• Dichter des Vaderlands 2019 – 2021 – Poëzie is het begin van een gesprek

    Tsead Bruinja (1974) wordt vanavond in de Balie in Amsterdam officieel benoemd tot Dichter des Vaderlands en volgt hiermee Ester Naomi Perquin op, die de afgelopen twee jaar deze functie vervulde. Tien jaar geleden, toen de Dichter des Vaderlands nog publiekelijk gekozen werd, deed Bruinja al een gooi om als eerste dit ambt te bekleden. Toen koos het publiek met 3000 stemmen voor Gerrit Komrij (1944-2012). Komrij vervulde deze functie tot 2004.

    Als Dichter des Vaderlands zal Tsead Bruinja de komende twee jaar de vinger aan de pols van de Nederlandse samenleving houden en optreden als ambassadeur van de poëzie. Een Dichter des Vaderlands is niet verplicht iets te schrijven, al moet er wel zes keer per jaar een gedicht van zijn/haar hand verschijnen. Die dan vervolgens worden gepubliceerd in de NRC.

    Tsead Bruinja (1974) is een in Friesland geboren en in Amsterdam wonende dichter. Hij publiceert in het Fries en Nederlands, of tweetalig, zoals zijn laatste bundel: Hingje net alle klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok (2018).

    In zijn eerste interview na de bekendmaking van zijn op handen zijnde benoeming in de NRC liet Bruinja weten dat hij de menselijke kant van een zaak wil belichten, de nuance wil zoeken. ‘Maar’, zegt hij in datzelfde interview: ’ik moet ook ruimte hebben om boos te zijn – en dan misschien ongelijk te krijgen. … dat is óók een stem in de samenleving. De publieke ruimte is een ontmoetingsplaats van uiteenlopende, uitgesproken meningen.’

    Volgens de benoemingscommissie is Bruinja ‘een dichter die in eerlijke, eenvoudige woorden zowel gevoelig als scherp kan zijn, die een inval of anekdote tot gedicht kan verheffen en rauwheid en lyriek afwisselt’. Daarbij is Bruinja ‘een bevlogen ambassadeur voor de poëzie in de breedste zin: als bloemlezer, performer op podia en in de media, organisator van evenementen en aanjager van kruisbestuivingen met andere kunstvormen. Hij beweegt in zijn vaak geëngageerde dichterschap moeiteloos tussen binnenwereld en buitenwijk – en waar het wel moeite kost, levert dat spannende poëzie op.’

    En dat is waar dit ambt, sinds de benoeming van Ramsey Nasr, om vraagt: maatschappelijk geëngageerd zijn om de vele lagen van een volk te kunnen benaderen. Dat is Tsead Bruinja wel toevertrouwd.
    De dichter was amper benoemd of schreef al een gedicht voor het volk en …, nee, niet vaderland. Hierbij:

     

    voor volk en moederland

    nederland je gaf mij een dubbele tong
    en vruchtbare grond waar ik tuintegels overheen leg
    ik zwoer dat ik de hark en spade in de schuur zou laten
    maar nu zie ik overal onkruid
    straks moet ik nog ondergronds
    om het met wortel en tak uit te roeien

    nederland ik ben niet tegen je gepolder bestand
    je heupen zouden alles kunnen oplossen
    maar ze zitten op slot

    nederland so what als de grond verzakt onder onze voeten
    ik balanceer al jaren tussen hier en de overkant
    en zie ze daar niet veel anders doen
    er is ruimte op de dansvloer
    en zijn manden van beschaving
    waar we samen doorheen kunnen vallen

    liefste bankiereklier mijn o vosselijn pass me die kruiwagen aub
    er is een schuldberg die we moeten voeden
    ik spuug in mijn handen en duw hem
    in het zweet jouws aanschijns een mestvaalt op
    en bedel gedwee om een hypotheek

    nederland je gaf ons en de wereld waterwerken
    baggeraars bruggen en bordeeleigenaren die bonnetjes schrijven
    waarop ze hun onderneming een brasserie noemen
    je bent mijn brea bûter en griene tsiis
    my favourite slippery motherfucker ben je
    en dat pakken ze ons nooit meer af

    nederland ik ga van je vaderland een moederland maken
    op de operatietafel met jou en je grote paddenstoel

    het mes erin                   we gaan ruimte maken

    ik zeg katsjing tegen je kassa nederland
    samen laten wij ons de nagelkaas mooi niet van het brood eten
    ik ga je een grote dienst bewijzen door te slapen met een ander
    misschien moet leeuwarden je hoofdstad blijven en ga ik vlaanderen bezetten
    dat vuurtje tussen ons gaat anders in een klap uit

    nederland sluit je bordelen en maak je liefde gratis
    pleur een paar bruggen over die middellandse zee en breid je helpdesk uit
    ik wil de mensen wel te woord staan

    nederland waarom kijk je zo sip
    als ik je achterlijke zelfbeeld niet omarm
    niemand wil een misogyne homofobe racist genoemd worden
    waarom wil jij dat dan zo graag zijn?

    nederland ik wil nooit je ex zijn
    misschien word ik ooit je bruid

     

    De benoemingscommissie bestond uit Arie Boomsma (bloemlezer en presentator), Radna Fabias (dichter), Eva Gerlach (dichter), Menno Hartman (Poëzieclub), Marije Koens (organisator poëzie-evenementen), Feline Steekstra (Poetry International) en Thomas de Veen (NRC).

     

    ‘Poëzie is het begin van een gesprek’ (uit: Nooit meer slapen Radio 1)
    Kijk op Dichter des Vaderlands voor verschillende (radio) interviews met Tsead Bruinja.

     

  • De dichter met zijn product in tegenspraak

    Stel, je leest een indrukwekkende dichtbundel die met veel gevoel is gemaakt. Gevoel voor taal, voor overdracht van woorden en voor de subtiele werking van betekenislagen. Een uiterst prettige bundel die de impopulaire dichtkunst weer een glinstering van waardevolle aanwezigheid geeft. De verzen wisselen elkaar af in zwaarte, de leesbaarheid is goed gedoseerd aan de hand van onderwerpen als leven, dood, vaderschap en een gezonde portie zelfreflectie. Al met al een boeiende leeservaring.

    Vervolgens zie je een televisieprogramma waarin dichter Ingmar Heytze wordt bevraagd over deze bundel van zijn hand. Het hele gesprek lijkt een vreemde poging tot benadrukking van de marginaliteit van poëzie. Terwijl de interviewer er een draai aan probeert te geven door met gerichte vragen meer inhoud af te dwingen, blijft de dichter steeds weer terugvallen in zijn haast nonchalante houding van valse bescheidenheid. Het woord koketterie komt meermaals voorbij. Een van de opvallendste quotes van Heytze: ‘Het is eigenlijk allemaal aanstellerij’.

    Veelzijdigheid

    Verwarring alom. Bij goede poëzie – en dat geldt trouwens voor alle kunstvormen – verwacht je dat de schepper zijn voortbrengselen net zo serieus neemt als de ontvanger dat pleegt te doen. Gedichten vormen zichzelf als een sterk verband tussen de bevlogen maker en de ontvankelijke lezer. Dat gegeven zou de dichter moeten omarmen en zelfs moeten respecteren. Kortom, Ingmar Heytze blijkt een belabberde verkoper van zijn eigen werk te zijn.

    En dat werk is goed. De veelzijdigheid van de ervaren Heytze werpt zijn vruchten af in deze bundel vol bespiegelingen over leven en dood. Met het vaderschap als verbindende schakel tussen deze twee grootheden weet hij zijn zwervende gedachten in heldere poëzie om te zetten.

    Ik wilde je iets moois vertellen

    Ik wil je iets vertellen nu je wakker bent, weer wakker
    bent en bungelt in mijn armen, nu ik naar de stilte
    en mijn bed sta te verlangen.

    In zomernachten kan ik sterren horen vallen,
    het geluid van een feest waar ik nu had kunnen zijn,
    een tuin vol lichtjes met een onbekende die nog altijd rookt,

    een meisje dat mij midden in een zin zou kussen en verdwijnen
    in de nacht, en niemand daar zou weten wie ze was.

    Ik wilde je iets moois vertellen, niet over het donker
    waar we heen gaan, hoe de wereld stopt
    met draaien, vlam vat, valt –

    ik wilde je iets goeds vertellen,
    over hoe jij groter wordt en mooier,
    dat ik doodga van geluk om jouw bestaan.

    Ik wilde je iets moois vertellen maar je slaapt.

    Terugblikken

    Een jonge vader aan het woord. Overmand door vermoeidheid denkt hij aan het enerverende leven dat hij achter zich heeft moeten laten. Zorgeloos vermaak, feestvieren, meisjes, alles wat hoorde bij de jeugd en de tijd die voorgoed voorbij is. Er werd zelfs nog gerookt! Nu probeert hij zijn zorgen over de wereld en dus over de toekomst van zijn kind te beteugelen door een mooi contrast als afsluiting: doodgaan van geluk. Dit is Heytze ten voeten uit. Hij biedt een leesbaar motief aan waarmee een diepere laag wordt aangeboord die een nieuw beeld schetst, anders dan het gedicht op het eerste gezicht blootgeeft.

    Kleine verhaaltjes

    Heytze is sterk in prozagedichten. De kleine verhaaltjes die als afgeronde stukjes tekst een gedicht ‘vertellen’ brengt hij als een haast toevallige notitie, terwijl ze blijk geven van een perfecte taalbeheersing met een groot gevoel voor interpunctie. Een gedicht over de collectie foetussen van het Utrechts Universiteitsmuseum:

    Siamese dreams

    In de hal achter de blinde muur staan veertig grote glazen
    flessen. Bijna tachtig baby’tjes, geboren in elkaar en soms,
    van buitenaf bekeken, nauwelijks meer dan een paar tanden
    of een pluk dun haar, een staaroog met een oliebol van weefsel
    – maar vaker een vaardig in elkaar gedraaide kathedraal
    op schaal van zilverwitte wervels. Geen kind dat ook maar
    éénmaal ademhaalde. Ze bleven liever zweven, onverdronken
    uit het warme water naar de formaline. Vaten tjokvol
    ongebruikte tijd. Schone slapers, wekend in de eeuwigheid.

    Monumentale verbeelding

    Een haast monumentale verbeelding, de ongebruikte tijd die ‘onverdronken’ uit het warme water naar ‘formaline’ is getransformeerd. Het is een confrontatie die naast de gruwelijke werkelijkheid ook een grote sympathie oproept. Een zekere intimiteit wordt door de dichter zodanig verwoord dat er eerder een warm gevoel dan de verwachte afschuw overblijft. De stilte in zijn laatste regels brengt alles naar een mooie afsluiting: korte zinnetjes met woorden als zweven – tijd – slapers – eeuwigheid.

    Ingmar Heytze heeft de taal aan zijn zijde, zijn regels kunnen elke willekeurige vorm aannemen, iedere betekenis verdiepen en zo een ‘gedicht achter het gedicht’ maken. Dat is zijn manier om poëzie te bedrijven: de lezer proberen te verleiden verder te kijken dan de eerste leesindruk. En het werkt altijd. Eén van de beste gedichten uit deze bundel is:

    Jakhalsdagen

    Sinds kort geef ik de dagen dierennamen.
    Eergisteren was duidelijk een zilvervis:
    boeken in de vriezer, lokvergif
    in scheuren en gaten.

    Begin deze week het etmaal van de wolf.
    Veel schichtig draven door het huis,
    geluiden makend die geen mens kan duiden,
    waarna mijn lichaam wel in bed lag
    maar mijn geest bleef waken.
    Zo noteerde ik een uilennacht.

    Vandaag is meer een jakhalsdag.
    Ik stond op, te kort geslapen,
    ledematen uit proportie,
    vast van plan om iemand te bejagen,
    kaal te knagen.

    Scherpe randjes

    Het venijn zit in de staart, onverwacht en onverdacht, een uithaal die het gevolg lijkt te zijn van onzekerheid en een slechte nachtrust. De dichter houdt zich niet in en laat zijn slechte stemming goed merken. Ook wel eens prettig in de poëzie, een omgeving die over het algemeen gevrijwaard blijft van scherpe randjes. Juist die gemoedstoestand wordt hier subtiel opgevoerd: half verborgen achter een gordijn van dierensympathie maakt Heytze zichtbaar hoe hij overeind probeert te blijven in zijn wereld van ouder worden en proefondervindelijk vaderschap. Noem dat maar aanstellerij.

     

  • Poëzie met verhalend karakter

    Liesbeth Lagemaat had meteen succes met haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel uit 2005, waarvoor ze de C. Budding’-prijs kreeg. Ook met haar volgende werk bleef ze de aandacht trekken. Ze geldt als een dichteres van weerbarstige poëzie die de  lezer moet veroveren. In haar zesde bundel Abri gaat Lagemaat opnieuw haar volstrekt eigen weg.

    Gedachtestromen

    De bundel bestaat uit vier afdelingen. De gedichten zijn één lange gedachtestroom die zich over de tweeregelige strofen en de meerdere delen waaruit de gedichten vaak bestaan, uitstort. Dit gebeurt afwisselend in ultrakorte en lange gekoppelde zinnen. Deze lopen soms tussen de delen door of beginnen bij de titel. Als lezer raak je regelmatig buiten adem om de draad die gesponnen wordt, bij te houden. In de eerste helft van de bundel is er enige houvast aan de context die bij de gedichten geboden wordt. Zo zijn gedichten opgehangen aan kunstenaars of kunstobjecten zoals schilderijen of kleitabletten. Soms is de inspiratiebron overbekend, zoals De schreeuw van Munch, maar een andere keer moet er eerst nog even op internet gezocht worden. De naam Marius Bauer zal niet iedereen paraat hebben. Pyke Koch kennen we weer wel, maar wie is toch die Bertha aan wie de schilder denkt? Lagemaat veronderstelt veel als bekend.

    Gat in het behang

    Het is Lagemaat  niet te doen om het beschrijven van de kunstwerken maar om de verhouding tussen verbeelding en werkelijkheid. Zo leeft ze zich in in de onmacht die Pyke Koch op zijn oude dag bevangt om zijn rijke verbeelding nog in kunst wil omzetten. Ze beschrijft hiermee indirect de worsteling die ze bij het dichten voelt. Met haar gedichten poogt Lagemaat zo precies mogelijk te beschrijven hoe zij de werkelijkheid ziet. Dat is lastig, ook omdat de werkelijkheid vol hiaten zit, die zelf ingevuld moeten worden. Zoals het gat in het Chinese behang dat de wanden van landhuis Oud-Amelisweerd siert:

    […] Een gat zo groot als een hand onderbreekt de stroom. Hier. Dat wak
    in het behang. Een plek, eenvoudig af te dekken met de vingers van een hand.

    Wit is de plek en wij staan in een zaal onze ogen tegen de muur geplakt
    zoeken naar jouw witte keel. In zaal in huis in bos bestaan we. Trekt vannacht

    een scheur onze monden tot wak? Horen we een woord, een zin in een taal
    die we niet kennen. Was het een regel uit een van de Negen Liederen.’                                   

    Taal zijn

    Haar gedichten hebben vaak een sterk verhalend karakter. Bijvoorbeeld over een mijnwerker in een Engelse leisteengroeve in 1900 of het verhaal van een soldatenvrouw die in vijf liederen haar verdwenen man bezingt. Je bestaat pas als taal, als verhaal, als lied: ‘er is alleen een hoe. Het klinkt. Je was van taal voor je iets wist’. Aan de andere kant moeten we onze eigen verhalen maken. Want wat kunnen de verhalen op oude kleitabletten ons nog zeggen? ‘alles draait zich stoned, kraait naar de maan als een bloedsinaasappel,/ alles wil. Dooft. Gromt zich dyslectisch kapot.’

    Volgens Lagemaat is de werkelijkheid talig en onachterhaalbaar. Ze richt zich soms rechtstreeks tot de lezer, zoals in deze terzijde: ‘(Heeft het zin u hier en nu te laten beleven hoe de muur zich gedroeg als hemels zwerk, de vergelijking – met een op drift rakend schip, of een cascade van golven in alle toonaarden van azuur – elk beeld zou kapotslaan op zichzelf. Men moet zich tevreden stellen. Schoonheid/ in pure vorm is onherhaalbaar.)’

    Verplaatsen in de ander

    Door voor wisselende perspectieven te kiezen laat Lagemaat  zien dat de werkelijkheid betrekkelijk is. Ze probeert zich voor te stellen wat er in het hoofd van de man van De Schreeuw omgaat, of vraagt zich af hoe de werkelijkheid van een blinde eruitziet, wat je als niet-blinde enkel kunt vermoeden. Een andere keer gebruikt ze het perspectief van een pijlstormvogel, die letterlijk en figuurlijk op de toeristen neerkijkt: ‘Ik ben/ de stem van dit land en ik wantrouw dat volk onder mij, al zullen er meer/mensen komen, steeds meer van hun soort, ze zullen zich koninkjes wanen/ en stulpjes bouwen op de schil van vulkaansteen […] Ze raken de weg kwijt. En toch komen er meer van dat slag […]’.

    Stilistisch palet

    Om de werkelijkheid zo goed mogelijk te kunnen beschrijven, haalt Lagemaat stilistisch alles uit de kast. De taal wordt binnenstebuiten gekeerd en er wordt veel gebruik gemaakt van   tegenstellingen. Alle registers worden benut: verheven en platte taal en vreemde talen. Ze refereert net zo makkelijk aan de Libelle als aan Hadewych. Ze zit de werkelijkheid op de huid met gedetailleerde, plastische en realistische beschrijvingen.

    ‘Het was inmiddels al zo oud dat het steeds meer was gaan lijken
    op wat het uitbeeldde. Overal krassen. Reparaties. Een afgeschaafd vlies

    dat juist op de dunste plekken ogen trok. Men wilde weten
    wat onder de vacht – Het was inmiddels al zo oud dat het – Wij waren al

    zo. Wilden weten achter de botten. In de banen. Van bloed. Synapsen.
    Hoe het merg of juist niet. Welke gedachte waar trilde. Trilde er een gedachte?’

    Abri weet voor een groot deel te overtuigen. Toch vraagt de lezer zich geregeld af hoe zich tot de gedichten te moeten verhouden. Het is erg talige en afstandelijke poëzie. Pas in de vierde afdeling (‘Lijf me in’) worden de gedichten persoonlijker. Daar begint de poëzie werkelijk te leven.

     

  • Mussen met longen als vliespinda’s

    ‘The more specific you are, the more general it’ll be’ is een citaat van de Amerikaanse fotografe Diane Arbus. Arbus fotografeerde veel kinderen, tweelingen, maar ook reuzen, dwergen, een thema waardoor zij bang was dat ze bekend zou blijven als de fotografe van ‘freaks’. Dat is gelukkig niet gebeurd. Peter du Gardijn wijdt een mooie kleine hommage aan haar in zijn nieuwe bundel Wat huid is. Het goede, gerichte kijken van Du Gardijn in deze bundel is wat ongelijk verdeeld. Er zitten hele goede gedichten tussen, vooral aan het begin en aan het einde van de bundel. Zoals bijvoorbeeld Voorjaarsklassieker:

    ‘In Vlaanderen is de lucht het oudst
    het land zo vlak dat het pijn doet aan je ogen.
    Er is geen donshaar in maart, alleen de wind
    die in koud stamverband de daken schuurt.
    Aan alles, om de boom te tarten
    waaraan geen blad wil groeien, ontsnapt damp.
    Zelfs de mussen op het frietkot,
    longen als vliespinda’s halen zichtbaar adem.
    Maar het gebarsten kruisbeeld weigert.
    Daarom staar ik naar de strepen op het asfalt
    en de ruimte eromheen.’

    Een buitengewoon sterk gedicht waar vrijwel alles aan klopt. Een taalmachine die onmiddellijk aanslaat. Daar staan er een aantal van in deze bundel. Wanneer echter in het middendeel de wat biografische toon de overhand krijgt, over zusje en broertje, en moeder in een Biblebeltdorp B(arneveld) waar God tegen de plinten klotst, dan werkt het veel minder goed in de gedichten van Du Gardijn. Schaffelaar en Jezus en de HEMA weet hij dan niet tot poëzie te verheffen. Hij is daar in de woorden van Arbus hoewel particulier toch niet specifiek genoeg. Laten we eerlijk zijn, verzen larderen met ‘grazige weiden’ of een ‘hijgend hert der jacht ontkomen’ vallen in de Nederlandse poëzie in zulk een rijk beplant bloembed, dat ze onzichtbaar worden. Je moet er iets bijzonders mee aanvangen. En dan niet ‘ Onze vader die in de zemelen bijt, Uw raam worde gereinigd.’ Puberale humor is – hoewel het vast hier en daar een grinnik ontlokt – niet goed genoeg voor een dichtbundel. In veel van deze gedichten, grofweg de afdeling ‘Omstandigheden I’, staat ook steeds iets meer dan nodig is voor het gedicht. En de licht humoristische toon waarmee de dichter zich op afstand tracht te zetten van zijn jeugdjaren in religieus Gelderland slaat de plank dan mis. ‘Ook Zijn bijbelbeladen Alpenkreuzer past in het plaatje/ en nooit bleef de vrucht uit van Zijn arbeid.’

    Du Gardijn heeft zeker een oog voor het juiste aforisme op de juiste plaats. ‘Elke mens is zijn medemens een boeme rang’ is er zo een. Condooms als ‘rubberen vruchten van de vooruitgangsindustrie.’ ‘Amerika is het christendom vloeibaar gemaakt op een hammondorgel.’ Ook in de mindere gedichten vind je nog vaak een raak beeld of iets wat bijna een maxime is. Of in het sterke gedicht Tussenuur:

    ‘In het openbaringslicht van de supermarkt opgenomen
    weet ik dat ik in een tussenuur leef.
    Omdat ik geen varken ben, hoef ik niet in het schap.
    Hoeveel kruisingen wij ook overleven, altijd wacht ons de honger.
    en de eigengereidheid van de geproduceerde dingen
    aardappelpuree in cellofaan, nagemaakte jus of soja
    om mij het gescharrel van wie er ook zijn, de mensen
    die naast mij de stad bewonen.’

    In een flankerend vers warmt de ‘ik’ zijn handen aan de magnetron en trekt in het licht van het 8-uurjournaal het cellofaan los ‘zodat de puree kan dampen bij het oorlogsfront’. Dit is goed gedaan en toont wat Du Gardijn kan: in aardse regels met sterk beeldgebruik een moment vastleggen en duiden. Niet teveel duiden. ‘Een kanaal is een streep door het landschap die haast nooit bevriest.’ Misschien wreekt zich in het wat verhalende middendeel de romanschrijver die Du Gardijn ook is. In 2007 verscheen Nachtzwemmen, over een groep middelbare schoolvrienden in een dorp in Nederland in 1983. Die sfeer herken je in sommige gedichten. In het gedicht ‘Joy Division’ wil deze verhalenverteller dan toch weer de overstap maken naar poëzie maar springt niet ver genoeg. Wat volgt zijn maar liefs 4 pagina’s die je misschien lankmoedig ‘vormvernieuwing’ kunt noemen omdat er nogal wat socialmedia namen in voorkomen en wat Engels, maar eigenlijk is het gewoon, ja, wat: pathetic: ‘i dance with you Ian/ He looks like Frodo!/ Ian can read this. Froooodoooooo! Loooooony!’ Dat werk.

    Du Gardijn maakt de beste gedichten als hij zijn ogen volgt en heel goed kijkt en nadenkt en dat op schrift stelt. Verwijzingen naar helden als Dèr Mouw, Nijhoff, Kousbroek slaan steeds stuk als teveel in het oog springend. Verhalende, persoonlijke geschiedenis haalt het hier niet bij een goed aantal afgeronde, niet te veel weggevende gedichten die toch zeker wel een belofte inhouden. Want hoe specifieker hij kan schrijven, hoe alomvattender het wordt.

     

    Deze recensie verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater, wintereditie 2015.

     

  • Verglijden van de tijd

    Of de meeste boekenliefhebbers na lezing van de bloemlezing Vogels, vlinders & andere vliegers nu eens niet de naam Hans van Pinxteren in de eerste plaats zullen associëren met zijn gerenommeerde vertalingen van o.a. Flaubert, Rimbaud en Montaigne, blijft natuurlijk de vraag, maar dat deze vertaler ondertussen ook nog een serieus te nemen poëtisch oeuvre op zijn naam heeft staan mag met deze publicatie een feit heten.

    Opus 10

    Ofschoon voor deze bloemlezing gekozen is uit de negen bundels die Van Pinxteren vanaf 1979 deed verschijnen, aangevuld met een handjevol verse oogst – en het oudere werk waar nodig bijgeschaafd – is de bundel zodanig gecomponeerd dat de dichter hem zelf als zijn ‘opus tien’ beschouwt.

    De essentie van Hans van Pinxterens poëzie zetelt vooral in de beroemde openingsregels van Air van Jan Luyken die dan ook zeer terecht als motto aan deze bloemlezing is meegegeven: ‘Droom is ’t leven, anders niet, / t Glijdt voorby gelijk een vliet, / Die langs steyle boorden schiet.’ Alsof het licht door het prisma van dit motto de gedichten in deze bundel beschijnt. Zelden een bundel gelezen waarin zoveel water stroomde, waarin zoveel licht zich uitspant dan wel zich verdiept in water, waarin zo vaak weggedroomd werd bij het spiegelende watervlak. Waarin zoveel uitzicht met inzicht samenviel. De bundel mag dan Vogels, vlinders & andere vliegers heten maar een titel als ‘wateren, spiegelingen en andere dromen’ was even ladingdekkend geweest.

    Alles is schijn

    Ergens vraagt de dichter zich af of hij de tijd neemt, of neemt de tijd de dichter? De lezer kan maar beter wel de tijd nemen om deze gedichten langzaam tot zich te nemen. Alleen dan proeft hij de verfijning, de suggestieve kracht waarin een spiegeling in het water ook een ’verdieping in de lucht’ wil zijn en de woorden van de dichter een verdichting van de schijn. Schijn bedriegt, maar de dichter maalt er niet minder om en triomfeert in het besef dat alles schijn is en niets zich eraan onttrekt.

    Niet wonderlijk dus dat Van Pinxteren in een van zijn gedichten Alberto Caeiro opvoert, een van heteroniemen van Pessoa en wel degene voor wie de dingen geen andere betekenis hebben dan dat ze bestaan. Al beseft de dichter Van Pinxteren temeer dat hij als kind bestaan heeft, daar in dat landschap, met dat licht. En veel van zijn gedichten gaan over die momenten dat het inzicht van het schon dagewesen daagt. Het bewegen van de takken wordt algauw een wenken naar een verloren droom. Gelatenheid heerst alom. Zelfs de dood wordt niet als beangstigend gezien. De dichter laat hem in zijn verbeelding zijn ‘vreedzaamst gelaat’ opzetten zodat hij niet langer een dissonant is: ‘zo buitengewoon vredig en onthecht dat even / dit leven iets luchtigs krijgt en speels / zo speels haast als een fractie van wolkend licht // in een fuga van Bach’. Weemoedig, dan toch eerder gerieflijk dan schrijnend.

    Dromerig

    Op een aantal anekdotische gedichten na, kenmerkt het leeuwendeel van deze poëzie zich door haar dromerige setting met een weemoedig, berustende toon. Niet bepaald een afwisselend palet, wat getemd ook. Mede daarom is het geen  bundel die je in een ruk uitleest. Hier en daar doemt een wat ouderwets aandoende zin op als: ‘Weegt aan het venster de nacht al op je schouders’.
    Het vocabulaire huist nog in de vertrouwde wereld van vroeger. Alle schijn en het ontbreken van eindpunten ten spijt, wordt de verstaanbaarheid in deze poëzie weinig in de weg gelegd. Integendeel, niet zelden doen de gedichten bij aanvang uit de doeken hoe de vork in de steel zit en vervolgt het gedicht de weg van het uitgelegde beeld. Zo geeft het gedicht Het silhouet reeds in de eerste regel de sleutel: ‘Inbraak in mijn slaap, een paar / huizen verderop schreeuwen twee stemmen / lang tegen elkaar.’ Met deze uitleg is het raadsel al uit z’n droom geholpen. Soms wordt net iets te nadrukkelijk naar een beeld toegeschreven, zodat de verbeelding niet meer weet te verrassen:

    Vloeibare taal

    ‘kijk ik later nog naar buiten / wordt het uitzicht inzicht / valt de vlieger in de ruit / samen met de bodemloze nacht’. Wat dat betreft zijn de meeste van deze gedichten een variatie op hetzelfde thema. De taal in deze poëzie is verfijnd en dient voornamelijk ter beschrijving van gevoelens en gewaarwordingen en is niet van zins zelf een schijnbeweging uit te voeren. Hier en daar had iets meer afgrond in de taal ten koste van de afgeronde beelden mogen komen.

    In de beste gedichten volgt Van Pinxterens schijnbaar onaangedaan, als op Oosterse wijze, het proces van de zich eeuwig transformerende schijn zoals in

    Korte metamorfose

    De tak van de acacia
    spiegelt zich
    in de ruit aan de overkant

    de tak van de acacia
    reikt wiegend in de wind
    naar de beker op de tafel

    wordt een gezicht, het
    silhouet van iemand die
    zijn mond zet aan de beker

    die daarvan drinkt
    en weer afstand neemt
    van de beker

    voor het raam wiegt
    een tak in de wind

    Alles wordt vloeibaar zodat de tijd oogt als een stilstaande klok. Een mooie bloemlezing waarin goed verbeelde gewaarwordingen in verstaanbare versregels zijn gegoten. Deze gedichten zullen je niet van de sokken blazen, maar je wel doen stilstaan bij het langzaam verglijden van de droom die men leven noemt.

     

  • Van kwaad tot erger in originele beeldspraak

    Toen Rodaan Al Khalidi uit zijn geboorteland Irak vluchtte en uiteindelijk in Nederland terecht kwam, leerde hij zichzelf de Nederlandse taal en begon te schrijven: in 2002 verscheen zijn eerste werk, een bundeling van zijn columns. Onder de naam Rodaan Al Galidi heeft hij inmiddels negen romans geschreven en acht gedichtenbundels, waarvoor hij diverse literaire prijzen mocht ontvangen.

    Neem de titel serieus is zijn negende bundel, opgedragen aan Begoña, die een al dan niet fictieve geliefde blijkt te zijn geweest. We maken kennis met deze geliefde uit vroeger tijden in de eerste helft van de gedichten. Een gemakkelijke relatie lijkt het niet te zijn geweest, ook al wordt er nog liefdevol aan teruggedacht:

    ‘Weet je nog, Begoña? Die verre zomer,
    toen jij en ik op het dak
    de sterren telden
    die zwoele nacht in april.’

    De problemen waaraan de relatie met Begoña ten onder ging en waaronder de ik-persoon nog steeds gebukt gaat, worden doorgetrokken tot op mondiaal niveau. Ruzies worden oorlogen, onbehagen gaat over in ziektes, alles wat elke dag in het nieuws komt, vindt zijn weerslag in de gedichten die volgen op de bitterzoete berichten aan Begoña. Meedogenloos trekt Al Galidi de pessimistische lijn door die zo bedachtzaam werd ingezet, al ontbreekt het daarbij niet aan humor. Soms wordt het  ironisch en zelfs cynisch. Zoals in het eerste van twee gedichten die elkaars pendant vormen: Liefhebbers en Een voor een. Daarin wordt de kruisiging van Jezus aangekondigd, ‘jouw unieke kans om deze tragedie live te volgen’, hoewel de opstanding niet kan doorgaan wegens gebrek aan belangstelling. In het tweede gedicht wordt het publiek dat komt kijken aan het kruis getimmerd.

    Geleidelijk aan wordt de toon van de gedichten grimmiger en de onderwerpen akelig actueel: terrorisme, Amerikaans presidentschap, verkeersslachtoffers. Het taalgebruik van Al Galidi is eenvoudig, maar zo beeldend dat hij ogenblikkelijk zonder veel uit te hoeven leggen een herkenbaar tafereel oproept:

    ‘Een ambulance roept een andere.
    Ik daalde de berg af en zag zijn tenen naar boven.
    Een vrouw riep Pedro! Pedro!’

    Zoals de bundel is samengesteld, zo zijn ook de gedichten opgebouwd. In het begin zorgen frisse versregels voor een argeloze opgewektheid, om dan met een klap een einde te maken aan het geluksgevoel. Want de wereld mag dan wel mooi lijken, Al Galidi weet beter. De wereld is ziek en wordt bevolkt door zieke mensen.

    Op twee derde van de bundel belandt de dichter bij een onderwerp dat van belang lijkt te zijn: psychische ziektes. Ze kwamen al eerder ter sprake in een enkel gedicht, maar nu worden ze gepersonifieerd alsof het levende entiteiten zijn, metgezellen van de dichter in het dagelijkse leven:

    ‘In de oorlog
    gebruikt de mens zijn psychische ziektes.
    In vrede
    gebruiken zijn psychische ziektes hem.’

    Niet alleen de dichter is psychisch ziek, maar iedereen: de hele wereld, zelfs vogels kunnen psychisch ziek zijn. In verschillende versvormen brengt Al Galidi dit aan het licht. Via aforismen, een parlando gedicht en een gedicht in de vorm van een dialoog laat hij de lezer zien dat de hele wereld voor hem een geestelijke nachtmerrie is geworden. De psychische ziektes worden gehanteerd als een metafoor voor alles wat er mis is in het leven.

    Helaas verliest dit gedeelte aan kracht als acht, negen opeenvolgende gedichten een of twee keer de zinsnede ‘psychisch ziek’ bevatten en als het nergens anders over gaat: het wekt ergernis als die woorden alwéér als kleine insecten over de bladzijden kruipen en uit het gedicht naar voren springen. Alsof de dichter bang is dat de strekking de lezer zou ontgaan, zo nadrukkelijk worden deze woorden opgevoerd, maar juist daardoor verliezen ze hun zeggingskracht.

    Een synoniem of omschrijving voor ‘psychisch ziek’ zou al veel goedmaken; in ieder geval meer variatie. Nu voelt het als een opluchting wanneer er een gedicht volgt dat over iets geheel anders gaat.
    In de laatste gedichten overheerst de onmacht om iets aan de wereld te veranderen. De dichter wil zich niet neerleggen bij deze onmacht, maar ziet zichzelf niet in staat om er daadwerkelijk iets aan te doen. Het laatste gedicht heet dan ook Het spijt me en is een verontschuldiging aan zijn geliefde Begoña. Niemand en niets kan gered worden, zelfs Begoña niet:

    ‘Het spijt me dat ik, zelfs
    met al de liefde die ik voor je voel, je niet
    kan laten bestaan.’

    Van liefde tot ruzie en geweld, van kwaad tot erger voeren de gedichten naar een climax van eenzaamheid en hulpeloosheid, waarin de dichter zijn ‘mislukking’ moet erkennen.
    Vrolijk word je niet van deze bundel, maar de originele beeldspraak en de verrassende, directe wijze waarop de dichter iets visueel weet op te roepen, maken veel goed.

     

  • Al het voorbijgaande vastgelegd

    Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won –  wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.

    Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.

    Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.

    Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).

    Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
    In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.

    In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:

    ‘Mijn moeder die ik voer
    als met de fles een kalfje
    in de dagbesteding op -1’

    Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.

    Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:

    ‘In het Barlose spreek ik de taal
    waarin ik niet werd geboren:
    die mijn eerste tweede werd
    […]
    Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
    spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
    […]
    geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
    die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
    ben kwijtgeraakt’

    Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’

    ‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
    voeren naar het westen waar het wacht
    de zonsondergang die mijn nu al zo lang
    doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
    die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
    dat niemand vat. De nacht die valt
    was er altijd al.’

    Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.

    ‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
    Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’

     

  • Snippers vol belofte

    In een kort filmpje uit de VPRO-serie ‘DichterBij’ – waarin dichters worden gepresenteerd in hun dagelijkse omgeving – zien we Vicky Francken aan het werk. Ze is uiterst geconcentreerd bezig met het knippen van tekstfragmenten uit kranten en tijdschriften. In een speciaal plakboek plakt ze zorgvuldig alle snippers tekst op lege pagina’s, zodanig dat bijzondere samenstellingen ontstaan en verrassende woordcombinaties tot nieuwe inspiratie leiden. Leve de Prittstift. Het is een ontroerend inkijkje in de werkwijze van de ’talige’ dichter die Francken is. Onder die filmbeelden draagt Francken het volgende gedicht voor:

    En toen begon het te regenen, eerst zacht maar al snel harder
    de miezerfase was kort, het kwam nu al met bakken uit de hemel
    een gigantische hoeveelheid van enorme proporties werd over ons
    uitgestort zodat de planten die in de periode van droogte
    hun bloemen hadden laten vallen nu ineens weer baadden
    even dan, want al snel werd baden waden en niet lang daarna
    hun kopjes tegen de grond gewerkt, geen redden meer aan (…)

    Een gedicht over een regenbui, een gedicht áls een regenbui. Francken knoopt de regels aan elkaar als een doorlopende waterval. Telkens lijkt een uiteindelijke punt de regel af te sluiten, maar dan gaat het toch weer verder. De kracht van deze registratie krijgt een grote impact door het ellenlange verloop zonder pauzemoment. Zo wordt taal ingezet om een dynamiek vorm te geven, om de motor van een gedachtestroom in woorden te vatten.

    Röntgenfotomodel, de debuutbundel van Francken, staat vol met gedichten die een eenvoudige ervaring beschrijven waarbij de zintuigen van de lezer tot het uiterste opgerekt worden. Zo moet het zijn in de poëzie: de opschudding van het vooringenomen brein van de lezer door een verzameling tekstregels die ontregelen, die nieuwe vergezichten tonen. Het is Vicky Francken op het lijf geschreven. Niet uit effectbejag, maar door te blijven zoeken naar combinaties van woorden die weer nieuw licht werpen op een haast vanzelfsprekende situatie. Vandaar die plakboeken.

    We hebben allemaal recht op een rug
    een graat waarrond we bestaan

    een marionettendraad die we oppakken
    als we onszelf bijeenrapen

    geen mens kan tippen aan vissen
    die zwemmen in de golven van hun wervelkolom

    maar stel dat een vin verlangt naar aaien
    wie troost de vis wie pakt hem vast

    wie streelt de schouder
    uit de kom

    Hoe deze vis ‘zwemt in de golven van zijn wervelkolom’, overeind gehouden door het water dat hem omgeeft, vormt een mooi contrast met onze menselijke kwetsbaarheid. Wij moeten maar zien hoe we ‘onszelf bijeenrapen’ in momenten van zwakte, proberen rechtop te blijven staan in de lucht die ons omringt. Daarentegen is er niemand die de vis kan troosten door hem vast te pakken, dat hebben wij dan weer voor op de vis. Vindingrijk en kernachtig in dichtvorm gevat, toont Francken haar doel in de poëzie: een simpele observatie leidt van een grondige overdenking tot een sterke uitdrukking

    Toch laat Vicky Franken zich hier en daar iets te veel leiden door haar knipsels en tekstfragmenten. De onverwachte wendingen en gelaagde betekenissen gaan dan een soort gevatheid uitstralen waardoor de gedichten te geforceerd worden. Maar opeens, halverwege de bundel is er dan het vers ‘Blijven bewegen, blijven verplaatsen’: een aangrijpende verslaglegging van hoe een liefde tot een einde komt:

    Aan mijn schavot genageld sta ik en sla kraters,
    heb alle wegen overwogen, over mogelijke routes
    uitgeweid en tegen je vermoedens

    in een jurk over omwegen gesproken. Ik draai
    schroeven als mijn voeten in het grindpad en loop
    op niet meer boven te komen bewijs: steeds minder

    dan een minnaar zijn. Nooit genoeg om in vroeger
    voor te mogen komen. Je hoort me als een vonnis aan
    en werpt een mes naar mijn gezicht, gebukt is misschien

    een wijze manier maar vooral
    een wijze van gaan.

    Pijnlijk en confronterend: ‘steeds minder dan een minnaar zijn. Nooit genoeg om in vroeger voor te mogen komen’. Dat is een schokkende vaststelling; zonder twijfel een definitief einde van een relatie. Toch blijft de dichter het drama op een beeldende manier belichten, ze onderzoekt de mogelijkheden om het niet zover te hoeven laten komen. Zonder resultaat. Op gebukte wijze de aftocht blazen is dan de enige uitweg. De fijnzinnige toon maakt dit gedicht bijna sympathiek, ondanks de tragiek die eruit spreekt. Er zijn geen verwijten en andere ergernissen, de ik-persoon is zich bewust van een gedeelde schuld.

    Tegen het einde van deze avontuurlijke bundel laat Francken nóg eens zien hoe het werkt in haar dichters-laboratorium. Het gedicht ‘Naast’ sluit af met een strofe die lijkt op een handleiding, maar vooral toont hoe een beloftevol dichterschap tot uitdrukking komt:

    (…) Om te kunnen schrijven moet je niet nadenken over de geboorte van je gedachten
    anders worden ze dood geboren.
    Je moet handschoenen aantrekken, de instrumenten zien blinken.
    Je moet geloven dat je kinderen niet zullen slissen, weten dat jij het bent
    die ze wakker maakt.

     

     

  • Gedichten als beeldhouwwerken

    Nachtboot is de vijfde bundel van Maria Barnas en de opvolger van Jaja de oerknal waarvoor ze in 2013 de VSB-poëzieprijs ontving. Deze bekroonde bundel had als leidend thema angst in alle vormen en voor verschillende facetten van het leven. Hoewel de titel Nachtboot er al op wijst dat het thema van deze nieuwste bundel voornamelijk met water te maken heeft, is ook hier in veel gedichten de angst niet verdwenen. Dat blijkt al uit het motto dat ontleend is aan Marsmans gedicht De overtocht: ‘ De eenzame zwarte boot / vaart in het holst van de nacht/ door een duisternis, woest en groot’.

    Vrijplaats voor stilte
    Water, vissen, zwemmers en oceanen bevolken de gedichten uit deze bundel, waarbij de ‘nachtboot’ steeds als de enige zekerheid terugkeert in een zee van onzekerheid en twijfel: ‘Ik zal met de nachtboot gaan en wakker zijn.’
    De angst waarvan sprake is, lijkt angst voor de toekomst te zijn: het verleden biedt veiligheid en de nachtboot is de werkelijkheid die tussen beide heen en weer vaart. Het blijkt ook de plek te zijn waar de dichter als individu zichzelf kan zijn in gewenste eenzaamheid en stilte: een vrijplaats.

    De meeste gedichten hebben betrekking op zeer persoonlijke zaken en gedachten; in elk gedicht is een ‘ik’ aan het woord, waarvan men mag veronderstellen dat het de dichter zelf is: alsof we een inkijkje krijgen in haar gedachten en haar gemoedstoestand. Het dubbeltalent van Barnas, die immers ook beeldhouwster is, verleent haar het vermogen om beelden in woorden om te zetten met kleuren en vormen vanuit onverwachte perspectieven. Maar soms zijn de gedichten zo persoonlijk van aard, dat het voor de lezer niet meer te volgen is zonder nadere verklaring vanuit de dichter zelf en blijft het raden waar het gedicht over gaat.

    Het leven moeilijk te nemen
    De bundel is niet onderverdeeld in afdelingen, wel zijn er tien gedichten met Romeinse nummering opgenomen onder de titel Gute Nacht Einsamkeit die zich afspelen in een periode waarin de dichter in Berlijn woonde ‘om het leven te ontwijken.’

    ‘Ik wil wel weten welk leven ik heb
    ontweken want tussen de regels
    van Berlijn lees ik niets dan leegte.’

    Enkele van de gedichten refereren afzonderlijk aan Jack London, Anne Sexton, Anaïs Nin en Sylvia Plath: vier auteurs, onder wie twee dichters, die allen moeite hadden het leven te accepteren zoals het zich aandient en die ieder op eigen wijze rebelleren tegen de leefomgeving. London werd een vrijbuiter die zich in talloze avonturen stortte, Nin ontweek de moraal en de kleinburgerlijkheid van de maatschappij, Sexton en Plath gaven zich over na het gevecht en stapten uit het leven. Ook Barnas probeert in haar gedichten een andere realiteit te scheppen, een die beter bij haar past.

    ‘De werkelijkheid is een rolletje plakband
    hoor je.
    Ik kan het begin niet vinden.’

    Aanpassingsproblemen
    Om voor zichzelf via de poëzie een nieuwe werkelijkheid te scheppen, heeft de dichter verschillende vormen gebruikt: sommige gedichten zijn geschreven in een gemompeld parlando: als je de versregels gewoon laat doorlopen zonder afbreking, wordt het poëtisch proza. Een ander gedicht laat zich lezen als een sprookje met de steeds terugkerende beginregel ‘Het was […]’ in plaats van ‘er was eens’, waarin sprake is van een sprookjesdier, de onderwaterhaas. En een humoristisch gedicht verhaalt van een tweespraak tussen twee mensen die beiden een andere taal spreken en trachten de essentie te begrijpen van wat de ander zegt: lost in translation. Maar uit alle gedichten klinkt het onvermogen, maar soms ook de onwil, om zich aan te passen aan de bestaande omgeving. En als dat niet lukt, zal een eigenzinnig en krachtig dichter als Barnas proberen het omgekeerde te bewerkstelligen en op haar eigen kalme wijze met bezwerende woorden de omgeving aanpassen aan het individu, waarbij verbeelding en werkelijkheid door elkaar lopen en het aan de lezer wordt overgelaten om te bepalen hoe het zit.

    ‘Vooralsnog heb ik twee vierkante meter tafel
    waar niemand mij vertraagt. Waar niemand
    de regels weet en niemand mij iets vraagt.’                                                                                                                                                                                                                                             Poëzie met bestaansrecht
    In deze bundel is Barnas’ poëzie verontrustender en meerduidig geworden. Haar scherpe observerende blik laat haar zoeken naar originele beelden en een wonderlijke visuele symboliek. Haar zinnen staan overeind als haar beeldhouwwerken en haar stem probeert nooit iets of iemand te overtuigen door te schreeuwen. Dat laatste werd haar in het verleden bij eerdere bundels wel eens aangerekend: haar poëzie zou te afstandelijk zijn, te keurig en niet spannend genoeg. Maar niet alle poëzie hoeft per definitie te schrijnen en te bijten of een revolutie te ontketenen, gelukkig maar.

    Voor wie de keuze van onderwerpen in de gedichten van Barnas te tam mocht vinden, is er altijd nog het vakmanschap te bewonderen waarmee ze woorden gebruikt om haar gedichten te beeldhouwen en de originele beeldspraak die ze hanteert. En al zullen ‘de zachte krachten’ van Henriëtte Roland Holst dan misschien niet ‘zeker winnen in ’t eind’, ze hebben wel recht van bestaan, ook binnen de poëzie.

     

  • De kleur van whisky in een herfstblad

    In het jaar dat hij zestig wordt publiceert Wilbert Cornelissen zijn vierde dichtbundel. Zijn eerste bundel verscheen in het jaar dat hij veertig werd. Cornelissen is dus een late debutant en een spaarzaam auteur. Maar er is meer. De bundel Elke dag een / proefsleuven begint met de aankondiging: ‘Gedurende tien jaar schreef de Mottenfokker (nachtvlinderkweker) dagelijks een gedicht. Hij begon daarmee op 1 januari 2007 en schreef het laatste op 31 december 2016. In het navolgende zijn proefsleuven getrokken uit deze verzameling van 3714 stadsgedichten.’

    Meer dan drie en een half duizend gedichten in tien jaar. Daaruit kunnen we concluderen dat Cornelissen geen spaarzaam auteur is, integendeel. Bovendien, zo is te zien op Cornelissens eigen pagina op de website van de schrijversvakschool waaraan hij verbonden is, heeft zijn dichterschap zich in diverse richtingen ontwikkeld en schrijft hij onder verschillende ‘heteroniemen’. Het roept ook prikkelende vragen op, want behalve W. Cornelissen (‘de kleine werker’) is er ook nog Heer Lief (de schrijfgeile man) die popelt om uit de kast te komen. Hoe we dat popelen moeten begrijpen is de vraag want googlen op ‘de schrijfgeile man’ brengt je op allerlei onverwachte plekken op het internet – maar niet bij iets wat te herkennen is als werk van de heteronieme dichter Wilbert Cornelissen.

    Terug naar de bundel. De gedichten die de Mottenfokker (motherfucker …?) elke dag schreef zijn gepubliceerd op ‘mottenfokker.hyves.nl’. Tjee … hyves! Was dat niet het platform waarop kinderen elkaar opzochten en zo ons land deden kennismaken met het fenomeen ‘sociale media’ vóórdat we dat het sociale media noemden? De betreffende mottenfokker-hyves-pagina bestaat niet meer. Hyves (tien miljoen gebruikers in 2010) werd in 2013 een spelletjesplatform. Oh vluchtig internet! Dan nu echt naar de bundel.

    Elke dag een / proefsleuven is verdeeld in zeven ‘sleuven’. Elke sleuf bevat gemiddeld 9 gedichten, die alle zijn aangeduid als ‘stadsgedicht’. Uit de gedichten die de Mottenfokker gedurende  tien jaar schreef, koos hij er ruim zestig voor deze bundel. Wat vragen oproept is, dat de gedichten in de bundel tijdens een beperkte periode van die tien jaar zijn ontstaan. In de maanden juni, juli en oktober van het jaar 2015 en de maanden februari, maart, augustus, september en december van het jaar 2016. Was dit omdat de andere maanden van de andere jaren minder vruchtbaar waren?

    Op 21 september 2016 schreef de Mottenfokker stadsgedicht 3613: Hogere werkelijkheid

    ging het kontje van de serveerster ten onder
    in het geheel van onhandigheid, de gebogen houding,

    opgetrokken schouders, schampere glimlach?
    het leren schort dat ze draagt, helpt ook mee;

    het bekken licht naar achter gekanteld, waarom?
    de associatie komt nooit hoger dan het borstbeen,

    maar ja, het hoofd is overal, de octopus reikt tot
    in de tenen; ik ben een man, de innerlijke smartlap

    van de lust, twee teruggebracht tot het verschil
    dat alleen als afstand overbrugd kan worden;

    de fantasie blijft onverwoestbare werkelijkheid,
    verzegeld door de onvervulling;

    voel je het al? Ik kijk haar net zo lang aan tot ik
    wat van haar lijk te willen

    Oh, innerlijke smartlap! Bij de fantasie die door ‘onvervulling’ is verzegeld, roept dit gedicht een ander heteroniem van Wilbert Cornelissen op en wel ‘de schrijfgeile man’. Men is geneigd te zeggen, vooruit, kom uit de kast!

    Stadsgedicht 3270, geschreven op 14 oktober 2015: Leopold-blues

    Jan Hendrik Leopold is Bob Dylan niet
    maar wel zang, zonder de muziek dan,

    zonder het zingen zelfs maar met
    de kleuren van whisky in een herfstblad;

    ‘van alle menschen deedt gij
    mij de zwaarste pijn,

    van alle menschen zult gij
    mij de liefste zijn’

    ik las en het was nooit-meer-vergeten
    op het eerste gezicht,

    dit is poëzie, zo kan er ook gesproken,
    geschreven worden,

    en het was Jan Hendrik Leopold
    die dit voor mij deedt

    Dit is poëzie, het woord waardig. Omineus dat deze conclusie van Cornelissen uitgerekend betrekking heeft op regels die van een ándere dichter zijn. Ondanks de aanhalingstekens – of juist daarom – deugt van het citaat op zichzelf niet veel, maar dit terzijde. Zal het poëtisch zijn – of het is gewoon de impressie geweest van het moment, op die 14de oktober 2015?
    Die hele gimmick van stadsgedichten, elke dag één, tien jaar lang met nummer en datum erbij … het zal allemaal wel. Het lijkt aan de gedichten een betekenisvolle context te moeten verlenen, en toch, onwillekeurig, is juist willekeur de primaire indruk die deze gedichten achterlaten.

    Laten we positief afsluiten: soms is de poëzie er wel, maar dan juist los van gelegenheid, tijd en plaats.  Bijvoorbeeld in ‘Stokken van dienst’ (stadsgedicht 3271, van 15 oktober 2015):

    de stok in huis, de stok achter het huis,
    de stok op zolder, achter de deur

    de stok van dienst, de zitstok, de wandelstok,
    de steek- en scheldstok, slastok,

    de boomstok, de ga- en stastok,
    de stok in de hand, de stok tussen de benen,

    om mee te balanceren, de stok op het puntje
    van je neus, de stok op de snijplank,

    in de broodmand, de tik- en de takstok,
    de tiktakstok voor gevorderden, de afhamerstok,

    de dirigeer- en streelstok, het ijscostokje
    – vergeet de eetstokjes niet

     

  • Persoonlijke essays en de moderne letteren

    Wie een studie wil maken van de poëticale opvattingen van H.C. ten Berge (1938) treft een ware ‘Fundgrube’  aan in zijn bundels met essays en dagboeknotities. Ruim twintig jaar na De honkvaste reiziger en Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken heeft Ten Berge wederom stukken verzameld en van een even mysterieuze titel voorzien: Een spreeuw voor Harriët. Behalve scherpzinnige analyses van het werk van collega-dichters die hij vaak persoonlijk kende zoals Breyten Breytenbach en A. Roland Holst, bevat dit derde boek ook essays en schetsen over de mens achter de literator. Waarbij Ten Berge niet alleen  exegeses van eigen werk geeft, maar ook zichzelf portretteert.

    Herbenoemen van de wereld
    Het meest centraal staat Ten Berge in de met foto’s verluchte afdeling ‘Eigen achtergronden’. Daarin figureren ook dichters en schrijvers die hij in zijn literaire carrière is tegengekomen, bespreekt hij zijn redacteurschap van tijdschrift Raster en zijn vernieuwende literatuuropvattingen. Opvallend hierbij is de objectieve kijk die Ten Berge op zichzelf heeft. Nergens ijdeltuiterij of zelfroem in deze afdeling die het stuk bevat waarnaar de hele bundel genoemd is. In ‘Een spreeuw voor Harriët’ toont Ten Berge dat hij als beginnend dichter al zocht naar het woord dat de wereld herbenoemt en nieuwe perspectieven opent in verten met naar verwachting wijkende kimmen.

    Jeugdgedicht
    Dit zeer persoonlijk essay bevat de ontstaansgeschiedenis van een jeugdgedicht. Het vers is een van Ten Berge’s eerste publicaties, verschenen bij de ‘Spreeuwenpers’ (oplage: één exemplaar) en opgedragen aan een vriendin. De thematiek van zijn debuut Poolsneeuw en volgende bundels – die samen met werk van vooral Hans Faverey en van Gerrit Kouwenaar de experimentele poëzie uit de jaren Vijftig ‘gecorrigeerd’ hebben – tekent zich in dit gedicht af. De reis voert niet naar noordelijke of andere ver gelegen onontgonnen gebieden (waar een horizon, die hoe dichter deze genaderd wordt, in rook blijkt op te gaan). Het is echter een even verwachtingsvolle reis naar Zuid-Europa die óók in het niets eindigt: de reiziger is ‘opgebrand / Of neergeschoten op de vlucht.’ Gevolgd door de verrassende slotregels: ‘Niemand die hem mist? / Ja, ik!’

    Sterke taalbouwsels
    Het titelessay doet in zijn sterk (auto)biografisch getintheid niet onder voor de andere stukken over schrijvers- en dichterslevens. Onmiskenbaar is de maker en kunstenaar met zijn werk verstrengeld. Hoe boeiend de biografische gegevens op zichzelf ook zijn, voor Ten Berge moeten ze het werk overstijgen. De door Ten Berge bewonderde Breytenbach bijvoorbeeld, is een meester in zulke sublimaties. Hij weet als geen ander persoonlijke ervaringen en observaties te verbinden met het ‘algemene’.
    Evenals de poëzie en het verhalend proza (Ten Berge schreef enkele romans en novellen) kunnen de essays goed in elkaar gezette en prachtige taalbouwsels worden genoemd. Niet alleen weet Ten Berge het ‘juiste’ woord te vinden maar ook de vorm die dat woord in kracht en ‘onsterfelijkheid’ laat stralen. De nieuwe en vruchtbare gronden waarnaar hij in zijn poëzie steeds weer vergeefs op zoek is, komen in de essays open te liggen in de zoektocht naar de mens achter het literaire werk.

    Vertrek van een nulpunt
    Op deze reis is de collega-dichter en -schrijver een lotgenoot van Ten Berge, iemand die net als hij telkens weer op vluchtigheid stuit en betrekkelijk weinig weet te doorgronden. Een ander punt van overeenkomst met de meeste besproken literatoren of andere kunstenaars is dat zij vaak vertrekken vanuit een nulpunt. Wat hen aan ‘werkelijkheid’ omringt, wordt vóór de zoektocht gezuiverd en leeggemaakt om van daaruit tot een diepgaander ontdekking te komen dan voorheen was gedaan.
    Geen wonder dat Ten Berge zoals hij in Een spreeuw voor Harriët ook zelf aanstipt, grote belangstelling aan de dag legt voor de ‘primitieve’ sprookjes en mythen, voor de middeleeuwen (de mystiek van Hadewych, de vaganten en de danse macabre) en voor de cultuur van de Azteken. Geen wonder ook dat hij in twee essays in Een spreeuw voor Harriët de bloeiende Duitse ‘Kosmische kring’ (ca. 1900) rond Stephan George centraal stelt.

    Ten Berge ziet in Albert Verwey – die nadat hij deel had uitgemaakt van de Beweging van Tachtig en zich mede onder invloed van die kring vernieuwde – een van zijn ‘historische’ metgezellen. De door Ten Berge ondernomen zoektocht is van alle tijden, evengoed als de verbeelding die daaraan vorm heeft gegeven. Bij alle verschillen is op zijn lijf het streven van Verwey geschreven, de Idee van de Verborgen Eenheid van Ik en wereld, zichtbaar gemaakt door de verbeelding.
    De lezer krijgt met Een spreeuw voor Harriët een literatuurgeschiedenis annex relaas over de moderne letteren voorgeschoteld via een speciale, maar veel omvattende invalshoek.

     

     

  • Een bundel om van bij te komen

    De schrijver Atte Jongstra debuteerde in 1985 met een solide en aanstekelijk geschreven studie over de Multatulianen naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van het Multatuli Genootschap. Hij gaf daarmee een goede doch misleidende indruk. Na dit boek volgden tientallen publicaties die moeilijk onder een noemer te vangen zijn, zeker niet onder de noemer literair-historische documentatie waar zijn Multatulianenboek toe gerekend kan worden. Met de dichtbundel Furunkel voegt Jongstra weer een noviteit toe aan zijn oeuvre: het is de eerste dichtbundel die hij – de zestig inmiddels gepasseerd –  onder eigen naam publiceert.

    Ongrijpbaar
    Furunkel
    bevestigt Jongstra’s reputatie van ‘nergens bij willen horen’. Épater le bourgeois – dat doet Atte Jongstra het liefst. Van ongrijpbaar naar onbegrijpelijk, Komrij meets Lucebert, zeg maar. Niet voor niks luidde de ondertitel van Jongstra’s autobiografie in de Privé-domein-reeks ‘bekentenissen van een zelfontwijker’. De signalen die Jongstra op zijn lezers afvuurt liegen er niet om. Een furunkel is een steenpuist. Het openingsgedicht van de bundel heet ‘Over de papegaai’. Het volgende fragment is ontleend aan de derde en laatste strofe:

    […] Wij dichters zijn rijk
    met kleur gezegend en voorzien de mensen,
    en om en om elkaar, van oude taal, van
    adeldom. Voor zolang de mensheid duurt.
    Daarna de papegaai, met zijn enige
    echte openbaring.

    Verwarring alom
    Welnu: de welsprekendheid van een papegaai mag bekend worden verondersteld. En dat is dus volgens deze dichter de ‘echte openbaring’. De lezer is gewaarschuwd. De dichter presenteert zijn nummers vervolgens als een dompteur in een vaudeville: hij verbluft, varieert en onderhoudt. Zo gauw de lezer denkt te weten wat ‘ie kan verwachten volgt er iets anders. Wat overheerst is verwarring.
    Het kortste gedicht van de voorstelling beslaat zes regels, het langste bestaat uit zes delen en omvat 8 pagina’s, inclusief drie motto’s: uit een Mariahymne, één van Goethe en één van Napoleon (‘Was je niet, ik kom eraan!’). De onbeheerste zinnelijkheid die in deze bundel frequent valt aan te wijzen, ook die is in alle directheid in de eerste plaats ongewoon – en zelden poëtisch.

    [ …] Ik had je graag op knieën
    willen dwingen en je volle lippen om
    mijn pik gevoeld … [etc.]

    of

    In de zomeravondzwoelte streel ik je altijd stuwend
    gat, je lubberende stoelzit, flodderend, vloeiend,
    luwend onder mijn vingeren, zachtjes veraambeiend
    […] (uit het gedicht ‘Cloacina, heilige’

    Podiumpoëzie
    Opmerkelijk is dat een zo veelzijdig, origineel en ‘postmodern’ auteur zich niet aan het schrijven van teksten voor toneel heeft gewaagd (de Nederlandse centrale catalogus kent althans geen toneelstukken van Atte Jongstra). Wellicht omdat hij beter zelf als performer kan optreden? Het moet gezegd: de bundel Furunkel schreeuwt om voordracht. Het vergt weinig fantasie om je voor te stellen welke indruk Jongstra zou wekken met een presentatie van gedichten uit deze bundel tijdens (bijvoorbeeld) de ‘Nacht van de Poëzie’. Zijn harde, nasale stem, het dreunende Friese accent – en dan een tekst als deze, uit het gedicht ‘Boekenwerk’:

    Uit mijn dikke ballen ruk ik zo gewoon waar ieder bij staat
    een hele berg gedichten, ik spuit gasten die zingen als bejaarden
    tot ze wit gaan zien. Verdiende loon. Hadden ze maar gestorven
    moeten zijn. En hé, over hun liggende figuren kom ik me daar
    zomaar nog een keer, ik moet me werkelijk beheersen om niet
    factor zeven op hun krengen los te laten. […]

    De liefhebbers van podiumpoëzie zullen, na de indringende voordracht van een tekst als deze, fluiten,  joelen en hun handen stuk klappen. Ten slotte: het laatste gedicht van de bundel heet ‘Wit’. Het is kort en ‘stil’ is het laatste woord van de laatste regel. Daar is de lezer dan ook wel aan toe: al was het maar om op adem te komen.