Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.
Verder kijken – Esther Kinsky
Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.
His Natural Life – Marcus Clarke
Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)
Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden
Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.
Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer
Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)
De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren
Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.
Het boek van de kinderen – A.S. Byatt
Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)
Nirwana – Tommy Wieringa
Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.
Het hart van de ever – Baltasar Porcel
Het hart van de everis de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)
Ruitjesblues – Jan Beuving
Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)
Luister – Sacha Bronwasser De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.
Een schitterend wit – Jon Fosse Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)
Das Spinnennetz – Joseph Roth Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.
De wintersoldaat – Daniël Mason
In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)
Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje
Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.
De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf Ademloos las ik dit jaar Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)
Scherven – Bret Easton Dit jaar las ik Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie.
In het huis van de dichter – Jan Brokken Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)
Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.
De laatste witte man – Mohsin Hamid Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)
Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom Als poëzierecensent wil ik allereerst deze verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden.
Balts – Luuk Gruwez In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)
Arkadia – Sipko Melissen Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,Arkadia is prachtig geschreven!
Drengr – Aron Dijkstra Een echte Viking is drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)
Jij zegt het – Connie Palmen Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’
Goudjakhals – Julien Ignacio
Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)
Marente de Moor – De schoft
Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen.
Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt
Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)
Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose
Een prachtig indrukwekkende debuutromanvan de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.
Rugzwemmen – Marc ter Horst
Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)
Een kleine weldaad – Raymond Carver
Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.
De minnaar – Marguerite Duras
Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)
Ik kon niet slapen. Ik dacht aan A.S. Byatt, waarover Marja Pruis schreef in Oplossingen. Hoe zij ontroerd raakte door iets wat Byatt gezegd had, later weer twijfelde ze of ze het wel goed gehoord had. Ik verwar A.S. Byatt vaak (zo werkt mijn hoofd), met A.N. Ryst, de gelijkende initialen, de ‘y’ in de achternaam. Pruis was in 2016 bij de uitreiking van de Erasmusprijs door koning Willem Alexander aan A.S. Byatt. Ze hoorde haar zeggen, ‘This is the happiest moment of my life.’ Van ontroering sprongen Pruis de tranen in de ogen. Later vroeg ze zich af of dat wat ze hoorde ook gezegd was. Of Byatt niet ‘one of the happiest moments’ had gezegd. Maar dat was niet zo. Daarom moest ik naar beneden. Het leek van belang een boek in handen te hebben van een schrijfster die het gelukkigste moment in haar leven beleefde toen ze de Erasmusprijs ontving. En dat ze daar weer ontroering mee teweeg bracht. Met dat boek zal ik de schakel zijn tussen de ontroering van de een en het gelukkigste moment van de ander.
Ik pakte Obsessie van Byatt uit de boekenkast. In alles wat ik lees, zoek ik naar iets wat ik zelf ontbeer. Terwijl de katten op de bank tegen elkaar aanschurken, het buiten donker is, wil ik gewoon dat personage in de bibliotheek zijn. De jongeman, Roland, in Obsessie, die zijn dagen doorbrengt in de leeszaal van de Londen Library. ‘Roland had het eenpersoonstafeltje waaraan hij het liefst zat, achter een vierkante pilaar, waar je toch goed zicht had op de klok boven de schoorsteen. Rechts van hem was een hoog en zonnig venster, waardoorheen je de hoge groene bladeren van St James’s Square kon zien.’ Ik verbeeldde mij die figuur te zijn, voelde me getroost.
Ethel Portnoy schreef in Portret, ‘Pas toen hij dood was, begon ik mijn vader te zoeken.’ Sinds mijn broer er niet meer is, lees ik boeken waarin ik hem hoop tegen te komen. Ik las Harnas van hansaplast van Charlotte Mutsearts, Broer van Esther Gerritsen, Big Brother van Lionel Shriver, Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder.
Moet een boek wat teweegbrengen om een goed boek te zijn? Ja, dat moet. Er zijn boeken die lezen alsof je een warm mes in een pakje roomboter steekt. Er gebeurt niets, het mes blijft heel, het pakje boter splijt niet doormidden. Daarentegen zijn er boeken die je niet zomaar begrijpt, maar zo geweldig goed in elkaar steken als een design meubel waarvan je de verbindingen niet ziet.
Nadat ik Deborah Levy’s Living Autobiography had gelezen, dacht ik erover een ‘Birdsongclock’ te kopen. Levy kocht er een nadat ze verlaten was door haar man. In een mail van Koopjedeal (waarom krijg ik mail van Koopjedeal?) werd me onlangs de Birdsongclock met 57% korting aangeboden. Ik was er na aan toe er een te bestellen. Maar bedacht, met een gevoel van opluchting, dat ik er pas een mag kopen als ik verlaten word. Zo zet een boek me tot van alles aan.
Inge Meijer is een pseudoniem, leest terwijl ze leeft.
Vorige week woensdag was een enorm opwindende dag waardoor ik alle inperkende leefregels van het afgelopen jaar gewoon vergat. De boekwinkels gingen open! Te kunnen staan voor metershoge en verstrekkende boekenwand vol kleurige kaften, strak in het gelid. Er langs te lopen, er hier en daar een uit te trekken, het doorbladeren, de geur van drukinkt, terugzetten. Boeken zijn zoveel meer dan leesmateriaal. Dan langs de boekentafels, bedachtzaam elke titel lezend, schrijversnaam registrerend, soms achterflap erbij nemend, want eigenlijk ken je het boek, is het fysieke contact enkel een bevestiging van hun bestaan. Toen belde ik voor een afspraak, kreeg een tijdslot van een half uur en kon de volgende dag gelijk komen. De opwinding was buitengewoon. Aan een ieder die voorbij mijn huis kwam liet ik weten: ‘Ik heb een afspraakje! Morgen, bij de boekhandel!’ Ik voelde me als een van die koeien die de hele winter op stal hebben gestaan.
Als die na de winter weer naar buiten mogen, denderen ze met stampende poten over het veld, springen een gat in de lucht. Ze maken ongewone capriolen, werpen zich op de aarde, rollen zich om en springen weer op. Een uitzinnige bende. Opeens vond ik het spannend, zo’n afspraakje met de boekhandel. Zou ik me kunnen gedragen, geen boekstapels omver stoten, dozen van tafels laten glijden. Mijn rugzak kon ik beter niet om doen. En zouden ze me niet teveel achterna zitten daar tussen de boeken, er moest natuurlijk wel wat verkocht worden. Misschien moet ik een lijstje van titels maken, die bij binnenkomst afgeven, terwijl ik tussen de boeken scharrelde zouden zij ze voor me opzoeken en klaarleggen. Nee, wacht even, nu raak ik in de war, zo was het eerst. Het leek ineens wat teveel gevraagd. Ik, alleen in een boekenwinkel. Maar voor ik me zou bedenken, stapte ik op mijn fiets, was nog bijna te laat.
Onderweg dacht ik, ‘Portemonnee?, Ja’. ‘Ojee, mondkapje?’ Ha, in jaszak, wel een gebruikte maar vooruit. Had ik niet meer tassen moeten meenemen (alsof ik vergeten aardappelen op het land ging rapen). Halverwege haalde ik een man met vettige haren op een rammelende fiets in. Even later reed hij mij achterop, vertraagde tot hij naast me fietste. Voor hij iets kon zeggen, riep ik, ‘Ik heb al een afspraakje’. Trapte gejaagd voort, nam de brug over de IJssel. Onder het poortje naast de boekwinkel, kwam een man me tegemoet, sprekend Wim Boevink van ‘Klein verslag’. Hij zeulde met twee volle tassen. Ik dacht, ‘Hij is me voor geweest’. Bezweet en met rood hoofd stond ik voor de boekwinkel, enigszins teleurgesteld dat de deur niet openzwaaide, iemand riep, ‘Daar bent u dan. Kom binnen’. Goed, eenmaal binnen, met mondkapje en ontsmette handen, haastte ik me langs schappen, rommelde in dozen. Nog steeds bezweet stapelde ik boeken op mijn arm alsof er iets te winnen was, stond binnen een half uur weer buiten met Patrick Modiano, A.S. Byatt, A.M. Homes, Elizabeth Jane Howard en Tove Ditlevsen.
Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, vergeet soms haar mondkapje.
Voor de zoveelste keer herlees ik Der Butt (De bot) van Günter Grass uit 1977. Dit boek bergt zoveel in zich dat het lijkt alsof je meerdere boeken tegelijk leest: een kookboek, een sprookjesboek, een feministisch manifest, een schelmenroman, een geschiedenisboek. Hierdoor wisselt ook de leeservaring: nu eens is het hilarisch, dan weer ontroerend, af en toe wrevel verwekkend, maar altijd om van te genieten. Het is zo bont en veelomvattend, dat je bij herlezing steeds weer iets tegenkomt dat je eerder niet was opgevallen.
De bot wordt in de Steentijd gevangen in de Oostzee op de plek waar later Grass’ geliefde Danzig zal staan. In ruil voor de vrijheid belooft hij de visser, Grass’ alter ego, onsterfelijk te maken en hem met raad en daad bij te staan in zijn pogingen in verschillende tijdperken om onder de heerschappij van de vrouwen uit te komen. Zij hebben de macht in de keuken en in het bed. In de 20e eeuw is het de schrijver die het verhaal van de bot vertelt aan zijn zwangere vrouw: in negen maanden doet hij verslag van zijn negen levens, terwijl de bot opnieuw gevangen wordt en voor een feministisch tribunaal gebracht wordt, waar hij wordt aangeklaagd als voorvechter van de onderdrukking van de vrouw.
In 2007 werd de eerste zin van Der Butt uitgeroepen tot mooiste openingszin uit de Duitstalige literatuur: ‘Ilsebil salzte nach’ (Ilsebil voegde zout toe). Volgens de jury zou hieruit blijken dat het toch weer de vrouw is die betekenis toevoegt.
Auteur: Günter Grass
Uitgeverij: Meulenhoff
Kim
Zojuist heb ik Kim van Rudyard Kipling weer gelezen: een boek om van te houden. Dit verhaal, dat in 1901 verscheen, verbeeldt Kiplings eigen jeugd in India. Het is een avonturenroman, maar het belangrijkste is het inzicht dat het boek biedt in de verschillen tussen oost en west, tussen de culturen van Indië en die van het Verenigde Koninkrijk. Kim is een twaalfjarige weesjongen, zoon van een Ierse soldaat, die aan het einde van de 19e eeuw onder de Britse overheersing leeft in Lahore als een vis in het water. Kim beheerst alle dialecten en is van alle markten thuis. Daarom wordt hij ingezet als spion in ‘The Great Game’ van de Engelsen om de controle over India te bewaken. Maar Kim is bevriend geraakt met een oude Tibetaanse lama, die op zoek is naar een heilige rivier. Kim vertegenwoordigt zowel Oost als West: hij gaat met de lama mee op diens queeste, maar alleen in de periode wanneer hij niet naar school hoeft. Uiteindelijk moet Kim een keuze maken: Kipling schreef in een van zijn gedichten ‘East is east and west is west and never the twain shall meet’.
Kipling wordt steun aan het imperialisme verweten (The White Man’s Burden) en een paternalistische houding ten opzichte van de bevolking. Hij zag de overheersing van de Engelsen echter als economische en morele ontwikkeling voor India. Wat vooral uit de roman blijkt, is Kiplings grote liefde en respect voor het land. Het is dan ook geen verrassing dat Kim zijn geliefde lama trouw blijft.
Auteur: Rudyard Kipling
Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep
Obsessie
In 1990 verscheen Obsessie van Byatt, ik kocht het vanwege de intrigerende afbeelding op de voorkant en omdat het een lekker dik boek was. Ook hier zit een boek in een boek in een boek, als een Droste-effect: zeer complex en aantrekkelijk. Het is het verhaal van twee literatuuronderzoekers, Roland en Maud, en de twee dichters die het onderwerp van hun research zijn: R. H. Ash en Christabel LaMotte. De levens van Roland en Maud worden met elkaar verweven, net als de levens van de dichters, zoals ze bij toeval ontdekken: Roland vindt brieven van de dichter Ash, die zijn gericht aan LaMotte. In het hart van de roman wordt het liefdesverhaal van de twee dichters verteld. Byatt heeft er ook nog een literaire detective van gemaakt: de onderzoekers proberen het geheim van de dichters te achterhalen en worden daarbij lastig gevallen door andere academici die ook belang hebben bij het onderzoek.
En daar tussendoor word je getrakteerd op poëzie, sprookjes, spiritualisme, beschrijvingen van landschappen en humor. Bovendien voert Byatt een aantal personen op die in totaal twee eeuwen bestrijken; ze laat de ingewikkelde verhaallijnen samenkomen zoals een jongleur zijn ballen in de lucht houdt: virtuoos.
De roman laat de verschillende vormen zien waaruit obsessie kan bestaan: de kwellende drang om iets te bezitten, die mensen tot het uiterste kan drijven, waarbij het er niet toe doet wat het onderwerp van de hartstocht is: de geliefde, de zucht naar academische roem of het einde van een zoektocht.