• Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Het huis uit

    Ik heb een grote doos gevuld met boeken die mijn huis moeten verlaten. Ze zijn gelezen, gewogen en te licht bevonden. Het was geen eenvoudige beslissing: ik hou van mijn boeken alsof het mijn kinderen zijn, maar net als in de dierenwereld, waar vogeljongen door hun ouders over de rand van het nest worden gekieperd om ze te dwingen hun vleugels uit te slaan, hebben ook kinderen af en toe een duwtje nodig om de thuishaven te kunnen verlaten. Deze vergelijking loopt natuurlijk vreselijk mank, want waar het mijn boeken betrof, had ik zelf dat duwtje nodig.

    Je kunt niet alles bewaren, had ik mezelf voorgehouden, er komt een moment waarop het huis vol is. Dat die gedachte zelfbedrog is, dat weet ik ook wel. Amper een maand geleden was ik op een boekenmarkt tekeer gegaan alsof ik moest hamsteren voor barre tijden waarin boeken verboden zouden worden.

    Uiteindelijk had ik een keuze gemaakt. Wat inhield dat ik in eerste instantie elk afgewezen boek om en omdraaide, doorbladerde, er een stukje uit las. Kortom: ik wikte en woog of het wel verstandig was dit boek weg te doen. Zou ik er geen spijt van krijgen? Zou ik niet na een week de onstuitbare drang krijgen om juist dat ene boek weer eens open te slaan? Was het wel zo’n oppervlakkig lichtgewicht, of verdiende het nog een twee kans om zijn onvermoede diepte prijs te geven? Maar ik had de plaatselijke boekenmarkt voor het goede doel al gebeld om te vragen of ze de doos wilden komen ophalen. Ik kon niet meer terug.

    Hoe anders had een vriendin van me gehandeld, toen haar boeken het huis uit dreigden te puilen! Ze had ondanks haar hoge leeftijd een veel groter huis gekocht in België en was blijmoedig daarnaartoe verhuisd met haar vijf katten en al haar boeken. Liever de rompslomp van een verhuizing dan een van haar vele boeken te moeten missen. Ik had haar nog gevraagd wat ze doen zou als ook in het nieuwe huis de beschikbare ruimte op den duur niet meer voldoende zou zijn. Lachend had ze gezegd dat het zo ver niet zou komen, tegen die tijd lag ze net als haar boeken tussen de planken. En wat er dan met haar boeken zou gebeuren, zou haar onbekend blijven, daar hoefde ze zich dan ook nu niet druk over te maken. ‘Als wij er zijn is de dood er niet, als de dood er is, zijn wij er niet.’

    Slordige notities (25)

    Wat is poëzie
    zonder de wind en de regen
    en de zon waarin alles weer droogt?
    hier is alleen
    het betonnen licht
    van een lege kelder

    H.A. Gomperts

    Vanmorgen vroeg haalde ik de krant uit de brievenbus en ik was buitengewoon verrast toen ik een grote doos vol boeken in de gang zag staan. Ik werd er op slag blij van. Een fractie van een seconde later besefte ik dat ik vergeten was dat ik die er zelf gisteravond neergezet had.  Vandaag wordt hij opgehaald. In een opwelling heb ik er gauw willekeurig een uitgehaald, het waren de verzamelde verhalen van Tennessee Williams, die mogen dan voorlopig blijven. Mijn huis is nog groot genoeg.

     

    (uit: Tirade 200, 1974)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Voorwaarts en lezen

    Zondagochtend stond ik in de keuken sinaasappelen te persen, radio aan op Vroege vogels. Bibi Dumon Tak las een column voor, over lezen en boerenburgerbeweging leider Caroline van der Plas. Die nooit een boek leest. Daar had ze geen tijd voor (hoor). Je zult het weten ook. Dat iemand het zich kan veroorloven niet te lezen. In mijn wereld struikel ik over boeken. Waar je kijkt, vind je er een, of meer. Weet je niet welke richting je op moet? Lees maar. Met elk boek, begrijp ik de wereld om me heen een beetje meer. Een boek als inspirator, een schrijver als voorbeeld.

    Ik dacht aan de kinderen (als die er waren) van Van der Plas. Ze lijkt me een stoere moeder die haar kinderen aan de oren bij de dingen van de dag zou houden. Maar, als zij niet leest, zou ze haar kinderen, (als ze die dus had) dan hebben voorgelezen? Zou ze anders naar de veestapels van nu hebben gekeken als ze haar kinderen had voorgelezen uit (bijvoorbeeld) Het koeienboek van Dumon Tak? Hoe zouden de dingen zich dan ontwikkeld hebben.

    Toen dacht ik aan Monica Keijzer. Leest zij wel eens een boek, en die verongelijkte man met zijn geblondeerde haren. Zou hij wel eens een goede roman of een andersdenkende openslaan? Aan de mate van zelfingenomenheid is de niet-lezer te herkennen. Aan de toon van het grote gelijk.

    Noem niet de naam van degenen die de samenleving schade berokkenen, de wereld als hun eigendom (lees dan toch een boek) zien. Hun denkbeelden, evenals zijzelf zullen als verdorde zaden uit het gemeenschappelijk gedachtegoed verdwijnen. Let op, geef het geen water. Maar dan, nederigheid.

    Eens zong ik in een strijdkoor (waar zijn ze gebleven). We zongen het Solidariteitslied van Bertolt Brecht op muziek van Hanns Eisler. Zangadvies: hard en vals. ‘Voorwaarts en niet vergeten / bij honger en bij eten / de solidariteit!’ Hoe dat voelde. Brecht toont waar het rafelt tussen rijk en arm en de angst voor het vreemde. Verzet om te bevrijden wat is vastgelegd.

    In Gesprekken tussen vluchtelingen zijn dialogen tussen twee mannen in exil begin jaren veertig. De uit Duitsland gevluchtte mannen, een intellectueel en een arbeider, ontmoeten elkaar in de stationsrestauratie van Station Helsinki.De tegenstelling van denken bij de intellectueel en de arbeider is essentieel in deze gesprekken.

    Mijn instemmigheid onderstreepte ik met potlood. Dingen als ‘Orde heb je tegenwoordig meestal waar niets is. Het is een teken van gebrek.’ te onderstrepen. Na elke ontmoeting (19 gesprekken) volgt steeds als een refrein: ‘Toen namen ze afscheid en vertrokken ze, ieder naar zijn eigen plek.’

    Ik omcirkelde in zijn geheel wat de arbeider aan de intellectueel vertelde. ‘Toen ik een jaar of zeven was, moest ik sogges vroeg voor school kranten rondbrengen, da’s vlijt – en het geld pakten pa en ma me af, da’s gehoorzaamheid. Als pa lazarus thuiskwam, had hij er de pest in dat hij zijn halve weekloon had opgezopen, en dan kregen we een pak rammel, zo hebben we pijn leren verdragen, en als we aardappels kregen en ook nog eens te weinig, moesten we dank u wel zeggen, uit dankbaarheid, geloof ik.’ En wat me daarin aanspreekt.

    Meesterlijke, maar ook wrange gesprekken over armoede, Hegel, leiderschap, verbanning en ja, alles is politiek. Ik onderstreepte, ‘Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.’ Hoe je de logica van het leven ontdekt wanneer je geen thuis hebt. Er wordt gesproken over Hitler als ‘hoeheetienou’, en Mussolini als ‘Dinges’.

    Ik omcirkelde waar ze voor het eerst over fascisme hoorde. En over Hoeheetienou dit: ‘Als rijkskanselier had hij bevolen dat we hem (…) niks mochten betalen, allemaal liefdewerk oud papier natuurlijk, maar meteen daarna heeft hij bevolen dat we zijn boek Mein Kampf van hem moesten kopen, zodat zijn strijd nog een bestseller werd ook. Van de opbrengst heeft hij de Reichswehr en de rijkskanselarij gekocht en kon hij er nog aardig van leven.’ Meesterlijk, zei ik het niet.

    Waarop ze afscheid namen en vertrokken, ieder naar zijn eigen plek. Zie dit boek als een mustread tijdens het kerstreces. Voorwaarts en lezen maar.

     

     

    Gesprekken tussen vluchtelingen / Bertolt Brecht / 167 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

     

  • In memoriam Het Liegend Konijn

     


    Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937)  het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang  als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.

    Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.

    Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.

    In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.

    Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.

    En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn.
    Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord. 

     

     

  • Fotosynthese 36 – Verliefd op Japan

     


    Op Lefkas zag ik dit beeld van Lefkadios Hearn. Het was niet de buste zelf die mijn aandacht trok, maar diens tweede naam op de plaquette eronder: Yakumo Koïzoumi (1850-1904).
    Twee weken voor mijn vakantie had ik De zwevende wereld van Annejet van der Zijl gelezen over het leven van Franz von Siebold (1796-1866) en zijn Japanse vrouw en kind. In dat boek legt de schrijfster uit dat verschillende verwijzingen naar Japan, eerder in haar leven, ineens op hun plek vielen tijdens een rondleiding in het door Frank Lloyd Wright ontworpen huis ‘Falling Waters’ in Pennsylvania. Wright was geïnspireerd door over de rivier hangende theehuizen in Japan; in het pand hangen bovendien prenten van Ando Hiroshige. Ze wist ineens dat haar volgende boek over Von Siebold moest gaan: de man die onder andere de Japanse kunst in Europa introduceerde.

    Dat ik hier in Lefkas De zwevende wereld nog in mijn hoofd had was beslissend. Ik zou anders hoogstwaarschijnlijk niet lang bij het beeld stil zijn blijven staan. Nu wilde ik weten wat de connectie met Japan was van deze 16 jaar voor Von Siebolds dood geboren Hearn (Πατρίκιος Λευκάδιος Χερν). Ik kreeg al snel het gevoel dat de stad Lefkas veel eer naar zich toe trekt: Lafkadios werd er geboren, maar vertrok amper twee jaar later al naar Dublin. De tekst op de plaquette laat zelfs zijn werkelijke Ierse voornaam Patrick weg, als om te benadrukken welke eer hij Lefkas bewees door zijn tweede. Hearns Ierse vader Charles was getrouwd met de Griekse Rosa Cassimati. Het was een huwelijk dat niet lang stand hield. Hearn groeide op bij pleegouders in Ierland, kwam op zijn 19de in Cincinnati terecht en later in Louisiana (New Orleans). Zijn pleegfamilie liet hem al vroeg aan zijn lot over. Ook zijn vader en moeder zag hij nooit meer.

    In Amerika werd hij journalist, was zes jaar getrouwd met een voormalige slavin (wat als illegaal gold), ging Franse literatuur vertalen en publiceerde over thema’s als geweld, corruptie en criminaliteit in zijn stad. In 1890, 40 jaar oud, trok hij voor zijn krant als correspondent naar Japan, dat zijn grote liefde zou worden. Hij werd er docent Engels in Matsue en trouwde er met de Japanse samoeraidochter Koïzumi Setsuko, met wie hij vier kinderen kreeg. Hij werd Japans staatsburger en bekeerde zich tot het boeddhisme. Tegelijk met zijn naturalisatie nam hij zijn nieuwe naam aan, een eerbetoon aan zijn nieuwe land en aan zijn vrouw, die ook Koïzumi heette (Yakumi is een poëtische verwijzing naar de streek war het gezin woonde). Na een hartaanval werd hij begraven in Tokio.

    In een toelichting bij het beeld dat ik in Lefkas zag wordt zijn grote betekenis genoemd voor de westerse kijk op Japan. Is dat niet wat chauvinistisch in zijn geboortestad Lefkas?
    Ik had nooit van Hearn gehoord. Over Von Siebold las ik al lang geleden dat hij dé man was die Europa’s blik op Japan wist te richten. Er zijn volgens Van der Zijl aan Von Siebold gewijde musea in Nederland, Duitsland en Japan. Ook Hearn staat centraal in twee musea in Japan. Leiden eert Von Siebold in het naar hem genoemde Huis aan het Rapenburg; Lefkas heeft het (kleinere) Lafcadio Hearn Historical Center. En zoals Von Siebold zijn botanische tuinen kreeg in Leiden, zo kreeg Hearn zijn Japanese Gardens in het Ierse Waterford.

    Hearn wordt in De zwevende wereld niet genoemd. Dat is te billijken: er zijn na Von Siebold meer mensen geweest die hielpen het venster op Japan open te houden.
    Over Hearn verscheen bij mijn weten maar één biografie, The Outsider: The Life and Work of Lafcadio Hearn: The Man Who Introduced Voodoo, Creole Cooking and Japanese Ghosts to the World. Die noemt op zijn beurt Von Siebold ook niet. De subtitel wijst er al op dat Hearn heel andere interesses had. Von Siebold was wetenschapper, arts en geïnteresseerd in botanie en handel. Hearn vooral in Japanse mythen en spookverhalen. Die vertaalde hij in onder andere zijn bekendste boek Kwaidan (ook verfilmd).
    Ik heb een poging gedaan de biografie te lezen. Mijn aandacht verslapte snel. Geef me dan maar Von Siebold. Ik ben er van overtuigd dat zijn betekenis, ondanks zijn – door Van Zijl uitdrukkelijk beschreven kwalijke kanten – groter is. Dat vind ik geen chauvinisme van mezelf.

     

  • Nobelprijs voor Literatuur voor László Krasznahorkai

     


    Dat je dan toch niks gelezen hebt van de schrijver die dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur kreeg toegekend.
    De in Duitsland wonende Hongaarse schrijver László Krasznahorkai (1954) kwam deze eer toe, ‘voor zijn meeslepende en visionaire oeuvre dat, te midden van apocalyptische terreur, de kracht van kunst bevestigt’.

    Krasznahorkai publiceerde negen romans, waarvan er vijf in het Nederlands werden vertaald door Mari Alföldy. Ook schreef hij korte verhalen, essays en scenario’s waaronder voor de zeven uur durende verfilming van zijn debuutroman Satantango (1985). In 2012 verscheen deze roman in het Nederlands.

    De schrijver die in 2004 de belangrijke Hongaarse Kossuthprijs ontving en in 2015 de Man Booker International Prize, liet weten zeer verrast te zijn door de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur en dat hij er niet op gerekend had, maar zeer verheugd was.

    ‘Ik ben diep verheugd dat ik de Nobelprijs heb ontvangen — vooral omdat deze onderscheiding bewijst dat de literatuur op zichzelf bestaat, voorbij allerlei niet-literaire verwachtingen, en dat zij nog altijd gelezen wordt. En voor wie literatuur leest, biedt zij een zekere hoop dat schoonheid, nobelheid en het sublieme nog steeds bestaan omwille van henzelf. Misschien biedt zij zelfs hoop aan hen in wie het leven zelf nog maar zwakjes flakkert. Heb vertrouwen – ook als er ogenschijnlijk geen reden toe is.

    Krasznahorkai wordt een groot schrijver genoemd in de orde van Kafka en Thomas Bernard. Zijn stijl wordt gekenmerkt door absurdisme en groteske overdaad. In de woorden van het Nobelprijscomité: ‘De artistieke blik van Krasznahorkai kijkt zonder illusies dwars door de breekbaarheid van de sociale orde. Tegelijk gelooft hij standvastig in de kracht van kunst.’
    Opgegroeid in armoede is armoede een thema dat regelmatig geromantiseerd terugkomt in zijn werk. Volgens Krasznahorkai: ‘Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben.’ In zijn boeken verheft hij armoede tot schoonheid. Krasznahorkai wordt gezien als een schrijver met een volstrekt authentieke stem die ‘wil schrijven over de wereld, niet over het communisme in Hongarije, niet over Hongarije, maar over een diepere laag in de wereld.’ Dat is zijn drijfveer.

    Aan de Nobelprijs is een geldbedrag van ongeveer een miljoen euro verbonden en wordt uitgereikt op 10 december in Stockholm (Zweden).

     

    Tekening auteur: Niklas Elmehed © Nobel Prize Outreach

     

  • Verbindend evenement van woorden en mensen

     


    De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.

    Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
    Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.

    In de ban van poëzie

    Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
    Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.

     

    Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka

     

    Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.

    Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende –  geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.

    Voorbij de Nacht

    Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:

    ‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
    dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
    de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
    waarop we na lang nadenken schreven: nee!’

     

    Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie

     

    Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm


    De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.

     

  • Ontdekkingsreiziger

    Mijn lerares Engelse literatuur nam haar taakomschrijving wel heel erg letterlijk: nooit sloop er een dichter in haar lessen die niet uit Engeland kwam. Geen Amerikanen als Walt Whitman of Ezra Pound. Geen Ieren, als Yeats of Seamus Heaney.  Maar ook nooit een vrouwelijke dichter, geen Christina Rossetti of Elizabeth Barrett Browning. En nooit eigentijdse dichters, maar altijd die uit een stoffig verleden. En veel, heel veel Shakespeare en John Donne. Ik vond het niet erg toen, voor mij was alles nieuw.

    Veel later zou mijn ongebreidelde nieuwsgierigheid en liefde voor poëzie op papier hele  continenten voor me ontvouwen: Sharon Olds, Mary Oliver en Elizabeth Bischop in Amerika, Gwen Harwood in Australië. En ook Engeland zelf had meer te bieden dan ik ooit geleerd had: Stevie Smith, A.E. Fanthorpe, Philip Larkin. Ik drong als ware een ontdekkingsreiziger steeds verder door in onbekend gebied, de ene vondst voerde me naar de andere en ik genoot van alles wat ik tegenkwam.

    Een van mijn laatste ontdekkingen betrof Delmore Schwartz, een Amerikaanse dichter, van wie ik nooit eerder gehoord had, maar van wiens werk ik veel was gaan houden. Hij debuteerde in 1938 met In dreams begin responsibilities, een bundel met verhalen en gedichten, en hij werd meteen het wonderkind van literair Amerika: geniaal, briljant en gek als hij was leek hij de belofte van de toekomst. Maar nu is hij vrijwel vergeten, wonderkinderen kunnen maar zelden hun belofte waar maken. ‘En een wonderkind van veertig/ Dat is een naar geval/ Die zo veel had kunnen worden/ Maar die niks meer worden zal’, zong ook Boudewijn de Groot.

    Ik kocht eens het bundeltje Summer Knowledge van Delmore, en toen ik onlangs op de boekenmarkt in Utrecht een biografie van hem aantrof, wilde ik die eigenlijk meteen hebben. Maar ik was nog maar net aangekomen, eerst maar eens rondkijken wat er nog meer te koop was. Dat boek wachtte wel op me, wie kende Delmore nou? Maar toen ik na een hele middag rondneuzen terugging om het boek te kopen, was het weg. Zoals elke ontdekkingsreiziger had ik er niet bij stilgestaan dat anderen er eerder bij zouden kunnen zijn. Er waren dus lezers die een heel andere lerares Engels hadden gekend. Mijn arrogantie te denken dat ik de enige was die zich bezighield met Delmore, werd nog harder afgestraft toen ik hoorde dat er sinds kort een selectie van zijn gedichten door Jur Koksma en Joep Stapel bij uitgeverij Vleugels in het Nederlands vertaald is: Een orang-oetan en geen Hongaar! 

    ‘Gaven en keuzes! Alle mensen zijn gemaskerd
    en wij zijn clowns die denken ons gezicht te kunnen kiezen
    en de tijd leert ons over de omstandigheden
    en we hebben griep, blond haar en wiskunde,
    want we hebben gaven die onze keuzes doorkruisen
    en met al onze keuzes spelen we ezeltje-prik:
    “Eenmaal getrouwd was mijn vrouw heel anders,”
    “Ik ben advocaat, maar plantkunde is mijn passie,”
    spaar zegels of foto’s, maar
    vergeet je ziel niet! Alleen het verleden is onsterfelijk.’

    Ik voelde me enigszins getroost door de boeken die ik wel had weten te veroveren, Yeats, Wilde, Plath en Faulkner, die een bekend en vertrouwd gebied vormden. En die biografie van Delmore,die ontdek ik nog wel.

     

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Via kunst naar de wereld kijken

    Dit voorjaar werd Paul Demets gelauwerd met de Grote Poëzieprijs voor zijn bundel De schaamsoort, Briefgedichten aan Guido Gezelle. Hij had niet verwacht dat deze bundel, omdat het toch wel een echt Vlaamse bundel was geworden, in Nederland zou opvallen. ‘Toen hij de longlist bereikte dacht ik, wauw, ze hebben hem gezien. En dan komt de shortlist, en je denkt, geweldig. Ja, en dan viel ik echt van mijn stoel.’

    Paul Demets (1966) debuteerde in 1999 met de bundel De papegaaienziekte, maar zijn eigenlijke debuut, Het web van omtrek, waar hij aan schreef tussen 1988 en 1993, verscheen in 2021. Uitgangspunt van deze bundel was het werk van kunstenaar  Roger Raveel (1921– 2013). Als ongepubliceerd werk kreeg het in 1993 een eervolle vermelding van de Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen. Dat er wel meer werk in de la blijft liggen leek voor lange tijd een gewoonte van de dichter. Wel publiceerde hij geregeld in literaire bladen zoals Het Liegend Konijn, maar van een bundel samenstellen kwam het vaak niet.

    Op donderdag 2 juli, een van de warmste dagen van deze zomer, bezocht ik dichter Paul Demets in het monumentale pand waarin de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) gevestigd is en waar hij lector is.

    Het KASK-café, waar we hadden afgesproken, is vanwege vakantie gesloten. We zullen uitwijken naar zijn werkkamer, maar eerst een ijsje. Kom, zegt Demets, dan trakteer ik op ijs. We gaan naar de achterzijde van de academie waar buiten een ijscowagen staat om kandidaat-studenten die deze dagen toelatingsgesprekken hebben, enige verkoeling te bieden. We passeren collega’s die hij enthousiast kond doet van de uit Nederland gekomen interviewer voor Literair Nederland. Als we door de monumentale gangen naar zijn werkkamer lopen, onze voetstappen ruisend over de oude vloeren, onderbroken door het openduwen van klapdeuren, vertelt Demets, vaderlijk glunderend, dat zijn jongste dochter net aan deze academie haar master grafisch ontwerp-illustratie heeft behaald.

    In zijn werkkamer op de eerste verdieping nemen we plaats aan een tafel. Stapels papieren waar je kijkt, twee computerschermen, posters aan de muur, (waaronder een van filmmaker Chantal Akerman, waarover later meer), volgepakte boekenplanken, waartussen, zo wijst Demets me, het volledige werk van de Vlaamse dichter Guido Gezelle staat.

    We spreken over het ontstaan van De schaamsoort, over de cesuur in zijn leven en over het benaderen van de werkelijkheid via de kunst of via de werkelijkheid zelf. En dan zijn er nog al die bundels die uit een la komen, of er in blijven liggen, het maken van poëziefilms en dat de politiek er tussendoor schemert.


    Hoe was het om deze prijs te winnen?

    Lachend: 
‘Gelukkig had ik die dag daarop al terug les, ik had niet veel tijd om naast mijn schoenen te lopen. Dat zit misschien ook niet zo in mijn aard.’ Dan, ernstiger, ‘Het geeft wel een diep gevoel van geluk en vooral een soort vertrouwen om door te gaan.’

    Op het moment dat Demets de prijs ontving, had hij ongeveer op de dag af tien jaar geleden een hartstilstand gekregen. Die ochtend was Demets benauwd op de borst en had pijn in zijn arm en bij zijn hals. In plaats van naar de KASK te gaan, reed hij naar het ziekenhuis waar hij met spoed geholpen werd. ’Die prijs had voor mij dus ook iets heel symbolisch. ’ Zijn oudste dochter werd geboren met een hartafwijking en onderging open hartoperaties. In bedekte termen schreef hij daarover in zijn bundel De landsheer van de Lethe


    De woorden van Remco Campert, ‘Poëzie is een daad van bevestiging, de bevestiging dat ik leef’ krijgen hier hun eigen betekenis?

    ‘Absoluut, en ook dat ik niet alleen leef. Die twee aspecten zijn heel belangrijk. Dat ik niet alleen leef, was in mijn dagelijkse bezigheden al belangrijk voor mij. Ik heb altijd lesgegeven, dan leef je niet alleen, dan geef je dingen door, probeer je te enthousiasmeren, te ondersteunen. Na mijn hartoperatie is dat nog belangrijker voor me geworden.’


    Is er daarna ook iets veranderd in je poëzie, in hoe je schrijft?

    ‘De poëzie die ik tot dan toe schreef en publiceerde, kwam vooral uit het hoofd. Maar het lichamelijke aspect is voor mij veel belangrijker geworden. En ook de maatschappelijke betrokkenheid.’


    Hoe bedoel je dat precies?

    ‘Voor mij is het heel gewoon om te kijken naar de werkelijkheid via kunst. De kunst als een soort vlies dat tussen mij en de werkelijkheid staat. Ook via film bijvoorbeeld. Dat speelt nog altijd een rol, maar in sommige bundels kijk ik niet meer via kunst, maar rechtstreeks naar de werkelijkheid. En dat is een nieuw aspect.’

    Enkele maanden na zijn operatie, werd Demets door het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen gevraagd als plattelandsdichter. Aanvankelijk voelde hij zich er niet klaar voor om in opdracht te gaan schrijven, maar toen bleek dat hij de vrije hand kreeg in de invulling daarvan, stemde hij toe. ‘Dat vond ik eigenlijk wel fijn. Want om terug te keren naar het citaat van Remco Campert, dat ik niet alleen leef, dat was voor mij ook een heel belangrijk aspect om het te accepteren.’

    ‘Ik dacht dat dit nu misschien wel de gelegenheid was om even letterlijk uit te zwermen over het platteland. Om te praten over wat de mensen op het platteland bezighoudt, wat hen drijft en ontgoochelt. Aan verkiezingsresultaten in heel Europa is te zien dat er veel breuklijnen in de samenleving komen bloot te liggen, één van die breuklijnen is tussen stad en platteland. Het klimaat gaat mij al ruim twintig jaar ter harte en ik zat dan ook met die achtergrond aan de keukentafel bij landbouwers. Sommige gezinnen zitten al jaren in de problemen. Dan heeft zo’n veevoederbedrijf gezegd, weet je, we sluiten een deal. Wij bouwen twee stallen voor je. Stop met gemengde landbouw, alleen nog varkens. En in plaats van 30 varkens, 300 of meer. Plots blijken die landbouwers werknemers van het veevoederbedrijf op hun eigen boerderij te zijn. Ze zeiden mij ook wel dat ik anders denk dan zij. En dat is natuurlijk ook zo.’


    Wat kan de betekenis van kunst en poëzie in deze tijd zijn?

    ‘Kunst en poëzie zullen de wereld niet kunnen redden vrees ik, maar bieden wel andere perspectieven vanuit de meerduidigheid. Dat is iets waar ik zelf van hou in literatuur, poëzie en kunst. Dat het mij aan het denken zet en zich niet in zijn onmiddellijkheid aan me meedeelt. Ik heb graag dat ik uitgedaagd word. Dus dat vind ik wel belangrijk voor mijn eigen werk, dat iemand ernaar teruggrijpt en nog eens leest en misschien andere dingen ziet. Die openheid van interpretatie vind ik wel belangrijk.’


    Wat betekent Gezelle voor jou?

    ‘Hij heeft mij gevormd en heeft grote indruk op mij gemaakt. Want zijn stem is zo uniek dat je dat onmogelijk kunt proberen na te bootsen.’

    ‘In 2010 vroeg Gwy Mandelinck ((1937-2024), oprichter poëziefestival Watou Iv/dG ) aan dichters, onder wie aan mij, om een gedicht te schrijven gebaseerd op het leven en werk van Gezelle. Ik vond het een boeiende uitdaging want ik kende het werk van Gezelle, waarmee ik niet durf te beweren dat ik het toen al volledig gelezen had. Zijn poëzie kende ik, maar die andere kant, de bijna krijgshaftige voor het katholicisme strijdende polemist Gezelle kende ik niet. Dat was wel interessant. Maar ook zijn ecologisch bewustzijn, al was dat bij hem ook ideologisch gekleurd. Zijn allereerste gedicht ‘De Mandelbeke’, daar zit iets heel kritisch in over de oprukkende industrialisering. Dat, en zijn bekommernis om de natuur hebben mij opnieuw voor zijn werk gewonnen en zorgde veertien jaar geleden voor het begin van De schaamsoort.’


    Heb je je weleens een voorstelling gemaakt hoe Gezelle zou kunnen reageren?

    ‘Ja, absoluut. Ik heb hem, een man uit de negentiende eeuw, zeker niet willen bekritiseren want dat zou wel heel oneerlijk zijn. Maar ik had hem weleens willen horen over bijvoorbeeld de educatieve context. Die had hij in Roeselare, in zijn school waar hij lesgaf.  Dat blijkt uit de briefwisseling. Hij verzamelde een groepje jongeren rond zich en zette die aan om poëzie te schrijven. Wat ik ook doe, maar bij hem had dat een ideologische reden. Want hij schreef letterlijk in een brief:  gebruik Vlaamse woorden, want dat is belangrijk. We moeten het Vlaams emanciperen. Dat soort emancipatie is mij totaal vreemd. Ik geef geen les om op ideologisch vlak invloed uit te oefenen en al zeker niet om Vlaanderen groter te maken. Dat zou niet werken, want mijn studenten komen uit alle windstreken. En dat vind ik alleen maar fijn.’

    In zijn bundel is er volgens Demets één facet van Gezelle onbelicht gebleven, ook omdat in een bundel nu eenmaal niet alles past, en dat is de openheid van geest die Gezelle ook had. Daarom maakte hij samen met oud-filmstudent Hooman Jeddy de poëziefilm Zie, zie, zie. Het werd een hommage aan Gezelle, aan wie hij was en hoe hij schreef.
    ‘Daarin hebben we een ontmoeting tussen de westerse katholieke cultuur en de oosterse Perzische cultuur filmisch gerealiseerd. Gezelle kende de Perzische poëzie die hij via een bisschop leerde kennen in een Engelse vertaling. Dat wijst op zijn intellectuele nieuwsgierigheid.’


    De bundel bestaat uit zeven afdelingen met elk als titel een van de zeven hoofdzonden. In de afdeling Gula (woede) schrijf je over de fatale ontgroening van Sanda Dia in 2016.

    ‘Ja, dat heeft mij heel erg beziggehouden. En die studentenclub Reuzegom uit Leuven, waar ik zelf gestudeerd heb. In het begin van de cyclus schets ik mijzelf en het studentenleven. Omdat ik mij niet superieur wilde opstellen, zo van: wat hebben die jongens toch gedaan en ik was beter en anders.’

    ‘Het is een verhaal waarin alleen maar verliezers zijn. Op de eerste plaats omdat die jongen er niet meer is. Maar ook die jongens die erbij betrokken zijn in de vorm van ongeremd groepsgedrag. Hoe ze verder en verder zijn gegaan tot het fout moest lopen. Ik heb het proces intens gevolgd en heb ook de verslagen gelezen. Wat heel dubbelzinnig is zoals je het ervaart. Ik bekijk het ook van twee kanten. Het zal je zoon maar zijn die daarbij betrokken was geraakt. En anderzijds de ouders van die jongen en dan het hele advocatengedoe natuurlijk. Hoe ze zoveel mogelijk die jongens die erbij betrokken waren, probeerden te beschermen.’

    ‘Wat mij ook wel raakte, is de juridische taal die gebruikt wordt en die bijna ontmenselijkt. Ik denk dat juristen zullen zeggen, dat is nu eenmaal eigen aan juridische taal, maar dat heb ik toch ook wel een plaats willen geven in die cyclus gedichten. Ik wou laten zien hoe identitair denken tot tribalisme kan leiden.’


    Ben je al met iets nieuws bezig?

    ‘Ja, en dat heeft ook met dat catharsismoment uit 2015 te maken. De jaren daaraan voorafgaand was ik niet zo bezig met publiceren in bundelvorm. Ik publiceerde zo nu en dan in tijdschriften zoals Het Liegend Konijn. Verder recenseerde ik vooral poëzie, theater en beeldende kunst, wat ik nog altijd graag doe. Mathematisch gezien zijn er vanaf het begin in 1989, toen ik echt aan een bundel begon te werken, ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven.’

    ‘Na mijn operaties waren er gesprekken met een psychologe. Ze vroeg wat ik tot nu toe in mijn leven had gedaan en wat ik anders zou willen doen. Er waren oudere patiënten die met werken wilden stoppen of een grote reis wilden maken. Maar ik dacht, ik ga gewoon verder met waar ik mee bezig ben: lesgeven, schrijven en recenseren. Op één kwam nog meer aandacht aan mijn gezin besteden. En als tweede dacht ik dat ik misschien wel iets meer wilde nalaten dan hier en daar wat verspreide gedichten.’

    Sindsdien is Demets  werk uit de lade aan het halen. Er zijn al meerdere bundels verschenen, al is het niet zo dat die afgewerkt klaar lagen.
    ‘Dat zou wel heel erg romantisch zijn, dat ik maar een lade open hoef te trekken en er rolt een bundel uit. Niet alles blijkt bij hernieuwde kennismaking geschikt om mee verder te gaan. Ik moet mij kunnen terugvinden in wat ik eerder geschreven heb, of ik laat het voorgoed in de lade.’

    ‘Mijn nieuwe bundel, Moederkoren die in oktober zal verschijnen, zit wat in de lijn van via kunst naar de wereld kijken. Ik ben er jaren mee bezig geweest. Maar hij is tegelijk ook heel lichamelijk en persoonlijk. Deze bundel is uit het werk van Chantal Akerman ontstaan. Ik gebruik haar werk als een soort canvas waarop ik dan mijn eigen wereld projecteer.’

    Paul Demets is op 31 oktober een van de eregasten tijdens het Nederlands Poëziefilm Festival 2025 te Zutphen. Tijdens het festival zal er een ruime selectie van films, gebaseerd op zijn gedichten, vertoond worden.


    De schaamsoort / Paul Demets / 88 blz. / Poeziecentrum Vzw (2024)

    Foto: Hilde Lauwers

  • In memoriam Harrie Geelen (1939–2025)

    Harrie Geelen (10 januari 1939 – 30 augustus 2025) was illustrator, schrijver, tekstdichter, scenarist, tekenfilmmaker, bewerker en vertaler. Zijn werk, verspreid over verschillende media, bereikte talloze lezers, luisteraars en kijkers. Generaties groeiden op met de muzikale kinderseries Oebele en Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?, die hij in de jaren zeventig schreef. Zijn jaren bij de Toonder Studio’s leverden korte tekenfilms op die nog altijd een eigen plaats innemen in de Nederlandse animatiegeschiedenis. Hij vertaalde talloze animatiefilms en regisseerde de nasynchronisatie van bekende Disneyfilms. Als illustrator was hij betrokken bij tientallen boeken, vaak in samenwerking met zijn levenspartner Imme Dros.

    Voor het blad Vooys, mocht ik samen met een mederedacteur een aantal jaar geleden het illustere duo interviewen. Ik was als kind helemaal verzot op de Griekse Mythen vertaald door Imme Dros en voorzien van Harrie Geelens bijzondere illustraties. Al vanaf het moment dat we binnenstapten in hun huis in Hilversum, kreeg ik het idee dat dit een ander interview dan anders zou zijn. Het witte herenhuis in Hilversum was binnen een kleurige boel, met vrolijke meubels en overal boeken en illustraties. Het was er donker en daardoor geheimzinnig. Ook toen het donker werd mochten de lampen niet allemaal aan, voor Imme die last van haar ogen heeft. We wilden Dros en Geelen eigenlijk spreken over het onzegbare en hoe je dat op papier brengt, maar in plaats daarvan spraken we vijf uur lang over hun rijke carrière en hun jeugd. Tussendoor werden we regelmatig voorzien van thee, wraps en koekjes van Texel (waar Imme Dros geboren is).

     

    Vanaf de bank was Harrie Geelen vrijwel onafgebroken aan het woord, af en toe ruw onderbroken door Imme Dros die ook graag wat wilde zeggen. Het was een vrolijke en enthousiaste man, die ons hals over kop meesleurde naar zijn werkkamer om zijn laatste projecten en zijn werkwijze te laten zien. Tussen zijn verhalen door buitelde het van de boektitels en projecten. Zijn werk werd ook veelvuldig bekroond, hij ontving onder meer de Zilveren Penseel voor Juffrouw Kachel (1992), de Zilveren Griffel voor Herman het Kind en de Dingen (1994), de Gouden Penseel voor Het beertje Pippeloentje (1995), de Woutertje Pieterse Prijs samen met Imme Dros voor Bijna Jarig (2006) en in 2014 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

    Over het op papier stellen van het onzegbare kwamen we bij ons interview niet echt meer te spreken, want zodra we eenmaal waren gaan zitten gaven we de regie van het gesprek uit handen. Harrie vertelde wel dat hij in zijn tekeningen niet de letterlijke handeling vatte, maar de dreiging, de weidsheid, de eenzaamheid of juist de tederheid van het geschrevene. Hij maakte beelden die er net zo goed niet hadden kunnen zijn, echt als ondersteuning van de tekst, maar die het boek wel onvergetelijk maakten.

     

    Harrie Geelen liep ook vaak tegen de beperkingen van zijn werk aan. Zijn verfilming van Annetje Lie in het holst van de nacht (2004), naar het gelijknamige boek van Imme Dros was een technisch hoogstandje in de begindagen van de digitale wereld. Hij maakte het voor de VPRO, maar echt succesvol werd het niet. Ook financieel waren er soms beperkingen, maar daarover zei hij: ‘Taal kost gelukkig verder niks; dat zit in je hoofd, en dat kun je opschrijven.’

    Hij laat een immens en veelzijdig oeuvre na, maar bovenal de herinnering aan een kunstenaar die nooit koos voor de makkelijke weg. Hij vond schoonheid in beperkingen en wist met schijnbaar ongeschikte middelen werelden op te roepen die velen inspireerden.

    Aan het eind van het interview vroeg ik Imme Dros en Harrie Geelen om mijn exemplaar van De macht van de liefde te signeren. Imme zette een snelle krabbel, maar Harrie tekende een prachtig Trojaans Paard voorin. Een echte Harrie Geelen, grove lijnen, waarin niet de vorm maar de essentie het belangrijkste is. Het wordt hoog tijd om die maar eens in te lijsten.

     

     

    Deels gebaseerd op Vooys 40.3: ‘In taal heb je andere dingen nodig dan woorden’ Interview met Imme Dros & Harrie Geelen door Jan Douwe Westhoeve & Bram Scharpach

     

     

  • Getipt door de recensenten van Literair Nederland

    We vroegen de recensenten van Literair Nederland drie titels te noemen die ze deze zomer willen gaan lezen. De keuze was niet eenvoudig, het ene boek riep de titel van een ander boek op, wat soms zorgde voor een dilemma. Want noem je De Baptisten, van Nyk de Vries, of toch Berghonger van Fleur Jongepier? Soms is het noemen van een titel genoeg om de lezer nieuwsgierig te maken. Enkelen lezen literatuur uit het land waar ze deze zomer verblijven, de ander herleest de boeken van Simone De Beauvoir, of haalt klassiekers uit de kast die toch eens gelezen moeten worden. Waarom dan niet in twee weken op het Ierse platteland nu eindelijk eens Ulysses uitlezen. Soms betreft de keuze een onvertaald boek, zoals Oekraïense gedichten van Serhiy Zhadan. Of boeken uit het nalatenschap van een moeder, waarin ook De Beauvoir zich ophield. En soms lees je gewoon waar je zin in hebt, pak je wat je voorbij ziet komen, of boeken die je bezighouden. Daar is deze rubriek dan weer goed voor, waarin een keur aan vertaalde en Nederlandstalige literatuur voorbij komt. En laat ons in een reactie gerust weten welke boeken u deze zomer leest! Dan zullen we die erbij plaatsten.

     


     

    Momenteel lees ik Het land van Hrabal van Rik Zaal, een roman over de werking van ons geheugen en schrijven onder een totalitair regime. Het roept literatuur uit dergelijke landen bij me op die diepe indruk op me maakte. Allereerst van de Tsjechische Bohumil Hrabal zelf. Zijn Al te luide eenzaamheid (ook door de ik-figuur, Hendrik Terpstra, in de roman van Zaal genoemd) begint zo: ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story. Vijfendertig jaar lang plet ik oud papier en boeken, vijfendertig jaar lang maak ik mijn handen aan de letteren vuil (…) tegen mijn wil ben ik ontwikkeld geraakt en eigenlijk weet ik ook niet welke gedachten van mij zijn, en welke ik me door het lezen eigen heb gemaakt’.



    Als tweede Schuilplaats voor andere tijden uit 2022 van de Bulgaar Georgi Gospodinov gaat ook over herinneringen waaraan we willen vasthouden. Over Oost-Europa: ‘Natuurlijk waren de burgers ervan allang uitgewaaierd, als familieleden die gedwongen waren samen te wonen onder één dak totdat de kinderen oud genoeg waren en iedereen zijn eigen weg ging (…) Ze wilden allemaal naar die (westerse) minnares, van wie ze droomden toen ze het gezamenlijke socialistische bed deelden’.

     

     

     

    Onvolprezen blijft tenslotte De lotgevallen van de brave soldaat Svejk van Hrabals landgenoot Jaroslav Hasek. Het is al uit 1923 maar de satire over een man die de boel saboteert door alle bevelen zo precies mogelijk uit te voeren en daardoor het gezag ondermijnt blijft aanspreken. De soldaat doet me, terwijl ik dit typ, ineens denken aan De klerk Bartleby van Herman Melville. Is die laatste met zijn fameuze ‘I prefer not to’  Svejks westerse tegenpool? En met die vraag ben ik terug bij Hendrik Terpstra. Hij maakt een onderscheid tussen Echte en Onechte Landen. Hij legt op pagina 37 van Het land van Hrabal uit wat hij daarmee bedoelt.

    Adri Altink


     

    Omdat ik tijdens mijn verblijf in Bretagne graag een klassieker lees die zich in dit deel van Frankrijk afspeelt, lees ik De Chouans (1829) van Honoré de Balzac. Een militaire historie en liefdesgeschiedenis ineen tijdens een opstand in Fougères. Een man en vrouw worden verliefd maar staan elk aan de andere kant van het conflict. Het is de Balzac-versie van Romeo & Juliet, Tony & Maria, en Danny & Sandy. De Nederlandse vertaling is niet meer verkrijgbaar, dus lees ik – digitaal – de Engelse vertaling. Met een extraatje, want als het bevalt kan ik de volledige ‘Comédie humaine’ gaan lezen want Balzac’s complete oeuvre staat nu in mijn digitale boekenkast.

     

     

    Nadat ik De Nacht beeft van Nadja Terranova had gelezen, over de gevolgen van een aardbeving op Sicilië dat je bij de lurven grijpt, wilde ik onmiddellijk meer van haar lezen. Afscheid van de geesten (2020) stond op de shortlist voor de Premio Strega en won de Premio Alassia Centolibri. Wederom is Sicilië het toneel, waarnaar Ida vanuit Rome terugkeert om het huis van jaar jeugd leeg te ruimen. Een literaire versie van mijn favoriete film, Nuovo Cinema Paradiso (Oscar voor de beste niet-Engelstalige film in 1989).  Niet meer leverbaar in Nederland, maar online vond ik een Nederlandse vertaling in Frankrijk. Inmiddels ligt het boek bij mij thuis op tafel te wachten tot ik tijd heb voor de Siciliaanse zomerhitte.

     

     

    Als ik over enkele weken naar Ierland vertrek wil ik James Joyce ter hand nemen. Vooralsnog staat Ulysses op het menu, een boek waar ik al vaak mee in mijn handen stond, maar steeds voor terugdeinsde. Ditmaal ga ik me eraan wagen. Het zal geen probleem zijn om dit boek te verkrijgen, al is het nog wel oppassen met de versies. Vanaf zijn publicatie is de roman controversieel, wat in meerdere landen tot een verbod leidde. En er zijn verschillende versies in omloop met elk een eigen interpretatie. Het schijnt geen makkelijk boek te zijn en eindigde in 2007 bij de Guardian-verkiezing van het minst uitgelezen boek op de derde plaats. Vandaar mijn eerdere huiver. Maar ik ben optimistisch. Twee weken op het platteland van Ierland, met voldoende tijd om te verpozen bij het haardvuur in deze of gene pub, moet voldoende zijn om het te lezen. Of om het weg te leggen.

    Martin Lok


     

    Van de internationaal bekende Oekraïense schrijver, dichter en rockster Serhiy Zhadan (1974) zijn twee van zijn twaalf romans in Nederlandse vertaling verschenen, maar zijn gedichten zijn, op een paar uitzonderingen na, nog niet vertaald. Deze zomertip betreft een Engelse vertaling  en is tegelijkertijd een pleidooi voor een uitgave in het Nederlands. How Fire Decends is een bundel met nieuwe en oude gedichten die in 2023 (Yale University Press) verscheen. Een keuze uit de bundels Psalms to Aviation (2021), List of Ships (2020), Antenna (2018), Templars (2016) en de laatste New Poems (2021-2022) zijn afkomstig van zijn Facebook-website, waaronder ook gedichten van na de Russische inval. 

    Zhadan is geboren in Staroblisk, een stad in Luhansk (Oost-Oekraïne) en hij woonde het grootste deel van zijn leven in Charkiv. Hij is activist vanaf de Oranje Revolutie (2004) en daarna de Maidan Revolutie (2013 – 2014). In het voorwoord schrijft Ilya Kaminsky dat Zhadan en zijn landgenoten werden bestormd door een pro-Russische menigte en hij gedwongen werd de Russische vlag te kussen. Hij weigerde, werd geslagen en liep een hersenschudding op. Deze dramatische gebeurtenis had invloed op zijn poëzie die een documentaire wending onderging.         

    De landschappen in het oosten van Oekraïne zijn aanwezig in al zijn werk, ook in de gedichten. Een fragment uit een langer gedicht: ‘The mutilated landscape clenches its teeth / framed by the light / slashed by moonlight / Pain and hope unite us / in the openings of the dark sky.’  

    In zijn laatste in het Duits vertaalde bundel schrijft Zhadan: ‘Voor het eerst had ik de behoefte mijn gedichten te dateren. Omdat de context meer betekenis had dan de tekst zelf. De gedichten van de laatste jaren verliezen hun autonomie, hun onafhankelijkheid, ze lijken steeds meer op een dagboek. Dat helpt het gevoel voor de tijd (…) niet te verliezen. De tijd betekent tegenwoordig veel, ze getuigt van je vaardigheid te spreken, je onvermogen te zwijgen.’   

    Ronald Bos  


     

    Een nieuw geluid, de geboorte van de moderne poëzie in Nederland door Gilles Dorleijn en Wiljan van de Akker beschrijft in meer dan 1000 pagina’s de vermeende ‘revolutie van Tachtig’. Het prachtig uitgegeven kloeke boek is ja en nee een literatuurgeschiedenis zeggen de schrijvers. ‘Nee’ want het beperkt zich tot de poëzie van Kloos en de zijnen en haren, ‘ja’ want de werkelijke invloed van de nieuwe dichters en hun nieuwe werk is in een breed literair kader onderzocht. In 41 hoofdstukken geven de beide emeritus hoogleraren een empirische basis aan, en een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis, de canon en gevestigde namen. Ze laten zien dat de nieuwe poëzie niet meer in dienst staat van kerk, kapitaal of politiek, maar een eigen scheppingsplan heeft. Dorleijn en Van den Akker spreken van een ‘autonomie +’. Met zijn twee kilo is het boek niet geschikt om mee te nemen op fietsvakantie maar het is wel een fijn boek om zo nu en dan wat hoofdstukken in te lezen. Of noem ik als eerste tip toch Tom Lanoys veelgeprezen ReinAard-bewerking?

     

    De baptisten moet een heerlijke roman zijn over hoofdpersoon Marten en muziekmaten, jongens uit gelovige dorpen in het noordoosten van Friesland. Een opgroeiroman tegen het decor van de opkomst en ondergang van hun band en van een kerkleven dat als vanzelfsprekend geaccepteerd en door iedereen gerespecteerd wordt. Het vraagstuk van het verdampende geloof in de wellicht wat pedant-atheïstisch westerse cultuur met minachting voor religie wordt kritisch benaderd door hoofdpersoon Marten, geboetseerd naar de schrijver zelf. Nyk de Vries (1971) is al meer dan twintig jaar actief als schrijver, muzikant en literair performer. Van 2019 tot 2021 was hij Dichter fan Fryslân. Hij is geboren en getogen in het Friese Noordbergum, heeft in Groningen gestudeerd en woont nu al jaren met zijn gezin in het zoals hij zelf zegt ‘gegentrificeerde’ Amsterdam-Oost. Hij weet dus waarover hij praat. ‘Ik voel me een intermediair tussen stad en platteland, geloof en ongeloof’, zegt hij zelf. Of noem ik Berghonger van de bergminnende filosofe Fleur Jongepier als eerste tip? Jongepier beschrijft berghonger, een bergzelf en bergmelancholie in dit zelfonderzoek dat mag leiden tot het opnieuw afstellen van het kompas van het leven.

     

    Dilemma van Erna Barth is een recent verschenen young adultboek. Hoofdpersoon Mick doet mee aan de eindronde van de filosofie-olympiade. Als hij wint, kan hij met het prijzengeld zijn vervolgstudie betalen; hij wil namelijk graag naar de landbouwhogeschool in Wageningen en later de boerderij van zijn ouders overnemen. Zijn vader ziet dat niet zitten. Hij heeft namelijk lang geleden tegen zijn zin zijn carrière als financieel directeur op moeten geven, is in plaats van tijdelijk, structureel ‘boer’ geworden en ziet liever dat zijn zoon een studie kiest ‘met meer perspectief’. Mick is stiekem naar de olympiade afgereisd. Hij komt daar in een rare situatie terecht waar in plaats van een serieuze filosofiewedstrijd vooral intriges en dubbele agenda’s een rol lijken te spelen. Spanning gegarandeerd dus! Daarnaast komen de beroemdste filosofen en filosofische begrippen langs in dit boek, dat opent met Aristoteles’ wijsheid ‘Twijfel is het begin van alle wijsheid’.

    Joke Aartsen


     

    In mijn boekenkast staat de boeken van Simone de Beauvoir, favorieten uit mijn twennertijd. De tweede sekse, Alle mensen zijn sterfelijk, De mandarijnen, Bloed van anderen, Met kramp in de ziel, Een wereld van mooie plaatjes en Uitgenodigd. Boeken die  kort na WO II geschreven en gepubliceerd zijn en heruitgegeven werden in de jaren ’80 door Agathon in een vertaling van Ernst van Altena. De maatschappelijke onderwerpen zoals existentialisme, feminisme en het patriarchaat zijn de hoofdthema’s van Simone De Beauvoir, hoewel zestig, zeventig jaar geleden geschreven zijn ze nog steeds verrassend actueel. 

    Uitgenodigd nam ik uit de boekenkast van mijn moeder. Ik bewaar sterke herinneringen aan die eerste lezing, er ging een wereld voor me open. Wanneer ik de eerste zinnen herlees, beleef ik hetzelfde als toen.Uitgenodigd is een sleutelroman, die gaat over een driehoeksverhouding tussen Pierre (Sartre), Francoise (De Beauvoir) en Xavière Pagès, (de Russische Olga) een jong meisje dat het echtpaar uitnodigt bij hen te komen wonen. De spanning tussen Francoise en Pierre wordt sterk opgebouwd. Want hoe feministisch en vrij van geest de echtelieden ook zijn, zodra jaloezie om de hoek komt kijken, is geen enkele relatie meer veilig. Tijd voor een herlezing, want alles is weggezakt.

     

    De mandarijen las ik negen jaar geleden, ik kwam mijn eigen recensie op Goodreads tegen. Het is een dikke pil met autobiografische aspecten. Een groep intellectuele Parijzenaren discussieert over de huidige wereld, koude oorlog, Algerijnse oorlog, waarin verzetsman Henri, (Albert Camus) een belangrijke rol speelt. Anne’s (De Beauvoir) innerlijke twijfel en haar uiterlijke beschaafdheid is sterk, ook de ongelijkwaardige strijd tussen man en vrouw wordt duidelijk. De mannen doen maar en de vrouwen zorgen. Dat intellectuele vrije klimaat, zonder enige bekrompenheid waarin toch ook niet alles pais en vree is, vind ik heel verfrissend. Erg genoten van dat boek. Tijd voor een nieuwe ontmoeting.

     

     

    Met kramp in de ziel is eigenlijk de Beauvoirs debuut, hoewel het pas in 1979 werd gepubliceerd. Ze was nog geen dertig toen ze, gebaseerd op haar eigen leven, aan de hand van vijf portretten van jonge vrouwen beschreef hoe ze zich ontworstelde aan het katholieke milieu. Vijf korte verhalen met eenzelfde thema die een eenheid vormen. 

    Marjet Maks

     


     

    Deze zomer heb ik besloten de boeken nog eens te lezen die ik meenam toen we mijn moeders huis uitruimden. Het betreft romans van Daphne du Maurier: Rachel, Janet, De kopermijn, Herberg Jamaica en van Pearl S. Buck: Oostenwind, westenwind en Het trotse hart. Boeken die verschenen tussen de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de Margriet-bibliotheek, gebonden exemplaren met een linnen kaft. Vaak was de vertaling geautoriseerd, wat betekende dat er flink in de tekst gesnoeid was. 

    Nobelprijswinnaar van 1938, Pearl Buck – door William Faulkner smalend ‘China hand Buck’ genoemd (hij kreeg de Nobelprijs pas elf jaar later) – schreef over China, het land waar ze opgroeide en waarnaar ze altijd heimwee bleef hebben. Bettine Vriesekoop schreef een biografie over haar, Het China-gevoel van Pearl S. Buck.

     

    Daphne du Maurier was een schrijfster met een heel complex karakter. Ze hield niet van publiciteit en trok zich meestal terug in haar geliefde Cornwall. Rebecca is haar beroemdste roman, maar voor mij is Rachel (vertaling van: My cousin Rachel) net iets beter. Steeds als ik het boek gelezen heb – en dat is al heel vaak – vraag ik me af of de hoofdpersoon onschuldig was of een berekenende intrigante. Misschien kom ik er na deze keer lezen achter. 

     

     

     

    Als ik praat over het werk van Sylvia Plath, reageren de meeste mensen met: ‘Oh, die vrouw die haar hoofd in de oven heeft gestoken omdat haar man vreemdging’. Dat kan me erg kwaad maken: ze heeft verdorie wel meer betekenis verdiend dan alleen om haar zelfgekozen dood herinnerd te worden. Om mezelf en anderen ervan te overtuigen hoe groot zij was als dichteres, heb ik me voorgenomen mijn oude bundel Collected Poems van haar nog eens door te nemen. Haar gedichten zijn zo persoonlijk en oprecht, dat je het gevoel krijgt haar gekend te hebben, al zijn diezelfde gedichten verre van gemakkelijk. Haar eerste bundel The Colossus bevat nog niet het dramatische werk dat pas met Ariel naar voren komt. Ik weet dat veel literatuurliefhebbers zich in twee kampen verdeeld hebben: de Plathianen, die zich zo fel keren tegen haar echtgenoot en collega-dichter Ted Hughes dat ze zelfs geprobeerd hebben zijn naam van haar grafsteen af te krijgen, en een partij die Hughes verdedigt door dik en dun, maar ik hou van het werk van beiden. Connie Palmen schreef in haar roman Jij zegt het over het huwelijk van Plath en Hughes, gezien door de ogen van Hughes. 

     

    Al mijn boeken van Isaak Babel heb ik weggegeven (behalve de dagboeken en briefwisselingen) en ik heb daarvoor in de plaats Alle verhalen van Isaak Babel gekocht in de vertaling van Froukje Slofstra. Een paar jaar geleden heb ik me op de boekenmarkt in Dordrecht ervan laten overtuigen dat haar vertaling beter is dan die van Charles B. Timmer uit 1972. Bij de kraam van uitgeverij Van Oorschot – die al sinds 1953 de Russische Bibliotheek beheert – vertelden ze me dat waar Timmer twintig woorden nodig heeft om een zin van Babel te vertalen, Slofstra het met vijf woorden af kan. Dat is precies zoals Babel zelf te werk ging: schrappen en nog eens schrappen, totdat alleen het hoognodigste overbleef. Hij had dat geleerd van de door hem zo bewonderde Gustave Flaubert en Guy de Maupassant.

    Ik was een beetje huiverig om eraan te beginnen uit angst dat het zou tegenvallen, maar deze zomer zal ik de verhalen van Babel opnieuw lezen, deze keer in de vertaling van Slofstra. Ik begin met De Rode Ruiterij, omdat dat een van de mooiste, gruwelijkste, indrukwekkendste verhalenbundels is die ik ken.

    Hettie Marzak


     

    De keuze of ik een roman, studieboek of dichtbundel pak, wordt vooral ingegeven door waar ik op een bepaald moment zin in of behoefte aan heb. Ze liggen altijd alle drie binnen handbereik. Ook tijdens mijn vakantie. Mijn romankeuze wordt ingegeven door het land waar ik dit jaar met vakantie naar toe ga, namelijk Engeland: Wij van de Ripetta van Tomas Lieske. Een roman waarin de schilder Caravaggio de schrijver Shakespeare ontmoet, waarin twee kunsten elkaar ontmoeten. Caravaggio en Shakespeare raken met elkaar bevriend. Een fictief verhaal. Volgens een recensie van Lieke van den Krommenacker wacht mij een ‘levendige, komische en kunstige historische roman die je onherroepelijk ook aan het denken zet over het heden’. De titel verwijst naar een steegje, de Via di Ripetta in Rome, waar ze niet zitten te wachten op een buitenlander zoals Shakespeare.

     

    Ik voel me in de hele wereld thuis van Rosa Luxemburg ga ik lezen ter voorbereiding op een filosofie leesclub met als thema ‘Liefde en verzet’. Brieven van politica, filosofe en activiste Rosa Luxemburg (1871-1919) met een nawoord van Joke Hermsen. Hermsen schrijft dat toen ze Luxemburgs ‘brieven voor het eerst las, [ze] niet alleen werd getroffen door de poëtische zinnen en sprankelende stijl, maar ook door de menselijke betrokkenheid die eruit sprak’. Tijdens een vakantie in Berlijn ben ik eens naar de brug gelopen waar Luxemburg in 1919 door soldaten in het Landwehrkanal was gegooid. Ik heb altijd wat met Lieux de mémoires gehad, maar dit was wel een heel lugubere plek om tijdens je vakantie te bezoeken.

     

    De dunne dichtbundel die ik meeneem (het moet allemaal maar in de koffer passen) is Vergeten liedjes van P.C. Boutens. Op een dag kwam ik een gedicht hieruit, – het bleek het laatste te zijn – tegen in de mailing ‘Laurens Jz. Coster – iedere werkdag een gedicht’ (redactie Raymond Noë). Toen ik het doorstuurde aan een van mijn vrienden, zei hij dat hij het helemaal bij mij vond passen. Is het ‘t zoeken naar een ‘hogere werkelijkheid’ die mij bij Boutens aanspreekt, zijn filosofische insteek, het verlangen naar eenheid, of het wat intellectualistische dat P.N. van Eyck hem verweet? Ik ga het ontdekken. Elke dag een gedicht op papier. Als een bonbon die je langzaam moet proeven. Alleen geen Engelse ben ik bang. Dat dan weer niet.

    Drie filosofisch getinte boeken die aan het denken zetten, geschreven in een poëtische taal, levendig en sprankelend schijnt. Het moet raar lopen willen ze niet met elkaar in gesprek gaan. En met mij, als lezer, waarin ze een eenheid hopen te vinden.

    Els van Swol


     

    De terugkeer van de charlatan van Jo Komkommer gaat over vervlogen dagen en mensen die er niet meer zijn. Vanuit zijn herinnering en gesprekken met anderen schrijft hij over zijn vader, of over een collega uit de hotelbranche waarin Komkommer dertig jaar werkte. Het zijn prachtige kleine biografieën. Ook over die jaren in dat boetiekhotel in Antwerpen schrijft hij. Wie hij daar ontmoette, acteurs, schrijvers, hoe er gewerkt werd, de collegialiteit. Daartussendoor het verlangen naar een zweempje roem. Hoe hij Isabella Rosselline steeds opnieuw in zijn herinnering het hotel ziet verlaten. Met een citaat van Karel van het Reve, over een een Duitse man die hij voor de oorlog kende, (… Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gegearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?) opent het boek. Denken aan dingen en mensen tegen het vergeten. Jo Kommer toont zich een liefdevol schrijver met een zweem van weemoed. Prachtig boek!

     

    De wereld in 48 stukken van Menno Hartman laat me verwonderen over dingen waar ik niets van weet. Bijzondere dingen, die aan het licht komen als je de wereldkaart in stukken opdeelt, je focust op een deel daarvan. Wat Hartman deed, hij knipte de wereldkaart in 48 stukken. Hoe de wereld zich dan aan je voordoet. Waar de dingen begonnen, connecties in landslijnen, culturen. Een stuk over Mexico begin over vleermuizen, dan over Rebecca Solnit die schrijft over Tina Modotti die een rol speelde in de Mexicaans communistische beweging waar ook Diego Rivera en Frida Kahlo bij betrokken waren, en eindigt met een gedicht van Octavio Paz. In twee en een halve bladzijde ontstaat een hele wereld. Ook Hartman schrijft vanuit herinneringen, vele delen op de wereldkaart bezocht hij zelf. Dat maakt het boek zo aantrekkelijk, het persoonlijke ontdekken, zijn kennis van de wereldliteratuur, het zoeken naar het verhaal achter de dingen. Dit alles verweven in 48 fijn geschreven stukken. Een boek als een schatkist.

     

    Pooltochten dromen van Erik Harteveld is een klein brievenboek. De blinde Anselm Bijvoet zoekt via de mail contact met de schrijver. De briefwisseling houdt drie maanden stand (10 april – 18 juli 2024). De blinde maakt de schrijver deelgenoot van de reizen die hij d.m.v. een brailleglobe met reliëf maakt. ‘Vanmiddag ga ik eens de tocht van Nansen naar de Noordpool herbeleven.’ Maar is ook nogal kriegelig over het gemak waarmee Harteveld zijn brieven beantwoord. En dan het mysterie van de ouders van Anselm die tijdens een oudejaarsnacht bij een brand in het tuinschuurtje zijn omgekomen. Of hij daar de hand in had? De vraag van de schrijver of zijn ouders oliebollen in het schuurtje bakten waardoor brand ontstond, wordt genegeerd. Na een tiental brieven schrijft Harteveld, ‘Ik ben er nog niet uit of je een grapjas bent of gewoon een vervelend mannetje.’ Na wederzijdse irritaties komt er een kentering, een toegeven aan elkaar, maar ook elkaar door hebben. Over de kracht van het woord en alles wat verzonnen is. Een pareltje, mysterieus ook (waarom schrijven mensen elkaar?).

    Ingrid van der Graaf


     

    Ingezonden lezersreactie:

    Deze vakantie neem ik het Verzamelde werk van Kafka mee, het ligt al een week achter de voorruit in de helle zon te versmoren, het is te heet om te lezen in Zuid-Frankrijk maar morgen gaan we naar koelere oorden, Kafka vind ik geweldig, zijn korte en langere verhalen. ‘Een plattelandsdokter’ bijvoorbeeld is meeslepend, geestig, hij komt handen te kort:’De moeder staat bij het bed en lokt mij erheen; ik volg haar en leg, terwijl een der paarden luidkeels naar de zoldering hinnikt, mijn hoofd op de borst van de jongen, die rilt onder mijn natte baard.’

    Mijn zoon (21) leest bij gebrek aan digitalia Madame Bovary van Gustave Flaubert. Hij weet nu wat ‘drie morgens land’ betekent,  maar hij vindt het traag, weinig spanning tot nu toe. maar toch mooie beschrijvingen van kunstvoorwerpen en chateaus…Voor een bijna niet van zijn telefoon los te weken jongere is hij toch zeer belezen: Hertmans, Gospodinov, The prophet song. Tom Sawyer vond hij het mooist, vanwege de spanning en de beschrijvingen van het oude Amerika.

    Hadewijch Griffioen

     

  • Poetry is gevoel

    In treffende bewoordingen een onderwerp vormgeven in de verbeelding van de toehoorder. Maar ook jezelf confronteren met je gevoelens. Zo ervaar ìk poetry. Het is niet makkelijk en daarom heb ik ontzettend veel respect voor de grootheden Michaël Slory, Dobru, Johanna Schouten-Elsenhout, Trefossa en S. Sombra. Met hun dichtwerk hebben zij de poëziewereld van Suriname verrijkt.

    Begin april stond Dobru centraal bij de R. Dobru Raveles Stichting, die een hele week activiteiten organiseerde om de grote dichter/schrijver te eren. Op 29 maart zou hij negentig jaar zijn geworden. In diezelfde week vond de Poëzieweek Suriname 2025 plaats, georganiseerd door stichting Skrifi en Poetry International en mogelijk gemaakt door de Nederlandse ambassade in Suriname en Literatuur Vlaanderen (België). Een week lang verdiepten de deelnemers zich in poetry, begeleid door letterkundige Hilde Neus en workshopleiders Jeffrey Quartier, Melanin Kris en Zulile Blinker.

    Neus benadrukte het belang van onderzoek en het lezen van werken van andere dichters, vooral Surinaamse. Jeffrey moedigde dichten in het Sranan aan. Melanin adviseerde om ook media te gebruiken om poëzie te delen, zoals shirts met poëzieteksten en voordrachtfilmpjes. Zulile legde uit hoe belangrijk lichaamshouding is bij een performance: “Zet je lichaam in!”

    De deelnemers scherpten niet alleen hun dichttalent aan, maar dachten ook na over hun ambities en toekomstplannen met Joran Koster van Poetry International. Aan het einde van de week mochten ze optreden tijdens de Dobru Neti. Het was weer een mooi voorbeeld van wat we samen kunnen bereiken als we de krachten bundelen.

    Wat ik vooral heb meegekregen, is dat poetry niet alleen draait om woorden op papier zetten of tegenwoordig in je telefoon typen, maar ook om hoe je die woorden overbrengt. Je stemvolume, klanken en stiltes zijn essentieel en moeten bewust worden ingezet. Elk detail telt. Maar bovenal: je moet jezelf kwetsbaar durven opstellen. Maar ik besef dat dat makkelijker is gezegd dan gedaan.

    Er moet meer gebeuren met de dichtkunst: meer optredens, meer poëzie in programma’s, meer mogelijkheden om talenten te ontwikkelen en vooral meer kansen om Suriname internationaal te vertegenwoordigen. Als samenleving moeten we op zoek naar manieren om dichtwerk meer erkenning te geven.

    Dichters moeten durven dromen. Durven hun werk groter te maken, zowel qua inhoud als qua lengte. Hun optreden mag langer, hun interactie met het publiek sterker. En ze moeten de stap durven zetten om hun werk als bundel uit te geven, desnoods in eigen beheer. Veel grote dichters zijn zo begonnen: eerst zelf publiceren, voordat een uitgever hen oppikte. Dichten en dromen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

    Daarom ben ik blij dat er mensen en organisaties zijn zoals R. Dobru Raveles Stichting, Henri Frans de Ziel Stichting Trefossa, Schrijversgroep ’77 en Zulile Blinker met haar spoken word-collectief Kokolampu. Zij houden de nalatenschap van de grote dichters levend en bieden nieuwe generaties een podium om hun werk te presenteren.

    Ik sluit af met een gedicht dat ik heb geschreven, geïnspireerd door deze bijzondere week:

    ‘Als ik aan je denk

    Denk ik aan de kalmte waarmee de zon ondergaat

    en ruimte maakt voor de maan.

    De stilte waarin de sterren hun plaats innemen,

    de rust waarmee de avond het heelal omarmt.

    Jij bent de aanraking die mij tot stilte wiegt.’

     

     

    Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.


    Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nu en publiceert verhalen op Papieren Heldenen in de papieren versie van Tirade.