• Dit was anders dan liegen

    Dit was anders dan liegen

    Op het omslag van Jij blijft van Gerard van Emmerik staat een touw afgebeeld zonder begin en eind dat nog slechts met een paar draadjes aan elkaar hangt. Je weet dan al dat je een zeer kwetsbaar verhaal gaat lezen.
    Sam en Luc zijn al veertig jaar ongetrouwd samen als de eerste te horen krijgt dat hij nog hooguit een jaar te leven heeft. Hij is alleen in de spreekkamer met de arts die het hem vertelt. Als hij naar buiten loopt waar Luc in de auto op hem wacht: ‘Ik rechtte mijn rug en als vanzelf ging mijn duim omhoog’. Niets aan de hand.

    Sam (de ‘kippenjongen’ omdat hij geboren is op een kippenboerderij, waarover hij een boek met die titel heeft geschreven) kreeg het vonnis te horen op 10 juni, in de zomer dus. Luc en hij verbleven in hun vakantiehuisje ‘Waldfreude’ op de Veluwe. Hun relatie lijkt in het slop te zitten: ‘In de weken ervoor dacht ik wel eens: dit wordt onze laatste keer’.
    Maar dat ‘laatste’ krijgt ineens een heel andere lading als de arts Sam op het beeldscherm een ‘sterrenhemel’ met oplichtende vlekjes laat zien. Hij schetst de overlevingskansen in een onbegrijpelijke codering : ‘Bij 5-5 was het te laat, 5-4 was ook slecht, met 4-5 bestond er een kans, een kleine weliswaar, dat bestraling iets kon doen’.

    Thai Tanic

    Luc en Sam hebben nooit gemakkelijk over hun gevoelens gepraat. Dat is nu niet anders. Sam verzwijgt voor Luc wat hij te horen heeft gekregen. Hij praat zichzelf redenen aan om te doen alsof er niets aan de hand is: misschien valt het allemaal mee en dan heeft hij Luc voor niets ongerust gemaakt. Die merkt wel degelijk iets aan zijn gedrag, maar vraagt evenmin door.
    Van Emmerik schrijft dit allemaal onderkoeld op, met af en toe een wrange humor. Zoals wanneer de twee een restaurant bezoeken met de naam ‘Thai Tanic’. Of in dialogen waarin misverstanden opduiken, zoals wanneer Luc – doelend op de hitte – zegt dat ze een kutzomer meemaken en Sam meteen schrikt: ‘Hoezo?’

    Herinneringen

    Voortdurend hangt er de spanning in de roman tussen verzwijgen, misverstaan, doen alsof. Onrust ook omdat ineens de vraag klemmend is wat je met het vooruitzicht van een aanstaande dood nog wilt. Sam oppert plannen die hij voordien nooit had voor reizen, bezoek aan plaatsen waar oude herinneringen liggen en eindelijk trouwen. Luc merkt dat Sam niet de oude is, maar zoekt dat ook deels in de verwijdering die al een tijd tussen hen aan het ontstaan is.

    ‘Maak je je zorgen?
    ‘Zorgen? Nee, waarom zou ik?’
    Dit was anders dan liegen. Maar niet minder erg misschien.
    (…)
    ‘En jij?’ zei ik na een poosje. ‘Ben jij ongerust dan?’
    ‘Zoiets als jij, denk ik.’

    Louterend

    De bijzondere situaties waarin Sam terecht komt in een spreekkamer met een lotgenoot of in een supermarkt geven een filmische inkijk in zijn worstelende omgang met zijn naderende dood. Toch wordt de toon nergens pathetisch. Van Emmerik houdt het licht en af en toe bekruipt je zelfs een glimlach. Dat draagt er aan bij dat je je als lezer ongemakkelijk voelt omdat je de vraag niet kunt ontlopen wat je zelf zou doen als je leven van de ene dag op de andere verandert van argeloos naar onzeker.
    Aan het slot van het boek blijkt hoe louterend zo’n proces kan zijn.

     

  • Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Verhalen van Oegandese kindsoldaten

    Verhalen van Oegandese kindsoldaten

    Eén van de vertellers in de roman Wij, aanmaakhout is Miriam. Ze ontmoet in een Oegandees opvangcentrum vrouwen die ooit zijn ontvoerd door het Lord’s Resistance Army (LRA) van Joseph Kony (tegen hem loopt al sinds 2005 een arrestatiebevel), en weer een normaal leven proberen op te bouwen. Eén van die vrouwen is Maggie die haar vertelt dat er bezoek is geweest van een Canadese academica: ‘De vrouw was niet geïnteresseerd in de meest plastische getuigenissen, maar ze wilde weten wat er was gebeurd, waar en wanneer. Wie deed wat? Wie nam beslissingen? Hoe waren de structuren van het Verzetsleger van de Heer? Hoe functioneerde het? Maggie pijnigde haar hersenen om zich haar eigen verhaal te herinneren. De vrouwen vroegen elkaar wat ze zich herinnerden en bespraken onderling de impact die die gebeurtenissen en die tijd nog steeds op hun leven had’.

    Na het vertrek van de academica bleven de vrouwen hun verhalen vertellen en vastleggen. De naam van de academica wordt in de roman niet genoemd, maar uit het dankwoord van de schrijfster, Otoniya J. Okot Bitek, blijkt dat het gaat om de Canadese onderzoekster Erin Baines. Zij is hoofddocent aan de Universiteit van British Columbia en gespecialiseerd in gedwongen ontheemding en gewapende conflicten. Ze is tevens medeoprichtster van het Justice and Reconciliation Project (JRP) in Gulu in het noorden van Oeganda. Okot Bitek, geboren in Kenia maar in Oeganda opgegroeid, ontmoette Baines in 2005 tijdens de zogenaamde GuluWalk. Die was georganiseerd door Amnesty International om aandacht te vragen voor de Oegandezen die slachtoffer waren van de op dat moment al negentien jaar durende oorlog tussen de regering en de LRA.

    Overleveringen

    Okot Bitek is dichteres. Met Wij, aanmaakhout schreef ze haar eerste roman. Die is gebaseerd op de vele verhalen (‘ododo’) van uit het LRA gevluchte vrouwelijke kindsoldaten zoals de al genoemde Miriam en Maggie. Ze heeft al die geschiedenissen op een indrukwekkende en poëtische manier vormgegeven om daarmee recht te doen aan wat ododo voor het Acholivolk, waartoe de meeste vrouwen behoren, óók zijn: lessen voor de toekomst in hun verteltraditie die aansluit bij vaak al generaties lang vertelde verhalen. Okot Bitek laat die overleveringen daarom voorafgaan aan haar eigen weergave van wat de vrouwen vertelden over hun ontvoering door de LRA, die hen had gekidnapt op scholen of in hun dorpen. Die overleveringen gaan bijvoorbeeld over een aap die de Katvis die hem op wil eten te slim af is, iets soortgelijks over de Rattenvanger van Kitgum en over een verslindende Reus die achter een haas aan zit.

    De schrijfster gebruikt niet de namen van de meisjes die gedwongen werden als kindsoldaat te vechten. Bovendien heeft zij de herinneringen niet één op één naverteld maar het materiaal gebruikt om er haar eigen weefsel van te maken.

    Haanvrouw

    De fictieve vrouwen door wier ogen wordt teruggekeken op hoe de jonge tieners van school of uit hun dorp werden ontvoerd, in het LRA werden misbruikt en wisten te ontsnappen, zijn Miriam, Helen, Maggie, Josephine, Susannah en Lucy. De schrijfster geeft elk van hen haar eigen verteltrant. Maar enkele stijlfiguren van Okot Bitek zelf keren veelvuldig terug. Ze kiest bijvoorbeeld voor opsommingen die het effect hebben dat wat de meisjes overkwam bij de lezer extra binnenkomt: de voortdurende herhaling van vernederingen, aanrandingen en ontberingen. Zo bestaat het hoofdstuk ‘Gemurmel’ louter uit korte zinnen waarin de meisjes voor elkaar een naam bedachten en tegelijk de ware namen probeerden te verhullen.

    Vaak gebruikt de schrijfster zinnen repetitief. Zo beginnen liefst zeven achtereenvolgende teksten over Susannah met dezelfde zin in nauwelijks verschillende variaties: ‘Er was eens een haanvrouw. Ze werd Twon-ne genoemd’. Na de zevende keer heeft de lezer een schrijnend beeld van haar belevenissen, van opvoeding tot en met de terugkeer in haar dorp.

    De buik van de reus

    Want laat duidelijk zijn dat de meisjes – inmiddels begin twintigers – niet altijd met begrip ontvangen werden in hun oorspronkelijke gemeenschap. Veel van hen hadden uit verkrachtingen geboren kinderen bij zich. Zoals Miriam vertelt: ‘Ik houd Helen voor dat ze niet moet leven alsof iedereen weet wat ons is overkomen. En zelfs als ze het denken te weten, weten ze er niets van. Ze weten alleen wat hun verteld is. Ze weten alleen wat ze zich denken voor te kunnen stellen. Ze kunnen onmogelijk weten wat er is gebeurd. Wij zijn het die de buik van de reus [verwijzing naar de legende van de Reus en de Haas] kennen’.

    De titel van de roman, Wij, aanmaakhout, komt uit het relaas van Maggie. Zij vertelt hoe ze van haar oma leerde koken: hoe je brandhout moest sprokkelen: welk hout geschikt was om lang te branden en wat alleen als aanmaakhout was te gebruiken. Dat waren de meisjes in het LRA: aanmaakhout, ‘gebruikt om het vuur op gang te krijgen’.

     

     

  • De complexe zoektocht van een adoptiekind

    De complexe zoektocht van een adoptiekind

    Het lijkt een tamelijk obligaat beeld voor een poging om je leven als geadopteerde te ordenen tot een coherent geheel: het leggen van een puzzel. Zo noemt Emily Kocken het zelf in haar nieuwste boek Adoptica. Toch is de metafoor in dit geval treffend.
    Wie wel eens een legpuzzel heeft gemaakt zal herkennen dat je begint met een verdeling van alle losse stukjes die wat met elkaar te maken lijken te hebben over een soort sorteerbakjes. Zo heeft Kocken haar boek ook min of meer opgezet. Haar bakjes zijn in Adoptica vier delen: ‘Onecht’ (haar leven in het gezin van de adoptieouders), ‘Echt’ (waarom werd ik als kind afgestaan?), ‘Paar’ (de gedeelde ervaring met haar man, Adam, die eveneens een geadopteerde is) en ‘Club’ (gesprekken met andere adoptiekinderen over hun ervaringen).

    Elk van die vier delen is een verzameling van losse stukjes: herinneringen, (gedachten bij) foto’s, reconstructies van gesprekken en ontmoetingen, oude aantekeningen, brieven, verhalen van familieleden enzovoort. In ieder hoofdstuk binnen de eerste drie delen probeert Kocken van al die stukjes hun betekenis voor haar leven te duiden. Dat doet ze in korte zinnen met veel wit ertussen waaruit iets van een relativering spreekt: ging het echt zoals ik me herinner? Werd hier iets verzwegen? Hoe valt de uitlating van de een te rijmen met die van een ander? Waarom interpreteer ik dit of dat zoals ik dat doe? Waarom vroeg ik toen niet door? Waarom voel ik me soms schuldig?

    Normaal doen

    Kocken noemt schrijnende gebeurtenissen. Zo vertelde ze als kind op school in Vught vol trots dat zij een ‘uitgekozen’ kind was. Toen de juf haar adoptiemoeder liet weten dat Emily te openhartig was, kreeg ze te horen dat ze niet over ‘hét’ moest praten. Ze kon maar beter normaal doen.
    Of neem de jarenlange onzekerheid over de reden van haar adoptie. Jarenlang geloofde ze dat de ouders van haar biologische moeder haar hadden gedwongen afstand te doen. Tot deze moeder, die zelf op zoek was gegaan naar haar afgestane dochter, zich laat ontvallen dat ze drie maanden de tijd had gehad om op haar besluit om het kind af te staan terug kon komen, maar dat niet deed. Het zorgt bij Emily voor een totale verwarring en boosheid.

    Emily werd in 1963 geboren als Talia in de VS. Haar adoptieouders, Nederlanders die in de VS woonden, gaven haar haar nieuwe naam. Ze keerden terug naar Nederland in 1970, maar Emily zou pas in 2019 de Nederlandse nationaliteit aannemen. Ze bleef – net als haar adoptieouders – lang Amerikaans.
    In 1986 blijkt haar moeder haar te hebben opgespoord en een brief te hebben gestuurd die door de adoptieouders op hun beurt weer een half jaar is achtergehouden. Motief: het zou Emily, die voor haar schoolexamens zat, te zeer kunnen emotioneren. Zowel de relatie met de adoptieouders als met de biologische moeder (de vader had die moeder al verlaten voor Talia’s geboorte) verloopt met grote problemen. Er zijn regelmatig ruzies en (voor Emily’s gevoel) intimidaties.

    Uniek

    Voor Emily was de omgang met verschillende moeders en vaders verwarrend. Het drukt haar neus voortdurend op de vraag wat nature is en wat nurture. Het maakt een ‘normaal’ leven – wat dat dan ook moge zijn – bijna onmogelijk. Ze wordt kunstenaar, een talent dat van haar verwekker zou kunnen zijn geërfd, maar is dat echt zo? Ze besluit dat ze geen kinderen wil uit angst die op te zadelen met een verborgen erfenis van haar ouders. Ze ondergaat zelfs een abortus, maar die zadelt haar dan weer op met een schuldgevoel jegens haar adoptiefouders die onvruchtbaar waren en juist graag een kind verwekt zouden hebben.

    Adoptica laat goed zien hoe complex de zoektocht van een aangenomen kind is naar de eigen identiteit. Uit de interviews die zijn opgenomen in het laatste deel ‘Club’ blijkt ook nog eens dat de antwoorden die worden gevonden voor iedere geadopteerde weer uniek zijn. Iedereen heeft zijn eigen sleutelmomenten in het eigen leven: wanneer wist je ‘hét’? Wilde je contact met je afstandsouders of niet? En als je dat kreeg, wat leverde je dat dan op voor jezelf? Buitenstaanders denken wel eens dat de puzzel gelegd is als je alsnog ontdekt waar je vandaan komt. Dat blijkt echter vaak niet op te gaan. Er ontstaan juist weer nieuwe onduidelijkheden.

    In dat opzicht doet Adoptica denken aan die andere beroemde puzzel uit de literatuur, die van Bartlebooth in Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec (ook door Kocken geliefd – haar roman Lalalanding uit 2021 was geïnspireerd door La Disparition van de Franse auteur): Zittend voor zijn bijna voltooide puzzel blijkt het laatste stukje de vorm van een W te hebben terwijl het open liggende vakje de vorm van een X heeft.
    De X, het onbekende. Het laatste stukje valt, ook volgens Kocken, niet te dichten.

     

     

    Adoptica

    Emily Kocken

    Mijn leven als adoptiekind

    Uitgever: Uitgeverij Querido (2025)

    ISBN 9789025319274

    392 pagina’s

    Prijs: € 26,99

    Buy with Libris
  • Fotosynthese 36 – Verliefd op Japan

    Fotosynthese 36 – Verliefd op Japan

     


    Op Lefkas zag ik dit beeld van Lefkadios Hearn. Het was niet de buste zelf die mijn aandacht trok, maar diens tweede naam op de plaquette eronder: Yakumo Koïzoumi (1850-1904).
    Twee weken voor mijn vakantie had ik De zwevende wereld van Annejet van der Zijl gelezen over het leven van Franz von Siebold (1796-1866) en zijn Japanse vrouw en kind. In dat boek legt de schrijfster uit dat verschillende verwijzingen naar Japan, eerder in haar leven, ineens op hun plek vielen tijdens een rondleiding in het door Frank Lloyd Wright ontworpen huis ‘Falling Waters’ in Pennsylvania. Wright was geïnspireerd door over de rivier hangende theehuizen in Japan; in het pand hangen bovendien prenten van Ando Hiroshige. Ze wist ineens dat haar volgende boek over Von Siebold moest gaan: de man die onder andere de Japanse kunst in Europa introduceerde.

    Dat ik hier in Lefkas De zwevende wereld nog in mijn hoofd had was beslissend. Ik zou anders hoogstwaarschijnlijk niet lang bij het beeld stil zijn blijven staan. Nu wilde ik weten wat de connectie met Japan was van deze 16 jaar voor Von Siebolds dood geboren Hearn (Πατρίκιος Λευκάδιος Χερν). Ik kreeg al snel het gevoel dat de stad Lefkas veel eer naar zich toe trekt: Lafkadios werd er geboren, maar vertrok amper twee jaar later al naar Dublin. De tekst op de plaquette laat zelfs zijn werkelijke Ierse voornaam Patrick weg, als om te benadrukken welke eer hij Lefkas bewees door zijn tweede. Hearns Ierse vader Charles was getrouwd met de Griekse Rosa Cassimati. Het was een huwelijk dat niet lang stand hield. Hearn groeide op bij pleegouders in Ierland, kwam op zijn 19de in Cincinnati terecht en later in Louisiana (New Orleans). Zijn pleegfamilie liet hem al vroeg aan zijn lot over. Ook zijn vader en moeder zag hij nooit meer.

    In Amerika werd hij journalist, was zes jaar getrouwd met een voormalige slavin (wat als illegaal gold), ging Franse literatuur vertalen en publiceerde over thema’s als geweld, corruptie en criminaliteit in zijn stad. In 1890, 40 jaar oud, trok hij voor zijn krant als correspondent naar Japan, dat zijn grote liefde zou worden. Hij werd er docent Engels in Matsue en trouwde er met de Japanse samoeraidochter Koïzumi Setsuko, met wie hij vier kinderen kreeg. Hij werd Japans staatsburger en bekeerde zich tot het boeddhisme. Tegelijk met zijn naturalisatie nam hij zijn nieuwe naam aan, een eerbetoon aan zijn nieuwe land en aan zijn vrouw, die ook Koïzumi heette (Yakumi is een poëtische verwijzing naar de streek war het gezin woonde). Na een hartaanval werd hij begraven in Tokio.

    In een toelichting bij het beeld dat ik in Lefkas zag wordt zijn grote betekenis genoemd voor de westerse kijk op Japan. Is dat niet wat chauvinistisch in zijn geboortestad Lefkas?
    Ik had nooit van Hearn gehoord. Over Von Siebold las ik al lang geleden dat hij dé man was die Europa’s blik op Japan wist te richten. Er zijn volgens Van der Zijl aan Von Siebold gewijde musea in Nederland, Duitsland en Japan. Ook Hearn staat centraal in twee musea in Japan. Leiden eert Von Siebold in het naar hem genoemde Huis aan het Rapenburg; Lefkas heeft het (kleinere) Lafcadio Hearn Historical Center. En zoals Von Siebold zijn botanische tuinen kreeg in Leiden, zo kreeg Hearn zijn Japanese Gardens in het Ierse Waterford.

    Hearn wordt in De zwevende wereld niet genoemd. Dat is te billijken: er zijn na Von Siebold meer mensen geweest die hielpen het venster op Japan open te houden.
    Over Hearn verscheen bij mijn weten maar één biografie, The Outsider: The Life and Work of Lafcadio Hearn: The Man Who Introduced Voodoo, Creole Cooking and Japanese Ghosts to the World. Die noemt op zijn beurt Von Siebold ook niet. De subtitel wijst er al op dat Hearn heel andere interesses had. Von Siebold was wetenschapper, arts en geïnteresseerd in botanie en handel. Hearn vooral in Japanse mythen en spookverhalen. Die vertaalde hij in onder andere zijn bekendste boek Kwaidan (ook verfilmd).
    Ik heb een poging gedaan de biografie te lezen. Mijn aandacht verslapte snel. Geef me dan maar Von Siebold. Ik ben er van overtuigd dat zijn betekenis, ondanks zijn – door Van Zijl uitdrukkelijk beschreven kwalijke kanten – groter is. Dat vind ik geen chauvinisme van mezelf.

     

  • In plaats van rouwen een boek

    In plaats van rouwen een boek

    Op het omslag van Bewonen in wat je overkomt van Gerard Visser staat het schilderij ‘L’oiseau noir et l’oiseau blanc’ van George Braque. De schilder was in zijn werk voortdurend op zoek naar het evenwicht tussen spontaniteit en structuur. Of zoals je zou kunnen zeggen: tussen rede en emotie.
    Het is een mooie keuze voor de uitgave van het dagboek dat de filosoof Visser van 1979 tot 1989 bijhield. In die jaren gaf hij filosofiecolleges en werkte hij aan zijn proefschrift Nietzsche en Heidegger. Een confrontatie. Maar ook was het de tijd waarin hij en zijn vrouw Riet een ernstig gehandicapte dochter, Noortje, kregen en opvoedden. Het zijn de twee hoofdlijnen van het dagboek die Visser met elkaar weet te verstrengelen: ‘Filosofie biedt de mogelijkheid om onbevangen op het leven te reflecteren, maar omgekeerd kan niets de filosofie zo beproeven en inspireren als het leven zelf’.

    Een sleutel voor die verbinding is Vissers uitleg van het begrip ‘Gelassenheit’ bij Heidegger. Vertaald als ‘gelatenheid’ betekent het volgens Van Dale lijdzaamheid, berusting. Visser vindt dat te passief. Hij gaat er steeds meer een actieve levenshouding in zien: een kunnen laten zijn of kunnen laten gebeuren. De titel van het dagboek hangt daarmee samen; hij komt uit een notitie van 25 maart 1980: ‘Het zijn is uitgebreider dan wij zelf. We moeten leren bewonen wat ons overkomt’.

    Noortje

    In de eerste maanden na de geboorte is er ongerustheid over Noortje. Haar ogen zien dof en haar handjes staan scheef. Daar komen geleidelijk meer symptomen bij als een weigering om te eten, het hoofd niet omhoog kunnen houden, spastische bewegingen enzovoort. Wat misschien wel het meest tragisch is aan de jaren die Visser beschrijft is de houding van de medici die worden geraadpleegd. Ze spreken elkaar tegen en steeds komen er nieuwe diagnoses en behandeladviezen die vaak worden uitgesproken met een aplomb dat vooral onwetendheid verhult.
    Een van de dieptepunten is de reactie van een huisarts als moeder Riet hem zegt dat ze Noortje, die bijna louter fysieke problemen heeft en wel degelijk intelligent is, liever niet naar een groep met geestelijk gehandicapten laat gaan: ‘Ik zie niet in waarom niet’. Het kind wordt gezien als een geval; wie stelt nog de vraag ‘Wie ben jij?’

    Rouw

    Er worden op advies van (para)medici behandelmethoden ingezet die Noortjes situatie zelfs verergeren. Pas jaren later blijkt sprake te zijn van een stofwisselingsstoornis. Er is in de lange rij specialisten en alternatieve genezers die de ouders uit wanhoop zijn gaan raadplegen, maar één arts geweest die die mogelijkheid ooit geopperd heeft. Om maar enig houvast te krijgen heeft het echtpaar zelfs een astroloog geraadpleegd en – hoe tragisch – de schuld bij zichzelf gezocht. Visser in zijn Nawoord: ‘Je zou kunnen promoveren op de gevolgen van een foutieve diagnose’. Toch is zijn conclusie dat hij al die jaren nooit meer zou willen overdoen, maar evenmin had willen missen. Wat er rond Noortje allemaal fout ging roept bij Visser de vraag op of daarover ook rouw mogelijk is. Reflecterend op de vraag of hij de pijn bij zichzelf voldoende heeft toegelaten concludeert hij als een ‘misschien’: ‘In plaats van te rouwen schreef ik het boek. Als zij [Noortje] zelf niets tot stand zou kunnen brengen, dan was dat er in elk geval. Maar nu het boek er is…’

    Lustprikkels

    De gebeurtenissen leiden in de jaren van het dagboek tot filosofische bespiegelingen over het leven. Vaak gebeurt dat tijdens het werk aan het proefschrift. In die gevallen zijn de aantekeningen niet altijd helder voor de lezer die weinig in Heidegger of Nietzsche ingewijd is. Die zal zich mogelijk herkennen in de reden voor de afwijzing van een subsidie voor de publicatie van het proefschrift door het ZWO (Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek): ‘moeilijk toegankelijk’ (het zou later toch verschijnen).

    Maar daar staan tal van beschouwingen tegenover die iedere lezer zullen aanspreken of op zijn minst aan het denken zetten. Zoals: ‘Er heerst in onze wereld een zeker verbod op het lijden. In zo’n wereld neemt de lust af. Een onbestemde onlust hoopt zich op, die door de markt van welzijn en geluk wordt bestreden met een overdaad aan infantiliserende lustprikkels’. Dat schreef Visser in 1983 al. Het is 42 jaar later nog een stuk erger geworden.
    Of deze: ‘Dat voor even het verschil tussen binnen en buiten áls verschil intact blijft en niet wordt opgeheven ten faveure van een van beide, dat kan de bekoring zijn van iets wat in de woningbouw van tegenwoordig zeldzaam is geworden: het portiek’.

    In het dagboek staan verder prachtige observaties over natuur en kunst. Visser heeft oog voor het detail, zoals wanneer hij onderweg in Leiden ziet: ‘Aan de tekenstift van Rembrandts borstbeeld aan de Witte Singel hing een druppel’.

    Misschien liet Visser de rouw niet toe en verstopte hij zich er voor in zijn boek. Waarmee hij zijn proefschrift bedoelde. Maar met dit andere boek, Bewonen wat je overkomt, geeft hij de rouw alsnog alle ruimte.

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Ingenieuze historische schelmen- en ideeënroman in één

    Ingenieuze historische schelmen- en ideeënroman in één

    In 1782 verscheen in Frankrijk Le Chirurgien Dentiste van de toen 50-jarige tandarts Pierre Fauchard. Het was een belangrijk boek omdat het uitging van medische behandeling van defecten aan gebitten. Tot dan toe moest je met rotte tanden naar de barbier, die zonder veel compassie het kwaad met wortel en tand weghaalde. Of je teisterde zelf je kaken om van de pijn af te komen. Fauchard hield het niet bij trekken maar maakte serieus werk van reparatie en zelfs transplantatie van tanden.

    Een van de motto’s in de jongste roman van Auke Hulst, Tandenjager, komt uit die gebittenbijbel: ‘De tanden in hun natuurlijke staat zijn de meest gepolijste en hardste botten van het menselijk lichaam; tegelijk zijn ze het bevattelijkst voor kwalen die acute pijn veroorzaken en soms zeer gevaarlijk kunnen zijn.’ Dat lijkt bij eerste lezing een nuchtere constatering, maar wie deze sprankelende roman ten volle heeft verteerd en het motto herleest beseft dat er een metafoor in zit voor de samenleving.

    Tanden van jong gesneuvelde soldaten

    Auke Hulst neemt de lezer mee naar het begin van de negentiende eeuw. Fauchard had met zijn behandelingen school gemaakt. Wie het kon betalen (nog altijd een kleine minderheid van rijkeren) kon zijn gebit laten renoveren of implantaten laten plaatsen. Daarmee kon je je tenminste weer vertonen zonder je lippen stijf op elkaar te houden. Maar de praktijkhoudende tandartsen moesten wel aan vervangende tanden zien te komen. Die waren volop voorradig bij jonge gesneuvelde soldaten op slagvelden.

    Daarmee begint Tandenjager. Eerst in een prelude met de doodsstrijd van soldaat Amadeo d’Isenbardt nabij Quatre Bras en daarna met de introductie van een sluwe Nederlander, die zich naargelang hem het beste uitkomt Vos Jacobsz en Jacobi Fox noemt. Zijn echte patroniem gebruikt hij nooit en dat heeft een reden. Hij is de buitenechtelijke zoon van een baron. Zijn moeder die bij de baron in dienst was, is om voor de buitenwereld het geheim te verbloemen getrouwd met een hork van een – streng gelovige – (stief)vader. De moeder is gestorven tijdens de vroeggeboorte van een dood broertje dat Vos uit schuldgevoel over haar dood in de roman kwellend blijft achtervolgen als zijn ‘gebroerte’.
    De moeder heeft Vos gevoed met liefde voor literatuur en ingewijd in het Verlichtingsdenken: hij is atheïst geworden. Het armoedige milieu waaruit hij komt (de baron erkent hem niet als zijn zoon) en zijn slechte gebit bieden hem weinig toekomst.

    Puntgaaf gebit uithakken

    Daar wil hij verandering in brengen. Hij gaat tanden roven van gevallenen op het slagveld en die verkopen aan artsen. Als hij het lijk van Amadeo vindt, ontdekt hij dat die een puntgaaf gebit heeft. Hulst beschrijft heel precies hoe Vos dat eruit hakt (ja, hij weet hoe hij gruwelijke taferelen moet presenteren) om het vervolgens door zijn afnemer, een Londense tandarts, in zijn eigen mond te laten plaatsen.
    Maar hij ontdekt meer op het lijk van Amadeo: bizarre liefdesbrieven van een gravin, Margaux, die in Nederland een landgoed en in Suriname plantages bezit. Hij ziet dé kans om zich voorgoed uit zijn armoede te verheffen door te proberen het aan te leggen met Margaux.

    Hulst sleept de lezer vervolgens mee in een avontuur dat heel lang raadselachtig blijft totdat uiteindelijk alles op zijn plek valt. Margaux is geen gewoon wezen. Ze is een ‘vleermens’, een vampier. Ze heeft mannen nodig voor haar bestaan, zoals een vampier bloed zuigt. Haar grootste angst is zich aan een man uit te leveren. Het lukt Vos echter om haar in te palmen en dat wordt een probleem als Margaux en hij echt verliefd op elkaar raken. Dat kan zij zichzelf niet toestaan. Copulatie, vooral als die een zwangerschap tot gevolg heeft, is in haar geesteswereld fataal.

    Vooravond Slag bij Waterloo

    Tandenjager is een razend knappe verknoping van een historische, schelmen- en ideeënroman in één. De schelm vertoont zich in de jonge Vos die, in armoede opgegroeid, zich met list en bedrog een weg baant in de wereld. Maar hij komt ook tot inzichten door de confrontatie met conflicterende ideeën: de Verlichting tegenover het godsgeloof en de Bijbel als levenssnoer, de machtswellust van de mens tegenover de natuur en tegenover medemensen, lijden en onsterfelijkheid, liefde en racisme. Tijd en plaats van handeling zijn niet alleen belangrijk door de ontwikkeling van de wetenschap, maar ook door de laatste Napoleontische oorlog en de afschaffing van de handel in slaven. Daarbinnen is wat er tussen Margaux en Vos gebeurt de motor van het verhaal.

    Hulst beschrijft de wereld van toen in levendige en smeuïge bewoordingen. Neem hoe hij zicht biedt op het leven aan de vooravond van de slag bij Waterloo: ‘Dezer dagen puilde de stad uit (…) Vos was te voet gekomen. Hij had overnacht in een mistroostig gat dat wegzonk in het moeras, was met de pont de Donge overgestoken, en had Tilburg bereikt, waar geroddeld werd over de sodomie van de Prins van Oranje. Voorbij Antwerpen waar hij zijn vermomming had bemachtigd, had hij in het open veld in een bivak rondgehangen, handelend in sterke drank en worst, doof voor de toespelingen van de soldaten. Het bataljon was door desertie al enkele opportunisten kwijt geraakt die voor het schamele handgeld in dienst waren getreden; minder verstandige lieden hunkerden naar het veld van eer.’ Op een dergelijke manier reis je in Tandenjager hotsend en botsend mee in reiskoetsen en voel je de insectenbeten en de modder aan je voeten als Vos door het oerwoud trekt.

    Lievelingsboek is Don Quichot

    De roman staat verder bol van de intertekstuele verwijzingen naar literatuur die in het begin van de 19de eeuw veel gelezen werd of actueel was (het is op zich al een groot genoegen zoveel mogelijk schrijvers te ontdekken): Shakespeare, Shelley, Keats, Blake, Dante, Kant, noem maar op. Tandenjager doet ook in dat opzicht nergens geconstrueerd of gezocht aan. De citaten zijn er allerminst met de haren bij gesleept en passen organisch in de wereld van Vos en Margaux. Zo is het lievelingsboek van Vos niet voor niets Don Quichot. Het is zo ongeveer het laatste dat hij kwijtraakt als hij zich een vluchtweg ploetert vanaf een plantage in Suriname. Zijn liefde voor de onbereikbare Margaux is hetzelfde lot beschoren als die van Quichot voor zijn Dulcinea. Wie niet wordt geciteerd is Bram Stoker, maar naar diens roman lijkt Tandenjager vooral in zijn vorm te verwijzen. Net als Dracula is Hulsts roman voor een groot deel opgebouwd uit dagboeken en brieven.

    Tenslotte is er de prachtige compositorische opzet van Tandenjager. Het verhaal springt heen en weer in de tijd, maar wordt bij elkaar gehouden door enkele hoofdstukken over bepalende jaren en plaatsen die als scharnieren fungeren en naast een topografische kaart als titel een muzikale beweging hebben: ‘prelude scherzo ostinato nocturne’. Tandenjager is een intense leeservaring. Je hebt een paar dagen nodig om ervan bij te komen.

     

     

  • Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    In De duistere winkel beschrijft Georges Perec hoe hij in oktober 1971 droomde dat zijn roman La Disparition, waarin de vijfde letter van het alfabet niet voorkomt, toch vol E’s stond die hij over het hoofd had gezien. Iets dergelijks overkwam Walter Abish na de publicatie van zijn Alphabetical Africa, de roman die eveneens rond een contrainte (een dwingende regel die de schrijver zichzelf oplegt) is opgebouwd, toen iemand hem op een feestje had verteld dat hij diverse keren de fout was ingegaan. ‘Dat meen je niet!’, schijnt Abish te hebben gezegd: ‘Mijn uitgever en ik hebben het boek keer op keer gecontroleerd op fouten!’ De contrainte van Abish is dat zijn roman van 52 hoofdstukken zodanig is opgebouwd dat het eerste alleen bestaat uit woorden die met een A beginnen, het tweede uit woorden met als eerste letter A of B en zo door tot hoofdstuk 26, waarna het omgekeerde gebeurt: er gaat nu in elk hoofdstuk weer een beginletter af in omgekeerde volgorde tot in het 52e hoofdstuk alleen weer de A overblijft.

    Vertaalbaarheid

    Bijzonder aan deze twee romans van Perec (uit 1969) en Abish (uit 1974) is dat ze allebei hun lettertoer uithaalden zonder dat ze elkaar(s werk) kenden – dat kwam later pas. Het ontzag voor ieders prestatie wordt nog groter als je bedenkt dat ze niet, zoals wij, digitale zoek- en controlemogelijkheden hadden, maar slechts pen en typemachine.
    La Disparition werd later in meer dan tien talen vertaald (in het Nederlands als ’t Manco), maar Alphabetical Africa tot nu toe slechts in het Duits. Daar is nu een Nederlandse editie bij gekomen: Alfabetisch Afrika. Vertaler is Guido van de Wiel die eerder ook voor ’t Manco tekende. Je moet ook wel een beetje gek zijn om die uitdaging aan te gaan. Toen Van de Wiel in een essay over vertalen las dat met de roman van Abish ‘de grenzen van de vertaalbaarheid’ waren bereikt wist hij meteen wat hem te doen stond.

    Alfabetisch Afrika gaat in het kort over een roofmoord op een juwelier in Antibes, waarvan in eerste instantie twee mannen, Alex en Allen, en een vrouw Alva, als verdachten worden gepresenteerd. Gaandeweg blijken er meer betrokkenen te zijn, waaronder Koning(in) – ze wordt zowel vrouwelijk als mannelijk voorgesteld – Quat en de verteller van de roman. De zoektocht leidt naar Afrika, niet alleen omdat de geroofde juwelen daar terecht zijn gekomen, maar ook omdat Alex en Allen de daar verblijvende Alva willen veroveren. Deze Alva lijkt uiteindelijk te trouwen met de verteller, die bovendien de auteur van het boek blijkt te zijn dat we zojuist hebben gelezen.

    Litanie

    Het is een dun en af en toe verwarrend verhaal. Maar daar is het Abish ook niet om te doen. Het belangrijkste aan Alfabetisch Afrika is hoe dat verhaal verteld wordt. Abish wil vooral laten zien hoe ons belangrijkste communicatiemiddel, de taal, ons bespeelt. Hij doet dat door de verteller en daarmee de lezer stap voor stap een letter beschikbaar te stellen en hen er in het tweede deel van het boek steeds weer van een te beroven. Dat is niet de enige contrainte die Abish zich oplegde. Hij laat ook elk hoofdstuk beginnen met de letter die beschikbaar komt of weer verdwijnt. Dat doet iets met onze perceptie van de informatie die we krijgen.
    Bovendien bouwt hij nog kleinere opgelegde spelletjes in: we treffen in Alfabetisch Afrika (vaak alfabetische) opsommingen: in het hoofdstuk waarin de S voor het laatst mag worden gebruikt lezen we hoe de koningin twee pagina’s lang weeklaagt in woorden die allemaal beginnen met een S voorafgegaan door ‘same’ of in vertaling door ‘saai’; een bijna hallucinerende litanie van klachten over het aankomende verdwijnen van die letter. Verder zijn er de talloze alliteraties en intertekstuele verwijzingen, zoals naar Heart of Darkness van Joseph Conrad dat eveneens gaat over een indringing in Afrika.

    Geheugenverlies

    Tot slot laat Abish op een soms komische manier zien hoe slecht wij Afrika echt kennen. Die wetenschap is gebaseerd op het beeld dat we ons hebben gevormd van het continent; van het echte Afrika weten we bar weinig. Daarom wemelt het in de roman van kaarten en plattegronden, maar ‘de kaart is niet het gebied’, schrijft vertaler Van de Wiel in zijn zeer informatieve Nawoord.

    Het verhaal van de moord op de juwelier en de jacht van Alex en Allen op Alva in Afrika staat geheel in dienst van de contrainte in de roman. In het eerste deel komen er met de groei van het aantal beschikbare letters steeds meer Afrikaanse landen bij en groeit de informatie. In de tweede helft gebeurt het omgekeerde. Dat loopt uiteindelijk uit op steeds meer destructie: delen van Afrika, en uiteindelijk steden en gebouwen worden vernietigd terwijl op metaniveau de beschikbare taal steeds meer wordt ontmanteld. Naast die inkrimping van het continent Afrika krijgen de protagonisten steeds meer te maken met geheugenverlies. Dat wordt bovendien verbeeld door de grote rol die agressieve mieren spelen. In het Duits heten die Ameisen, het woord dat Abish ook gebruikt. Met opzet, want het is een anagram van amnesie.

    Moet het schrijven van Alphabetical Africa al een halsbrekende onderneming zijn geweest voor Abish, dat geldt nog meer voor een vertaling. Guido van de Wiel heeft zich soms met ware Houdini-acts moeten redden. Dat heeft hij bewonderenswaardig gedaan. Om een idee van de problemen te geven: Abish heeft al in hoofdstuk A het lidwoord ‘an’ beschikbaar, maar de vertaler kan ‘een’ pas gebruiken in hoofdstuk E. Daar staat weer tegenover dat hij ‘de’ al kan inzetten in hoofdstuk D waar Abisch dat pas in hoofdstuk T (‘the’) kan. Toch blijft dat voor de vertaler een beperking want als dit lidwoord in het oorspronkelijke werk niet voorkomt heeft de vertaler die ruimte alsnog niet.

    Tweetalig

    De beperkte beschikbaarheid van de letters bepaalt daarnaast hoe het verhaal verteld kan worden. In de hoofdstukken A tot en met H is steeds sprake van ‘auteur’. Dan is nog niet duidelijk dat hij dezelfde is als de verteller. Dat blijkt pas in hoofdstuk I, waar zowel Abish als Van de Wiel verder kunnen gaan in de eerste persoon: ‘I’ in het Engels en ‘ik’ in het Nederlands. Nog verder in het verhaal kan zijn aandeel in de moord op de juwelier worden verteld.

    Guido van de Wiel ging bij zijn vertaling acribisch te werk. In twee uitgebreide logboeken gaat hij uitvoerig in op thema’s en achtergronden van Abish en zijn werk en verantwoordt hij zijn vertaalkeuzes zeer precies, compleet met alternatieven en argumenten om die wel of niet te gebruiken. Een voortreffelijke keuze is dat Alfabetisch Afrika tweetalig is uitgegeven zodat alle vertaalvondsten direct controleerbaar zijn. Van de Wiel noemt in die logboeken onder andere 101 plaatsen waar Abish per ongeluk tegen zijn eigen contrainte in is gegaan: hij gebruikt bijvoorbeeld het voorzetsel ‘in’ al vóór hoofdstuk I in de eerste helft en na hoofdstuk I in de helft waarin letters verdwijnen.
    Deze logboeken zijn op internet gratis te downloaden.

    Liefhebbers van werken van OuLiPo-ers (de werkplaats voor potentiële literatuur) waarvan Perec lid was maar Abish niet, hebben met Alphabetical AfricaI een vergaand voorbeeld van wat deze literatuur vermag. Van de Wiel noemt het zelfs ‘het meest oulipiaanse werk dat er bestaat zonder te zijn vervaardigd door een OuLiPo-auteur’.

     

  • Weinig woorden voor een hele wereld

    Weinig woorden voor een hele wereld

    ‘Geen plot, maar zeer korte verhalen waarin net zoveel kan gebeuren als in een complete roman’. Daarin ligt volgens Arjen Lubach de kern van de zkv’s van A.L. Snijders. Dat klopt. De Amerikaanse vorstin van de short story, Lydia Davis, noemt ze in De schoonheid van weerbarstig proza ‘puntige filosofische vertellingen’. Klopt ook.
    Lubach koos er 206 voor een selectie in de alsmaar groeiende fraaie serie ‘Gedundrukt’ van Uitgeverij Van Oorschot onder de titel Zeer kort. Op het buikbandje de typische Snijders-foto: gefronst voorhoofd, bebaard en besnord, je doordringend aankijkend met de bril op de punt van de neus. Velen kenden zijn sonore stem uit duizenden als hij op zondagmorgen op Radio 4 een verhaal voorlas en heel wat abonnees openden eveneens op zondagmorgen vol verwachting hun mailbox waarin hij zijn zeer korte verhalen dropte.

    A.L. Snijders is de schrijversnaam van Peter Müller. Hij zou hem ooit hebben verzonnen toen hem aan de telefoon werd gevraagd snel een pseudoniem te bedenken. Maar op die oorsprong varieerde hij wel eens als hem er tijdens optredens naar gevraagd werd. Het paste bij Snijders, die jarenlang lesgaf op middelbare scholen en de politieacademie en zijn zkv’s graag de door hem gewenste draai gaf: ‘Het is zeker dat ik verschillende verhalen vertelde over dezelfde gebeurtenis. Een leraar die steeds hetzelfde verhaal vertelt, kwelt zichzelf. Dan wordt het onderwijs masochisme. Ik wil er zelf ook een beetje plezier van hebben’.
    Het is een citaat uit het vermakelijke ‘Facisme’, waarin hij vertelt over de keer dat hij met de verfkwast de leus ‘Weg met het facisme’ op een viaduct te lijf ging om vóór de letter c een s te schilderen. Hij werd opgepakt vanwege het bekladden van overheidseigendom terwijl hij alleen maar een taalfout had willen verbeteren. Daarmee geeft hij zelfs in één zkv twee versies van het gebeurde.

    Sprongen in de tijd

    Over taalfouten gaat het in meer stukken. In ‘Vraag en antwoord’ zegt hij zijn leerlingen op de politieschool dat Hun zijn groter als mij een onberispelijke zin is, maar dat ze in sollicitaties Zij zijn groter dan ik moeten schrijven. In ‘Gemeentegrens’ legt hij een klas uit dat in de zin Jan wordt geslagen door Piet Jan grammaticaal het onderwerp is, maar gevoelsmatig lijdend voorwerp.

    Hoeveel variëteiten een verhaal ook kan hebben, ze vertellen allemaal samen wel degelijk veel over het leven van de schrijver zelf. Vooral Amsterdam en Klein Dochteren, de belangrijkste woonplaatsen van Snijders, en zijn ervaringen en ontmoetingen daar, zijn prominent terug te vinden. Verreweg de meeste verhalen maken sprongen in de tijd. Een ontmoeting, een nieuwtje, het weer: ze zijn goed voor een sprong terug in de tijd van soms enkele decennia, plotseling opduikende herinneringen. Een dichtregel van Lucebert brengt hem bij een ijzeren ei dat hij dertig jaar geleden maakte (in ‘Het ei’). De weersvoorspelling roept een herinnering op aan de kachel van zijn grootvader (in ‘Winter 2’).

    Massey Ferguson

    Een enkele keer komt een herinnering meerdere keren voor. De opvallendste is die over zijn moeder die als kind in 1912 uit het raam viel en dat overleefde door een opstuiterende hor (in ‘Jaartallen’ en opnieuw in ‘Vondelpark’). In ‘Dienstmeisje’ maakt huishoudhulp Greetje in 1949 een dodelijke val uit het raam: ‘Mijn moeder heeft gezien hoe haar levenloze lichaam in de ziekenauto werd getild’ – hier dan juist weer geen vermelding van moeders eigen val in 1912. En dan zijn er nog Snijders’ opa en diens jongste zoon die op hoge leeftijd beiden stierven door een val van de trap (in ‘De geur van het ontbijt’).
    Ook de tractor van Snijders, een Massey Ferguson, doet hem een paar keer het beeld oproepen van de Balkanoorlog toen je die trekker vaak in reportages zag (in ‘Kraantje’ en ‘Winter 2’). Maar in het verhaal dat het merk van de tractor als titel heeft staat die verwijzing dan weer niet.

    Het teruggrijpen in de tijd legt Snijders als volgt uit in ‘De libelleman’: ‘Wat veertig jaar geleden plaatsvond, hoeft niet eerder verteld te worden dan de gebeurtenissen van gisteren’.

    Banaliteit van het kwaad

    Dat doende legt hij verrassende verbanden, zoals in ‘Ansichtkaart’. Daarin stuurt ene F. hem een groet vanaf Texel waarin hij schrijft dat hij Hannah Arendt leest, terwijl een landbouwmachine te zien is van het merk Mengele LW 390: ‘Hoe lang zullen mensen nog schrikken van Hannah Arendt en Mengele samen op een ansichtkaart? De geschiedenis trekt langzaam de gordijnen dicht en bijna niemand zal meer iets weten over de banaliteit van het kwaad’. Na een dergelijke kernachtige omschrijving van hoe we in elke nieuwe generatie weer verhalen kwijtraken kun je niet meteen naar het volgende zkv.

    Snijders had weinig woorden nodig om een wereld te omspannen. In 2010 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs: ‘een prijs voor een grote berg takjes, zkv’s’, zegt hij zelf in ‘Aap’.

    Op 7 juni 2021 zat Peter Müller voor het laatst als A.L. Snijders aan zijn laptop, klaar voor een nieuw verhaal, toen hij een hartstilstand kreeg. Misschien draaide er wel muziek op de achtergrond, minimal music, zijn voorkeur. Treffend voor een zkv-schrijver.

     

     

  • Ortolaan bij de Impromptu’s

    Ortolaan bij de Impromptu’s

    In de prachtig verzorgde catalogus bij de expositie Sag mir wo die Blumen sind, die nog tot 9 juni loopt in het Van Gogh- en het Stedelijk Museum in Amsterdam noemt Simon Schama in dertien pagina’s tekst een achttal schrijvers van wie Anselm Kiefer citaten in zijn monumentale werken opneemt. Daaronder is Ingeborg Bachmann. Bij die vermelding laat Schama het.
    In zijn nieuwe bundel verhalen Namiddagen is Ferdinand von Schirach in drie pagina’s explicieter over de verbinding Bachmann-Kiefer. De twee komen volgens hem samen in hun thema’s eenzaamheid, vertwijfeling en dood. ‘Alle kunst ontstaat doordat de kunstenaar onzeker is over de wereld. Die wereld past niet bij hem en hij past er niet in, hij voelt zich een vreemde, hij denkt dat hij er niet thuishoort’.

    Eenzaamheid

    Eenzaamheid lijkt ook een thema van Von Schirach zelf. In het laatste verhaal van Namiddagen schrijft hij dat er (buiten de literatuur) maar twee kunstenaars waren die hem fundamenteel hebben veranderd: Alberto Giacometti en Caspar David Friedrich. Bij de laatste is dat gevoel overweldigend – denk alleen maar aan zijn Der Wanderer über dem Nebelmeer of Der Mönch am Meer. Maar Von Schirach noemt als voorbeeld Vrouw op de wagen van Giacometti: ‘We delen die eenzaamheid, zij is het die ons verbindt’.

    ‘Verhalen beschermen ons tegen de eenzaamheid, de verwondingen en de kilte’, schrijft Von Schirach in het derde stuk in Namiddagen. Hij vangt ze op in hotels, in treinen, cafés en in ontmoetingen met vrienden en kennissen die hij lang niet meer gezien heeft of over wie hij min of meer bij toeval wat hoort. Vaak vallen ze hem in als een herinnering op een stil moment (verwijst de titel Namiddagen daarnaar?), door een opmerking van iemand of door de wetenschap dat iemand ooit in hetzelfde hotel of dezelfde stad verbleef.

    Motorriksja

    Er zijn zesentwintig van die verhalen in de bundel opgenomen. Geen ervan heeft een titel; ze krijgen alleen voluit geschreven nummers. Daardoor stap je er steeds onbevooroordeeld in. Von Schirach begint elk nieuw verhaal uiterst sober. De eerste zin is niet meer dan een korte uitgeklede vermelding van een locatie of situatie, vaak zonder werkwoord. ‘Tweeëntwintig’ begint bijvoorbeeld zo: ‘Oslo. Interviews in een woning van het Goethe-Instituut, uitzicht op een burgerlijk straatje, op cafés en winkeltjes’.
    De vertellingen – vaak weer een verhaal ín een verhaal – maken de lezer onzeker: ze vermelden nogal wat publieke feiten uit het leven van de auteur zelf (hij was strafrechtadvocaat, zat jaren op een internaat, trad over de hele wereld op) waarop de verhalen aansluiten, maar nemen inhoudelijk soms zo’n verassende wending dat ze sterk de indruk van fictie wekken. De ene keer is het een dromerige bespiegeling van slechts een paar zinnen, zoals in de drie korte alinea’s van ‘Zes’: een fietser raakt gewond door een aanrijding voor een café, de gast en ober spraken er twee dagen over; in de Indiase plaats Nashik vallen 26 doden en 32 gewonden bij een botsing tussen een bus en een motorriksja, niet meer dan een berichtje op de laatste pagina van de krant.

    Oog

    In ‘Drieëntwintig’ is de verteller in Parijs voor zijn Franse uitgever en ontmoet daar onverwacht een vroegere kennis, een concertpianiste, die plotseling was gestopt met haar carrière en gewoon spoorloos verdwenen was. Ze vertelt voor het eerst wat haar bewoog om nooit meer te spelen. Het gebeurde op een bijeenkomst van industriëlen en bankiers, waarvoor ze als beroemdheid was uitgenodigd. Het was een patserige avond die ze ronduit weerzinwekkend vond. Tijdens het diner werd op de achtergrond een opname van haar uitvoering van de Impromptu’s van Schubert gedraaid terwijl iedereen zich tegoed deed aan ortolaan. Dezelfde nacht mailde ze haar agentschap ‘dat ik niet meer beschikbaar was’.

    Eén van de beste verhalen is dat over de vrouw die de verteller ontmoet bij de begrafenis van ene Mero, een Algerijn die door een granaatsplinter een oog miste. Ze zijn naast de uitvaartleider de enige aanwezigen. De vrouw, Christiane, blijkt de erfgename te zijn van Mero en de verteller de executeur-testamentair. Hij krijgt haar bizarre geschiedenis met Mero stap voor stap te horen, culminerend in het korte zinnetje aan het slot: ‘Mero verloor zijn oog niet als kind’.

    Misschien zijn niet alle verhalen in Namiddagen even sterk (‘Achttien’ is bijvoorbeeld tamelijk voorspelbaar), maar de meeste blijven nog even nazoemen.

     

  • Je moet wel kijken, anders zie je niets

    Je moet wel kijken, anders zie je niets

    In december 2009 werd het lijk van de Cypriotische oud-president Papadopoulos, een dag voor de herdenking van zijn overlijden, gestolen uit zijn graf. Pas een paar maanden later werd het teruggevonden. Het zou voor losgeld ontvoerd zijn. Het is geen uniek geval. In 2017 werd hetzelfde geprobeerd met het lijk van de Italiaanse autobouwer Enzo Ferrari (het mislukte voor er losgeld kon worden gevraagd). En in 1978 groeven twee criminelen in Zwitserland het lijk van Charlie Chaplin op, nu wel met een losgeldeis.
    Het voorbeeld van Chaplin wordt genoemd in de nieuwe novelle Erfgenaam van Hans Heesen, maar slechts als een terzijde. De ik-figuur uit die roman wordt tegen zijn zin betrokken bij een plan om een lijk op te graven om losgeld te vragen. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat er andere motieven spelen dan winstbejag. Daarmee wordt dit verhaal ver uitgetild boven de sfeer van een gothic novel waarin je aanvankelijk verzeild lijkt te zijn.

    Val

    ‘Een schimmig zaakje’ noemt de verteller in de eerste zin het plan waarin Marcel, een vroegere vriend, hem betrekt. Marcel heeft ooit tienduizend gulden van hem geleend, maar dat bedrag nooit terugbetaald. Hij probeert zijn vroegere vriend over te halen tot het opgraven van een lijk met het doel om via een losgeldeis aan geld te komen. Het blijft lang vaag wat zijn motief is. Probeert Marcel hem te chanteren? Heeft hij een val bedacht waardoor de verteller strafrechtelijk dreigt op te draaien terwijl Marcel de buit opstrijkt? Voldoende ingrediënten voor een verhaal dat steeds spannender wordt, maar dat gaandeweg een minder criminele achtergrond blijkt te hebben dan de lezer denkt. Bijna elke benaderende beschrijving van het vervolg leidt in deze bespreking tot een spoiler. Laten we het daarom vaag houden.

    Trauma

    Niet toevallig is de verteller scenarioschrijver. Gedurende de hele roman bedenkt hij allerlei mogelijke ontwikkelingen, zowel voor de uitvoering van het plan als voor de mogelijke motieven, die de vaart er in Erfgenaam voortdurend in houden. Ze voeren de lezer terug naar eerdere gebeurtenissen in beider levens en dat van vroegere vrienden. Halverwege wordt duidelijk dat Marcel en de verteller een vergelijkbaar trauma delen, elk in hun eigen leven. Vooral de verteller wordt gedwongen zijn (gebrek aan) verwerking van dat trauma onder ogen te zien.

    Dan verandert het ‘schimmige zaakje’ in persoonlijke reflecties over wat vriendschap in wezen is en wat de waarde van een leven is. Is iemand die risico’s vermijdt een beter mens dan iemand die een reeks van mislukkingen, zoals faillissementen in ondernemingen, achter zich aansleept? Wie is een held? Wie een roekeloze?

    Dilemma’s

    Erfgenaam – de titel verwijst naar wat de werkelijke rol van de verteller aan het slot van de roman blijkt te zijn geworden – verandert steeds opnieuw van perspectief en laat de lezer daardoor ook reflecteren op zijn eigen omgang met het verleden.
    Het is een roman over rouw, omgang met de dood, slachtofferschap en morele dilemma’s (een thema dat in verschillende gedaantes voorkomt) zonder loodzwaar te worden. Er zit veel humor en ironie in. En er zijn mooie stiltemomenten, bijvoorbeeld in de spiegeling van een lijst van namen op een begraafplaats met die van allerlei groenten die de verteller na zijn loutering gaat telen. Hij was eerder nauwelijks geïnteresseerd in de natuur wat een vroegere vriendin het advies aan hem uitlokte: ‘Je moet wel kijken, anders zie je niets’. Nu vindt hij er rust en toewijding in. Hij ziet waaraan hij eerder is voorbijgegaan. `

    Erfgenaam is lichtvoetig, filosofisch en poëtisch.