• Niet langer onverschillig

    In haar debuutbundel Indolente neemt Dewi de Nijs Bik de lezer mee op een reis door de tijd en door diverse landen heen. Ze vertelt een verhaal dat, hoewel het zeer persoonlijk is, niettemin voor een breed publiek bestemd is. Ze heeft Indische voorouders en geeft vanuit die achtergrond haar ervaringen en observaties weer. Niet alleen om persoonlijke herinneringen vast te leggen, maar zeker ook om een gedeelde en gemeenschappelijke koloniale geschiedenis en een culturele identiteit te onderzoeken. De zoektocht naar deze collectieve herinneringen wordt al duidelijk gemaakt in de motto’s die ze gekozen heeft: ‘Persoonlijke dingen moeten groter worden verstaan’ van Juliana Spahr en ‘Omdat we geleefd hebben en nog steeds bestaan’ van Tjalie Robinson.

    Om tot uitdrukking te brengen hoe ver die zoektocht haar gebracht heeft en hoe divers haar vindplaatsen van de verhalen zijn, maakt ze gebruik van een aantal gevarieerde en moderne versvormen: prozagedichten, collages, inventarisatielijsten, handleidingen en visuele poëzie met verspringende versregels en cursief gedrukte woorden. Die veelzijdigheid van deze bundel wordt ook verwacht van de lezer. Maar omdat het geheel wat rommelig oogt, is het voor de lezer een puzzel om uit te vinden waar het over gaat. In deze bundel spelen oesters en parels een belangrijke rol. De leeservaring is als het openen van oesters; na veel moeite tref je af en toe een parel aan.

    Co-starring: the readers

    De eerste afdeling Two Suitcases, 60 Dollars and a Three-Month-Old Baby brengt de lezer in Californië. Het lyrisch ik wordt opgepikt door Rodney in zijn Buick. Samen gaan ze naar een pasar malam, die Rodney’s moeder organiseert op een parkeerplaats. Het zijn de herinneringen van Rodney’s moeder die volgen, hoe ze als vluchteling naar Amerika kwam, over het proces van integreren en aanpassen, van nooit helemaal geaccepteerd worden in het nieuwe land, maar ook nooit helemaal jezelf toestaan dat je daar deel van uitmaakt. De Nijs Bik positioneert haar versregels als een interview, met afbrekingen en aarzelingen, zoals een gesprek verloopt. Het vergt wel wat van de lezer, die zelf moet bepalen wat er verteld wordt en in welke context de woorden staan.

    ‘wat zegt het nou de inhoud
    van deze sinkholes:
    literpakken, autobanden
    een pijp, wasmand –
    how the hell did you just call us?

    Op deze manier maakt de dichter de lezer een metgezel tijdens de zoektocht, maar dan vanuit een ander vertrekpunt: de lezer is objectief en kijkt anders naar de verhalen dan de dichter die beladen is met een collectief cultureel verleden en van daaruit haar blik richt. Niet voor niets noemt de dichter in haar dankwoord de lezer een ‘coproducent [die] mijn gedichten bestaansrecht geeft.’

    Toko in Mokum

    Ze brengt de lezer naar Amsterdam in de tweede afdeling: Herfst in Amsterdam. Hierin drukken drie maaltijdrecepten in de vorm van een blokgedicht de geschiedenis uit van de mensen die uit Nederlands-Indië kwamen. Ook in de derde afdeling, Panty’s voor Daisy, speelt voedsel een belangrijke rol. Zo is er een gedeelde herinnering aan de kookkunst van oma’s en tantes, die met vijzel en stamper de heimwee wekkende geur van de Indische kruidige keuken voortbrachten. In het nieuwe land wordt de vijzel echter verbannen naar de bodem van de kast ‘omdat hij naar knoflook stonk’:

    ‘een stuk steen op een stuk steen, tik, tik, was wat ik hoorde wanneer ik de keuken binnen-
    kwam, jouw oma die voor het aanrecht stond: knoflook, djeroek poeroet, trassi, ui, in de komvormige stamp je en in die platte is het meer wrijven; mijn tante had ze op de schoor-
    steenmantel want ze zijn toch van onze moeders geweest – deze schending van de ver-
    wachting, waarmee ze zichzelf herhaalt, 50 cent voor een blokje asem maar niemand hield
    bij hoe haar naam werd geschreven (2 gulden, panty’s voor daisy)’

    La insolente, de indolente

    In de volgende afdeling, Indolente, draait het om identiteit die zich niet verbergt of onderdrukken laat. De afdeling bestaat uit drie delen die alle vertellen over de parelvangst. Het eerste deel Parelkoorts opent met een gedicht dat is geschreven naar aanleiding van een schilderij van Jacopo Zucchi (1585), La Pesca del Corallo, (= het vissen op koraal). Het verbeeldt een allegorie op de ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld. We zien zeenimfen, oesters, koraal, paarlemoeren schelpen. ‘[…] Natuur en duiker / zijn in harmonie. Smetteloos de juwelen / en verhalen.’ Een idyllisch tafereel, dat in schrille tegenstelling staat tot de andere gedichten in Indolente. Want na een brief van een koopman aan ‘Hunne Majesteiten’ uit 1509, waarin hij verzoekt om drie extra schepen met elk driehonderd zwarte parelduikers uit West-Afrika voor een gunstige vraagprijs, volgt er een ‘Duikersdossier’ dat nog beschamender is dan de brief. De Nijs Bik heeft een lijst aangelegd waarin de zwarte parelduikers beoordeeld werden op hun beschavingsniveau (gemeten langs de meetlat van de witte slavenhandelaars uiteraard), hun uithoudingsvermogen en hun capaciteiten om pareloesters van de zeebodem op de duiken. Het onderdeel ‘Hutplicht’ is vreselijk om te lezen: hierin worden de bevindingen vastgelegd omtrent de gewilligheid en de lichamelijke hygiëne van een parelduikster die als seksslavin gehouden werd en die de bijnaam La Insolente kreeg vanwege haar opstandige gedrag (‘Advies: Gehoorzaamheid afdwingen met mes (tegen keel / of geslacht)’.

    De Nijs Bik schetst in een ‘doxografie’ (een tekst waarin de auteur meningen van anderen heeft verzameld) puntsgewijs een biografie van deze opmerkelijke vrouw, van wie je meteen aanneemt dat ze echt bestaan heeft. Opmerkelijk is haar bijnaam vergeleken met de titel van de bundel: insolent tegenover indolent, brutaal tegenover onverschillig, maar ook: ongevoelig voor pijn. En misschien heeft ook het woord ‘Indo’ dat opklinkt in de titel, een rol gespeeld bij de keuze van de dichter voor de titel van haar bundel. Er is een spreekwoord dat zegt dat een parel nooit haar glans verliest, door hoeveel handen ze ook gaat. Zo laat De Nijs Bik zien dat de vele generaties van Indische Nederlanders weliswaar opgegaan zijn in de Nederlandse samenleving, maar nooit hun afkomst en geschiedenis hebben ontkend. Het is juist iets dat hen verbindt en waar ze trots op zijn.

    Dichten over dichte oesters

    In Veldgids voor oesterrapers, het tweede deel van hoofdstuk vier, staat de oester zelf centraal. Met én zonder parel. ‘De parel is onze biografie, de oester is onze biograaf’, zo vertaalt De Nijs Bik de woorden van Federico Fellini.

    ‘En zo wordt ze uitgerust met haar schelp: eeuwige vuist
    waaruit haar kreet slechts ontsnappen kan
    als glansrijk bezit: de parel
    die niets meer is dan dat zij met haar speeksel omfloerst
    dat wat niet langer draaglijk is:
    raak mij niet aan.’

    Daarom staan er twee gedichten in dit deel over hoe een oester te openen: niet alleen het mes moet scherp zijn, maar ook je vingertoppen en je geheugen: ‘hoe diep kun je gaan/ zonder snijden?’ Dit gaat niet alleen over de oester, maar over geschiedenis en een verleden waarin pijn en schoonheid, het mes en de parel, samenkomen.

    Het laatste deel De emmer: inventarisaties gaat over de verschillende soorten oesters en hun kenmerkende eigenschappen. Even divers als de oesters zijn alle mensen in Yerseke, die de oesters komen rapen, ieder met zijn eigen nationaliteit en geschiedenis.

    Indolente is geen gemakkelijke bundel. De samenhang tussen de afdelingen is niet altijd duidelijk en de combinatie van verschillende elementen lijkt soms willekeurig te zijn. De overeenkomst met een oester die opengewrikt moet worden, ligt voor de hand. Maar dan vind je ook af en toe een parel.

     

     

  • Beter een goede broer dan een verre vriend

    ‘Hij had daar nooit mogen weggaan.’ Met deze spijtbetuiging eindigt het boek De lastige liefde van Walter van den Broeck. ‘Daar’ is het Vlaamse Olen, vlakbij Turnhout. ‘Hij’ is Jules, Walters dertien jaar oudere broer. Als naoorlogse gelukszoeker vertrekt Jules in 1950 naar de Verenigde Staten. Opa Peter Jules, die daar al woont, onthaalt hem. Eenmaal verhuisd naar Mexico trouwt Jules met Olga Siqueiros, nichtje van de muralist David Alfaro Siqueiros. Dochters Lilli en Yvette zien het levenslicht. Bovendien wordt Jules een succesvol zakenman. Terwijl de oudere generaties bekvechten over zijn spilzucht en veelwijverij, laat Walter zijn broer lekker aanmodderen. Regelmatig schrijven en mailen ze heen en weer en bezoekt de verloren zoon zijn Vlaamse familie. In december 2021 voor het laatst, per grafkist, 93 jaar oud geworden. De woorden ‘Ik mis je’ vallen niet één keer.

    In De lastige liefde staat de ontworteling centraal van Walters geliefde broer Jules. De schrijver kiest voor Lilli, Jules’ dochter, als verteller. Vanwege haar poëtische aanleg wemelt het van de smaakvolle metaforen. Dat neemt helaas niet weg dat sporadisch een andere, verdacht mannelijke stem de hare verdringt, zelfs als zij aan het woord is. Vooral op haar vaders buitenechtelijke seks reageert Lilli opvallend lacherig, zoals met de typering ‘libidonosaurus’. Jules’ wispelturigheid maakt van De lastige liefde een wispelturig boek. Dat een gedicht van Guido Gezelle het hoogtepunt vormt, zegt eigenlijk alles.

    Nergens thuiskomen

     Zoals zo veel migranten zit Jules van den Broeck in een spagaat. Hij voelt zich Mexicaan noch Vlaming. Tijdens vakanties in België merkt hij dat zijn vaderland onherkenbaar veranderd is sinds zijn vertrek, zowel cultureel als optisch. In Mexico verschanst hij zich met zijn gezin steeds vaker in zijn villa te Cuernavaca, buiten Mexico-Stad. Lilli ziet haar vader lijden: ‘Dad vroeg zich weleens af of hij er eertijds niet beter aan had gedaan niet op Great Grand Dads voorstel in te gaan. Hij speelde met de gedachte terug te keren naar België, maar die hield hij maar heel even vast. Hij zou nooit nog kunnen wennen aan ‘reglementen’. Bovendien: wie kende hij daar nog?’ Hoe meer Jules zich terugtrekt, hoe meer hij gaat ‘achtentachtigen’, zoals Lilli het gesmoorde, Vlaamse gescheld van haar vader noemt.

    Van de landgenoten in Mexico moet Jules al helemaal niks hebben: ‘Ach, de Vlamingen in Mexico. Je hoeft hun pakken maar te bekijken en je merkt dat ze die in 1950 samen met hun onderdanigheid uit hun vaderland hebben meegebracht.’ Nee, hij kiest voor brutaliteit, jovialiteit en een royale levensstijl. Vandaar het grote landhuis in Cuernavaca. De vraag of hij hier ooit echt gelukkig wordt, beantwoordt Lilli via een interessante parallel. Zowel ‘Cuernavaca’ als ‘Turnhout’ betekent ‘toren in het bos’, respectievelijk in het Nahuatl (Cuauhnahuac) en in het Oudnederlands. ‘Zou Uncle Walter dan toch gelijk hebben met zijn ‘het is overal Turnhout’, de boutade waarmee hij zijn honkvastheid rechtvaardigt?’ Van deze honkvaste oom is het des te verrassender dat hij zichzelf tot personage in het boek maakt en in plaats van zichzelf zijn nichtje als verteller opvoert. Dit gebeurt overigens met wisselend succes.

    Het nichtje spreekt. Toch?

    Dochter Lilli reconstrueert het leven van haar vader. Dit doet ze onder meer met het intensieve schrijf- en mailcontact tussen familieleden. Ondertussen werkt zij zich op tot gerenommeerde dichteres, recensente en essayschrijfster. Met prachtige metaforen komt haar talent in het boek tot uiting. Zo noemt zij de door smog verpeste lucht boven Mexico-Stad ‘erwtensoep’. Wanneer American Airlines verliezen lijdt, wordt de maatschappij ‘vleugellam’. Het contact in de jaren ’50 tussen Jules, zijn vader en opa verslechtert: ‘De trans-Atlantische correspondentie tussen de VS, Mexico en België verwaterde zienderogen.’ Als Lilli, vlak na haar moeder, een knobbeltje in de borst voelt, begint Jules ‘te achtentachtigen, deze keer met genoeg tranen om het huis te dweilen.’ Ook het feit dat ze zich los weet te maken van haar waardeloze echtgenoot Michel Mawad, onderstreept haar kracht. Desondanks houdt de geloofwaardigheid van haar vertelperspectief geen stand. Jules gaat vreemd, en niet zo zuinig ook. Weliswaar behandelt zijn dochter dit hoofdschuddend, écht kritisch wordt ze nooit.

    Zelfs als Olga amper een jaar onder de zoden ligt en Jules al twee dames het bed in kletste, zegt Lilli: ‘Nee, hij was nog lang niet uitgedoofd, onze libidonosaurus. Het zou mij niet verwonderen mocht Carmen niet de laatste schoonheid zijn die hij aan de haak sloeg.’ Bij vlagen klinkt het machogebral ronduit jaloers: ‘Toen ik later doorkreeg dat Dad zijn gerief buitenshuis zocht, gebruikmakend van zijn niet-afnemende charme, hield mijn woede daarover ongeveer drie minuten aan. Daarna probeerde ik afstandelijk te zijn tegenover hem, maar dat duurde drie dagen. De schurk! Hoe deed hij dat toch?’ Tijdens een Belgisch tv-interview flirt Jules met de presentatrice: ‘de bloedmooie vrouw met magische, blauwe ogen bleek zeer door hem gecharmeerd. He did it again, the rascal.’ Bij leven vertrouwt Olga Lilli toe niet te vrezen voor een breuk, want: ‘Lief kind, wat ik in bed kan, dat kan geen enkele hoer ter wereld.’ Zijn hier vrouw en dochter aan het woord? Of is dit die typische, klassieke mannentaal die – zoals men in Vlaanderen zegt – ‘op café’ gebezigd wordt? De oneliners klinken als stijlbreuken van een man die vergeet de taal van een vrouwelijk familielid te spreken.

    Guido Gezelligheid

     Al dat fallische machtsvertoon doet snakken naar een scheutje bescheidenheid. Gelukkig zorgt Van den Broeck met Vlaamse couleur locale voor mislukking, vergeefsheid en humor. Drankmisbruik, Vlaamse grauwheid en passief-agressieve opmerkingen in familiekring roepen het beeld op van Reetveerdegem, dat depressieve hol in De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. Ordinaire geldruzies zijn de grootste splijtzwam. Peter Jules voelt zijn levenseinde naderen. Vanuit de VS stuurt hij duizend dollar aan zoon Robert (vader van Jules en Walter). Bij de cheque zit een begeleidend briefje: ‘Robert, ik hoop dat ge met dat innen zult wachten tot ik dood ben.’ Robert reageert gallisch. Dat accepteert Peter Jules dan weer niet. Lilli blikt terug: ‘Ziedend schreef hij toen het venijnigste briefje dat hij hem ooit had geschreven. Het begon met: ‘Als ge niet eens meer tegen een grapje kunt…’ Het eindigde met: ‘… daarom schrap ik u uit mijn testament.’’ Was sich liebt, das neckt sich.

    Heel even doorbreekt de auteur het cynisme op een poëzieavond bij Olga Siqueiros thuis, een ‘vrouwenhobby’ volgens Jules. Nu Lilli’s jeugdvriendje Edwin op bezoek is in Mexico, maakt hij een uitzondering. Hij declameert het Vlaamse vers Moederken van Guido Gezelle. Voor de Spaanstalige toehoorders totaal onverstaanbaar, doch – naar later blijkt – onweerstaanbaar: ‘Toen klapte hij het boekje dicht en ging het met een betraand gezicht gauw weer opbergen.’ Ook de lezer houdt het nauwelijks droog bij Gezelles eerbetoon aan de moeder, waarbij het Ave Maria verbleekt. Dit opvallend gevoelige fragment komt uit de lucht vallen. Het had de voorbode kunnen zijn van oprechte, mannelijke kwetsbaarheid. Zoals alle amoureuze veroveringen van Jules, blijkt deze bevlieging echter niet meer dan een sentimentele oprisping. In De lastige liefde is de liefde inderdaad lastig. Maar niet onmogelijk. Vooral niet tussen twee broers die een oceaan van elkaar verwijderd zijn.

     

  • Het boek dat je toch wilde lezen

    Het boek dat niemand wilde lezen van Richard Ayoade thematiseert het fenomeen ‘boek.’ Waarom blijven sommige boeken ongelezen en op welke criteria beoordelen we boeken eigenlijk? De auteur speelt met de vertelperspectieven. Eerst is het boek zelf aan het woord. Dit boek komt met teksten als: ‘Als niemand ons kan lezen, wat zijn we dan? Als niemand jou ziet, ben je dan eigenlijk een persoon? Hoe kun je dan weten of je echt bent?’ Het boek voegt er aan toe: ‘Wij boeken hebben het nodig om gezien te worden. We hebben het nodig om vastgehouden te worden. We hebben het nodig om gehoord te worden.’

    […]

    Lees verder op Jong Literair Nederland

  • De Russische Proust

    Schrik niet van de openingszin van het meesterwerk Bedrog van de Russische schrijver Joeri Felsen. Het is een schitterende zin, maar ook voer voor echte taalliefhebbers. Het is tevens een van zijn kortste zinnen: ‘In mijn leven is al het uiterlijke – sociaal contact, een kennissenkring, mijn dagindeling – dor en vervelend, waardoor het weinige dat nog zou kunnen sprankelen samen met mijn laatste, krachteloze streven naar vervoering is verzonken in een uitzichtloze sluimertoestand die mij belet de treurige moed op te brengen om mezelf in de ogen te zien, of om, desnoods zonder daar consequenties aan te verbinden, berouw te voelen, of om blijk te geven van spontane, menselijke, robuuste warmte.’ Of je haakt nu af of je leest wellustig door in de wetenschap dat je een bijzonder boek in handen hebt. Maar…, 

    Joeri Felsen is geboren in 1894 in een welgestelde, Joodse familie in Sint-Petersburg met goede contacten aan het hof van de tsaar. Op de vlucht voor de revolutionaire woelingen in 1917 vestigt hij zich met zijn familie eerst op het familiebezit in Riga, vervolgens in Berlijn en uiteindelijk in Parijs, het centrum van de Russische diaspora. Daar publiceert hij ook zijn roman BedrogHij werd beschouwd als een van de grootste talenten uit de Russische diaspora en werd al snel in één adem genoemd met iemand als Nabokov. Voordat zijn talent volledig tot wasdom kon komen, werd het in 1943 in de knop gebroken in de gaskamer van Auschwitz.

    Vermoedelijk autobiografisch

    Bedrog is geschreven in de vorm van een dagboek en, vermoedelijk, sterk autobiografisch. Het is een liefdesgeschiedenis die zich afspeelt ergens in de jaren twintig in Parijs. Wanneer precies blijft onduidelijk, Felsen geeft nergens een feit waaraan je informatie kunt ontlenen over waar een en ander zich precies afspeelt in Parijs. Ook de naam van de dagboekschrijver blijft in raadselen gehuld, waardoor het vermoedelijk autobiografische karakter versterkt wordt. Het draait om zijn liefde voor Leelja Gerd, een gescheiden vrouw.

    Leelja is het nichtje van mevrouw N., een kennis van hem uit zijn Berlijnse jaren. Leelja is van plan naar Parijs te komen en mevrouw N. vraagt hem haar te chaperonneren: ‘U zult daar geen spijt van krijgen’. In de vijf dagen voor haar aankomst in Parijs vormt hij zich een beeld van haar dat groteske vormen aanneemt. Hij is al bij voorbaat hopeloos verliefd en stelt alles in het werk om haar verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Als zij eindelijk arriveert, wacht hij haar op bij de trein met een ruiker rode rozen. Leelja voldoet geheel aan de voorstelling die hij zich van haar gemaakt heeft op basis van de gegevens van mevrouw N. Zijn verliefdheid krijgt nu vleugels, maar Leelja bepaalt al meteen het speelveld. Als een echte gentleman dringt hij zich niet op, maar omringt haar met alle noodzakelijke zorg. In zijn dagboek onderzoekt hij voortdurend de zuiverheid van zijn liefde voor Leelja.

    Analyse van gevoelens

    Hij sublimeert zijn gevoelens en verafgoodt ondertussen Leelja, die niets fout kan doen. Leelja lijkt hem eigenlijk maar een saaie vent te vinden en zoekt steeds openlijker elders haar heil. Zij bedriegt hem voortdurend waar hij bijstaat. Hij beschrijft de wanhoop van zijn gevoelens in zijn dagboek en vraagt zich af wat hij kan doen. Hij zoekt toenadering tot twee andere vrouwen en ziet zelf heel goed dat er, wat hem betreft, geen sprake is van liefde, dat hij ze bedriegt en speelt met hun gevoelens. Hij raakt jaloers op zijn mededingers en zint op wraak, maar zodra hij slechts een kleine liefkozing van Leelja krijgt, is hij op slag al zijn kwaadaardige gedachten weer kwijt. Kortom, hij is een speelbal van Leelja geworden. Hij ziet het zelf, maar is niet in staat er iets aan te doen. Als het uiteindelijk tot een heftige woordenwisseling komt, bekent zij hem: ‘Ja, ik haatte u. Zo’n ziekte bestaat: irritatie die uitgroeit tot haatgevoelens voor degene die het lef heeft je lief te hebben en van wie je je niet kan ontdoen – tenzij je die liefde beantwoordt.’ Hij komt tot de conclusie dat liefde blind maakt en er om vraagt bedrogen te worden. 

    Het gaat in dit boek eigenlijk niet om het verloop van het verhaal. Het gaat om de analyse van zijn gevoelens en zijn daaruit voortvloeiende gedrag, het tot op het bot rationeel fileren van zichzelf om te komen tot een bevredigende perceptie van wat voor hem liefde is, wat hem de bijnaam ‘de Russische Proust’ oplevert. Bedrog is door het zeer waarschijnlijk autobiografische karakter een voorloper van wat later gaat heten ‘bekentenisliteratuur’.  Het is een feest, en beslist geen straf, om elke zin tweemaal te lezen en het boek als geheel driemaal. 

    Alle lof voor dit boek komt ook toe aan de vertaler, Hans Boland. Als ‘postpaard van de beschaving’ – de eretitel voor vertalers is van Poesjkin – heeft hij een formidabele klus geklaard door de onmogelijk lange zinnen van Felsen om te zetten in wondermooi Nederlands. Het is ook zijn boek geworden. 

    Brandende actualiteit

    Aan de vooravond van de oorlog die hem zou leiden naar de gaskamer in Auschwitz diende Joeri Felsen zijn critici van repliek, die zeiden dat de gruwelijke tijd waarin zij leefden zich niet leende voor het schrijven over liefde, sentiment of individuele nood, met de uitspraak: ‘Ik ben fysiek niet in staat te vechten en mijn enig redmiddel is de kunst van het observeren, maar ons doel is hetzelfde: de mens en de ziel veilig te stellen.’ Juist als emigrant en slachtoffer van een bestaan in onvrijheid wordt zijn wapen gevormd door in vrijheid te schrijven over individuele normen en waarden, die het leven betekenis geven. Dit maakt Joeri Felsen tot een buitengewoon actuele schrijver. Zijn opvatting dat kunstenaars juist in tijden van opkomende dictaturen de taak hebben op te komen voor de soevereiniteit van het individu, sluit nauw aan bij het denken dat Maxim Osipov en zijn vrienden verenigt rondom het onlangs opgerichte tijdschrift The Fifth Wave, waarin zij een platform bieden aan het vrije woord van Russische schrijvers in ballingschap.

     

     

  • Ritselen en misleiden om te ontkomen

    Als de Duitse verzetsstrijder Lisa Fittko samen met haar man Hans tijdens de Duitse invasie van Frankrijk in mei 1940, opeens in bezet gebied terechtkomt voelt ze zich geroepen om na haar eigen vlucht hulp te bieden aan andere vluchtelingen. Ze helpt ze de Pyreneeën over met visums naar Spanje. Onder de overwegend Duitse emigranten zitten meerdere internationaal bekende personen. Een van de meest bekende is wel de filosoof Walter Benjamin, die met een leren aktentas vol papieren met hulp van Lisa de oversteek waagt. Dit verhaal lezen we in de in meerdere opzichten uitzonderlijke memoires van Lisa Fittko getiteld Vlucht over de Pyreneeën – Mijn tocht met Walter Benjamin.

    Lisa Fittko groeide op in een vrijgevochten Joods gezin, in wat destijds het Oostenrijks-Hongaarse rijk was. Haar vader had een literair tijdschrift en ging veel om met linkse schrijvers. Al snel na de machtsovername van Hitler vluchtten veel intellectuelen die in de ogen van dat regime verdacht waren. Lisa ging in die tijd naar politieke bijeenkomsten en protesten en verspreidde vlugschriften tegen het fascisme. Ook zij en haar man vluchtten naar Noord-Frankrijk maar werden door de Fransen na de Duitse inval als verdachten geïnterneerd in kampen. Fittko beschrijft hoe onwerkelijk het was om als vijand behandeld te worden door de Fransen die hen zagen als vijanden of spionnen. Ze vertelt hoe zij en haar man bedreven werden in het overleven en ontkomen. Het was de kunst om te ritselen en de autoriteiten moesten zo veel mogelijk worden misleid.

    Ook als ze in het vrouwenkamp bij Gurs in de Pyreneeën terechtkomt probeert Lisa zoveel mogelijk medestanders te helpen. Haar toewijding voor de zaak is indrukwekkend want voor de Joodse bevolking en de verzetsstrijders was het een zaak van leven en dood. De Franse autoriteiten leverden niet alleen actief Joden uit, ze spoorden ze ook op. Als Lisa ontsnapt aan het kamp vindt ze in Marseille haar man terug. Na verschillende omzwervingen komen zij terecht in het dorpje Banyuls-sur-Mer waar ze als contactpersoon fungeren voor de stichting Emerescue die internationale vluchtelingen bijstaat. De burgemeester van Banyuls, Azema, is een socialist en staat in het geheim aan hun kant. Hij vraagt de Fittko’s om emigranten te helpen bij de grenspassage.

    Zwarte aktentas

    Via de Listerroute begint het echtpaar met het smokkelen van mensen. Deze route was veiliger dan die langs de kust waar zwaar gepatrouilleerd werd. Op 25 september 1940 klopt de ‘oude’ Walter Benjamin aan bij het echtpaar. Lisa heeft de indruk van een ietwat vormelijke geleerde. Er wordt besloten dat Benjamin meegaat op de ‘lichte wandeling’ de Pyreneeën over. Eenmaal in de koude bergen gaat de tocht langzaam en met regelmatige onderbrekingen verder. Gewapend met een zwarte leren aktentas steekt Benjamin met een ijzeren discipline de bergen over. In het hoofdstuk over de tocht vermeldt Lisa dat Benjamin een nieuw manuscript noemt, vermoedelijk van zijn laatste werk, het enigmatische Passagen-Werk. ‘Het viel me op dat Benjamin een aktetas bij zich had. De tas leek zwaar, en ik vroeg of ik hem kon helpen. “Daar zit mijn nieuwe manuscript in” legde hij me uit. “Maar waarom neemt u het mee op deze verkenningstocht?” “Weet u, deze aktetas is het allerbelangrijkste voor mij,” zei hij. “Die mag ik niet kwijtraken. Het manuscript moet gered worden. Het is belangrijker dan mijn eigen persoon.”‘

    Eenmaal in het Spaanse Port-Bou aangekomen, moeten de emigranten zich melden bij de grenspost om vanaf daar door te reizen naar Portugal. In de nacht van zijn aankomst berooft Benjamin zich echter van het leven als bekend wordt dat de Spaanse grenspolitie van plan is de groep terug te sturen. Om zijn manuscript uit handen van de Gestapo te houden had hij zijn leven over. In het sterfregister wordt wel een zwarte leren tas vermeld, maar het manuscript is onvindbaar. Als Benjamins beste vriend Fittko veertig jaar later belt, vertelt hij haar dat het manuscript volgens hem überhaupt niet bestaat. Daar eindigt voor Lisa het spoor, niemand wist er iets van en zij moest zich immers op de tocht richten. ‘De filosofie moest wachten tot we de andere kant hadden bereikt.’ Het echtpaar blijft doorgaan met mensen overzetten, de oversteek zelf is niet heel gevaarlijk omdat ze het pad goed kennen en bij de lokale mensen bekend zijn. Alle vluchtelingen die ze begeleiden komen goed over en worden niet meer teruggestuurd. Op het smokkelen van mensen stond de doodstraf, dus de rebelse Lisa en haar pragmatische man riskeerden veel voor de vrijheid van anderen.

    Uit de val

    In het begin van het boek herinnert Lisa zich dat haar vader ooit gezegd heeft dat je ‘moet weten wanneer het tijd is om te wagen’. Iets van diezelfde opstelling heeft zij later, al neemt ze vooral ingecalculeerde risico’s. Zelf zegt ze daarover: ‘Je moet zeker dingen wagen en risico’s nemen, maar gewoon niet lichtzinnig. Elke nieuwe route moet goed doordacht en verkend zijn, elke stap ingecalculeerd.’ Toch krijgen zij af en toe ook hulp van goede Fransen, die wel menselijk bleven in het donkerste uur van het land. Lisa had niet kunnen overleven zonder wat geluk hier en daar. Mensen die bewust de andere kant op keken, haar wat toestopten of op een andere manier de hand uitstaken. Als overtuigde antifascisten zagen Lisa en haar man het als een plicht de slachtoffers van het nazigeweld en de bureaucratie te helpen vanuit hun overtuigingen. Als het systeem faalt is het aan de individuele mens om verantwoordelijkheid te nemen.

    Over de tijd van de inval zegt Fittko: ‘Je komt in een val te zitten; je ziet hoe die zich langzaam sluit. De een staat als aan de grond genageld tegenover het onvoorstelbare noodlot, anderen rennen in paniek rond. Degenen die een doel hebben zoeken een uitweg. Het besluit om uit die val te komen neemt je helemaal in beslag.’ Juist het alles overstijgende doel van verzet bieden aan het fascisme leidt tot een soort verbeten besluitvaardigheid bij de Fittko’s. Als schietpartijen, executies, en deportaties aan de orde van de dag zijn vergt het een uitzonderlijk karakter om niet tot wanhoop te vervallen.

    Met een zekere wrok beschrijft Fittko de Duitse burgers die ‘na zeven jaar naziterreur helemaal niets hadden geleerd, omdat ze de samenhang tussen hun persoonlijk lot en wat zich in de wereld afspeelde niet wilden of konden begrijpen.’ Dit onderscheidend vermogen is wat deze memoires van een verzetsvrouw zo bijzonder maakt. Dat de verzetsstrijders met ritselen en misleiden de wet moesten breken om mensen te redden toont wel hoe verdraaid de zaken waren. Het was vreselijk voor hen om de autoriteiten aan de verkeerde kant te zien staan. De Franse politie was immers evenzeer medeplichtig als de Gestapo.

    Glashelder verhaal

    Er valt wel enige kritiek te leveren op de ondertitel van het boek: Mijn tocht met Walter Benjamin. De tocht met Benjamin duurt één hoofdstuk. Het is uiteindelijk meer een voetnoot bij het grotere verhaal, al heeft Fittko wel interessante observaties over Benjamin. Zo schrijft ze over zijn karakter: ‘Wat een vreemde man, dacht ik. Glashelder denken, een onbreekbare innerlijke kracht, maar tegelijkertijd een hopeloze kluns.’ Benjamin slaat een apart figuur, de man van Lisa vertelt ook hoe hulpeloos hij was in het kamp. Voor de rest beschrijft Fittko op een vrij directe journalistieke manier de feiten. Er is geen veroordeling, er is alleen een glashelder verhaal over hoe het was om onder een bezetter te leven. Ze blijft bij de feiten, die zijn op zichzelf al erg genoeg.

    Na hun ontsnapping in 1943 leven de Fittko’s een tijdlang in ballingschap op Cuba, tot de gezondheid van Hans hen noodzaakt om naar Amerika te gaan. Op het eind van het boek vraagt het nichtje van Fittko haar naar haar redenen om te helpen. ‘Onmenselijkheid is typisch voor het fascisme,’ zegt ze daarover. Zij is van mening dat het niet zozeer het ras van de Duitsers was, maar dat we altijd overal moeten blijven waken voor het fascisme in al zijn vormen. Het leven van Lisa en Hans is een verhaal van jaren strijd en vlucht en nauwelijks erkenning, maar is constant doortrokken van een sterk politiek bewustzijn. Het wordt met een zekere vaart verteld, maar het meest ongelofelijke is wel dat ze beiden aan al die gevaren zonder kleerscheuren zijn ontsnapt. Sommige dingen mogen we nooit vergeten: ‘We mogen niet vergeten wie wij zijn, wat we hier doen en waarom.’

     

     

  • Indrukwekkende familiesage

    Met drie lijvige boeken, De familie Aubrey, Mary en Rose, en Rosamund geeft de Aubrey-trilogie van Rebecca West met voldoende maatschappijkritiek een mooi beeld van het Engeland aan het begin van de vorige eeuw. De Aubrey’s zijn arm, muzikaal en intellectueel. De schrijfster – pseudoniem van Cicely Isabel Fairfield – leefde van 1892 tot 1983. Ze was romanschrijfster, columnist en journalist, met een Schotse moeder die haar carrière als concertpianiste opgaf ter wille van haar gezin en een vader die zich als een halfslachtige journalist profileerde, net als bij de familie Aubrey.

    De vier kinderen Aubrey groeien beschermd en liefdevol op, maar ze moeten accepteren dat hun ouders excentriek zijn. Vooral de oudste dochter Cordelia heeft daar veel moeite mee. De familie heeft een haast obsessief zelfbewustzijn, wat een mooi contrast vormt met hun naïeve kijk op de levens van anderen. Zoals het niet kunnen begrijpen dat iemand er andere denkbeelden op na houdt over bijvoorbeeld de beleving van muziek.

    Moeder Clare was een begenadigd concertpianiste, maar haar gezin gaat voor. Met strenge hand geeft ze geeft haar dochters pianoles. Vader Piers, journalist en pamflettist, is naast bijzonder en erudiet, ook egocentrisch. Hij gaat zijn eigen gang en geeft aandacht aan de kinderen als hem dat uitkomt, maar zorgt er wel voor dat ze hem waarderen.

    Ook Clare houdt hem telkens weer de hand boven het hoofd, terwijl hij al zijn verdiensten vergokt, vrienden geld afhandig maakt en zijn jonge gezin tot diepe armoede brengt. Als hij stiekem haar meubels verkoopt en op mysterieuze wijze met medeneming van de familiejuwelen verdwijnt, lopen de emoties hoog op. Maar Clare blijkt een appeltje voor de dorst achter de hand te hebben gehouden. De schilderijen die achteloos in de kinderkamers hangen zijn geen kopieën, zoals ze altijd beweerde tegen haar man. Nu vader vertrokken is, kunnen de kostbare originelen worden verkocht en kan er eindelijk op ruimere voet geleefd worden.

    Muziek speelt een belangrijke rol

    Cordelia wil violiste worden, maar heeft nul talent en is tot grote frustratie van haar jongere zussen, de tweeling Mary en Rose, daarvan niet te overtuigen. Wat liefdevolle haat en nijd oplevert. De twee zussen erfden wel het muzikale talent van hun moeder en zijn voorbestemd om beroemde concertpianistes te worden. Het jongste broertje Richard Quin is een wonderkind met een bovennatuurlijke levenswijsheid. Moeder Clare, rots in de branding die het gezin bij elkaar houdt, komt wat wereldvreemd over. Ze heeft een verwarde haardos en loopt in zakkige kleren, wat haar niets kan schelen maar wat begin vorige eeuw in Engeland not done was.

    Rose is de verteller van het verhaal. Ze is dol op haar excentrieke ouders en heel close met Mary. Ze hebben allemaal moeite met Cordelia, die zich geneert voor haar ouders en een gewoon (en saai) leven zou willen. Rose beschrijft de herinneringen aan haar jeugd gedetailleerd en met uitgesponnen dialogen. Ze is hardvochtig en kritisch, maar ook humoristisch, met grappige metaforen, fantasieën en denkwijzen, met anekdotes binnen verhalen en herinneringen aan diverse personages. De conflicten zijn klein en alledaags, – wat eten we, wat gaan we doen, wie studeert piano – met neiging tot gebabbel. Vooral in deel een zijn het kinderen die de wereld ontdekken aan het begin van de vorige eeuw, wat wel eens gedateerd overkomt. Tegelijkertijd geeft het een mooi tijdsbeeld, mede dankzij Wests meedogenloze pen. De kleding, de etiquette, de eerste auto en de afhankelijkheid van bedienden, niets wordt gespaard.

    The Forsythe Saga van John Galsworthy (1867-1933) en De jaren van Virginia Woolf (1882-1941), of The Old Filth trilogie van Jane Gardam (1928) zijn net zulke heerlijk uitgesponnen familiegeschiedenissen, waarmee Rebecca West zich prima kan meten. Ook wordt een vergelijking met The Cazalets van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) wel aangehaald.

    Andere personages

    In de trilogie van rond de 1250 bladzijden komen veel markante personages voor. Enkelen verdienen het om genoemd te worden, zoals Nancy Phillips, een vriendin van Cordelia en later ook van Mary en Rose. In deel een wordt haar vader vermoord door haar moeder, Queenie. Een ingrijpende gebeurtenis in de levens van de nog jonge meisjes. Hun eigen vader is betrokken bij het proces om Queenie een lichtere straf te geven. Tante Lily, de inwonende ongetrouwde zus van Queenie, kan nergens heen en wordt opgenomen door de Aubrey’s. Vervolgens brengt Lily hen in contact met haar oude vrienden, oom Len en tante Milly. Hartelijke, warme mensen die The dog and duck runnen, een uitspanning aan de Thames. Een levendige plek waar de familie Aubrey zich thuis voelt.

    Meneer Morpurgo is een rijke jood en weldoener, een zeer menselijk en bovenmatig aardig heerschap, die het gezin altijd heeft ondersteund. Aanvankelijk was hij een bewonderaar van vader Piers. Keer op keer hielp hij Piers als hij zich weer in de nesten had gewerkt. Als Piers zijn gezin verlaten heeft, raakt meneer Morpurgo steeds meer betrokken bij de familie.

    Een ander belangrijk personage is nicht Rosamund, uit het gelijknamige deel drie van de trilogie. Haar vader Jock, een verschrikkelijke man volgens Rose, is een neef van Clare. Constance en Rosamund zijn diepongelukkig bij hem en ook zij trekken bij de familie Aubrey in. Constance en Rosamund zijn rustig en wijs en hebben een louterende invloed op de veel onstuimigere Aubrey-kinderen. Mary en Rose bewonderen hun nicht en vooral Richard Quin is dol op haar – tussen hen sluimert een diepe liefde, maar het blijft wel allemaal lief en braaf.

    In deel twee, Mary en Rose, studeren de tweelingzussen piano, beiden aan hoogstaande conservatoria. Cordelia vindt een echtgenoot en kan eindelijk haar vreselijke familie ontvluchten. Mijnheer Morpurgo wordt een huisvriend met vaderlijke kwaliteiten, en de eerste wereldoorlog breekt uit. Richard Quin gaat het leger in en moeder Clare blijkt ernstig ziek te zijn. Dit deel eindigt met een mooie invoelende beschouwing op het stervensproces van Clare.

    Rosamund

    Deel drie, Rosamund, speelt in de jaren na de eerste wereldoorlog en is een samenraapsel van eindjes uit de vorige twee delen, die nog niet afgeknoopt waren. De achtergrond van oom Len wordt duidelijk, Nancy trouwt en haar moeder komt vrij. Rosamunds huwelijk is een hoogtepunt in het boek. Rosamund, lang en blond, trouwt met een onooglijk klein, maar schatrijk mannetje.

    Rose heeft een stellige mening over de man van haar vriendin en wint geen doekjes om haar beschrijvingen van uiterlijkheden of karaktereigenschappen. ‘Ik was woedend. Het ging tegen de natuur in dat ze gelukkig zou worden met deze man, die een kop kleiner was dan zij, die absurd gebouwd was, wiens hoofd bijna meteen aansloot op zijn lijf dat zo geleidelijk aan van mollig tot kleine voeten verschrompelde dat hij een vis leek die op zijn staart stond.’

    Toch blijft Rosamund als personage schetsmatig. We komen in deel drie niets meer te weten over haar stille-water-karakter, wat een teleurstelling is. Rosamund reist met haar man over de wereld en heeft geen tijd meer voor haar oude vriendinnen. Alsof ze door met hem te trouwen alle herinneringen aan Richard Quin, die ontegenzeggelijk haar grote liefde was, en de armoe en ontberingen uit haar jeugd wil vergelden. Aan Rose knaagt het gemis van Rosamund en ze mist ook haar vader, moeder en Richard Quin, maar die zijn overleden. ‘Rosamund had bestaan, en aangezien ze niet overleden was, moest ze nog steeds bestaan.’

    Rose en Mary treden veelvuldig op in Europa en Amerika. Ze zijn well-to-do en laten het breed hangen na hun armoedige jeugd. Toch houden ze een sterke hang naar vroeger en wonen ze nog thuis met hun oude bediende Kate. Uiteindelijk vindt Rose de liefde, ze omarmt het huwelijk en ontdekt het genot van seks. Alsof West hiermee wil zeggen dat dit het is waar het in het leven om draait.

     

     

  • We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    Tijdens de Russische oorlog in Oekraïne ‘kon je de Russen er zo tussenuit pikken’, schrijft Oksana Zaboezjko in haar essay Mijn langste boektournee. Ze geeft een voorbeeld: ‘In Charkiv verraadden ze zichzelf doordat ze in plaats van het stadhuis het stadtheater wilden bestormen, waarmee ze een fout van Praag 1968 herhaalden, toen Sovjettroepen vanuit dezelfde logica het Nationale Museum onder vuur namen: de macht zal zich vast in het mooiste gebouw ophouden’. Verderop vertelt ze nog hoe de Russen in 2022 haar land binnentrokken met landkaarten uit 1985 waarmee ze door bagger ploeterden in plaats van over nieuwe snelwegen. Bovendien hadden ze proviand bij zich die al zeven jaar over de houdbaarheidsdatum was.
    Deze voorbeelden zouden prima gepast hebben in Dit volk heeft zijn God op aarde, een bundel getuigenissen over Rusland, samengesteld door Hans Driessen, Michel Krielaars en Eva Peek.

    De inleiding van deze bundeling noemt de Russische inval van 24 februari 2022 niet voor niets al in de eerste regel en pikt daaruit op: de gruwelijke wreedheid van de Russen, ‘hun klungeligheid, hun slechte informatiepositie, de ondermijnende corruptie en de verwondering over de gelatenheid waarmee zoveel Russen gehoorzaamheid toonden aan hun leiders’. In de volgende alinea betogen de samenstellers dat we daar niet verbaasd over hoeven te zijn omdat die manifestaties al lang rode draden in de Russische geschiedenis zijn.

    Ooggetuigen

    Die stelling werken zij in de inleiding verder uit. De 152 getuigenissen (dagboeken, brieven, verslagen van verhoren enzovoort van Russen zelf en van diplomaten, schrijvers en journalisten van elders), die in het boek zijn opgenomen laten daar overvloedige bewijzen van zien. Toch is er iets opmerkelijks aan de introductie van dit boek. Ze laat namelijk vooral zien hoe we de geschiedenis beschrijven vanuit onze eigentijdse ogen. We kijken terug door de gekleurde bril van onze eigen herkenning.

    Dit volk heeft zijn God op aarde is grotendeels een herdruk van Ooggetuigen van de Russische geschiedenis uit 2007. Alle 126 stukken uit die uitgave staan – met af en toe wat redactionele wijzingen – ook in deze nieuwe verzameling. De 25 toegevoegde recentere stukken bestrijken de jaren 2008 (de Russische inval in Georgië) tot 2023 (het verhaal van een Oekraïense jongen die uit bezet gebied werd gedeporteerd). In de inleiding bij Ooggetuigen uit 2007 vallen echter niet de typeringen als klungeligheid, slechte communicatie of corruptie. Toen schreven de samenstellers (destijds zonder Eva Peek) nog: ‘Wil men met alle geweld een rode draad in de Russische geschiedenis zien, dan valt te denken aan de angst van de machthebbers voor hun onderdanen en aan de afschuwelijke gevolgen daarvan’.

    Galg

    Met deze signalering in verschillende kleuren in Ooggetuigen en Dit volk heeft zijn God op aarde zij niet gezegd dat de inleidingen elkaar tegenspreken. Ze laten echter wel zien hoe we onze schijnwerpers anders zijn gaan richten door het optreden van Rusland in Oekraïne. Je gaat de 126 stukken die in Ooggetuigen al stonden ineens anders lezen. Wat de klungeligheid betreft bijvoorbeeld kon je het verslag van de executie van veroordeelden van de Dekabristenopstand in 1826 bij lezing in 2007 nog afdoen als een kolderieke anekdote: de executie moest volgens de tsaar ’s morgens om vier uur plaats vinden, maar dat lukte niet omdat de koetsier met de galgpalen op weg naar de executieplaats vast was komen zitten; toen de galgen eenmaal in grote haast waren ingegraven bleken ze zo hoog dat de touwen met de strop te kort waren; toen dat werd opgelost door de veroordeelden op bankjes te laten staan bleken de touwen bij drie misdadigers te slap (ze braken) en op zoek naar vervangend touw bleek de winkel waar het gekocht moest worden nog gesloten te zijn.
    Nu we sinds de inval in Oekraïne meer voorbeelden van klungeligheid hebben krijgt dit incident ineens een bredere betekenis.

    Godheid

    Dat geldt voor veel stukken. Wat we nu via onze TV-schermen zien als gebrekkige communicatie in het Russische leger, slechte voorbereiding, onderschatting van de strijd, wreedheid zoals in Boetsja, enzovoort blijkt parallellen te hebben in de geschiedenis, die meer zijn dan incidenten. Er lijkt een aantal factoren beslissend als oorzaak daarvan.
    Ten eerste is dat de status van de leider die zich als een soort onfeilbare god presenteert, daarin gesterkt en gelegitimeerd door de innige band met de orthodoxe kerk (de titel Dit volk heeft zijn God op aarde – ontleend aan een reisverslag van de Franse markies de Custine uit 1839 – verwijst ernaar). De gevolgen zijn een volstrekte zelfoverschatting door de heerser (Catharina de Grote, de tsaren, Stalin, Poetin) en een slaafse volgzaamheid van intimi die uit angst voor hun eigen hachje geen kritiek durven te leveren.
    Een tweede reden is de aanhoudende desinformatie en propaganda onder het eigen volk. Daardoor kunnen veel Russen, die generaties lang niets anders hebben gehoord, de oprechte overtuiging hebben dat hun leider slechts hun land verdedigt tegen fascistische staten die uit zijn op vernietiging van Rusland.
    En een derde factor lijkt te zijn dat iedereen uiteindelijk alleen voor zichzelf zorgt, wat leidt tot corruptie, vriendjespolitiek, behagen van de leider en ontlopen van verantwoordelijkheid.
    Er rijst een beeld op van een bevolking (uitzonderingen daargelaten) die van zijn individualiteit is beroofd en dus van zijn vermogen verantwoordelijkheid te voelen of eigen initiatief te ontplooien. Het is de beste voedingsbodem voor een dictatuur.

    Traditie

    Poetin heeft, dat alles in aanmerking genomen, waarschijnlijk geen moment getwijfeld aan zijn idee dat de ‘speciale operatie’ in Oekraïne in een paar dagen gepiept zou zijn. Maar hij kwam een volk tegen dat, in de woorden van Olesya Khromeychuk in De dood van een soldaat verteld door zijn zus ‘geen traditie [heeft] van het vereren van zijn politieke leiders. In tegenstelling tot in Rusland verliezen de politici de steun van hun teleurgestelde electoraat zodra ze hun beloften niet nakomen’.
    Dat wij er nu pas aan toe zijn zo naar Rusland te kijken heeft er alles mee te maken dat de oorlog voor ons begon op 22 februari 2022. Maar voor Oekraïeners zelf was hun land al veel langer in oorlog met de imperialistische noorderbuur; al in 2017 toen Rusland de regio’s Donbas en Loegansk inpikte (de broer van Khromeychuk stierf in die gevechten); al in 2014 toen de Krim werd bezet; al eeuwen eerder zelfs.
    Zoals Oksana Zaboezjko in Mijn langste boektournee, en eerder al in haar bundel Zussen, op soms woedende toon duidelijk maakt: wij in het Westen keken heel lang naar Oekraïne door Russische ogen. Wij zijn volgens veel Oekraïense schrijvers in februari 2022 pas wakker geschud en durven nu pas het eigene van hun land en het ware gezicht van Rusland te zien.
    Wie de bundeling in 2007 las deed dat als een toeschouwer op afstand, een buitenstaander. Sinds de inval in Oekraïne is onze betrokkenheid veel en veel groter. Het is daarom terecht dat Dit volk heeft zijn God op aarde verschijnt. Niet alleen omdat er recentere stukken zijn toegevoegd, maar ook omdat het boek ons bewust maakt van de inwerking van onze eigen actualiteit en angsten op onze kijk naar het verleden.

     

  • Aangename verstrooiing

    Bob Beerhorst en zijn dochter hebben een geheim, liever gezegd twee geheimen, zo vernemen we op het einde van Huis Vrede Breuk, de nieuwe roman van schrijver en journalist Boudewijn Smid. Alvorens daar te komen lezen we over Bobs perikelen, waarvan het laatste hem in de gevangenis brengt, waarin hij de eerste twee pagina’s van het boek zit. Dat feit verdwijnt al snel naar de achtergrond.

    Bob, zijn vrouw Mira en hun puberkinderen Lotta en Zeb wonen in een mooi appartement midden in Amsterdam. Bob werkt op een instituut dat doet denken aan het Meertens Instituut, waar schrijver Smid zelf een aantal jaren werkte. Hij neemt ontslag om zich volledig te gaan wijden aan zijn ‘darwinistische roman (…) over homo sapiens als kroon op de evolutie tegenover homo sapiens als plaag voor de aarde’, zijn debuut waarvoor hij van de uitgever een riant voorschot krijgt. Maar eigenlijk, memoreert Bob, ‘was het een verhaal over zijn moeder, over godsdienst, waanzin, liefde,’ waarover Smid eerder schreef in zijn tweede roman Een goede zoon (2010). Deze is grotendeels autobiografisch en serieus van toon. Voor Huis Vrede Breuk – en eerder voor Op de helling (2017) – heeft de auteur gekozen voor lichtvoetigheid met stereotype personages.

    Problemen

    Bob zal aan zijn roman werken tijdens het begeleiden van de renovatie van de ‘idyllische woning’ die hij en Mira hebben gekocht net buiten Amsterdam. De vlotte, zelfverklaard architect Geert (‘De oren staan als buitenspiegels aan zijn hoofd’) fungeert als aannemer, regelt de technische en financiële kant van de verbouwing en levert de Polen aan die het uitvoerende werk komen doen.

    Zoon Zeb en dochter Lotta vertonen onbehoorlijk pubergedrag en negeren hun vader. Ze zijn boos over de aanstaande verhuizing. De verbouwing gaat gepaard met problemen en tegenvallers, vooral van financiële aard. Klussen vallen duurder uit, de Polen doen moeilijk. De nieuwe buurt is minder aangenaam dan gedacht. Er komen inbraken voor, hangjongeren deinzen niet terug voor vernielingen en geweld, de buren blijken niet zo meegaand als ze zich aanvankelijk opstelden. Intussen is Bob na een opgebouwde gewoonte aardig aan de drank en heeft last van kwaaltjes en spanningen waarvoor hij zich tot de archaïsche huisarts Van Sprengel wendt. Met hem heeft Bob kleine discussies over het leven, terwijl de arts hem in het café intieme zaken toevertrouwt.

    Mira, met een goede baan als belangrijk iemand in de kunst, heeft nergens echt last van. Ze laat de kinderen zijn wie ze zijn, eist niets, maakt zich geen zorgen over financiën, gaat luchtig naar openingen van tentoonstellingen en vertrouwt erop dat alles goedkomt. Zelfs onbehouwen gedrag van Bob, wanneer hij een restaurant waar ze gevieren zouden gaan eten ontvlucht en in de kroeg gaat zitten, kan haar nauwelijks van haar stuk brengen.

    Aardige inzichten

    Smid vertelt gemakkelijk en het verhaal zit goed in elkaar. De dialogen zijn levendig. Het is een verdienste van de welbespraakte auteur om in alle oppervlakkigheid toch aardige inzichten te debiteren, zoals: ‘te veel mensen worden grootgebracht met het idee dat ze iemand zijn. (…) Uniciteit is een idee-fixe. (…) Maar in feite zijn we helemaal niemand. (…) En dan die obsessie met geluk (…) Geluk is een verdienmodel. We moeten kinderen vanaf de geboorte meegeven dat het leven een grap is. Een samenloop van omstandigheden. Dat voorkomt trauma’s en andere ellende.’ Even stereotiep als de personages zou je denken, maar stonden deze woorden in een filosofie- of zelfhulpboek dan zouden ze wellicht als een betekenisvolle zienswijze worden omarmd.

    Na de verhuizing – Bob en Mira kamperen dan in de woonkamer omdat de aanbouw nog niet klaar is – worden Zeb en Lotta meegaander. Als Bob, de schrijver die niet erg opschiet met zijn boek, belaagd wordt door jongeren is het Zeb die hem helpt en nog een aardige zoon wordt ook. Lotta keert zich als ze hem met een andere vrouw ziet tegen Bob, maar bij een conflict met de buurman is zij de hulpvaardige dochter die het voor haar vader opneemt. Aannemer en architect Geert is een levensgenieter: ´Ik kwam er langzamerhand achter dat ik geen ambitie heb. Ja, zo aangenaam mogelijk versterven. Mediteren, seksen en dansen, en zo nu en dan een huisje renoveren. Ook bij een levenskunstenaar moet de schoorsteen roken.´Soms schemert kennis van zaken door die zo van internet lijkt te komen, bijvoorbeeld in een gesprek over tantra, en over de verbouwing.

    Netjes afgerond

    Het boek is door Smids luchtige en humoristische verteltrant aangenaam om te lezen. ‘God heeft mij geschapen naar zijn beeld: een luie donder die vanaf de zijlijn toekijkt hoe de wereld naar de ratsmodee gaat.’ Nadelig is dat de oppervlakkigheid het menselijk leed tenietdoet. Eerder zal de lezer geamuseerd kennisnemen ván dan meeleven mét de narigheid die het gezin treft. Bob noch anderen roepen medelijden of medeleven op. Het verhaal wordt wel netjes afgerond. Geert verdwijnt na een confrontatie met Mira uit zicht, de Polen hebben zich al eerder teruggetrokken, Van Sprengel houdt plotseling zijn deur voor zijn patiënten gesloten en we vernemen zelfs nog wat er van hem is geworden. De buurman overspeelt zijn hand waardoor ze van hem en zijn vrouw ook geen last meer hebben. En het gezin gaat de toekomst tevreden tegemoet, al zit Bob in de gevangenis. De twee geheimen maken nieuwsgierig naar het perspectief van de dochter op de geschiedenis – iets wat we niet te weten zullen komen. Huis Vrede Breuk is een aardig boek om ter verstrooiing te lezen, al dan niet in de vakantie.

     

     

  • Bedreigend én bindend water

    Water val, de tweede roman van Ingrid de Vries, gaat over twee tienerjongens die worstelen met diverse opgroeiproblemen en met twijfels en onzekerheden. Hamid is een Afghaanse vluchteling die lastig kan leven met het gemis van dierbaren. Hij heeft te maken met vooroordelen en op school wordt hij gepest. Einar is net verhuisd, heeft een ingewikkelde thuissituatie en vindt het moeilijk keuzes te maken. Hamid en Einar worden door een schoolopdracht aan elkaar gekoppeld, waardoor er contact ontstaat en vriendschap lijkt te groeien. Ze lijken blij met elkaar, tot een ‘ontgroeningsopdracht’ voor Hamid vanuit de pestersgroep tot een vertrouwensbreuk leidt.

    De motieven vluchtelingentrauma, vriendschap en verraad zijn alle drie gekoppeld aan het water. Om die reden prijkt op de omslag van het boek een foto van twee jongens die in zwemkleding aan de waterkant zitten. De hoofdpersonen van de roman kunnen het niet zijn, want Hamid is een getinte Afghaanse jongen en Einar is een jongen uit Friesland met witte stekeltjes en zo zien de jongens op het omslag er niet uit. Toch zijn ze het ook wel, vanwege hun samenzijn aan de waterkant: benen bungelend over de rand. Hamid is doodsbang voor water, wat te maken heeft met zijn traumatische ervaring als bootvluchteling. Einar gaat hem leren zwemmen in het zwembad bij zijn huis. Voor de lezer is dan al duidelijk dat Einar niet alleen maar ijdele motieven heeft, maar ook een geheime agenda. Doordat hij als nieuweling op school geen kant weet te kiezen, faciliteert hij de pesters van Hamid, die ‘de Afghaan’ een gevaarlijke act boven een bosvijver willen laten uitvoeren. Einar leidt hen naar zijn geheime boshut waar ze kunnen kaarten, bier drinken, roken en muziek luisteren en waar ook de vijver, het water, is waar zij Hamid willen uitdagen.

    Hamid en Einar

    Hamid is een nieuwkomer in Nederland. Hij is geboren in Kandahar en zeven jaar geleden met zijn moeder en zusje gevlucht uit Kabul, Afghanistan. Hamids naam betekent ‘de prijzenswaardige’. Prijzenswaardig is hij in het rustig, zelfbewust en ogenschijnlijk onaangedaan verduren van pesterijen van een aantal klasgenoten. Hij ziet het als een opdracht, ‘een boetedoening die hij moet ondergaan voor wat er is gebeurd met baba en met Rachid’. Beiden, zijn vader en zijn beste vriend, zijn omgekomen door Talibangeweld in Afghanistan. Wat volgde is een vlucht van driehonderd dagen met onder andere een boottocht die hem bijna noodlottig werd. Hamid herkent zich in de eekhoorn uit een van de verhaaltjes van Toon Tellegen die zich ‘verdrietig en onherbergzaam’ voelt.

    Einar is een nieuwkomer op de school van Hamid. Hij is net verhuisd vanuit Leeuwarden. Zijn Scandinavische naam betekent ‘eigen-overwinnaar’, maar voor hij zichzelf overwint, zal er nog heel wat water door zwembad en bosvijver moeten stromen. Op school wil hij graag de ‘gouden middenweg’ bewandelen. ‘Kiezen is altijd fout’, denkt hij. Dit geldt ook in zijn lastige thuissituatie. Moeder blijkt geheime nachtelijke uitjes te ondernemen, vader is vooral afwezig vanwege zijn werk. Einar wordt door hem ingezet als privédetective. ‘Hij wil niemand verraden. […] Je raakt iemand kwijt die je gaat missen of je wordt zelf aan de kant geschoven en dan ben je alleen.’

    Twee perspectieven

    Het verhaal start met verschillende spanningsbogen en open plekken. Waarom trekt Einar ’s nachts krijtstrepen voor de autobanden van zijn moeders auto? Waardoor is Hamid zo bang voor het water? Deze open plekken worden vlot opgelost en ingevuld, misschien zelfs wel te vlot. Het verloop van de gebeurtenissen is soms ongeloofwaardig, soms voorspelbaar en het verhaal kabbelt gestaag door zonder dat er van de volwassen lezer veel inspanning of reflectie wordt gevraagd. Ook de beschrijving van de ontwikkeling van de vriendschap tussen Einar en Hamid is nogal voorspelbaar.

     Het verhaal wordt afwisselend verteld vanuit het perspectief van beide jongens. Soms wordt dezelfde situatie vanuit de twee verschillende perspectieven en belevingen beschreven, soms krijgen we een inkijkje in hun thuissituatie, innerlijke wereld of achtergrond. Bij Hamid zijn er bovendien geregeld flashbacks naar vroeger in Afghanistan met soms fijne, soms pijnlijke, levendige herinneringen. Herinneringen aan het sprookjesleven waarin hij vanaf het dak van hun huis samen met zijn vader de wereld beschouwde, waarin zijn Afghaanse vriend Rachid de prins was in hun ‘koninkrijk tussen de takken van de walnootbomen’, maar ook aan die waarin Rachid omkomt en zijn vader verdwijnt.

    Samenwerking

    De jongens hebben beiden geen zin in het samen werken aan de schoolopdracht, een schrijfopdracht over discriminatie, maar uiteindelijk brengt de samenwerking hen toch dichter bij elkaar. ‘Einar kijkt hem echt aan’, merkt Hamid, ‘alsof hij hem gemist heeft en blij is hem weer te zien.’ Einar is op zijn beurt onder de indruk van Hamids verschijning: van zijn onpeilbare, donkere ogen en donkere, gladde haar en zijn stoïcijnse houding. Als hij Hamid tijdens een zwemles stevig moet vasthouden ervaart hij die intense, stevige en lange aanraking als een intimiteit, wat hem verwart. En als de jongens na het incident met de pesters bij de bosvijver ruzie hebben gekregen en elkaar niet meer zien, is hij compleet van slag. ‘Is hij verliefd?’ vraagt Einar zichzelf af na hun breuk.

    Bij Hamid komt er een keerpunt. Hij realiseert zich op een moment dat hij niet meer leeft in nare herinneringen, zijn belaste verleden en schuldgevoelens over Rachid. ‘Zijn voeten maken geen uitstapjes meer naar het verleden, ze blijven in het hier en nu […]. Hij hoort bij een jongen met stekeltjeshaar die zijn vriend is.’ Einar op zijn beurt ziet na de vijveraffaire in dat Hamid en hij nooit gepraat hebben, dat hij niets van hem weet en dat zij beiden hun angsten hebben. Eén van zijn angsten is dat hij Hamid kwijtraakt en dat wil hij niet. Hij staat op tegen pester Maurits en zoekt weer contact met Hamid. ‘In de berm langs het kanaal buigen lange grassen. Een binnenvaartschip is versierd met kleurige vlaggetjes. Ze wapperen dezelfde kant op als het buigende gras. Tegen de beschoeiing klotsen de golven. Ze hebben tegenwind, maar dat geeft niet. Alles glanst in het zonlicht.’

    Het laatste hoofdstuk heet ‘Einar en Hamid’. Hamid heeft het roze zwemplankje van zijn zusje niet meer nodig. De jongens zitten samen bij de boshut waar ‘hysterisch roze’ rododendrons groeien. ‘Een vader is verdwenen en in de nacht rijdt een moeder naar haar geliefde. Maar hier zitten zij.’
    Water val is uitgebracht als volwassenenroman, maar kan vooral als jongerenroman gezien worden. Het is geschreven in een verzorgde, vaak beeldende en toegankelijke stijl, die ook voor beginnende literaire lezers beslist goed te lezen is. Er spelen veel motieven zoals keuzes maken, vertrouwen en liefde. Net als de hoofdpersonen Einar en Hamid zullen jongeren deze niet zo snel hardop benoemen en bespreken, maar herkennen zullen ze ze zeker.

     

     

  • Dit boek nodigt uit tot reflectie

    In Kinderen van Amalek legt Erik Ader (1944) uit hoe het Israëlisch-Palestijns conflict is ontstaan en waarom het nog steeds niet is opgelost. Ader is zoon van een predikantenechtpaar dat in de oorlog enkele honderden joden het leven redde. Wie verwacht dat hij daarom de Joodse zaak in Israël te vuur en te zwaard verdedigt, komt echter bedrogen uit. Ader beschuldigt de Israëliërs van het verjagen en onderdrukken van het Palestijnse volk. Hij werkte als diplomaat en de laatste jaren voor zijn pensionering als ambassadeur.

    In 1966 bezocht hij voor het eerst het Ds. Ader-bos dat in 1954 ter herdenking van het reddingswerk van zijn vader in Israël werd geplant. Bij een tweede bezoek aan het bos ontdekte hij een aantal oude olijfbomen tussen de nieuwe bomen en stuitte hij op de resten van een door de Israëliërs verwoest Palestijns dorp. Hij krijgt, zo schrijft hij in zijn vorige boek Oorlogen & Oceanen (2020), het gevoel dat het bos op zijn vaders naam bedoeld is om het verleden uit te wissen. Dat zette hem aan het denken. Hij onderzocht het conflict tussen de Joden en Palestijnen grondig en kwam tot de conclusie dat het beeld hiervan ingekleurd is vanuit de sympathie voor het Joodse volk en de bewondering voor de staat Israël. Daarmee bleef het droeve lot van het Palestijnse volk onderbelicht. Zijn ouders gaven in de oorlog alles voor een volk dat bedreigd werd en dat volk bedreigde en bedreigt vervolgens het voortbestaan van de Palestijnen. 

    De theoretische fundering voor dit gedrag vinden Joden in de bijbel. Groepen ultraorthodoxe Joden gaan uit van de uitverkiezing van het Joodse volk en de noodzaak om alle niet-Joden als minderwaardige mensen te vernietigen. De Arabieren zijn de kinderen van Amalek en verdienen het dus om uitgeroeid te worden. ‘Een Joodse vingernagel is meer waard dan het leven van een miljoen Arabieren,’ is de uitspraak van een van hun leiders. Zij achten compromissen met ‘Amalek’ goddeloos. 

    De mythen rond Palestina

    Kinderen van Amalek is een serieuze uitdaging voor iedereen die Israël een warm hart toedraagt. Op grond van gedocumenteerde boeken en artikelen van joodse auteurs ondergraaft Ader met feiten de vele mythen die rondom Palestina bestaan. De oudste en meest fundamentele mythe is dat Palestina voor het uitroepen van de Joodse Staat in 1948 een leeg land was, waar geen andere bevolkingsgroepen woonden. Daarmee rechtvaardigden de zionisten dat ze andermans land in beslag namen. Feitelijk woonden in dit gebied voor 1948 al een miljoen mensen die deels door de Joodse kolonisten verdreven werden.

    Volgens Ader ontleent Israël haar bestaansrecht aan een niet bindende verklaring van de Verenigde Naties (VN) uit 1947 en legde de staat in de afgelopen decennia zo’n beetje alle resoluties van diezelfde VN naast zich neer. Dat noemt hij ‘selectief winkelen’. Israël heeft naar zijn mening alle akkoorden met de Palestijnen in de loop der tijd naar eigen believen uitgelegd. Zo heeft ze in strijd met het Camp David akkoord (1978) de kolonisering van de bezette gebieden gestimuleerd. Die nederzettingen zijn een van de grootste obstakels voor vrede. Het tweede Camp David akkoord (2000) is volgens Ader niet door Arafat, maar door Israël opgeblazen. Israël heeft welbewust de kansen op vrede getorpedeerd en ondergeschikt gemaakt aan haar expansiezucht. Daarom is de uitgestoken vredeshand waarmee Israël schermt een wassen neus. Zolang het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen niet erkend wordt, zal er geen vrede komen, aldus Ader. 

    Geen vrede zonder Hamas

    Israël weigert Hamas als onderhandelingspartner te accepteren. Hamas zou een immorele, irrationele en bloeddorstige terreurorganisatie zijn, waar een fatsoenlijk mens niet mee praat. Ader geeft toe dat Hamas oorspronkelijk een veeleisend en ook antisemitisch handvest ontwierp, maar ziet veranderingen optreden. Voor Hamas is het conflict niet langer een religieuze strijd; ze heeft de oorspronkelijke radicaliteit afgezwakt. Bovendien, zegt Ader, hoor wie het zegt! De staat Israël is mede gevestigd door terroristen als de latere premier Sharon die het land hebben veroverd op de Palestijnen en trots waren op hun geweldsdaden. Volgens Ader is iedere poging tot permanente vrede onmogelijk zonder Hamas daarbij te betrekken, zeker nu Hamas intern heeft ingestemd met het bestaansrecht van Israël, binnen de grenzen van 1967. Volgens hem is de weigering van Israël slechts een manier om de verantwoordelijkheid voor het stichten van vrede te ontlopen. 

    In een van de langste hoofdstukken van het boek ontkracht Ader de mythe dat Israël het enige democratische land in het Midden-Oosten is. Een staat die een vijfde van zijn bevolking als tweederangsburgers beschouwt en behandelt, is volgens hem geen rechtsstaat. Dat komt doordat Israël de belichaming is van een metafysisch ideaal, een staat die militair oppermachtig is, met een atoombom. De aanwezigheid van niet-Joden wordt in dit land gezien als een schending van het goddelijk project en gelijkberechtiging is daarmee uitgesloten. 

    Nationalistische leerboeken op scholen

    Ader is somber over de mogelijkheid tot permanente vrede in dit gebied. Zeker gelet op de nationalistische en racistische leerboeken die op scholen gebruikt worden, zowel in Israël als in de Palestijnse gebieden. In de leerboeken zijn Palestijnen achterlijk en Israëliërs op zoek naar vrede. Palestijnen horen volgens die leerboeken niet in Palestina; het gebied was Joods en hoort dat te blijven. De lesboeken zijn nationalistischer en racistischer dan ooit. Inmiddels groeit er een derde generatie op in de bezette gebieden voor wie het bestaan als Joodse fundamentalisten de norm is. De kwaliteit van Palestijnse schoolboeken schijnt overigens geen haar beter te zijn, zegt Ader, wat hem overigens niet verwondert, gezien de misdaden die Israël heeft begaan. Terrorisme is volgens hem het enige wat een klein ondergeschikt volk nog ter beschikking staat tegenover een oppermachtige- en onderdrukkende staatsmacht. 

    Ader heeft zich in kringen van vrienden van Israël niet bepaald geliefd gemaakt. Iedere kritiek op Israël wordt daar al snel afgedaan als antisemitisme en op een bedenkelijk niveau teruggekaatst. Zo werd Ader onlangs door de Israël-gezinde Kees Broer verweten dat hij met zijn opvattingen ‘de gedachtenis van zijn in WOII gefusilleerde vader door het slijk haalt’. Deze opmerking is ver beneden het argumentatieniveau van het boek van Ader, dat een serieus weerwoord verdient.



  • Een lieflijke oase

    Yoko Ogawa (1962) is een Japanse schrijver die met haar oeuvre elke grote Japanse prijs won. Haar dystopische roman De geheugenpolitie (2021) was een internationaal succes en kwam op de shortlist van de National Book Award for Translated Fiction en die van de International Booker Prize. Haar nieuwste roman Het onvergetelijke jaar van Tomoko won in Japan de belangrijke Tanizakiprijs. De vredig aandoende roman kenmerkt zich door een magisch-realistische sfeer.

    Op het eerste gezicht lijkt de wereld die we door het ik-perspectief van de twaalfjarige Tomoko zien niet heel bijzonder. De vader van Tomoko is in 1966 overleden aan maagkanker en haar moeder gaat in 1972 een opleiding van een jaar volgen aan een hogeschool in Tokio om haar techniek als kleermaker te verbeteren om zo meer werkzekerheid te vinden. Tomoko wordt gedurende dat jaar ondergebracht bij haar tante en oom in Ashiya. Het huis met zeventien kamers waar haar tante en oom wonen is bijzonder luxueus. Oom is directeur van een frisdrankfabriek. Fressy, de frisdrank die in de fabriek geproduceerd wordt, bevat radium en zou een heilzaam effect op de maag hebben. Tomoko maakt kennis met haar nichtje Mina, dat een jaar jonger is dan zij. Haar oudere neef Ryuichi studeert in Zwitserland. Daarnaast wordt het huis bewoond door de uit Duitsland afkomstige oma Rosa en huishoudster mevrouw Yoneda. Meneer Kobayashi zorgt voor het onderhoud van de enorme tuin, maar zijn belangrijkste taak bestaat onwaarschijnlijk genoeg uit het verzorgen van Pochiko, het dwergnijlpaard dat oom op zijn tiende verjaardag cadeau kreeg van zijn vader. Pochiko is het enige overgebleven dier van dierentuin Fressy, ooit gevestigd in de enorme tuin van het enorme huis.

    Fressy, het ultieme wondermiddel

    Tomoko ontdekt al snel dat haar nichtje Mina een buitengewoon broze gezondheid heeft. Ze ziet intens bleek, is mager en heeft last van ernstige astma-aanvallen. ‘Voorkomen dat ze een aanval kreeg was voor het hele gezin de grootste prioriteit. Bij het minste kuchje stopten de volwassenen haar gelijktijdig een vest, een sjaal, een handwarmer en een gorgeldrank toe. Het geluid van een kuch draaide ergens in het huis een knop om en was het signaal om met z’n allen strijdvaardig te zijn. Dat gevoel kreeg ik.’ Fressy wordt door de bewoners van de villa gezien als het ultieme wondermiddel. Bij haar moeder mocht Tomoko alleen Fressy drinken wanneer ze jarig was, omdat haar moeder vreesde voor tandbederf, maar bij haar oom en tante is er een speciale koelkast vol met Fressy waaruit zij en haar nichtje zoveel mogen pakken als ze willen.

    Tomoko leert haar nichtje ook beter kennen wanneer ze tegelijkertijd gebruikmaken van de ‘kamer met het lichtstralenbad’, een ruimte zonder ramen, waarin twee bedden staan die worden beschenen door een ronddraaiende constructie van elektrische lampen. Vanwege de heilzame werking van die lampen brengt Mina regelmatig tijd door in die kamer wanneer ze weer een astma-aanval heeft gehad.

    Waar is oom?

    Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat er nog meer bijzondere zaken plaatsvinden in en om het huis van oom en tante. Dat Mina op de rug van nijlpaard Pochiko naar school gebracht wordt, vindt Tomoko nog plausibel, omdat Mina te zwak is om die reis zelf te voet af te leggen. Dat haar oom vaak lange tijd zonder duidelijk aanwijsbare reden afwezig is en dat haar tante zich min of meer in het geheim bedrinkt, is voor Tomoko reden om op onderzoek uit te gaan. Het leuke is dat de interpretatie van haar ontdekkingen voor de lezer begrijpelijker zijn dan voor haarzelf. Ondertussen is ze ook erg gesteld geraakt op Mina en gaat ze regelmatig naar de bibliotheek om boeken uit de wereldliteratuur voor haar te lenen. Tomoko neemt het leven zoals het komt. Nergens lees je dat ze haar moeder of haar overleden vader mist, dat ze pubergedrag vertoont of dat ze ambitie heeft om haar best te doen op school om iets te bereiken. Ze vindt het wel belangrijk om zich nuttig te maken voor het gezin waar ze nu deel van uitmaakt.

    Luciferdoosjesverzameling

    Een bijzonder onderdeel van het boek vormt de luciferdoosjesverzameling van Mina. Ze bewaart ieder afzonderlijk doosje in een grotere doos en bedenkt bij iedere afbeelding op het doosje een bijzonder verhaal. Tomoko wordt op een dag door Mina ingewijd in de verzameling die zich onder het bed van Mina bevindt en gaat zich vanaf dat moment inzetten om zoveel mogelijk verschillende luciferdoosjes voor Mina te bemachtigen. De lucifers die Mina regelmatig afsteekt om een lantaarn of een kaars aan te steken zijn een mooi symbool voor het lichtpuntje dat zij voor allen in het huis is. Alle volwassenen blijken zorgen te hebben, waarvoor ze zich kunnen afsluiten wanneer ze zich zorgen kunnen maken om Mina. Dat doen ze dan ook met verve. Een ander fraai symbool zijn de kapotte voorwerpen, die iedereen op het bureau van oom mag leggen, ook als hij er niet is. Oom heeft er een bijzonder genoegen in om dingen die stuk zijn, hoe klein ook, te repareren en het lukt hem ook altijd. Tante houdt zich op haar beurt een groot deel van haar tijd bezig met het vinden van spelfouten in boeken, kranten, brochures, ondertitelingen en wat niet al.

    Filter

    Het onvergetelijke jaar van Tomoko is een bijzonder boek, dat de lezer niets opdringt en geen moment verveelt. Interpretaties over alle bijzondere dingen die gebeuren kunnen ongegeneerd toegepast worden. De wat magisch aandoende wereld waarin Tomoko zich beweegt is stabiel. Het verblijf in het huis van haar oom en tante betekent voor Tomoko een jaar van veiligheid. Ze ontdekt weliswaar dat de wereld zelf niet veilig is, maar dat je door een bepaalde onbevangenheid en met optimisme toch prima kunt functioneren. Je kunt ziek worden, zoals Mina, maar dan kun je veel mooie boeken gaan lezen en mooie verhaaltjes schrijven over afbeeldingen op luciferdoosjes. Er zijn Arabische terroristen die tijdens de Olympische Spelen van München een aanslag plegen, maar gelukkig kun je ook kijken naar andere zaken en wint het Japanse volleybalteam een gouden medaille. Je kunt net als oma Rosa in het verleden moeilijke dingen hebben meegemaakt, maar dan heb je steun aan mevrouw Yoneda, die in den vreemde je beste vriendin wordt. Oom kan alles repareren en aan tante ontgaat geen spelfout; optimisme en lichtvoetigheid overheersen de chaos die het leven kan zijn. Het maakt het boek tot een lieflijke oase, waarin mogelijke narigheid achter een filter verdwijnt.

     

     

  • Papieren catwalk

    Dat de grote couturier Balenciaga ooit ook als een jochie van twee turven hoog door de straatjes van een Spaans dorpje rondhuppelde, is natuurlijk hét perfecte verhaal om kinderen een tentoonstelling over zijn werk in te trekken. Want daar is waar de serie waar dit boek uit komt op gebaseerd: kindermuseumbezoek.
    […]
    En vanaf dat moment is elke pagina gevuld met jurken. Soms paginavullend in prachtig uitgewerkte details, tegen achtergronden die wel paleisbehang lijken. Soms als bijna terloopse aankleding van winkelende dames voor een van zijn salòns. Cristóbal groeit iedere pagina, tot hij de grote Balenciaga is.

    Lees de recensie op Jong Literair Nederland.