maar die toch nog een vleugje droom bevat, ongeveer zoals Joke van Leeuwen dat doet:

    Lijmen

    Ik had drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een vogeltje,
    Een veulentje,
    Een varkentje.

    Ze zijn gevallen.
    Ze braken stuk.
    Ik heb ze gelijmd.
    ’t is bijna gelukt.

    Ik heb drie beestjes,
    drie beestjes van steen.
    Een volentje,
    Een veukentje,
    Een vargeltje.

    Toch geef ik de hoop  niet op dat op een dag mijn fantasie naadloos met de realiteit zal samenvallen. Zoals iemand die maand in maand uit een loterijbriefje koopt, in het volste vertrouwen dat eens de hoofdprijs op zijn lot zal vallen, de zoveelste teleurstelling schouderophalend afdoet met de gedachte dat er volgende maand weer een kans op een miljoen is. In mijn fantasie wacht het grote wonder altijd net om de volgende hoek op me. Ik kan me al heel goed voorstellen hoe het eruit zal zien.

     

    Gedicht komt uit de bundel: Ozo heppie / Joke van Leeuwen / Querido (2017


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Wedstrijdje?

    Wedstrijdje?

    Anna Blaman, Anton Coolen, Max Dendermonde, Henriëtte van Eyk, Hella Haasse, Alfred Kossman, Adriaan van der Veen en Simon Vestdijk: samen schreven ze de roman De doolhof.
    Hun namen staan in alfabetische volgorde op de titelpagina. Allemaal schreven ze één hoofdstuk en de goede verstaander – de lezer met ‘kennis van de huidige Nederlandse literatuur’ – maakte kans op een mooie prijs als hij in staat was de schrijvers aan hun hoofdstukken te koppelen: ‘zend Uw oplossingen vóór 31 Januari 1952 per briefkaart onder vermelding van “prijsvraag” en naam en adres van Uw boekhandel aan N.V. Int. Uitg. Mij “Het Wereldvenster”, Heerengracht 433, te Amsterdam.’*

    Ik vond De doolhof vorige week in een antiquariaat en kocht het bij wijze van curiositeit. Acht schrijvers van naam die samen een roman schrijven, dat is zoiets als vijfentwintig leerlingen die tijdens de lessen Nederlands moeten voortborduren op de woorden van een klasgenoot, maar dan van een andere literaire orde. De vergelijking met De schrijver: een literaire estafette gaat minder mank. Ook aan De schrijver schreven acht auteurs, maar hun namen – Harry Mulisch, Gerrit Komrij, Adriaan van Dis, Maarten ’t Hart, Remco Campert, Marga Minco, Hugo Claus en Joost Zwagerman – staan vermeld bij hun respectievelijke hoofdstukken.

    Deze laatste acht zijn gevrijwaard van eventueel gezichtsverlies. Of die andere acht reputatieschade opliepen door hun anonieme bijdragen aan De doolhof of in het kader van hun ‘teamwork’ juist genoten van het feit dat de één regelmatig voor een ander aangezien werd, vertelt het verhaal van de prijsvraag niet.
    Ik neem tenminste aan dat dat – ondanks al die in de toenmalige Nederlandse literatuur ingevoerde lezers – het geval was. En wat vond Simon Vestdijk er dan van als zijn werk voor dat van Anna Blaman of Hella Haasse gehouden werd? Dat zou ik wel willen weten.

    Stijl is waarmee de ene schrijver zich van de andere onderscheidt. Maar hoe herkenbaar is de stijl van een schrijver nog als een lezer geen idee heeft wie hij voor zich heeft? Ik vrees dat ik gigantisch door de mand zou vallen. In het geval van De doolhof kan ik me er nog vanaf maken door te zeggen dat ik het werk van de schrijvers niet goed genoeg ken, maar die vlieger gaat voor de schrijvers van De schrijver niet op. Hun werk ken ik al mijn hele lezersleven, maar toch ben ik er niet zeker van dat ik ze allemaal herkend zou hebben als de uitgever er ook hier een wedstrijdje van gemaakt had.

    Maar ja: je moet me ook niet vragen om de ingrediënten op te sommen die verwerkt zijn in een verrukkelijke maaltijd. Ik kan smakelijk eten, zonder precies te weten wat.
    Om te genieten van een boek is het niet altijd nodig om te ontleden hoe een schrijver doet wat hij doet. Pas als hij helemaal geen stijl heeft en een schrijver zich naar het einde hakkelt, haak ik af.

     

    * De volgorde van opkomst bleek: Van Eyk, Dendermonde, Blaman, Haasse, Kossman, Coolen, Van der Veen en Vestdijk.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.