• De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen

    Een fictieve stad is het toneel van de roman Jericho van schrijver Lammert Voos. Hij werkte zelf jarenlang als vluchtelingenmedewerker, onder meer tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Hij publiceerde gedichten, verhalen en romans, deels in het Gronings, de taal van zijn jeugd. De naam Jericho komt in de Bijbel voor, in het boek Jozua, maar niets in deze roman verwijst naar de Bijbelse stad die op miraculeuze wijze veroverd werd door het Joodse volk dat uit het land Egypte weggetrokken was. Jericho is door Voos gesitueerd in het eveneens fictieve Moudzikistan, een ‘oud rijk dat bestaan had uit een lappendeken van volken, talen en religies.’ Het is een staat in het Pontisch-Kaspische steppegebied boven de Zwarte Zee, dat zich uitstrekt van het huidige Moldavië tot aan Kazachstan. De situering van de roman is fictief, maar weinig in dit boek is verzonnen. Voos heeft de roman bijeengesprokkeld uit zijn herinneringen en uit de verhalen van vluchtelingen en hulpverleners uit oorlogen wereldwijd. Hij schreef de roman voordat Rusland Oekraïne binnenviel.

    Jericho is in Voos’ roman de hel op aarde. De stad wordt voortdurend beschoten vanuit de bergen, het is de sterfplaats van wanhopige vluchtelingen en de pleisterplaats van cynische journalisten. Een vervuilde stad, zonder schoon water, lijdend onder de hitte, het stof en de explosieven. Niemand is daar zijn leven veilig en het leed gaat er naakt of half aangekleed over straat. ‘De massa week stroperig uiteen, murw van honger, dorst en uitputting. Stof en nog eens stof, kinderen met zwarte oogleden en lippen van roet (…)’. 

    Korte scènes en een motto

    Het boek bestaat uit korte scènes uit het leven van verschillende personen die we beurtelings volgen of van wie we steeds meer via flashbacks te weten komen. De belangrijkste figuren zijn de Nederlandse journalist Adam, de vluchteling Lidija, de geheimzinnige Anna, Detlev, de barman van Hotel International en de Nederlandse VN-gezant De Jong. Ze proberen allen te overleven in deze poel van ellende.

    De roman begint met een motto van Friedrich Nietszsche: ‘Wenn du lange in einem Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein.’ Dit citaat is helemaal van toepassing op Adam, de journalist. Mede door enkele flashbacks naar zijn jeugd ontstaat het beeld van een man die zijn journalistieke loopbaan gebruikt om aan zijn trauma’s te ontsnappen. Hij is opgevoed door een ‘beest’ van een vader die zijn moeder sloeg, en een moeder die ‘niet deugde’. De schrijver noemt Adam een zaterdagskind, iemand die niets bespaard is gebleven en zich daar zelf schuldig over voelt. Iemand die niet wil accepteren dat de afgrond ook in hemzelf bestaat en dat hij die afgrond telkens weer opzoekt, zoals nu in Jericho. In deze stad blijft hij – door de wol geverfd – ogenschijnlijk heel rustig te midden van de mensonterende omstandigheden waarin mensen om hem heen worden neergeknald of compleet gek worden van angst. Maar iedere keer als hij terugkeert in Nederland wordt hijzelf gek van angst. Het enige wat hem daarvan kan bevrijden is terug te keren naar een oorlogsgebied waar nieuwe belevenissen in verse lagen over de oude gelegd worden. 

    Wie wel en wie niet te vertrouwen

    De vluchteling Lidija is het slachtoffer van jodenhaat op het platteland en moet vluchten. Zij denkt in de stad Jericho veilig te zijn. Onderweg naar de stad verliest ze haar schoonouders en man. Ze ‘sleept’ twee jonge kinderen met zich mee, de een krijsend van honger, de ander bijna dood. Lidija is de schrijfster van een gedicht waarvan door het boek heen telkens zinnen opduiken. Een mooi en tegelijkertijd hartverscheurend gedicht, een ‘bittere zang van lijden en sterven’. Het gedicht wordt in het laatste hoofdstuk in zijn geheel afgedrukt.

    De geheimzinnige Anna wil haar levensverhaal kwijt bij journalist Adam, die weet dat zij via hem bekendheid wil krijgen. Zij is tamelijk ongrijpbaar, ook voor Adam. Hij heeft het gevoel dat haar verhaal is verzonnen, maar hij is toch gefascineerd door haar persoonlijkheid en charme. Hij heeft het gevoel dat zij hem meetrekt in een complot, hem voor haar karretje wil spannen. Adam weet niet goed wie wel en wie niet te vertrouwen is in deze stad.

    Dan is er de barman Detlev, zelf ook een vluchteling, die werkt in Hotel International, de veiligste plek van de stad. Hij is de barmhartige in deze roman, hij doet wat hij kan om de vluchtelingen en gewonden te helpen door ze van voedsel en medicamenten te voorzien geven. Naast deze barman is er ook nog de zichzelf opofferende Nederlandse VN-sergeant De Jong. Het is even zoeken, maar medemenselijkheid bestaat ook in deze stad. 

    Invoelende beschrijvingen

    De kracht van dit boek zit in de rauwe beschrijvingen die het gevoel geven dat je naast en tussen de mensen staat die de verschrikkelijkste dingen overkomen. Zo beschrijft Voos een plein nadat er een granaat is ontploft: ‘Het plein lag bezaaid met lijken en lichaamsdelen. Er kroop een jonge vrouw over de stenen die glibberig van het bloed waren, de resten van haar benen achter zich aanslepend. Overal schreeuwende en huilende mensen op zoek naar geliefden en familie. De ramen waren uit de McDonald’s geblazen, binnen lagen talloze gewonden.’ Lammert Voos schrijft heel afwisselend. Lange zinnen en zinnen die bestaan uit heel weinig woorden wisselen elkaar af. Hij gebruikt prachtige metaforen en verwijzingen. Een pantserwagen doet hem denken aan Jona in de walvis en beweegt zich als een ‘pissenbed’ door de straten.

    Toch is er ook wel wat op het boek aan te merken. Het verhaal van Anna blijft ook na meerdere lezingen onduidelijk. De Nederlandse VN-gezant De Jong is een soort Jezus-ex-machina. De auteur brengt de verschillende hoofdpersonen in de slothoofdstukken bij elkaar, maar dat komt in dit meeslepende en actuele boek wat geconstrueerd over. De drama’s van de hoofdpersonen waren los van elkaar al wel invoelbaar gemaakt.



  • Globetrotterend van de oertijd naar Greta Thunberg

    Menigeen herinnert zich wel hoe de sleur van plichtmatig schoolbezoek door één leraar in het bijzonder aangenaam kon worden doorbroken. Hij of zij was zo’n aanstekelijke verteller of wist je zo te raken dat je die docent nooit meer bent vergeten. In het beste geval werd in die lessen zelfs de bodem gelegd voor je levenslange interesse of zelfs je latere beroep.
    De Belgische journaliste en dichteres Barbara de Munnynck zou als docente de leerlingen vast meegekregen hebben. Ze publiceerde onlangs Een kleine wereldgeschiedenis in 100 grote data. Als je nog geen liefhebber van geschiedverhalen was word je het door dat boek alsnog.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
  • Mysterie, betovering en krankzinnige gedachten

    Dromen hebben vaak een geheel eigen logica die de natuurwetten tart, net als in de waanzin of het delirium breken de grenzen van het normale af en wordt alles opeens mogelijk. Zo’n verhitte koortsdroom is de roman De bekentenis van Lúcio van de Portugese dichter Mário de Sá-Carneiro (1890-1916), persoonlijk vriend van die andere Portugese dichter: Fernando Pessoa. Het boek draait in hoofdzaak om een crime passionel maar dan als het ware onder invloed van absint. Daarnaast bevat het een wervelende beschrijving van het artistieke milieu in Parijs, alvorens de allesoverheersende vriendschap met de dichter Ricardo de Loureiro op het toneel komt. In een gecompliceerde driehoeksverhouding met de vrouw van Ricardo probeert hoofdpersoon Lúcio feit van fictie te scheiden. Terwijl hij ondertussen een inzinking nadert en alles zich dreigt te ontrafelen om hem heen.

    Sá-Carneiro heeft ook in Parijs gewoond, waar zijn mentale gezondheid het uiteindelijk liet afweten en hij zelfmoord pleegde. In De bekentenis van Lúcio heeft de hoofdpersoon moeite om bij de feiten te blijven, al is vanaf het begin nooit helemaal duidelijk wat de feiten zijn. Lúcio ondergraaft constant zijn eigen weergave. De opzet is die van een typische bekentenisroman, waarin Lúcio vanuit de gevangenis zijn zaak uiteenzet. Net als Pessoa schrijft Sá-Carneiro om zich te verschansen tegen het echte leven waarin hij weinig voldoening ervaart. Waar Pessoa echter de perfecte beheersing heeft over zijn ficties schiet het verhaal bij Sá-Carneiro alle kanten uit. Hij denkt in kleuren, overschrijdt de grenzen van het waarschijnlijke en dompelt zich onder in de roes. Het zijn vooral veel indrukken en dichterlijke beschrijvingen. In een taal die bol staat van de verfijnde zinnelijkheden jongleert Sá-Carneiro met verwachtingen en speelt hij met verlangen.

    Mijn Parijs

    Het verhaal begint in Parijs waar het zich grotendeels afspeelt. De stad is voor Ricardo ‘de enige blonde opium die ik heb voor mijn pijn.’ Dit soort uitzinnige uitroepen komen wel vaker voor bij Sá-Carneiro vooral als het om kunst draait. Want daar gaat het voornamelijk om in de kringen waar Lúcio zich in begeeft. Al geeft hij ook af op ‘die vreselijke lui, de nepartiesten, wier werk besloten ligt in hun houding: die altijd het hoogste woord voeren, ingewikkelde zinnen uitkramen, de gekste voorkeuren aan de dag leggen, gekunsteld, irritant, onverdraaglijk.’ Die kringen zijn gevuld met excentrieke types zoals Russische schilders, vergeten genieën en briljante dansers. Of de kunstenaar Villa-Nova die hij kent uit Lissabon, het type ‘mislukt, of liever tot mislukken gedoemd groot kunstenaar.’ Deze Villa-Nova heeft het constant over kermisartiesten, obscure schrijverscollectieven en hoe onbegrepen hij is. Bij een van zijn soirees ontmoet Lúcio voor het eerst Ricardo voor wie hij gelijk genegenheid opvat, zelfs zoveel dat hij het een ‘gepredestineerde’ vriendschap noemt. Tijdens lange wandelingen en etentjes houden de boezemvrienden gesprekken van ziel tot ziel. Zo onthult Ricardo in een van die gesprekken dat hij ‘niemands vriend zou kunnen zijn.’

    Het is verleidelijk om in de figuur van Ricardo Pessoa terug te zien en in Lúcio Sá-Carneiro zelf. Gedeelten van hun gesprekken lijken wel direct uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa te komen. We weten dat Sá-Carneiro Pessoa beschouwde als zijn beste vriend, ook al is hij in zijn schaduw blijven staan. Ze schreven samen aan het literaire avant-garde tijdschrift Orpheu. Tot Sá-Carneiro’s problemen schijnbaar de overhand kregen, wat tot een paar wanhopige brieven aan Pessoa leidde: ‘Koorts, koorts is het.’ Iets van die wanhoop schemert duidelijk door in deze roman waarin de zenuwen van Lúcio het zwaar te verduren krijgen door Marta, de vrouw van Ricardo.

    Die vervloekte literatuur

    Lúcio drukt de lezer telkens op het hart dat hij ‘alleen maar feiten’ mededeelt, al lijkt zijn mentale staat het tegenovergestelde te beduiden. Sá-Carneiro blinkt vooral uit in portretten en nergens leeft hij zich zo uit als op het karakter van zijn kameraad. Urenlang denkt Lúcio na over al zijn eigenaardigheden en trekjes, zijn werk dat vol ‘sensualisme en waanzinnige perversiteiten’ zit. Ricardo dringt door tot in de donkere krochten van Lucio’s geest die volgens hem leidt onder een ‘duister doodslijden.’ Ricardo voelt zich lijden onder de banaliteit, maar ook de literatuur is geen uitweg, alles is al eens beschreven, en beter. Zodat hij tenslotte uitroept: ‘die vervloekte literatuur’. Deze zweem van fantastisch fatalisme doet denken aan de decadentie van de poètes maudits, de opulentie van een Baudelaire of de fantastische visioenen van een Rimbaud. Er is een onzichtbaar noodlot aan het werk en het obscure of perverse wordt bewust opgezocht.

    Als Ricardo terugreist naar Lissabon stuurt hij Lució een brief waarin hij vertelt dat hij een partner heeft gevonden, Marta. Als Lució hem tenslotte achterna reist komt hij al snel onder haar invloed. Marta heeft vanaf het begin een air van mysterie en lijkt eerder een van de duistere bruiden van Edgar Allan Poe. Ze verschijnt als een waar droombeeld aan Lúcio die haar beschrijft als ‘een knappe vrouw, blond, heel blond, lang, sculpturaal – en haar huid was gebronsd, stevig vluchtig. Haar blauwe oogopslag ging nostalgisch verloren in het oneindige.’ Haar handen zijn ‘verontrustend’ en ze lijkt ergens door gekweld te worden. Deze schijnbaar ideale partner ontpopt zich tot een ware femme fatale in de letterlijke zin van het woord voor Lúcio. In een sfeer van beklemmende geheimen worden de twee steeds intiemer.

    Fata morgana

    De zaadjes van de twijfel worden gezaaid door Sá-Carneiro die telkens weer de lezer op een verkeerd spoor tracht te zetten. Dan lijkt Marta opeens op te lossen in de lucht, en is ze opeens verontrustend echt in Lúcio’s bed. In de finale wordt iets van de sluier opgelicht maar er wordt niets uitgelegd of weggegeven. In de greep van de betovering lijkt Lúcio niet helder meer te willen denken. ‘Mijn enige beklemming was het mysterie.’ En nu hij het vleesgeworden mysterie bezit, wordt hij nog steeds gekweld door wroeging. Maar het levert niet meer op dan warrige spoken en hersenschimmen, Marta’s mystieke lichaam lijkt niet bezeten te kunnen worden, ze is vluchtig als een droom. Niet alleen de gevoelens worden literatuur bij Sá-Carneiro, maar hij lijkt zelf de grens tussen literatuur en het echte leven te willen overschrijden. Zodat je nooit zeker weet of Marta nu een constructie is van Ricardo of een echte vrouw. Schoonheid moet voor Sá-Carneiro overvloedig zijn, convulsief haast, de zinnen moeten ontregeld worden.

    En dus schept Sá-Carneiro een spiegelpaleis waarin de schoonheid bewierookt wordt en de elegantie centraal staat. Met zijn decadente stijl zet hij een dialoog voort met Pessoa en zette hij zichzelf op de kaart als modernist. Via Orpheu introduceerde Sá-Carneiro ook het futurisme in Portugal. De bekentenis van Lúcio is een legpuzzel met een ontbrekend stukje en de oplossing kan wellicht gevonden worden in het leven (of de dood) van Sá-Carneiro. In zijn proza blijft hij een dichter en dit zie je terug in de warrige structuur van de roman en de focus op beschrijvingen, veelal in een onmogelijk palet van bonte kleuren. De spanning valt ook een beetje weg in het middenstuk omdat je constant ten onder gaat in alle bizarre beelden, krankzinnige gedachten en extravagante metaforen. Sá-Carneiro heeft ooit gespeeld met het idee van een verhaal over een man die verdwijnt in zijn eigen innerlijke wereld; zijn leven en kunst zijn hier sterk door getekend. De bekentenis van Lúcio leest als een lange trance, het ontwaken uit een ‘vreemde, duistere slaapdronkenheid.’

     

     

  • Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Met de tiende roman van Elisabeth Strout is iets interessants aan de hand. De levens van verschillende personages uit haar vorige, op zichzelf staande boeken, raken in Vertel mij alles sterk met elkaar verweven. Dat gebeurt niet vaak in de literatuur. Nooit liet Agatha Christie haar Hercule Poirot en Miss Marple samen een moord oplossen. Hermans’ Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen spelen in hetzelfde Groninger academisch milieu, maar het enige personage dat in beide romans optreedt is marginaal, de psychiater Eddie Barend. Recentelijk liet A.F.Th. van der Heijden zijn twee prozacycli De Tandeloze Tijd en Homo Duplex in elkaar overvloeien met Stemvorken (2021) en Zogkoorts (2023). Elisabeth Strout weeft haar werelden subtieler ineen, pas gaandeweg valt het de lezer op.

    Zoals William Faulkner met Yoknapatawpha County een omgeving schiep – herkenbaar als zijn geboortegrond, als ook volkomen fictief gezien de verzonnen namen van de locaties in zijn romans en verhalen – doet Elizabeth Strout dat met de omgeving van Sabbanock Valley in Maine. Dit universum ontplooide zich vanaf haar debuut Amy en Isabelle (1998). Het stadje Shirley Falls in Maine kent een arm en een rijk deel, gescheiden door de Sabbanock rivier. Alleenstaande moeder Isabelle Goodrow woont met haar tienerdochter Amy in een bouwvallig huis aan de rand van het welvarende deel. Isabelle werkt in een fabriek als secretaresse. Amy gaat naar de middelbare school, waar haar kleding afsteekt bij die van haar welvarender klasgenoten. Moeder en dochter zijn elk op hun eigen manier eenzaam en raken van elkaar verwijderd.

    Oliver Kitteridge

    Olive Kitteridge (2008) is een verhalencyclus die bij Shirley Falls speelt in het kuststadje Crosby. Met personages voor wie het leven hard is, maar zelf ook harteloos tegenover anderen zijn. Olive Kitteridge is wiskundelerares, echtgenote van drogist Henry en moeder van Chris. Ze is onafhankelijk. Niet echt aardig, eerder direct en impertinent, maar met compassie voor de zwakkeren. Tegenover haar zoon, die twee keer trouwt en wiens keuze ze afkeurt, speelt ze geen mooi weer. De verhalencyclus neemt een decennia in beslag. Uiteindelijk is Olive weduwe, gepensioneerd en ontmoet ze weduwnaar Jack. Het boek werd in 2014 bewerkt tot een tv-serie voor HBO met de briljante Frances McDormand in de hoofdrol.

    In 2013 verscheen The Burgess Boys, dat nog niet vertaald is. Bob en Jim Burgess groeiden met hun zuster Susan op in Shirley Falls, voor ze beiden naar New York vertrekken. Bob werd een sociale advocaat, zijn broer een beroemde misdaadadvocaat. Zijn tweelingzuster Susan bleef in Maine wonen. Hun vader stierf toen ze kinderen waren door een vreemd auto-ongeluk. Wie heeft aan de versnelling geprutst, Bob, Jim of Susan. De sympathieke Bob heeft er een trauma aan overgehouden. Naast de broers, zijn er hun echtgenotes, Pam en Helen. In deze roman zien we, zoals in haar andere romans, huwelijksbedrog, echtscheiding en vervreemding van de kinderen. Beschadigde mensen, maar ook ex-partners die met elkaar bevriend blijven.

    Werden deze drie boeken in de derde persoon geschreven, met Ik heet Lucy Barton (2016) slaat Strout een andere weg in. Geen samenhangende verhalencyclus, maar een roman in de eerste persoon, zodat we dicht bij de verteller blijven. De kern van het boek is een ziekenhuisopname van Lucy in New York in de jaren tachtig. Lucy ontwaakt en ziet haar moeder, waar ze geen goede relatie mee heeft, naast haar bed zitten. Ze is overgekomen uit het gehucht Amgash in Illinois. Lucy is beginnend auteur, getrouwd met William en ze hebben twee jonge dochters. Met haar moeder praat ze over mensen uit Amgash, hoort ze wat er van hen geworden is en herinnert ze zich hoe straatarm ze waren. Als kind zochten ze naar voedsel in afvalbakken. Hun vader gedroeg zich vreemd en haar moeder was afstandelijk. Of Lucy door het ziekenhuisbezoek van haar moeder nader tot haar gekomen is, is de vraag. Ze verzint een dode moeder die wel lief voor haar is en haar op belangrijke momenten nuttige adviezen kan geven.

    Succesvol schrijfster

    Niets is onmogelijk (2017) gaat ook over Lucy, maar nu in de derde persoon geschreven en in de vorm van een verhalencyclus. Lucy is inmiddels hertrouwd en een succesvol schrijfster geworden. Sommige personages uit Amgash krijgen een eigen verhaal, onder wie Lucy’s broer en zuster. Andere verhalen gaan over mensen die Lucy ontmoet. Ze brengt een bezoek aan haar broer en zuster en dat loopt niet goed af. Want Lucy mocht studeren, maar zij bleven als outcasts in Amgash wonen.

    Opnieuw Olive (2019) is een verhalencyclus met Olive Kitteridge als verbindende figuur. Soms heeft ze een cameo. Zoals in het verhaal ‘Ballingen’, waarin Jim Burgess met zijn vrouw Helen op bezoek gaat bij broer Bob en diens echtgenote Margaret in Crosby. Olive ontmoet later een voormalige leerlinge die de Amerikaanse Poet Laureate is geworden en beseft dat zij alleen maar om die reden op de vrouw is afgestapt. Aan het begin is Olive gelukkig getrouwd met Jack, aan het eind is ze 86 en woont ze als weduwe in een bejaardentehuis. Daar leert ze Isabelle Goodrow (uit Amy en Isabelle) kennen. De twee ontwikkelen een bijzondere vriendschap. En Olive begint haar memoires op te tekenen.

    Knap van Strout is hoe zij de essentiële gebeurtenissen die wij over de personages uit vorige romans kennen, zo gedoseerd weet samen te vatten dat ze zowel duidelijk genoeg zijn voor de nieuwe lezer als niet hinderlijk voor degene die haar werk kent. Eigenlijk wordt de kern van haar romans niet zozeer door een plot bepaald, als door de ketting van verhalen die de personages aan elkaar vertellen, over zichzelf en de merkwaardige mensen die ze ooit hebben ontmoet.

    In Het verhaal van William (2021) vertelt Lucy wat meer over haar huwelijk met William en over diens moeder bij wie ze zich nooit op haar gemak voelde. Na hun scheiding trouwde ze met de musicus David. Als David is overleden en William is verlaten door zijn veel jongere vrouw trekken ze weer naar elkaar toe. Williams blijkt een halfzus  in Maine te hebben. Om allerlei redenen is Lucy degene bij haar op bezoek gaat en een schokkende ontdekking doet over Williams moeder. Ze geeft ook meer details over de scheiding en de slechte relatie met haar dochters in de periode daarna. Ondanks het verleden voelt Lucy zich merkwaardig genoeg veilig bij William. In Lucy aan zee (2022) – een echte covid-roman met de pandemie als rode draad – verhuist ze dan ook met William naar Maine, in Crosby. Twee mensen die in hun jeugd met elkaar trouwden, slechts hun in New York gebleven dochters als verbindende factor hebben, zitten tijdens de lockdown opeens in een onbekend huis aan zee. Het is fascinerend hoe Strout het proces van een groeiende vertrouwdheid tussen beiden weet te schetsen.
    Ze zien de gruwelen van de pandemie in New York op tv, maar ook de moord op George Floyd en de Trumpiaanse bestorming van het Capitool. Mensen die zij kennen worden ziek, sommigen sterven. De communicatie met de dochters wordt problematisch, en niet alleen door de pandemie.

    Programma voor haar romans

    Vertel mij alles begint zo: ‘Dit is het verhaal van Bob Burgess, een grote, stevig gebouwde man, die in Crosby, Maine woont, en op het moment van schrijven is hij vijfenzestig. Bob heeft een groot hart, maar dat weet hij niet van zichzelf; zoals zovelen van ons kent hij zichzelf minder goed dan hij denkt, en hij kan zich onmogelijk voorstellen dat hij iets in zijn leven heeft dat het waard is om te worden opgetekend. Maar dat heeft hij wel, net als wij allemaal.’ Dit kan worden opgevat als een programma voor de hele roman: het leven van ieder mens is de moeite waard om te vermelden, ondanks zijn of haar onvolkomenheden. Strout is hierin verre van klef, in een bepaalde mate liegen, bedriegen en manipuleren haar personages partners, vrienden en familieleden en als dat niet het geval is schuren hun betrekkingen voortdurend. Net als in haar vorige romans. Waardoor dit citaat uit Vertel mij alles ook het programma is voor haar hele oeuvre.

    In dit boek ontmoet Lucy Olive voor het eerst. De bedoeling is dat Lucy haar bezoekt om elkaar verhalen te vertellen over de mensen die ze in hun leven hebben gekend. Olive heeft de boeken van Lucy gelezen, maar anders dan Bob en zijn vrouw Margaret is ze kritisch. En van de verhalen die Lucy – de beroemde schrijfster – haar vertelt, is ze niet altijd onder de indruk. Omgekeerd vindt Lucy de levensverhalen die Olive haar vertelt wel interessant: ‘Vertel mij alles!’

    Een terugkerend genoegen voor Lucy  zijn haar wandelingen met Bob, op wie ze zeer gesteld is. Tijdens hun wandelingen praten ze over mensen uit hun respectievelijke verleden. Lucy over mensen uit haar jeugd, over haar dochters en Olive. Bob over zijn broer en zuster en hun partners, over zijn ex-vrouw Pam en zijn huidige vrouw Margaret. Bovendien heeft hij de verdediging op zich genomen van een man die ervan wordt verdacht zijn moeder te hebben vermoord. Moe als Bob is en twijfelend of hij zijn advocatenkantoor nog moet aanhouden, heeft hij medelijden met de man die verdacht wordt, en wiens families elkaar kennen vanaf hun middelbareschooltijd.

    Alles is een vorm van liefde

    De verwikkelingen rond de moord op de moeder vormen een boeiende rode draad in Vertel mij alles, maar het bepaalt nooit de andere verhaallijnen. Zoals de nieuwe relatie van Bobs zuster, de alcoholproblemen van zijn ex en de relatieperikelen van Lucy’s dochters. Of het gevaar dat Olive’s boezemvriendin Isabelle door dochter Amy naar California wordt gehaald.

    Misschien omdat Lucy uit New York komt, valt in dit boek sterk op hoe belangrijk de natuur in Maine voor de personages is, met name bij de wisseling van de seizoenen. Wel en wee, lief en leed, maar bij Strout geen eind goed, al goed. Enerzijds zorgt het ‘lot’ ervoor dat eenzame personages een partner krijgen en sommige zelfs uit de armoede geraken. Of dat een wanhopige vrouw na een serie miskramen een gezond kind krijgt. Anderen verliezen hun partner en zien de relatie met hun kinderen onherstelbaar verslechteren of blijken als kind misbruikt en kunnen het leven niet meer aan.

    Als uiteindelijk de mogelijkheid voor een heerlijk leven met hun grote liefde in het verschiet ligt, zijn er mensen die terugschrikken voor de ‘collateral damage’ die dat in hun omgeving zou veroorzaken. Dat is een verhaal dat Lucy aan Olive vertelt aan het slot van het boek. De strekking is volgens haar dat het belangrijkste principe tussen mensen, of het nu partners, vrienden, kennissen of familieleden zijn, een vorm van liefde is. Strouts hele oeuvre laat dit zien, maar in deze roman stelt ze het heel expliciet. ‘Telling’, maar ze laat het natuurlijk vooral zien, ‘Showing’. In de laatste regels kijkt Olive Kitteridge, 91 jaar oud, naar haar slapende vriendin Isabelle en constateert dat Lucy gelijk heeft. Liefde. Voor wie nooit iets van Strout heeft gelezen, kan zonder meer beginnen met Vertel mij alles. Het zal ongetwijfeld aanzetten tot het lezen van haar voorgaande romans.

     

     

  • Het huis als warboel van goede bedoelingen

    Dialogen bestaan in romans doorgaans uit afgewogen zinnen. Ze staan in dienst van de loop van het verhaal en volgen elkaar in een logische opbouw op. Op het witte doek zijn dialogen al evenzeer ingekaderd. Heel vaak is de spreker en face in beeld en pakt de camera op dezelfde manier de volgende spreker waardoor de aandacht van de kijker volledig gaat naar wat er (met de bijbehorende mimiek) gezegd wordt. In het dagelijks leven gaat het zelden zo. Sprekers vergissen zich, springen van de hak op de tak, houden zich niet aan grammaticale regels, onderbreken elkaar en luisteren slecht. Bovendien zijn er voor de aangesprokene allerlei afleidingen door een TV die aan staat, de titel van een boek dat op tafel ligt, een telefoongesprek of een foto die allemaal de gedachte afleiden van wat er gezegd wordt.

    De verlossers van William Gaddis bestaat vrijwel louter uit dialogen die zich op die laatste manier ontwikkelen. Daar komt bij dat de gespreksonderwerpen van de protagonisten op zijn zachtst gezegd nogal duister, verdacht en ondoorgrondelijk zijn. Wie voor het eerst Gaddis leest kan er op stuk lopen, maar opnieuw beginnen loont. Dan krijg je door wat hier gebeurt en word je deelgenoot van het ‘werkelijke’ leven van de personages in al hun verwarring, eenzaamheid, woede, machtswellust, angsten, wantrouwen enzovoort.

    Domheid

    William Gaddis schreef vier romans die tot op heden niet in Nederlandse vertaling beschikbaar waren. Toch kan zijn naam bij een enkeling bekend zijn van een citaat dat rond (de Amerikaanse) verkiezingen of in discussies over populisme wel eens opduikt: ‘Domheid is opzettelijke cultivering van onwetendheid’ (zeer recent bijvoorbeeld in de proloog van De domheid regeert van Sander Schimmelpenninck). Het citaat komt uit de derde roman van Gaddis die als eerste in het Nederlands kan worden gelezen: De verlossers. In die roman duikt de uitspraak op in een tirade van de raadselachtige en handtastelijke McCandless over streng gelovige creationisten die de evolutie ontkennen. Het is een interessante filippica die meer aforistische zinnen bevat als ‘Geopenbaarde waarheid is het enige wapen van de domheid tegen de intelligentie’. Deze McCandless is een geoloog die ooit in Afrika onderzoek heeft gedaan en daar dominee Ude ontmoette, de grote voorman van de beweging die hij aanvalt. McCandless schreef mee aan schoolboeken over het ontstaan van de wereld, maar Ude zorgde ervoor dat zijn artikelen werden verminkt tot ze pasten in het Bijbelse scheppingsverhaal. Het is duidelijk dat de twee elkaar wel kunnen schieten.

    Gefoeter

    McCandless is ook de eigenaar van het huis waarin twee andere belangrijke personages wonen: Paul Booth, een getraumatiseerde Vietnamveteraan, en zijn vrouw Elizabeth Vorakers. Paul heeft voor haar vader gewerkt, die rijk geworden was als mijnbouwtycoon en baas van de Vorakers Consolidated Reserve (VCR), maar zelfmoord heeft gepleegd. Als het getrouwde stel ergens in uitblinkt is het in níét luisteren naar elkaar. Vooral Paul heeft er een handje van. Hij foetert Elizabeth aanhoudend uit, verwijt haar dat ze hem tegenwerkt in de schitterende onderneming die hij opzet voor dominee Ude, beklaagt zich over haar doktersrekeningen enzovoort. En daar fietst dan ook nog eens steeds haar broer Billy doorheen die een onduidelijke affaire heeft gehad met ene Sheila die het boeddhisme aanhangt en die zijn zwager maar een enorme lul vindt. Grove taal wordt niet geschuwd. Alle personages zijn wel op een of andere manier betrokken bij zaakjes als fraude, uitbuiting en verduistering, waar ze anderen dan weer de schuld van geven.

    Chaos

    Om de paar dagen duikt huiseigenaar McCandless op om op een rommelige manier te zoeken in allerlei paperassen en boeken die hij nog in het huis heeft liggen. Tijdens die bezoekjes raakt hij verzeild in de discussies tussen de anderen. In zijn inbreng tiert hij over politiek, koloniale geschiedenis, Genesis en literatuuropvattingen. Dat maakt De verlossers meteen tot een weidse roman.
    De omgeving waarin alles zich afspeelt versterkt de chaos en het spookachtige karakter. Hoewel er wel sprake is van enig tijdsverloop lijkt alles zich af te spelen op de avond van Halloween. Bovendien is er het eigenaardige huis dat het toneel vormt van alle gesprekken. Dat heet ‘Carpenter’s Gothic’. Op pagina 127 omschrijft McCandless het zelf als volgt: ‘Hele ontwerp gedacht vanuit het buitenaanzicht (…) ze tekenden alleen die buitenkant en propten de kamers er later wel in’. Fraaie gevel dus, maar aan de binnenkant een wirwar. In het huis is van alles mis. De wc zit verstopt, er wordt gedronken uit kapotte glazen en kopjes, de ramen zijn smerig, sleutels raken kwijt, er is post zoek en genoteerde telefoonnummers zijn nergens meer terug te vinden.

    Gaddis kleedt al het geharrewar en gerotzooi af en toe komisch in. Op het hilarische af is bijvoorbeeld een (wrange) scène waarin Elizabeth broccoli probeert op te warmen voor Paul, die haar juist weer eens de huid vol scheldt. En terwijl zij aandacht probeert te vragen voor iemand die met zware brandwonden in het ziekenhuis ligt, verbrandt intussen de groente: ‘Je mag die broccoli wel laten liggen’.
    Fraai is ook de scène waarin Elizabeth op haar bed naar Jane Eyre (met Orson Welles, een film uit 1943) kijkt terwijl ze beneden Paul telefonisch met dominee Ude hoort konkelen. Gaddis laat hier beelden uit de film overlopen in beschrijvingen van het telefoongesprek en de gedachten van Elizabeth, wat het geheel des te meer een gothic tintje geeft.

    Warboel

    De Nederlandse titel De verlossers lijkt te verwijzen naar wat dominee Ude en zijn volgelingen teweegbrengen. De originele titel (uit 1985) is echter Carpenter’s Gothic. Gaddis zelf verwijst daarmee naar het huis waarin zich alles afspeelt, dat als metafoor te zien valt (zie de genoemde pagina 127) voor het gedrag van de hoofdpersonen. Op pagina 232 zegt McCandless daarover bovendien nog: ‘het interieur [is] een warboel van goede bedoelingen als een laatste bespottelijke poging nog iets te doen wat de moeite waard is’. Hoe dan ook, welke belangen de verschillende hoofdrolspelers mogen nastreven, alle bedoelingen monden tenslotte uit in een tragisch einde.

    Wat een klus moet de vertaling geweest zijn. Frank Lekens strooit met formuleringen, scheldwoorden en kanonnades die de sfeer volledig recht doen. Dat is des te virtuozer omdat soms niet duidelijk is wie er aan het woord is of hoe de feiten liggen waarover men elkaar in de haren vliegt. Na een eerste lezing blijf je om diezelfde reden met veel raadsels zitten: hoe zijn alle verhoudingen precies ontstaan. Wat is er in het verleden gebeurd dat het zover kon komen. Maar ook: welke symboliek hebben de talrijke vogels in de roman. Waarom daalt op bepaalde momenten steeds een oude vuilnisraper de heuvel af, soms vergezeld van een hond. Het zijn allemaal, naast vele andere, redenen om De verlossers te herlezen. Met geduld. Dat wel.

     

  • Twee dichters en het wezen van hun dichterschap

    In zijn tweede bundel Mulhacén, bezingt Jonas Bruyneel, voormalig stadsdichter van Kortrijk, een voettocht in Spanje van Granada naar Mulhacén in de Sierra Nevada. Dit doet hij in de vorm van copla’s, een syllabische dichtvorm die populair was onder het gewone volk in Spanje. Een copla bestaat meestal uit vier versregels van elk acht lettergrepen en de inhoud gaat vaak over dood, verlangen, of de liefde, met soms een scabreuze connotatie. In Nederland zijn het vooral Werumeus Buning en Hendrik de Vries geweest die vertalingen hebben gemaakt of zelf copla’s hebben geschreven, waarbij de regel van acht lettergrepen niet altijd gehandhaafd werd. Bruyneel doet dat wel, maar gebruikt geen eindrijm zoals in de traditionele copla gebruikelijk is. Maar door de vele alliteraties en assonanties is zijn poëzie muzikaal en klankrijk. Het ritme van de verzen doet door de consequent volgehouden acht lettergrepen per strofe denken aan de regelmatige stap van de geoefende wandelaar. 

    Maar opvallender dan het gebruik van de copla is de introductie van zijn reisgenoot, de in 1936 gestorven Spaanse dichter Federico Garcia Lorca, die door velen als de grootste dichter van Spanje wordt beschouwd. Hij werd geboren in Granada en het is van daaruit dat hij de dichter vergezelt. Samen beginnen ze aan hun reis, die in zes af te leggen etappes is verdeeld, die tevens de afdeling van deze bundel aangeven. Die afdelingen worden van elkaar gescheiden door zwart-wit tekeningen die de eenzaamheid van het landschap onderstrepen.

    Voorbije en huidige tijd in poëzie

    Beide dichters zoeken tijdens de tocht naar het wezen van hun dichterschap: wat is er nodig om van een mens een dichter te maken? Wat is de betekenis van poëzie in zowel de voorbije wereld van Lorca als de huidige van het lyrisch ik?

    ‘Op de vlucht voor een bar broedland
     en ongastvrije poëzie
     die geen hechting met het hart vindt
     Of uit veelkleurig verlangen.’

    Lorca vertelt over zijn jeugdjaren en beschrijft een Spanje dat niet meer bestaat, een land dat gebukt ging onder het repressieve regime van Franco. De dichter luistert en geniet van het landschap dat hetzelfde is gebleven en dat hij in beeldende bewoordingen beschrijft voor de lezer. Bruyneel doet dat zo goed, dat je de indruk krijgt dat hij Spanje wel heel goed moet kennen.

    ‘We kijken naar de trillende
     omlijning van de bergtoppen.
     In de avondzon dobberen
     de melkachtige eilanden. 

     De schaduw etst zwarte bressen.
     In de vormloze schemering
     lezen kloven als zinsneden
     uit vergeten Moorse verzen.’

    De stem van Lorca

    Bruyneel vervlecht de huidige tijd met de tijd waarin Lorca leefde. Ze zien een meisje dat een ‘tiktokdansjes’ maakt, iemand zit met een IPad zit op schoot, maar evengoed komen ze soldaten tegen die een jonge arrestant met een zweep martelen. Tijd en ruimte vervloeien in elkaar en zorgen ervoor dat er ook tijdens de tocht van de dichter met Lorca nog overal gevaar dreigt van de rechtse milities uit de tijd van Franco.

    Het was algemeen bekend dat Lorca uitgesproken socialistische denkbeelden verkondigde. In juli 1936 brak de Spaanse burgeroorlog uit, in augustus van dat jaar zou Lorca vermoord zijn door nationalistische milities. Andere bronnen vermelden dat Lorca vermoord zou zijn vanwege zijn homoseksuele geaardheid die hij niet wilde verbergen. De ware toedracht is tot op heden nog niet gevonden. Hij werd een symbool van het antifascisme. Tot 1953 werd zijn werk voor het publiek verborgen gehouden. Pas daarna ontstond de waardering. Bruyneel laat Lorca hierover het volgende zeggen.

    ‘Op een manier waren Franco
     en ik met elkaar verbonden.
     Toen hij stierf, hervatte de tijd
     en durfden ze mijn naam te noemen.’

    Het leven van Lorca wordt besproken in herinneringen: zijn liefde voor Salvador Dali,  zijn reizen, de rol die muziek voor hem speelde. Maar overal volgt de dood hem als een schaduw. Bruyneel laat Lorca overal waar hij gaat een revolver meenemen. Dit wapen wordt het symbool van de ontsnapping, van een zelf te kiezen dood als de nood aan de man komt. 

    Naarmate de reis vordert, wordt het landschap grimmiger. Kou en warmte wisselen elkaar af, harde wind en onweer teisteren het land, een grote dreiging is voelbaar in de woorden die Bruyneel zorgvuldig gekozen heeft. 

    Bestemming bereikt

    Bovenop de top van de berg, als uiteindelijke bestemming, voltrekt zich het drama waar gedurende de gehele reis op gezinspeeld is: Lorca sterft door een kogel uit de revolver, of het door eigen hand is of niet wordt niet duidelijk. Zoals na zijn dood zijn poëzie werd vrijgegeven, zo is nu ook de dichter vrij om te kiezen waar hij voor wil staan in zijn poëzie. De dood van Federico heeft de dichter bewust gemaakt van de maatschappij waarin hij leeft en welke rol poëzie daarin kan spelen.

    Op de terugweg van de top van Mulhacén naar Juviles waar het landschap zich groen voor hem ontvouwt, ontdekt hij een grot waar hij wil wachten.

    ‘Ik wacht in de grot tot kleuren,
     namen en liefde niet doden.
     Accenten en omhelzingen
     niet als dreiging worden gezien.

     Ik wacht tot krachtige leiders
     niet langer meer vol nostalgie
     gewenst worden voor de toekomst
     van Federica’s en mijn land.’ 

    Deze bundel neemt je mee door Spanje, alsof je aan de zijde van de twee dichters loopt. De landschappen en de mensen die er wonen worden zo beeldend beschreven dat je ze voor ogen ziet alsof je erbij bent geweest. Een reisverhaal in dichtvorm, een zwerftocht die in feite een zoektocht naar de ziel is. Bruyneel heeft door de geest van Lorca als metgezel te kiezen een verbinding gemaakt met de tijd waarin deze grote dichter leefde. Ook in onze tijd zal de poëzie zich opnieuw moeten definiëren om gericht te worden als een wapen in de strijd tegen onderdrukking en machtsvertoon.



  • Postuum verschenen laatste deel Ewout Meyster-cyclus

    Toen Wessel te Gussinklo vijf jaar geleden na het winnen van de Book Spotprijs voor De hoogstapelaar,  voor Literair Nederland werd geïnterviewd, vertelde hij bezig te zijn aan zijn laatste boek. Het werd wel heel lang, te veel bladzijden voor één boek. Daarom dacht hij eraan om het op te splitsen in twee delen. In 2021 verscheen dan ook het lijvige Op weg naar de Hartz en ging men ervan uit dat het zijn laatste was, zeker nadat de auteur op 18 oktober 2023 overleden was.

    Maar onlangs, precies een jaar na zijn overlijden bracht uitgeverij Koppernik De uitverkorene uit, het vijfde en onvoltooide deel van de Ewout Meyster-cyclus. Een boek waaraan hij tot de avond voor zijn dood gewerkt heeft. En misschien is het onvoltooide ook in deze zin logisch, Wessel te Gussinklo bleef vervlochten met zijn alter ego en kon er onmogelijk een punt achter zetten. De zoekende Ewout was het symbool geworden voor de met de wereld worstelende Wessel Gussinklo. Bijna veertig jaar lang ging hij op stap met Ewout, als kind en puber die zijn plaats zoekt in De verboden tuin (1986) en De opdracht (1995), en dan na jarenlange stilte de sublieme come-back van Ewout Meyster in De hoogstapelaar (2019) en Op weg naar De Hartz (2021).

    Eigenzinnige stijl

    Gussinklo bleef altijd op de achtergrond in de literaire wereld en brak nooit echt door bij het grote publiek. Erkenning kwam er pas nadat hij in 2019 de Book Spot literatuurprijs won en twee jaar later de Boekenbon literatuurprijs. Toch kwamen zijn boeken niet op de bestsellerlijsten. Dat is te wijten aan te Gussinklo’s eigenzinnige manier van schrijven. Hij had een zeer eigen en aparte stijl, niet om te plezieren, wel om zijn overtuiging mee te geven. Hij wilde dat wat ongrijpbaar en onpeilbaar was toch naar boven brengen. Hij gebruikte een taal waar anderen al lang afstand van genomen hadden. Zijn diepgaande en haarfijne analyses raken tot in het diepste van de ziel en zijn soms moeilijk te doorgronden. Hij vond zichzelf ook een schrijver pur sang en weigerde mee te gaan in de compromissen waaraan populaire schrijvers zich vaak aan overgeven. Ook in De uitverkorene viert die eigenzinnige stijl weer hoogtij.

    In De Uitverkorene bevindt Ewout zich nog steeds in De Hartz, de bijzondere hogeschool met zijn bizarre docenten en studenten die ook onderwerp waren in Op Weg naar De Hartz. Ewout blijft worstelen met zichzelf, maar zijn vriend Meindert probeert zorg te dragen voor hem. Tijdens een lezing van een Duitse professor overstijgt Ewout zichzelf en geeft hij openlijk commentaar. Dat levert hem veel respect op bij de toplieden van het instituut. Tot zijn verwondering wordt hij uitgenodigd tot de hoogste kringen en mag meedenken in de discussies. Tegelijkertijd wordt hij verslonden door een bijna dierlijke lust voor de sensuele Thérèse die steeds zijn pad kruist. Dat De uitverkorene onafgewerkt bleef, is duidelijk.

    Onophoudelijke woordenstroom

    Het geheel is wat chaotisch en wat meer structuur was zeker gewenst. Maar eens te meer toont het werk de stilistische hoogstandjes die eigen zijn aan Wessel te Gussinklo. Hij schrijft in een onophoudelijke woordenstroom, een stream-of-consciousness, die in een zenuwachtig en opzwepend ritme doorgaat, waardoor je als lezer steeds sneller mee moet lezen en soms naar adem moet happen. De stijl, de woordenschat en het ritme zijn van een onnavolgbare uitmuntendheid. Ewout zet de lezer een spiegel voor van de mens die worstelt met zichzelf en de wereld, die zoekt naar waarheid, maar waarvoor de verlossing steeds uitblijft, hoe hard je het ook probeert.

    Wessel te Gussinklo wordt gemist. Ewout Meyster lijkt veroordeeld om voor eeuwig in De Hartz te blijven, of toch niet. In een pakkend nawoord schrijft zijn weduwe Odilia over de laatste dagen. Hoe Wessel tot op het einde doorging, met correcties, aanpassingen, juiste zinswendingen en hoe zij die allemaal opnam. Even voor zijn dood liet hij toch iets los over waar het naartoe ging met Ewout. In een mooi slotakkoord schrijft Odilia hoe zij het vervolg ziet van het personage dat al zo lang de lezer meeneemt op zijn tocht, een visie ingefluisterd door een stervende Wessel te Gussinklo.

     

    Lees hier het interview met Wessel te Gussinklo.

     

     

  • Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Herman Schönfeld Wichers, de schrijver Belcampo, leefde bijna de hele 20e eeuw en heeft het merendeel van die jaren verhalen geschreven. Met Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo is nu een welverdiende biografie over hem uitgegeven. Voor Herman Schönfeld Wichers was schrijven tot het eind toe een plezier. Van belangstelling voor zijn persoon was hij wars, hij wilde om die reden bijvoorbeeld geen herkenbare portretfoto op zijn werk. Biograaf Nico Keuning laat de lezer nu toch uitgebreid kennismaken met de schrijver én mens Belcampo/Schönfeld Wichers: de notariszoon, levensgenieter, zwerver, echtgenoot, vader, arts en pleitbezorger van een ‘ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde.’

    Een korte proloog nodigt direct uit tot doorlezen. Keuning neemt de lezer in een prettige, toegankelijke schrijfstijl bijna letterlijk mee in de trein naar Rijssen, waar Belcampo’s wortels liggen. In oktober 2021 ontmoet hij daar Belcampo’s inmiddels bejaarde dochter Maartje om te onderzoeken of hij haar vaders biograaf zal worden. ’s Avonds brengt een taxi hem terug naar het station. Hij neemt plaats op de achterbank met naast zich zijn rugzak. Symbolischer kan haast niet. De teerling is geworpen; Keuning wordt biograaf van de man die het liefst vanuit de rugzak leefde, de wereldwandelaar en schrijver Belcampo.

    Groots en onbekommerd leven en schrijven

    De biografie leest bij tijden als een spannende roman. Herman Pieter Schönfeld Wichers lijkt in eerste instantie in de wieg gelegd voor burgerman met een respectabel beroep. Het gezin vestigt zich als Herman vier jaar oud is in het stadje Rijssen in Overijssel waar vader een notarispraktijk overneemt. Herman en zijn broer Karel groeien daar op en gaan in vaders voetsporen beiden rechten studeren. Maar het zijn andere voetsporen van vader die Herman volgt. Vader Jaap geeft meer om vrije tijd dan om geld, hij is bijzonder sportief, actief en handig en leeft zijn zoons een ‘vrijbuitersleven’ voor. Al vóór Herman aan de studie rechten begint blijkt dat zijn prioriteit niet bij studeren en een maatschappelijke carrière ligt, maar bij reizen en daarover schrijven. Doordat hij als tiener tbc krijgt verblijft hij als middelbare scholier en in aanloop naar zijn universitaire studie jaren in sanatoria, eerst in 1919 in het dan vrij nieuwe sanatorium in Renkum, later vanaf 1920 in Davos. Daar kan hij steeds meer wandelen en in de oneindige zeeën van tijd die hij heeft brieven schrijven. Hij blijkt een open blik te hebben en een grote opmerkingsgave, vindt schrijven een ‘prettig tijdverdrijf’ en beschrijft in vele brieven uitgebreid wat hij ziet, meemaakt en beschouwt. In een tussenjaar waarin hij zich voorbereidt op zijn staatsexamens Grieks en Latijn trekt hij met zijn rugzak door Nederland, Zwitserland en Italië en schoolt hij zich autodidactisch in talen, tekenen kunst en literatuur. De studie rechten wordt langzaam maar zeker afgerond maar een laatste examen notarieel recht haalt hij keer op keer niet. Als zijn vader hem jaren later in 1933 min of meer de wacht aanzegt, breekt Herman. Hij wil niet ‘terug in het hok’. In het vrij rondreizen in een ‘zee van belevenissen’ leeft hij ‘groots en onbekommerd’ en dat is wat hij wil. Het enige wat hij mist, is de zegen van zijn vader. En die krijgt hij dan.

    Belcampo’s schrijverschap is in vele opzichten bijzonder. In de eerste plaats omdat hij naar eigen zeggen nooit de ambitie heeft gehad om schrijver te worden of daar geld mee te verdienen, sterker nog, dat is volgens hem zelfs onwenselijk want kan het schrijfplezier in de weg staan. Keuning laat in de biografie regelmatig zien hoe Belcampo’s ‘fantastische verhalen’ ontstaan, namelijk door wat hij als sensitieve reiziger opmerkt in de werkelijkheid om zich heen en hoe hij dat vervolgens vormgeeft in originele, creatieve, grappige, soms ver doorgevoerde bizarre en absurde verhalen. Deze door Keuning beschreven herkomst en achtergrond van sommige verhalen is interessant en verhelderend. Daarnaast is Belcampo’s werk een unieke, bijzondere eend in de bijt van het Nederlandse literaire landschap. Toenmalige recensenten als Vestdijk en Ter Braak typeren de verhalen onder andere als ‘komische grotesken’ en ‘sprookjesparodieën’. Zijn werk ‘raakt de sciencefiction’ en er worden wel overeenkomsten tussen het werk van Belcampo en de stijl en inhoud van Bordewijks Fantastische vertellingen genoemd of verwantschap met de fantasie in Maarten Biesheuvels verhalen. Keuning noemt een overeenkomst met de realistische beschrijvingen van een surrealistische werkelijkheid uit het werk van Rob van Essens ’absurdistische en geestige romans’. Dat Van Essen net als Belcampo uit Rijssen komt en in zijn werk soms naar hem en zijn werk verwijst, zoals met het geheimzinnige boshuisje in Ik kom hier nog op terug, is vermeldenswaard maar de veronderstelde verwantschap in het werk van beide schrijvers lijkt wat gezocht.

    Ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde

    Een heikel punt is de beschrijving van Belcampo’s privéleven als echtgenoot en vader. Na bijna twintig jaar huwelijk scheiden Belcampo en zijn vrouw Joke in 1959. Joke vertrekt met de twee zoons naar Amsterdam. Zij willen daarna alle drie geen contact meer met hun man en vader en ook niet met dochter en zus Maartje die zelfstandig in Amsterdam woont maar wel contact met haar vader blijft houden. ‘Man en vrouw zijn van nature ‘omnigaam’ ‘, zegt Belcampo in zijn De filosofie van het Belcampisme, ‘misschien moeten alle huwelijken na vijf jaar van rechtswege worden ontbonden.’ Hier spreekt de vrije jongen, die weer kan ‘doen en laten wat hij wil’ en enige tijd later een relatie aangaat met de meer dan dertig jaar jongere Doite. De biograaf doet zijn best zich in te leven in Joke. ‘Het thuisblijven eiste een zware tol’ en Joke ‘mist het enerverende leven in haar vertrouwde stad’, maar wat hij erover zegt blijft speculatief of alleen gebaseerd op de veronderstellingen van dochter Maartje en hemzelf. Dat de zoons niet mee wilden werken valt de biograaf niet euvel te duiden, maar de eenzijdige beschrijving wringt en maakt nieuwsgierig naar hun versie.

    Het grootste deel van zijn leven heeft Belcampo in de stad Groningen gewoond, namelijk van 1954 tot zijn dood in 1990. Hij vestigt zich daar met zijn gezin als parttime studentenarts, nadat hij op late leeftijd in twaalf jaar (!) tijd een geneeskundestudie heeft doorlopen. Het was een luizenbaantje, precies wat hij wilde, want ‘van werken wordt niemand heel gelukkig’. In deze jaren groeit zijn plezier in openbare optredens en blijkt ook meer en meer zijn maatschappelijke betrokkenheid. Volgens Keuning is deze al aanwezig in Belcampo’s eerste verhalen in een levensbeschouwing ‘tegen dogmatisch geloof en maatschappelijke dwang’. In 1923 zegt Belcampo te deserteren als hij het leger in zou moeten. Op jonge leeftijd heeft hij een abonnement op het communistische tijdschrift De Tribune (‘zedelijk vergif voor een jongmens’ volgens zijn moeder) en ook in Groningen blijkt zijn engagement. Het is mede dankzij Belcampo’s publieke inzet in de jaren ‘70 dat de negentiende-eeuwse Groninger stadsschouwburg behouden blijft. Belcampo en buren voeren (tevergeefs) actie tegen een groot casino bij hen om de hoek en hij strijdt eind jaren ’70 tegen de beoogde locatie van het nieuwe Groninger Museum tegenover het hoofdstation, een strijd die hij – met de kennis van nu – gelukkig verloor. In 1985 verschijnt een stuk tegen de plaatsing van kruisraketten in de Volkskrant ondertekend door H. Schönfeld Wichers en zijn vriend Arend Rutgers.

    Groningen is voor velen ver weg. Het is wellicht daardoor dat er enkele foutjes in het Groningse deel van de biografie geslopen zijn, zoals de vermelding van café De Kale Jonker (gestart 1982) in de jaren ’50 en het feit dat NoordWoord (sic) de jaarlijkse Belcampolezing ter stede organiseert (dat doet de plaatselijke Rotaryclub JA). Een kniesoor die hierop let. Keuning heeft met Groots en onbekommerd een boeiende biografie geschreven over de ‘gulzige genieter’ Belcampo.

     

     

  • Ogenschijnlijk gewone mensen in de huidige tijd

    In 26 losse verhalen lezen we over de levens van o.a. een psychiater, een oma, vrijheidszoekers, broers en vriendinnen, maar ook over een gevallen acteur, een fietsenzaakmedewerker en een bijna-psychiater die sarcastisch constateert dat hij applaudisseert voor ‘hoe ik meeval als Turk, als Marokkaan, als man, als…’. Ogenschijnlijk gewone levens, want het zijn levens die op de onze zouden kunnen lijken. Mensen die worstelen met vragen, met problemen en met de veranderende tijdsgeest. Hoe verhoud je je daartoe? De levens in de verhalen in Een aangenaam zwaar hoofd zijn los te lezen, hoewel ze onderling in meer of mindere mate met elkaar verbonden zijn. Zoals door de psychiater Eva die als rode draad door het boek is geschreven, maar ook door een oude rode Volvo die door twee verhalen rijdt. De zittende jongeman krijgt in het ene verhaal een podium en is juist verderop in het boek een bijfiguur. Het boek, geschreven door Bram de Ridder, zit vol met dit soort overlappingen en is daarom beslist de moeite waard om na het lezen te herlezen.

    Invoelende zinnen

    Bram de Ridder (1985) is psychiater en socioloog en schreef in zijn eerdere boek Andere kamers al over uiteenlopende levens, eenzaamheid, iets missen (maar wat) en contact. Hoe houd je je staande in deze wereld. In welke situaties ervaar je soms dat prettige samenvallen met het leven. Deze thema’s komen terug in zijn nieuwe boek, maar de verhalen over innerlijke worstelingen, angsten en gemis zijn nu beter uitgewerkt. In tegenstelling tot de vaak korte staccato-zinnen in zijn eerste roman, is de schrijfstijl in de nieuwe verhalen tot bloei gekomen. Zinnen zijn voller, natuurlijker en meer beschrijvend; dit leest aangenaam. Fragmenten zijn soms zo invoelend op papier gezet dat je daadwerkelijk de pijn van Eva voelt die als couveusebaby een start op deze wereld heeft gemaakt. Stel je de hand van haar moeder voor die teder het nog niet dichtgegroeide fontanel liefkoost. Of is dat niet gebeurd? ‘Ja, dat is een erg oude pijn.’ zegt haar therapeut bij wie ze jarenlang leertherapie heeft gevolgd. Eva maakt het boek rond, door een begin- en eindverhaal met dezelfde titel Wie ze ook is.

    Actuele thema’s

    Zijn we niet allemaal op zoek naar antwoorden op vragen als: Wie ben ik? Hoe ben ik zo geworden? Wie wil ik zijn? En, als ik een beslissing neem, hoe leef ik daarna gewoon door. Dit boek past daarom perfect in de huidige tijdsgeest en heeft daarnaast ook veel actuele thema’s. Denk bijvoorbeeld aan de oudere Tonia die ooit iemand was, maar door het verglijden van de tijd een ander iemand is geworden. In haar verhaal besluit ze op een dag dat ze het vuren staakt, maar hoewel ze invoelt dat dit een belangrijke beslissing is, kan ze geen grip krijgen op de gevolgen. Denk aan de ijdele podiumman die eigenlijk wel weet dat hij een rokkenjager was, altijd op zoek naar applaus en bevestiging. Maar hij heeft de tijdsgeest tegen en in een interview voelt hij zich steeds meer vastzitten in een ijsbaangesprek. Hij prutst aan zijn sjaaltje en hoopt er maar het beste van, want de media zijn genadeloos. Doet dat ons niet denken aan de actuele berichtgeving over misstanden uit medialand of uit de cultuursector?

    Zou het een man of een vrouw zijn? Dit vraagt de jonge fietsenmaker zich af als hij een klant niet helemaal kan plaatsen. Hij probeert aanwijzingen te vinden in de stem, de zachte babyhanden van de persoon en komt dan tot een eigen conclusie. ‘Zouden dit vaders zijn?’ Dit vraagt dezelfde fietsenmaker verderop in het boek aan Eva met wie hij samen een therapierondje loopt en op een veldje twee basketballende mannen ziet. Dat hij kortgeleden als zoon werkelijk is gezien door zijn vader is voor hem heel helend. De basketballende mannen zijn overigens niet zomaar een belangrijke observatie; ze worden hier geïntroduceerd, maar zijn verderop in het boek de hoofdpersonen. De bijna kinderlijk eenvoudige vraag van de ene volwassen man aan de basketballende man: ‘Mag ik meedoen?’ is aandoenlijk en kwetsbaar. Je voelt een aftasten, een aanzetje tot een vriendschap misschien, want hoewel je volgens de hoofdpersoon van dit verhaal in een stad verdrietig en eenzaam mag zijn, kan er ineens een verlangen ontstaan een vriend te hebben.

    Sympathie

    De Ridder weet je door zijn observerende taalgebruik en treffende zinnen te raken. Voor elke hoofdpersoon krijg je sympathie, omdat ze eerlijk zijn in hun innerlijke worstelingen en verlangen. Een verlangen om bijvoorbeeld over je buik geaaid te worden. Durf je dat uit te spreken? De docent die zich afvraagt of verliefdheid een verzachtende omstandigheid is bij het overschrijden van grenzen. Je voelt mee met de chauffeur van de Volvo die schuurpapier voelt aan de binnenkant van zijn borstkas als het ritje met een oude vriendin voorbij is. Tot slot is er Abby die in meerdere verhalen voorkomt en verantwoordelijk is voor de titel van het boek. Ze wil zowel afstand houden als nabijheid voelen en door haar aanwezigheid in eerdere verhalen ‘ken’ je haar een beetje. In de intimiteit van de avond praat ze met haar hartsvriendin over therapie, tegenstrijdigheden en vervreemding: kun je elkaar ooit echt kennen? De alcohol polijst iets wat scherp kan zijn en als ze later voorhoofd tegen voorhoofd in bed liggen, voelt ze ontspanning en geruststelling.

    In Een aangenaam zwaar hoofd heeft Bram de Ridder gewone mensen en alledaagse actuele thema’s weten te vangen in een bundel samenhangende verhalen over de betekenis van het leven en het accepteren van betekenisloosheid.

     

     

  • Originele onderwerpen en rijke fantasie zijn een gouden koppel

    Frank Westerman is journalist en schrijver. Hij studeerde Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Hij publiceerde vele boeken, waaronder De graanrepubliek, El Negro en ik, en Stikvallei. Zijn boeken zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Gouden Uil en shortlistnominaties voor de AKO Literatuurprijs

    Die boeken van Westerman, zijn het romans, zijn het reportages, is het fictie of non-fictie, een combinatie? Kijkend naar zijn studie in Wageningen zien we daar het begin van zijn journalistieke ontwikkeling. Zijn afstudeerstage bracht hij door in Peru en daar schreef hij zijn eerste reportages. Zijn wetenschappelijke belangstelling triggert hem om zich te verdiepen in de omgeving waar hij zich bevindt en allerlei soorten informatie te verzamelen, waar hij vervolgens mee aan de haal gaat.

    Zo heeft hij boeken geschreven over zijn zoektocht naar de vindplaats van de ark van Noach (Ararat), over Srebenica waar hij zich bevond tijdens de oorlog (De slag om Srebrenica), over een opgezette Afrikaan in een Spaans museum (El Negro en ik). En ook over de moord op een boekhandelaar in Wageningen (De moord op de boekverkoopster). Kortom: geef hem informatie en hij gaat aan het werk. Dat resulteert in boeken die rijk zijn aan veel wetenschappelijke achtergronden en ook heel veel fantastische uitwerkingen daarvan. De originaliteit van zijn onderwerpen en zijn rijke fantasie zijn een gouden koppel.

    In Zeven dieren bijten terug gebruikt hij de reizen van Willem Barentsz c.s. om de noordelijke route naar de West te ontdekken en zijn overwintering op Nova Zembla als uitgangspunt om zich te richten op dieren: ‘Wie de bewoonde wereld verlaat, krijgt oog voor dieren.’ Ondanks de titel van het boek, lijkt het er vooral op dat de genoemde dieren het slachtoffer zijn van de mens en van de klimaatverandering.

    Zeven dieren

    Zeven (pool)dieren spelen in dit boek de hoofdrol: de lemming, de narwal, de paling, de ijsbeer, de rotgans, het rendier en de koningskrab. Westerman wil iets opsteken van de dieren die hij onderweg tegenkomt. Hij lardeert zijn verhaal met veel feiten, associeert er lustig op los met allerhande andere informatie. Dat begint al met de narwal, een tandwalvis met een slagtand, vaak vergeleken met de eenhoorn. Westerman vertelt de geschiedenis van een gevangene in Engeland die met zo’n slagtand iemand vermoordde.

    Als hij vertelt over de lemmingen, is hij vooral bezig een antwoord te vinden op de vraag hoe het komt dat deze beesten zichzelf in groten getale de dood injagen. Wie kent niet de verhalen over de lemmingen die zich in zee storten? Als hij verslag doet over de paling (de aal), houdt hij een pleidooi voor de openstelling van de Afsluitdijk om zo de aal weer de kans te geven om te paaien. Vooral in dit deel is hij kritisch over het ingrijpen van de mens in de natuur. Westerman haalt hier ook de rechtszaken aan die de zee, het bos et cetera voorbereiden: de natuur moet een stem hebben.

    In het hoofdstuk over de rotgans komt zelfs de Goelag Archipel voorbij. In de werkkampen in Siberië hielden de bewakers en de gevangenen zich in leven door dit dier op grote schaal te vangen en te eten. Dat kan de grote afname van deze gans verklaren. En ook als Westerman vertelt over het rendier, krijg je onverwachte informatie over de problemen tussen Noorwegen en Rusland: een IJzeren gordijn voor dieren.
    Bij het berichten over de ijsbeer komt hij met de reis die hij met zijn dochter Vera naar de Noordkaap maakte op de proppen, gekoppeld aan het bezoek van Eva Braun aan de Noordkaap, en allerhande daarvan afgeleide verhalen zoals over suïcide, de dood van zijn vader, over zijn jeugd.
    Het laatste dier dat hij behandelt is de koningskrab. Hij meldt de explosieve groei van dit dier als gevolg van het uitzetten ervan in diverse zeeën en over de daaropvolgende jacht die heeft geleid tot het feit dat het nu een bedreigde diersoort is geworden.

    Overdaad

    Westerman weet veel en dat laat hij merken in dit boek. Zie ook het uitgebreide overzicht van bronnen achterin. Dat overzicht is wel verhelderend, want het verklaart veel over alle zijpaden die hij bewandelt. Je zou kunnen stellen dat hij is overwoekerd door al die informatie. Een opvallende bron is het middeleeuwse bestiarium Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant: een heel duidelijke inspiratiebron voor Westerman. Het verklaart voor een groot deel de opzet van Zeven dieren bijten terug, afgezien van het feit dat Westerman proza schrijft en Van Maerlant zijn boek in verzen heeft geschreven.

    Over de tochten van Barentsz naar het noorden, over dwaalgasten en over alle zeven dieren krijgt de lezer veel informatie, achtergronden, en leuke weetjes voorgeschoteld en er wordt van alles bij gesleept. De auteur is een begenadigd verteller. Hij associeert erop los: van Eva Braun en zelfdoding, het sterfbed van zijn vader en de reis met zijn dochter, tot bevolkingstheorieën en milieuproblematiek. Je wilt doorlezen omdat het allemaal zo boeiend en meeslepend is geschreven, zonder te weten waar het allemaal toe dient en naartoe leidt.

    Westerman heeft een erg intrigerend boek geschreven, waarin de lezer veel leert. Toch blijft na lezing wat onbestemd en licht onbevredigd achter: wat is nu eigenlijk de boodschap? En waarom heet dit boek Zeven dieren bijten terug. Ze krijgen de kans helemaal niet. Is dit boek een waarschuwing tegen het vergaande ingrijpen van de mens in de natuur of een pleidooi om de natuur (de zee, het bos, de dieren) een stem te geven. Niettemin, een aanrader.

     

     

  • Ongemakkelijk boek

    Marie NDiaye, bij wie de underdog vaak de hoofdrol vervult, schreef meer dan twintig romans en won diverse prestigieuze prijzen, zoals de Prix Goncourt en de Prix Femina. In De wraak is aan mij hanteert de Franse schrijfster Marie NDiaye verschillende stijlen. Met stream-of-consciousness, innerlijke monoloog, dialogen die niet gevoerd zijn of toch wel, een onbetrouwbare verteller en paranoïde en mystieke elementen weet ze de lezer met zich mee te nemen.

    Mr. Susane is een advocate die net voor zichzelf is begonnen en nog weinig cliënten heeft. Wanneer Gilles Principaux haar kantoor binnenwandelt, meent ze zich hem te herinneren van dertig jaar geleden toen haar moeder inviel als werkster in het huis van de bemiddelde familie. Ze nam haar tienerdochter mee en zij belandde in de kamer van de zoon des huizes. Deze Gilles maakte diepe indruk op haar. Ze herinnerde zich hoe ze met hem sprak, debatteerde, haar standpunten verklaarde en vond dat ze zo overtuigend klonk, dat ze op dat moment besloot om advocaat te worden. Gilles herkent haar niet, hij is vooral met zichzelf bezig. Zijn vrouw Marlyne heeft hun drie kinderen in de badkuip verdronken en Principaux vraagt aan mr. Susane om haar te verdedigen.

    Verwarring door een herinnering

    Mr. Susane raakt zo geobsedeerd door haar herinnering aan de jonge Principaux dat ze haar ouders opzoekt om te verifiëren wat er toen gebeurd is. Haar moeder herinnert het zich niet en komt met hele andere namen, wat de verwarring bij de dochter alleen maar vergroot. Haar vader vermoedt dat zijn dochter toen misbruikt is, wat hun relatie onder druk zet.

    Mr. Susane woont in Bordeaux en hoewel ze graag tot de middenklasse wil behoren, doet ze dat niet. Haar ouders zijn eenvoudig. Ze is enig kind en stond onder zware prestatiedrang. Daarom ook parkeert ze haar oude Renault Twingo in een zijstraat, zodat haar ouders niet zeuren waarom ze nog geen betere auto heeft, wat hoort bij haar beroep als advocaat. Mr. Susane doet zich dan ook mooier voor dan ze is.

    Het verhaal, dat helemaal speelt in het hoofd van mr. Susane – haar voornaam wordt nooit genoemd – staat bol van de insinuaties en aannames. Het wordt steeds duidelijker dat ze flink in de war is. Helemaal wanneer ze valt op een beijzelde weg en haar knie ernstig bezeert en een flinke hoofdwond heeft. Soms zijn er parallellen met de boeken van Simone de Beauvoir te ontwaren met de vele bespiegelingen van gevoelens en de middenklasse milieus.

    De huishoudster

    Haar relatie met Sharon, haar huishoudster uit Mauritius, die met man en twee kinderen illegaal in Frankrijk woont, is heel ongemakkelijk. Ze vertrouwen elkaar voor geen cent, maar mr. Susane doet er alles aan om haar legaal te krijgen en gaat zelfs zover dat ze naar Mauritius reist om Sharons huwelijksakte op te halen.

    ’”Ik kan me niet herinneren dat jij het daar echt over hebt gehad,” zei ze huichelachtig. “Jawel, bent u het vergeten?” Sharon, verbaasd, glimlachend, probeerde met een zijdelingse subtiele blik Rudy aan haar kant te krijgen, maar die stond op zijn telefoon te kijken en luisterde tot grote opluchting van mr. Susane niet mee. “Jawel, jawel,” vervolgde Sharon zonder naar mr. Susane te kijken, “ik heb toen gezegd dat mijn huwelijksakte wordt achtergehouden op Mauritius.” “Hoe bedoel je achtergehouden?” fluisterde mr. Susane op behoedzame toon. “Nou, achtergehouden. Dat heb ik u vorige keer uitgelegd.” “Maar wanneer dan, Sharon?”’ Het zijn dit soort dialogen die bijdragen aan de sterk werkende paranoïde gedachten van mr. Susane.

    Ondertussen zoekt mr. Susane in de gevangenis Marlyne Principaux op, de moeder die haar drie kinderen heeft vermoord. Haar verweer komt in een lange stream-of-consciousness, ook weer zoals de advocate het ervaart. De zinnen worden aan elkaar geregen met het woordje ‘maar’.

    ‘”Maar hij voelt zich goed, daar in zijn eentje in ons huis, maar ik zie het helemaal voor me… maar hij beantwoordt mailtjes waarin mensen hem beklagen, maar hij hangt de held uit die zijn tranen verbergt maar hij heeft nooit ook maar één traantje weggepinkt. Maar meneer Principaux houdt zich goed, maar hij is een heilige. Maar ik zal niets ten nadele van hem zeggen, maar dat kan ik niet doen.”’

    Een in het nauw gedreven moeder

    Pijnlijk duidelijk wordt hoe de relatie van de Principaux’ in elkaar steekt, vooral als Principaux een heel andere mening laat horen, ook in een ononderbroken woordenstroom. Marlyne is duidelijk het slachtoffer van mentaal misbruik van haar man. ‘”We waren losjes met elkaar verbonden. En nu zijn we tragisch met elkaar verbonden. Ik hou van die angstaanjagende Marlyne, ik begrijp haar niet zo goed, maar ik kan haar niet haten ik hou gewoon van mijn vrouw, wie ze ook moge zijn. Ik neem mezelf zoveel kwalijk! Ik hou meer van haar dan vroeger, ja. Ze was een doodgewone vrouw. Ze is nu een duistere heldin. Ik ben verbaasd. Ik had haar nooit zo gezien. Ik ben verbaasd. Ze is vreemd.”’ Aldus Principaux die zijn kant van het verhaal vertelt. Dat hij haar verstikte had hij niet in de gaten en wil hij ook niet geloven, ook al omdat zij de schone schijn ophield. Dat is een schrijnend deel in het boek en is meteen ook de verklaring van de titel. Marlyne was zo gekweld door haar huwelijk dat ze wraak nam door haar man zijn kinderen te ontnemen.

    Waar gaat De wraak is aan mij nou eigenlijk over. Eenzaamheid, misbruik, onvermogen om oprecht te zijn en de waarheid verdoezelen, of omgaan met een maatschappij waarin de lat heel hoog ligt? Niemand is wezenlijk betrokken bij de ander. Mr. Susane’s ouders, haar ex Rudy en zijn dochtertje Lila, Sharon, zijn vooral met zichzelf bezig en zien de ander niet echt. Dat wil zeggen, zo ervaart mr. Susane het, maar omdat we in haar hoofd zitten kan het ook allemaal heel anders zijn.
    NDiaye heeft het verhaal knap gecomponeerd, al kan het einde wat onaf voelen. Ze verstrikt de lezer in haar netten en laat die achter in verwondering.

     

     

  • Het geloof in verzet

    Chris Keulemans noemt zichzelf een reizende schrijver. Vanuit Amsterdam Noord reist hij als zestiger de wereld over, na een lange loopbaan in de journalistiek en in het management van drie bekende cultuur- en debatcentra: De Balie, Perdu en de Tolhuistuin. Zijn visie als journalist, auteur van fictie en non-fictie en als debatleider klinkt door in dit boek over mensen die opstandig zijn en zich verzetten. Keulemans komt uit een gezin van progressieve ontwikkelingswerkers uit de tijd dat een linkse instelling een levenshouding was. Als kind zwierf hij met zijn ouders de wereld over, en dat is hij blijven doen. Met aandacht voor vluchtelingen, de uitgeslotenen, de gemarginaliseerden, soms de mislukten. De rode draad in zijn leven vol eigen verzet, in de krakersbeweging, in de linkse De Balie, is goed zichtbaar in dit boek.

    Keulemans neemt ons mee naar het inmiddels beruchte grensgebied tussen Wit-Rusland en Polen, waar veel immigranten in soms hemeltergende situaties van ontbering en angst terechtkomen. Gesandwiched als zij zijn door Poolse regering die deze ‘gelukszoekers’ liever kwijt dan rijk is en de gecombineerde Wit-Russische en Russische pogingen om mensen als middel in een hybride oorlogvoering tegen het Westen te gebruiken. Het is het cynisme van de huidige geopolitieke situatie sinds de Russische agressie tegen Oekraïne in februari 2022. In deze uithoek van Europa, in Polen maar dichtbij Litouwen en Wit-Rusland, bevindt zich een landgoed dat ooit het ouderlijk huis was van de Pools-Amerikaanse Nobelprijswinnaar literatuur van 1980, Czeslaw Milosz (1911-2004), maar dat nu een soort vrijplaats en opvangplek is voor de ontheemde vluchtelingen. Borderland. Terzijde: ‘Oekraïne’ is Slavisch voor grensgebied. Ook uit Oekraïne zijn er sinds voorjaar 2022 vluchtelingen ter plaatse.

    Op het landgoed

    Op het landgoed waart de geest van de kosmopoliet Milosz nog rond. Geen vrolijke man, schrijft Keulemans. ‘Op de schaarse foto’s is hij niet van plan te glimlachen.’ En even later ‘De onglimlachende jongen werd nooit een man die zich neerlegde bij de wetten van hoe het hoort. Hij overleefde ze door ze te negeren.’
    Keulemans beschrijft hoe zijn oude vriend Adam destijds het vertrouwen van Milosz won toen die na een jarenlang verblijf in San Francisco rond de millenniumwisseling terugkwam naar zijn geboortegrond. Adam woont met een groep kunstenaars en intellectuelen op het landgoed en Keulemans heeft gevraagd of hij er, het drukke Amsterdam moe, mocht komen schrijven. Hij constateerde bij zichzelf en bij de gemeenschap op het landgoed eerst vreugde en optimisme. ‘Van de opstanden tegen overheersers die dit gebied trachtten in te lijven, de een na de ander, klinkt alleen een verre echo. Het voelt bijna alsof ook de harde grenzen zijn opgelost, alsof Vilno en Koningsberg en Brest nog altijd binnen een dagreis met paard en wagen te bereiken zijn.’ Toch klinkt de echo van het befaamde, ook door Keulemans genoemde boek ‘Bloedlanden’ van Timothy Snyder hier door als triest stemmende aanvulling op dat Borderland.

    Nauwkeurig en met veel invoelingsvermogen worden de dilemma’s van de vluchtelingen beschreven (hoe vaak probeert iemand het opnieuw om Polen binnen te komen en tegen welke prijs). Van de Poolse grenswachten, politie en autoriteiten, maar ook van de hulpverleners en de ‘gewone’ inwoners die bijna gedwongen worden zich tot dit probleem te verhouden. Het bijzondere van dit boek is dat we allemaal wel een notie hebben van de vrijwel onhoudbare situatie daar, die vaak journalistiek is beschreven, maar zelden zo literair is weergegeven. Want dat doet Keulemans, in pakkende, korte zinnen en fraai taalgebruik. ‘Het landschap draagt de geschiedenis als een parasol zo licht.’ En ‘Als vrieslucht op de eerste winterdag hangt er waakzaamheid tussen de bomen.’

    Zinloze grenzen

    Niet alleen contrasteert de steeds nijpender wordende vluchtelingenproblematiek met Keulemans’ eigen en in eerste instantie optimistische observatie, hij maakt ook zelf een ontwikkeling door. ’Vroeger zat ik overzichtelijk in elkaar. Van grenzen ging ik op rood. Zinloos vond ik ze, uitvindingen van een angstige natuur, die strepen in het zand, die fortificaties.’ Maar hij is veranderd, volwassener geworden. ‘Ik begrijp nu beter waarom grenzen bestaan en ben er des te feller op tegen.’ Van daaruit zoekt hij een antwoord op de vraag: wanneer en hoe komen mensen in verzet. Wanneer wordt individueel verzet een beweging, zoals die de laatste decennia vaak zichtbaar was op pleinen in de hele wereld.

    Keulemans bouwt lichtjes een systematiek verschillende fases van dit verzet op in maar liefst dertien stappen. Hij werkt deze lijst niet echt uit, waardoor het geen leerstellig boek is geworden. Integendeel, hij pakt scène na scène uit met verschillende plekken in de wereld waar onrecht heerst en verzet ontstaat. Hij schuwt daarbij het contrast niet, van gemene trucs bij het jeugdvoetbal in Amersfoort tot de directe nasleep van 9/11 in de Verenigde Staten. Hij is op dat moment in New York en rijdt vijf dagen na de brute aanslag naar Princeton. Daar maakt hij contact met een ‘oorlogssocioloog’ die aanvankelijk ‘uitgelaten’ was over de aanslagen maar later toch bij zinnen bleek te komen.

    Een bijzondere ervaring, de gevolgen van de aanslagen eerst verdringen door vreugde dat er nu eindelijk verzet is getoond tegen het verfoeide Amerikaanse systeem. En hij legt contacten in de collegebanken. ‘De graatmagere activiste die strafrecht studeert is een praatmachine.’ Zij organiseert die week een Peace Meeting die nogal wezenloos blijkt te zijn. ‘Even later zat ik in een kelder tussen dertig mensen die elkaar onwennig aankeken. De hele bijeenkomst had iets clandestiens. Vrede is deze week geen populair woord.’ Later loopt hij mee in een Vredesmars in de buurt van Princeton. ‘Op straat staan de mensen te kijken. Verbouwereerd misschien, maar niet agressief.’ Na afloop van de demonstratie gaat Keulemans naar zijn auto. ‘De maan boven de daken is een witte sikkel. Er klinken krekels. De eekhoorns wandelen bedaard over de paden. Opeens denk ik: als ze dit zouden vernietigen, dit paradijs van kennis en onwetendheid, dat zou ik niet kunnen verdragen.’

    Niet genoeg ellende

    En zo springt Verzet de wereld over. Naar Tunesië, Oekraïne/Maidan, Minsk, Bagdad – waar het standbeeld van Saddam Hussein omver wordt getrokken: ‘Een verstandige dictator zorgt in het hele land voor stevige sokkels en krakkemikkig gereedschap.’ Naar het Martelaarsplein in Beiroet bij een jaarwisseling, naar Jakarta en ook heel vaak naar ons vertrouwde Amsterdam. Zoals een mars in 2015 na de agressieve bejegening in een aantal gemeenten van asielzoekers, met een hoofdrol voor Nasrdin Dchar, die verder geen vervolg krijgt maar wel een mooie middag op het Museumplein betekent. Waar behalve Dchar, Jerry Afriyie spreekt. ‘Weloverwogen articulerend spreekt hij zijn grimmige liefde uit voor een onvolmaakt land.’ Ook Oekraïne in oorlog haalt Keulemans aan, met een mooi citaat van reporter Olaf Koens die een oude vrouw die met trillende hand rozen knipt met een schaartje, vraagt waarom ze dat doet. ’Als je dat niet snapt heb je niet genoeg ellende meegemaakt.’

    Het boek meandert langs recente gebeurtenissen en verder terug in de tijd. Van de RaRa aanslag op toenmalig staatssecretaris Aad Kosto tot herinneringen aan de roerige Amsterdamse situatie in 1980 tot lokale acties als ‘Verdedig Noord’ in Keulemans’ buurt in Amsterdam. Hij blijft geloven in verzet, zonder illusies maar wel met hoop. ‘Wat verzet onderscheidt en uiteindelijk sterker maakt dan de macht is de verbeelding; het zichtbaar maken van mogelijkheden.’
    Verzet is een boek van een auteur met een fluwelen pen. Geen politiek boek, maar wel een goed geschreven verhaal over politiek, onrecht, verzet, protest. Soms als de druppel die de steen uitholt, soms als een spectaculair moment dat niet altijd standhoudt zoals de Arabische Lente. De wereld rond vanuit Amsterdam Noord. Het is de moeite van de inspanning waard. En van het lezen.