• Er is een touw om je nek

    Poëzierecensie door

    Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.

    Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.

    9200000036183455De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:

    Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
    ik ben het geraamte van mijn broer,
    die gisteren is dood gegaan;
    de dood staat altijd op de loer.

    De dood staat altijd op de loer
    en met hem zeven zonden,
    die mij wel slepen naar de hel
    als zij mij vinden konden.

    Maar ik sta illegaal op straat
    te wachten in de regen,
    te wachten tot mijn zonden gaan,
    maar straks zijn het er negen.

    Ik durf mijn huis niet in te gaan;
    de dood staat altijd op de loer;
    ik sta in de regen op de straat
    in het geraamte van mijn broer
    .

    Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’

    Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.

    Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):

    Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.

    Een / boom / is geen taal.

    Een / getekende boom / is taal.

    Een / bijl maakt hout / van de boom.

    Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.

    Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.

    Een / bijl / maakt hout / van de boom.

    Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.

    Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.

    Zo / is hout / de taal / van het huis.

    Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.

    Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.

    Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:

    Wat
    geeft dat toch
    een angstig gevoel
    van vrede
    als vader
    zijn bijl slijpt.

    Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’,  het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:

    Misschien
    kom ik morgen
    bij u
    met een bijl.

    Maar
    schrikt u niet
    want ik
    ben god.

    Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.


    Lunchpauzegedichten
    en Roofbloem

    Jan Arends

    Blz.: 67
    Prijs: € 12,50
    Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski

     

  • Onscherp beeld op onscherp beeld

    Dylan Thomas (1914-1953) is nog altijd een grote naam in de poëziewereld, hoewel die positie wel ter discussie staat. In Groot-Brittannië is zijn werk populair onder een grote groep lezers, terwijl onder critici zowel grote liefhebbers als haters te vinden zijn. Vreemd is Thomas’ populariteit echter niet, want zijn poëzie lijkt met een vrij klassiek beeld van poëzie te corresponderen. De gedichten zijn muzikaal, het rijm is duidelijk maar dringt zich niet op, en de gedichten zitten vol beelden.

    Thomas is geen vreemde naam voor veel Nederlandse lezers, en daarom is het vreemd dat er niet eerder zo’n selectie van zijn gedichten naar het Nederlands is vertaald. Hugo Claus vertaalde Thomas’ toneelstuk Under Milk Wood en ook zijn er bundels korte verhalen in vertaling verschenen, maar een keuze uit zijn poëzie nog niet. Thomas zou vorig jaar honderd zijn geworden, en toen was het blijkbaar pas tijd voor een bloemlezing. Die uitgave, Gedichten, maakt duidelijk waarom er zo’n verdeeldheid van meningen is ontstaan.

    Eigenlijk was Thomas niet eens zo heel diep van binnen gewoon een ouderwetse dichter, een romanticus die ook aan het surrealisme heeft gesnuffeld. Zijn pathos en gezwollen toon kunnen bij sommigen allergische reacties oproepen, en door anderen weer als de charmes van zijn werk ervaren worden. Er zit echter een vermoeiende kant aan Thomas’ dichterschap: zijn neiging om onscherp beeld op onscherp beeld te stapelen, waardoor er een druk, maar behoorlijk wazig tafereel ontstaat. In een paar regels gaat het bijvoorbeeld van loden sterren en een regenhamer naar hagelpijl en kindersneeuw; het doet allemaal nogal vergezocht aan.

    Gedichten is een degelijke, tweetalige uitgave, met een korte, maar prima inleiding en beknopte aantekeningen achterin. Vergeleken met de voorbeeldige uitgave als Honderd gedichten (Paul Verlaine, vertaald door Peter Verstegen) is de context bij Thomas’ werk nogal mager. Er is immers genoeg (Engelstalige) literatuur over zijn poëzie verschenen.  De selectie compenseert dat gebrek enigszins: de bekendste gedichten (zo’n beetje elk gedicht van Thomas dat in bloemlezingen uit de moderne Engelse poëzie staat is aanwezig) staan in de bundel, aangevuld met een ruime selectie aan onbekender werk. Maar waar het nog meer om gaat is of de vertaling goed is.

    Vertaler Cornelis Schoneveld laat zien dat hij prima kan vertalen. Hij demonstreert bijvoorbeeld een fijne flexibiliteit in zijn vertaling van het welbekende ‘Do not go gentle in that good night’. Schoneveld maakt bijvoorbeeld van de meervoudige subjecten in het origineel (o.a. ‘wise men’, ‘wild men’) enkelvoudige onderwerpen (‘de wijze’, ‘de wilde’). Daardoor kan hij van de refreinregels afwisselend gebiedende wijs en een zin in derde persoon enkelvoud maken: ‘Scheld/scheldt scheld/scheldt tegen het licht dat het sterven wacht.’

    Die creativiteit maakt het des te vervelender dat samenstellingen geregeld los van elkaar geschreven worden. Een ‘handmade moon’ bijvoorbeeld wordt een ‘handwerk maan’ en niet gewoon een ‘handwerkmaan’, terwijl bijvoorbeeld ‘lover’s tomb’ wel ‘minnaarsgraf’ wordt. De her en der foutief gespelde samenstellingen zijn niet alleen slordig, maar maakt de vertaling soms ook lastig te volgen. ‘haar hout-getongde deugden / [k]abbelen als ’n klinkboei boven elk psalmzang hoofd’ is bijvoorbeeld een vreemde passage, en niet zozeer door de neologismen, maar vanwege die laatste twee woorden. In de originele tekst blijkt ‘psalmzang hoofd’, ‘hymning heads’ te zijn. Het Thomasiaanse ‘psalmzanghoofd’ zou de correcte spelling zijn geweest. ‘Laat ik je iets dichten van het raven kwaad’ is ook weer zo’n vreemde, schijnbaar a-grammaticale zin. ‘raven kwaad’ blijkt ‘raven’s sins’ te zijn. Had er dan ‘ravenkwaad’ van gemaakt. In zulke gevallen moet je de originele tekst erbij pakken om te snappen wat er nu eigenlijk in de vertaling staat, en dat zou niet nodig moeten zijn. Zulke storende spelfouten staan helaas te vaak in de bundel.

    Gedichten is een redelijke introductie tot het werk van Dylan Thomas’. De contextualisering van de gedichten en verdere toelichting komen er redelijk bekaaid af, en dat is bij een dichter met zo’n status toch een gemiste kans. Bovendien zouden wat meer aantekeningen achterin misschien wat meer begrip kunnen kweken voor deze vaak overvolle, maar onscherpe gedichten. Gedichten maakt namelijk niet duidelijk waarom Dylan Thomas de grote dichter zou zijn die hij schijnt te zijn en waarom heel poëzieminnend Nederland kennis met hem zou moeten maken.

     

    Gedichten

    Dylan Thomas
    Gekozen en vertaald door Cornelis W. Schoneveld.
    Blz.: 160
    Prijs: € 19.95
    Uitgeverij Prominent

  • Sporenreeks: ‘Oorbellen, buiken en eenzaamheid’ en ‘Rampensuites’

    Plaatsbepalingen

     

    In de Sporenreeks van uitgeverij Perdu verschijnt hedendaagse experimentele poëzie in vertaling. Een mooi initiatief, en vorig jaar verschenen de eerste twee uitgaven in deze reeks: Oorbellen, buiken en eenzaamheid en Rampensuites.

    Oorbellen, buiken en eenzaamheid bevat de tweede en derde gedichtenbundel van Doina Ioanid (1968). In beide bundels kiest ze consequent voor de vorm van het prozagedicht. Ze verkent vooral thema’s als het lichaam, vrouwelijkheid en uiterlijke opsmuk. Die onderwerpen kruisen elkaar ook geregeld:

    Het is al middag en al mijn inspanningen waren tevergeefs. In plaats van je aan te kijken met de zekerheid van een perfect opgemaakte jongedame, je aan te kijken door het gordijn van mascara als een moderne Salome, je aan te lonken als een Turkse vrouw met mooi gepenseelde wenkbrauwen, ben ik er enkel in geslaagd mijn ogen rood te wenen. Alsjeblieft, lach me daarom nog niet uit.

    Geregeld probeert de verteller haar plaats in de wereld te vinden, en grip te krijgen op haar vrouwelijkheid. Soms komt ze verraderlijk luchtig en ironisch over: ‘En even tussen neus en lippen door gezegd, je weet niet eens hoe je naaldhakken moet dragen.’ Die jij-vorm is verraderlijk: de verteller spreekt zichzelf toe, maar tegelijkertijd splitst ze zichzelf op: ‘Daarvandaan wenkt me een oude vrouw. […] Komaan, neem je krukje en kom bij me zitten, we zullen als twee bemoste houtblokken zijn.’ Het ongemakkelijkste is nog wel dat die andere vrouw de verteller is zoals ze is, en de ‘ik’ daarom het beeld is dat de ‘ik’ van zichzelf heeft. Mis opvattingen hebben het zelf overgenomen, en zijn zo het zelf geworden.

    Een van de opvallendste aspecten van Ioanids gedichten is dat ze regelmatig erg gewelddadig zijn, zonder dat ze anime-achtige hakfestijnen worden waar ledematen in het rond vliegen. Het geweld is eerder ingehouden en misschien daarom zo verontrustend: ‘Met gewette nagels (ze lijken speciaal daarvoor gemaakt) haal ik je uit elkaar […] Mijn nagels graven gulzig, maar het schors van je gezicht herstelt zich altijd weer.

    Dat Ioanid als experimenteel dichter wordt gezien is overigens opvallend. Ze zoekt de grenzen op tussen droom en werkelijkheid, maar dat is een van de populairste procedés in de rijke traditie van het prozagedicht, én in ‘gewone’ poëzie. Daar staat tegenover dat de thematiek over wat nu vrouwelijkheid bepaalt, wel fris en nieuw aanvoelt. Dat geeft het licht-surreële waar prozagedichten nu eenmaal een neiging tot lijken te hebben, meer gewicht en dat voorkomt vrijblijvendheid.

    index Rampensuites van Rob Halpern is de interessantste bundel van de eerste ronde Sporenreeksuitgaves, kun je nagaan, Ioanid was al de moeite van het lezen waard. Zowel de gedichten zelf als de vertaling zijn een bescheiden tour de force. Lees zeker het nawoord van vertalers Frank Keizer en Samuel Vriezen. Die gaan in op de bijzondere manier waarop Halpern zijn woorden steeds meerdere betekenissen meegeeft, en over de mogelijkheden en problemen van het vertalen van die elasticiteit. Wat dat betreft is het zonde dat Rampensuites geen tweetalige uitgave is geworden; ik had graag de Engelse gedichten naast de vertalingen gezien.

    Aan de andere kant: alleen de vertalingen presenteren legt net wat sterker de nadruk op de prestatie die Keizer en Vriezen geleverd hebben. Ze zetten een vitale poëzie neer vol verbazingwekkende constructies, zinsafbraken en dubbele bodems. Neem bijvoorbeeld deze strofes:

    Maar ik wil gewoon deel zijn van de oplossing –
    Al heb ik nooit geleerd hoe
    Ik mijn schoonheid kan uitbuiten op die ene manier

    Waarop je mij uitbijten laat om met mijn eigen
    Zelf bezig te zijn met alle leven
    -de delen van wat we horen wat we zeggen

    Door de regel af te breken bínnen het woord ‘levende’, wordt ‘leven’ nog eens extra benadrukt, maar er ontstaat bovendien een andere lezing: ‘met alle leven‘ kan ook gelezen worden als ‘met al het leven’. En dat lees je in eerste instantie ook, totdat blijkt dat de regel zo verraderlijk af is gebroken. Tegelijkertijd blijft die aanvankelijke lezing door echoën; al het leven bestaat blijkbaar uit delen van iets groters. En alsof die fascinerende regelafbraak nog niet genoeg is: ‘Zelf bezig zijn met alle leven‘ kan op zichzelf gelezen worden als een losse zin, die niets te maken heeft met de vorige regel. Zo ontstaat er in een minimale ruimte veel (mogelijke) betekenis.

    Ook inhoudelijk is Rampensuites fascinerend. De directe aanleiding voor het schrijven van de gedichten was de orkaan Katrina, die een enorme ravage aanrichtte in New Orleans. Tegelijkertijd dienen de rampen en het rampzalige uit de bundel in breder perspectief te worden gezien: de Amerikaanse politieke situatie. Te midden van die chaos moet er een richting gezocht worden. De verteller in de bundel is bezig met zijn plaats te bepalen in een omgeving na een natuurramp, en doet dat in relatie tot aspecten als het lichaam, de natuur en de politiek. Die thema’s buitelen over elkaar heen en raken in elkaar verstrikt, met dank aan Halperns meerduidige grammaticale constructies die soms strofes lang doorgaan.

    Experimenteel in nauwere zin is Halperns poëzie niet, maar wel origineel en vernieuwend. Als zijn werk als experiment begonnen is, dan hebben de resultaten de tijd gekregen om uit te kristalliseren. Rampensuites is uitstekend voer voor lezers die zich in een bundel vast willen bijten en alles uit willen pluizen, maar voor degenen die er minder uitvoerig mee bezig willen zijn, is deze poëzie bij eerste lezing al verbazingwekkend en knap genoeg.

     

    Oorbellen, buiken en eenzaamheid
    Doina Ioanid

    Deel I uit de Sporenreeks
    Vertaald en van nawoord voorzien door Jan Mysjkin
    96 bladzijden € 17,50
    Uitgegeven in 2013


    Rampensuites

    Rob Halpern

    Deel II uit de Sporenreeks
    Vertaling en nawoord door Frank Keizer en Samuel Vriezen
    96 bladzijden € 17,50
    Uitgegeven in 2013

    De Sporenreeks wordt uitgegeven door Perdu

     

  • Postuum debuteren

    Soms kun je niet om de persoon achter een literair werk heen. Hoe fijn zou het wellicht zijn om Ademgebed te lezen zonder het drama dat aan de publicatie vooraf ging: Martijn Teerlinck overleed vorig jaar op 26-jarige leeftijd aan de complicaties na een operatie. Teerlinck had het syndroom van Marfan en had daardoor een broze gezondheid. Het is dan ook verleidelijk om Ademgebed vanuit die persoonlijke achtergrond te lezen en te interpreteren.
    In de besprekingen in Het Parool en het Noordhollands Dagblad leek Teerlincks levensverhaal een iets te sterke context voor interpretatie te zijn. Dieuwertje Mertens (Parool) had het in haar recensie bijvoorbeeld over ‘de treffende beelden waarmee hij zijn ziekte beschrijft’ en ‘het is alsof hij door te dichten zijn ziekte, zijn lijf, het leven, probeert te bezweren’. Het is een begrijpelijke lezing die deels hout snijdt (lichamelijke aftakeling is een thema in de bundel), maar tegelijkertijd is er sprake van een eenzijdige interpretatie: Teerlincks thematiek is breder dan alleen zijn ziekte.

    Ademgebed doet geregeld aan het werk van Paul Celan denken, die in de inleiding ook als een van Teerlincks helden wordt vermeld. Dat zit vaak in de beknoptheid van de gedichten en hun ogenschijnlijke geslotenheid. Een andere overeenkomst met Celan is Teerlincks gebruik van neologismen. Die zijn niet altijd even snel te plaatsen: zo heeft hij het over ‘mozeswolken’, ‘metafoorinslag’ en ‘isaäkblauw’. Een opvallende nieuwvorming is ‘slagadertempel’, dat met het syndroom van Marfan in verband gebracht kán worden; een van de kenmerken van het syndroom is het geleidelijk verwijden van de aorta, en die verwijding kan een scheur tot gevolg hebben. In dat licht lijkt ‘slagadertempel’ misschien naar (een besef van) eindigheid te verwijzen, maar deze nieuwvorming leest in de eerste plaats als een verering van het leven. De tempel als metafoor voor het lichaam is namelijk zeker niet ongebruikelijk. Vanuit dat beeld is het een kleine stap naar verering, en vanaf verering naar viering.

    De thematiek in  Ademgebed wordt zeker niet uitsluitend door verval en eindigheid beheerst. De bundel gaat meer nog over verheffing, vooral getuige de laatste afdeling ‘mozeswolken’. In deze afdeling duikt een aantal keer het woord ‘hosanne’ op: er wordt gevierd, er wordt contact gelegd met God. Het woord ‘mozeswolken’ wijst daar al op: in het Bijbelboek Exodus beklimt Mozes de berg Sinaï en bereikt zo de wolk waarin God huist. In die wolk is Mozes nabij God en ontvangt hij bovendien de Tien Geboden. Zie daar in het kort al een oerverbinding tussen taal, heiligheid en een handleiding voor het leven. Teerlinck verwoordt die combinatie als volgt: ‘vanuit de mozeswolk / bereikte mij / het toevluchts-/ woord // ochtend // daarin hervond ik jou‘.

    In een paar woorden weet Teerlinck zo verschillend mogelijke interpretaties en associaties op te roepen. Het hier, grammaticaal ambigue ‘ochtend’ bijvoorbeeld, is intrigerend: is het woord ‘ochtend’ nu dat toevluchtswoord of niet? In elk geval roept ‘ochtend’ direct een associatie op met opnieuw beginnen, een nieuwe start (zie ook ‘hervond’). Eén van de intrigerendste aspecten van Ademgebed is het afwisselend beroep doen op complexere intertekstualiteit en op beelden of woorden die directe, bijna primaire associaties oproepen. Hoewel de gedichten meestal vrij in zichzelf besloten lijken te zijn, zijn er meestal wel aanknopingspunten te vinden om ze wat verder open te breken.

    Naast de openheid van de gedichten valt ook hun muzikaliteit op. Vooral als je de gedichten hardop voorleest valt het ritme op dat ze aan je eigen voorlezen opleggen, en ook de subtiele klankrijkdom springt in het oor. Die elementen zorgen voor een zekere onweerstaanbaarheid die uitnodigt om de niet altijd even goed doordringbare poëzie te blijven lezen. Hetzelfde geldt voor de soms verbazingwekkende woordafbrekingen: naast het al eerder genoemde ’toevluchts-/woord’ duiken ook onder meer ‘na-/vel’ en ‘horizon-/taal’ op. Zo los aangehaald neigen ze misschien naar het woordspelerige, maar binnen de gedichten hebben ze een hoog ‘wauw, hoe doet hij dat toch?’-gehalte.

    Teerlincks poëzie is tegelijkertijd cerebraal en bijna oergevoelachtig. Ademgebed wordt daardoor een intrigerende bundel, waarin op het eerste gezicht lastige, gesloten poëzie toch opvallend fris en open blijkt te zijn.

     

  • Een koor van ikken

    Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was verscheen in januari van dit jaar. Nu, in oktober, mag er gesteld worden dat dit poëziedebuut van Jeroen van Rooij (1979) op weinig aandacht in de pers heeft mogen rekenen. Dat is zonde, want Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was heeft de kwaliteit om menig lezer een hele tijd bezig te houden.

    Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was is om meerdere redenen een bijzondere bundel. Allereerst hebben de gedichten iets ontzettend moderns, of zoals het op de achterkant van de bundel treffend wordt verwoord: ‘reeks gedichten waarin de indruk ontstaat dat iemand het internet door elkaar heeft geschud en vervolgens ondersteboven heeft gehouden boven een stapel papier.’ De typering is raak (en dat zijn echt niet alle flapteksten). Van Rooijs poëzie is fragmentarisch, alsof ze opgebouwd is uit allerlei waarnemingen, gebeurtenissen en feiten die in het moderne informatietijdperk ontzettend snel op ons afkomen. Het doet wat denken aan een uitspraak die de Amerikaanse dichter John Ashbery (1927) ooit deed: ‘I don’t find any direct statements in life. My poetry imitates or reproduces the way knowledge or awareness come to me, which is by fits and starts and by indirection. I don’t think poetry arranged in neat patterns would reflect that situation. My poetry is disjunct, but then so is life.’

    Het indringende aan de eerste afdeling, ‘Niemand had er enig idee van’ geheten, is dat die  niet alleen fragmentarisch is, maar tegelijkertijd ook hecht. De vaak relatief korte gedichten sluiten vaak op elkaar aan. Ook loopt er een intrigerend lijntje door deze afdeling, bijna als een soort running gag. Een aantal Wikipediaeske gedichten zijn gewijd aan standbeelden: ‘Een van de vroegste standbeelden / is dat in Sandunsky, Ohio, Verenigde Staten. // Het originele zinken standbeeld / werd in 1876 door / een vooraanstaand lokaal koppel / meneer en mevrouw Larson-Pleasant / uit Duitsland meegebracht.’

    Standbeelden lijken niet het belangrijkste leitmotiv van ‘Niemand had er enig idee van’ te zijn, maar Henriette Lacks, die verschillende keren in de gedichten opduikt. Op Wikipedia vinden we het volgende over haar: ‘Henrietta Lacks 18 augustus 1920 – 4 oktober 1951) was een Afro-Amerikaanse vrouw die aan de basis lag van de HeLa-cellijn. Terwijl ze aan baarmoederhalskanker leed, werden zonder haar medeweten cellen van deze kanker in cultuur gebracht. Kort nadien zou ze aan deze kanker overlijden. De HeLa-cellijn wordt nog steeds wereldwijd gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.’ Door de prominente aanwezigheid van Lacks beginnen in de gedichten thema’s en motieven als het lichaam, onderzoek plegen en documentatie op te vallen. Lacks duikt zelfs een keer op als Henrietta Lakes [sic], in het gedicht ‘De dag dat ik Henrietta Lakes genas’, alsof er sprake is van een alternatieve realiteit waarin ze wel genezen wordt.

    Vanaf Lacks is het een kleine sprong naar het postmoderne idee van betekenisuitzaaiingen in  literaire teksten. Het veelvuldig terugkeren van bepaalde thema’s en motieven, waardoor die elementen steeds verder aan kracht verliezen, alsof ze als het ware verdund zijn. In Van Rooijs bundel komen bepaalde thema’s steeds terug, maar op een manier die sluitende betekenis daaraan geven lastig maakt. Er ontstaat een wildgroei van aanknopingspunten voor interpretatie, en die aanknopingspunten spreken elkaar geregeld tegen. Een goed voorbeeld van die uitzaaiingen is het tweede deel van de bundel, u raadt het al, ‘Wat er aan de hand was’. Dit is een intrigerend lang gedicht dat opgebouwd is als een lijst van herinneringen, die steeds met ‘Ik herinner me’ beginnen.

    Deze herinneringen blijken echter niet van één persoon afkomstig te zijn, maar van een koor van ‘ikken’. Er duiken bijvoorbeeld veel herinneringen aan popmuziek op, van Neil Young tot James Holden. Zouden die muziekliefhebbers dezelfde persoon zijn, en zo ja, wat zou dat voor de lezing van het gedicht betekenen? Maar er duikt ook de herinnering op van iemand die naar Fleet Foxes luisterde tijdens de eerste chemo. Zou die ‘ik’ een anachronistische Henriette Lacks zijn die in onze tijd naar een hedendaagse band luistert? In elk geval keren belangrijke thema’s uit de eerste helft van de bundel weer terug: het lichaam (‘Ik herinner me Ursula en mijn stijve lul‘), ziekte (‘Ik herinner me de Buck-affaire in 1990, het was de tijd dat ik me bezig hield met hiv en aids.‘) en documentatie (het overzicht aan herinneringen zelf). Het beste werkt het om ‘Wat er aan de hand was’ in één keer te lezen en het bombardement van informatie te ondergaan, inderdaad zoals dat in de moderne samenleving gebeurt. Het rare is dat we aan dat laatste gewend zijn geraakt, maar gelukkig herinnert het sterke Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was eraan dat onze grip op de fragmentarische wereld om ons heen helemaal niet zo vanzelfsprekend is.

     

  • Situaties waar je niet omheen kunt

    Wie Wim Brands’ vorige dichtbundels heeft gelezen, zal verrast worden door ’s Middags zwem ik in de Noordzee. Enerzijds doen de stijl en toon vertrouwd aan. Anderzijds verschilt deze achtste bundel op diverse vlakken van zijn directe voorganger Neem me mee, zei de hond (2010). Niet dat er een aardverschuiving heeft plaatsgevonden, maar Brands’ gedichten zijn opener geworden, minder mysterieus. Realisme verdringt steeds meer het licht-surreële uit eerder werk. Situaties zoals die met de giraffe uit Ruimtevaart (2005) zijn nu echt verleden tijd. (‘De giraffe komt van Neptunus. / Hij daalde af op een lange, / snelle roltrap. / De giraffe kan goed dansen.‘)

    Even een flashback naar 2010: in dat jaar verscheen de bundel waarin Brands’ stijl een kwalitatief hoogtepunt bereikt. In Neem me mee, zei de hond staan anekdotische gedichten in perfect heldere taal, maar ze zijn alsnog mysterieus. Een hond spreekt iemand toe. Het blijkt dat je engelen door de telefoon kunt horen. De compactheid versterkt het mysterieuze van de gedichten: je kon een idee krijgen van de behandelde abstractere thema’s als het stadsleven of de dood, maar de beschreven situaties bleven verrassend en intrigerend, ook bij herlezing:

    Sinds vanochtend weet ik dat engelen soms verdwijnen.
    Mijn beschermengel was laat. Ik zat al in de bus toen ik hem
    pas zag, ineengedoken op de schouder van een oude man.
    Ik ga dadelijk, zei hij, bij de volgende halte ga ik. Ik mocht je.
    Ik jou ook – en ik keek ongelovig en haalde mijn schouders op:
    waarom?
    Omdat je te veel hebt gereisd, zei hij, en ik altijd volgde;
    Weet je hoeveel kilometers het naar de maan is?
    Als engelen dat aantal hebben gevlogen verdwijnen ze.
    (Uit: Neem me mee, zei de hond)

    In ’s Middags zwem ik in de Noordzee zitten geen engelen of pratende honden. Bovendien bevat de bundel gedichten van soms anderhalve pagina lang. En ook niet geheel onbelangrijk: de gedichten laten zich makkelijker duiden. Ze zijn opener geworden in de zin van: je kunt er beter vat op krijgen. De bundel begint met een gedicht dat nog wel anekdotische aspecten bevat, maar tegelijkertijd opmerkelijk lyrischer is:

    In de eerste nacht nadat ik had
    gehoord dat je ziek was
    schrok ik wakker.

    Het waaide buiten. Het waait, zei
    jij, die nog geen oog dicht had
    gedaan, en je glimlachte.

    Ik begreep het pas later.

    Wat er ook is, het zal de natuur
    een zorg zijn.

    Het waait, het waaide – buiten klonk
    de troost van de onverschilligheid.

    Hoewel er genoeg te genieten valt in ’s Middags zwem ik in de Noordzee, is de bundel toch ook wat onevenwichtig. Dat zit vooral in de afsluitende gedichten, die geschreven werden bij eenzame uitvaarten. Dat zit hem ook eigenlijk wel in het karakter van het soort gedicht. Van de overledene is vaak namelijk weinig bekend, en wat moet je over zo iemand schrijven? Brands’ gedichten worden er wat gisserig door. De ‘ik’, in wie het heel gemakkelijk de dichter tijdens een eenzame uitvaart herkend kan worden, probeert zich een voorstelling van het leven van de overledene te vormen. Dat doet de ‘ik’ door in vragende vorm veronderstellingen te doen over de overledene. Zo vraagt hij zich af of Jan Willemse nog vaak met zijn dochter belde:

    Spraken jullie elkaar nog, soms, heb je weleens opgehangen
    nadat zij haar naam had genoemd?
    Of deed zij dat, na het horen van de jouwe, of alleen je adem?

    Op zich fraaie regels, en de wetenschap dat dit een gedicht bij een eenzame uitvaart is suggereert een nog ongemakkelijkere relatie tussen vader en dochter, maar de trefzekerheid gaat enigszins verloren. In een ander gedicht staan regels als ‘Wanneer sprak u voor het laatst iemand? Hoe vaak deed u / boodschappen. Wat zei u in de winkels, wachtte u soms te lang // omdat u verlegen om een gesprek anderen voor liet gaan?‘ Zulke onzekerheden zijn opties, mogelijkheden, terwijl Brands juist op zijn best is als hij pats-boem situaties neerzet waar je eigenlijk niet aan kunt ontkomen.

    Evenwel staan er nog genoeg situaties in ’s Middags zwem ik in de Noordzee waar je niet omheen kunt. Een hoogtepunt is het aangrijpende vadergedicht, waarin Brands persoonlijker is dan ooit. Vanuit een opsomming van hoe vaak zijn vader iets heeft gebroken en welke lichaamsdelen precies, ontvouwt zich een ontroerend portret met dito slot:

    Hij grijnsde toen hij verderging met
    wat hij opeens bleek te
    bedenken:

    het bakken van een ei. Hij brak
    de schaal en gooide een klont boter
    op het ei.

    Ik zie ons weer staan:
    Ik die het niet kon laten om hem te
    wijzen op de verkeerde volgorde,

    hij met een gezicht waarop een lach
    doorbrak die ik niet kon
    thuisbrengen:

    een te oude dooier die in de plan
    glijdt
    .

    Dat persoonlijke geeft Brands’ poëzie net dat beetje meer gewicht dan zijn minimysteriën. Ook in andere gedichten, zoals in het eerder geciteerde openingsgedicht, laat hij de lezer dichterbij komen. Niet op het niveau dat de ‘ik’ per se de dichter zelf is, maar zoals gezegd, deze gedichten voelen persoonlijker aan dan ooit.

    Hoewel niet elke ontwikkeling in Brands’ poëzie uitgekristalliseerd aanvoelt, is ’s Middags zwem ik in de Noordzee over de gehele linie vertrouwd sterk, en tegelijkertijd verrassend. Brands blijft zich duidelijk ontwikkelen, terwijl hij al goed dertig jaar meedraait. Dat maakt je wel weer nieuwsgierig naar zijn volgende worp.

     

     

  • Voorbije liefde en ongeschonden verwondering

    Recensie door Albert Verweij

    Judith Herzberg, van wie haar tachtigste verjaardag in november passeert, is als dichteres al ruim een halve eeuw actief. Haar werk behoeft  nauwelijks introductie, want het grote publiek  raakte al snel in de ban van haar. Niet veel later werd ze overladen met de grootste literaire prijzen die in ons taalgebied te vergeven zijn.

    Het begon ermee dat zij de ‘dochter was van Abel Herzberg’, van lieverlee werd hij ‘de vader van Judith Herzberg’. Met Vasalis en Kopland kon ze wedijveren om wie het vaakst over de toonbank ging. Maar in een tijdsgewricht waarin de Winkler Prins volledig overschaduwd wordt door Wikipedia, beslaan de digitale lemma’s van dit drietal bij elkaar nog niet de helft van de hoeveelheid tekst die voor de linksback van Ajax is ingeruimd. Die weinige woorden zullen haar echter een rotzorg zijn. Aan een half woord heeft niet enkel een goede verstaander genoeg, een scherp waarnemer als Herzberg kan ook met luttel toe. Eentje die begrijpt dat schrappen scherpt. Speelsheid en nuchterheid strijden bij haar om voorrang. Haar gedichten claimen geen onvergankelijke wijsheden, maar stoelen op alledaagse inzichten. Haar habitat is het schijnbaar gewone, dat wat met ons optrekt en  onscheidbaar lijkt van wat ons onopgemerkt achterlaat. Maar daarmee is buiten de bijzondere opmerkingsgave van Judith Herzberg gerekend. Haar ontgaat het immers niet dat ‘sperzieboontjes’ iets weg hebben van ‘dolfijnensnuitjes’. Zij heeft de schijnbewegingen van het alledaagse in de smiezen.

    Het frisse, het spontane bloeit onder haar goedgekozen en vakkundig geschikte woorden eerder op dan dat het wordt verstikt. Haar oeuvre lang heeft Herzberg naast meerstrofige, ook veel korte gedichten geschreven. Versjes van de korte baan. Met die korte stukjes staat haar nieuwste bundel vol. Een derde van de bundel is nieuw, de rest werd geoogst uit eerder werk, tezamen gebracht tot het pretentieloze aantal 111 om onder de nieuwe soortnaam Hopla’s voort te leven. Opdat ze niet zouden ondergaan in een te grote bladspiegel zijn deze ultra kleine gedichtjes – de kortste telt zes woorden – in passend klein oblong formaat uitgegeven. Het zijn mozaïekjes van melodieuze spreektaal, soms rijmend, maar meestal niet. Een enkele heeft zelfs iets heerlijk ongerijmds:
    Man
    Niet: met wie is zij ontrouw
    maar aan wie. Dus heb ik een vrouw.
    Mijn huis is niet mooi,
    maar het is wel lelijk.

    Een greep uit de zaken die worden aangeroerd: het wrange van  over het ons omringende, de melancholie van afscheid nemen, het ongemak van op leeftijd komen en het achterblijven van de dingen in ons verlangen naar logica als in het gedicht:
    Hé?
    We hebben ze van zij
    we hebben we van wij
    we hebben je en jij
    we hebben me en mij.

    Waar is de he van hij?

    Herzberg heet toegankelijk te zijn, wat in haar geval niet betekent dat iedere hopla hapklaar verklaarbaar is:
    Al gezegd
    Droom ik zeg het hoeft niet meer

    moeder dood het hoeft niet meer
    zij zegt dat heb je al gezegd dat
    heb je al gezegd dat heb je al gezegd.

    Bij iemand die raak en kritisch observeert, is het geen wonder dat hier en daar een wond wordt opengekrabd:
    Leeftocht
    Het krantenflard
    dat bijna in de oudpapierbak
    was beland betreft het plastic
    dat in één zeeschildpadden-
    maag was opgehoopt.

    Tekenend voor haar is dat de maatschappijkritiek niet zuur wordt opgediend, maar in een treffend beeld gegoten. Al schrijnt de wond er niet minder om. Niet iedere hopla is even memorabel als bijvoorbeeld die waarmee de bundel besluit:
    People
    People die
    and leave me

    Sommige ontstijgen nauwelijks het niveau van de scheurkalender:
    Vraag
    Hoe is dat zo gekomen
    van altijd komen slapen
    tot nooit meer willen zien.

    Maar de bundel is rijk genoeg gevuld om even snel te stuiten op een hopla die vrolijk stemt:
    Radio, 14 juli 2013
    Een koe viel van een heuvel
    op zijn dak.
    Zo kwam hij aan zijn eind.
    ‘Zijn vrouw die naast hem
    lag kwam met de schrik vrij.

     

     

  • Ondertussen in Rusland

    In mijn nieuwsoverzicht op facebook was Alles is slecht  een tijdje een geregeld opduikend gespreksonderwerp, vooral in updates van dichters rond Perdu (Poëzietheater in Amsterdam). Uit die berichtgeving ontstond er een beeld van Medvedev als een soort cultfiguur met opvallende ideeën over auteurschap. Ga maar na: er werd meerdere keren melding gemaakt van de intrigerende tekst die op de titelpagina van Alles is slecht staat: ‘Uitgegeven zonder toestemming van de auteur’. Medvedev legt dat zelf al uit in één van zijn essays: omdat het literaire klimaat in Rusland door en door verziekt zou zijn door allerlei politieke machten, heeft hij afstand genomen van de literaire wereld. Daarbij gaf hij zijn copyright op en daarom is het mogelijk dat er voor Alles is slecht (bestaande uit een selectie van gedichten, essays en verslagen van protestacties) geen toestemming nodig was om te verschijnen.

    In zijn essays schetst Medvedev een beeld van het moderne Rusland, en vooral van de relatie tussen politiek en cultuur. Zo gaat hij in op een uitspraak van Bertolt Brecht (ook een zeer politiek geëngageerd literator): ‘wie in de kunst neutraal is [steunt] de heersende partij’. Brecht (en Medvedev met hem), roept op tot actief een standpunt in te nemen. Vrijwel alles in Alles is slecht is dan ook doordrongen van politiek. Eerlijk is eerlijk: de essays zijn wat aan de droge kant. Ze zijn niet zelden vrij lang, behandelen veel (deel)onderwerpen en lijken ook enige voorkennis van het hedendaagse Rusland te vereisen om ze geheel te kunnen begrijpen. Ze zijn evenwel sterker dan de niet al te interessante ‘acties’, korte verslagen van door Medvedev ondernomen protestacties.

    Medvedevs gedichten verschillen eigenlijk niet eens zo erg van zijn essays: ook de gedichten meanderen een aantal pagina’s lang door en zijn strek politiek gericht. Tegelijkertijd is Medvedevs poëzie gewoon léuker, door haar praterige, prozaïsche karakter en prettige humor. In Rusland schijnt deze poëzie slecht ontvangen te zijn, als er al erkend werd dat Medvedeves poëzie daadwerkelijk poëzie is. In één van de beste gedichten in Alles is slecht, vindt de verteller een potje goedkope sprotpaté. Daarna gaat deze ‘ik’ de rest van de producten van de supermarkt inspecteren: ’terwijl ik / met zorg / en piëteit / ieder product onderzocht / en me overgaf aan de lectuur / van de geraffineerde benamingen van die prachtig verpakte etenswaren, / soms deden die mijn hoofd duizelen / (er was bijvoorbeeld een product / met de naam / ‘twee regenboogforellen’)’

    Deze aandoenlijke verbazing geeft de supermarkt bijna iets sprookjesachtigs. Even lijkt Medvedevs engagement verdwenen te zijn, waardoor het slot van het gedicht nog harder aankomt: ´toen ik op straat stond […] drong het tot me door hoe vaak / mijn afschuw / voor de grimas van de consumptiemaatschappij / omslaat in sentimentaliteit’.
    Ook wie aanvankelijk wantrouwend zou staan tegenover de prozaïsche toon, moet erkennen dat een gedicht als dit knap in elkaar zit. (Toch gek dat er Russen zijn die dat niet zien.)

    Het fijne van Alles is slecht is dat de samenstellers voor teksten hebben gekozen die Medvedevs ideeënwereld over cultuur en politiek oproepen. Hoewel in de gedichten ook duidelijk stelling wordt ingenomen en statements worden gemaakt, vormen de essays en ‘acties’ een verdere context waarin gevente ideeën functioneren. (Hierbij moet de kanttekening geplaatst worden dat geenszins gesteld wordt dat de gedichten belangrijker zijn dan de prozateksten in de bundel, maar als poëzierecensent ligt de nadruk voor mij op de gedichten.) Het is vanaf het opgeven van het copyright bijvoorbeeld maar een kleine stap naar het gedicht over vertalen. Misschien verklaart de inhoud van dat gedicht al het bestaansrecht van deze vertaalde pirateneditie van Alles is slecht. (Naar het schijnt heeft Medvedev er overigens ook geen bezwaar tegen om zijn vertalers tips te geven, hoewel hij geen toestemming heeft gegeven voor de vertalingen.)

    Over zijn vertaalwerk schrijft Medvedev: ‘vertalen is volgens mij / alleen de moeite waard / als je volledig kunt versmelten met de schrijver / onder iedere regel / je eigen naam plaatsen / zijn schreeuw / opvangen en versterken / dat had ik bijvoorbeeld / bij het vertalen van / een amerikaan / een zekere charles bukowski / […] /toen ik de gedichten van charles bukowski /aan het vertalen was / dacht ik / dat ik de allerbeste poëzie schreef / die er toen in rusland geschreven werd’

    Alleen de prominente enscenering in Rusland herinnert er aan dat Alles is slecht een vertaling is. Dat is slechts een detail, want eigenlijk is dit gewoon een Nederlands boek. De laconieke, praterige toon van de gedichten doet namelijk volledig natuurlijk aan, alsof er een Nederlander, die in Rusland heeft gewoond, tegen je aan het praten is in een café. Die Nederlander is Pieter Boulogne, die de gedichten en essays vertaalde van een Rus, een zekere Kirill Medvedev. Er kan gezegd worden dat Boulogne een mooi boek heeft geschreven: Alles is slecht. Boulognes essays zijn prima, maar vooral zijn poëzie is sterk.

     

  • Conceptualistisch en cerebraal onthechten

    De jij-vorm is eigenlijk maar vreemd. ‘Ik’ is één persoon, ‘hij’ en ‘zij’ ook, daar bestaat geen twijfel over, maar ‘je’ en ‘jij’ zorgen voor onoverzichtelijke situaties. Deze twee woorden geven normaliter een begrensd gesprek aan: er is een jij en er is een ik. Voetballers bijvoorbeeld praten echter graag over zichzelf in de jij-vorm: ‘je gaat op de goal af en denkt niet na, maar schiet.’ Als er in het gedicht het woord ‘je’ valt, wordt daar niet zelden de lezer zelf mee aangesproken. Al in het eerste gedicht van In de ogen van de god duikt er een strofe in de je-vorm op:

    je bestaat
    je houdt het jouwe uit
    je sleept de onverkwikkelijke lengte
    van je verblijf achteloos de kombuis
    van je taalregister binnen

    Wordt hier iemand toegesproken of spreekt iemand zichzelf toe? Is die iemand de lezer? Deze jij-vorm komt in een groot deel van de gedichten terug en neigt de ene keer naar iemand die in zichzelf praat, en de andere keer naar iemand die toegesproken wordt.

    Al vrij snel komt er een prominent onthechtingsthema in de bundel naar voren. Niet zelden krijgt dat thema een (quasi-)religieuze lading. Aan het slot van de bundel bijvoorbeeld kijkt de ‘je-persoon’ (bij gebrek aan een betere uitdrukking) zijn onthechte en goddelijk geworden zelf in de ogen: wie de zelfonthulling / in de ogen van de god / weerspiegeld heeft gekregen.

    Die onthechting is bij vlagen indrukwekkend. Bovendien is het niet lastig om grip te krijgen op de gedichten. Daarnaast laat Van der Waal zien dat hij oog en oor heeft voor muzikaliteit; lees zijn poëzie eens hardop voor en let op de subtiele assonanties. Toch ontbreekt er voor mijn gevoel iets aan In de ogen van de god.

    Dat lichte gevoel van gemis heeft te maken met een gebrek aan concreetheid. Hoewel Van der Waals gedichten zeker niet beeld(spraak)vrij zijn, blijven ze toch vrij abstract. Dat heeft ook te maken met de duidelijk conceptualistische insteek van de bundel die opgebouwd is uit een aantal reeksen van steeds drie gedichten. Daarnaast is het onthechtingsthema erg prominent aanwezig. Niet zelden komen de gedichten daarom over als ideeën die met een paar beelden aangekleed zijn. Ter illustratie:

    Als je er je vinger op legt
    is het niet
    of je dat nu
    zacht of plots
    ruw of traag

    niettemin

    de pijn
    aan je oorsprong
    laat je zijn wie je bent
    is de lier
    die de licht steekt in je tijd

    dus als je keert en spreekt
    en wijst en grijpt
    verdwijnt het als ooit
    liefde in de dood

    maar vergis je niet

    juist in dat wijken
    ontrolt zich
    het wekken van je wezen

    Dit gedicht stipt kort thema’s als identiteit en vergankelijkheid aan en krijgt vervolgens een visueel en auditief (let op de alliteraties en assonanties) versierd jasje aan, maar de ideeën in deze tekst liggen vrij open en bloot in zicht. Dat is geregeld het geval in deze bundel. Iemand als Paul Bogaert, aan wiens werk In de ogen van de god meer dan eens doet denken, is ook een dichter met een ideeënwereld, maar die wordt vaak in een vorm gegoten die daar goed bij aansluit. Als Bogaert over ontpersoonlijking schrijft, gaat hij over op science fiction- of reclameachtig taalgebruik. In de ogen van de god is qua vorm minder spannend: de taal spettert nu eenmaal minder.

    In de ogen van de god bevat ook twee reeksen waarin van die ongedefinieerde jij-vorm en schijnbaar ook van het onthechtingsconcept afgeweken wordt: Stabat mater en Loopgraaf. Bij de eerste lezing vond ik beide reeksen uit de toon vallen bij de rest van de bundel en bij de tweede keer lezen vond ik ze een welkome afwisseling. Ze zijn namelijk aanzienlijk concreter dan de rest van de bundel.

    In Stabat mater wordt weliswaar iemand als ‘je’ aangesproken, maar deze persoon is identificeerbaar als een ‘medebewoner van deze verrommelde / vierkante kilometer stad’. Zijn dementerende moeder heeft een ‘verdunde geest’. In Loopgraaf wordt een groepje jonge soldaten tijdens de Grote Oorlog gevolgd. Ze worden aangesproken als ‘jullie’: terwijl gifgas / jullie longen smoorde en jullie gek van / angst in geul of krater een laatste adem / persten uit jullie verwrongen mond. In beide reeksen duikt dus ook een onthechting op, gedwongen door dementie en de mensonterende omstandigheden in de loopgraven. Deze reeksen passen daarom goed in het concept van de bundel en werken de achterliggende ideeënwereld op een concrete, invoelbare manier uit.

    In de ogen van de god is bij vlagen indrukwekkend, maar even vaak net iets te koel; de ideeën krijgen geregeld voorrang op het esthetische in deze poëzie en dat maakt haar vaak erg cerebraal. Henk van der Waal heeft een uitstekende bundel geschreven, maar tegelijkertijd is het ook poëzie waarmee je moeite zult hebben deze in je hart te sluiten.

     

     

     

  • Onopgeloste huiselijke zaken

    In de bundel Altijd een raam van Sylvie Marie gebeurt alles binnenshuis. De bundel is opgesplitst in twee delen: Binnenskamers en Buitenshuis. Twee aparte gedichten fungeren als opening en slot. Maar zelfs in de gedichten van het deel Buitenshuis gebeurt alles binnen.

    De gedichten gaan voornamelijk over ik, jij en wij, maar de ik, jij en wij van de dichter kunnen ook net zo goed ik, jij en wij zelf zijn. Zo verbindt de dichter ons met haarzelf en betrekt ze de lezer bij haar huiselijke beslommeringen. De op het eerste gezicht persoonlijke gedichten graven diep in de ziel en leggen herkenbare gevoelens bloot. Terwijl ze het over een tafel, de slaapkamer, etensresten en tegels heeft, opent ze de ramen en neemt haar huis mee naar buiten. Jammer genoeg missen de gedichten zonneschijn en een frisse wind die de gedichten kleurt en laat groeien. Ze laat de wereld niet binnen in haar gedichten, want binnen is het vol van onopgeloste huiselijke zaken, zoals uit de meeste gedichten blijkt. Huiselijk of niet, ze raken wel en ze raken diep:

    welkom in onze flat
    dit huis heeft kelder noch zolder, niemand
    die naar boven of benden
    vlucht, we verzamelen

    ons aan tafel om er steevast
    te zitten, oog in oog, tand op tand.

    wat op het blad wacht, staat er om te verteren.

    en neen, er is geen hond
    om stiekem restjes aan te schuiven.

    Marie durft in haar poëzie de confrontatie met zichzelf aan te gaan en met de weemoed die in iedere regel huist, durft ze zichzelf uit te lachen, te troosten en weer verder te gaan:

    smaak
    in het begin waren we eindeloos
    op elkaar en onder
    in het donker een dag niet meer om het lijf
    dan het nemen en eten ervan.

    we dansten als stenen
    posturen op de rand van een kast, zo
    halsoverkop ons van geen val bewust.

    vandaag houden we ons kranig,
    als ik thuiskom van het werk
    en je bent er en hebt gekookt,
    dan zeg ik dat het lekker is.

    Sylvie Marie benoemt geen gevoelens in haar gedichten, ze beschrijft ze. Ze laat de lezer het verdriet, de pijn en teleurstelling tussen de woorden door meebeleven.  Maar de weemoed raakt niet diep, duurt niet lang. Ze is als een veertje dat je raakt en weer loslaat:
    en zeg niet dat zulke zaken naderhand beter worden / we zijn geen wijn, (blz.39).

    Omdat ze gemakkelijk om haar pijn lacht en er de spot mee drijft, wordt de pijn in haar gedichten speels en af en toe zelfs heel simpel: omdat je op tongen geen pleisters plakt / voor kussen op knieën een paard te groot bent, (blz. 20).

    Bijna alle gedichten in Altijd een raam zullen het goed doen tijdens een korte voordracht. De luisteraar kan er zijn eigen verhaal in herkennen. De helderheid en humor van de dichter zijn te waarderen. Maar wanneer meer gedichten achter elkaar gelezen worden, wordt het eentonig. De gedichten lijken dan opeens heel erg op elkaar en de herhaling van gevoelens doet de prachtige vondsten in de bundel tekort. Waar de intieme en huiselijke gevoelens tot herkenbaarheid oproepen, zorgen ze op een gegeven moment voor een herhaling van hetgeen al eerder is gezegd. Na telkens woorden als koffie, bed, huis, kamer, porselein, vader, daver, zolder en kelder tegen te zijn gekomen, is de koek op. De verrassing flitst weg en de lezer krijgt een gevoel van: dit heb ik al gehoord! Maar dat heeft de dichter vast niet zo bedoeld, zoals ze dat zelf mooi verwoordt: we kwamen niet verder dan de woorden van een dichter / die vast iets anders had willen zeggen (blz. 14).

    Sylvie Marie laat in deze bundel de ramen open, maar moet nog de durf tonen om weg te vliegen, het avontuur in, de wereld onder de loep nemen en zich niet opsluiten in binnenskamerse lotgevallen. Want een scherpe blik voor details, een sterke zelfspot en een speelse toon bezit ze zeker!

    ik wil daar iets over zeggen, maar je rent voortdurend weg.
    als ik je achterna ga, spelen regendruppels om het eerst vallen
    en heb je verbetenheid als een capuchon over je hoofd getrokken.

     

    Recensie door Nafiss Nia

     

  • Laura van der Haar heeft patent op nieuwe woorden

    Recensie door Albert Verweij

    De Nederlandse kampioen Poetry Slam 2013, Laura van der Haar (1982), debuteerde onlangs met de bundel Bodemdrang. Van podium naar papier, van gehoord naar gelezen worden. De gedichten moeten het opeens zonder voordracht stellen, maar krijgen er een bladspiegel voor in de plaats. Wat voor het oor niet telt, kan in het oog lopen. Zo leest men in deze bundel hoofdletter noch punt aan respectievelijk begin en einde van een zin. Wel zijn voor het gemak de regels in strofen gegroepeerd en blijken de veertig gedichten in dit debuut voorbeeldig in drie afdelingen gerangschikt.

    Voor de archeologe die deze laureaat ook is, zal het begrip ‘bodemdrang’ wellicht een andere betekenis hebben dan voor iemand die zijn vraatzucht niet beteugelen kan zodra een zak chips open gaat. Hoewel de bodemdrang van deze dichteres niet al te breed wordt uitgemeten, wordt de titel wel eer aangedaan door de frequentie waarmee aan bodem, grond en zoden wordt gerefereerd en er van een zeker verlangen in de grond op te gaan sprake lijkt te zijn. Zo leest men van een ‘plek om te zinken’, wordt er ‘grond’ gezocht ‘om in weg te zakken’ en ‘is de diepte te sterk / de bodem is zo zwak / slokt het mij op’. Een van de afdelingen heet dan ook veelzeggend verlanden. Hoewel Van der Haar met haar debuut geenszins een luchtige entree heeft willen maken, wordt in haar ‘bodemdrang’ niet echt diepe lagen aangeboord. Dankzij haar bij vlagen sterke, zeer eigenzinnige beeldspraak voert een aangename frisheid de boventoon in deze gedichten.

    Van der Haar heeft een patent op nieuwe woorden en past ze met groot gemak toe in haar gedichten. Zo krijgt de lezer woorden als ‘woestijnhielen’, ‘grasnachten’, ‘dierenzweet’ en ‘draaimolenwind’ over zich heen. Woorden die goed bekken en prettig lezen. Gevoegd bij metaforen van het kaliber ‘de man duwt aan de ochtend’ of ‘een veranda lang geleden’ dragen ze ertoe bij dat de zinnen knisperen en er ruimte vrijkomt ‘voor het trillen van de dag erboven / voor het neerwaartse van vliegen’. Het aanvliegen van een zwerm opgejaagde, dolle vogels typeert ze als ‘een heel groots naderen, daarboven // zoals wanneer ze bij je in bad stappen en dan / het verschil met wanneer ze bij je in zee stappen/ bij deze vogels stapt iemand in bad / ze klotsen haast over de rand’. De speelse lef die uit dit soort zinnen spreekt, dwingt af dat men dergelijke zinnen graag het voordeel van de twijfel gunt en men zich niet bekreunt om de vraag wat er nu eigenlijk precies mee wordt bedoeld. Dit soort regels rechtvaardigen de blurb (‘regels die spankracht hebben’) van collega-dichter Mustafa Stitou zonder meer. Maar niet iedere zin dwingt een dergelijk mild oordeel af. De regels uit een ander gedicht ‘het is inmiddels geen badwater meer / het daalt hij moet bewegen, drinken / is slechts het omgekeerde van dat niet doen’ zijn te geconstrueerd om makkelijk te verteren. En bij het lezen van ‘[we] klommen in hekken / braken doormidden tot we volmondig kozen en spijt kregen’ zal het adjectief ‘volmondig’ de lezer een frons kunnen ontlokken. En wie zal beamen dat ‘als je verliefd bent (…) alles / altijd / heel erg’ is? Ieder bewijs voor die stelling blijft in het vers achterwege.

    Op gemakzuchtige sfeertekening zul je haar niet gauw betrappen. ‘Op de achtergrond’ mag ‘het centrifugeren van een wasmachine’ hoorbaar zijn, terwijl elders in de bundel nog respectievelijk een koelkast en een hond mogen aanslaan, tegenover zulke inzak momenten staan in deze bundel grotere pluspunten, zoals in de vorm van een heel gedicht:

    afzadelen

    bleke ingenieurs van geheugenplaatsen
    rochelen gelaten en weten vast
    hoe ze buitenboord moeten slapen

    drinken de dag uit hun glazen
    hangen lappig in hun stoel, vragen
    of hun hoofd even open mag

    ze snuiven krampachtig, likken
    hard geworden vachten
    hangen een beetje de dood uit

    ze raspen de korst van hun wonden
    liegen sluitingstijden en in reflecties
    staat er nog altijd iemand achter ze

    Dit gedicht etaleert ten volle Van der Haars lovenswaardige eigenschap om voor de hand liggende beelden uit de weg te gaan. De woorden ‘rochelen’ een associatieve reeks van beelden op waarboven een onbestemde dreiging hangt. Het geheel mag tamelijk vaag blijven – iedere volgende strofe werpt wel een nieuwe vraag op – , suggestief is het er niet minder om. En dat er een groepje, onbehouwen kerels ‘lappig’ (ook zo’n aardig woord!) ‘een beetje de dood’ uithangt is een beeld dat graag beklijft. Van der Haar heeft goed begrepen dat een net niet te volgen gedicht zoveel plezieriger leest dan een voorspelbaar gedicht. Ze heeft een goede hand van het skippen van informatie, om in plaats daarvan de ene associatie op de andere te stapelen. Zo kan het missen van iemand tot een mistglans leiden: ‘iemand missen kan de vale gloed zijn / die boven steden hangt // mistglans van verkeersaders’. Met een paar scherpe pennenstreken tekent ze een heel perspectief: ‘alleen wolkenrafels langs weinig maan / een snelle veeg lipstick/woestijnhielen’. Maar die kunst van het weglaten is bij het vijf maal achterelkaar noemen van ‘fuck’ in het gedicht roezen overduidelijk niet toegepast. Maar goed, Laura van der Haar is een podiumdichteres, en vijf keer ‘fuck’ klinkt natuurlijk best geinig. Het oor wil tenslotte ook wat. Daar staat tegenover dat als twee mensen in één slaapzak belanden, er niet als een dolle tekeer wordt gegaan. Men leest slechts: ‘ik moest maar bij jou in bed blijven / tot mijn benen weer behaard waren’. De typisch dichterlijke neiging zich te richten op wat er niet meer is of weldra niet meer zal zijn is Van der Haar niet vreemd: ‘en binnenkort / komt hoe dan ook het moment / dat alleen de plek die je zojuist verlaten hebt / nog warm is’.

    In haar gedichten worden niet de bloemetjes in de avondval liefelijk dicht gekust. Hier geen ‘knisperpaden, smoelzoete zomervakanties’. Hier wordt uit een ander vaatje getapt:  ‘alleen het blauw van dichtgeknepen ogen / is dat geen fijne kleur voor de natuur’. We hebben hier te maken met een stoere vrouw, die het er ruig aan toe kan laten gaan: ‘wat ik zou willen hebben: een baksteensnijder’. Hier spreekt iemand die erbij zou willen zijn als ze na haar dood haar hoofd ‘recht doormidden snijden/ rats door het gezicht (…) om te zien met wat voor mes / en of iemand dan mijn hals vasthoudt / of dat die misschien al weg is, mijn hals // en wat ze daar precies mee doen’.

    In de gedichten die een terugblik bieden op een vredig beleefd verleden in een landelijke omgeving van eigen maat en eigen grens, is de toon anders. Er klinkt iets van heimwee in door: ‘toen leek alles dichterbij, logisch bij elkaar’ en ‘ooit was er iemand die een vlek uit je shirt haalde / even je schouders kneedde’. Het fijne zomeravondgevoel van vroeger wordt mooi getekend met: ‘die avond waarop het lekker rook / zomaar / wat vroeger tussen de beschoeiing door / een klein, open station / de slootkant / trage wind en dunne haartjes op je benen’. Maar sentimentaliteit krijgt bij deze dichteres geen kans wortel te schieten.

    Dit debuut kent naast flair, genoeg eigenzinnigheid en weerbarstigheid om het te loven. Waar opent elders een gedicht met: ‘brommertje, zegt ze / je doet me aan een brommertje denken / aan een kale weg langs helmgras / aan vechtsport, nieuwe vuilniszak’? Een belegen woordkeuze kan haar niet verweten worden, wel dat ze nogal springerig te werk gaat, want de volgende strofe vervolgt met: ‘hij ritst haar bij in zijn deken / wil een letter zeggen, troostend’. Dat typeert haar poëzie: voor een beeldspraak geheel wordt afgeserveerd, springt het al over op een volgend beeld, en voor je het weet worden er drie of meer ballen in de lucht gehouden. In de daaropvolgende strofen verandert het beeld weer: ‘vandaag was hier een circus / ze wijst rechtuit het donker in, naar / vochtig stro, dierenzweet // naar de verte, de smiecht / die braak lag waar een ogenblik / de zon hing, groot rood bungelend // heeft zij er zand gezogen / een lange zucht, omgekeerd / heeft zij er braak gelegen // hij strijkt haar wang recht / haar jurkje, strijkt / is alle letters kwijt’. Dit is geen poëzie waarin alles op zijn pootjes terechtkomt. Goed, die letter uit het begin keert aan het einde terug. Met die ‘troost’ komt het ook wel goed, maar van dat brommertje wordt verder niets meer vernomen. Jammer misschien, maar het tekent ook de sterke kant van deze debutante. Die van de verrassende, scherpe penseelstreken waarmee ze een beeld in één keer neerzet.

    Het is dat Van der Haar zich zelf verre van ieder cliché houdt, anders zou men kunnen eindigen met: dit debuut doet ons uitkijken naar haar volgende bundel…

     

     

  • Het Liegend Konijn – Alle malen zal ik wenen

    Het Liegend Konijn, waarvan elke editie tot nu toe, in wisselende kleur uitgave en standaard ontwerp verscheen, draagt voor het eerst in de twaalf jaar dat het onder het bezielende redacteurschap van Jozef Deleu verschijnt, een thema. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat op 28 juli 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Voor Deleu aanleiding om het themanummer ‘Oorlog’ samen te stellen met de titel, Alle malen zal ik wenen, een citaat uit Leo Vromans (1915-2014) meest geciteerde gedicht Vrede.

    Zal dit nummer dan uitsluitend ‘niet eerder gepubliceerd werk’, van dichters bevatten die ‘het’ nog hebben meegemaakt (of op zijn minst in naoorlogse jaren zijn geboren) en waarvan nu de nagebleven gedichten boven water zijn gekomen?  Want wat zouden hedendaagse dichters over dit thema te melden hebben? Oorlog is, voor wie op Nederlandstalig grondgebied leeft, een ‘ver van mijn bed show’. Vluchten, om het vege lijf te redden is er niet meer bij. We leven, zoals Arno Van Vlierberghe stelt (met Lieke Marsman jongste dichters in deze editie) het leven van nu, waarin ‘niet doodgaan’ als hoogste doel wordt gesteld. Maar ook deze editie bevat uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, gemaakt op verzoek van Deleu .

    Het was enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog dat de filosoof en kunstcriticus Theodor Adorno (1903-1969) stelde dat het barbaars was om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven. Niet dat hij hiermee beweerde dat er nooit meer poëzie bedreven kon worden. Hij doelde vooral op het feit dat naoorlogse dichters geen lichtzinnige maar vooral geen onschuldige poëzie meer kunnen schrijven.

    Dat was ook wat er te voelen was in het pakket dat door de post bezorgt werd, de zwaarte van een onvergankelijk thema dat schuld en boete in zich draagt. Het paste niet door de brievenbus en de postbode overhandigde het, als was het een flinke homp (desem)brood. Honderdentwaalf dichters schreven samen 383 gedichten, geïnspireerd op de Groote oorlog.  De opdracht is met een  zeer groot inlevingsvermogen uitgevoerd en toont een grijs palet aan aangrijpend leed, berekenende overlevingskunst en een  ondergaan van het lot. Laten we maar gelijk met de deur in huis vallen met de drieluik Geen ding, van Eva Gerlach (1948). Waarin het leven tot op het bot is terug gebracht, ontdaan van emoties en de mens verworden tot een ‘ding’. Waarin het enige dierbare een wapen is, gekoesterd als een geliefde.

    ‘Geen ding / 1//Toen iedereen dood was begon ik voor mezelf / met mijn AK 47 mijn broertje van staal, //niemand komt me hier wassen en kammen en ik hoef voor niemand / meer hout te halen, alles komt van de soldaten // die van me houden omdat ik geluk breng en goed / kan mikken met de granaten // Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont / en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken, // (…) // Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast / op mijn schouder waar hij kan slapen (…)

    2 // Iemand vraagt om water, ik heb geen water./ Iemand heeft het koud ook al heeft ze het warm. / Ze lag naast me dood te gaan maar ze leeft nog, ik wilde/ maar dat ze dood was. (…) ze wil het gordijn dicht / maar er is geen gordijn. Ze doet haar ogen dicht voor / de zon die niet schijnt, ze telt alle vogels / die er niet zijn, ze doet hun geluid na, ik hoor het / ik hoor hun lippen trillen in de nacht.

    3 // In de kelder hield ik mijn zusje op schoot. Ze was / pas vier. Ik legde mijn handen over haar oren / zodat ze de harde klappen niet zou horen / (…) Toen we buiten kwamen en alles kapot was en overal armen en benen / huilde ze niet ze zei niets ze verstopte zich / (…) toen kwamen de mannen toen werd het / zo dat de dingen ons niet meer kenden. Geen ding. / (…)’

    Divers zijn de invalshoeken. Zelfmoordaanslagen als deel van een oorlog die nogal eenzijdig gestreden wordt. Bernard Wesseling (1978) dichtte daarover: ‘Dus dit is zijn optrekje, hier helemaal boven. Gezellig is anders. / En kijk, pamfletten boven zijn bed. Goed , bands, maar toch. (…) Wat stopt hij nou in zijn jas? En waarom gaat hij nu zitten? / Hand omhoog als je denkt aan een afscheidsbrief!’ En dan zijn er de games, waarbij men van het doden niet genoeg kan krijgen en Astrid Lampe inspireerde tot de volgend strofe: ‘(…) Nog wordt hier zwartnacht / de muur van papier / en speelt de gameverslaafde / mijnenvegertje’.

    En soms is de geschiedenis zichzelf al genoeg zoals voor Frans Budé, die schreef over het verwonde hoofd van Guillaume Apollinaire (1880-1918). De scherven uit het been van Ernes Hemingway, de afgehakte arm van Blaise Cendrars, de laatste seconden van Alain-Fournier en de dood van Wilfred Owen op 4 november in 1918.

    Saillant detail is dat de Groote oorlog, na honderd jaar nog steeds zijn sporen nalaat en slachtoffers maakt. Dit jaar werd in Ieper een depot met duizenden granaten ontdekt en op 19 maart ontplofte, bij de aanbouw van een fabriek, een granaat waarbij twee mensen om het leven kwamen. Dit bracht de dodelijk getroffen slachtoffers van na 1918 op driehonderdvijftig. Oorlog houdt zich schuil in alle kieren en uithoeken van deze aardkloot en na het lezen van vele van deze gedichten komt het besef, dat de hele mensheid doortrokken is van oorlogsleed. Of zoals Ellen Deckwitz dit veelbetekenend verwoordde in haar gedicht 1948, Siboga / ‘(…) de doden groeien met je mee. En we noemen / het pas afgesloten als we er niet meer bij kunnen.’ Prachtig! Een editie tegen het vergeten van dat, wat niet vergeten mag worden.
    Verder bijdragen van onder meer Mischa Andriessen, Benno Barnard, Chretien Breukers, Paul Demets, Anna Enquist, Lies van Gasse, Piet Gerbrandy, Annemieke Gerrist, Jo Govaerts, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Ingmar Heytze, Philip Hoorne, Sasja Jansen, Hilde Keteleer, Wiel Kuster, Liesbeth Lagemaat, Jan Lauwereyns, Myrte Leffring, Erik Lindner, Sylvie Marie, K. Michel, Martijn van Ouden, Ester Naomi Perquin, Hagar Peeters, Delphine Lecompte, Xavier Roelens, Victor Schiferli, F. Starik, Peter Theunynck, David Troch, Reinoud Verbeke, Leo Vroman, Henk van de Waal en Ad Zuiderent.


    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 12, nr. 1, april 2014
    Van Halewijck / Leuven
    Van Gennep /Amsterdam.
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-