• De wereld bezien vanaf een barkruk

    In zijn derde bundel, Profane verlichting, doet Johannes van der Sluis verslag van zijn waarneming van dagelijkse gebeurtenissen in de periode van 24 juni 2020 tot en met 16 september 2020. Plaats van handeling is vrijwel altijd Rotterdam en dan met name Lombardijen, waar de dichter wekelijks een café bezoekt als hij klaar is met zijn therapie bij een psycholoog. Dat kan Café Teddy Bear zijn of de Performance Bar, maar meestal toch Café de S., waar hij zich verheugt in de aanwezigheid van het barmeisje M., voor wie hij tedere gevoelens ontwikkelt. 

    Drie jaar geleden is zijn relatie op de klippen gelopen en zijn geliefde is bij hem weggegaan. Zijn baan als leraar aan een middelbare school heeft hij opgezegd. De therapiesessies bij de psycholoog gaan over de onzekerheid van de dichter, zijn verlangen naar acceptatie en de angst om afgewezen te worden. 

    Zoektocht naar verlichting

    In korte zinnen beschrijft Van der Sluis zijn zoektocht naar verlichting, naar licht in de duisternis waarin hij zich bevindt. Soms gebeurt dat letterlijk, als het barmeisje M. zijn pad verlicht met een grote lamp op weg naar het terras, soms gebeurt het zoeken naar verlichting spiritueel via een poging tot meditatie, zoals in het gedicht Heb je een vaas? waarin de dichter een cursus Transcendente Meditatie volgt. Daartoe moet hij zoete vruchten meenemen, een bos bloemen en een witte zakdoek. Maar als hij op de vraag waarom hij de cursus wil volgen, antwoordt dat hij verlichting zoekt, stuurt de instructeur hem weg en adviseert hem het rustiger aan te doen:

    […]
    als je de oceaan oversteekt
    in een roeibootje
    en er komen walvissen aan
    is het noodzakelijk
    om even om te keren
    De bloemen plant hij uiteindelijk maar in een vaas:

    […]
    zo stokt
    de zoektocht
    naar verlichting
    met bloemen
    in bedenkelijke kleuren
    maar inderdaad
    geen walvis
    te zien
    vooralsnog
    ik snuif even aan de bloemen
    vanaf nu
    kan de roes
    mij vervoeren
    door onbekende wateren

    De zinnen mogen dan kort zijn, de parlando-achtige gedichten zijn – op een enkele uitzondering na – zijn erg lang. Een index ontbreekt, waardoor de gedichten zich laten lezen als een aaneenschakeling, een snoer van gedichten die elkaar opvolgen in de tijd en uiteindelijk één geheel vormen. De interpunctie beperkt zich tot hoofdletters en een vraagteken. Omdat de dichter geen punten gebruikt, lopen de zinnen in elkaar over als door een enjambement, ook als dat niet de bedoeling is. Je weet pas na enig puzzelwerk waar de ene zin ophoudt en de andere begint, wat vaak een komisch effect heeft. 

    Soms wordt een gedicht voorafgegaan door een citaat: meestal een regel uit een popsong of een zin uit het werk van een bekende auteur, die weerklank vindt in het gedicht. 

    Ironische humor

    In de gedichten is een een melancholiek en berustend man aan het woord, die vanaf een barkruk de wereld langs zich ziet gaan. De verplichte anderhalve meter afstand in het coronajaar 2020 maken hem nog eenzamer dan hij al was. Een ontgoocheld man zonder illusies is hij, maar ook zonder zelfmedelijden. Met ironische humor beschouwt hij de wereld die bevolkt is met weirdo’s, zichzelf niet uitgezonderd, die proberen aan de bar alle wereldproblemen op te lossen. Met mededogen schildert hij portretten van gewone mensen, ‘die een individu werden / en daarmee de afkeuring / van de maatschappij / moesten verdragen / ze leden lachende’. Een taxichauffeur, een kassière, een visverkoopster ‘met het gezicht van Dulle Griet’:

    […]
    warme vis
    daarvoor kom je
    naar de markt
    roept ze
    hier liefie
    en ze geeft een bakje
    aan een klant
    aanbiddelijk
    ik zegen haar
    en laat haar verder strijden
    met haar zwaard
    voor de poort
    van de hel
    alle demonen
    zullen wijken

    Het profane en het gewijde

    In het gedicht Profaan, geschreven op 9 september, als het Wonderful Weirdos Day is, beschrijft de dichter de eeuwigdurende strijd om de harmonie van het profane en het gewijde, het licht dat steeds weer de duisternis moet overwinnen. Dit steeds terugkerende thema wordt met wrange humor verduidelijkt in de laatste versregels, als de Slang van de Kosmos die de wereld schraagt, teruggevonden wordt in de wc:

    […]
    ik denk
    aan de duisternis
    die telkens weer
    overwonnen moet worden
    opdat de Kosmos
    het licht wordt gegeven
    aldus Eliade
    op het toilet
    zit geen bloed meer
    aan het papier
    in de pot
    ligt een volmaakte
    opgerolde bruine slang
    ik por even
    geen teken
    van leven
    en spoel door

    Het hogere en het lagere te verenigen lijkt onbegonnen werk en de verlichting is niet te bereiken. De dichter lijkt op de klassieke clown Paljas, die in de piste beroepsmatig lachen moet, terwijl zijn hart huilt. Als in het laatste gedicht de psycholoog ook nog voorstelt te stoppen met de sessies – ‘want over onzekerheid / en het verlangen naar acceptatie / kun je eeuwig doorpraten / meent hij’ – valt de grond onder zijn voeten vandaan. Gelukkig is er een lichtpuntje, al is het dan niet de gewenste ‘Grote Verlichting’: barmeisje M. glimlacht naar hem. ‘[…] en ik dans / and it’s all right baby / it’s all right’; met deze wanhopige poging om zichzelf voor de gek te houden sluit de dichter de bundel af.

    Van der Sluis neemt de lezers in zijn bundel mee door zijn leven van alledag aan de hand van wat nog het meest een dagboek lijkt te zijn. Achter de gedichten, die op het eerste gezicht komisch lijken, schuilt een Weltschmerz en een gelatenheid, die de gedichten indringend maken en van een dubbele bodem voorzien. Een gelaagdheid die eerst doet lachen en dan doet huilen. Van der Sluis maakt van de lezer eenzelfde droeve clown die hij in zijn gedichten uithangt.

     

     

  • Verplichte kost voor viruswappies

    De tijd waarin lockdowns en versoepelingen elkaar afwisselen lijkt voorbij, terwijl het coronavirus een ellendige gast blijkt te zijn die niet van plan is te vertrekken. In een samenleving die zich steeds meer verzet tegen de opgelegde regelgeving is het nauwkeurig balanceren tussen het gewenste en het noodzakelijke. Er ontstaat weerstand, wantrouwen en onverschilligheid als het gaat om ‘met z’n allen tegen corona’. De urgentie is verdwenen en zelfs nieuwe, onvoorspelbare virusmutaties worden met schouderophalen begroet. Het wordt steeds duidelijker dat het allemaal draait om de zorgsector: te weinig plek, te weinig ic-bedden, te weinig personeel. Een cruciale bottleneck in onze welvaartsmaatschappij. 

    Leo Hermens werkt aan het front van deze crisis. Hij is fysiotherapeut op de IC-afdeling van een ziekenhuis in het midden van het land. Daarnaast is hij schrijver en dichter met inmiddels drie dichtbundels op zijn naam. In het eerste coronajaar schrijft Hermens regelmatig op facebook over de toestand in het ziekenhuis en zijn ervaringen op de ic. Stukjes die de aandacht trekken door de openhartige toon en de bevlogen empathie. Teksten die voor veel lezers een onbekende wereld openen.

    Dat eerste coronajaar

    De reacties waren overweldigend. Er kwamen veel verzoeken om deze bijzondere woorden in een blijvende vorm te laten voortbestaan. Dat vond ook de kersverse uitgeverij Kwakman & Smet die er een kloeke, 176 pagina’s dikke bundel van maakte. In een flinke lettergrootte zijn Hermens teksten per maand geordend en krijgen we dat eerste, bizarre coronajaar in volle hevigheid weer voor onze kiezen. Het is de bijzondere pen en nuchtere blik van Leo Hermens die ons, met terugwerkende kracht, met de neus op de verwarrende en bedreigende feiten drukt. De eerste coronamaanden van 2020 beginnen met afstand houden en het aanleren van een nieuwe begroeting.

    ‘Hoe ingebakken is een handdruk. Symbool van goede bedoelingen en de afwezigheid van wapens. En hoe taboe. Mijn hand schiet al naar voren in een geconditioneerde reflex voordat ik hem terugtrek. Een hand met een eigen wil (…) 

    Ik ga een nieuwe gewoonte aanleren. Ik ga mij trainen in het namasté-gebaar. Altijd al mooi gevonden. Ik ga het niet zeggen, wel ga ik de handpalmen ter hoogte van mijn hart tegen elkaar houden met de vingers naar boven en dan een kleine buiging maken. Zonder oogcontact te verliezen.’

    Nieuwe looproutes, nieuwe instructies

    Vervolgens gaat Hermens dieper in op zijn dagelijkse werk in het ziekenhuis. Dat doet hij door telkens korte impressies te geven van de situaties waarin hij belandt op de verschillende afdelingen. Het ziekenhuis moet zich telkens aanpassen aan de omstandigheden: looproutes, nieuwe ingangen, waar mogelijk extra IC-bedden, een aparte corona-afdeling en doorlopend nieuwe instructies voor het personeel. Hij schrijft over zijn collega’s die, hoewel altijd professioneel, in een haast moedeloze depressie belanden die zo nu en dan in zuivere paniek uitmondt.

    ‘In de gang van de schone IC kom ik Ingrid tegen, verpleegkundige. Normaal is het hee
     en hoi en een grote glimlach. Nu staat haar gezicht strak.
     – Was je vanochtend beneden? vraag ik.
     Ze knikt.
     – En?
     – Ze gaan allemaal dood.
     Ik ga haar blik nooit vergeten.’

    De episodes over het ziekenhuis worden afgewisseld – soms ook vermengd – met stukjes uit de privésituatie van de schrijver. Het is een dramatische tweedeling, de wereld van de intensieve zorg tegenover die van het gezin, de supermarkt of gewoon op straat. Hermens laat zijn frustratie doorschemeren als de optimistische of argeloze buurman zijn caravan klaarmaakt voor de komende vakantie. Als hij op tv mensen hoort praten over het virus ‘dat niet meer dan een griepje is’ valt hij uit tegen het toestel.

    ‘Dat dringt nog niet door bij sommige mensen die op tv glunderend vertellen dat ze een goede gezondheid hebben en niet bang     zijn om ziek te worden. Dus ze zullen zich niet veel van de maatregelen aantrekken.
    Het gaat niet om jou, spreek ik hardop tegen. Jouw roekeloosheid heeft invloed op anderen, zoals ook jouw omzichtigheid.
    – Tegen wie heb je het? vraagt mijn dochter die de kamer binnenkomt.
    – Ach, zo een vent op tv.
    – Trouwens, als er een totale lockdown komt, ga ik bij mijn vriendje wonen, zegt ze.’

    Indrukwekkende registratie

    Het is de naadloze overgang tussen emotie en relativering, tussen opwinding en nuchterheid die de teksten van Hermens zo krachtig maakt. Dat is knap gedaan, omdat daarmee de ernst van het virus en de omstandigheden in de zorg op indringende manier duidelijk worden gemaakt. Zijn taal is helder en volledig ontdaan van overbodige franje. Zoals hij schrijft over de ‘draaiteams’, de verpleegkundigen die op zorgvuldige wijze de coronapatiënten-in-coma regelmatig moeten draaien, van buik op rug en omgekeerd.

    ‘Het is een groot, slap, verhit, bloot lichaam in al zijn weerloosheid. Bloter kan het niet, zo overgeleverd en onmachtig. Een organisme in buiklig dat stofwisselt. Chemie aan het werk, geholpen door de moleculen die er via slangen in gestopt en uit gehaald worden.’

    Maar de dood is het meest indrukwekkend in deze registratie van een periode vol onzekerheid, angst en tragiek. Het snelle overlijden van patiënten, van het ene op het andere uur, vaak zonder de nabijheid van familie, met alleen hardwerkende verpleegkundigen aan de bedrand. Dat maakt Vleermuis in het ziekenhuis tot een aangrijpend document dat, om het maar eufemistisch te zeggen, in zeer brede kring gelezen zou moeten worden. 

    ‘Familie is gebeld. Ze moeten snel komen want vader gaat overlijden. De intensivist en een verpleegkundige staan in hun beschermingspakken naast het bed van de man en doen het medisch noodzakelijke. Dat is niet veel meer. Ze waken vooral. Ze houden zijn hand vast en houden zijn rust in de gaten. De man overlijdt voordat de twee gezinsleden die mogen komen er zijn. De intensivist en verpleegkundige huilen achter hun duikbrillen. Nooit wordt er in het bijzijn van familie gehuild. Het is professioneel om controle te houden op de kamer. Tranen zijn voor thuis. Het is alsof de intensivist en verpleegkundige nu verdriet en rouw van de afwezige familie overnemen. Even zijn zij plaatsvervangers. Even verwanten. De verpleegkundige loopt de kamer uit en botst tegen de deurpost aan, struikelt en valt op de grond.

    Machteloze tranen, zei iemand.
    Ik geef de voorkeur aan machtige tranen. Machtig van medeleven.’

     

    Koop hier het boek.

  • Heerlijk boek zeer geschikt voor in het onderwijs

    Anders dan bij haar eerdere boeken Hoe lees ik? en Hoe lees ik korte verhalen? heeft Lidewijde Paris dit boek niet de titel gegeven van een gebruiksaanwijzing, maar is het eerder een verontschuldiging die de veronderstelde moeilijke kanten van een gedicht wil afzwakken. Op de titel, Een gedicht is ook maar een ding volgt per hoofdstuktitel een aantal bijvoeglijke bepalingen als: ‘dat het hart beroert’;  ‘dat zich voor alles leent’; ‘waar hard aan gewerkt is’ en nog andere. Aan de hand van ruim honderdveertig voorbeelden legt Paris uit wat een gedicht kan zijn, voorbeelden die ze gekozen heeft omdat ze die zelf mooi vindt of omdat ze goed illustreren wat ze wil uitleggen. De gedichten nemen ons mee dwars door de tijd, beginnende bij ‘hebban olla uogala’, van Van Alphen naar Vasalis, en eindigend bij Kouwenaar, maar moderner dan de Vijftigers wordt het niet. Dat is geen bezwaar: de geciteerde gedichten zijn alle herkenbaar voor de lezer die zich vaker met poëzie bezighoudt en de beginnende liefhebber krijgt meteen het puikje van de poëtische canon voorgeschoteld. 

    Om poëzie te leren begrijpen, zegt Paris, moet je een ‘innerlijke antenne’ hebben die je vertelt wat je mooi vindt, maar je moet ook weten waar je op moet letten. Daarom vertelt ze per hoofdstuk over een aspect van de technische kant van poëzie: de ontwikkeling van het metrum, de functie van rijm en ritme, rijmschema’s, maar ook behandelt ze de stromingen in de poëzie en geeft ze een kijkje in de keuken van de dichter. 

    Waardevol naslagwerk

    Dit boek is een kleine ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse poëzie die niet alleen heel prettig leest, maar ook een waardevol naslagwerk is. Paris trekt je mee in de bevindingen van haar speurtocht naar voorbeelden van gedichten die haar uitleg ondersteunen. Ze analyseert de gedichten op een heel persoonlijke wijze en plaatst elk gedicht in zijn tijd binnen de historische en literaire context en eventueel de achtergrond van de dichter. Zo weet ze bij het Lied van Heer Halewijn verbanden te leggen met de Sirenen van Homeros, De rattenvanger van Hamelen en de huidige reclame op de televisie. Het zijn deze zijpaadjes die het boek zo aantrekkelijk maken. Paris maakt het ook voor iedereen mogelijk die zijpaadjes te kunnen volgen door gedichten en citaten uit het Middelnederlands en ook uit latere eeuwen waar nodig te vertalen in modern Nederlands. 

    De dichtkunst in Nederland heeft een lange weg afgelegd, schrijft Paris. Ze doet uit de doeken hoe de moderne dichters de regels van de poëzie lieten varen, maar nog steeds op de schouders staan van hun traditionelere voorgangers. In de moderne poëzie zijn herkenbaarheid en betekenis niet altijd de belangrijkste elementen: klank, ritme en de poëtica van de dichter spelen ook een rol. En de drang om te begrijpen moet soms worden losgelaten: ‘Als je iets niet begrijpt, heeft dat een reden,’ aldus Paris. Soms heeft de dichter het zo gewild en er met opzet voor gezorgd dat zijn gedicht niet te begrijpen is.

    Begrijpen van poëzie

    Paris stelt dat er drie dingen aan te pas komen om een gedicht te begrijpen: het gedicht zelf, de context en de achtergrond van de dichter en zijn poëtica, maar ook de lezer zelf met al zijn ervaringen en herinneringen, die steeds weer aan verandering onderhevig zijn. Want wat je vroeger zo mooi vond, kan nu tegenvallen en andersom. Ze illustreert dat met heel persoonlijke voorbeelden, waarmee ze haar poëzietheorie, om het zo maar eens te noemen, dicht bij de lezer brengt. 

    Hoewel het een prachtig, enthousiast geschreven boek is, zijn er toch een paar kanttekeningen te plaatsen: Paris stelt met betrekking tot het gedicht Oote van Jan Hanlo dat ‘iets een gedicht is als de dichter zegt dat het een gedicht is.’ Dat is twijfelachtig: een gedicht mag zich dan wel onttrekken aan traditie, regels en verwachtingen, maar alleen de bewering van de dichter dat iets een gedicht is, trekt ook veel geschreven tekst de poëzie binnen waarvan je in de verste verte niet zou durven beweren dat het er thuishoort. Niet elk versje wordt een gedicht door het zo te noemen, niet elk boodschappenlijstje is poëzie. 

    Het zou ook interessant zijn geweest als Paris een hoofdstuk had gewijd aan ‘foute’ gedichten, waar het online van wemelt en in overlijdensadvertenties en poësiealbums. Wel haalt ze het gedicht Zwarte hoofden van Jan Prins aan, dat volgens haar tegen het randje van kitsch aan ligt. Eens legde ze de kwestie van kitsch en kwaliteit voor aan dichter Gerrit Kouwenaar (1923-2014). Ze vroeg hem of er een gedicht is dat hem ‘ongelooflijk dierbaar is, maar dat verouderd, truttig traditioneel, sentimenteel, helemaal niet goed of misschien zelfs kitsch is?’ Tot haar verbazing kende Kouwenaar veel van dat soort gedichten: de situatie en het moment waarop je het gedicht voor het eerst las bepaalden de dierbaarheid, kwaliteit had daar vaak ‘geen snars’ mee te maken. Paris en Kouwenaar bedachten toen het plan om alle dichters bij Querido (waar Paris uitgever was) te vragen naar hun ‘geheime foute gedicht’. Het kwam er niet van, Kouwenaar overleed en ze waren vergeten elkaar ‘- stom, stom, stom! –’ te vertellen wat hun geheime foute gedicht was. Maar het zou mooi geweest zijn als Paris niet  aansluitend had vertelt wat haar keuze zou zijn geweest en vooral: waarom dat gedicht? Het zou een goed voorbeeld kunnen zijn van het verschil tussen kunst en kitsch, tussen kwaliteit en knutselwerk, waarmee veel lezers geholpen zouden zijn. Een laatste opmerking betreft de zetduivel die talloze malen heeft toegeslagen in dit boek: letters en woorden die zijn weggevallen, of juist dubbel in een zin terechtgekomen zijn, en de letteromkering waardoor het ‘gestolen brood’ in een gedicht van Martin Veldman, De jongen I, verderop in de tekst van Paris een ‘gesloten brood’ wordt. Je vraagt je af wat de juiste versie is.

    Aanpak bij het begrijpen van poëzie

    Maar dat zijn niet meer dan kanttekeningen bij een heerlijk boek, dat ook heel goed in het onderwijs te gebruiken zou zijn. Paris doet er voor het plezier nog een quiz bij, waarin beginregels van bekende gedichten moeten worden afgemaakt en ze heeft ook een begrippenlijst van literaire termen opgenomen, evenals een aantal handige vragen bij het lezen van gedichten, die de lezer zichzelf kan stellen. Ze raadt aan dicht bij je eigen gevoel te blijven: raakt het gedicht je op de een of andere manier, kun je er troost, herkenning, of een andere emotie in terugvinden? Daarna kun je nagaan of je er meer van wilt begrijpen. Daartoe heeft Paris een ‘Klein noodplan van aanpak bij het begrijpen van gedichten’ toegevoegd aan hoofdstuk 6 (maar de hoofdstukken zijn niet genummerd) dat heel geschikt is om als docent samen met leerlingen te behandelen. In dat geval zou het wel wenselijk zijn om ook werk van jonge, moderne dichters op te nemen.

    De speurtocht van Paris naar de ontwikkeling van Nederlandstalige poëzie door de eeuwen heen is een reis die ze niet alleen maakt, maar samen met de lezer als reisgenoot, waarbij ze onderweg op tientallen mooie bezienswaardigheden in de vorm van gedichten wijst en laat zien hoe er gekeken moet worden naar details, technieken, vorm en inhoud. Maar bij dit lezen, staat het genieten voorop. 

     

  • Liefde voor het raadsel

    De sprong van de vis is de zesde dichtbundel van Juliën Holtrigter (pseudoniem van de dichter en schilder Henk van Loenen). Holtrigter zou je een wat a-modieuze dichter kunnen noemen: eenvoudig, verstaanbaar, romantisch en klankrijk. Achter de eenvoudige regels gaan echter complexe en dramatische werelden schuil. De sprong van de vis bevat veertig relatief korte gedichten die gelijkelijk over vier afdelingen zijn verdeeld. Het openingsgedicht is meteen in alles typisch Holtrigter. Het kent een zorgvuldige opbouw.

    Eerst wordt een bijzondere sfeer geschetst: ‘Achter de duinen davert de snelweg, / de zee ademt rust. / Over het blauwe basalt kruipen nog / restjes spuug van de vloed.’ Holtrigter maakt de werkelijkheid niet mooier dan zij is: ‘Etalages, verlicht in de avond. / Schoenen, smartphones, bedden, juwelen.’ / Bij de poelier hangen gevilde hazen / schaamteloos voor het raam.’ De maan heeft  ‘aan haar vingers witgouden ringen, / in haar ogen witgouden leegte’. Waarna staat: ‘Haar sluiers moeten misschien wel / verhelen dat ze zich sneed.’ Het zijn vooraankonigingen van een drama, waarover we in de laatste regels lezen: ‘Er is iemand op weg, terug naar huis, / verslagen, ontwapend.’ Wat er is gebeurd wordt in het midden gelaten. 

    Aandachtig observeren

    Ook in de andere gedichten is Holtrigter een meester van de suggestie. Zijn manier van dichten doet denken aan de betere film, waarin een desolate omgeving en een plotselinge oogopslag boekdelen spreken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Bladzij’, waarin de ‘ik’ in de trein tegenover een lezend meisje plaatsneemt. We kijken met hem mee. Hij probeert te raden wat er in haar omgaat: ‘Ze leest over duistere zaken, dat moet wel,/ zo donker glijden haar ogen over de regels./ Nochtans, haar hand streelt de bladzij,/zo lijkt het.’ In een ander gedicht bespeurt de ‘ik’ in een serveerster ‘een nog vers verdriet’. De slotregels luiden: ‘Ik loop met haar mee en leg veel te zacht/een hand op haar schouder.’ De personages zijn kwetsbare personen met wie de dichter meevoelt, waarbij de toon registrerend blijft. 

    Het ‘kijken’ is een constante in deze bundel. Holtrigter is een dichter die over zijn directe, alledaagse omgeving schrijft. De werkelijkheid valt op, zodra er iets gebeurt: ‘Werkelijkheid is dat wat werkt./Er spoelt wat aan, er kalft wat af.’ Werkelijkheid is met andere woorden beweging. Zoals in het titelgedicht ‘De sprong van de vis’: ’In het tanende licht van oktober, niets/is blijvend, landt een wolk op het water./Een vis springt, valt terug in zijn lijfgoed,/ verzilvert de stilte.’ Het gaat om dit soort magische momenten waarin de tijd zich samenbalt: ‘Met mijn langzaamste pen schrijf ik: tijd/is een zeer kleine ruimte.’ Bij alle beweging hangt boven de gedichten een bijna serene stilte, die erdoor wordt benadrukt.

    Het perspectief ligt bij de ‘ik’, maar op een onnadrukkelijke manier. Door de vaak herkenbare situaties – een bezoek aan de kust, aan een café, reizen  – is het makkelijk je met de ‘ik’ te identificeren, waardoor het gedicht ook jouw ervaring wordt. De ‘ik’ cijfert zich soms letterlijk weg, beschouwt zich als een figurant: ‘Ik, figurant, staar in het donker.’ In het gedicht ‘Regels’ is de ‘ik’ net zo belangrijk als de zee: ‘Ik strijk neer op het strand en de zee/doet dat ook, komt dichterbij, strekt zich uit.’ In ‘Uitzicht’ draait Holtrigter het perspectief zelfs helemaal om: ‘Ik kijk opnieuw naar de verte, hoe verder hoe vager,/besef hoe onscherp het beeld is/waarin de verte mij waarneemt, hoe ik al turend/vervaag.’ 

    Sterke beelden

    ‘De sprong van de vis’ is een bundel met veel sfeer. Met een paar streken schetst Holtrigter sterke beelden, zoals in het mooie, melancholieke gedicht ‘Nachtboot’:

    ‘De nachtboot legt aan.
     Doodstille haven.
     Het water weerspiegelt het spooklicht van schepen.

     Stijf ligt de vangst op de kade,
     vissen in ijs, de huid nog glanzend van leven,
     de verbijsterde blik in de ogen, de bekken wijd open.

     Een krab beweegt nog een schaar.
     Zie toch dat wenken, dat hopeloze.
     De ochtend breekt aan.

     De krant meldt gemeier dichtbij en rampen ver weg.
     Roof en rot doen hun werk overal
     maar niet hier:

     de dauwdruppels op het boeketje zijn erg hardnekkig.
     En ook het hout in de haard brandt niet op.
     Onsterfelijk zijn de plastic kozijnen.’

    Ook hier, bij alle stilte, een verhalend gedicht dat gedragen wordt door het slot. De opbouw is niet origineel, maar de beelden en woordkeuze zijn dat wel. 

    In de tweede afdeling ‘Verre verwanten’ figureren ook familieleden, bij wie de ‘ik’ blijkbaar vervreemding voelt. Ook zij worden bekeken. Er klinkt ironie in de gedichten door. Over zijn vaders jaloezie op de acteur die door zijn vrouw in een toneelstuk wordt gekust. De vader speelt op zijn beurt weer graag de rol van een boer: ‘die rol lag hem goed, Goden wat was dat/ karakter devoot!’ In ‘Impasse’ is de verre verwant de dichter zelf: ‘In zijn bovenkamer zit een ventje dat schrijft/om iets te begrijpen,/een zenuwlijder/die woorden vuilmaakt aan wat schoonheid.’ Het dichten is een worsteling: ‘In zijn bovenkamer armzalig zijn voelen, zijn denken: een afgestompte/antenne, een bot ontleedmes./Iemand of iets dicteert hem zinnen waarvan hij/geen jota denkt te begrijpen.’

    Van bovenaf bezien

    Vriend Chaim duikt op, die we kennen uit Holtrigters eerdere bundels. Chaim is iemand met een grote fantasie, een buitenbeentje: ‘Hij steekt veel werk in onnutte zaken en vaart daar wel bij.’ Later blijkt hij in een kliniek te zitten. Chaim spreekt zeer tot de verbeelding van de ‘ik’: ‘Ik houd van zijn leugens, ze zijn ook fantastisch’. Maar ook vindt hij Chaim inhoudsloos: ‘hij praat/ honderduit, maar hij zegt bijna niets. Zijn verveelde verbeelding valt in herhaling.’ Het is vooral Chaims houding die de ‘ik’ fascineert: het onbekommerd om zich heen kijken en fabuleren. Chaim belichaamt de verbeeldingskracht en is voor de ‘ik’ een soort muze. 

    De ‘ik’ bekijkt de wereld graag van boven, bijvoorbeeld door op het dak te klimmen. Door letterlijk boven de werkelijkheid uit te stijgen, ontstaat weer een ander perspectief. Holtrigter schrijft poëzie waaruit een enorme nieuwsgierigheid spreekt. En een grote hang naar mystiek, zoals heel duidelijk wordt in het gedicht ‘Lichtschip’ uit de laatste afdeling ‘Dakruiters’: 

    ‘maar boven alles bemin ik de leegte, het zenit,
     boven alles bemin ik het lichtschip,
     bemin ik de leegte,
     bemin ik het licht.’

     

     

  • Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Een fotoalbum voorgelezen aan een blinde, die indruk wordt gewekt bij eerste lezing van de poëziebundel Niemand blijft het langst van poëzie- prozaschrijfster en kunstenares Gerry van der Linden. Meer specifiek is het album een familiealbum met welhaast huiselijke plaatjes uit vervlogen tijden. De blinde is in dit geval iemand die ooit kon zien en in het geheugen nog beelden bewaart van die huiselijkheid, de moeder met schort, de keuken, het kind, de boom in de tuin. Bij diepere lezing stuit men op een onderscheid van wat zich gemakkelijk en niet zo gemakkelijk in taal laat uitdrukken, kleuren bijvoorbeeld.

    Een schilder weet dat kleuren moeilijk met woorden te omschrijven zijn en daarom ten diepste geen naam kunnen hebben. Tenslotte kun je aan een blinde niet uitleggen wat rood is. Wellicht dat daarom spaarzaam met kleur wordt omgesprongen in deze bundel. Buiten een vleugje hemel en een toefje gras worden er in de gedichten nauwelijks andere kleuren genoemd dan die van huid en haar: zwart, wit, roze. Beweging is er daarentegen des te meer. Precies wat je op een schilderij juist weer niet zo goed kunt laten zien. Want er wordt wat bewogen. Er wordt gezwommen, geschommeld, gerend, gedanst, gefietst, op bedden gesprongen, hoger, hoger. Dat lijkt de ultieme beweging, weg van waarin men is vastgeklonken.

    jij doet mij niks wind
    ik houd niet in ik stap niet af
    ik fiets naar de einder
    mijzelf aan het stuur mijzelf achterop
    mijzelf in de fietstas

    Niemand blijft

    Gaandeweg wordt uit die vlieg- en vluchtbeweging duidelijk dat er niet zonder reden wordt bewogen. Er is een voortdurende drang tot weggaan, al vraagt men zich wel af waardoor die drang wordt veroorzaakt. Is er ergens verderop een doel dat lokt? Of ligt de noodzaak van het weggaan in het feit dat men niet blijven kan? En moet daar dan in godsnaam maar een doel voor bedacht of gevonden worden? Met de schrijfster, het kind, de verteller, voelt de lezer zich heen en weer geslingerd tussen die drang te moeten gaan enerzijds en het verlangen te blijven anderzijds. Waarmee de werkelijke tragiek in beeld komt: het weggaan wil eigenlijk het liefst een teruggaan zijn, en is daarom dooraderd met weemoed en alle attributen waaraan weemoed zich vastklampt, de kinderkleren, de schommel in de tuin, de gebaren van de moeder en wat er verder op die oude foto’s staat afgebeeld. Een weemoed die schrijnt, want nooit draait de tijd terug, noch het vergaan ervan. We worden ouder tegen wil en dank, ouder dan onze ouders soms. Nooit keren we terug in het kinderlijf en de meisjeskleren die we toen pasten. Alleen in dromen wordt de tijd nog bij de kladden gepakt en beetgenomen. Tot bij het ontwaken de beetgenomene de dromer zelf blijkt te zijn.

    elke ochtend elke avond elke nacht droom ik
    over mijn droom
    waarin ik rondloop op zoek altijd op zoek naar nou ja
    gewoon op zoek maar wel nog beeldig.

    Keukenla

    De gedichten zijn doordesemd met een veelvoud aan beelden en zijn allesbehalve eenduidig. Terwijl steeds opnieuw de vraag rijst hoe letterlijk – of niet letterlijk – die beelden moeten worden opgevat. Meteen in het eerste gedicht dat als een soort proloog aan de drie delen vooraf gaat, valt het woord keukenla en dat benadert dicht het gevoel dat meer dan eens wordt opgeroepen. Alsof iemand midden op tafel een keukenla heeft omgekieperd en met een zucht ergens tussen ergernis en lichte wanhoop de inhoud aanschouwt: ook dat nog. En datgene waarnaar zo naarstig werd gezocht ligt er niet tussen.

    In het eerste deel van de bundel, ‘Alles is vroeger’ wordt er veel van die inhoud op haast tastbare wijze beschreven. Gewone alledaagse voorwerpen die ooit in een ander tijdsgewricht betekenis hadden maar nu alleen nog maar zijn wat ze zijn. Rekwisieten van een verhaal dat – buiten de verteller zelf – haast niemand zich nog herinnert. Dingen die na het verlies van hun symbolische waarde niets anders over hebben dan hun substantie, hun vorm, hun naam. Doelloos voor het moment, mogelijk zinloos. Maar wel aandoenlijk mooi. Al zullen er vast mensen zijn die vinden dat dergelijke prozaïsche voorwerpen en woorden niet in poëzie thuishoren: gebaksvorkje, stofzuiger, krulspeld, soepkip, paardendeken.

    Het koord waarop ik liep als kind
    het koord waarop ik liep

    knapte en in vleermuismouwen viel ik
    in de schort van vrouwen

    glipte rakelings langs een graaiende oom
    het kirren van vrouwen op een familiefeestje

    prikken van een gebaksvorkje in de room
    o jij hebt te veel praatjes dacht je

    dat alles voor jou zou wijken dat
    door je te laten vallen

    het misschien anders zou lijken
    (vrouwen met dichte dijen bevallen?)

    Nog fysieker wordt het in deel twee, getiteld ‘Stemmen’. Langs een reeks plastische verbeeldingen van huid en haar, van mannelijke en vooral vrouwelijke lichaamsdelen, van vrienden in de loop der tijd aan de dood of aan het leven kwijtgeraakt, beschrijven de gedichten in dit gedeelte de kanteling van meisje naar vrouw. Ouder worden dat onherroepelijk gevoeld en ervaren wordt, tegen wil en dank, met weemoed, woede of weerbarstigheid.

    (Zijn we nu toch terug in de keuken
    waar het heerlijk naar vroeger ruikt
    waar de vrouw haar schort omknoopt
    de man zijn glaasje drinkt

    waar de kleine jongen
    tegen de tafelpoot schopt – ja
    wij zijn nog van die generatie.)

    In deel drie ‘Binnenin, buitenom’ lijkt de verteller definitief te zijn geland in het nu. Jeugd wordt enkel nog waargenomen in jonge blaadjes, konijntjes, een meisje met afgezakte kousen dat voorbij fietst. Waargenomen door een volwassene die zich bij deze onomkeerbaarheid lijkt te hebben neergelegd en weet dat de herinneringen verleden tijd zijn; hoe het jonge in het oude, het kleine in het grote, het kwetsbare in het harde wordt opgenomen en nooit meer terugkomt.

    Houvast

    Tussen haar debuut De Aantekening (1978) en deze (twaalfde) poëziebundel liggen jaren waarin het soms voor langere of kortere tijd stil was, maar niet werd stilgezeten. Jaren waarin de dichteres meer en meer haar eigen stijl ontwikkelde, daar ook vrijer in werd. De gedichten zijn allerminst eenvoudig, noch voor wat betreft thematiek en inhoud, noch qua vorm. In alle opzichten wordt de lezer uitgedaagd in het diepe te springen, het onbekende in dat op het eerste gezicht zo bekend en gewoon lijkt.

    Niemand blijft het langst is zeker geen poëzie voor wie houvast zoekt bij meer klassieke dichtvormen, met een traditionele opbouw in verzen, een stevig metrum en rijm. Des te meer voor wie dwalen durft tussen dit soort regels, zonder leestekens, hoofdletters, zonder begin of eind. En de vraag onbeantwoord wil laten of de dichteres dit alles werkelijk zo argeloos en impulsief uit de losse pols heeft neergekrabbeld of dat de woorden en regels zo zijn gestileerd dat het alleen maar zo lijkt; doorgecomponeerd op het perfectionistische af, prachtig is het hoe dan ook. En doet het ertoe, om dat te weten? Nee. Tegen de tijd dat we ons dat afvragen, zijn we al meegenomen; vliegen, springen, schommelen, fietsen we al, zijn we al gevallen en neergekomen in een bed met kruimels en gekreukelde lakens.

     

  • Kennismaking met eenendertig Portugese dichteressen

    In de tweetalige bundel Ik heb de tijd op je naam laten vallen, hebben de samenstellers en vertalers, Harrie Lemmens en Marilyn Suy, gedichten bijeengebracht van eenendertig Portugese vrouwelijke dichters, vanaf de zestiende eeuw tot heden. De eerste van hen werd geboren in 1520, de laatste in 1982. Uit de 21e eeuw zijn geen gedichten opgenomen, omdat deze eeuw volgens de samenstellers ‘nog wat moet rijpen.’

    Harrie Lemmens vertaalde meer dan honderd boeken van het Portugees naar het Nederlands, waaronder werk van Fernando Pessoa en José Saramago, die ook in Nederland grote bekendheid genieten. Hij tekende voor het leeuwendeel van de vertalingen, Suy vertaalde vier hedendaagse gedichten. De zwart-wit foto’s die de gedichten illustreren en de lay-out zijn van de hand van fotograaf Ana Carvalho. Haar sfeervolle foto’s staan steeds op de rechterpagina met op de linkerpagina een korte biografie van de dichter, waarna het betreffende gedicht in cursief op de volgende pagina staat met de vertaling in romein er tegenover. Het is een mooie en verzorgde bundel geworden.

    Poëzie ter kennismaking

    Van elke dichter is er slechts één gedicht opgenomen, ter kennismaking, want de meeste mensen zullen nooit eerder werk van deze Portugese vrouwen gelezen hebben. Het gedicht beslaat, op een enkele uitzondering na, ook één pagina. Het oudste gedicht is van Joana da Gama die leefde van 1520 tot 1586, het jongste van Ana Pessoa die in 1982 werd geboren. Veel vrouwen uit vroegere eeuwen sleten hun leven of een gedeelte ervan in een klooster, bijvoorbeeld als ze weduwe waren geworden, niet wensten te huwen met de voor hen gekozen kandidaat, of door onbetamelijk gedrag. In het klooster kregen ze de kans om te leren lezen en schrijven als ze dat nog niet konden, of om talen te leren zoals Grieks en Latijn. Ook werden er devote gedichten geschreven tot meerdere eer en glorie van God, maar met een ondertoon van verlangen naar andere liefde dan de goddelijke. 

    Of het met opzet de keuze van de samenstellers is geweest, of het is een kenmerk van de Portugese vrouwelijke poëzie: wat opvalt is dat alle gedichten van hartstocht spreken, van verzet tegen het lot, van de bewustheid van de eigen identiteit en het zelfbeeld. Er zijn weinig liefdesgedichten bij zoals we die kennen uit de traditionele poëzie. Ook valt op dat de dichters niet de minsten waren op intellectueel en cultureel gebied: de meesten hadden gestudeerd en bekleedden een hoge functie in het klooster of in de wereld daarbuiten. Onder hen bevindt zich een markiezin, een pedagoge, een hoogleraar, een filosoof, een journaliste, een militante feministe; en dan hebben we het echt niet alleen over de 20e eeuw. 

    Een voorbeeld is het volgende gedicht van Maria Teresa Horta (1937), journaliste en militant voorvechtster van vrouwenrechten.

    Ongehoorzaamheid

    Ik ben onontwarbaar
    mezelf
    dwars en eigengereid
    Ik ben degene die nee zei tegen
    dat
    wat de anderen wilden
    Ik zei nee tegen het lot
    dat voor mij was weggelegd
    Ik weigerde de onuitgesproken bevelen
    ik verkoos de vrijheid
    en leef zoals ik zelf wil

    Oorspronkelijke rijmschema

    De gedichten mogen dan wat inhoud betreft veel gemeenschappelijks hebben, hun vorm daarentegen is zeer verschillend. Vormvaste gedichten met eindrijm, waaronder sonnetten, komen vooral in de jongste eeuwen voor, vrije verzen en prozagedichten zijn meer van de 20e eeuw. De vertalers zijn met respect te werk gegaan, voor zover iemand die de Portugese taal niet kent dat kan beoordelen: rijmklanken zijn zo veel mogelijk omgezet in Nederlandse equivalenten, het oorspronkelijke rijmschema is aangehouden en ook wat het metrum betreft is er een poging gewaagd om dit over te zetten. 

    Veel gedichten in deze bundel gaan niet alleen over het eigen leven, maar ook de vraag wat poëzie is en wat de taak van de dichter is, heeft diverse dichters in deze bundel beziggehouden. Het gedicht van Mila Vidal Paletti (1950) , een dichter die sinds 1970 in Nederland woont, laat dat zien:

    Het bedrogen woord

    Letter voor letter verscheen het op het papier.
    Ik verhief het zo hoog in zijn verlangen
    (het was een ambitieus woord)
    dat het de rand van het blad bereikte
    en ik wachtte…Het woord ook.
    het overwoog een vlucht maat zat
    met een draad vast aan mijn opdringerige blik.
    Ik deed alsof ik nadacht: het hele gedicht trilde.
    Ik probeerde het te verlossen: tevergeefs.
    Een licht in mijn ziel was uitgegaan en
    het oude vuur aan mijn vingers was gedoofd.
    Ten slotte voelde ik mijn weerzin, onzekerheid
    de weg naar de dood. Toen het wegsprong, zuchtte het
    en hield het kort: het wilde geen afscheid
    en geen bezoek in de afgrond
    van de bedrogen woorden.
    Ik keek hoe het van de bladzij verdween
    in een stoet van losse letters.
    Een enkele keer zoek ik het nog eens
    stiekem op. Het heeft mij nooit vergeven.

    Verstoring van de balans

    Op de valreep zijn van de jongste dichter, Ana Pessoa (1982), een kort fragment uit een nog ongepubliceerd gedicht, een poëtische prozatekst en een Facebookbericht in de vorm van een essay opgenomen in de vertaling van Suy waarin de dichter – vooral bekend om haar young adult boeken – probeert te verduidelijken waaruit het verschil tussen poëzie en proza voor haar persoonlijk bestaat. Dat zij er niet geheel in slaagt om de lezer daarvan te overtuigen, is haar vergeven, maar haar essay verstoort de balans in de bundel als geheel. Het had voor de hand gelegen om ook van haar slechts één gedicht op te nemen; nu lijkt het alsof haar meer gewicht toebedeeld wordt dan de andere dichters. Voor lezers die niet bekend zijn met Portugese poëzie, werkt dit verwarrend. Het doet afbreuk aan de bundel waarin verder alles klopt: vorm, uiterlijk, lay-out en inhoud: het is een prachtig eerbetoon aan de eenendertig dichteressen. Dat er van elke dichteres (op de eerder genoemde Pessoa na) slechts één gedicht is opgenomen, waardoor het niet goed mogelijk is om een mening te vormen over haar dichterschap, is vast en zeker met opzet bedacht om de lezer te prikkelen en nieuwsgierig te maken naar het overige werk. Bij Uitgeverij Koppernik, waar deze bundel verscheen, zal er wellicht nog meer van verschijnen.

     

  • Berustend wachten in een benauwend niemandsland

    De vierde bundel van Froukje van der Ploeg, Nachtvangst, roept onmiddellijk een van de beste albums van Bob Dylan in herinnering: Blood on the tracks, ook wel Dylans echtscheidingsalbum genoemd omdat het gaat over de pijn en het verdriet die de scheiding van zijn toenmalige vrouw Sarah teweeg bracht. Dylan ontkende later dat persoonlijke ervaringen ten grondslag lagen aan de teksten, maar de eenzaamheid, de boosheid en de bitterheid die uit de songs spreekt, doen anders vermoeden.

    Dat geldt ook voor de bundel van Van der Ploeg, waarin het lyrisch ik, die autobiografisch lijkt te zijn, eveneens een echtscheiding achter de rug heeft. Die schijnt niet zonder slag of stoot verlopen te zijn: in het gedicht 23 juli, 02:23 staat de veelzeggende versregel: ‘Ik denk / aan escalatie, straatverboden, ontzeggingen, kapot / glas, een spoor bloed.’ Ook uit andere gedichten krijg je de indruk dat er in het huwelijk geweld gebruikt werd: ‘dit gaat niet vanzelf voorbij’ in het gedicht Uitgesproken doet denken aan de tv-spotjes van SIRE over huiselijk geweld. Al eerder werd er geconstateerd dat ‘de akte van berusting met een andere pen wordt getekend dan de huwelijksakte’. De bundel is dan ook doortrokken van een bitterheid en een tristesse, waarin het lyrisch ik berustend wacht alsof ze vastzit in een niemandsland waarin ze niet meer voor- of achteruit kan gaan.

    Stofje in het heelal

    De titel van de eerste afdeling is GJ1214b. Dit is een zogenaamde exoplaneet, die om een andere ster draait dan de zon. De dichter beseft dat we slechts een klein onderdeel zijn van iets groters; onze dagelijkse wereld is een stofje in het heelal. De mens staat machteloos tegenover de gebeurtenissen en kan niet zelf zijn koers kiezen. Uit de gedichten spreekt het verlangen om zelf het leven te kunnen sturen door in het hier en nu te blijven, niet achterom te zien en niet vooruit te kijken, maar door afstand te nemen en te relativeren.

    OVERZICHT

    Kijk: hier zijn we nu Halverwege. Sommigen van ons verlaten
    mannen voor vrouwen, verkopen huizen voor ze af zijn
    sluiten anderen buiten en staan weer op een schoolplein.

    We zijn de mensen geworden die er verstand van hebben
    verleiden met weinig tekens, bestellen personen als pizza’s
    sommigen van ons zien dingen van dichtbij onscherp worden.

    Voor een van ons is de dichtstbijzijnde ander een astronaut
    op vierhonderd kilometer boven zich in rondjes om de aarde
    iemand probeert slaapkamerbeloftes te ontbinden in de
    rechtszaal.

    Loslaten, zeggen we tegen de buurvrouw, want de angst van wat kan
    is erger dan het moment zelf, onze stemmen zijn laag geworden.

    Vrolijk is anders

    Niet alle gedichten gaan over het lyrisch ik of over de dichter zelf. In de derde afdeling Hoofdzaken zijn gedichten opgenomen die zijn geschreven vanuit het perspectief van een ander: er worden portretten geschetst van een gescheiden vader die zijn dochter weer ziet, een dementerende vrouw die ‘wil onthouden wie [ze] was’, en zelfs een dode vrouw die haar vroegere minnaar toespreekt vanuit haar kist. Het is ironisch te bedenken dat deze gedichten over scheiding, afscheid, zelfmoord, ziekte en dood onder Hoofdzaken gerekend worden door de dichter, alsof er niets anders in het leven is dat de moeite waard is. Het zegt wel iets over de teneur van deze bundel, vrolijk is anders. 

    In de afdeling Insomnia staan vijf gedichten die alle in de vroeger ochtenduren van de zomermaanden juli en augustus geschreven zijn. In een van de gedichten, 26 juli, 03.15, geeft de dichter aan dat haar leven tot stilstand is gekomen, ‘het dagelijks leven dat almaar wacht / op beginnen / en niet weer die droom waarin niets vooruitkomt.’ Uitgesproken is de titel van de laatste afdeling waarin de aanleiding tot de scheiding centraal staat, met titels van gedichten als Geduld, Te lang en Overval. Uitgesproken slaat zowel op het bevestiging van de scheiding als een aspect van de voorbije relatie. Het is ook de afdeling waarin naar verandering van de situatie gestreefd wordt:

    Ik had iets nodig dat me overnam, groter
    dan de ruimte waar mijn ex zat, lichter
    van kleur, iets dat mijn grenzen opzocht, iets
    dat dingen vloeibaar maakte, oprekte, opnieuw
    uitvond, de realiteit veranderde

    (Uit AMOR FATI 3

    Mooi in deze strofe van het gedicht is het verrassende gebruik van de enjambementen, maar ook de aanduiding van het in beweging komen na een periode van stilstand. 

    Er is hoop

    In elke afdeling, behalve in Insomnia, is een gedicht opgenomen getiteld Lieve Imke, gedateerd in respectievelijk september, oktober en november, met als standplaats Amsterdam, maar de laatste afdeling bevat een brief aan Imke die in augustus is geschreven, in de Franse plaats Dole. Waar de eerste drie briefgedichten nog getuigden van verslagenheid, is de laatste brief in de zomer in Frankrijk opgewekter en gewaagt van een nieuw begin: ‘Mijn vader stelt me steeds mannen voor met een kalm karakter / en zonder gelaagde geheimen’. Al eerder werden terloops aanwezige mannen vergeleken met dat wat de kat binnenbrengt: de verklaring voor de Nachtvangst uit de titel van de bundel. Er is sprake van een acceptatie, de troost van de alledaagsheid en een berusting die niet meer voortkomt uit wanhoop. Er is hoop.

    Froukje van der Ploeg heeft in deze bundel haar emoties goed onder controle en houdt haar stemmingen met vaste hand in toom door haar parlando taalgebruik, dat vlak en toonloos is en waarin het temmen van het verdriet de overhand heeft. Soms komt dat te kalm, te berustend over en zou je willen dat ze een keer uitschiet, maar dat gebeurt niet. Het gedicht Doldrums  (Doldrums zijn zones rond de evenaar met relatief rustig weer en lage luchtdruk) illustreert dat:

    Mijn hersens zijn glad
    windstil water, ik drijf
    door de dagen, geen vlaagje

    in de ruimtes waar ik woon
    een vast vestjesklimaat alleen
    een trui als de aankleders samen zijn

    de vloer, de lakens, mijn haar
    de tegels in de badkamer, puree
    appelmoes, vla, glad, glijdt

    nergens een haakje, splinter
    drempel of kronkel waar iets
    aan kan blijven hangen.

    De emoties in deze gedichten zijn zodanig geserreerd dat een splinter of een haakje welkom zou zijn, in ieder geval iets waar je als lezer ‘aan kan blijven hangen.’

     

  • Zoektocht naar liefde

    Dichter, classicus en essayist Piet Gerbrandy trekt de deur achter zich dicht en neemt ons mee op een reis met onbekende bestemming. Zijn hoofdpersoon – de ik – in de bundel Ontbinding beschouwt zijn leven en zijn positie daarin, zijn lichaam en zijn liefdes om vervolgens op pad te gaan en de reis zelf de uiteindelijke aankomst te laten bepalen. In het eerste hoofdstuk Nu wordt gekeken naar de huidige stand van zaken. Klaar met het leven en de wereld om hem heen beschouwt hij eerst zichzelf.

    ‘nu dus dit lijf van mij –
     maar wie is de bron van dit zien in een vochtige avond?
     wat geeft mijn strot recht van spreken?
     is verval geen herschikking van krachten?
     blaft daar geen vos daar ja onder de oeroudste varens?’

    Verontwaardiging over huidig beleid

    In een van de volgende verzen wordt een cynische uiteenzetting over de maatschappelijke status van de ik gepresenteerd. De wat narrige toon is die van een man op leeftijd die zich steeds meer laat leiden door verontwaardiging over het gevoerde beleid.

    ‘U betaalt uw belasting integer.
     Aanvullend bent u verzekerd.
     U beft uw slavinnen met smaak.
     Uw vestigingsklimaat is mild en overwegend heilzaam.
     Uw saldi en activa ogen gezond.
     Meestal slaapt u zonder middel vredig.
     Uw bezoldiging is binnen geldende normen wel gepast.

     U ik jij men en hij: het wordt hier druk.
     Dat past in de ruimhartigheid van het vestigingsklimaat.
     Komt het echter op uitkeren aan
     dan geeft meneer niet thuis.’

    Gerbrandy is een meester in het vervlechten van poëzie en proza. De verzen in dit gedeelte van de bundel worden voorafgegaan door een paar regels in de hij-vorm die een herinnering, een gevoel of een vooruitzicht beschrijven. Om daarna gevolgd te worden door een vers dat dieper ingaat op het onderwerp en het gemoed van de ik verbeeld. De gedichten stromen over van anekdotes en metaforen die vooral de bekende aardse taal van Gerbrandy laten zien: ‘zwaluwen scheren geringd over stoffige plassen’ en even verderop ‘in slijk versterven bonte amfibieën’. Zintuiglijke zinnen die de leesbaarheid verrijken.

    Toekomstig weerzien

    Het hoofdstuk Wind is de laatste halte voordat de grote reis wordt aangevangen. Hier komt de classicus in Gerbrandy naar boven. De verteller verhaalt over de poëzie van een elfde-eeuwse kloosterling, het schrijven van klassieke sonnetten, colleges over middeleeuwse handschriften en studenten die zich fragmenten van oude zangen toe-eigenen. De aansluitende gedichten laten steeds meer los over het verlangen op pad te gaan en het toekomstige weerzien met een geliefde: ‘…er zijn er/ die goud en koel werk het mooiste vinden/ maar ik jou.’

    ‘Reis’ is het meest omvangrijke deel waarin prozastukken de overhand nemen en de grote reis begint. ‘Langzaam maar zeker naderde het moment waarop hem dringend verzocht zou worden zijn werkkamer op te ruimen en plaats te maken voor jongeren wie later een zelfde lot beschoren was. 

    Hij pakte zijn rugzak zijn stok en zijn kruik
       drie boeken voor slapeloze nachten
    hij trok door het land zonder bergen op zoek
       naar vuur voor zijn tanende krachten.’

    Het is vooral de sfeer – die de verteller oproept – die deze reis laat zien als eigenzinnige Odyssee. De hoofdpersoon, met stevige stok en ransel, heeft het vermoeden dat iets of iemand hem begeleidt. Een dier een schim of een engel. Hij loopt langs norse en ongeletterde landslieden, slaapt op een strozak in een schuur en ziet langs een bosrand twee wolven staan. Met hier en daar een verwijzing naar de actualiteit of zelfs een blik in de toekomst: ‘Toen de zomer naderde korf ik met een ontsmet stanleymes een jaap in mijn linkeronderarm om de chip los te snijden.’

    Herinneringen en een hunkeren naar liefde

    Steeds meer verandert deze omzwerving in een haast tastbare herinnering aan een geliefde. De schimmen die hem volgen lijken te transformeren in de gedaante van de vrouw. De laatste prozateksten, als verslag van de reis, worden een hartstochtelijke liefdesverklaring vol verlangen naar een lichamelijke hereniging.

    ‘Zij troonde hem mee naar haar vuren hut
       naast een beek vol kiezels en vissen
    dan troont zij hem mee naar haar nauwe alkoof
       om zijn oude leven te wissen.’

    Piet Gerbrandy lijkt zijn hoofdpersoon-op-leeftijd naar een definitief einde te sturen. Het sluitstuk van zijn leven met een grondige soul search als drijfveer. Maar het verloop van deze bundel laat nog wat anders zien: een sterke hunkering naar liefde die in de flarden ingevlochten poëzie de lust naar boven haalt.

    ‘In liefdesverklaringen was hij altijd vrij goed geweest maar ook dat ging de laatste tijd moeizamer.
     Je billen en wangen zijn blijvend
     dat is wel gebleken
     maar hoe het met mij zit en gaan moet
     daarover is minder bekend.

     Waar laatste syllaben hun -end voltrekken
     wijdt zich een witte stilte’

    Toch is in alles de klassieke aftocht te vinden. Het verdwijnen van de wereld na een oprisping vol passie en bevlogenheid. Gerbrandy dicht in grootse gebaren en minuscule details zonder zich te verliezen in te gemakkelijke metaforen. Uiteindelijk laat hij zijn protagonist achter bij het veronderstelde einddoel van diens reis:

    ‘Dit werk is onbegonnen
     zoals het ook onafgelopen is.

     Trek ik mij daarom terug uit alle rollen.
     Blijft wie stilaan verdwijnt onopgemerkt.’

     

     

  • Poëzie in de strijd tegen de Goleman

    De wolkendragers van Peter Holvoet-Hanssen is een dichtbundel die niet uitsluitend gedichten van hemzelf bevat, maar die de resultaten draagt van een groot project waaraan meer dan dertig individuele dichters, collectieven en verschillende andere groepen aan hebben bijgedragen. Deze groepen bestonden uit klassen van middelbare scholen, patiënten van de oncologische afdeling van een ziekenhuis, psychiatrische patiënten en nog veel meer mensen. Dat leverde een bonte stoet gedichten op, waarbij Holvoet-Hanssen de eindredactie op zich nam, maar vaker nog werden de gedichten afgedrukt zoals ze ontstaan waren. 

    De rode draad in deze overvloed van gedichten is de strijd van de wolkendragers tegen de Goleman, een reus die aan de Golem doet denken, een mensfiguur uit klei gemaakt. Deze Goleman bedreigt de wereld van de mensen als vijand van alles wat mooi en goed is. Onder de wolkendragers bevinden zich de dichters die hem bevechten door middel van het woord, ieder op zijn eigen manier. Dat levert een verzameling aan gedichten op in allerlei varianten en uiterlijke vormen, van prozagedichten tot aan typografische gedichten. Het doet nog het meeste denken aan de werkwijze van Paul van Ostayen, een dichter die door Holvoet-Hanssen gezien wordt als zijn grote voorbeeld. 

    Verzet tegen de Goleman

    De bundel bestaat uit drie afdelingen: bovenstroom, onderstroom en tegenstroom. Het gedicht dat aan de afdelingen vooraf gaat, kondigt het verzet tegen de Goleman al aan in de laatste strofe:

    het totaalmoment kijkt met een derde oog; nu brandt de stad
    in de verte tussen zee en hemel als een een kamertje
    in je hoofd en zo is dit gedicht gedaan, het tilt je op
    fluistert in je oor: ‘laat ons verrijzen als vers brood uit het
    bont geslagen deeg des levens, glippend door de tanden van zes
    hondenuilen want wij zijn van wind en als het lot ons vangt
    vliegeren wij weg’- sta recht, zeg: ‘Goleman, wat heb jij pech
    want jij kent geen voetjes in het zand met uitzicht op het licht’

    (Uit: Trinacria, Vuurtorenstraat)

    Hierna volgen gedichten over Antwerpen, geschreven door leerlingen van een middelbare school, waarin verandering en beweging belangrijke motieven zijn. Vervolgens worden gedichten ‘uit de zeef van een goudzoeker’ afgewisseld met prozafragmenten uit de memoires van een Vlaamse SS-ooorlogsreporter en een bladzijde uit het dagboek van een bemanningslid van een Duitse onderzeeboot. Na een vissersopstand als intermezzo wordt een toneelscene beschreven over een auto-ongeluk met dodelijke afloop, waarbij de ‘snarenraker’ het laatste woord heeft: de dood is niet het einde. 

    Overweldigende verzameling gedichten

    Als de Goleman zelf aan het woord komt, blijkt hij het verlangen te hebben een mens te zijn, ook al weet hij niet wat dat inhoudt en kan hij geen hoogte krijgen van de mensen. De dichter krijgt een opdracht:

    Mensenkind, jij moet schrijven over Amaradja, droomgeliefde smaragd.
    laat je woorden als spreeuwen samentroepen. Tik met je dichter-snavel
    op de taal, de sterren melkwit. Goochelarend, dit moet ik je melden:
    zolang je gedichten maakt die Goleman niet zou kunnen bedenken,
    zolang blijf je in leven. Betreed gebieden die onze meester niet onder
    woorden, niet onder de verzenknie krijgt. Kom vogeltje, chip chip chip.

    (Uit: Logo van het blauwe hekje)

    In de tweede afdeling, onderstroom, zijn vuur en licht de belangrijkste elementen. Ook hier wordt in proza gesproken over de Tweede Wereldoorlog als een dreiging uit het verleden, waarbij Marinus van der Lubbe als wolkendrager opgevoerd wordt. Ook hij kwam in opstand tegen een allesoverheersende Goleman. Als lichtvoetige tegenhanger komen hierna weer de kinderen aan het woord in lyrische gedichten, en ook Orpheus en Eurydice, een zeemeermin, een Tibetaanse lama en Aristophanes worden opgevoerd in de gedichten. De bonte verzameling van allerlei gedichten is overweldigend, de vormen zijn velerlei, van toneeldialogen, prozateksten tot aan lyrische ontboezemingen: als een kolkende stroom overvalt deze bundel de lezer, die moet zien dat hij niet kopje-onder gaat.

    Vaak is niet duidelijk wat het betreffende gedicht te maken heeft met de overige en lijkt het er aan te zijn toegevoegd zonder reden. Overdaad schaadt in dat geval, er wordt voldoende duidelijk gemaakt dat woorden van poëzie en schoonheid elk kwaad in de wereld moeten afweren: ‘[…] Goleman de reus hoort ‘wij zijn van de wind’, ons medicijnlied / krijgt hij niet geplet, het is een koepelrok van sterrenzang / daarom dansen wij de Wolkenmaker, wapenen ons met dit woord / […]’. (Uit: Een amulet uit Onderland

    Avonturenroman

    In de laatste afdeling, tegenstroom, staan voornamelijk bijdragen van dichters als Delphine Lecompte, Tonnus Oosterhoff, Joke van Leeuwen, Peter Holvoet-Hanssen zelf en vele anderen, die het door middel van hun poëzie opnemen tegen de Goleman. De gedichten zijn zo verschillend als hun dichters: sommige beslaan slechts één regel, er wordt gespeeld met typografische kenmerken en er zijn veel verwijzingen te ontdekken naar andere literatuur, met name poëzie, en naar bekende namen. 

    In het gedicht Windvanger, dat puur associatief lijkt te zijn geschreven, wordt de Goleman werkelijk gevaarlijk als hij naar de stad wil oprukken. De afloop van deze aanval wordt niet beschreven, maar er wordt troost geboden in geval de Goleman toch zou winnen:

    WOLKENDRAGER in een weide een witte ezel, die knielt voor mij – waarom

    EZEL voor de appel, windvanger, de appel in jou

    ZOTTE MUS het is poëzie maar ik proef het gif en vind geen troost

    DE APPEL de golem overweldigt ons maar in mij zit mijn kroost
    er zullen altijd pitjes zijn die ertoe doen
    een steen
    kan drie steentjes zijn – de pijn een druppel voor de stroom

    DE PITJES schrijf ons niet af al zijn we klein – in ons vrucht
    de boom

    Deze bundel leest als een avonturenroman, als een sprookje. Er wordt heel wat van de lezer gevraagd, maar wie het waagt zich als een nieuwsgierig kind mee te laten voeren door de tomeloze fantasie van de diverse dichters, zal een ervaring rijker zijn.

     

     

  • Het vangen van levensechte momenten

    De als een alcoholist geleefd hebbende, laat doorgebroken maar niettemin jong gestorven Raymond Carver (1938 – 1988,) geldt als een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van zijn generatie. Die roem leunt vooral op zijn korte verhalen in een stijl waarin geen woord teveel staat, getypeerd als minimalisme of ‘dirty realism’. Met personages die met moeite hun hoofd boven water houden, die gekweld door relatieproblemen, geldzorgen of anderszins, makkelijk naar de drank grijpen. Carvers gedichten, met gelijksoortige thematiek, hebben bij deze ‘short stories’ altijd in de schaduw gestaan. Beide genres kenmerken zich door een prettige mix van helderheid en ondoorgrondelijkheid; sober verwoord maar met een levensechte harteklop. 

    Carver zag zich zichzelf niet als een geboren dichter. Al heeft hij gezegd ermee te kunnen leven indien er ‘dichter’ op zijn grafsteen zou komen te staan. Carver schreef bij vlagen, of alleen proza, of alleen poëzie. Maar zijn schrijverscarrière  begon en eindigde hij met gedichten. Wat in de laatste tien jaar van zijn leven resulteerde in vier bundels, waaronder Where water comes together with other water (1985) en Ultramarine (1986). Het was de periode waarin de drank was afgezworen en zijn leven stabieler werd. Zijn nieuwe levenspartner vanaf 1977 , dichteres Tess Gallagher,  had daarin een wezenlijk aandeel. Tragischer is dan ook dat longkanker hem niet al te lang daar de vruchten van liet plukken.

    De behoefte iets te schrijven 

    Carver schreef gedichten met een kop en een staart en een verhalend middenstuk. In zijn beste gedichten zit leven, een ziel zogezegd. De tweeënzestig door Astrid Staartjes gekozen en vertaalde gedichten worden voorafgegaan door Een kort verhaal over poëzie van Carver zelf. Een autobiografische schets van de jonggetrouwde schrijver die als apothekerskoerier bij een oude man een bestelling aflevert en in diens huis voor het eerst oog in oog komt te staan met een ‘privébibliotheek’. Wachtend op de uitgeschreven cheque van de oude man kijkt hij om zich heen en valt zijn oog op een exemplaar van het tijdschrift Poetry. De man bemerkt de nieuwsgierige blik van de jongeman, die al enige tijd ‘geobsedeerd [was] door de behoefte om iets te schrijven’ en geeft hem het exemplaar met de raadgeving, ‘Misschien schrijf je op een dag zelf nog eens iets. In dat geval moet je weten waar je het naartoe kunt sturen.’ Carver ‘voelde dat er iets gewichtigs plaatsvond (…) alsof ik een openbaring onderging (…).’ 

    Achteloos en genereus lijken de zinnen uit zijn pen te zijn gevloeid. De waarheid is echter dat hij eindeloos schaafde aan zijn werk en niet gauw tevreden was. Voeg daarbij dat hij zijn leven lange tijd niet op orde had en het wordt duidelijk waarom zijn werk pas laat de literaire erkenning kreeg die het verdiende. Hoewel drank altijd een rol speelde, wekken zijn gedichten allerminst de indruk in alcoholische roes te zijn geschreven. De toon is sober, de woordkeuze helder en precies. Transparante taal waarin het moment zo bondig mogelijk gevangen werd, nog knispert van leven. Als in diepvriesgroente die zo snel mogelijk na de oogst wordt ingevroren om de versheid te bewaren. De hand van de schrijver moest zo onzichtbaar mogelijk zijn. Er komt haast een ethische component om de hoek kijken: hij wilde werkelijk binnendringen in het leven van zijn lezers met zijn gedichten over persoonlijke, concrete ervaringen, alledaagse belevenissen en herkenbare situaties. 

    Carvers dichtregels rijmen niet, zijn vaak ongelijk van lengte en kenmerken zich veelal door een ogenschijnlijk willekeurige toepassing van het enjambement. Hij behoort niet tot het soort dat lettergrepen en woorden telt om de regellengte te bepalen. Spaarzaam en secuur met woorden overschrijdt niettemin menig gedicht de paginagrens. Omdat het Engelse origineel niet is afgedrukt, valt het belang van bijvoorbeeld alliteratie in deze gedichten niet goed op waarde te schatten. Maar we mogen aannemen dat Carver in zijn gedichten, mogelijk nog meer dan in zijn proza, zeer begaan was met zijn woorden, de rangschikking ervan en hun onderlinge samenklank. Wat pleit voor de vertaling is dat die niet de indruk wekt voor de eerste de beste oplossing te hebben gekozen om een zin ‘natuurlijk’ te laten lopen. Al lezend komt nergens de gedachte op dat het ‘slechts’ prozaregels zijn die de schijn van poëzie ophouden. Wel is het jammer dat van de gedichten niet wordt vermeld uit welke bundel ze oorspronkelijk komen. 

    Subtiel treffende wendingen

    Met een paar lichte toetsen zit je bij Carver al midden in de tragiek, zoals bij de opening van Citroenlimonade

    ‘Toen hij maanden geleden bij mij langskwam voor het opmeten
    van mijn wanden voor boekenkasten, zag Jim Sears er niet naar uit
    als een man die zijn enige kind zou verliezen aan het hoge water
    van de Elwha.’ 

    Onderhavige tragiek kan zomaar, ondanks de terloopse toon en het schijnbaar willekeurig gekozen enjambement, feilloos toeslaan. Vaak hangt er een suggestieve, ietwat sinistere sfeer over een neutraal ingezet gedicht dat in het slot tot ontlading komt. Zoals in de laatste regels van De keuken: ‘We wachtten allemaal, verwonderd / over de gestamelde lettergrepen, de woorden die bleven hangen / toen het rauwe leed uit mijn jonge mond stroomde.’  Na een wat heen en weer springend middenstuk, daalt haast uit het niets zomaar een avond. ‘We gingen met z’n allen / naar de keuken en schonken onszelf een borrel in. En nog een. / Ongemerkt was de dag in de avond overgegaan.’ Subtiel weet Carver, als een voor de zon trekkend wolkje, de sfeer te treffen van een plots omgeslagen moment.

    Begin en afsluitingen van zijn gedichten lijken haast met nog meer zorg gekozen dan de rest. Het lukt Carver vaak met een waardige, zij het niet opzichtige uitsmijter voor de dag te komen, zoals in een gedicht over een gezinsruzie uit zijn jeugd in een gehorig huis dat eindigt met: ‘ga naar bed daar! schreeuwde iemand. / Kappen nou! En dat deden we. We deden de lichten uit, / klommen in bed en werden stil. Het soort stilte dat neerdaalt in een huis / waar niemand kan slapen.’

    Verraderlijke luchtigheid

    Al met al ligt het sterfelijke vaak op de loer, maar maakt de laconieke toon dat dit beslist niet deprimeert. Eerder dan doem hangt er een verraderlijke luchtigheid over deze gedichten. Meer dan melancholicus was Carver een vitalist, die graag in de vrije natuur mocht vissen. Zo weet hij het genademoment van een overweldigende geluksbeleving levensecht te vangen. Zoals in Voor Tess dat hier in zijn geheel volgt. Een minivertelling gegoten in de vorm van een dramatische monoloog met die zo kenmerkende, uitgekiende balans tussen uitweiden en inkorten. 

    Op de Straat schuimbekt het water,
    zoals ze hier zeggen. Het is ruig weer en ik ben blij
    dat ik binnen zit. Blij dat ik de hele dag heb gevist
    bij Morse Creek, alsmaar mijn hengel uitwerpend
    en weer binnenhalend. Ik heb niks gevangen. Zelfs geen
    enkele keer beetgehad. Maar dat gaf niks. Het was oké!
    Ik had je vaders zakmes bij me en werd een tijdje gevolgd
    door een hond die door zijn baasje Dixie werd genoemd.
    Ik voelde me soms zo gelukkig dat ik moest stoppen
    met vissen. Eén keer ging ik met gesloten ogen op de oever liggen
    en luisterde naar de geluiden van het water
    en naar de wind in de toppen van de bomen. Dezelfde wind
    die door de Straat waait maar ook een andere wind.
    Even stelde ik me zelfs voor dat ik dood was –
    en dat was prima, in ieder geval voor een paar
    minuten, totdat het echt tot me doordrong; dòòd.
    Terwijl ik daar met gesloten ogen lag,
    vlak nadat ik me had voorgesteld hoe het zou zijn
    als ik werkelijk nooit meer op zou staan, dacht ik aan jou.
    Ik opende mijn ogen, kwam meteen overeind
    en ging weer verder met gelukkig zijn.
    Ik ben je dankbaar, weet je. Dat wilde ik je zeggen.’

     

     

  • Puzzelen aan een zondvloedverhaal

    De nieuwe bundel van Mischa Andriessen, Het Drogsyndicaat, kwam min of meer toevallig tot stand. Eigenlijk zou Andriessen een tekst schrijven voor een Belgische theaterproductie, wat door de pandemie niet doorging. Hij besloot vervolgens het onderwerp, het verhaal van de ark van Noach, te gebruiken voor een dichtbundel. De opzet herinnert aan een theatertekst. Voorin staat een lijstje met de ‘dramatis personae’, die de onderwerpen van verschillende gedichten vormen en een eigen stem krijgen. Ook de meeste andere titels als ‘Vloed’, ‘Broom’ of gewoon ‘Het Drogsyndicaat’ keren telkens terug.

    Het drogsyndicaat moet worden gelezen als een geheel en heeft een sterk episch karakter. Andriessen houdt ervan bestaande verhalen en bronnen in zijn gedichten te verwerken. In de verantwoording staat hier een lange opsomming van. Als lezer moet je daar maar net mee bekend zijn, zoals de roman De zondvloed van David Maine of De zondvloedmens van Bert Sliggers. Laat staan dat je de talloze citaten en verwijzingen naar dichters, schrijvers, filosofen en (rock)musici zult herkennen. Andriessen kan trouwens ook zelf in een enkel geval de inspiratiebron niet meer thuisbrengen en schrijft dat er onbewust vast meer invloeden in de bundel zijn geslopen. De vraag rijst in hoeverre deze kennis belangrijk is voor het begrip van de bundel. 

    De reusachtige vogel Ziz

    Dat geldt in ieder geval voor het verhaal van de ark van Noach en de zondvloed. Hiervan zullen lezers zonder religieuze achtergrond maar globaal op de hoogte zijn. Wie weet dat Naäma Noachs vrouw was en Sem, Cham en Jafet zijn zonen? En dat Sem getrouwd was met Ila? Dat Noach zijn middelste zoon Cham wegstuurde nadat deze hem naakt en dronken had aangetroffen? En kent iedereen het verhaal van de reusachtige vogel Ziz, een fabeldier uit de Joodse mythologie? Tijdens het lezen moet je steeds in de bronnen duiken. Pas daarna worden de gedichten begrijpelijk. Andriessen veronderstelt dus te veel als bekend. Hij denkt zelfs dat iedereen The Dream Syndicate kent, een alternatieve rockband uit de jaren tachtig waar de titel op is geënt, al hoef je dat niet per se te weten.

    Als je ‘drogsyndicaat’ in Google intikt, wordt je gevraagd of je misschien ‘drugssyndicaat’ bedoelt. De personages zou je inderdaad als gedrogeerd kunnen zien door Gods bijna onbevattelijke opdracht. ‘Drog’ verwijst ook naar ‘bedrog’ of ‘schijn’. Het is een van de terugkerende titels van de gedichten. De onmenselijke opdracht roept allerlei vragen op. Bijvoorbeeld: waarom worden juist Noach en zijn familie gered? Hoe kan de Almachtige zo wreed zijn al zijn onderdanen te laten verdrinken? Is een nieuw begin wel mogelijk of zal de tot decadentie neigende mens spoedig in zijn oude fouten vervallen en is het nieuwe begin maar schijn?

    Knappe inleving

    Andriessen heeft het verhaal van de zondvloed teruggebracht tot menselijke proporties. In de gedichten staan de onderlinge relaties centraal: vooral die tussen Noach en zijn vrouw Naäma, Noach en zijn middelste zoon Cham en tussen Noachs oudste zoon Sem en diens vrouw Ila, tussen wie ook niet alles koek en ei is en die een kind verwachten. Het is knap hoe Andriessen zich in hen heeft ingeleefd. Hij verplaatst zich zelfs in de ezel, ook een van de terugkerende ‘personages’. De bundel heeft ook luchtige kanten. De ezel blijkt echter een scherpzinnig observator: ‘Tellen is niet je sterkste kant, of denk je zelf van wel? Druk doende was je al de treeplank/binnen te halen toen je me ineens op de kade ontwaarde, ik, die – heel de tijd dat je bezig was – je al bekeken had, zag hoe je uitdrukking veranderde; gradueel je voldoening overging in angst.’

    We lezen wat er in de hoofden van de personages speelt. De opdracht trekt een zware wissel op de relatie tussen Noach en Naäma. Er is veel sprake van onzekerheid en angst en van onderling wantrouwen. Vooral Noachs beslissing Cham weg te sturen zorgt voor tweespalt in zijn huwelijk en grote vertwijfeling bij zowel Noach als Naäma:

    ‘Steeds zag ik de jongen weggaan de wereld weer niets
     Dan water zijn steeds zag ik zijn onbegrip hoorde ik
     Zijn bevreesde kreten en hoe jij in antwoord stil bleef
     Steeds hoorde ik mezen die buiten de jongen zochten
     Hun woonst verlieten telkens terugkeerden om te zien
     Of zij zich het lege nest misschien toch hadden ingebeeld.’

    De personages gaan voor ons leven: ze worden mensen van vlees en bloed. Daardoor kun je de verhalen makkelijk op jezelf betrekken, wat een belangrijk doel van de dichter lijkt. Hoe gaan wij tegenwoordig met mens, plant en dier om? Het antwoord op deze vraag wordt impliciet gelaten, zodat de toon – en dat is een pre – niet moralistisch wordt. Soms spelen de gedichten zich opeens af in het heden, als er gewag wordt gemaakt van een auto, een saxofoon of een sms, of zitten we voor de televisie:

     Het Drogsyndicaat

    ‘Het regent op de eerste dag het regent toevallig
     Op de tweede het regent de derde vierde vijfde dag
     Het regent nog als de maand ten einde is een nieuwe begint
     En als ook die eindigt en het nog altijd regent is het toeval
     Sla de regels van de kansberekening er maar op na
     Zegt de man die voor de camera zijn kraag opslaat
     Zijn doorweekte haar in iets van een model kneedt en verdergaat
     Het mag onwaarschijnlijk zijn maar daarmee is het nog niet onwaar
     In Monaco viel bij roulette de zwarte bal eens zesentwintig keer achter elkaar
     Op zwart hij lacht triomfantelijk als de wind hem in het gezicht zwiept
     Als de kijkers thuis niet druk met het dichtspijkeren van hun ramen zijn
     Die lach door ontelbare druppels op de lens vervormd zien tot een grijns
     Verkouden op hun vingers nog eens natellen hoelang de regen nou wel niet’

    Het karakter van dromen 

    De opzet van de bundel is nadrukkelijk niet chronologisch. Het eerste gedicht heet ‘Omega’, de laatste letter in het Griekse alfabet, het laatste gedicht ‘Alfa’, de eerste. Daartussen loopt alles door elkaar, waardoor je als lezer regelmatig de kluts kwijtraakt. Ook is het niet altijd duidelijk wie er met de persoonlijk voornaamwoorden worden bedoeld. Poëzie mag uiteraard de hersenen aan het werk zetten, maar je bent in deze bundel wel erg vaak aan het puzzelen. De gedachtespinsels hebben het karakter van dromen. Er wordt in de gedichten veel geslapen. Idyllen staan tegenover de rauwe werkelijkheid. Men vraagt zich af wat beter was, de tijd voor of na de zondvloed. Noach en Naäma keren in gedachten regelmatig terug naar het begin van hun leven, toen alles nog pais en vree was. Het volgende beeld staat in schel contrast met de zondvloed: ‘De houten kuip zou op het tuinpad staan / En onbeschaamd lieten zij hun kleren neer / Stapten na elkaar in het water warm en klam / Zagen ze de zachte golven die ze maakten / Wegebben tot nauwelijks nog een rimpeling’ 

    De bundel bevat vooral lange gedichten met verhalende regels vol omkeringen en ellipsen. Doordat interpunctie veelal ontbreekt en de regels doorlopen (terwijl de regel met een hoofdletter begint) moet je deze vaak herlezen, wat wel eens gaat irriteren. De beeldspraak is weinig spitsvondig, schaars en ondergeschikt aan het verhaal. De dichter schetst soms mooie beelden, met treffende details: 

    ‘Met een ruige dos haar slepende tred en eeuwig slaap
     In de wimpers kwam van buiten een jongen de stad in
     Liep regelrecht door naar de fontein en nam daar plaats
     Op de stenen rand stond hij met geheven handen stil
     Tot hij in het bekken dook water wild over de kanten spatte
     Telkens als hij sprong tot het plein rondom blank stond
     Hij bloedend op de bodem van de springbron lag nu zacht
     Tegen de toegestroomde menigte sprak en zo zal het zijn’

    Een boom voor elk kind

    Het vele gebruik van tautologieën en van archaïsche woorden, zoals ‘zwadder’, ‘fezelen’ en ‘wepel’ (‘het wepele laken’), dragen bij aan de oudtestamentische sfeer, hoewel je die woorden ook weer moet opzoeken. Door de vele herhaling wordt Het Drogsyndicaat op den duur wat langdradig: wanneer er voor de zoveelste keer gemijmerd wordt over Chams terugkeer, of Naäma weer eens bedenkt hoezeer het gedrag van haar man is veranderd. Ook moet je thema’s als huwelijksgeluk en vaderschap maar interessant vinden. In de verantwoording lezen we dat Andriessens eigen vaderschap een belangrijke motivatie was. Centraal in de bundel staat het beeld van Noach die een boom plant voor zijn zoon. In de verantwoording lezen we dat ook Andriessen hoopt een boom te planten voor zijn twee zonen, iets aan hen na te laten. 

    Het Drogsyndicaat is een interessant en gedurfd experiment, maar als dichtbundel minder  geslaagd. Andriessen toont weliswaar een groot inlevingsvermogen, maar houdt te weinig rekening met de lezer, die in dit op bijbelse leest geschoeide relatiedrama, alle draadjes aan elkaar moet knopen. Misschien kan de tekst alsnog, met enige omwerkingen, op de planken worden gebracht. Met de vuige rock van The Dream Syndicate als soundtrack. 

     

     

  • Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Bitter, scherp, confronterend, krachtig. Dit zijn de kwalificaties die zich opdringen aan wie Chinatown leest, de nieuwe gedichtenbundel van Ronelda S. Kamfer. Het is de vierde bundel die in Nederland verschijnt van deze dichteres. Alle vier zijn ze uitgevoerd in twee talen: het Afrikaans en het Nederlands. En voor alle vier de bundels verzorgde dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer de Nederlandse vertaling. 

    Ronelda Sonnet Kamfer werd geboren in Kaapstad in 1981. Volgens de flaptekst van het boek wordt zij gezien als ‘de meest vooraanstaande Zuid-Afrikaanse dichter van haar generatie’. De gedichten in deze bundel – vrije verzen, zonder rijm of metrum – vertonen verschillen en overeenkomsten. Ze verschillen bijvoorbeeld zeer in lengte, van drie regels tot twee volle pagina’s. Qua thematiek is er de eenheid der familieverbanden. In veel gedichten figureert een vader, een moeder, een zus, een oma, een neefje, een kind. En verder lopen deze gedichten over van ellende: geweld, verkrachting, racisme, onverschilligheid en dood, weinig poëtische onderwerpen. Toch is er in het huis van de poëzie ook voor dit soort gedichten een kamer. 

    ‘hou vol
     doe niet zo ontzettend je best
     om te lachen
     doe het licht uit
     doe de gordijnen dicht
     denk slechte gedachten
     hou vol’

    Bezwerend en woedend

    Het lijkt erop dat Ronelda Kamfer met haar gedichten probeert te bezweren wat haar raakt, verontrust, kwetst en woedend maakt. En waar ruimte is voor kracht, hoop op nieuwe kansen, komt ook zoiets als triomf om de hoek – gelaten weliswaar, maar toch. 

    ‘meire
     ik leer mijn kind bendetekens met haar flashcards
     zij leert het ABC van white supremacy
     samen met haar bedtijdritueel
     ik was haar haren met salie
     en leer haar over haar voorouders
     ik leer haar over vuur en over oorlog en ik leer haar
     hoe je precies genoeg eten kookt

     ik ben de moeder die ik niet heb gehad
     zij is het kind dat mijn moeder nooit heeft gekregen’

    Soms zijn de gedichten ronduit gewelddadig, wat een toch al sluimerend gevoel van ongemak bij het lezen van deze gedichten nog eens versterkt. 

    ‘[…]
     en ik geef nog minder om een vrouw die
     tijdens de apartheid mooie gedichten schreef
     mijn literaire helden winnen geen belangrijke prijzen
     ik ben nooit iemands bazin of mevrouw geweest
     mijn gedichten zijn niet voor feministen
     mijn gedichten zijn voor de vrouwen in de keuken
     mijn gedichten zijn voor zwarte en bruine jochies
     in een klas vol witte kinderen
     ik ben het kind van de werkster en nu ben ik groot
     ik ruil mijn moeders as voor kruit
     voor de volgende generatie
     opdat die gewapend kan zijn
     jullie schieten ons niet nog eens in de rug
     terwijl wij angstig wegrennen’  

    Bijzondere poëzie

    Naast deze bijzondere poëzie, die ongepolijst getuigt van een barre Zuid-Afrikaanse realiteit, biedt deze bundel in poëtisch opzicht minstens twee extra’s. In de eerste plaats zijn naast de Nederlandse vertalingen de originele gedichten in het Afrikaans afgedrukt. Omdat deze taal veel verwantschap vertoont met het Nederlands is het voor lezers in ons taalgebied een buitenkans om kennis te kunnen maken met de gedichten van Ronelda S. Kamfer in hun oorspronkelijke vorm en klank. 

    ‘safe word stopwoord’

     soms kyk ek                     soms kijk ik
     in die spieël                     in de spiegel
     dan sien ek myself         dan zie ik mezelf
     daar waar ek vir dood   daar waar ik voor dood
    agtergelaat is                   ben achtergelaten’

    Dat de Nederlandse vertalingen van Kamfers gedichten zijn gemaakt door een gelauwerd dichter als Alfred Schaffer is een extra bonus. Schaffer is de ideale gegadigde voor deze vertaling. Hijzelf is immers ook opgegroeid ‘tussen twee vaderlanden’, in zijn geval Nederland en Aruba, met een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader is ook hij vertrouwd met het concept van de gemengde culturele identiteit. Bovendien woont en werkt Schaffer een groot deel van het jaar in Zuid-Afrika, waardoor hij de gedichten van Ronelda S. Kamfer met meer dan gemiddelde kennis van zaken tegemoet kan treden.

    Gedichten die een verhaal vertellen dat doorgaans wordt vertolkt via kranten, nieuwssites en  actualiteitenprogramma’s op tv. Een verhaal dat weinig goed nieuws bevat – en dat in de enorme veelheid van slecht en slechter nieuws van over de gehele wereld makkelijk verloren gaat. De vorm van dit verhaal in de gedichten van Ronelda S. Kamfer heeft verbluffende zeggingskracht en indringende pregnantie en klinkt daarom opvallend nieuw en anders. Het verdient alleen al daarom te worden gehoord.