• Een magische steen

    Hele dagen zwerft Kat, in gezelschap van haar trouwe hond Beest, door de stad. Ze is het gewend om alleen te zijn: haar ouders bekommeren zich niet om haar, van school is geen sprake, broers of zussen heeft ze niet. Maar als haar oom Roemer overlijdt, zet dat van alles in werking. Deze oom, die ze nauwelijks kende, blijkt zijn huis te hebben nagelaten aan Kat en haar ouders. En niet zomaar een huis, maar een huis als een museum, vol allerlei interessante objecten. Tussen al die wonderbaarlijke dingen vindt Kat ook een doodgewone kiezel. Ze neemt hem mee en vergeet hem, tot hij op magische wijze om haar aandacht begint te vragen. Ondertussen ontmoet ze een mysterieuze man die gitaar speelt op haar ooms graf, een onbevreesde jongen vol ideeën en een half meisje vol energie. Het is het begin van een avontuur dat Kats leven zal veranderen.

    leeftijd:  9+,

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Met dank aan de koning

    In zijn inleiding bij de vertaling van Het boek van honderd-en-een nacht geeft Richard van Leeuwen een verantwoording voor deze uitgave. Daarin verwijst hij naar De vertellingen van duizend-en-een-nacht, waaraan dit boek duidelijk verwant is, gezien de overeenkomstige vertelstructuur.

    Een koning ontdekt dat zijn vrouw hem bedriegt met een brute, zwarte man en dat zij van plan is hem te doden. De koning brengt daarop zijn vrouw, haar slavinnen en de zwarte man ter dood en besluit om in het vervolg elke ochtend het meisje te vermoorden met wie hij de nacht heeft doorgebracht. Elke nacht een ander meisje tot er nog maar twee meisjes over zijn in zijn rijk, de zusjes Dinarzaad en Sjahrazaad. Sjahrazaad weet de koning, die erg van mooie verhalen houdt, zover te krijgen het leven van haar zusje, na de nacht met haar, te sparen door hem een verhaal te vertellen dat zij vóór het aanbreken van de dageraad afbreekt om het de volgende nacht voort te zetten. Zo gaat het honderd-en-één nachten door tot Dinarzaad zwanger blijkt te zijn van de koning. Daarop belooft de koning hen te sparen en komt er een einde aan de vertellingen van Sjahrazaad.

    Werk aan de winkel voor cultuurhistorici

    Terwijl Duizend-en-een-nacht een schijnbaar oneindige stroom verhalen bevat die alle kanten uitwaaiert, is Honderd-en-een nacht veel compacter en strakker gecomponeerd. Dat roept de vraag op naar de relatie tussen beide verhalencycli. Daar zijn de geleerden echter niet uit, aangezien de ontstaansgeschiedenis van beide teksten in nevelen gehuld is. Wel is duidelijk dat de oorsprong van beiden gezocht moet worden in de mondelinge verteltraditie, die samenhangt met de expansie van de islam naar Perzië en Zuidoost-Azië. Vanaf de dertiende tot de zestiende eeuw, tijdens de Mammelukkendynastie in Egypte en Syrië, werden dit soort verhalen pas opgetekend in het Arabisch. In de archieven liggen nog talloze manuscripten in alle denkbare talen van Azië en het Midden-Oosten te wachten om ontsloten te worden.

    Een meesterwerk met kanttekeningen

    De invloed op de Europese literatuur is evident. In de Middeleeuwse ridder- en liefdesromans zitten steevast episodes die zich afspelen in een oosterse toverwereld. Toen in de zestiende eeuw Constantinopel werd veroverd door de Ottomaanse Turken en er een einde kwam aan het Grieks-Romeinse Byzantijnse rijk, begon men in Europa, het begin van de Renaissance, systematisch oosterse manuscripten te verzamelen en vertalen. De achttiende-eeuwse Franse vertaling van Duizend-en-een nacht is onmiddellijk een groot succes en heeft zich definitief een plaatsje verworven in de Europese literatuur en cultuur met in haar kielzog Honderd-en-een nacht.

    Van Leeuwen wijst erop dat het karakter van deze verhalen niet altijd meer strookt met onze huidige normen en waarden en fatsoensnormen. Ze zitten vol stereotyperingen. Alle prinsessen zijn bloedmooi, moeten veroverd worden door knappe en dappere prinsen om tenslotte, na een feestmaal met uitgelezen spijzen van ettelijke weken of maanden, ontmaagd te worden en masculien koninklijk nageslacht te baren. In zijn algemeenheid zijn vrouwen handelswaar dat cadeau gegeven wordt aan ieder die de koning behaagt. Een goed voorbeeld van dit vrouwvijandige karakter van veel verhalen is het verhaal van de ‘Prins en de zeven viziers’, waarin vrouwen zelfs als een bedreiging van de sociale orde worden gezien. Waarom dan toch deze vertaling?

    Zoveel moois!

    Volgens Van Leeuwen zijn deze verhalen, hoe onaangenaam de stereotyperingen ook zijn voor de hedendaagse lezer, onlosmakelijk verbonden met het mondiale culturele erfgoed. Van Leeuwen hoopt dat een beter inzicht in het functioneren van dit soort stereotyperingen in de literatuur door de tijden en culturen heen uiteindelijk zal bijdragen aan ‘een genuanceerde en verdraagzame vorm van inclusiviteit en algemene erkenning van menselijke waardigheid’. Voorwaar een mooie gedachte. Of dat werkelijk zo uitpakt, valt te bezien, maar dat ze behoren tot ons culturele erfgoed is zeker. Er valt trouwens nog heel wat te genieten van al die verhalen, bijvoorbeeld van het verhaal ‘De druppel honing’, waarin te zien is hoe een kleinigheid kan leiden tot een grote ramp. Een pareltje. Prachtig is ook ‘Leeuwenspoor’. Daarin wijst een deugdzame echtgenote de avances van de koning af, die zijn zinnen op haar had gezet en daarvoor haar man heeft uitgezonden op een of andere missie. Dit verhaal doet denken aan het Bijbelverhaal van koning David en Bathseba. Maar het mooiste verhaal is ‘Het verhaal van de vier vrienden’, een schelmenverhaal waarin vier vrienden, een dief, een spoorzoeker, een timmerman en een boogschutter strijden om het bezit van ‘een meisje zo mooi als de rijzende volle maan’. Uiteindelijk is het natuurlijk de dief die er met de buit vandoor gaat.

    Het is al met al een heerlijk boek geworden, vol sprookjesachtige elementen met boze geesten en tovernarij, prinsen en prinsessen, die wonen in schitterende paleizen. Fijn dat Richard van Leeuwen deze verhalen voor ons toegankelijk heeft gemaakt.

     

     

  • De schijn van stand

    Met Sjees en paella, dat oorspronkelijk in 1894 verscheen als Arroz y tartana (letterlijk: ‘rijst en rijtuig’), opende Vicente Blasco Ibáñez (1867–1928) zijn reeks zogenoemde Valenciaanse romans. De titel bevat meteen de kern: de spanning tussen het volkse en het verfijnde, tussen voeding en vertoon. Arroz, de rijst, verwijst naar het alledaagse leven van Valencia, de stad van de paella en de arbeid. Tartana, de sjees, symboliseert de drang naar status en de façade van de burgerlijke wereld. In die tegenstelling ontvouwt zich het drama van Doña Manuela, dat tegelijk de spanningen binnen een maatschappelijke klasse weerspiegelt.

    De roman verscheen aanvankelijk als feuilleton in El Pueblo, de republikeinse krant die Blasco Ibáñez zelf oprichtte. Het vroege werk biedt een portret van burgerlijk Valencia rond de eeuwwisseling: een stad op de drempel van moderniteit, verscheurd tussen traditie en vooruitgang, tussen eergevoel en economische drift. Behalve een realistische kroniek biedt de roman ook sociale kritiek,† verpakt in een meeslepend familiedrama. Achter het verhaal van een vervallende familie ontvouwt zich een bijtende satire op de opkomende Spaanse bourgeoisie, een klasse die smacht naar erkenning, maar wankelt in haar pogingen zich te handhaven binnen een maatschappij die haar nog niet volledig heeft aanvaard.

    Een samenleving van schijn en status

    Centraal in Sjees en paella staat Doña Manuela, een weduwe van middelbare leeftijd die ooit tot de gegoede burgerij behoorde, maar wier fortuin inmiddels is verdwenen. In plaats van haar verval te aanvaarden, klampt zij zich met verbeten trots vast aan de uiterlijke tekenen van haar vroegere status: kostbare japonnen, diners, liefdadigheidsacties en een woning die zij nauwelijks kan onderhouden. Alles draait om de blik van de ander. Haar leven is een zorgvuldig geregisseerd toneelstuk waarin zij de hoofdrol speelt, terwijl het decor langzaam instort.

    Blasco Ibáñez tekent Doña Manuela met een evenwicht van ironie en mededogen. Zij is zowel tragisch als komisch: een vrouw die leeft van bewondering, maar door haar eigen illusies het verval van haar gezin onvermijdelijk maakt. In haar obsessie om haar dochters Concha en Amparo ‘goed te laten trouwen’, offert zij alles op – waardigheid, eerlijkheid en innerlijke rust. Haar jongste zoon Rafael is de verwende lieveling die onverantwoord met geld omspringt, terwijl haar oudste zoon Juanito, nuchter en plichtsgetrouw, als enige probeert het morele evenwicht te bewaren.

    Doña Manuela’s verschijning onthult veel over de thematische kern van de roman:

    ‘Ze naderde de vijftig, zoals ze enige malen aan haar dochter had opgebiecht; maar ze was zo trots en zag er zo goed uit, haar verheven postuur ging samen met zulke weelderige vormen, dat ze nog altijd een zekere vervoering wekte, vooral bij adolescenten, die in hun verhitte brooddronkenheid de uitstulpingen en zwellingen van de vervallende schoonheid een verering toedragen die ze de ranke en jeugdige frisheid onthouden.’

    Ze belichaamt de spanning tussen uiterlijk vertoon en innerlijk verval, tussen nostalgie naar een verloren wereld en de onontkoombare moderniteit van de nieuwe tijd.

    Valencia als spiegel van de samenleving

    Wat Sjees en paella intrigerend maakt, is de manier waarop Blasco Ibáñez het lot van één familie verweeft met een bredere sociale diagnose. Het Valencia van rond 1900 is een stad van contrasten: weelderige boulevards naast verarmde wijken, speculanten die fortuinen vergaren terwijl oude families geruisloos wegzinken. De drang om ‘erbij te horen’ bepaalt het handelen van bijna alle personages, een thema dat nog altijd herkenbaar is.

    Het verhaal is doortrokken van costumbrismo: het realisme dat de gebruiken, kleding, taal en omgangsvormen van een streek vastlegt. De levendige beschrijvingen van markten, rijtoeren langs de Turia, sociale rituelen en het onophoudelijke geroddel in cafés en salons maken van de roman een indringende momentopname van een verdwenen tijd. Blasco Ibáñez’ proza is rijk, zintuiglijk en soms uitbundig: zijn Valencia ademt, ruist en leeft.

    Een meester in observatie

    Wat deze roman bijzonder maakt binnen het negentiende-eeuwse realisme is de opmerkelijke psychologische scherpte van Blasco Ibáñez. Doña Manuela is geen karikatuur, maar een complex personage, gedreven door angst, trots en verlies. Haar broer tío Juan fungeert als moreel tegenwicht – een man van eenvoudige gewoonten, die de waarde van arbeid en geld begrijpt, maar machteloos moet toezien hoe zijn zuster zichzelf naar de afgrond drijft.

    Ook Juanito, de oudste zoon, is intrigerend. Hij beweegt zich tussen twee werelden, gevangen tussen de illusies van zijn moeder en de stem van zijn eigen geweten. Zijn ontwikkeling van volgzame zoon tot man die zijn eigen pad durft te kiezen verleent de roman emotionele diepte. Blasco Ibáñez toont hoe economische en morele waarden in elkaar verstrikt raken en hoe moeilijk het is om integer te blijven in een wereld die de schijn beloont.

    De kunst van vertraging

    De stijl is weelderig en zintuiglijk, maar niet altijd licht verteerbaar. Beschrijvingen kunnen zich over meerdere pagina’s uitstrekken, rijk aan minutieuze details over kleding, architectuur en landschap. Voor de hedendaagse lezer, meer gewend aan snellere vertelvormen, kan dat traag lijken, maar die traagheid is doelbewust: zij schept sfeer, geloofwaardigheid en historische diepte. Men ruikt de sinaasappels in de haven, hoort het geratel van de rijtuigen en voelt de zinderende hitte boven de stad.

    Blasco Ibáñez schrijft levendige dialogen, vaak doortrokken van ironie. Achter de alledaagse gesprekken schuilen sociale spanningen en morele dilemma’s. Sjees en paella wordt zo meer dan een familieroman; het is een fijnzinnig maatschappelijk portret waarin menselijke waardigheid onder druk staat in een tijd van economische onzekerheid.

    Een boodschap die blijft nazinderen

    Aan het einde van de roman blijft de lezer niet alleen achter met mededogen voor Doña Manuela, maar ook met herkenning. De wereld waarin uiterlijk vertoon belangrijker is dan innerlijke rust, waarin status en consumptie het geluk lijken te bepalen, is geen reliek van 1894. Blasco Ibáñez legt een menselijke zwakte bloot die tijdloos blijkt: de behoefte om beter te lijken dan men is.

    Daarmee krijgt ook de titel haar volle betekenis. De ‘sjees’ en de ‘paella’ zijn meer dan symbolen van een tijdperk: ze vertegenwoordigen twee manieren van leven die elkaar tot op heden tegenspreken. De rijtuigen zijn verdwenen, maar het verlangen om indruk te maken is gebleven. In dat spanningsveld, tussen rijst en rijtuig, tussen voeding en vertoon, toont Blasco Ibáñez hoe kwetsbaar trots kan zijn en hoe moeilijk het is eerlijk te leven in een wereld die voortdurend oordeelt. Sjees en paella is een hoogtepunt van het Spaanse realisme: meeslepend, ironisch en moreel geladen, een roman die de façade doorziet en de mens erachter onthult.

     

  • Veelomvattend prozadebuut

    Kookpunt van de Marokkaans-Nederlandse schrijfster Nisrine Mbarki Ben Ayad is een veelomvattend prozadebuut omdat de zeven verhalen die samen de roman vormen zich afspelen op vele locaties in Noord-Afrika en West-Europa, omdat veel motieven en personages een rol spelen en omdat belangrijke historische gebeurtenissen de revue passeren. Veelomvattend ook, omdat de roman Nederlandse lezers op een originele manier aan het denken zet over Euro- of Nederlandcentrisme en inzicht geeft in de binnenwereld van personages met Noord-Afrikaanse wortels of banden.

    Het vereist de nodige inspanning en wilskracht om je gerieflijk in de romanwereld van Kookpunt te bewegen, wat een lezer laat ervaren hoe (moeilijk) het kan zijn om je een ‘vreemde’ omgeving eigen te maken. Zo staan er in de roman de nodige Arabische teksten, bijvoorbeeld de opdracht voor in het boek, het motto bij het eerste verhaal en de hoofdstuktitel van het vierde verhaal Maria de Maagd en soms in de verhalen zelf. Ook hebben de meeste personages Arabische namen als Si Boujamaa Skerbik, Ydder Bel Abbes, Samia, Zainab, Salma Murqus, Malak Benayad en Hadj Bachir. Dit alles levert een enigszins vervreemdend (lees)ervaringsfeit dat nieuwkomers in Nederland maar al te goed kennen als levenservaring, namelijk net even wat meer je best moeten doen. De schrijfster zet de lezer daardoor niet alleen aan het werk, maar confronteert ook en dwingt tot waardevolle introspectie.

     Africentrisch

    Utrecht, Brussel, Amsterdam en Parijs figureren in de verhalen, maar het zijn vooral Noord-Afrikaanse en Arabische landen als Marokko, Algerije, Egypte en Syrië die een rol spelen. Mbarki wijst de lezer via haar personages en de verhalen op een lange geschiedenis van kolonialisme en imperialisme en noemt meer en (vooral) minder bekende historische feiten vanuit Afrikaans/Arabisch-perspectief. In november 1884 werden de Afrikaanse continenten op een conferentie in Berlijn ‘door zeven gulzige kolonisten (…) met een liniaal verdeeld’ in veertig landen, ‘met alle desastreuze gevolgen van dien’ schrijft ze in het derde verhaal, ‘Zalamit’, over Ydder Bel Abbes uit Algiers die dan in Brussel woont. ‘Ydder dacht vaak aan de kaart van Algerije (…) hij zag de onnatuurlijke lijn die zijn land scheidde van Mauretanië, Mali en Niger.’

    Hij denkt overigens ook met weemoed aan zijn marxistische medestudente Malak, aan haar geliefde die de Franse nucleaire atoomproeven vanaf de jaren ‘60 op de Bikini-eilanden en in Algerije onderzoekt en onder verdachte omstandigheden omkomt, en aan haar latere echtgenoot Hadj Bachir die juist bij de ontwikkeling van dat atoomprogramma betrokken was. In andere verhalen wordt het gewelddadige optreden van de politie bij een massademonstratie van Algerijnen in Parijs in 1961 genoemd (waarbij behalve dode ook honderden gewonde Algerijnen in de Seine werden gegooid en verdronken), het broodoproer in Marokko in juni 1981 en de burgeroorlog in Syrië vanaf 2011. De eerste twee zijn bekende historische feiten voor Noord-Afrikanen, minder of helemaal niet voor West-Europeanen.

    Ook aardrijkskundig wordt de Eurocentristische blik blootgelegd en ontmaskerd. Op de omslag van het boek prijkt een beeld uit de Tabula Rogeriana, een atlas die in 1154 is voltooid door cartograaf Muhammad al-Idrisi. Helemaal achterin de roman is een wereldkaart opgenomen die, anders dan de bekende mercatorvariant, recht doet aan de werkelijke groottes en verhoudingen van landen in de wereld. Daarop is bijvoorbeeld te zien dat West-Europa bijna in zijn geheel in Algerije past! De Nijmeegse professor politieke geografie Henk van Houtum pleit al enkele jaren voor het ‘bevrijden van de kaart’ (‘free the map’) in vele opzichten. Mbarki wil met deze uitsmijter ook duidelijk en terecht zo’n punt maken en een andere blik op de wereld(kaart) werpen.

    Nostalgie en dualiteit

    De zeven verhalen van de roman zijn afzonderlijk van elkaar te lezen, maar vormen een groter samenhangend geheel doordat dezelfde personages soms terugkomen. Het eerste verhaal, geschreven vanuit een ik-perspectief, gaat over een meisje dat tot dan toe in Brabant is opgegroeid en op jonge leeftijd door haar ouders naar grootmoeder in Marokko wordt verhuisd, wat de schrijfster ook heeft meegemaakt. In de roman verongelukken de ouders, in het leven van Mbarki gelukkig niet. Voor de jonge ik-persoon én voor de schrijfster, zo heeft ze zelf regelmatig in interviews gezegd, is deze emigratie in meerdere opzichten een verrijking. Stoffige straten ten spijt geniet ze van de nieuwe, rijke wereld en taal. In alle verhalen wordt op een overtuigende wijze een positieve, warme Noord-Afrikaanse couleur locale geschilderd. Een belangrijke overeenkomst in veel van de verhalen is het ‘zevenkoppig monster van nostalgie’ naar geuren, kleuren, sferen en chaos. Suad uit het verhaal ‘Anba Antonius’ begrijpt niet hoe mensen kunnen leven in de geordende wereld die Europa is.

    Mbarki Ben Ayad zelf keert in haar tienertijd wel weer terug naar Nederland. In sommige verhalen blijkt opgroeien in twee verschillende landen en culturen en je intrinsiek tot beide verhouden niet eenvoudig. Cultuurrelativisme, afwijzing en racisme helpen daar niet bepaald bij. In het voorlaatste (titel)verhaal ‘Kookpunt’ komen de emoties van identiteit en thuis tot een kookpunt als de hoofdpersoon in dat verhaal, hetzelfde personage als in de eerste twee verhalen, in Nederland racisme en uitsluiting gaat ervaren. ‘Alles is hetzelfde, je bent alleen vele tinten donkerder.’ De wereld is zwart-wit geworden, gekleurde mensen worden niet gezien. Via struikelstenen wordt er in de wijk verwezen naar de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog en gerefereerd aan 9/11 in 2001.

    Sindsdien worden bij douanecontroles mensen met Arabische namen juist wél gezien. ‘Fouad en ik belichamen een gevaar dat alleen witte mensen zien’, constateert het ik-personage in het tweede verhaal ‘Moedermelk’ en ‘de menselijke empathie heeft zelfmoord gepleegd op het witte continent’. In dat verhaal stelt de ik-persoon ook: ‘Wat Fouad niet weet, is dat ik alle dualiteit uit mijn leven probeer te bannen’. De ik in dit verhaal heeft een terugkerende nachtmerrie over een verdrinkingsdood in een zee van moedermelk en er zijn rekeningen met moeder te vereffenen. Een moeder trouwens die in het laatste dystopische verhaal ‘Matrice’ een positieve sleutelrol vervult.

    Eerder verscheen van de meertalig literair vertaler en programmamaker Mbarki de dichtbundel Oeverloos. Haar poëtische kwaliteit blijkt in haar prozadebuut Kookpunt. De roman is verzorgd geschreven, de stijl is beeldend en brengt de lezer naar andere plaatsen en tijden: ‘De klamme zomer en de loomheid waarin de stad deze zomer is verzonken en de herinnering aan Hadj el Bachir katapulteren hem terug naar zijn ouderlijke straat in Algiers, vijfendertig jaar geleden, naar de tijd dat zijn broekzakken gevuld waren met een oneindige hoeveelheid dromen, frustraties en enkele muntjes voor koffie en een sigaret.’ Dit denkt Ydder vanaf een terrasje in Brussel, de stad waar hij zo van houdt omdat iedereen er een vreemde is, omdat alle talen er gesproken worden en ‘het continent’ vertegenwoordigd is. Een ideale wereld dus. Hij bestaat.

     

     

  • Een circulaire tijdreis

    In De weg naar huis beschrijft Juliën Holtrigter een onderweg zijn, en soms een thuiskomen. Recht is die weg allerminst. Eerder is het een circulaire tijdreis in drie delen, ‘Hoog water’, ‘Verstekelingen’ en ‘De weg naar huis’. Elk deel bevat veertien gedichten met een overzichtelijke structuur. Veel gedichten tellen ook nog eens veertien regels, als bij een sonnet, weliswaar zonder rijm en in vrije vorm. Maar met een sobere en aangename cadans waardoor de lezer – waarheen het ook gaat – met de dichter kan oplopen. Bij Holtrigter geen gesol en met visuele grapjes, wegspringende letters en talige acrobatiek waaraan geen touw is vast te knopen. Deze bundel bevindt zich in de veilige zone tussen klassiek en modern, het experimentele is tenslotte niet aan iedereen besteed. De grondtoon die door bijna alle gedichten loopt is een soort melancholieke somberte. Al is die melancholie eerder nostalgisch dan zwaarmoedig. Dat maakt een groot verschil. Voor wie op grijze winterdagen graag mijmerend uit het raam staart, is deze bundel een niet te versmaden literaire lekkernij. En zelden paste een coverafbeelding zo bij de inhoud als deze ‘Bomenrij’ van Jan Mankes.

    Duurzaam leed

    Meteen al in het eerste van de drie delen wordt het introspectieve karakter van deze bundel duidelijk. Niet gelijk somber, maar weemoedig is het wel. Omdat deze tijdreis moeiteloos toen en nu, daar en hier aan elkaar paart, kan het gebeuren dat in een enkele strofe wordt beschreven wat er zo mooi is aan de wereld, en tegelijk wat er allemaal zo foeilelijk aan is. En nee, geen eenmalige ergernissen. Klinkklare ellende is het die zich telkens opnieuw aandient of zelfs helemaal niet meer weggaat. Het arriveert dagelijks in megacontainers, als de onnutte meuk uit lagelonenlanden.

    ‘Uit sterven / Een gloednieuwe morgen

    Een gloednieuwe morgen breekt aan,
    de haven ontwaakt, de sluizen gaan open,
    schepen voeren het heil aan in megacontainers:
    de nieuwste gadgets en speeltjes – lees: afvalhopen.

    Het land van belofte loopt onder en droogt ernstig uit.
    Een overvloedig tekort stapelt zich op. We hebben
    de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is
    noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.

    Terwijl de wereld vergaat, traag weliswaar maar
    gestaag, zitten wij naar ons beeldscherm te staren.
    We hebben het niet geweten, zal men ooit zeggen.
    Als alle leven is uitgestorven, staan onze kunststof
    kozijnen nog lang overeind, onze keramische heupen
    overleven nog eeuwen.’

    Hoop en vrees

    Toch zijn er ook prachtige beelden en zinnen. ‘Eenzaamheid fietst als een zieke artiest door de stad, besmet ongewild wie hij ziet.’ Of deze, ‘De trein komt voor even tot stilstand. Stapvoets gaat het verder, alsof er een dode aan boord is gekomen.’ Er zijn mensen – van een tijdperk eerder nog – die blijven zoeken naar potten met troost en hoop. Er is de nachtzuster die liefdevol haar patiënten kust. ‘In mijn zaaltje van angst en beven zal ze gaan zingen / vanmorgen, maar ik hoor haar nog niet. // Ik, nota bene de bedenker van het omhelzende bed, / ben een van de velen. / Zij is doodmoe en ik kan geen kant op.’

    Het is nooit allemaal zwart-wit, er zijn veel nuances, veel grijstinten. Hoop en vrees houden het naast elkaar uit in een wankel evenwicht, als bij een koorddanser op het slappe koord. En dat is wat ook de lezer in balans houdt, verontrustend en geruststellend tegelijk. Voor elke hardheid is er iets zachts, tegenover elk nieuw staat iets ouds, iets vertrouwds. De tijdreis gaat razendsnel en traag tegelijk: ‘Hij heeft de tijd: van vuistbijl tot smartphone duurde / een nanoseconde vanuit de Orionnevel gerekend.’

    Bijbelse motieven

    Omdat alles altijd in beweging is, is er ook altijd licht aan het eind van de tunnel. Of komt men weer vrij uit de buik van een enorme vis. ‘Er doemt een gigantische monstervis op / met wijd open kaken en alles wordt zwart. / Ik kan niet meer denken en hoor slechts ruis / totdat ik als een kersenpit uit word gespuugd. / En dan mag ik naar huis. – U hoort nog van ons.’

    Behalve deze strofe, die erg doet denken aan Jona in de walvis, zijn er meer bijbelse beelden: verloren zoon, woestijn, engelen en profeten, en zelfs een voorzichtige verwijzing naar Lazarus en de rijke vrek.

    Meer inspiratie werd gevonden achter de Hema: / een aftandse kameel wierp veel stof op, gaapte geweldig, / knielde gedienstig en bood me een lift aan. // Het beest, vast ontsnapt uit een circus, / droeg me de stad uit en verder en verder, richting woestijn. // Om weer te aarden?

    Sowieso spelen er – ragfijn, maar toch – mooie ouderwetse motieven door deze bundel. De liefde van een puber voor een lerares, met alle aandoenlijke onhandigheid van dien. En inderdaad iets met geloof en kerk, hoewel allang niet meer dat zwaar-zwarte waar Wolkers en de zijnen eertijds tegenaan schopten. Nee, een mild geloof, knus en huiselijk. Even Nederlands als vissersboten, tegenwind en fietsen over de dijken. Nostalgisch bijna, van toen geluk heel gewoon was. Hoewel, zo gewoon was dat geluk niet. In ieder geval niet probleemloos of volkomen, want tegenover thuis staat ontheemd zijn; bij op weg gaan hoort onvermijdelijk verdwalen, de weg kwijt raken. Dieper ligt de vraag of de plek die lange tijd je thuis was, wel de beste plek is om naar terug te keren.

    Litanie van gesukkel

    De reizigers op deze circulaire tijdreis – Holtrigter noemt ze verstekelingen – ervaren de tijd op eigen wijze en hebben daar hun eigen gevoelens bij. Over het precieze hoe en wat van tijd en ruimte is weinig onderlinge overeenstemming. De dichter lijkt daar niet mee te zitten, die laat zich niet opjagen; die laat het allemaal naast elkaar bestaan.

    ‘Waar tijd niet bestaat maar wel lichtjaren ruimte, / zijn daar de zielen van oude kettinghorloges? / Is er een klok die lichtjaren telt?’

    Toch hebben die verstekelingen wel een paar dingen gemeen. Hoe kan het ook anders als het onderscheid tussen begin en einde, oorsprong en bestemming, verleden en toekomst zo vaag is dat daardoor zelfs de lijn tussen herinnering en droom niet meer helder is. Telkens is het maar de vraag of iets al heeft plaatsgevonden of dat het nog te gebeuren staat. Of dat, en daar schuurt zachtjes de weemoed, het gedane nog eens gebeuren mag, opnieuw, maar anders. En daar is de omgekeerde weg die blijkbaar veel dichters – of mensen met een dichtersgemoed – afleggen. Bij wie het leven niet licht en zorgeloos begint zoals bij de meeste kinderen, maar juist zwaar, en dat het gaandeweg lichter wordt. En niemand weet waarom.

    Of misschien ook wel. Iets met gewenning, niet door de zwaarte van het leven overvallen worden, maar altijd al geweten hebben dat die er was, dat het nu eenmaal een litanie van gesukkel zou worden. Alles wat daarna blijkt mee te vallen is winst.

    ‘Dit wandelend eiland

    Dit wandelend eiland is tijdloos want onbewoond.
    Roestige boten, daar vastgelopen, staren hol
    naar elkaar als ontluisterde goden.

    Rondom woelt de zee.
    Er drijven, als in de kosmos planeten.
    Ik duik en luister, hoor golfslag en ruis.

    Ik heb mijn ziel bloot gelegd, lispelt de zee,
    en nu jij.
    Er is een diepte in mij, zing ik, die ik niet ken
    maar vermoed, ik was er dichtbij.

    Een vis ben ik die in de loop van de eeuwen
    zijn afkomst voorgoed is vergeten.

    Dolend niet weten dat je verdwaald bent.
    Zoiets.’

     

     

  • Roman die veroverd moet worden

    De A van Asta van de Deense Tine Høeg heeft als eerste zin op een verder lege bladzij: ‘Ik krijg een uitnodiging voor een herdenkingsbijeenkomst op 29 juni in café Blomsten’. Hij staat op de ongenummerde pagina 7. Precies dezelfde zin wordt herhaald op pagina 101, maar dan gecursiveerd. Opnieuw is de rest van de pagina leeg en je moet zelf doortellen om te weten waar je aangekomen bent. Die zin wordt niet voor niets herhaald. In de loop van de roman lijkt hij een cesuur aan te geven.
    We maken aanvankelijk kennis met Asta die woont in een studentenhuis en al lang bevriend is met medebewoonster Mai.
    Die eerste honderd pagina’s spelen zich af in de tegenwoordige tijd. In wat we nu maar voor het gemak het tweede deel noemen is er een terugblik op tien jaar geleden toen de vriend van Mai, August, overleed aan een hartkwaal. De uitnodiging voor 29 juni roept bij Asta verdrongen herinneringen op.

    Voor de argeloze lezer gebeurt er niet eens veel. Er is in het eerste deel het dagelijkse leven van de groep en veel studentikoos gekeuvel. Dat is het verraderlijke aan deze roman. Hij bestaat uit allemaal losse zinnen uit gesprekken waarin van de hak op de tak wordt gesprongen. Je bent geneigd ze snel te lezen. Maar pas op. Na tien, twintig pagina’s beginnen dingen te resoneren waar je bij eerste lezing nauwelijks aandacht aan schonk. Dan blijkt onder het vertelde een spanning te liggen.
    Asta schrijft aan een roman over de Poolse beeldhouwer Lysander Milo (die werkelijk geleefd heeft) die op 23-jarige leeftijd verdween: ‘in een grote kelderruimte vond men meer dan honderd bustes van cement, in het diepste geheim gemaakt, een dwarsdoorsnede van de werknemers van de fabriek’ (een paar jaar later dook Milo weer op om daarna voorgoed te verdwijnen).

    Kinderen

    Af en toe verwijzen zinnen in dit eerste deel naar tien jaar geleden, hoewel je daarover als lezer nog niet veel weet: ‘Ik wist niet dat je schreef, deed je dat toen ook al?’
    Er moet voor Asta iets aan geheimen opgeroepen zijn nu de herdenkingsbijeenkomst aanstaande is. En er is nog iets: Mai heeft een tweejarig zoontje Bertram waarvoor Asta zich graag leent als oppas. Zelf zegt ze geen kinderen te willen, maar de waakzame lezer gaat daaraan twijfelen. Ze is via Tinder op zoek naar een partner, maar loopt tegen teleurstellingen op:

    ‘ik pak mijn telefoon weer op en verwijder Tinder

    ik heb zin om te huilen
    of iemand uit te schelden

    maar ik weet niet wie’

    Wit

    Deze paar zinnen geven meteen een beeld van de bijzondere vorm van de roman. Er staat veel wit tussen. Ze beginnen bovendien niet met een hoofdletter en er wordt nauwelijks interpunctie gebruikt. In het citaat is Asta, de verteller, aan het woord, maar dat is niet altijd zo duidelijk. Soms worden anderen sprekend opgevoerd zonder aanhalingstekens of zonder dat ze als woordvoerder worden benoemd. Ook wisselen perspectieven nogal eens. De roman kent verder geen hoofdstukken en pagina’s zijn lang niet altijd genummerd. De enige duidelijke onderscheidingen vind je als er sprake is van sms-jes of appberichten. Die zijn gehighlight en uit de plaatsing links of rechts op de pagina valt op te maken wie het bericht stuurt.

    In het tweede deel gaan we veelvuldig tien jaar terug en wordt langzaamaan duidelijk dat tussen Asta en Mai iets is verzwegen uit de tijd dat ze elkaars vriendin waren en August de man van Mai. Asta slaagt er niet meer in haar roman over Milo af te maken; ze gaat een ander boek schrijven. Zoals Milo na zijn verdwijning betonnen bustes naliet, zo gaat Asta nu aan de slag met haar herinneringen die bleven na de dood van August.

    Fragmenten

    Je krijgt soms het gevoel dat je als lezer met het tweede deel dat nieuwe boek van Asta zelf aan het lezen bent. Tegen het einde print ze de 324 bladzijden van het manuscript uit en bezorgt ze in een envelop bij Mai:

    ‘Je moet iets lezen
    Je boek?
    Ja. Wacht!
    Ik leg mijn hand op de envelop,
    Morgen pas
    Als ik hier niet ben’

    De A van Asta geeft zich niet gemakkelijk prijs. De lezer moet bereid zijn om flarden van zinnen en kleine fragmenten in zich op te nemen om zo het boek te veroveren. Dat vergt terugbladeren, herlezen en rationalisaties loslaten. Het roept ook vragen op, zoals bij de achternaam van August die maar één keer wordt genoemd: Oskarsson. Net als de achternaam van een (wel fictieve) kunstenaar in de roman, Anna-Barbro Oskarsson van wie Asta met anderen een expositie bezocht. Wat is het verband tussen die twee?

    Auteur Tine Høeg houdt erg van taal. In de roman worden taalspelletjes gespeeld tussen de studenten en in een trein raakt Asta geïrriteerd door spelfouten die ze ziet op borden die ze passeert. En als Nederlander, die het Deens niet machtig is, zou je graag willen weten wat er in het origineel staat wanneer de vertalers een personage laten zeggen dat de inhoud van een catalogus ‘gebakken lucht, Kopenhaagse bluf’ is.

     

  • Alledaagse situaties in Gaza

    De genocide in Gaza laat niemand onberoerd. In de zomer van 2023, enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog, werd het project Stemmen uit Gaza opgezet, een initiatief van uitgeverij Jurgen Maas in samenwerking met de Nederlandse Hope Foundation. Dit project heeft als doel jaarlijks het werk van een Palestijnse auteur uit Gaza uit te geven in het Nederlands. De Hope Foundation wil onder andere via kunst, cultuur en onderwijs Palestijnse kinderen en jongeren in Gaza perspectief, verwerking van trauma en creatieve expressie bieden.

    Het eerste werk, de roman Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda werd goed ontvangen. Communicatie moeilijkheden door de oorlogshandelingen zorgden ervoor dat er tot dit jaar gewacht moest worden voor het tweede werk verscheen. Dat werd de verhalenbundel De man die achteromkeek. Dit werk van Amer Almassri biedt een uniek venster op het leven in Gaza. Almassri, een Palestijnse schrijver uit Gaza, richtte zich al vroeg op literatuur naast zijn ingenieursstudie. Hij beschrijft menselijke gevoelens en dagelijkse ervaringen tegen de achtergrond van een samenleving die gebukt gaat onder conflict, tradities en sociale beperkingen.

    Verhalen

    Acht verschillende verhalen die elk op hun eigen manier een inkijk bieden op het leven in Gaza. Telkens gebruikt de auteur een andere stijl en onderwerp, maar ze hebben gemeen dat de menselijke emoties en alledaagse worstelingen centraal staan. Zo is er het verhaal van Hazim, een voormalige welgestelde man die nu aardappelrooier is, en die geconfronteerd wordt met zijn vroegere geliefde, inmiddels getrouwd en moeder. Of Zainab, een jonge vrouw gevangen in een huwelijk en onder druk van familieverwachtingen, die uiteindelijk een belangrijke keuze maakt over haar eigen leven. En Wagon 10 naar Caïro waarin een bende jonge schoolmeisjes de trein neemt naar Caïro om te ontsnappen aan de beklemmingen van Gaza.

    Dat die trein allang niet meer bestaat, maakt het verhaal des te  pakkender. Andere verhalen spelen in op sociale conventies, genderongelijkheid, traditie versus verlangen, herinnering en verlies. Soms komt de dreiging van geweld en oorlog impliciet naar voren zoals in ‘Verjaardag in een schuilkelder’, of in de achtergrond van eengebeurtenis, maar zelden als direct politiek statement. De verhalen creëren een sfeer waarin alledaagse situaties – een trein die stilvalt, een vrouw die vastloopt in haar dagelijkse leven – worden doorspekt met betekenis en reflectie.

    Mensen

    Almassri’s stijl kenmerkt zich door een subtiel evenwicht tussen ernst en lichtheid. Zijn taalgebruik is concreet en beeldrijk, maar zonder veel overbodige woorden. Hij werkt vaak met symboliek en onverwachte, soms absurdistische wendingen. Humor, ironie en absurditeit worden afgewisseld met verdriet, heimwee en frustratie, waardoor de lezer zowel wordt geraakt als aan het denken gezet. De toon is niet moraliserend; het verhaal ontwikkelt zich door observaties, dialogen en de gedragingen van de personages. Vaak  zien we pas aan het einde wat de implicaties zijn van hun keuzes en omstandigheden.

    De personages in De man die achteromkeek zijn geen klassieke helden; het zijn gewone mensen, vaak arbeiders, moeders, geliefden, mensen die proberen hun waardigheid te behouden binnen sociale structuren die hen beperken. Ze worstelen met verlies, verplichtingen en verlangens, en hun menselijkheid en veerkracht worden zichtbaar in kleine handelingen, herinneringen en reacties op hun omgeving. Almassri gebruikt hen om universele thema’s te verkennen: verlies en herinnering, identiteit, sociale verhoudingen en genderrollen, en de veerkracht van het menselijk leven. Humor en absurditeit gebruikt hij om het contrast tussen het alledaagse en de soms harde realiteit van Gaza te benadrukken. De verhalen reduceren de werkelijkheid van Gaza niet tot oorlog of politiek, maar tonen hoe gewone mensen hun leven leiden temidden van beperkingen, dreiging en sociale druk. De bundel is een mooie illustratie van de gewone menselijke ervaring, waarin empathie en herkenning bij de lezer centraal staan.

    Veerkracht

    De verhalen in  De man die achteromkeek zijn aangrijpend, maar worden nooit sentimenteel. Almassri gebruikt een zeer toegankelijke, maar beeldrijke stijl en kan emoties en situaties overbrengen die anders moeilijk voor te stellen zijn. Sommige verhalen zijn wat kort en bieden daardoor te weinig ruimte voor diepgaande psychologische ontwikkeling van personages of duidelijke motivatie. Ook het gebrek aan expliciete (historische of politieke) achtergrondinformatie maakt het soms moeilijk om de verhalen volledig te kunnen plaatsen. Desondanks is de bundel geslaagd in het bieden van een authentieke stem uit Gaza.

    Verhalen over mensen die hun veerkracht tonen onder moeilijke omstandigheden. Een zowel emotioneel als intellectueel sterk geschreven verhalenbundel die de lezer toont over hoe mensen hun leven (moeten) leiden in moeilijke omstandigheden in het Gaza van vandaag en in conflictgebieden in het algemeen.

     

  • Weten wanneer je hulp moet bieden

    Nastya in Charkiv, Naar de frontlinie van Europa is een prachtig vormgegeven bundeling verhalen door Jaap Scholten over een hulpkonvooi naar Oekraïne, over Oekraïners in de strijd  tegen Rusland, en over arts en psycholoog Nastya. Zij is Nederlands-Bulgaars en groeide op in Den Haag en is een senior combat medic, een hospik in Charkiv. Ze is plaatsvervangend commandant van een compagnie, en spreekt Engels, Russisch en Oekraïens. ‘We helpen haar en haar eenheid al ruim een jaar. Ze is al drie jaar actief in de oorlog.’ Met geschreven en gesproken berichten via de smartphone heeft Scholten contact met haar. De berichten zijn in het boek in blauw cursief afgedrukt, net als alle uitspraken van anderen en citaten uit boeken of artikelen. Achterin het boek worden de bronnen door Scholten genoemd en toegelicht.

    Op het omslag, op de flappen en binnenin het boek staan indrukwekkende zwart-wit foto’s van Eddy van Wessel, die meereisde met het konvooi. Scholten onderneemt de tocht namens de mede door hem opgerichte organisatie Protect Ukraine. De manier waarop hij daarvan verslag doet, is meeslepend en met passende humor geschreven. Jaap Scholten verdiende zijn literaire sporen vanaf de jaren negentig met de bekroonde romans Kameraad Baron (2010) over de verdwijnende Transsylvaanse aristocratie en Horizon City (2014), de kroniek van zijn eigen familie. Sinds 2013 woont de schrijver met zijn Hongaarse echtgenote en hun kinderen in Hongarije. Direct na de Russische inval werd hij actief in de ondersteuning van Oekraïne en in 2022 verscheen daarover het boek Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv & een sniper.

    Weten wanneer je hulp moet bieden

    In Nastya in Karkiv vertelt Scholten hoe hij ertoe gekomen is zich in te zetten voor Oekraïne. Op de ochtend na de invasie werd hij gebeld door een nichtje dat haar leven deelt met een Oekraïner. Ze vroeg of hij de familie van haar vriend in Kyiv kon helpen. Waarna Scholten zonder aarzelen vanuit Hongarije naar de grens reed die hij, na vier dagen wachten, wist te passeren. Daar zag Scholten hoe een roodharig meisje vanuit een roestige bestelbus een stapel dekens tevoorschijn haalde en aan verkleumde vluchtelingen uitdeelde. Hij schreef daarover al in zijn eerdere Oekraïne boek, maar hier vertelt hij wat het voor hem betekende: ‘In de vrieskou bij de grenspost besloot ik, op het moment dat de deken over de schouders van het bibberende meisje werd geslagen, dat ik niet moest blijven toekijken en noteren, maar iets moest gaan dóen’.

    De verhalen springen heen en weer in de tijd, van februari 2022 tot februari 2025. Ook kijkt Scholten terug naar november 2003 toen hij in Hongarije een huis opknapte. ‘Eigenlijk had ik veel eerder in mijn leven bewust moeten worden wat het Kremlin en Poetin bezielden, maar ik heb niet opgelet.’ Door zijn deelname aan het Europees Cultureel Parlement leerde hij onderzoeksjournalist Anna Politskovskaja kennen. Zij schreef voor de Navaja Gazeta maar werd ‘op 7 oktober 2006, de verjaardag van Poetin, in de lift van haar appartement […] doodgeschoten.’ De dag ervoor had ze een verhaal ingeleverd over de martelpraktijken in Tsjetsjenië. Scholten citeert een tekst van Politskovkaja uit 2004, waarin staat dat een journalist zich totaal moet onderwerpen aan Poetin. ‘Anders kan het de dood, de kogel of een rechtszaak zijn.’

    Het zevende konvooi

    Tien verhalen hebben als titel Konvooi 7 en zijn geschreven tijdens of na zijn reis in februari 2025. Ze zijn de rode draad in het boek en gaan over het zevende konvooi naar Oekraïne. Maar ook in de andere verhalen gaat het vaak over het konvooi en wat zich daar afspeelt. Dit konvooi bestaat uit twintig konvooigangers en ‘drie ambulances, vijf terreinauto’s een passagiersbusje en een vrachtwagen met rode kruizen.’ De auto’s zijn volgeladen met medicijnen en allerlei medische en militaire hulpmiddelen. Vooral grote en kleine drones, maar bijvoorbeeld ook haringen en stroopwafels. ‘We toeren door Oekraïne en leveren spullen en terreinauto’s af bij de eenheden.’ Ze zijn op weg naar Nastya aan het front, de reis gaat via Lviv, Kyiv, Sumy, Charkiv en Mikolajiv naar Odessa. Als eerste ontvangt Olesya het konvooi in Lviv. Zij is arts en therapeute en vertelt de konvooigangers over haar werk. Olesya heeft via internet met Scholten contact gelegd, nadat ze de Engelse vertaling van zijn vorige boek had gelezen en ze vroeg hem om spullen die ze nodig hebben.

    Onderweg ontmoeten de konvooigangers de Oekraïners bij wie de auto’s, drones en andere spullen worden afgeleverd. Jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, medici, militairen, mariniers, beroeps en vrijwilligers, managers, boeren, chauffeurs, een graffity-artiest, een danseres. Het zijn er veel en allemaal verdedigen ze hun land. In de andere verhalen schrijft Scholten over de Oekraïense PEN, de verhouding tussen de soldaten, tussen mannen en vrouwen, over mensenrechten, en over de ontmoeting met Nastya. Zij vertelt over het moment waarop zij besloot meer te doen dan spullen naar Oekraïne te brengen: ‘Ik ben geen vechter, ik ben geen soldaat, maar helpen wil ik wel.’ Jaap Scholten, Tommy Wieringa en vijf konvooigangers bezoeken ook Nastya’s huwelijksfeest. Ze ‘straalt als de zon’ wanneer ze vertelt hoe ze haar man ontmoette. Ze trouwen en gaan twee dagen op huwelijksreis, buiten het bereik van de raketten.

    Het maskeren van bedoelingen door Rusland

    In een van de laatste verhalen vertelt Scholten over ‘maskirovka’, het maskeren van je bedoelingen, wat Rusland voortdurend doet om iedereen op het verkeerde been te zetten.  En hij schrijft over de martelingen, het geweld en de geweldsdreigingen die Poetin uit laat voeren, als bewonderaar van Felikjs Djerzjinski, de oprichter van de eerste bolsjewistische geheime dienst Tsjeka.Hun werkwijze zie je volgens Scholten terug in Oekraïne. Hij citeert en interviewt ook mensenrechtenadvocaat Oleksandra Matviichuk, die ambassadeur is voor Support Ukraine, over de ‘werkelijke racistische cultuur’ in Rusland. ‘Russische bezetting betekent gewelddadige ontvoering, verkrachting, merteling.’ Zij maakt zich hard voor een speciaal tribunaal voor Vladimir Poetin.

    In het verloop van de oorlog zijn hun tochten volgens Scholten een ‘langzame en onvermijdelijke afdaling in het gitzwarte’. De spullen die ze brengen zijn ‘stille getuigen van het desperate karakter van de oorlog’. Sinds vorig jaar nemen ze ook katheters en luiers mee. ‘Vrijwel alle Oekraïense militairen die uit Russische gevangenschap terugkeren, zijn zodanig gemarteld dat ze incontinent zijn.’ De meest gruwelijke dingen die ze hebben gehoord noteert hij niet in detail. ‘Ik heb op het laatste moment martelverhalen geschrapt, anders leest geen hond in Nederland dit boek.’ De lezer moet sowieso een sterke maag hebben, ook zonder al die martelingen. Maar het geeft een goed beeld van binnenuit wat de Oekraïense bevolking moet doorstaan en wat de westerse pers niet laat zien.

    Het konvooi eindigt in Odessa, met een wandeling langs de beroemde en door een bom beschadigde Transfiguratiekathedraal. Met de trappen die bekend zijn geworden door de film Pantserkruiser Potjomkin van Sergej Eisenstein. Scholten probeert nog van een proefgranaat af te komen, die hij als een ongewenst cadeautje in zijn bagage heeft. Hij wil het ding ongezien in zee laten vallen, als een van de ondanks de oorlog min of meer tragisch humoristische anekdotes in dit overdonderende oorlogsverhaal.

     

     

  • Meer dan altijd weer dat ongeluk

    Het leven van Johan Veeninga (1915-1966) eindigt ‘zo erg morsdood (…) op een snelweg’, zoals zijn jongste dochter (Djoeke) nogal direct over hem verwoordt in haar boek Het privédomein van mijn vader. Wat ze wil, is haar vader daarin weer tot leven brengen. Dat doet ze vooral in zijn eigen woorden, geput uit brieven en andere teksten en aan de hand van foto’s en de inhoud van zijn boekenkast. Tegenover ‘altijd weer dat ongeluk’ plaatst ze de man die aan de wieg stond van de literaire reeks ‘Privé-domein’ van uitgeverij de Arbeiderspers, waar hij adjunct-directeur was.

    Maar zover zijn we nog niet. Djoeke Veeninga beschrijft eerst de jeugd van haar vader in een gezin in Haarlem dat het niet al te breed had, de kweekschool, de baan als onderwijzer aan de Montessorischool in Haarlem en de dienstweigering. Toen hij werd opgeroepen, weigerde hij dienst en kwam terecht in de rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Het hierboven telkens herhaalde lidwoord ‘de’ is ingegeven door de inhoudsopgave van het boek, waarin elke paragraaf binnen één van de drie hoofdstukken (Haarlem/Veenhuizen, Den Haag en Amsterdam) vooraf wordt gegaan door dit lidwoord.

    Levensloop

    De loop van Veeninga’s leven wordt afgewisseld met beschouwende gedeeltes (bijvoorbeeld over ‘De zoekende ideoloog’, 1939) en als gezegd brieven en andere teksten van Djoeke Veeninga’s vader. ‘De zoekende ideoloog’ leest wat stroef, stroever dan de tekst van de dochter, die journaliste en programmamaker is.

    Niet alles wat hij schrijft valt meteen te plaatsen of is voor een buitenstaander even interessant, maar gelukkig geeft Djoeke context aan personen en situaties mee. Voor achtergrondinformatie plukt ze uit boeken van bijvoorbeeld de historicus Ger Harmsen. En toch ontglipt haar vader haar soms. Waarom is bijvoorbeeld de dienstweigeraar en pacifist die in het verzet zat overgegaan tot het liquideren van de WA-commandant van Haarlem? Een schot dat overigens niet dodelijk bleek.

    Soms ontkomt Djoeke Veeninga niet aan wat opsommerige passages, bijvoorbeeld wanneer ze de boekencollectie van haar vader beschrijft. Veel namen en titels passeren de revue. Maar waarom haar vader juist díe boeken las, wat de samenhang ertussen was, blijft onbesproken. Dat verwondert temeer omdat de schrijfster haar vader al op de eerste pagina introduceert als existentialist. Dat roept de vraag op: waar blijven existentialistische schrijvers als Sartre, De Beauvoir en tot op zekere hoogte Camus? We moeten geduld hebben, blijkt, want dit thema komt later alsnog aan de orde, wanneer Johan in een brief vermeldt dat zijn ‘vertaling van Sartre persklaar moet’. Dat wil zeggen van Het existentialisme is een vorm van humanisme (1946).

    Den Haag

    Interessanter is het tweede hoofdstuk over de Haagse periode na de bevrijding. Niet zozeer omdat Veeninga inmiddels een baan heeft als hoofdredacteur van de Jeugdkampioen van de ANWB, maar omdat van die periode de brieven met ‘zijn meisje’ ook haar antwoorden en zijn ‘kanttekeningen’ daarbij zijn opgenomen. Dat meisje is Djoekes moeder, Johanna (Joke) Kloosterboer.

    Na de tijd in Veenhuizen en de Tweede Wereldoorlog komt nu ‘deze lichtvoetigheid’ met Joke ‘zijn leven binnen trippelen’. Johan wil alle narigheid achter zich laten. Ze gaan samenwonen, trouwen en Johan onderhandelt over zijn salaris. Er wordt een zoon geboren, Duco.

    Amsterdam

    In november 1952 verlaat Veeninga de ANWB en gaat met zijn gezin naar Amsterdam. Daar wordt Djoeke ‘gehaald’, door de bekende huisarts/wethouder Ben Polak. Het boek wordt steeds interessanter, ook bijvoorbeeld door de beschrijving van Nieuw-West, de Amsterdamse buurt waar ze wonen: ‘Zo erg aan de rand van de stad dat je er bijna af valt’.

    Johan gaat als redacteur en na 1961 als adjunct-directeur werken bij de Arbeiderspers, als opvolger van Alfred Kossmann. Een van de eerste manuscripten die hij onder ogen krijgt, is De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. In zijn Memoires van Boontje (1988), welke memoires deel uitmaken van de beroemde serie Privé-domein, schreef Boon hierover. Al lezend kom je ook een schrijver tegen waarover Inge Meijer van Literair Nederland een column schreef: Ab Visser (1913-1982), een Flamboyant schrijver. Leuk hoe zo’n min of meer vergeten schrijver opeens ook op een andere plaats weer opduikt. Veeninga schrijft overigens, naast vertalen, zelf ook. Onder meer een reeks over Pukkie Planta bij de gelijknamige margarine en een jeugdboek, Het raadsel van de vier getallen.

    Op z’n minst even belangrijk als Privé-domein is de ABC-reeks, het eerste Nederlandse pocketboek dat helemaal in de geest van de Arbeiderspers én van Johan Veeninga past. Op die manier kon namelijk de gewone man ook een boek kopen en lezen.
    Het privédomein van mijn vader eindigt weer met het verkeersongeluk, waardoor de cirkel rond is. Veeninga is slechts vijftig jaar geworden. Ook de zoon Duco overleed bij dit ongeluk. Met haar boek doet Djoeke Veeninga haar vader eer aan en ondanks enkele kanttekeningen is het een interessant verhaal omdat het niet alleen als biografie maar ook als tijdsbeeld is te lezen.

     

     

  • Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Volgend jaar viert Peter Handke zijn zestigjarig jubileum als schrijver. In 1966 verscheen zijn debuut Die Hornissen (De wespen, 1979) en trok zijn toneelstuk Publikumsbeschimpfung (Hooggeëerd publiek, 1968) internationale aandacht. Geboren in Oostenrijk, woonde de jonge Handke in de DDR. Later reisde hij over de hele wereld en sinds 1990 woont hij in de regio van Parijs. Handke is een bijzonder productief auteur, maar zelfs van een Nobelprijswinnaar wordt niet alles vertaald. Al kun je je afvragen waarom de roman Der Hausierer (1967) als enige van zijn vroege werk nooit in het Nederlands werd vertaald.

    Wanneer Handke, zoals vaak, zijn werk in Oostenrijk situeert, dan gaat het eigenlijk om een klein stukje van dat land, het deel van Karinthië dat grenst aan Slovenië. Zoals in Nog altijd storm (Immer noch Sturm, 2010) vertaald door Miek Zwamborn. Zij is dichteres en wellicht daardoor geschikt om deze tekst te vertalen die leest als een roman, maar ook als een toneelmonoloog. Zowel in Duitsland als in Oostenrijk kreeg dit boek een theaterprijs. ’t Barre Land speelde in april dit jaar, ter gelegenheid van de verschijning van Zwamborns vertaling een aantal monologen daaruit. Toch is de tekst moeiteloos als een poëtische, theatrale roman te lezen.

    De verteller en zijn overleden familie

    De verteller, die gezien zijn familiegeschiedenis sterk lijkt op Handke zelf, zit aan het begin van het verhaal op een bank naast een appelboom voor een boerderij in het Oostenrijkse Jaundal, aan de grens met Slovenië, dat Handke voor de gelegenheid als Jaunfeld heeft herdoopt. Er doemen plots overleden familieleden op die op deze plek hebben gewoond. Zijn grootouders en hun vijf kinderen: drie ooms, een tante en zijn moeder, leden van de ‘Svinec-clan’. Een of meer familieleden spreken de verteller toe. Als een clanlid zwijgt, houden de anderen hun adem in. De ‘droom’ van de verteller begint in 1936, ‘een gelukkig jaar’. Twee jaar voor de Anschluss, waarbij de ‘austrofascistische Bundesstaat Österreich’ werd ingelijfd in het Derde Rijk. Daarna volgen er scenes uit 1942, het geboortejaar van de verteller, ook het jaar waarin de drie broers moeten dienen in het Duitse leger, en uit 1945, het jaar van de Duitse capitulatie.

    De moeder van de verteller wil van het leven genieten. Haar zuster Ursula was werkster en woont daarna teruggetrokken in de koestal. De oudste broer Gregor heeft slechts een oog, studeerde over de grens in Joegoslavië voor fruitboom verzorger en heeft het ouderlijk erf van een appel- en perenboomgaard voorzien. Hij werd daarin een echte expert. Wanneer Gregor voor militaire dienst in Nederland verblijft, is zijn hoogtepunt dat hij oog in oog komt te staan met de Schone van Boskoop. Broer Valentin is een rokkenjager en een wereldburger. Hij wil per se goed Engels leren spreken en misschien ooit emigreren naar Amerika. Het nakomertje (Benjamin) valt in zeven sloten tegelijk en heeft een hekel aan alles en iedereen.

    In de oorlog zit Gregor als soldaat in Nederland, verveelt Valentin zich in Noorwegen en bevindt Benjamin zich in de Oost-Europese steppen, vanwaaruit ze brieven naar huis schrijven.

    Omdat de moeder de brieven van haar broers voorleest, speelt ze een belangrijke rol in het tweede deel van het boek. Daarbij is haar grote liefde, de vader van de verteller, een Duitser. Het kind wordt dan ook door de clan verwenst. Peetoom Gregor over de baby: ‘Ja, hij daar is mijn vijand. De koekoek die ons inheemsen tot op de laatste piep en donsveren uit het nest zal smijten. Futiel schepsel, vormbeginsel van de grote vijand, van de usurpator. Familievijand – volksvijand. De wieg uit met jou, het hondenhok in met dat bastaardkind.’

    Stel je voor: de verteller hoort dit aan, op de bank als bejaarde man, ouder dan zijn grootvader tegenover hem, in aanwezigheid van de zuigeling die hij ooit was. Fascinerend, maar ook ontroerend.

    Taal als motief

    Taal vormt een cruciaal motief in Nog altijd storm. Tijdens de oorlog is het in het Reich verplicht om in het openbaar Duits te spreken. Daarom is het Sloveens van de clan door de Duitsers verboden als ‘ondermensenkoeterwaals’, dat de censor in de soldatenbrieven van de broers zwart kleurt. Zelfs de namen worden officieel verduitst: Svinec wordt Swinetz. De grootvader vervloekt daarom alle Duitsers, ‘van Arnulf tot Ziegfried, van de Anneliesen tot de Zieglindes’.

    De clan heeft een visie op de eigen taal. Allerlei woorden mogen van de grootouders in hun huis niet worden gebruikt. Zoals ‘liefde’, ‘geschiedenis’, ‘tragedie’ en ‘ik’. De moeder van de verteller herkent haar zoon aan zijn taal, zoals ook de rest van de familieleden: ‘Aan jouw taal herken ik je, apenzoon. Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal (…). Niemand in het hele land spreekt zoals wij, zal zoals wij gesproken hebben.’

    In de oorlog sneuvelen twee broers. Ursula sluit zich aan bij de partizanen, gevolgd door broer Gregor, die deserteerde uit het Duitse leger. Na veel ontberingen en sterfgevallen heeft hun lokale verzet van Sloveense Karinthiërs uiteindelijk een deel van de streek in handen. Trots dat ze al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog als enige verzetsgroep in heel het Derde Rijk zelf een gebied hebben veroverd. Waardoor Oostenrijk zelfs na de Nazi capitulatie bij de onderhandelingen met de geallieerden in een gunstige positie kwam te verkeren.

    Mede daarom en tot de grote teleurstelling van ‘dappere hazenharten’ als oom Gregor, kwam het Sloveense deel van Karinthië uiteindelijk niet bij Joegoslavië. Handke gaat hier verder niet op in, maar het nabije Tolmin, dat door Joegoslavische partizanen werd bevrijd, ging in 1947 wel degelijk van Italië naar dit buurland. Ondanks het ‘familievijand – volksvijand’ heeft oom Gregor een bijzondere band met zijn petekind, ook omdat hij de oorlog heeft overleefd. Overigens in een land dat de hevig ontgoochelde Gregor niet meer herkent, zijn boomgaard is afgebrand en vervangen door een parkeerplaats voor pantserwagens.

    Levensgeschiedenis als materiaal

    De boerderij, de grootouders en hun vijf kinderen komen ook in ander werk van Handke voor. Soms in iets andere gedaanten en omstandigheden. Het gaat er dan ook niet om, zo dicht mogelijk bij de werkelijke levensgeschiedenis van Peter Handke te komen, maar om de verschillende manieren waarop de schrijver die als materiaal gebruikt. Al in zijn debuutroman spelen brieven van en associaties over een oom Gregor die in november 1943 sneuvelde, een belangrijke rol. In Dwars door de dorpen (1981), net als Nog altijd storm een soort dramatisch gedicht, keert een Gregor terug naar zijn vaderland dat hij niet meer herkent. Vervolgens, in het epos Herhaling (1986) lezen we Filip Kobals zoektocht naar zijn verdwenen broer Gregor. En een zekere Gregor Keuschnig is een personage in zowel Het Uur van de Ware Sensatie (1975) en Niemandsbaai (1994) als Nacht op de rivier (2008).

    In Mein Tag in anderen Land. Ein Dämonengeschichte (2021) lijkt het personage dat jarenlang door demonen wordt geteisterd sterk op de fruitboomteler oom Gregor, met het petekind als de verteller en ‘chroniqueur’. Helemaal aan het slot van Nog altijd storm herinnert de verteller zich een epifane ervaring in een voormalig goudgraversdorp in Alaska, dat hij ooit bezocht. Tussen het massale gekrioel van de toeristen ontdekte hij een paar inheemse bewoners. Die bleken een eigen code te hanteren om over en door de toeristen heen met elkaar te communiceren.

    De lezer moet onmiddellijk denken aan de moeder van de vertellen die hem hierboven toevertrouwde: ‘Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal, kunnen elkaar zo tenminste herkennen, ieder van ons kan de ander als een van ons herkennen.’

    Handke herinnert ons hiermee aan de realiteit dat er tot op de huidige dag – en misschien meer dan ooit – veel en veelsoortige ontheemden in onze wereld bestaan. Daarmee is Nog altijd storm meer dan een prachtige, poëtische en theatrale roman alleen.

     

  • Op kootworp afstand van elkaar

    ‘Twee werelden, één stad, verbonden door de tijd.’ Huis aan de rivier volgt de levens van twee hoofdpersonen, de middeleeuwse Arnout en de moderne Emine, die zich op dezelfde plek bevinden maar gescheiden zijn door 750 jaar in de tijd.

    […]

    Met een achtergrond als archeoloog is de geschiedenis een belangrijke inspiratiebron voor Linda Dielemans’ verhalen. Ook in eerder verschenen boeken, zoals Zomerwoud, Geestenkrijger en Koningsspel, combineert de auteur feit en fictie op een speelse en tegelijkertijd educatieve wijze. Ook nu weer slaagt ze hier goed in. Zo laat ze de jonge lezer kennismaken met typisch middeleeuwse begrippen, zoals begijnen, kootwerpen, het betalen van tol en introduceert ze belangrijke ontwikkelingen in de geschiedenis, zoals het verkrijgen van stadsrechten. In korte, overzichtelijke hoofdstukken geeft ze de lezer inzicht in de ontwikkeling van steden en het belang van de vorming van gemeenschappen, zowel in de middeleeuwen als in de huidige maatschappij.

    9+

    Lees de recensie op Jong Literair Nederland

  • Prachtig verstoorde rust

    Autran Dourado (1926-2012) was een Braziliaanse schrijver van romans en verhalen. Zijn roman Opera der doden (Ópera dos mortos) verscheen in 1967 en werd in 1997 in het Nederlands vertaald door Harrie Lemmens. In 2025 is het boek opnieuw (ongewijzigd) uitgebracht. Beide vertalingen bevatten hetzelfde nawoord van de vertaler.

    De roman begint fabelachtig. De eerste zin luidt: ‘Voor ik u antwoord geef op uw vraag, eerst dit:’ Vervolgens ontvouwt zich het verhaal van een familie van grootgrondbezitters en van het huis dat ze bewonen. Lucas Procópio Honório Cota is een potentaat die zijn bezit met ijzeren vuist bestuurt. Zijn zoon, Joāo Capistrano Honório Cota, is een stuk milder. Hij laat een tweede verdieping op het huis bouwen waardoor twee generaties met elkaar verbonden worden, maar het blijft de vraag of ze een eenheid vormen.

    Joāo Capistrano Honório Cota verwijt zijn stadgenoten dat ze zijn droom een politieke carrière na te jagen, gefnuikt hebben; hij keert daarop de stad de rug toe, trekt zich samen met zijn dochter Rosalina terug in het huis en sluit de wereld buiten. De tijd wordt letterlijk bevroren in het huis: de klokken worden namelijk na de dood van grootvader en moeder van Rosalina om precies drie uur stilgezet.

    Rosalina

    Na de dood van grootvader en vader bewoont Rosalina het huis samen met haar dienstmeid Quiquina, die niet kan praten. Overdag maakt Rosalina kunstbloemen, ’s avonds drinkt ze. Ze leidt een geïsoleerd leven totdat ze José Feliciano, die ook Juca de Mus of Zé-van-de-Majoor genoemd wordt, aanneemt als manusje-van-alles. Terwijl Quiquina stom is, maar niet doof, heeft José Feliciano een oog waar hij bijna niets mee ziet. De beangstigende buitenwereld wordt verbeeld door een gapende kloof die José Feliciano panische angst aanjaagt, omdat het hem doet denken aan een open graf.

    Met de komst van José Feliciano is de rust in het huis verstoord, zeker als hij ’s nachts Rosalina’s minnaar wordt. Overdag is zij nog steeds dona Rosalina en hij haar ondergeschikte, ’s nachts is ze een vurige vrouw die haar minnaar ontvangt. Die ontdekt dat er niet twee maar zelfs drie verschillende Rosalina’s in één persoon huizen. Voor de genoemde twee is er ook ‘dona Rosalina die had bestaan voor zijn komst naar het huis en die was blijven bestaan tot die ene nacht (…).’

    Katholieke context

    De drie namen van de mannelijke hoofdpersoon, de drie verschillende Rosalina’s, de klokken die om drie uur stilstaan: het cijfer drie komt natuurlijk niet voor niets vaak voor in de roman. In een katholieke context valt onmiddellijk te denken aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De slotzin luidt: ‘Daar ging Rosalina, onze doorn, onze smart.’ Ook die zin valt goed in een katholieke context te plaatsen.

    Afwisselende stijl

    Dourade geeft de directe rede in de tekst zonder leestekens weer en maakt daardoor de innerlijke monologen en de dialogen gelijkwaardig. Die eenvormigheid doorbreekt hij stilistisch: er staan veel korte, elliptische zinnen in de tekst, maar tegen het eind komen zinnen voor die pagina’s lang doordenderen (op pag. 200-202 bijvoorbeeld). Omdat hij de gebeurtenissen via de gedachten, de innerlijke monologen, van de personages vertelt, wisselt hij continu van perspectief: de lezer kruipt in het hoofd van steeds een andere hoofdpersoon.

    Keuzes van de vertaler

    De vertaler heeft ervoor gekozen een paar (Braziliaanse) woorden en begrippen toe te lichten (handig natuurlijk), maar systematisch gebeurt dat helaas niet: wat zijn een fustein, organdie, kroep, manenwolf, cantilene, jabuticaba of een aanrechtkeuken? Het gebruik van Braziliaanse namen wordt doorbroken bij de pony die de Nederlandse naam Vuurvliegje krijgt, en bij Juca de Mus.

    Het opnieuw uitgeven van een vertaling die 28 jaar geleden gemaakt is, houdt het risico in dat woorden die vroeger normaal waren, nu niet meer gebruikt mogen worden. Zo komt de term ‘slaaf’ in de tekst voor. Daarom is het jammer dat het nawoord ongewijzigd is overgenomen: in een nieuw nawoord had de vertaler een verklaring kunnen geven waarom hij vastgehouden heeft aan deze omstreden terminologie.

    Het zijn schoonheidsfoutjes in een prachtig gecomponeerde en adequaat vertaalde roman die dankzij de herdruk nu weer voor iedereen binnen handbereik is. Het verhaal is zeer de moeite waard en wanneer u het boek uitgelezen hebt, weet u ook waar de slotzin van de roman naar verwijst.

    Opera der doden

    Opera der doden

    Autran Dourado

    ISBN 01234

    21312 pagina’s

    Prijs: € 1.312,00

    Buy with Libris