• Oogst week 24 – 2024

    Ondergang – Prigozjin, Poetin

    De Brit Mark Galeotti is historicus, politicoloog en een van de belangrijkste Ruslandkenners. Anna Arutunyan is een Russisch-Amerikaanse journalist en analist. Tot februari 2022 woonde ze in Rusland. Beide auteurs zijn verbonden aan het Nederlandse kennisplatform Raam (op Rusland, Oekraïne en Belarus).

    Ondergang, Prigozjin, Poetin opent met aantekeningen van de auteurs. ‘Toen we voor het eerst over dit project begonnen na te denken wisten we geen van beiden zeker of hij, als persoon, een boek verdiende, vooral omdat zoveel over zijn leven, optreden en familie een groot, steevast fel bewaard geheim bleef.’ Toch vonden de auteurs hem als het ‘archetype van het Poetin-regime’ interessant genoeg voor nader onderzoek.

    ‘Zjenja – Jevgeni Viktorovitsj Prigozjin – werd in 1961 geboren (…) Hij was slim genoeg om te kunnen dromen over een specialistische carrière, maar niet zo slim of intellectueel gedisciplineerd dat een topuniversiteit hem zou verwelkomen, (…) atletisch genoeg om te kunnen dromen over de roem en weelde van een leven als topsporter, maar niet genoeg om het te bereiken. (…) Of het nu uit woede, desillusie of simpele hebzucht was, Zjenja richtte zich op de misdaad.’ In de gevangenis ontdekte hij zijn ondernemerstalent.

    De hoofstuktitels typeren Prigozjin als Crimineel, Entrepreneur, Kok, Minigarch, Trollenbaas, Condottiere, Aasgier, Krijgsheer, Rebel en Spook. Hij was Poetins chef-kok, en hield zich bezig met drugs, wapens en grote witwasoperaties en lucratieve (goud, hout, diamant) militaire operaties in Afrika. Met zijn Wagnerleger werd hij een toonaangevende politieke figuur. De opstand tegen Poetin werd zijn einde, al zijn er Russen die geloven dat hij zijn eigen dood in scène heeft gezet. De auteurs beschrijven niet alleen Prigozjins opkomst en ondergang maar onderzoeken ook de impact die hij had en heeft op het Kremlin.

     

    Ondergang - Prigozjin, Poetin
    Auteur: Mark Galeotti, Anna Arutunyan
    Uitgeverij: Prometheus 2024

    De instructies

    De instructies is het zevende boek van Carolina Trujillo (Montevideo, 1970). In 1991 debuteerde ze in Uruguay, waarheen ze na een verblijf van enkele jaren met moeder en zus in Nederland was teruggekeerd, met de Spaanstalige roman De exilios, maremotos y lechuzas die een eerste prijs won. Later kwam Trujillo weer terug naar Nederland waar ze aan de Filmacademie scenarioschrijven studeerde. In Nederland debuteerde ze in 2002 met de roman De bastaard van Mal Abrigo, over twee jongetjes uit een verpauperd cocaïnedorp. Trujillo laat hen president en minister van defensie worden. Behalve schrijfster is ze columniste bij de NRC.

    Hoofdpersonen in De instructies zijn Mol en Nora. Nora is een geradicaliseerd dierenrechtenactiviste en Mol laat zich door haar beïnvloeden. Het komt tot het in brand steken van een slachthuis. Mol wil zich bezinnen maar het lukt hem niet zich van Nora los te maken. Hij moet van haar instructies schrijven over brandstichting in een slachthuis en welke fouten je daarbij moet vermijden.

    Het is Trujillo’s specialisme om onrecht, schuldgevoel, verdriet en ander drama op laconieke en humoristische wijze te vertellen. ‘Het was oud en nieuw, een uur na middernacht toen ik, een volwassen vent met een vaste baan en in bezit van een verklaring van goed gedrag, gekleed in een zelfgemaakt varkenspak aan de rand van een industriegebied in een sloot viel. Het ijskoude water kwam meteen tot mijn borst, mijn voeten vonden geen vaste bodem en ik kon niet zien waar de wal was omdat de capuchon met varkensoren over mijn ogen was gezakt.’

    De instructies
    Auteur: Carolina Trujillo
    Uitgeverij: Koppernik 2024

    Laatste cahiers 1951-1959

    In negen schoolschriften maakte filosoof, journalist en schrijver Albert Camus (1913-1960) sinds 1935 aantekeningen over zijn leven en werk met de bedoeling deze cahiers ooit te publiceren. In 1962 en 1964 werden de eerste twee gepubliceerd, in 1989 de laatste cahiers. De Arbeiderspers geeft deze nu uit in de serie Privédomein onder de titel Laatste cahiers 1951-1959.

    Camus is vooral bekend om zijn De mens in opstand, De pest – dat in de coronaperiode weer veel gelezen werd – De vreemdeling en De mythe van Sisyphus. In de laatste twee verwerkte hij ideeën over het existentialisme. Hij stond in contact met Sartre en De Beauvoir en hield in de VS lezingen over het existentialisme. Vaak worden de filosofen op een lijn gesteld, maar Camus verschilde in denken van Sartre. Bij Sartre ging het om het intellectuele bestaan, bij Camus om het tastbare. Uiteindelijk vervreemdden ze van elkaar.

    Volgens Camus was het leven absurd en zinloos en had het geen betekenis of bedoeling. Dat absurdisme verwerkte hij in romans, essays en in theaterstukken. ‘Wat men een reden om te leven noemt, is tevens een uitstekende reden om te sterven,’ is een van zijn aforismen.
    De notities uit de Laatste cahiers beslaan soms een verhalend stuk tekst, soms slechts een zin. ‘Roman. “Zijn dood was niet bepaald romanesk. Met hun twaalven werden ze in een cel voor twee gestopt. Hij kreeg geen adem en raakte bewusteloos. Hij stierf, tegen de groezelige muur gedrukt, terwijl de anderen, om bij het raam te komen, hem de rug toekeerden.” * Bij haar eiste het geluk alles, zelfs het doden. * Natuurlijkheid is geen aangeboren deugd; ze moet worden verworven.’ Het nawoord van René Puthaar werpt licht op de aantekeningen.

     

    Laatste cahiers 1951-1959
    Auteur: Albert Camus
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2024, serie Privédomein
  • Oogst week 26 – 2023

    Zeven omhelzingen

    De Oostenrijkse Friederike Mayröcker (1924-2021) is in Nederland niet bekend, maar heeft in Duitstalige landen een indrukwekkend oeuvre van wel tachtig uitgaven op haar naam staan aan gedichten, proza en kinderboeken.

    Daarnaast schreef ze ook nog toneel- en hoorspelteksten. Haar nu in Nederland onder de titel Zeven omhelzingen verschenen verzameling poëzie bevat zeven gedichten die afkomstig zijn uit haar bundel Von den Umarmungen uit 2012. Mayröcker, die lerares Engels was, ontmoette in 1954 haar grote liefde Ernst Jandl, die ook leraar was. Ze woonden een tijd lang samen, leefden grotendeels gescheiden van elkaar, maar vonden elkaar vooral in hun werk.
    Mayröckers proza en gedichten worden gezien als autofictie. Zo is in Zeven omhelzingen duidelijk Ernst Jandl aanwezig hoewel zijn naam maar één keer, en dan nog louter met de initialen E.J. wordt genoemd.

    De vertaling is van Ton Naaijkens, aan wie in april van dit jaar de Martinus Nijhoff Vertaalprijs  werd toegekend. Hij schreef ook het nawoord bij de zeven gedichten.

    Zeven omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Stichting M10Boeken

    Werken voor de kost

    Werken voor de kost is het debuut van de jonge Franse Claire Baglin. De vertelster in de roman groeit met haar ouders en een broer op in een fabrieksarbeidersgezin waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid. Tot de heerlijkste uitjes hoorden bezoekjes aan een fastfood restaurant.

    Buiten dat vette eten was er, op een enkele vakantie na, weinig waarmee de karigheid van het dagelijkse bestaan kon worden opgeluisterd. Als het meisje volwassen is neemt ze een baan aan in een dergelijk restaurant en wordt daar geconfronteerd met een wereld waarin het sloven is. Dat wat in haar kindertijd bijna een feest was blijkt achter die façade een harde wereld te zijn van hete dampen en gestress bij de drive-inbalies. Ze ontdekt de achterkant van de romantiek uit haar kindertijd, een achterkant die veel parallellen heeft met wat haar vader in de fabriek onderging. Toch is Werken voor de kost gekruid met humor.

    Werken voor de kost
    Auteur: Claire Baglin
    Uitgeverij: Pluim

    Bruiloft / De Zomer

    Van Albert Camus worden romans als De pest ( zelfs ineens weer erg populair in coronatijd) en De vreemdeling nog altijd gelezen. Er bestaan meerdere Nederlandse vertalingen van. Veel minder bekend zijn Camus’ essays als Bruiloft en De zomer. Beide werden al enkele malen eerder in het Nederlands uitgegeven maar zijn nu opnieuw vertaald door Eva Wissenburg. Eén van de essays is getiteld De wind in Djélima:

    ‘Het is geen stad om even halt te houden en dan weer door te gaan. Ze leidt nergens heen en biedt geen toegang tot andere streken. Het is een plek waar je van terugkeert. De dode stad ligt aan het eind van een weg vol haarspeldbochten, en omdat je haar achter elke bocht verwacht lijkt de route ellenlang. Wanneer op een flets plateau diep tussen de hoge bergen eindelijk haar gelige skelet oprijst als een woud van beenderen, ligt Djémila daar als een les in liefde en geduld die als enige ons naar het kloppend hart van de wereld kan brengen’.

    Bruiloft / De Zomer
    Auteur: Albert Camus
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Een overrompelende leeservaring

    Een overrompelende leeservaring

    Moussa of de dood van een Arabier raakt de lezer als een voltreffer. De winnaar van de Prix Goncourt 2015 doet je met een schok beseffen hoe we met westerse ogen kijken. Het boek zet vraagtekens bij De vreemdeling van Albert Camus en toont bovendien aan hoe weinig we van de geschiedenis leren.

    Om direct maar een misverstand te voorkomen, schrijver Kamel Daoud heeft groot respect voor Camus. Moussa is qua structuur en thema zelfs schatplichtig aan hem, maar tegelijk opent Daoud onze ogen voor wat Camus verzweeg.

    Eerst maar eens naar De vreemdeling van Camus. In die roman uit 1942 pleegt de Franse kantoorbediende Meursault op het strand van Algiers een moord op een Arabier die wraak zou willen nemen voor wat zijn zus was aangedaan. Voorafgaand aan die moord heeft Meursault zich onaangedaan getoond bij de begrafenis van zijn moeder. Hij wist niet eens precies hoe oud ze was bij haar dood. Hij rouwde niet, maar begon meteen erna een relatie met een zekere Marie, waarin hij evenmin blijk geeft van diepere gevoelens. Meursault wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld, niet vanwege de moord op de Arabier, maar omdat hij een maatschappelijke code schond: je hoort verdrietig te zijn om de dood van je moeder en het niet meteen daarna aan te leggen met een vriendin. Het zijn normen en waarden die door de maatschappij zijn opgelegd en waarvan Meursault de absurditeit aanvaardt, omdat hij leeft naar wat hem voor de voeten komt in het besef dat niets een hogere zin heeft en het leven tijdelijk is.

    Haroen
    Het vertrekpunt van Daoud is dat de Arabier die is vermoord in de roman van Camus, geen enkele rol speelt in de veroordeling van Meursault. Hoofdpersoon in Moussa is Haroen, de broer van de vermoorde, die in De vreemdeling 25 keer, zo heeft Haroen becijferd, als ‘de Arabier’ wordt aangeduid en niet één keer bij zijn naam wordt genoemd. Haroen is intussen ruim 80 jaar oud. In een bar vertelt hij een journalist hoe zijn moeder haar hele leven op zoek is geweest naar het lichaam van Moussa, haar meest geliefde zoon. Het lijk is nooit gevonden, en de moeder legde alle last van haar verdriet op Haroens schouders, voor haar de mindere zoon.

    Haroen was 7 jaar toen Moussa werd vermoord en hij begaat op zijn 27ste, in 1962, na de gevechten die zouden leiden tot de Onafhankelijkheid van Algerije, zelf ook een moord op de Fransman Joseph Larquais, in wiens huis hij na het vertrek van de Fransen met zijn moeder gaat wonen. Ook Haroen moet terechtstaan voor zijn misdaad. En ook in zijn geval speelt nauwelijks de moord op de Fransman een rol; wat hem verweten wordt is dat hij niet aan het Verzet heeft deelgenomen: hij had de Fransman moeten vermoorden vóór de Onafhankelijkheid.

    Haroen wordt niet veroordeeld, maar hij beseft dat zijn verhaal steeds meer samenvalt met dat van Meursault. Al veel eerder in de roman, als de lezer nog niet op de hoogte is van zijn daad, heeft Haroen al gezegd: ‘Voordat ik besefte in hoeverre hij en ik celgenoten waren (…)’.

    Ook in Haroens leven speelt een vriendin een rol met wie hij uiteindelijk niet de door hem gewenste relatie krijgt. Het is Meriem (vergelijk ‘Marie’ bij Meursault), een studente die hem heeft opgespoord omdat zij op zoek is gegaan naar ‘de Arabier’ uit De vreemdeling. Hij krijgt van haar het boek van Camus.

    Kolonie
    Moussa tilt het verhaal van Meursault in De vreemdeling daarmee uit boven een roman over de absurditeit van ons bestaan en stelt het tevens aan de kaak als een voorbeeld van de westerse verhouding tot de kolonies: ‘Over de moordenaar [van Moussa] wisten we niets. Hij was el-roemi, ‘de vreemdeling. (…) voor ons was hij de incarnatie van alle kolonisten, zwaar van alle gestolen oogsten’. En even verderop:  ‘Het was hier haast traditie geworden: als de kolonisten wegvluchten laten ze drie dingen voor ons achter: botten, wegen, en woorden – of moorden’.

    Is dat al een rijkdom die het bestaan van Daouds roman ten volle rechtvaardigt, de schrijver stelt bovendien de verlammende invloed van de islam op het moderne Algerije aan de orde. Staat en godsdienst dienen gescheiden te zijn. Religie is een privézaak voor Daoud. Of zoals hij Haroen in de roman laat zeggen: ‘Religie is voor mij openbaar vervoer waar ik geen gebruik van maak, ik hou ervan naar God te gaan, lopend als het nodig is, maar niet met een georganiseerde reis.’ Toen hij zich in een interview nog veel explicieter uitliet over de onwenselijke rol van het moslimfundentalisme, kwam hem dat op een fatwa van een salafistische imam te staan.

    Contra-expertise
    Deze aspecten in aanmerking nemend, is een vraagteken te plaatsen bij de vertaling van de titel van de roman in het Nederlands. In het Frans luidt die Meursault, contre-enquête. De Nederlandse vertaling Moussa of de dood van een Arabier legt de nadruk erg op het ontbreken van de naam van de vermoorde in Camus’ verhaal, terwijl de oorspronkelijke titel het hele proces van Meursault in ogenschouw neemt als een tegenonderzoek (in de roman zelf wordt contre-enquête vertaald als contra-expertise). In feite gaat de roman zelfs niet zozeer over de persoon Moussa als over hoe zijn dood bepalend is geweest voor het verdere leven van zijn moeder en zijn broer, maar ook over de omgang met zo’n daad en de geestesinstelling van de dader. Meursault zag Moussa als een wezen dat er niet toe deed. Dat brengt Haroen in de roman tot de uitspraak: ‘Wat me pijn doet, telkens als ik eraan denk, is dat hij hem heeft gedood door over hem heen te stappen, niet door hem neer te schieten.’

    De Nederlandse titel doet tevens tekort aan de manier waarop Haroen zijn eigen daad, de moord op de Fransman, spiegelt aan die van Meursault. Dat doet Daoud door in zijn roman Haroen een soortgelijk gesprek te laten voeren met een imam als Meursault dat in De vreemdeling heeft met een aalmoezenier.

    Intertekstualiteit
    Daarmee begeven we ons meteen ook in de literaire verknooptheid van Moussa met de roman van Camus door de grote intertekstualiteit. Daoud gebruikt tal van citaten en verwijzingen naar De vreemdeling.

    Meursault begint zijn relaas met de zin ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren. Ik weet het niet.’ Haroen zet in met ‘Vandaag is mijn moeder nog in leven.’ (Overigens weet Haroen evenmin als Meursault hoe oud zijn moeder is, maar anders dan bij die laatste is dat een gevolg van de administratie in de koloniale tijd, toen geboortedata van inlanders niet werden vastgelegd).

    En waar Meursault eindigt met ‘Om alles volmaakt te doen zijn, om me minder alleen te voelen, bleef mij nog slechts over te wensen dat er veel toeschouwers zouden zijn op de dag van mijn terechtstelling en dat ze mij met kreten van haat zouden begroeten’, is het Haroen die zijn toehoorder in de bar aan het slot van zijn relaas zegt: ‘Het is net de biografie van God. Ha, ha. Niemand heeft hem ooit ontmoet, zelfs Moussa niet, en niemand weet of zijn verhaal waar is of niet (…) Aan jou om die vraag te beantwoorden (…). Ik hoop ook dat er veel toeschouwers zijn, en dat hun haat groot is.’

    En zie de wending in het verhaal waarin Haroen de Fransman Joseph Larquais heeft gedood, waarin door een ontlening aan Camus wordt verwezen naar de moord door Meursault. De laatste doodde Moussa ’s middags om 2 uur in de brandende zon, Haroen pleegde zijn moord om 2 uur in de nachtelijke duisternis. Meursault, die eerst één keer en daarna nog viermaal op Moussa schoot, zegt daarover in De vreemdeling: ‘En het klonk als vier korte slagen waarmee ik op de deur van het ongeluk klopte’. Haroen loste twee schoten op Joseph en zegt daarvan: ‘Het klonk als twee korte slagen waarmee ik op de deur van de verlossing klopte’. Ketening tegenover bevrijding.

    Daoud grijpt ook in de constructie van zijn roman naar Camus.
    Haroen doet zijn verhaal op een barkruk in een lange monoloog tegen iemand die niets terugzegt, zoals de advocaat Clamence in De Val van Camus aan een zwijgende Amsterdamse cafégast vertelt hoe hij naliet een vrouw die zelfmoord pleegde daarvan af te houden.
    En de waarschuwing van Daoud tegen de (fundamentele) islam roept De pest, dat gaat over de menselijke reactie bij opkomend gevaar, in gedachten.

    Soms zit een verwijzing naar Camus in minieme details. Haroen vertelt bijvoorbeeld hoe hij klem zit tussen de dood van zijn broer en het verdriet daarover dat zijn moeder op hem overdraagt en beschrijft dat als ‘de absurde situatie waarin ik me bevond, namelijk dat ik een lijk naar de top van een berg moest duwen waarna het weer naar beneden tuimelde, en zo eindeloos door.’ Aldus verwijzend naar De mythe van Sisyphus van Camus.

    Opvallend, tot slot, zijn overigens ook de parallellen tussen Camus en Daoud zelf. Beiden werden geboren in Algerije, kwamen uit een arm, deels analfabetisch gezin, beiden begonnen als journalist en beiden schreven ze een verpletterende debuutroman, Camus De vreemdeling, Daoud Moussa of de dood van een Arabier.

    Samen vormen ze een overrompelende leeservaring.

     

    Opm: De gebruikte citaten uit De vreemdeling van Camus komen uit de vertaling door Adriaan Morriën.

  • Oogst week 42

    Oogst week 42

     

    Schuld
    …schuldig bin ich
    Anders als Ihr denkt.
    Ich musste früher meine Pflicht erkennen;
    Ich musste schärfer Unheil Unheil nennen;
    Mein Urteil habe ich zu lang gelenkt…
    Ich habe gewarnt,
    Aber nicht genug, und klar;
    Und heute weiß ich, was ich schuldig war.

    Dit is een gedicht uit de Moabiter Sonette die Albrecht Haushofer schreef tijdens zijn gevangenschap in Nazi-Duitsland.

    ‘Wat schrijven mensen in het uur van de waarheid? Hoe verhoudt zich dat tot andere literatuur die in volkomen afzondering is geschreven?’ vraagt Maarten Asscher zich af in een interview in De Volkskrant van 16 februari 2013.
    Het is onderwerp van de dissertatie waarop hij eind oktober hoopt te promoveren. Aan de hand van de autobiografische getuigenissen van Silvio Pellico, Oscar Wilde en Albrecht Haushofer gaat Asscher op deze vragen in.
    Tegenover deze drie schrijvers plaatst hij drie schrijvers die de gevangeniservaring als onderwerp kozen voor hun literaire verbeelding: Stendhal, Charles Dickens en Jan Campert. Welke categorie boeken – de getuigenis of de verbeelding – draagt de benauwenis van de gevangeniservaring het sterkst op de lezer over?

    Het uur der waarheid, over de gevangenschap als literaire ervaring, Maarten Asscher, Atlas/Contact, 408 pagina’s, € 24,99

     

    In datzelfde interview vertelt Asscher dat hij zo’n hekel heeft aan het woord ‘leesschuld’. Het is inderdaad een vreselijk begrip, maar wel één dat iedere lezer meteen begrijpt. Gelukkig gaat hij verder: ‘Ik heb sterk het gevoel dat je op een gegeven moment aan die boeken wel toekomt, over een maand, een jaar of over twintig jaar.’
    Dat moment is nu misschien aangebroken voor al die lezers die nooit De vreemdeling van Camus lazen. In zijn wereldberoemde roman over moordenaar Meursault gaat alle aandacht uit naar deze hoofdpersoon. Aan de vermoorde man wordt enkel gerefereerd met de woorden ‘de Arabier’.

    Algerijn Kamel Daoud geeft deze man een naam in zijn debuutroman Moussa, of de dood van een Arabier. Hierin probeert MoussaHaroen de moord op zijn broer te verwerken.
    Maar het is veel meer dan een verwerkingsroman. Het is een roman die kritisch is op De vreemdeling, kritisch op godsdienst, kritisch op geweld en kritisch op het kolonialisme van het Westen. Tegelijkertijd zijn er veel raakvlakken met het werk van Camus dat van directe invloed is geweest op het leven van Daoud. Als jongen raakte hij in de ban van islamistische groeperingen. Het lezen van o.a. De mens in opstand en De mythe van Sisyphus veranderden zijn kijk op het leven.
    Kamel Daoud won met deze roman Prix Goncourt voor Debutanten.

    Moussa, of de dood van een Arabier, Kamel Daoud, vertaald door Manik Sarkar, Ambo Anthos, 114 pagina’s, € 18,99

     

    Winter in Gloster HuisIn Winter in Gloster Huis van Vonne van der Meer gaat het over kiezen. Kiezen tussen dood en leven. Deze keuze wordt gesymboliseerd door twee hotels elk aan de andere kant van de oever van een meer. Aan de ene kant een hotel waar je waardig en omringd door aandacht kunt sterven, aan de andere kant Gloster Huis waar je terecht kunt als je op het laatste moment toch twijfelt aan je doodswens. Het ene hotel is van Richard, het andere van zijn broer Arthur. Arthur zegt: ‘Zijn kracht ligt in het willen, de mijne in wachten.’
    Het is een roman die de discussie over het vrijwillig levenseinde weer zal doen aanwakkeren.

    Winter in Gloster Huis, Vonne van der Meer, 
Atlas Contact
, 144 pagina’s, € 17,99

  • Albert Camus

    Albert Camus (1913-1960) en zijn geliefden.

  • Ontdekkingen uit een literair verleden (De Parelduiker over het jaar 2012)

    De Parelduiker speurt onophoudelijk naar gekende, maar vaker ongekende feiten uit het leven van belangrijke schrijvers en brengt dit met inhoudelijk goed geschreven stukken onder de aandacht. Hieronder een terugblik over het jaar 2012 waarbij elke editie van De Parelduiker je het gevoel geeft iets ontdekt te hebben waarvan je niet het idee had er naar op zoek te zijn maar na lezing ervan overtuigd bent geraakt dat je dit niet had willen missen.

    In de laatste editie van 2012 brengt Lucas Ligtenberg in Een leven doormidden gesneden  schrijfster Dola de Jong (1911-2003) onder de aandacht. De Jong liet haar eigen familie in 1940 in Europa achter en week uit naar Amerika, waarmee haar gespleten leven begon. Ze zag haar familie nooit meer terug. In 1945 schreef ze En de akker is de wereld, dat zijn laatste herdruk in 1964 beleefde maar volgens Ligtenberg een plaats in de literaire canon verdient. Een roman waarin kinderen voor het oorlogsgeweld op de vlucht slaan en ontheemd raken. ‘De laatste oorlog heeft mijn leven doormidden gesneden’, schreef Dola in 1954 aan toenmalig toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing.

    Kunsthistoricus Jaap Versteegh schreef een uitgebreid artikel over kunstenaar Richard Roland Holst (1868-1938), (echtgenoot van de bekende dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk) en zijn (geheime) vriendin, de grafica Debora G. Duyvis (1886-1974). Debora Duyvis was zelfstandige kunstenares die veel op reis ging. Aan de hand van de correspondentie tussen Roland Holst en Duyvis is deze geheime liefdesrelatie enigszins te volgen. Er zijn weinig brieven bewaard gebleven maar allen zijn van een hartverwarmende kwaliteit waaruit een stille liefde spreekt. Alles mooi geïllustreerd met werk van beide kunstenaars.

    In de rubriek Laagwater doet Sylvia Willink-Quiel, weduwe van Carel Willink, verslag van de vriendschap met W.F. Hermans en zijn vrouw en de wordingsgeschiedenis van de in brons uitgevoerde kop die Sylvia maakte van Hermans in 1981. Een afgietsel van deze kop staat in de portretten galerij van het Letterkundig Museum te Den Haag. Ook de voorstudie in foto’s en aantekeningen over afmetingen van het gelaat zijn in bezit van het museum. Een insidersverslag over de ontmoeting tussen twee grootheden in de kunsten.

    De zomereditie (nr. 4) stond in het teken van de op- en ondergang van literair tijdschrift Bijster. Een onderneming op persoonlijke titel van uitgever bij De Bezige Bij, Geert Lubberhuizen, die samen met Remco Campert de redactie vormde. Het stuk gaat vooral ook over het ego van Geert Lubberhuizen. Zes nummers zijn er van het tijdschrift verschenen en toen hield het op. Volgens de schrijver van het stuk Marsha Keja, rouleren steeds dezelfde nummers op internet voor prijzen tussen de 25 en 35 euro.
    Leo Frijda leverde een stuk over Hans Fallada en zijn vertaler Nico Rost. En Mieke Koenen, die aan een biografie werkt over Ida Gerhard schreef over ‘Zelfdoding in bekende en onbekende teksten van Ida Gerhard’. Met niet eerder gepubliceerde foto’s van Ida Gerhard en haar vriendinnetje Marietje van der Zeyde, die in Gerhards latere leven haar levenspartner werd.

    In de derde editie schrijft Nico Keuning, publicist van schrijversbiografieën in Het Stockholm van Tomas Transströmer over de dichter en diens werk. Tomas Transströmer wordt op 59 jarige leeftijd getroffen door een hersenbloeding waardoor hij rechtszijdig verlamd raakt en zijn spraakvermogen verliest. Vanaf die tijd treedt zijn vrouw Monica op als communicator met de buitenwereld. Daarbij vier gedichten uit het vroege werk van Transströmer, in vertaling van Bernlef.

    Sterk tot de verbeelding spreekt de zoektocht in de tweede editie, naar het door raadselen omgeven leven van schrijver B. Traven door Martin Smit in Utopie in de jungle. Pas na zijn dood in 1969 kon met zekerheid gezegd worden dat B. Traven de voormalig anarchist Ret Marut was die in 1922 op de vlucht sloeg net voordat hij wegens hoogverraad standrechtelijk geëxecuteerd zou worden. Via Nederland, België en Engeland bereikte Marut in 1924 Mexico waar hij tot zijn dood verbleef. Tijdens zijn leven is het niemand gelukt de ware identiteit van B. Traven te onthullen. Traven was auteur van indringende literatuur over de onderdrukte bevolking van Mexico. Slavenhandel, uitbuiting en de oorspronkelijke bevolking van Mexico hadden zijn interesse. Met Utopie in de jungle beschreef Martin Smit een uiterst gecompliceerde levensloop van een schrijver op de vlucht, die leest als een detective. Waarbij de grote vraag komt bovendrijven: ‘Wie was Ret Marut?’ Het levert interessante feiten op en maakt het herlezen van Travens werk opeens weer urgent. Saillant detail is dat in De Parelduiker nr 3, Louis Houet in de rubriek Laagwater schrijft over een ontmoeting met de weduwe van Traven in 1977. Waarbij hij haar vraagt naar de identiteit van haar man en zij, tot zijn verbazing zegt die niet te kennen. Waarmee het raadsel Ret Marut de oplossing bij lange niet nabij is.

    De eerste editie is voor een groot deel gewijd aan Slauerhoff. Wim Hazeu schreef ‘Alleen aan jou voel ik me verwant onder de levenden’ Slauerhoffs laatste brief aan A. Roland Holst en ‘Dat avontuur zit heus niet alleen op een schip’ Herinneringen van Jacoba, Jetty en Johannes Tielrooy. Hein Aalders schreef over Slauerhoffs bedevaartstocht naar het graf van de Bretonse dichter Tristan Corbière in 1923.

    In De Parelduiker duiken met enige regelmaat rubrieken op als De laatste pagina, Laagwater en Seinpost, maar komen niet consequent in elke editie voor. In de twee eerste nummers wordt in De laatste pagina een in memoriam gewijd aan polemisch schrijver Christopher Hitchens (1949-2011) door Marco Daane en aan kunsthistoricus (met een voorliefde voor de politieke spotprent) Hans IJsselstein Mulder (1945-2012) door Ariane de Ranitz.

    In de rubriek Seinpost (tweede editie) ging Ronald Bos naar Algerije om gevolg te geven aan het door Camus ingegeven verlangen naar ‘het licht en de zon (…), als contrapunt bij de tegenslagen en depressies’. In Op zoek naar het verloren licht trekt hij verschillende literaire sporen na en komt onder meer tot de ontdekking dat Camus, vijftig jaar na zijn dood, nog steeds ‘leeft’ in zijn eigen land. Het literaire klimaat in Algerije is niet welwillend. Bos ontmoet een uitgeefster die het liefst anoniem blijft. Zij vertelt dat Boualem Sansal de belangrijkste auteur van dit moment is. Hij leeft in Algerije maar geeft zijn werk uit in Frankrijk; het lot van de meeste auteurs die in het Frans schrijven. Bos schreef eerder over Hans Lodeizen en Paul Celan in De Parelduiker en toont zich een ware Camus-kenner.

    In deze jaargang ook twee bijdragen van Mario Molegraaf, de vroegere partner van dagboekschrijver Hans Warren. In de 3e editie over de vriendschap tussen Warren en natuurtekenaar Jac. P. Thijsse. In de 2e editie een diepgaand artikel van Molegraaf over de dichtende zus van Vincent van Gogh, Lies van Gogh (1859-1936). Molegraaf schrijft vaker over vergeten dichters.

    Dit is slechts een kleine greep uit het rijke aanbod van een jaargang De Parelduiker. Elke editie is meer dan de moeite waard om zelf aan te schaffen. De nummers van deze jaargang zijn nog te verkrijgen via de site van De Parelduiker.

     

    De Parelduiker ontvangt geen subsidie meer en heeft om die reden de Stichting Vrienden van De Parelduiker in het leven geroepen. Klik hier voor meer informatie over hoe u vriend kunt worden.

     

     

  • De goede terrorist bestaat

    De goede terrorist bestaat

    De meeste mensen zullen Albert Camus nog van de middelbare school kennen. Van de roman De pest of De vreemdeling, die in 1942 verscheen, en uiting gaf aan de weerzin om altijd maar in de pas te moeten lopen met de heersende normen en waarden. De hoofdpersoon van L’étranger, Meursault, schiet ‘zo maar’ een medemens dood. Zinloos geweld avant la lettre. En de daad wordt door de schrijver niet eens psychologisch, ‘uit zijn moeilijke jeugd’ verklaard, laat staan veroordeeld. Interessant was ook De mythe van Sisyphus, zijn eveneens in 1942 uitgekomen studie naar de zin van zelfmoord voor de moderne mens voor wie god al lang dood is en voor wie het nochtans absurd wil toeschijnen zich geplaatst te weten in een tot in de eeuwigheid zwijgend universum, terwijl hijzelf onvermijdelijk op de dood afstevent. In 1957 werd Camus de Nobelprijs Literatuur toegekend en scheidden hem nog maar drie jaar van het fatale auto-ongeluk dat reeds op zesenveertig- jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte.

    In de Tweede Wereldoorlog zat Camus bij het Franse verzet en kwam in contact met communisten. Aanvankelijk vond hij het communisme maar zo zo, maar al gauw veranderde dat in grondige afkeer en het werd tijd van die weerzin in boekvorm te getuigen. Na vier jaar voorbereidende studie was er in 1951: l’Homme révolté, of wel De mens in opstand. Een lang uitgewerkt essay. Camus zelf beschouwde het als zijn belangrijkste boek. Het werd al snel in het Nederlands vertaald, echter niet in zijn geheel. De eerste integrale vertaling verscheen in 2004. En nu, in 2010, is daarvan een goedkopere herdruk op de markt.

    Heeft zo’n essay van zestig jaar geleden nog enige actualiteitswaarde? En wat is de inzet van Camus geweest? Wat dat laatste betreft: hij wilde de knuppel in het communistische hoenderhok van Sartre en zijn discipelen smijten. Er moest afgerekend worden met dat intellectuele gedweep met die dictatuur. Het essay werd ten slotte een deconfiture van alle revoluties tot dusver, en haar makers. Niet zonder ironie schrijft hij in zijn inleiding: ‘De wonderlijke geschiedenis die hier ter sprake wordt gebracht, is de geschiedenis van de Europese hoogmoed’. En een paar bladzijden daarvoor stond al: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen. Dit essay zou die vreemde uitdaging willen aannemen en onderzoeken.’

    Camus voorvoelde dat het hem vriendschappen zou gaan kosten. ‘Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen’, sprak Camus enige dagen voor dat het boek het levenslicht zou zien tegen zijn vriend en biograaf Jean-Claude Brisville. Tegenover de revolutie van velen plaatst hij de opstand van de enkeling. Die laatste vernedert niemand. ‘De vrijheid die hij opeist, eist hij voor iedereen; de vrijheid die hij afwijst [te weten de vrijheid om de grenzen van ander te overtreden, A.H.], verbiedt hij aan iedereen.’ De uiterste vrijheid, de vrijheid om te doden, valt niet te verenigen met de redenen van de opstand. Dat laatste is immers: zich te weer stellen tegen de staat van zijn bestaan. In beginsel is de opstand gericht tegen de eigen dood. Daarom zou de opstand zichzelf ontrouw (‘onlogisch’ schrijft Camus!) worden als zij tot het doden van een ander zou overgaan. In die pervertering zal de bezonnen opstandige niet meegaan. ‘De opstand is geen eis tot totale vrijheid. Integendeel, de opstand stelt de totale vrijheid aan de kaak.’ Dus geen Nietzscheaanse Übermensch bij Camus, geen Ivan Karamazov voor wie alles geoorloofd was.

    Camus begint zijn essay bij het begin en toont geen haast zijn zaak uiteen te zetten. In die uiteenzetting blijken wel de sporen van zijn tijd: het draagt het DNA van het existentialisme in zich. Camus mag dan niet een volbloed existentialist à la Jean Paul Sartre zijn geweest, maar van de existentialistische premisse dat existentie voorafgaat aan essentie (het zijn in deze wereld) en dat mensen zich eerst in hun daden zouden verwerkelijken, is dit essay niet gevrijwaard. Het ligt er gelukkig niet te dik bovenop, maar het ligt intussen wel ten grondslag aan het feit dat Camus op zoek moest gaan naar het trait-d’union waarmee het gat te dichten viel tussen het er-zijn, en het (er per definitie mee wringende) bewustzijn van het betreffende individu. Want een mens viel in existentialistische opvatting nooit met zichzelf samen, zoals een ding of eenvoudig dier. De existentialistische ‘oplossing’ bestond erin dat de mens moest ‘transcenderen’, dat wil zeggen zich optimaliseren, om zo te ontsnappen aan wat hij is, en daardoor te zijn wat hij wordt. Tja. Camus komt in ieder geval uit bij ‘opstand’. ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Hij ervaart zijn leven als absurdistisch, zo hij tenminste niet de laffe keuze maakt voor kunstmatige zingeving, te weten religie. (‘De mens’ is bij Camus atheïstisch.) Die absurde ervaring is eigenlijk een soort waterscheiding: het kan de mens nihilistisch maken en dus onverschillig voor het lot van zichzelf en anderen, of het kan de mens louterend in zijn opstand maken. ‘Ik schreeuw dat ik nergens in geloof en dat alles absurd is, maar ik kan niet twijfelen aan mijn schreeuw en moet minstens in mijn eigen protest geloven. De eerste en enige zekerheid die me zo wordt gegeven, binnen de ervaring van het absurde, is de opstand. (…). [De opstand] wil de situatie veranderen. Maar veranderen betekent handelen, en handelen zal morgen doden betekenen, terwijl hij niet weet of moord gerechtvaardigd is. De opstand leidt juist tot de handelingen die men hem vraagt te rechtvaardigen. Hij moet zijn beweegredenen dus wel aan zichzelf ontlenen. Hij moet bereid zijn zichzelf te onderzoeken om te leren hoe hij zich moet gedragen’. Het ‘ik denk, dus ik ben” wordt hier dus ingeruild voor ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’ De mens in opstand zou op meest authentieke wijze vormgeven aan zijn als a priori als absurdistisch ervaren bestaan, veronderstelt Camus. Opstand is het in beginsel a-politieke vertrekpunt van de mens. Vanaf daar staan hem diverse ideologische verlokkingen te wachten om zijn opstandigheid te botvieren.

    Camus behandelt achtereenvolgens de metafysische opstand (met veel aandacht voor de opstandige dichters en schrijvers, o.a. Nietzsche en het nihilisme), de historische opstand (Franse revolutie van 1789 en de nasleep ervan met de ‘godsmoordenaars’ en de ‘koningsmoordenaars’ en het ‘individuele terrorisme’). Keer op keer gaat het fout, en Camus laat zien waarom: de opstandige mens laat zich door een heilsleer meeslepen en overlaadt zijn opstand met een systematiek die over de grenzen van de ander heenwalst uit naam van de fel begeerde gerechtigheid. Camus’ opstand is die van de enkeling en staat geen veralgemenisering, systematisering of ideologisering toe. Hij trekt de parallel tussen godsdienst met zijn absolute verering van een god, en de (na de Franse revolutie daarvoor in de plaats gekomen) almacht van de onfeilbaar geachte Rede, die uit naam van de zogenaamde redelijkheid een even grote terreur ‘rechtvaardigde’. En passant laat hij ook zien hoe het Surrealisme belandde in dezelfde valkuil van systematisering en dus verstarring en corrumpering van de oorspronkelijk als puur individueel beleefde ontregeling van het bestaan.

    Camus leert het belang van mens te blijven en geen god te willen worden. Wat niet impliceert dat hij een softie is! Want er is een uitzonderingsmoment in de westerse geschiedenis van de revolutie. En daarin doet Camus’ oogappel zijn intrede: de Russische terrorist Kaljajev. Deze beleeft omstreeks 1905 zijn finest hour en hij (en zijn clubje gelijkgezinden) krijgt als enige gratie van Camus. Hij lijft ze in bij de voorbeeldige opstandigen. Nadat Kaljajev een moord had begaan, laat hij zich op waardige wijze berechten. Hij krijgt de galg. Voorafgaand aan de voltrekking van de doodstraf schreef Kaljajev in zijn cel: ‘vanaf het moment dat ik achter de tralies terecht ben gekomen, heb ik geen enkel moment het verlangen gevoeld om op wat voor manier dan ook in leven te blijven. (…) Ik beschouw mijn dood als een hoogste vorm van protest tegen een wereld van tranen en bloed.’ Camus is vol lof over deze man. Herhaaldelijk schuift hij hem naar voren en tegen het einde van het essay als hij tot een afronding komt, merkt Camus nog eens op: ‘Trouw aan zijn oorsprong laat de opstandige met het offer zien dat zijn werkelijke vrijheid niet in de moord, maar in zijn eigen dood ligt.’ Hij en zijn clubje worden door Camus dan ook zonder ironie de ‘fijngevoelige moordenaars’ genoemd.

    Hun fijngevoeligheid bestond erin op zeker moment een aanslag achterwege te laten toen het beoogde slachtoffer zich niet alléén, maar samen met zijn eega in het rijtuig bevond. ‘Een zo grote wegcijfering van zichzelf, gepaard aan een zo diepe zorg om het leven van anderen, mag ons doen veronderstellen dat die fijngevoelige moordenaars de opstandige lotsbestemming in haar uiterste tegenstrijdigheid hebben beleefd. (…) Via die waarden plaatsen die terroristen, op hetzelfde moment dat ze de menselijke wereld accepteren, zich boven die wereld, en laten ze voor de laatste keer in onze geschiedenis zien dat de ware opstand waarden schept.’ Hiermee laat Camus zien dat het wel degelijk mogelijk is aan de goede kant van de daad te blijven. Vuile handen van de moordenaar kunnen enkel schoongewassen worden in de zelfdoding. Deze vorm van opstand schept waarden omdat hij ‘getuigt van wat er in de mens altijd verdedigd moet worden.’ En dat punt wil Camus keer op keer maken tegenover de communisten die er geen been inzagen om hun vuile handen af te spoelen in het bloed van een ander. In De mens in opstand wordt niet echt over de zin van zelfmoord gedebatteerd. De opstandige mens mag afwijzend tegenover de werkelijkheid staan, maar onttrekt zich er niet aan. In dit essay wordt bij het tussenstation van de zelfmoord dus niet gestopt. Er valt een waarde te scheppen door de werkelijkheid niet te ontvluchten. En die waarde komt in de opstand ten volle tot haar recht.

    De mens in opstand was in de opbouwjaren na de Oorlog en hoogtijdagen van het Existentialisme, dynamiet in de Parijse kringen aan de linker oever van de Seine, met de zwarte coltrui en het abonnement voor het leven op Le Temps Modernes. Zaken als vrijheid, verantwoordelijkheid, authenticiteit, solidariteit deden er ten zeerste toe. Maar voor een afvallige bestond natuurlijk geen genade. Het geeft beslist te denken dat deze begrippen tegenwoordig op een onverschillig schouderophalen worden getrakteerd. Camus’ pleidooi voor matigheid en bezonnenheid zal het in onze tijd beter doen. Niet in het minst omdat ze weinig actie en bedrijvigheid vergen.

    Wat heeft De mens in opstand ons nu nog te zeggen. Voor revolutie en existentialisme loopt men immers niet meer warm, hoewel het aantal fundamentalistische extremisten er tegenwoordig ook niet om liegt. De wijze ‘levensles’ die erin te leren valt is deze: dood de ander niet. Maar mocht je toch de grens van moord ooit overschrijden, wees dan zo genereus om daarna zelfmoord te plegen. Maar los daarvan is de ontmaskering van het revolutionaire doen en laten nog altijd aardig om te lezen. Al is het dus gebouwd op de ietwat naïeve aanname dat van de opstandige mens die in zijn opstand trouw blijft aan het existentiële motief ervan, in het uur U zoveel meer heil te verwachten zou zijn. Hoe verdrijf je met zo’n clubje fijngevoeligen ooit een numerieke meerderheid van kwaadwillenden?

    Het essay mag gelden als een handboek voor de ontwikkeling van het westerse revolutionaire denken. Marx’ denken krijgt vanzelfsprekend veel aandacht en ook wordt duidelijk hoe explosief het Duitse Idealisme van Hegel in nihilistische handen kon worden. Camus laat zelf ook doorschemeren vermoeid te raken door het Duitse Idealisme, dat zich zo onverschillig betoont jegens het leven. Liever is hem de Mediterane bezonkenheid, de matigheid, het kiezen voor het leven in het hier en nu. Hij beschouwde zichzelf niet filosoof genoeg om er het bijbehorende schurftige proza bij te leveren.

    Camus’ stijl is soepel, al is de inhoud abstract. Vlijmscherp schrijft hij over het definitieve moment van de dood, waarin ‘alles wordt voltooid. Om één keer op de wereld te zijn, is het noodzakelijk nooit meer te zijn.’ Enige retoriek is hem echter niet vreemd. Maar die treedt pas tegen het einde aan het licht. In het zicht van de overwinning gaat de tekst wat galmen: ‘Onze broeders ademen onder dezelfde hemel als wij, de gerechtigheid leeft.(…) Op de smartelijke aarde is zij het voortwoekerende onkruid, het bittere voedsel, de sterke zeewind, de oude en de nieuwe dageraad.’
    Voor wie het denken van de mens Camus wil begrijpen, biedt dit boek een leerzaam inkijkje. In 2013 zijn wij honderd jaar voorbij het geboortejaar van de schrijver. Misschien dat dat gevierd kan worden met een ruim gekozen bloemlezing uit zijn dagboeken.