• Uitgeverij Schokland – Kritisch over de tijdgeest

    Literair Nederland raakte geïnteresseerd in Uitgeverij Schokland door haar mooie uitgaven en besloot uitgever Nils Buis eens te vragen naar het hoe en waarom van zijn uitgeverij en zijn mooie reeks Kritische Klassieken.

     

    Kan je iets vertellen Nils, over Uitgeverij Schokland en de reeks Kritische Klassieken. Waarom ‘Kritisch’?

    ‘Een jaar of acht geleden kwam er een eind aan een enigszins uit de hand gelopen hobby. Ik heb twintig jaar lang met veel plezier gespeeld in Rockband Poppenkast, een rockband voor kinderen. We traden veel op in kleine theaters door het hele land, hebben in die tijd zes cd’s uitgebracht en hadden zelfs een eigen platenlabel: Professor Pop Records. Toen het bandje ermee ophield beschikte ik ineens over twee dingen die daarvoor schaars waren: vrije tijd en wat geld uit de boedelscheiding, dat ik zou kunnen gebruiken om ergens in te investeren.

    Ik ben mijn hele leven een lezer geweest. Dat begon in mijn middelbare schooltijd en is nooit opgehouden. Ik liep me al lange tijd te ergeren aan het feit dat er jaarlijks zoveel boeken werden uitgegeven die alleen maar uitgegeven leken te worden om er in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk winst mee te maken en liefdeloos in elkaar geflanst waren. Terwijl er tegelijkertijd zoveel prachtige en inspirerende boeken gepubliceerd waren in een ver of minder ver verleden die niet meer verkrijgbaar waren. Dat is de inspiratiebron voor Uitgeverij Schokland en de reeks Kritische Klassieken geweest.

    Ik besloot het er dus op te wagen en in 2011 verscheen het eerste deel in de Kritische Klassieken: De sfinx van Spanje, een vergeten ooggetuigenverslag van Albert Helman over de Spaanse burgeroorlog. Inmiddels ben ik toe aan deel 14 van mijn reeks, een heruitgave van John Reed’s beroemde reportage over de Russische Oktoberrevolutie Tien dagen die de wereld deden wankelen.

    Voordat ik daadwerkelijk met uitgeven begon heb ik goed nagedacht over hoe ik het moest aanpakken. Om herkenbaar en zichtbaar te zijn voor het publiek besloot ik mijn uitgeefactiviteiten te beperken tot één reeks met een duidelijk herkenbare uitstraling. Daarbij stond me iets voor ogen als de Russische bibliotheek van Van Oorschot en de Privé-domein reeks, redelijk pretentieus voor een amateur. Uiteindelijk zijn dat de Kritische Klassieken geworden, boeken die ‘verboden, versmaad, verbrand, verguisd of vergeten’ zijn. Het zijn allemaal heruitgaven van boeken die al eerder zijn gepubliceerd, maar niet of moeilijk verkrijgbaar zijn.’

     

    Kun je iets nauwkeuriger ingaan op Kritisch: kritisch op wat precies, en hoe kom je dan tot je keuze, is die dan bij voorkeur politiek?

    ‘Het zijn ‘kritische’ klassiekers, omdat dat nu eenmaal mijn eigen interesse het meest weerspiegelt. Het kan gaan om geëngageerde literatuur, maar ook om non-fictie als dagboeken, memoires of reportages die over de nodige literaire kwaliteit beschikken.  Een ander uitgangspunt is dat ze, ook al zijn sommige boeken in een bijzonder grijs verleden voor het eerst verschenen (de memoires van Peter Kropotkin bijvoorbeeld in 1899), ook in onze tijd iets te zeggen moeten hebben. Toen ik begon met Uitgeverij Schokland vond ik dat we in een behoorlijk hersenloze tijd leefden en dat is er de afgelopen jaren niet beter op geworden. Ik draag graag, hoe marginaal ook, een steentje bij aan het publieke debat en mag graag van mezelf zeggen dat ik met het uitgeven culturele oppositie voer tegen de onverschilligheid en oppervlakkigheid, het rücksichtloos winstbejag en de hijgerigheid waar onze maatschappij zo vol van is.

     

    Waaruit bestaat het kritische precies?

    ‘Dat vind ik moeilijk te definiëren. Wat me goed heeft geholpen is het doorlopen van mijn eigen boekenkast en me de klassieke vraag te stellen welke boeken ik mee zou nemen naar een onbewoond eiland. Welke boeken hebben mij gevormd? Welke boeken hebben een verpletterende indruk op me achtergelaten? Welke boeken doen ertoe? In het lijstje boeken dat daar uitkwam was niet alleen de literaire kwaliteit een overeenkomst, maar ook een zekere vorm van maatschappijkritiek of engagement of hoe je dat ook wilt noemen. Het is niet iets dat zich zo gauw in een partijprogramma laat vertalen, het heeft er mee te maken dat een – al dan niet literair – verhaal zich niet heeft losgezongen van de maatschappelijke context waarin het zich afspeelt. En als het om non-fictie gaat, dan voel ik me meer verbonden met kosmopolitische dwarsdenkers dan met partijgangers.

    Het grappige is dat de helft van de boeken die ik tot dusver heb uitgegeven inderdaad afkomstig zijn van dit lijstje, maar dat ik de andere helft niet eerder had gelezen. Iedere lezer kent het fenomeen dat het lezen van het ene boek bijna automatisch nieuwsgierig maakt naar andere, nog onbekende boeken, zo is het bij mij ook gegaan.’

     

    Zijn er ook boeken die het net niet halen naar je smaak voor deze reeks?

    ‘Nu ik al een tijdje als uitgever bezig ben bepalen in feite de boeken die als Kritische Klassieker zijn verschenen welk boek wel en welk niet in de reeks thuishoort. Inmiddels weet ik bij elk nieuw (oud) boek dat ik lees al vrij snel of ik het zou willen uitgeven of niet. Daarbij spelen natuurlijk ook ‘zakelijke’ overwegingen een rol. Als ik een boek zou willen uitgeven meer dan honderd keer tweedehands op internet wordt aangeboden, dan hoef ik het niet meer te doen. En het kan natuurlijk ook te begrotelijk zijn om de rechten van een bepaald boek te verwerven of om een vertaling te laten maken.

    Al met al staat wat ik uitgeef heel dicht bij mijzelf. Ik verkeer in de luxe omstandigheid dat ik wel boeken uitgeef, maar eigenlijk geen uitgever ben, dat wil zeggen dat ik er niet van hoef te leven. Ik verdien mijn brood als grafisch vormgever en de laatste tijd steeds meer als docent ‘Nederlands als tweede taal’. Beide kwaliteiten helpen me natuurlijk ook enorm om de kosten van een nieuwe uitgave te drukken. Want ik ben niet alleen de bedrijfsleider, maar ook de administrateur, redacteur, vormgever en koffieschenker van de uitgeverij.

     

    Zolang ik niet in de rode cijfers terecht kom is het voor mij goed genoeg en dat geeft me veel speelruimte. Om een voorbeeld te geven: een paar jaar geleden heb ik Andorra van Max Frisch opnieuw uitgegeven. Dat is een toneelstuk over hoe in een alledaagse omgeving een vermeende identiteit, in dit geval de joodse, zo bepalend wordt dat het tot uitsluiting leidt. Het laat op een beklemmende manier zien waar het kleine kwaad begint en als het grote kwaad eindigt. Maar ja, het is een toneelstuk en toneel wordt in Nederland niet gelezen, dus daar ben ik aardig het schip mee ingegaan. Zelfs een aantal recensenten hield me voor dat toneel niet iets is om te lezen, maar om naar te kijken. Maar ik vind dit toneelstuk juist een heel leesbaar stuk en daarnaast vind ik het een klassieke tekst die door iedere generatie opnieuw gelezen zou moeten worden. Ik heb er zeker geen spijt van dat ik dat boek heb uitgegeven, integendeel, maar als commerciële uitgever had ik het waarschijnlijk nooit gedaan of zelfs maar kunnen doen.

     

    Als je met je reeks een bijdrage aan het debat wilt leveren, hoe bereik je dan de lezer of de media?

    ‘Elk boek dat ik uitgeef heeft zo zijn eigen betekenis, ze hebben in ieder geval betekenis gehad in de tijd waarin ze voor het eerst verschenen. En omdat ik vrees dat de mensheid nooit genoeg van de geschiedenis leert, moeten ze gelezen blijven worden, daarvan ben ik overtuigd en dat is ook mijn motivatie om ze opnieuw uit te geven. In die zin spelen ze ook nu nog een rol in het debat – of zouden ze dat moeten spelen. Als je kijkt naar één van de grootste problemen in deze tijd, het vluchtelingenvraagstuk, en ziet hoe niet alleen Wilders daar garen bij spint, maar ook partijen als het CDA en de VVD daar om electorale redenen tegenaan schuren, dan zou ik wensen dat zo’n boek als Andorra net als in Duitsland ook in Nederland verplichte kost is voor middelbare scholieren.’

     

    Wat doe je eraan om deze boeken de juiste mensen te laten bereiken?

    Dat vind ik een moeilijke vraag, want wat zijn de ‘juiste’ mensen. Ik ga er vanuit dat iedereen die een toch wel enigszins uitgesproken Kritische Klassieker koopt, dat weloverwogen doet en dus ook een ‘juiste’ koper is. Daarnaast vind ik het sowieso een hele kunst om überhaupt publiek te bereiken. Een boek maken is één ding, een boek verkopen is veel moeilijker. Als je dat goed in de vingers hebt ben je pas echt een goede uitgever. Adverteren valt voor mij al af, want daar heb ik geen budget voor. Het is voor mij dus erg belangrijk dat mijn uitgaven in de media gesignaleerd en besproken worden. Gelukkig heb ik daar niet over te klagen. Met name de kwaliteitsmedia (Volkskrant, NRC, Trouw, De Standaard, De Groene, Literair Nederland, Tzum, OVT, etc.) hebben regelmatig mijn boeken besproken. Daarnaast zorg ik ervoor dat er op mijn website veel (vooral ook secundaire) informatie over de door mij uitgegeven auteurs en boeken is te vinden en verschijnt er een paar keer per jaar een digitale nieuwsbrief, waarvoor men zich kan inschrijven. En dan heb ik ook nog een abonnementssysteem: je kan je jaarlijks opgeven voor een abonnement op de Kritische Klassieken en ontvangt de titels die dat jaar verschijnen, gratis thuis.

     

    Kun je al iets zeggen over aanstaande titels, of twijfeltitels?

    ‘Ideeën genoeg, maar momenteel heb ik nog niets vastgelegd en zolang dat niet gebeurd is, wil ik daar nog niet te veel over kwijt. Overigens sta ik open voor ideeën van anderen, bijvoorbeeld van lezers van jullie nieuwsbrief. Het is al meer dan eens gebeurd dat een tip geleid heeft tot een uitgave. Mail me dus gerust met een goed idee!’

     

    Wanneer vind je dat je boeken inderdaad voldoende hebben bijgedragen aan het debat?

    ‘Tsja, dat moet je niet groter maken dan het is. Ik heb daar geen wetenschappelijke methode voor om dat te meten. Ik geef een boek alleen maar uit als het me iets heeft gedaan of een bepaald inzicht heeft gegeven en ga er voor het gemak van uit dat de kans groot is dat dat voor andere lezers evenzeer het geval is. Ik heb niet de pretentie dat mijn boeken een doorslaggevende rol spelen in het debat, maar denk (of beter: hoop) dat ze ertoe bijdragen om de kennis over een bepaald onderwerp te vergroten en verdiepen. En ik probeer daar, hoewel dat voor heruitgaven van eerder verschenen boeken misschien raar mag klinken, zo actueel mogelijk in te zijn. Dit jaar is het bijvoorbeeld precies honderd jaar geleden dat de Russische Revolutie uitbrak. Je kan op je vingers natellen dat er dit jaar veel over dat onderwerp geschreven en gesproken zal worden. Daarom heb ik juist dit jaar Tien dagen die de wereld deden wankelen, John Reeds ooggetuigeverslag van de Oktoberrevolutie – geschreven in 1919 – uitgegeven. Als er één boek is dat je hierover moet lezen, dan is het dát wel. Bij alle Kritische Klassiekers zorg ik voor een goed notenapparaat of register. Bovendien gaat iedere uitgave vergezeld van een nawoord. Daarin wordt niet alleen ingegaan op de schrijver en het boek, maar ook op de tijd waarin het boek voor het eerst gepubliceerd werd, hoe het ontvangen werd en waarom het nog steeds de moeite van het lezen waard is.

    Bijdragen aan het debat is misschien wat te hoog gegrepen, daarvoor is wat ik doe te marginaal. Maar in de marge kan je mooie dingen doen en als de door mij uitgegeven boeken een voetnoot bij de sociale en literaire geschiedenis plaatsen ben ik al meer dan tevreden.’

     

     

     

    Bewaren

    Bewaren

    Bewaren

    Bewaren

    Bewaren

    Bewaren

    Bewaren

  • Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken

    Barbara de Lange is fulltime vertaler en geeft les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Sinds 1985 vertaalde ze onder meer werk van Margaret Atwood, George Steiner, John Irving, Simon Schama, Colin Thubron, Donna Tartt, D.H. Lawrence en Michael Ondaatje. Vorig jaar werkte ze tien maanden aan de vertaling van De jaren. We ontmoetten elkaar voor dit interview Barbara bij Grand café Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal. We praten over het vertalen van het werk van Virginia Woolf, over vertalen in het algemeen. En waarom iedereen – die iets van de wereldliteratuur wil meekrijgen – de kans moet grijpen om Virginia Woolfs De jaren te gaan lezen.

    Deze niet eerder vertaalde roman van Virginia Woolf (1882-1941) verscheen begin januari bij uitgeverij Athenaeum. De jaren is – naast dat het haar omvangrijkste werk is – met Mrs. Dalloway  ook haar toegankelijkste werk. Over De jaren schreef Virginia Woolf in haar dagboek (Schrijversdagboek 2 Privé-domein): ‘Aan niet één boek heb ik ooit zo hard gewerkt.’ Op 30 september 1934 schreef ze het slot van een roman waarvoor ze nog geen juiste titel had gevonden. Twee jaar werkte ze eraan onder de titel The Pargiters. Toen het boek zijn voltooiing naderde, overwoog ze het Here and Now te noemen of Sons and Daughters. Tijdens het herschrijven kwam de titel Ordinary People voorbij tot het boek ineens op 11 januari 1935 The Caravan heette. Door het uittypen van het manuscript en het (herhaaldelijk) herschrijven van hele stukken, constateert ze dat het boek een ‘samengaan is van het uiterlijke en het innerlijke’. Ruim een jaar voor de drukproeven op 31 december 1936 de deur uitgaan, dient zich op 5 september 1935 de titel The Years aan, en de The Years blijft het.


    Waarom liet de vertaling van The Years zo lang op zich wachten?

    ‘Het is vreemd dat dit boek zo lang is blijven liggen. Ik denk dat het door de oorlog kwam. Het boek is in 1938 uitgekomen. Daarna werd het meteen in het Frans vertaald, in het Hongaars en Zweeds. Het werd haar best verkochte boek. In Nederland verscheen in 1948 Mrs. Dalloway bij Van Oorschot en toen tien jaar niets meer van haar.
    Ik ontdekte dat The Years nog niet was vertaald en wilde het heel graag doen. Ik ben ermee naar uitgeverij Athenaeum gegaan omdat zij onlangs ook Mrs. Dalloway hadden uitgegeven in een nieuwe vertaling. Ze waren direct bereid het uit te geven. De jaren is een van de toegankelijkste boeken van haar. Wie bang is voor het werk van Virginia Woolf kan heel goed met De jaren beginnen. In Het Parool stond dit weekend een lovende recensie van Arie Storm die onder andere ook zei dat het zo’n toegankelijk boek is. Ik vond het heel leuk om te doen, het was een vertaling om me in vast te bijten. Virginia Woolf is een modernist en schrijvers uit die overgangsperiode hebben mijn voorkeur.’


    Was het ooit een keuze te gaan vertalen?

    ‘Het was meer iets wat ik gewoon ging doen. Ik was klaar met  mijn studie filosofie en samen met een vriendin zeiden we, we gaan vertalen. Ik heb geen Engels gestudeerd. Na enkele jaren non fictie te hebben vertaald, kwam pas de literaire kant. Omdat ik de opleiding niet had, vond ik het spannend. Heel lang heb ik gezegd als mensen vroegen wat ik doe: ik vertaal. Pas later werd dit: ik ben vertaler.’

    Alsof – als je iets uit passie doet, het leuk vindt – het een dingetje is wat geen naam mag hebben. Haar eerste literaire vertaling was een roman van Margaret Atwood en werd haar aangeboden. Ze deed het met veel plezier en, nadat ze de eerste tijd nog parttime bij een bibliotheek werkte, kon ze al gauw als fulltime vertaler aan het werk.


    Kun je, als vertaler, ervan meegenieten als een boek een succes wordt?

    ‘Ik kreeg het aanbod het eerste boek van Donna Tartt De verborgen geschiedenis te vertalen. Er was in die tijd (jaren negentig) waarschijnlijk meer geld bij de uitgevers want de schrijfster werd voor een week naar Nederland gehaald. Na de etentjes en de presentaties zat de schrijfster maar in haar hotel in Amsterdam. Ze was heel jong nog. Toen ben ik ook een avond met haar op stap geweest. Dat zijn hele leuke dingen om te doen. Soms denken mensen nog dat het boek er zo maar ‘is’, alsof de auteur op een of andere magische wijze het boek in het Nederlands geschreven heeft. Zelfs sommige recensenten negeren het feit dat het om een vertaling gaat.’

    Toch is er tegenwoordig meer aandacht voor vertalers, al blijven de betalingen achter op de prestatie die geleverd wordt en is vertalen zonder een bijdrage van het Nederlands Letterenfonds niet mogelijk. De erkenning is er steeds meer en vertalen wint aan status want; zonder vertalers geen toegang tot de wereldliteratuur.


    Hoe los je problemen tijdens het vertalen op. Neem je contact op met de auteur en is elke auteur ook bereid mee te denken.

    ‘Ik spaar de lastige, de problematische dingen altijd op en als ik er op geen enkele manier achter kan komen wat het is, neem ik contact op met de auteur. Bijvoorbeeld over een bepaald woord en hoe het gebruikt wordt. In het laatste boek van Anne Tyler dat ik vertaalde, lag er iets onder de struiken in de tuin, iets dat op ‘a diploma’ leek, een diploma dus. Het stuk ging over een waterpomp die in een kelder stond en  uitkwam op de tuin en dan opeens ligt daar een diploma onder een struik. Ik begreep er niets van. Vreemd was dat, en ik vroeg me af of dat erbij hoorde want binnen de context van het verhaal paste het niet echt. Maar haar reactie was, ‘Ja, hoor, daar leek het op, een diploma met een lintje erom, gewoon. Vaak kunnen auteurs zich niet helemaal voorstellen waar het probleem zit. Vroeger maakte ik bij woordgrappen wel eens een provisorische oplossing maar dan is het lastig om daar los van te komen en een betere oplossing te vinden. Tegenwoordig laat ik het open en houd het in mijn achterhoofd om er later nog eens rustig naar te kijken.’


    Hoe werkt dat bij een overleden auteur, zoals van De jaren.

    ‘Ik leg wel eens een fragment voor aan een collega om te zien hoe deze het interpreteert. En verder is het ook een kwestie van zoeken. Virginia Woolf gebruikte vaak woorden in een oude betekenis, die niet meer zo bekend is, ook niet in haar eigen tijd. 
Als een woord in meerdere betekenissen voorkomt of in het Engels andere associaties heeft, moet je kiezen en kun je het alleen maar benaderen. Wat ik ook doe is veel lezen over de auteur, haar achtergrond. Ze las Frans maar heeft jarenlang Proust niet durven lezen hoewel haar hele omgeving er weg van was. Ze was er een beetje bang voor, en toen ze hem uiteindelijk las vroeg ze zich ook af wat er voor haar nog te doen viel: hij had voor haar gevoel precies gedaan wat zij ook wilde. In De jaren zie je ook de invloed van Proust, of misschien beter: dezelfde affiniteit met herinnering en tijd als Proust had. Een andere invloed of affiniteit zie je bij Tolstoj. Woolf had Russisch geleerd en meegewerkt aan vertalingen van Tolstoj en Dostojevski. Het oorspronkelijke idee voor dit boek – met essays  tussen de hoofdstukken door – komt van Tolstoj’s Oorlog en vrede. Dat vind ik dan erg interessant maar ik heb er verder niet zo veel aan. Ik kan er niets van gebruiken, wel draagt het bij aan een algemeen inzicht, het werkt als een soort bedding voor het vertalen. Ik heb ook altijd iemand die meeleest. Die dingen ziet die ik over het hoofd zie. En ik begin elke dag met de tekst terug te lezen van de vorig dag.’


    Is vertalen het opnieuw vertellen van het verhaal en hoe vrij ben je in het vertalen.

    ‘Opnieuw vertellen wordt algauw parafraseren. Maar dat verschilt per taal waaruit vertaald wordt. Als je een taal hebt waarbij de zinsbouw totaal anders is dan wordt het meer een hervertellen. De Engelse taal  staat veel dichter bij het Nederlands dan bijvoorbeeld Chinees. Het zou heel interessant zijn te weten wat de fundamentele verschillen zijn tussen het vertalen uit verschillende talen. Ook bij het Italiaans, (wat ze in het begin ook  heeft gedaan Iv/dG), is het noodzakelijk de zinsopbouw los te laten. Bij het Engels ook wel, maar minder. En bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden. In een drukproef zie ik meestal pas waar het teveel of te geforceerd is en waar het er uit kan.’ 
Hoewel een vertaler niet het verhaal opnieuw hoeft te vertellen, blijven er dingen in het hoofd van de vertaler spelen gelijk als bij een auteur. Het zoeken naar de vertaling van een uitdrukking kan blijven doorspelen tot er zich de best vorm aandient, dat kan zijn als bij ingeving, zoals ook een auteur zijn tekst wikt en weegt.


    Het schijnbaar hoogste wat je kunt bereiken als vertaler (schreef een recensent over de vertaling door Erwin Mortier van Between the Acts van Virginia Woolf) is als de Nederlandse lezer vrijwel hetzelfde leest als de Engelse lezer.

    ‘Eigenlijk is dit onmogelijk, zegt De Lange. De beleving van een woord is in iedere taal verschillend. Het effect op een lezer in de jaren dertig is sowieso anders dan op die van nu, ook bij Engelse lezers. Ik begrijp dat die recensent de vertaler een compliment wilde maken maar het klopt niet. Natuurlijk streef je er wel naar om een boek in vertaling dezelfde waarde mee te geven, en de zinnen moeten natuurlijk lezen alsof ze in het Nederlands zijn geschreven. Maar als het boek exact hetzelfde effect op de Nederlandse lezer moet hebben als op de Engelse dan zou je wat ze noemen een Hema-vertaling moeten maken en alles vernederlandsen. De plaats- en straatnamen krijgen dan Nederlandse namen en een muffin wordt een bitterkoekje.
    Een voorbeeld: onlangs was er tijdens de Swchob-Leesclub van De jaren onder leiding van Elsbeth Etty een jongeman die bepaalde dingen miste in het boek. Hij had in het laatste hoofdstuk (dat in de jaren dertig speelt) wel meer willen weten over de oorlogsdreiging. Maar ik denk dat die er voor de lezers destijds, die er middenin zaten, duidelijk in aanwezig was, terwijl die dreiging voor de jonge lezer van nu (ook de Engelse) minder duidelijk is.’


    Als het boek vertaald is hoe dicht ben je dan het verhaal en de schrijver genaderd?

    Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken. Dan is het consistent. Het voelt heel eigen en bij een boek als dit, waarin de auteur echt het hele boek lang met één stem spreekt, in een heel bewust gekozen stijl, zou ik ook niet met iemand kunnen samenwerken.’
    Na het afronden van een vertaling volgt het afstand nemen en komt er weer ruimte voor nieuwe projecten. Barbara de Lange kan zich erop verheugen in de toekomst nog meer modernisten te vertalen, en noemt Henry Green. Ook het her(ver)talen van Jacob’s Room en To the Lighthouse van Virginia Woolf staan op haar lijstje.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • De ambitie iets teweeg te brengen

    Mark Opfer is optredend dichter en organisator van Salon op de dijk, een jaarlijks poëziefestival. Hij interviewde voor Literair Nederland Luuk Imhann die in oktober debuteerde met de roman Paradijs.

    Interview door Mark Opfer

    Soms kom je beginnende schrijvers tegen waar de werklust van afspat. Schrijvers waarvan je gelijk weet, deze persoon gaat iets bijzonders maken. Of anders sterft ie op zijn achtentwintigste.
    Luuk Imhann (1986) is gelukkig al ouder dan 28 jaar en onlangs presenteerde hij zijn debuutroman Paradijs, een boek over waanzin. Tijdens de presentatie werd Imhann geflankeerd door jonge vrouwen die voorlazen uit Shakespeare’s King Lear. Zijn debuut is deel van zijn eigen Divina Tragedia, en op de omslag noemt hij het boek zelf , ‘een hedendaags antwoord op William Goldings Lord of the Flies, wat, ‘leest als een prequel op Joseph Conrads Heart of Darkness’. Tijd om eens te praten met deze debutant die zich vrijelijk schaart tussen literaire groten.

    Wanneer ik Luuk Imhann vraag hoe hij het vindt om gedebuteerd te zijn zegt hij schamper; ‘Jezus, als je met zo’n vraag begint kan ik alleen maar zeggen dat ik het leuk vind.’ Een ongemakkelijk begin. Maar volgens Imhann is elk interview ongemakkelijk. Niet dat je daar iets van merkt als je met hem praat. Met trefzekere bewoordingen heeft hij voor elke vraag een antwoord waarvan je voelt dat er over is nagedacht.

    Grootse bewoordingen
    Tijdens je presentatie noemde je Paradijs een deel van je Divina Tragedia.
    ‘Ja, al moet je altijd een beetje uitkijken als je dat soort grootse bewoordingen gebruikt. We leven in een land waar dat eigenlijk niet wordt gewaardeerd. Je mag niet zeggen, ’ik doe maar wat’, en je mag ook niet zeggen, ‘ik ben van plan echt iets heel moois te maken.’ Ik ben daar niet zo goed in, en ik werk zelf het beste als ik mezelf een groots doel stel. Dan ga ik echt nietsontziend hard aan het werk.’
    Niet dat je de verwijzing naar Dante moet zien als een kwaliteitsoordeel. ‘Het is meer een structureel ding. Ik heb niet de illusie dat mijn tragedia daadwerkelijk zijn comedia qua kwaliteit zal evenaren. Maar streef naar het grootste, weet je wel. Mijn volgende twee romans worden Vagevuur en Hel.’

    Ambitieuze schrijver
    Je wilt 24 boeken schrijven. Je bent vijf jaar bezig geweest met Paradijs.
    Lachend; ‘Ja, klopt. Dat had ik ook geroepen. Als ik het allemaal voor het zeggen had, dan zou dat het zijn.’ Dan moet het wel wat sneller gaan. ‘Het gaat ook sneller. Omdat je met zo veel beginnersproblemen worstelt bij je eerste boek. Je hebt gewoon een verhaal wat je wilt vertellen en dat schrijf je op en dan merk je dat er totaal geen structuur in het verhaal zit. Het ritme en tempo zijn chaos. Dat kan mooi zijn als dat het doel is, maar als dat niet zo  is, zie je het er heel erg in terug. Daar moet je toch een handigheid in krijgen.’
    Die handigheid heeft hij zeker. Eén van de opvallende punten van Paradijs is de heldere structuur. Het is een bijna klassiek spookverhaal. Een auto rijdt door een storm over een verlaten landweg als opeens de band ploft. Gelukkig is er een vervallen huis in de buurt waar de inzittenden kunnen schuilen. Natuurlijk raken de mensen elkaar één voor één kwijt, en contact met de buitenwereld is onmogelijk. En dat alles met perfecte eenheid van plaats, handeling en tijd.

    Acht voorgaande versies
    Aan die structuur is hard gewerkt. ‘Het begon als los zand, en dat bleef het , de eerste vier jaar dat ik eraan werkte. Moet ik het verhaal al thuis beginnen, of begint het in het vliegtuig, of begint het als het verhaal nog verder is? Met meer schrijfervaring ga je steeds beter begrijpen wat wel en wat niet werkt. Op de flashbacks na is Paradijs een heel vatbaar ding. Drie dagen. Maar het koste dus wel even om er geen totale chaos van te maken. Er zijn versies geweest waar heel veel in de tijd gesprongen werd. Dat is onleesbaar. Je moet zorgen dat de lezer eerst precies weet waar hij of zij is voor je kan gaan springen. Anders ben je totaal verloren. Dat was met de eerste acht versies het geval.’

    Op deze site werd Paradijs aangekondigd met de woorden, ‘klinkt voorwaar als een avonturenroman.’ Naast dat Luuk Imhann heel blij is met het gebruik van het woord ‘voorwaar’ is hij ook te spreken over die typering.
    ‘Op het moment dat je een boek schrijft over mensen die een jungle in gaan met een vreemde berg en vreemde dieren om daar onderzoek te doen, dan zit je daar wel aan vast. Ik wil dat er wat gebeurt in een boek. Ik lees zelf het liefst boeken van bijvoorbeeld Hemmingway waarin op leeuwen wordt gejaagd, met stieren wordt gevochten en met haaien gestreden. Dat spel van op leven en dood heeft een soort grootsheid die ik zelf graag zie in een boek.’

    Niets met literatuur
    Op zijn arm staat een quote van Remco Campert getatoeëerd. ‘Ja, dat is natuurlijk ironisch’, erkent hij. Remco Campert is de meester van het alledaagse verhaal. Maar kijk, Campert is de reden dat ik ben gaan schrijven. Op de middelbare school had ik niets met literatuur tot ik Campert las. Hij gebruikt alleen maar woorden die je op je twaalfde al kent maar toch is het literatuur. Het is diep zonder moeilijk te zijn, licht zonder vluchtig te zijn. Op het moment dat je hem leest krijg je het gevoel – zeker als vijftien, zestienjarige – O, dat kan ik ook wel. En dan ga je dat proberen en kom je erachter dat je het helemaal niet kunt, waardoor je alleen maar meer respect voor zijn werk krijgt. Nadat ik Liefdes schijnbewegingen had gelezen, dacht ik, literatuur is wat ik wil doen.

    Imhann leest nu De Harpij – een boek van ruim 700 pagina’s – van A. N. Ryst, wat zichzelf ‘een kleine geschiedenis van het Paradijs’ noemt. ‘Ik heb een grote voorliefde voor mensen die dit soort dingen beginnen. Omdat het zo groots is valt er natuurlijk genoeg op aan te merken, maar Ryst gaat ervoor. Het is geen fictieve versie van mijn eigen leven van de afgelopen 25 jaar, nee, het is grootsheid. Liever dat je probeert de tweede Sgt. Pepper te maken en dat je op je bek gaat, dan dat je zegt ‘ik heb een beetje tien liedjes gemaakt en die zet ik maar op een plaat.’ Ik raad iedereen De Harpij aan. Op de achterkant staat dat het een Nederlandse versie van 100 Jaar eenzaamheid is, maar ik denk niet dat ik Ryst beledig wanneer ik zeg dat hij geen Marquez is. Alleen al die keus voor de hele vertelling als een monoloog. Dat is een superheldere keuze waarvan je je af kan vragen of het de beste manier was om dit te vertellen, maar ik ga daar gewoon helemaal in mee. Het is heel anders opgebouwd dan de meeste boeken’.

    Shakespeare vertalingen
    ‘Ik voel me niet zo verbonden met de Nederlandse gewoonte om de plot totaal niet belangrijk te laten zijn en je vooral op het innerlijk van de personages te storten.’ Als hij dat zegt, moet ik lachen, maar ik zal niets verraden. Daarvoor moet Paradijs maar gelezen worden. Iets wat sowieso aan te raden is.

    Vorig jaar heeft hij alle stukken van Shakespeare vertaald en bewerkt (‘Eén stuk had niet gekund. Dan was ik daar nu nog mee bezig. Ik heb grote megalomane projecten nodig’) en vier jaar geleden schreef hij een poëziebundel, De onverschilligheid van rozen. ‘Dat is een klein conceptueel werkje. Ik had heel erg het gevoel dat er iets naar buiten moest.’
    Toch is deze bundel niet één van de 24 boeken die hij wil schrijven.
    ‘Ik heb er uiteindelijk een soort performance, een theaterstuk van gemaakt, en zo werkt het eigenlijk het beste. Met toneel en muziek eronder. Toen realiseerde ik me dat sommige teksten veel beter werken zonder papier. Zo ben ik theater gaan maken.’

    Poëzie, toneel en nu dan een roman. Maar het is niet de bedoeling om met essays te gaan eindigen. ‘Ik heb een haat/liefde verhouding met non-fictie. Ik lees het weinig omdat het me tegenstaat. En ik maak het weinig om dezelfde reden. Ik zie het als het mindere broertje van fictie.’

    Schrijven kun je niet leren
    Op het moment is Imhann bezig met – naast het schrijven van zijn tweede roman – de vraag, ‘hoe kom je als theatermaker weg uit het theater’. Dat doet hij aan het Sandberg Instituut, de postdoctorale opleiding van het Rietveld. Daarvoor heeft hij vier jaar op de Schrijversvakschool gezeten. Dat roept natuurlijk de vraag op of Luuk denkt dat je kan leren schrijven.
    ‘Nee, maar als je al kan schrijven dan kan het je wel helpen heel veel beter te worden. Ik vond het heerlijk om elke week iets in te kunnen leveren waarvan ik dan hoorde hoe het beter kon. Natuurlijk schold ik die persoon wel eerst uit in mijn hoofd, maar thuis dacht ik, ‘oké, hoe kan ik dat nu gaan gebruiken?’. Ik heb vooral heel veel over de structuur geleerd. Ook door  aandachtig te lezen, en te kijken naar toneelvoorstellingen.’

    ‘Ik wil dat literatuur drie dingen bewerkstelligt. Je leeft mee met de personages op de pagina’s, het leert je iets nieuws over jezelf en het leert je iets nieuws over hoe mensen zijn. Dat teweeg brengen, is wat ik wil. Elke schrijver is een soort van docent. Maar wel de leukere soort van een docent. Het soort waardoor je vergeet uit de trein te stappen, of waardoor je ’s avonds laat in bed vergeet dat je ’s ochtends weer vroeg op moet.’

    9200000060486816

     

     

     

     

     

     

     

    Uitgeverij Querido
    ISBN 9789021401614
    €18,99

    Foto auteur: Lionne Hietberg

     

  • Niet te laat komen voor je eigen leven

    ‘Doesburg. 1936. Gientje Schaaf die zon en liefde is, drentelt door het dorp, op zoek naar de dingen. Ze is zes en het leven is zojuist begonnen. Alles is nieuwer dan nieuw. Het is haar taak te huppelen en haar krullen te laten glanzen. Behalve in bomen klimmen kan ze parlevinken als geen ander (zegt haar moeder, die vol rare uitdrukkingen zit) en soms kan ze in de toekomst kijken.’

    Gientje is een vrolijk en ondernemend meisje, onbevangen ook. Ze gaat er stiekem vandoor met de verrekijker van haar vader en biecht hem later op: ‘Pap, ik word ontdekkingsreiziger.’ Met een vette knipoog naar zijn vrouw antwoordt hij: ‘Wie kan jou nou tegenhouden?’ Je gaat al snel van haar houden.

    Jaren later is Gientje de moeder van Minnie – Ik ben tegen -Tikker. Minnie is op zoek naar een eigen leven, naar een zinvolle bezigheid, en naar warmte. Daarvoor heeft ze antwoorden nodig en tracht ze het waarom van de kille houding van haar moeder te achterhalen. Ze woont al jaren niet meer thuis, maar blijft worstelen met hun onderlinge verhouding. ‘Weg met die moeder in haar kop!’ Als ze elkaar treffen zijn ze beiden (even) van goede wil, maar eindigt het steeds weer ijzingwekkend koud.

    Coco Schrijber (1961) is documentairemaakster en schrijfster. Ze ondertekent een van haar mails met ‘Minnie Tikker’. De voor de hand liggende vraag naar het autobiografisch gehalte van De luchtvegers is daarmee beantwoord.

    Het is nogal wat, wat er in deze familie allemaal gebeurt. Al snel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog schieten de Duitsers Gientjes vader dood. Haar moeder raakt daardoor zo van slag dat ze niet meer voor haar kan zorgen en het kleine meisje verhuist naar het klooster van de Zusters van Liefde in Roermond. Daar heerst een onmenselijk en wreed regime en kindermishandeling en -misbruik is aan de orde van de dag.  Gientjes latere echtgenoot Tobias Tikker overleeft de gruwelen van het concentratiekamp. En jaren later worden Minnie en haar broers hard geconfronteerd met de indirecte gevolgen van al die ellende.

    Ik kom echt uit zo’n familie’ zegt Coco Schrijber. ‘Al heb ik het verhaal wel naar mijn hand gezet.
    Ik wilde geen filmer worden maar schrijfster. Na de film die ik nu aan het afmonteren ben, wil ik full time gaan schrijven. Dit verhaal moest er eerst uit, het gaat over de keuzes die mensen maken, over het leven dat je wilt leiden, en dat wat je laat liggen.
    De vraag die mij bezighoudt is: Waarom is het zo moeilijk te leven zoals je wilt? Ieder mens krijgt te maken met obstakels in zijn of haar leven, maar dat je zo ver verwijderd kan raken van wie je ooit was, vind ik schokkend en pijnlijk. En waarom lukt het de één wel, en de ander niet om ondanks ellende en pijn, gelukkig te worden?
    Waarom kijken mensen niet elke zoveel jaar naar zichzelf, naar hun leven en stellen ze zich de vraag “Wil ik nog wel het leven leiden dat ik leid?” Alles wat ik doe heeft daar mee te maken. Ook in mijn film Bloody Mondays & Strawberry Pies was dat het onderliggende thema.’

    Het boek heeft een duidelijke structuur: de meeste delen zijn geschreven vanuit het perspectief van Gientje of van Minnie. Gientje is in sommige hoofdstukken nog klein, ze begrijpt niet waarom haar moeder haar niet weghaalt bij de nonnen waar ze een rotleven heeft (‘’s Avonds in bed denkt Gientje aan de woorden van zuster Edeltrudis. “God zorgt voor zijn schaapjes op de manier die hem goeddunkt.” Waarom dunkt God het goed om ons hier in dit nare oord te laten wegrotten? Waarom mag ze niet gewoon bij haar moeder zijn?’), in andere hoofdstukken is ze volwassen. Ze heet dan inmiddels Gientje Tikker, en heeft drie kinderen. Haar man Tobias Tikker is de grote steun en toeverlaat van Minnie, haar jongste en enige dochter. Tobias daagt Minnie uit en prijst haar. Gientje bekritiseert haar enkel. Tobias overlijdt jong, als Minnie tien jaar is. Vanaf dat moment is ze haar anker en de warmte in haar leven kwijt.

    Minnie woont antikraak in Amsterdam, is erg met zichzelf bezig en maar weinig met de wereld om haar heen, neemt een houding aan van ‘het kan me allemaal wat’ en heeft een heleboel vragen. Zij snapt vooral niet waarom haar geweldige vader ooit is gevallen voor haar kille moeder.

    Een fascinerend personage is Brume, een oudere, wat eigenaardige vrouw die bij Minnie in huis blijkt te wonen. Brume is belangrijk voor Minnie.

    Brume maakt duidelijk dat Minnie het helemaal zelf moet doen, dat ze het heft in eigen hand moet nemen en haar eigen leven moet gaan leiden. Het vertrek van Brume zegt uiteindelijk genoeg.’

    Waar zijn de mannen in dit boek? De belangrijkste mannen gaan dood en zijn indirect de aanleiding voor de ellende van Gientje en Minnie.

    ‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Maar nee, het kwaad zit bij de vrouwen, die mannen kunnen er niks aan doen. Het zijn de vrouwen in het klooster die het meeste kwaad doen. En Gientje natuurlijk, maar zij heeft een excuus. Voor mij persoonlijk zou het fijn geweest zijn, als mijn moeder een excuus gehad had, een verklaring. Maar zij heeft altijd gezwegen. Ik weet dus niet wat er echt met haar in dat klooster is gebeurd. Dat ze daar gezeten heeft, is wel zeker. Een vriendinnetje hield een dagboek bij. Dat dagboek is authentiek en daar heb ik veel aan gehad.’

    Minnie komt er ook niet achter wat er met haar moeder is gebeurd. Pas als zij het bericht krijgt dat haar moeder op sterven ligt, denkt ze eindelijk de juiste vraag gevonden te hebben om haar moeder te doen ontdooien en iets te ontdekken over haar jeugdjaren. Maar ze is te laat. Gientje gaat dood zonder Minnie een antwoord te hebben gegeven. Het enige dat ze haar moeder nog hoort zeggen is: ‘Straks word ik weer een meisje’.
    ‘Dan vindt Minnie een fotoalbum en ziet tot haar schrik dat ze toch wel op haar moeder lijkt. Ze vraagt zich af of haar moeder ooit wel eens ergens voor geknokt heeft, maar haar moeder heeft zich juist gek geknokt, is ontsnapt uit dat klooster, heeft gerend en gerend!’
    ‘Ik kwam er achter dat je lang niet alles weet over je ouders.’, zegt Schrijber

    Is het in eerste instantie een roman over herinneringen over een tijd, een blije jeugd, een plek, het dagelijks bestaan, maar gaandeweg vormen die herinneringen een verhaal, en vallen er steeds meer stukjes op hun plaats. Het zit boordevol thema’s en gedachten die elk op hun beurt onderwerp van een roman kunnen zijn.

    ‘Dat klopt, dat hoor ik wel vaker. Ik houd niet van films en boeken waarin maar één thema aangestipt wordt. Zo zit het gewone leven ook niet in elkaar. Het leven gaat niet alleen maar over twee hoofdpersonen, in een leven gebeurt ook alles tegelijkertijd en moet je van alles. Je moet gelukkig worden, werken, kinderen krijgen, succesvol zijn. En dan plots ben je 40-45 jaar, ga je scheiden, word je wakker en realiseer je je dat je je eigen leven had moeten leiden. ‘Er zijn maar een paar dingen belangrijk en dat zijn altijd dezelfde dingen. Een ervan is dat je niet te laat moet komen voor je eigen leven.’

     

    De luchtvegersHoe is het nu, voel je wrok?

    ‘Nee, ik voel geen wrok. Ik heb alles gedaan wat ik kon doen. Dat weet ik en uiteindelijk krijg je dan het inzicht: ik ben er klaar mee. Van die korte tijd met mijn vader heb ik een dosis zelfvertrouwen overgehouden. Hij zei altijd : “Jij kan alles” in tegenstelling tot mijn moeder die altijd zei “Jij kan niks”. Zo ook bij dit boek. Dat moest ik schrijven en ik dacht: “ik kan dit gewoon”.’

    Herken je andere Minnies?

    ‘Jazeker! Zij lachen altijd alles weg, vertellen de meest vreselijke verhalen op een grappige manier, maar dat kan ook niet anders. Dat deed ik ook. Je kan toch niet altijd gaan zitten janken? Anderen konden daar niet goed mee omgaan en boden me dan maar een biertje aan. Waarom zou ik dan mijn hart gaan zitten uitstorten, ik weet toch zèlf hoe het zit? Dan moest ik ook die ander nog gaan zitten troosten en zeggen: “nee hoor, geeft niet, we gaan een biertje drinken”.
    Op zo’n moment heb je Brume, iemand die het snapt, echt nodig!’

    De luchtvegers is geestig geschreven, met rake zinnen en een enorme vaart. Het onderwerp mag dan een existentiële zoektocht zijn als gevolg van een hoop narigheid en ellende, door het directe taalgebruik, de mooie bewoordingen, en de onderkoelde humor is het een prachtig boek geworden over een geschiedenis die verteld moest worden.

     

     

  • Integraal interview Paul Beers met Witold Gombrowicz

     

    Dit interview van vertaler Paul Beers met de Poolse schrijver Witold Gombrowicz vond plaats in in 1967 in Vence, Zuid Frankrijk en verscheen Vrij Nederland.

    Vier romans en de verhalen van Witold Gombrowicz gebonden in een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen in een oplage van 511 genummerde exemplaren en in herziene vertaling door Paul Beers bij uitgeverij IJzer (2015).

    Gombrowicz behoort met Bruno Schulz en Stanislaw Ignacy Witkiewicz tot de belangrijkste Poolse schrijvers van de 20e eeuw. In zijn meest productieve jaren woonde hij in Argentinië (1939 tot 1963) waardoor hij in Europa niet de bekendheid genoot die hij verdiende. Pas in 1960, nadat de roman Pornografie was verschenen, veroverde hij de literaire kritiek in Frankrijk en Duitsland waarna vele andere landen volgden. Zijn debuutroman Ferdydurke bleef zijn meest succesvolle roman. Na een verblijf in Berlijn, vestigde hij zich in Vence, Zuid-Frankrijk, waar hij zijn laatste roman Kosmos (1965) voltooide waarmee hij de prestigieuze Internationale Literatuurprijs 1967 (Prix Formentor) won. Het Parool schreef over Gombrowicz dat hij ‘onherhaalbare romans schrijft’. En dat het een verademing is ze te lezen, ook als men er niet compleet door veroverd wordt.

    De Volkskrant over De Verhalen: ‘een stijl waarvoor niets te dol is, van de meest krankzinnige grappen tot de meest clichématige plechtstatigheden. De vertaler heeft Gombrowicz in onze taal een schitterend eigen idioom geschonken, waarvan ik mij eerlijk gezegd maar moeilijk kan voorstellen dat het in het Pools nog overtroffen zou kunnen worden.’
    (Onderaan de pagina de link waar deze dundrukeditie te verkrijgen is.

     


    INTERVIEW:

    30 juli 1967

    Vence, zondagavond 7 uur, de grootste hitte is achter de rug. In een van de hoeken van de grote Place du Grand Jardin, verscholen haast, een stijlvol ouderwets herenhuis, drie naambordjes onder elkaar, drie bellen, de bovenste van Witold Gombrowicz. De deur klikt open, een koele, haast donkere hal, een hol naar beneden galmende stem: ‘Qui est là?’ – ‘Le traducteur hollandais’, ik loop twee trappen op, sta dan voor de man die ik meen te kennen, die mij niet kent. Een blaffende hond, sst, sst, een jonge vrouw van een jaar of dertig pakt hem bij de halsband, knikt, doet de deur van de werkkamer voor ons open. Stilte, hijgen, de astma waar hij in zijn laatste brief over schreef heeft hem niet verlaten, juist vandaag is die door de vochtige lucht extra hardnekkig. Vijf minuten om op adem te komen en waarin mij een whisky-soda wordt gebracht door de zeer vriendelijke gezellin van de schrijver. Nee, hij is niet jong meer, deze schrijver van jeugd en onrijpheid. Toen hij als vijfendertigjarige Pool zijn tweede vaderland Argentinië betrad (om het pas vierentwintig jaar later te verlaten), kon hij van zichzelf schrijven dat hij er tien jaar jonger uitzag, nu niet meer, hij is een zestiger. En ziek, zoals hij zelf meermalen benadrukt; nee, nooit last gehad, niet als jongen in Polen, niet in Argentinië, pas bij zijn terugkeer in Europa tijdens zijn eenjarig verblijf in Berlijn op uitnodiging van de Ford Foundation is hij door de astma overvallen.

    Vermagerde, sensitieve wangen waar de zenuwen lijken geconcentreerd, de rook van de menthol-sigaretten wordt driftig naar binnen gezogen, de totaalindruk is die van een deprimerende eenzaamheid. Bovendien is hij sinds het winnen van de Internationale Literatuurprijs de prooi van een journalistieke en literaire belangstelling die hem tezamen met zijn ziekte uitput. Morgen tandarts, overmorgen Julliard, verleden week de ‘Entretiens’ met Dominique de Roux op de bandrecorder, vandaag:
    ‘Monsieur Gombrowicz, zou men kunnen zeggen dat u in uw laatste roman Kosmos als het ware bent doorgestoten tot de grond die ook bepalend is voor uw andere werk, maar nu op meer algemene, filosofische wijze – dat uw gevecht met de Vorm zich hier in alle naaktheid openbaart?’
    ‘Dat weet ik niet zo, mijn hoofdthema beheerst natuurlijk al mijn werk, maar het is waar dat Kosmos wat filosofischer is dan mijn andere boeken. Dat hoofdthema is dus: de mens als schepper van de Vorm.’
    ‘Uw hoofdthema, ja. Maar daarnaast spreekt u over thema’s die in de loop van uw bestaan geleidelijk veranderen. Het hoofdthema heeft zich dus op bepaalde wijze gevarieerd.’
    ‘Ja, zeer in ’t kort en zeer algemeen zou men dit kunnen zeggen. Ferdydurke: de mens geschapen door de andere mens; Pornografie: de volwassene geschapen door de jeugdige; Komos: de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

    ‘Zouden we het zo kunnen zeggen dat in Kosmos de mens gevormd wordt door de dingen in plaats van door de mensen?’

    ‘Nee, ook in Kosmos staat de mens centraal, in al mijn werk staat de mens in het centrum. Want de nadruk ligt niet op de dingen, maar op het associëren en verbinden in de menselijke geest. Mijn kunst, dé kunst, is de hartstocht en de behoefte om de dingen te begrijpen.’

    ‘Bent u, getuige vooral uw Dagboek, niet evenzeer filosoof als kunstenaar?’

    ‘Nee, nee, ik wil in de eerste plaats kunstenaar zijn. Pas nadat ik Ferdydurke geschreven had, ben ik me de implicaties bewust geworden, en pas omdat men dat boek en mijn andere werk niet begreep, heb ik me gedwongen gezien mezelf te verklaren. Maar ik wil als kunstenaar gelezen worden, ik heb een hekel aan al te filosofische verklaringen van mijn werk, ik wil dat men het verhaal, de geschiedenis leest en er zich door mee laat nemen. Zo zou ik ook de kritiek geschreven willen zien, geen filosofische extracten, geen onmogelijke weergave van de gang van het verhaal, maar een creatieve krachtmeting met de auteur. De criticus moet proberen de elektriciteit, de aantrekkelijkheid van het boek over te brengen. Maar helaas, ik ken er zo maar weinigen en de mensen krijgen de indruk dat ik een denker ben.’

    ‘U maakt het uw critici met deze eisen wel erg moeilijk. Om naast uw ideeën ook uw stijl over te brengen zouden ze een tweede Gombrowicz moeten zijn.’

    ‘Hm.’

    ‘Om op uw denker-zijn terug te komen, uw Dagboek bevat toch duidelijk meer dan verklaringen van eigen werk en persoonlijke notities. U gaat uitvoerig in op schrijvers uit zulke verschillende richtingen als katholicisme, communisme en existentialisme, waarbij bovendien, temidden van alle afwijzing, een grote loyaliteit opvalt.’

    ‘Wat die loyaliteit betreft, die is de andere kant van gedesinteresseerdheid. Omdat ik aan geen van deze -ismen geëngageerd ben, kan ik ze des te objectiever beschouwen. Ik ben dus geen filosoof, maar wel heb ik me een grote intellectuele strengheid eigen gemaakt.’

    ‘Heeft u in uw Parijse jaren ook filosofie gestudeerd?’

    ‘Parijse jaren zijn er niet geweest, wel ging ik tijdens mijn rechtenstudie in Warschau soms voor langere tijd naar Parijs, maar omdat ik daar niets uitvoerde heeft mijn vader er een eind aan gemaakt.’

    ‘Zou u iets over vroeger willen vertellen?’

    ‘Ik kwam zoals gebruikelijk uit een katholiek gezin waarvan ik, in 1904 geboren, de jongste was naast een inmiddels overleden zuster en twee oudere broers. Met hen heb ik nog contact, schriftelijk, want in Polen ben ik nooit meer geweest. Na het gymnasium studeerde ik dus rechten in Warschau en ik heb die studie alleen afgemaakt om reden van financiële steun van thuis. Ik heb er nooit iets mee gedaan en ik weet er niets meer van. Het afvallen van het geloof heeft voor mij geen enkele schok betekend, innerlijk tenminste, dat ging vanzelf. Al op zestien-, zeventienjarige leeftijd was ik met Kant bezig, zijn Prolegomena op de Kritik der reinen Vernunft, en met boeken óver hem, want de Kritiken zelf waren toen nog te moeilijk. Daarna Hegel, Schopenhauer, Nietzsche.’

    ‘Daar wilde ik u iets over vragen. In uw Dagboek valt u scherp uit tegen Nietzsche. Maar is het niet zo dat als men een filosoof zou moeten noemen die althans in uw richting denkt, meer een denker dus van het leven dan een filosoof van de geest, dat men dan als eerste aan Nietzsche denkt?’

    ‘Ja, Nietzsche is ook heel belangrijk, en voor mij belangrijker geweest dan Kierkegaard, maar in die passage ging het er mij om dat Nietzsche ‘jong’ en ‘wijs’ met elkaar wilde verenigen, terwijl voor mij jeugd gelijk staat met het lagere, het onrijpe, het minderwaardige.’

    ‘Over het existentialisme heeft u het wat uitvoeriger in uw Dagboek, heeft u daarvan de hoofdwerken bestudeerd?’

    ‘Ja, Sartre’s L’être et le néant en van Heidegger Sein und Zeit, Jaspers minder. Maar nooit als filosofie-student, altijd als leek. Filosofie is belangrijk voor de intellectuele strengheid die ik al noemde, en zij helpt ons de wereld te ordenen.’

    ‘Desondanks schrijft u uw romans niet vanuit een bepaald plan.’

    ‘O nee, in al mijn werk laat ik mij leiden door natuurlijke impulsen die mij in een bepaalde richting drijven, sans préméditation. En met ‘natuurlijk’ bedoel ik: aantrekkelijk, boeiend, onverwacht, ik weet van tevoren niet hoe het verhaal zich zal ontwikkelen. In Kosmos bijvoorbeeld is er eerst de mus die hangt, dan de monden, de pijl op het plafond die verwijst naar een ander hangen, zo ontstaat het thema van het hangen, dat weer verbinding zoekt met de monden, maar ik weet zelf niet hoe. Zo schept het boek zichzelf als de geleidelijke vorming van een realiteit van verwijzingen.’

    ‘Zou men niet kunnen zeggen dat u in uw werk een poging doet het leven zelf, de wildheid en ongevormdheid ervan, op heterdaad te betrappen en weer te geven, temeer daar ook uw werkwijze de grilligheid van het leven volgt, onverwacht en sans préméditation?’

    ‘Nee, zeker niet, want dat zou een capituleren voor de chaos betekenen. En schrijven is een middel tot ordening.’

    ‘Ik wilde nog even terugkomen op Kosmos. Hoewel de nadruk dus ligt op de associaties, de verbindingen tussen de dingen, spelen de dingen zelf in dit boek een grote rol. Omdat dit ook in de nouveau roman het geval is, wilde ik u vragen of u parallellen ziet.’

    ‘De enige toevallige parallel is misschien die nadruk op de dingen. Maar verder is de nouveau roman van een afschuwelijk intellectualisme. Men mag natuurlijk niet generaliseren, vooral over Robbe-Grillet valt meer te zeggen, maar in zijn algemeenheid is dit waar. Zij zoeken het object, iets wat voor mij een absoluut valse zaak is, omdat men slechts van zichzelf uit kan gaan, dat wil zeggen van het subject. Die fles daar is er voor mij, niet ik voor de fles. En het ergste is: zij maken de literatuur vervelend, de Franse nouveau roman is vervelend en onleesbaar. Ook Kosmos wil de wereld ordenen, maar op lyrische, gepassioneerde wijze, de nouveau roman is cerebraal, intellectueel, dood.’

    ‘Dat zijn meer gehoorde verwijten aan het adres van de Franse cultuur. Hoe staat u tegenover Frankrijk?’

    ‘Zeer ambivalent. Ik houd niet erg van Frankrijk, het is me te intellectueel, te cultureel. Maar ik ken de taal, ik heb er mijn meeste contacten, mijn Poolse uitgeverij Kultura zit in Parijs, ik ken mijn Franse vertalers, wier werk ik zelf kan corrigeren. Maar ik houd niet van het land. Even ben ik in Italië geweest en dat beviel me onmiddellijk veel beter. Veel meer het Zuiden. Ik houd van het Zuiden, niet van het Noorden. Argentinië, dat is een goed land, daar heb ik ’t het meest naar mijn zin gehad, de lichtheid, de losheid. Maar nu maakt het niet meer uit, nu ben ik oud.’

    ‘Ik had nog een vraag over uw Dagboek Parijs-Berlijn. U geeft daar, dacht ik, een waar verslag van uw terugkeer naar en uw eerste jaar ín Europa. Maar het viel mij op dat u enkele malen haast ongemerkt het terrrein van de geloofwaardigheid verlaat en een bizarre fantasie beschrijft, zoals we die uit uw werk kennen. Bijvoorbeeld die matroos die het eind van een touw inslikt en door de kronkelingen van zijn slokdarm de mast in wordt gehesen, of het uittrekken van uw broek tijdens het diner met de Franse schrijvers.’

    ‘Nee, nee, dat is inderdaad fantasie, dat van dat diner, natuurlijk! Ook in mijn dagboeken houd ik me niet strikt aan de werkelijkheid, méér, maar niet helemaal. En die matroos met die lijn, dat haakt aan bij een vroeger verhaal van mij, ‘Voorvallen op de schoener Banbury’, waarin eenzelfde episode voorkomt en waarin ik een bootreis naar Argentinië beschrijf op een moment, 1932, dat ik nog niets over mijn latere Argentijnse lot kon weten. Dat was dus een voorspelling, een soort helderziendheid, en omdat dit me op dat moment nogal bezighield, keert dat verhaal bij me terug: de gelijktijdigheid, het vervloeien van de tijd.’

    ‘In Frankrijk is zojuist de verzamelbundel van uw verhalen, Bakakaï, verschenen. Op één na zijn deze gedateerd tussen 1926 en 1937, het jaar waarin Ferdydurke verscheen. Uit uw Dagboek meende ik te kunnen opmaken dat u indertijd niet tevreden was over uw werk vóór Ferdydurke; toch lijkt het mij dat de verhalen al direct op het peil staan van uw latere werk.’

    ‘Ik ben het daarmee eens, ik sta er volkomen achter en ik geloof dat de beste van mijn verhalen niet onderdoen voor het beste uit mijn andere werk. Wel geef ik de voorkeur aan de laatste, zoals ‘De rat’ en ‘Het banket’, de techniek is daar perfecter geworden; dat is ook de reden waarom ik ze nu in omgekeerde volgorde heb gepubliceerd.’

    ‘Dan uw toneel. U weet dat in het komende seizoen in Nederland Yvonne en Het Huwelijk gespeeld gaan worden. Het heeft lang geduurd voor uw stukken in Europa werden opgevoerd.’

    ‘Ja, Yvonne dateert van 1935 en is zo goed als dertig jaar ongespeeld gebleven. Het Huwelijk, van 1945, is in 1963 voor het eerst opgevoerd in Parijs, onder regie van Lavelli, en met groot succes. Sindsdien is ook Yvonne in Frankrijk gespeeld. Duitsland volgt nu, en het afgelopen jaar is er een voorstelling gegeven van Het Huwelijk in Stockholm, onder regie van Sjöberg, waarvan gezegd wordt dat het de grootste toneelgebeurtenis van het seizoen is geweest. Mijn theater was stellig zijn tijd vooruit. In al die jaren ben ik als toneelschrijver onopgemerkt gebleven. Maar nu ben ik plotseling een serieuze naam in de discussies over het moderne toneel, terwijl een man als Lavelli dankzij zijn succes een regisseur van internationale betekenis is geworden.’

    ‘Heeft u voorstellingen van uw eigen stukken gezien?’

    ‘Nee, bij de opvoering van Het Huwelijk in Parijs was ik in Berlijn, en omgekeerd. Ik ben trouwens helemaal geen toneelliefhebber, ik prefereer de film, ik ben een schrijver voor toneel die niet van toneel houdt.’

    ‘Tot slot zou ik u willen vragen of u bij gelegenheid van de verschijning van Kosmos en de opvoering van Het Huwelijk naar Nederland zou kunnen komen.’

    ‘Nee, dat is uitgesloten, dat staat mijn gezondheid absoluut niet toe.’

    Als ik hem na afloop vraag mijn exemplaar van het Dagboek te willen signeren, lees ik buiten: ‘À P.B. qui me torture avec ses questions, très amicalement  Witold Gombrowicz

     

     

    Dit interview verscheen op 12 december 1967 inVrij Nederland.

  • Mira Feticu over haar nieuwe roman Tascha

    Het klinkt als een scène uit een spannende film: zeven schilderijen gestolen uit de Kunsthal van Rotterdam, de waarde van de werken ligt boven een miljoen euro. Lang zijn ze zoek, tot het spoor naar Roemenië leidt. Daar zou de moeder van één van de vermeende daders de kunstwerken in het vuur geworpen hebben. Maar of de schilderijen daadwerkelijk tot as zijn vergaan, nog ergens begraven liggen of aan iemands muur pronken – het is nog steeds een raadsel.

    Mira Feticu (Breaza, Roemenië, 1973) hoort het nieuws vol verwondering en volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Ze is vooral geraakt door de vriendin van hoofdverdachte, Natascha, in de roman afgekort tot ‘Tascha’: door de Kunstroof kwam haar leven in een stroomversnelling. In zekere zin was het haar redding uit de prostitutie, het moment dat haar de ogen opende. Tascha legt een verborgen en pijnlijke wereld bloot. Maar voor Feticu is het duidelijk: dit verhaal moest verteld worden.

    Feticu debuteerde in 1993 als dichter, maar legde zich daarna toe op het schrijven van proza. In Roemenië werkte ze als programmamaker bij de nationale radio en verrichtte literair onderzoek aan de Roemeense Academie van Wetenschappen. Na haar verhuizing naar Nederland, tien jaar geleden, verscheen in 2012 een eerste Nederlandse verhalenbundel, Lief kind van mij, en in 2013 de roman De ziekte van Kortjakje.

    ‘De werkbeurs die ik voor Tascha gekregen heb, heeft mijn leven veranderd. Ik, een Roemeense, heb erkenning gekregen. Het Letterenfonds ziet mij, ik ben niet zomaar een stem die niemand hoort. De beurs heeft me iets van mijn identiteit teruggegeven. Niet alleen ik wil Nederland, maar Nederland wil mij ook!’

    En dat is een beloning waar Feticu hard voor heeft moeten werken. Want het was zwaar om een nieuwe taal te leren maar vooral om haar eigen taal achter zich te laten.

    ‘Het was zelfmoord,’ legt ze uit, ‘maar tegelijkertijd was er geen andere mogelijkheid. Ik kon niet met één been in mijn verleden blijven staan, ik moest schrijven in de taal waarin ik voortaan ook communiceerde. De Roemeense filosoof Emil Cioran, die ook veel in het Frans schreef, drukte het heel treffend uit: “ik liet een gebed achter, en kreeg er een contract voor terug.” Zo is dat voor mij ook precies. Ik heb met mezelf een contract dat ik in het Nederlands schrijf. Ik ben een andere Mira geworden, ik ben anders naar dingen gaan kijken. Ik begrijp ook niet alles in meer in Roemenië.’

    Dat gevoel van versplintering lijken meerdere schrijvers, die in een andere taal zijn gaan schrijven, te ervaren. Al snel komt het gesprek op Herta Müller, die tussen het Roemeens en het Duits laveert. In Roemenië interviewde Feticu haar voor de radio toen vrijwel niemand nog interesse in haar had.

    ‘Ik bewonder Herta Müller niet alleen om haar schrijverschap, maar om haar hele persoon. Zij is een van de weinigen die tegen het systeem, tegen de Securitate [de Roemeense geheime staatsveiligheidspolitie t.t.v. het communistisch regime], durfde te vechten. Zij heeft me geïnspireerd, zij heeft benadrukt hoe belangrijk karakter is. Zij durfde de waarheid te spreken op een moment dat vrijwel niemand dat deed. Ik heb een zwak voor mensen die naar zichzelf durven te luisteren, en anders durven te zijn.’

    In Tascha gaat het ook over iemand die zich aan de rand van de maatschappij bevindt. Op de vraag of ze een idee heeft waar die voorkeur voor zulke ‘outcasts’ vandaan komt, hoeft Feticu niet lang na te denken.

    ‘Ik houd niet van clichés. Je moet altijd naar je eigen stem luisteren. Ook ik heb me afgevraagd waar die obsessie met de waarheid vandaan komt, want ik doe er anderen pijn mee. Maar het heeft er mee te maken dat ik ben opgegroeid in een internaat, en daar verschrikkelijke dingen heb meegemaakt. Misbruik. De waarheid spreken, voor jezelf opkomen, was de eerste stap naar genezing. Je komt nergens als je alles onder het tapijt schuift. De geschiedenis heeft mij geleerd dat waarheid het allerbelangrijkste is. Daarom speelt het ook zo’n belangrijke rol in dit boek; Tascha moet voor zichzelf de waarheid boven tafel krijgen om haar leven op de rit te krijgen. Zoals Ortega y Gasset over Don Quichote zei: “de schellen moesten hem nog van de ogen vallen”. Zo is het met Tascha ook.’

    Wanneer Tascha met haar vriend Radu naar Nederland komt, is ze behoorlijk naïef. Ze gelooft Radu wanneer hij zegt dat ze zullen leven als koningen, dat zij – met haar mooie lichaam – gemakkelijk snel geld kan verdienen.

    ‘Of ik Tascha sympathiek vind? Dat weet ik niet. Maar ik heb een zwak voor slachtoffers, ik vind het belangrijk om in hun naam te spreken. Ik weet niet eens of Tascha doorhad dat ze een slachtoffer was, ze was zo arrogant en zo dom om te zeggen dat ‘de school van het leven’ haar leerschool was. Naar mijn gevoel heeft zij de roof nodig gehad om tot inzicht te komen. Ze was een meisje dat het leven niet begreep en dacht dat schoonheid de sleutel tot geluk was. Ik voelde me verplicht in haar naam te spreken. Om mij heen, op Facebook, zie ik nichtjes en andere vrouwen uit Roemenië die constant met hun uiterlijk bezig zijn. Ze zijn afhankelijk van anderen voor hun geluk. Dat vind ik zo jammer!’

    Op de vraag of ze denkt dat ze zelf ook in dezelfde valkuil had kunnen vallen, is Feticu stellig.

    ‘Eerlijk gezegd, nee. Ik weet dat de grens tussen iets van je leven maken en afhankelijk blijven in Roemenië erg dun is. Maar ik ben iemand die heeft geleerd om te overleven en te vechten. Gelukkig was mijn vader erop gebrand dat ik ging studeren, dat zorgde ervoor dat ik niet in allerlei rare situaties belandde. Ik ben trouw gebleven aan wie ik ben. Maar daarnaast heb ik ook kansen gekregen, heb ik geboft met de mensen op mijn pad. Ik kreeg de kans voor de radio te gaan werken. Ik bofte met mijn docent aan de universiteit van Boekarest, die bij me langskwam toen ik ziek was en mijn verwarming voor het hele jaar heeft betaald. En hier in Nederland net zo, de bibliotheek in Den Haag redde mij. Mijn Nederlands was nog niet zo goed, maar zij namen me aan. Ik was weer thuis, tussen de boeken. De literatuur gaf mij een nieuwe kans. Literatuur is troost, is redding, fantastisch, het is hoop, de toekomst, bijna een religie.’

    Literatuur is de grote constante in het leven van Feticu, schrijvers staan op een voetstuk. Hoe kijkt zij aan tegen haar eigen schrijverschap en de verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt?

    ‘Ik ben vooral heel dankbaar dat ik mensen kan helpen door mijn verhaal te vertellen. Dat ze er troost uit putten. Ik geloof in mijn woorden, ik geloof dat ze een doel hebben. Mijn verhaal zoekt het woord in jou.’ Ze denkt even na, en zegt dan: ‘Ik kon Tascha’s verhaal niet onbesproken laten. Dan zou ik over alles moeten zwijgen: over Ceauşescu, over de honger, misbruik, alles! In Roemenië heerst eigenlijk zo’n zelfde drang om overal open over te spreken. Het verhaal van de Kunstroof werd in de Roemeense kranten breed uitgemeten. Compleet met namen en toenamen. De daders werden scherp veroordeeld, hun daad werd bestempeld als gebrek aan beschaving. In Nederland hield men zich meer op de vlakte, werd er minder een oordeel uitgesproken. Maar misschien zijn ze in Roemenië ook gewoon doorgeslagen in vrijheid na de Revolutie.’

    Dat het niet allemaal beter werd voor de generatie van na de Revolutie, in 1989, blijkt wel uit Tascha. Geen gouden bergen, maar een leven vol strijd. Is Tascha inderdaad een product van een tijdperk?

    ‘Dat heeft nog niemand aan me gevraagd, maar ik denk het wel. In het boek zegt de vader van Tascha tegen haar dat alles goed zou komen, omdat ze na de Revolutie geboren is. Want na de Revolutie heb je opeens vrijheid, je kunt vrij praten, hebt mogelijkheden. Maar zo was het niet, want revolutie is niet alleen vrijheid, maar ook chaos. Uit zo’n hausse komt Tascha voort – geen waarden meer, geen normen. Haar dorp was verlaten, de helft van de huizen stond leeg. Iedereen kwam er alleen maar om weer weg te gaan. Tascha komt niet uit een normaal gezin, ze is een erfgenaam van het communisme. En dat weegt in een mensenleven.’

    Dat het in het derde boek van Feticu over veel meer dan de Kunstroof gaat, moge duidelijk zijn. Toch wordt daar in de presentatie van het boek juist flink de nadruk op gelegd, in plaats van op mensenhandel, prostitutie. Is die ondertitel (‘De roof uit de Kunsthal’) een marketingstrategie?

    ‘Nee hoor. Ik heb mijn boek nu eenmaal geschreven met een staart in de werkelijkheid, waarom zou ik die ongenoemd laten? Die roof brengt het leven van Tascha aan het licht. Maar het is wel waar dat die ondertitel ervoor zorgde dat mijn boek veel aandacht kreeg, iedereen herinnert het zich nog. Ik heb er wel kritiek op gekregen – het boek zou te weinig over de Kunstroof gaan. Dan denk ik: misschien heb je de essentie niet begrepen.’

    Wat raadt Mira Feticu – behalve haar eigen boek natuurlijk – voor deze zomer aan?

    ‘Allereerst een paar klassiekers, die altijd met me meegaan: Marguerite Yourcenar, Jorge Luis Borges, Witold Gombrowicz. Van die laatste moet je vooral zijn dagboek lezen, prachtig! Ook heb ik Teju Cole ontdekt: een Amerikaan met Nigeriaanse ouders, die het helemaal gaat maken. En wat betreft Nederlandse literatuur? Ik lees heel veel vrouwen, Rascha Peper, Connie Palmen, Marja Pruis – de manier waarop zij biografieën schrijft! Daar kan ik nog veel van leren. De Nederlandse literatuur vind ik zo stoer, alleen al het feit dat de eerste briefroman werd geschreven door twee vrouwen in 1782, door Betje Wolff en Aagje Deken. Mooi dat ik daar nu ook deel van uitmaak.’

     

    Tascha. De roof uit de Kunsthal.
    Mira Feticu
    Uitgeverij Jurgen Maas
    pagina’s: 192
    Prijs: € 17,95

  • Interview met prijswinnend vertaalster Mari Alföldy

    Begin april ontving Mari Alföldy de Filter Vertaalprijs 2014. Zij ontving deze prijs voor haar vertaling van Satanstango van de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai. Deze Nederlandse vertaling verscheen in 2013 bij uitgeverij Wereldbibliotheek. De jury noemde zowel het boek als de vertaling een meesterwerk: ‘De jury voelde zich door deze Satanstango al evenzeer ingepakt als door de stilistische brille van Mari Alföldy, die de Filter Vertaalprijs 2014 ten volle verdient.’

    László Krasznahorkai (1954) werd geboren in de Oost-Hongaarse plaats Gyula. Zijn eerste roman Satanstango verscheen in 1985 en werd enthousiast ontvangen. Satanstango gaat over de bewoners van een naamloos, geïsoleerd gehucht dat door de autoriteiten is opgegeven. De inwoners bevinden zich in een hopeloze situatie. Als een charismatisch figuur die eerder in de kolonie heeft gewoond, terugkeert, wordt hij de hoop van de bewoners. Het is een roman over vertrouwen en verraad in vele vormen. Er is geen hoop op verlossing. Krasznahorkai heeft een filosofische kijk op de wereld en schrijft in lange, gecompliceerde zinnen. Soms doet de tekst bijbels aan. Het maken van een vertaling lijkt met name door de lange, ingewikkelde zinnen een flinke klus. Tijd om eens te vragen hoe vertaalster Mari Alföldy daar naar kijkt.

    Mari Alföldy (Boedapest, 1962) werkt sinds 1998 als literair vertaler en vertaalde romans van vooraanstaande Hongaarse auteurs, als Imre Kertész, György Konrád en Sándor Márai. Zij studeerde Klassieke Talen en Hongaars aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij ontving eerder de Hongaarse Kosztolányi-vertaalprijs en het Gouden Kruis van Verdienste van de Republiek Hongarije.

     

    Hoe gaat het vertalen van een boek in zijn werk? Leest u het eerst in de oorspronkelijke taal en is het dan een kwestie van een lineair proces, zin voor zin vertalen?
    Ik lees boek eerst door, tenzij ik het al ken. Daarna vertaal ik het zo goed mogelijk. Inderdaad is dat een vrij lineair proces. Nadat het hele boek vertaald is, lees ik het zelf nog eens goed door. Ik corrigeer fouten, tikfouten, woordherhalingen en zoek betere formuleringen.
    Vroeger liet ik het boek door iemand anders lezen, maar na zoveel boeken ben ik wat minder onzeker geworden en vind ik de redactie bij de uitgeverij voldoende controle. Ik vergelijk het boek altijd met het origineel, vooral om te kijken of ik niets heb overgeslagen. Bij sommige boeken is dat niet nodig en als ik erg in tijdnood ben wil dat er wel eens bij inschieten.
    Het zou goed zijn alles hardop voor te lezen maar dat is erg tijdrovend. Al doe ik dat bij poëzie wel.
    Dan gaat de tekst naar de uitgever, waar een redacteur ernaar kijkt. Die doet nog wat suggesties, meestal met een potlood op papier, soms digitaal, de een veel, de ander weinig. Die verwerk ik dan. Daarna krijg ik proefdrukken, dan gaat het vooral om afbrekingen en dergelijke. Je kunt nog wat correcties aanbrengen maar erg blij zijn ze daar niet mee. En dan na een paar werken is daar dan eindelijk het spannende moment dat de post de presentexemplaren brengt.


    Satanstango is een complex boek. De zinnen zijn lang en ingewikkeld. En wat de scènes betreft: het is niet altijd in een oogopslag helder wat er nu werkelijk aan de hand is. Had dat gevolgen voor het proces van vertalen?
    Voor de scènes maakt dat niet zoveel uit. Met de zinnen was het af en toe een heel gepuzzel om er mooie Nederlandse zinnen van te maken en er toch alles in te krijgen. Het Hongaars heeft andere mogelijkheden voor het grammaticaal aan elkaar koppelen van woorden. Vertaalproblemen zijn altijd moeilijk uit te leggen. Als het makkelijk uit te leggen was, had ik geen vertaalprobleem tenslotte. De meeste vertaalproblemen zijn vrij technisch en niet zo interessant voor het grote publiek. Krasznahorkai gebruikt veel ingevoegde stukjes tussen aanhalingstekens, subjectieve teksten van de personages in de vertellerstekst, en dat werkt in het Nederlands soms niet vanwege grammaticale regels voor directe en indirecte rede.

    De eerste zin, die ook terugkeert aan het einde, was al meteen een uitdaging:
    De ‘gebarsten grond’ (een betere vertaling zou zijn: ‘vol barstjes’, maar dat kun je in het Nederlands nu eenmaal niet bijvoeglijk gebruiken, en een bijzin als ‘die vol barstjes zat’ zou de toch al ingewikkelde zin nog zwaarder maken) wordt in het Hongaars ook nog szikes genoemd. Dat is een heel gewoon woord voor een bepaald type grond in een landschapsbeschrijving, waarvan het Nederlandse equivalent echter ‘alkalische grond’ zou zijn – een woord dat ik te technisch vind voor de eerste zin van een roman. In een literaire vertaling moet men idealiter streven naar wat met een mooi Duits woord Wirkungsequivalenz genoemd wordt: de Nederlandse lezer zo veel mogelijk dezelfde leeservaring bezorgen als de lezer van de brontaal. Als Hongaarse lezer een landschapsbeschrijving leest, moet de Nederlandse lezer niet met een geologische verhandeling worden opgezadeld, ook al zegt het woordenboek dat szikes alkalisch betekent. Alkalisch moest dus sneuvelen, al is weglaten geen vertaaloplossing om trots op te zijn. Gelukkig roepen de barsten het beeld van dat type landschap al voldoende op.

    Wat is volgens u de centrale boodschap van Satanstango?
    Boeken die je in één zin kunt samenvatten zijn geen goede boeken, maar toch, één mogelijke conclusie zou deze kunnen zijn: Er is transcendentie en geen verlossing. Wie vertrouwen en hoop in iets of iemand investeert wordt altijd teleurgesteld en kan alleen zichzelf iets verwijten.


    Voor mij is één van de meest intrigerende scènes het bezoek van
    Irimiás en Petrina aan de politie. Wat gebeurde daar precies volgens u in deze voor de verhaallijn zo belangrijke scène?
    Echt precies weet ik het ook niet, maar ze worden ingeschakeld als een soort geheim agenten. Al het moois wat Irimiás wordt toegedicht door de bewoners van de kolonie wordt hierdoor op losse schroeven gezet, net als de hoogdravende dingen die hij zelf verkondigt. Als we stellen dat de strekking van het boek is dat niemand en niets te vertrouwen is, dan speelt deze scène inderdaad een belangrijke rol in het opbouwen van die sfeer.


    Welke scène uit dit boek is u het meest bijgebleven?
    Dat zijn er verschillende. De zeer gecompliceerde beginzin en beginscène waarin de sfeer wordt gezet, het raadselachtige bezoek van Irimiás en Petrina aan de politie, de minutieuze beschrijving van de beperkte wereld van de dokter, het duivelse dansfeest in de kroeg, de gruwelijke scène waarin Estike, het onschuldigste wezen van het hele boek, de kat vermoordt, de rede van Irimiás – een schoolvoorbeeld van demagogie, de droomachtige taferelen met het lichaam van het meisje bij de kasteelruïne, de gebeurtenissen in het vervallen kerkje waar de dokter een laag-bij-de-grondse verklaring vindt voor het mysterieuze klokgelui uit de openingsscène.
    Wat ik ook bijzonder vind is dat dit eigenlijk sombere boek af en toe ook ronduit humoristisch is.
    Wat mij vooral opviel is dat hoe onduidelijk en schimmig alles blijft. Zoals de eerder genoemde scène bij de politie: vaak is niet duidelijk wat er nu precies gebeurt. Hoe voorkom je dat je als vertaler je eigen interpretatie tussen de regels stopt?
    Tot op zekere hoogte stop je altijd je eigen interpretatie erin. Het is geen wiskunde, er zijn altijd alternatieve vertalingen mogelijk. Als je een boek goed en belangrijk vindt, doe je extra je best om de bedoeling van de schrijver heel precies over te brengen.


    En bij dit boek bent u daar volgens de jury prima in geslaagd. Hoe belangrijk is deze prijs voor een vertaler?
    Voor mij is deze prijs heel belangrijk. Het is een enorme bevestiging als je vertaling door zo’n deskundige jury wordt uitgekozen en om het Nederlands wordt geroemd. Ik was erg blij met wat de jury schreef over ‘op duizelingwekkende wijze meegaan in de zinnen en hun geheimen.’ En als de jury dan zegt dat ze zich ‘ingepakt’ voelde, is dat wat je wilt als vertaler.


    Welk boek zouden we volgens u echt moeten lezen?
    Ik denk Kleuren en jaren van Margrit Kaffka. Ik ben al heel lang met haar bezig. Tijdens mijn studie Hongaars schreef ik mijn scriptie over haar. Het is een wat ouder boek, uit 1912, en het is het eerste boek in het Hongaars waar de vrouwelijke stem in naar voren komt. Mijn favoriete auteurs zijn veel hedendaagse Hongaarse schrijvers: Nádas, Esterházy, Spiró, Zádava, te veel om op te noemen. Van de oudere schrijvers vind ik Kosztolányi erg goed. Aan Nederlandse literatuur kom ik eigenlijk te weinig toe. Ik ben dol op Thomas Roosenboom en ook Nescio vind ik heerlijk. Ik heb al lang niets meer met mijn studie klassieke talen gedaan, maar onlangs heb ik weer eens wat Plato gelezen. Ik heb daar erg van genoten. Ik zou ook weer eens tijd moeten vrijmaken voor Homerus.
    Het belangrijkste boek dat ik heb vertaald is School aan de grens van Géza Ottlik. Het is één van de mooiste boeken die ik ken en het eerste boek dat op mijn aanbeveling is uitgegeven. Het spreekt me aan omdat je er vaak passages in aantreft waarbij je denkt, ‘ja, zo is het, maar ik had het zelf niet zo mooi kunnen zeggen’. Er worden heel verschrikkelijke dingen in beschreven. Het gaat over een militair internaat waar 10-jarige jongetjes door sadistische officieren worden afgebeuld. Ook maken de leerlingen elkaar het leven op een akelige manier zuur. Nu zouden we dat bullying noemen. Dit neemt ernstige vormen aan omdat het hele systeem op onderdrukking is gebaseerd. En toch, ondanks alles, is er een positieve ondertoon, die voornamelijk berust op de vriendschap tussen de jongens.
    Dit boek heeft ook veel invloed gehad op latere Hongaarse schrijvers met name door het thematiseren van ‘de moeilijkheden van vertellen’, waarmee hij de tijd van het ouderwetse vertellen afsluit en de weg opent voor post-moderne teksten. Ook Krasznahorkai plukte daar de vruchten van.

     

     

     

  • Uit het archief, 2010, 10 jaar Literair Nederland: Interview met Thijs de Boer

    Door Carolien van Welij

    In 2010 verscheen de verhalenbundel Vogels die vlees eten van Thijs de Boer. Mohana van den Kroonenberg interviewde hem. Ze spreken onder andere over het schrijfproces, de thema’s in zijn werk en de rol van humor.

    Thijs de Boer vertelt waarom hij is gaan schrijven: ‘Bijna al mijn verhalen zijn begonnen met een frustratie over iets waar ik weinig of geen controle over heb. Door erover te schrijven creëer je de illusie van controle.’

    Voor aspirant-schrijvers geeft hij ook nog een tip: ‘Toen ik lesgaf in het schrijven van verhalen heb ik mijn cursisten alleen maar films aangeraden. Kijk films herhaalde ik telkens. [..] [Voor] de verhaalstructuur, de dialogen.’

    Lees hier het interview met Thijs de Boer dat op 13 september 2010 op Literair Nederland gepubliceerd is. Vogels die vlees eten is uitgegeven door Uitgeverij Nieuw Amsterdam

     

  • Interview met Lucette ter Borg

    ‘Bij ons thuis werd iedereen – zodra hij vijftien werd – ingewijd in het familie-geheim. Ik herinner me dat ik naar beneden werd geroepen op een avond en dat mijn vader vertelde dat mijn grootvader in de oorlog lid was geweest van de NSB. Ik weet nog dat ik dacht: “oh, nou en?” Bij die mededeling bleef het. Vragen werden niet gesteld en we spraken er verder niet meer over.’ Dit lidmaatschap is van grote invloed geweest op het gezin, vertelt schrijfster Lucette ter Borg (1962). Haar ouders schaamden zich, er werd aan de buitenwereld niets verteld, vrienden kwamen niet over de vloer.
    Kritiek was er daarentegen des te meer. Er werden hoge eisen gesteld aan de prestaties van de kinderen. ´Goed´ was maar zelden goed genoeg.

    Ter Borg heeft lang gevochten tegen een diep geworteld idee van onzekerheid en een gevoel van jezelf steeds te moeten bewijzen. Die onzekerheid, vertelt ze in een Amsterdams café, heeft haar broer en zus ook lang gekweld. Het maakte de verhoudingen in het gezin er niet makkelijker op.

    Het cadeau uit Berlijn, Ter Borgs eerste roman, heeft ze geschreven vanuit het verlangen om meer te weten te komen over dit familiegeheim. Want nieuwsgierig was ze wel. Als journaliste was ze inmiddels bekend met de onderzoeksjournalistiek en haar boek was oorspronkelijk opgezet als non-fictie. ‘Maar ik merkte dat ik ongemerkt steeds meer dialogen ging verzinnen, dat ik me steeds meer ging afvragen hoe de verschillende personen in elkaar zaten. Uiteindelijk werd het boek een roman. Een roman biedt nu eenmaal meer vrijheid dan non-fictie.’

    Met Valkruid, haar tweede boek, wilde ze ‘wat dichter op zichzelf blijven’.

    Valkruid gaat over twee zusjes, beiden begin zestig, die samen op reis gaan. Afwisselend vanuit het perspectief van Sigrid of Valentine krijg je langzaam maar zeker een beeld van hun leven. ‘Door in de ik-vorm te schrijven kon ik dicht op de huid van de personages gaan zitten. Het zijn zusjes, vrouwen die tot elkaar veroordeeld zijn, van elkaar houden op een primitieve, haast instinctieve manier, maar die intellectueel niks met elkaar hebben of willen hebben.’

    De lezer maakt met stijgende verbazing kennis met deze twee vrouwen die tegen wil en dank van elkaar houden. Nietsontziend gaan ze met elkaar om. Ze kennen elkaar door en door en weten beiden exact waarmee ze de ander kunnen raken. Ter Borg: ‘Meestal praten ze via omwegen en zeggen dan de verschrikkelijkste dingen tegen elkaar, zogenaamd voor de grap. Ze denken vaak heel slecht over de ander, maar dat betekent nog niet dat ze niet van elkaar houden.’

    Sigrid en Valentine zijn beiden muzikaal geschoold. Sigrid is eerste violiste geworden in een provinciaal orkest, Valentine geeft pianolessen. Piano heeft Ter Borg als kind leren spelen. Viool is ze gaan leren toen ze Valkruid schreef. ‘Ik wilde dat graag. Ik wil namelijk  weten hoe dat voelt, een stok aandraaien, een streek zetten en een zuivere noot produceren uit je instrument.’ Ook heeft ze onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de viool, is bij verschillende vioolbouwers langs geweest en heeft musici geïnterviewd. De reis van Sigrid en Valentine heeft ze zelf ook gemaakt. ‘Ik wil het zo doen, noem het een vorm van method acting, anderen kiezen daar niet voor.´

    Van zo hoog muzikaal opgeleide vrouwen als Sigrid en Valentine verwacht je enige intellectuele bagage, maar de gesprekken of gedachten die de dames hebben gaan nooit verder dan huis-tuin-en-keukenpraatjes.

    Hoewel ze alle twee last hebben van ervaringen uit het verleden, al dan niet door de ander aangedaan, praten ze nergens constructief met elkaar. Echt contact maken en naar een ander luisteren hebben ze niet geleerd, niet met elkaar, niet met anderen. Het is de generatie die is opgevoed met de overtuiging: ‘je laat niks aan de buitenwereld zien’. Omdat ze bovendien ook geen van beiden gehinderd worden door enige zelfreflectie verandert er weinig in hun levens.

    Het levert vermakelijk proza op want ondanks deze sombere analyse, is Valkruid geen somber, psycho-analytisch boek maar een boek dat je soms doet lachen. Dat is te danken aan het inlevingsvermogen dat Ter Borg zelf wèl heeft, haar opmerkingsgave, gevoel voor humor en directe pen. ‘Ik hou van galgenhumor,’ zegt ze, ‘daarom ben ik ook zo´n fan van Arnon Grunberg of Jonathan Frantzen.’

    Valkruid leent zich perfect voor een toneelbewerking. Saskia Temmink en Annet Malherbe bijvoorbeeld zullen borg staan voor een amusant, confronterend en absurdistisch spektakel.

     

    9789059362864_160

     

     

     

     

     

     

    Valkruid verscheen bij Uitgeverij Cossee (2011)

  • Schrijvend een wereld scheppen met verrassende wendingen

    Interview door Mohana van den Kroonenberg

    In april 2010 verscheen het debuut Vogels die vlees eten van Thijs de Boer bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Literair Nederland sprak met de schrijver over zijn het ontstaan van verhalen, dat het gaat om dingen die hem bezig houden.

    Waarom ben je eigenlijk gaan schrijven?

    Ik kan er niet eenvoudig op antwoorden maar ik denk dat het te maken heeft met het willen hebben van controle. Als kind heb je weinig te zeggen over je eigen leven en als je het huis uitgaat lijkt dat wat toe te nemen. Maar uiteindelijk kom je erachter dat je eigenlijk vrij weinig controle hebt over de dingen die om je heen gebeuren. Over de dingen die je soms overkomen. Bijna al mijn verhalen zijn begonnen met een frustratie over iets waar ik weinig of geen controle over heb. Door erover te schrijven creëer je de illusie van controle. Je maakt een wereld waarin je veilig die onderwerpen kan onderzoeken en van meerdere kanten kan bekijken. Zoals bijvoorbeeld de macht die vrouwen hebben over het krijgen van kinderen in het verhaal Schoon. Of bijvoorbeeld hoe afhankelijk je als kind bent van je ouders in het verhaal Ratten.

    Heb je controle in het schrijven, is het niet dat het verhaal zichzelf schrijft?

    Ja, ik heb controle over het verhaal. Het fijne is dat je een soort God bent, dat je een wereld schept waarmee je kunt doen wat je wilt. Het voelt alsof het helemaal van jou is en dat je met niemand rekening hoeft te houden. Ik voel geen remmingen in het schrijfproces. Natuurlijk kan soms het verhaal je verrassen en je mogelijkheden laten zien die je niet direct zelf bedacht hebt, maar je hebt uiteindelijk altijd nog zelf de keuze of je daarin mee wilt gaan.

    Heb je iets speciaals met het korte verhaal?

    Zeker, maar vooral omdat ik me niet zolang kan concentreren. Een roman kan me vaak niet lang bezighouden omdat het vaak lang duurt te komen tot de essentie. Bij een kort verhaal ben je genoodzaakt dat snel te doen. Als ik een roman lees denk ik soms: Dat kan ik veel korter. Ik schijf vaak fragmentarisch, met zelfs nog kleine korte verhalen binnen het korte verhaal. Sylvia is daar een goed voorbeeld van. Een van mijn favoriete zinnen in dat verhaal is: ‘Elke keer als ik bid, die paar keer per jaar, eindig ik met: “Je begrijpt wel wat ik bedoel.”’ Iemand zei dat ooit tegen mij. Zo’n zin laat zoveel zien in een paar woorden.
    In het begin schreef ik echt hele korte verhalen van ongeveer twee pagina’s. Later werden mijn verhalen langer omdat ik meer bewust werd van wat ik deed en ook van wat ik wilde bereiken met mijn verhalen.

    Wat vind je van de status van het korte verhaal?

    Het is ondergewaardeerd. Ik weet niet waarom. Vreemd eigenlijk. Alles wordt korter en sneller maar bij verhalen blijft er de behoefte naar romans. Misschien is dat omdat mensen willen ontsnappen naar een wereld waar ze langer kunnen verblijven en zijn ze dat gewend van romans. Het korte verhaal vraagt meer van de lezer. Maar vaak is de beloning van het lezen ook groter. Omdat een kort verhaal meer van je vraagt is de interactie met de lezer ook groter en word je als lezer ook meer geraakt, omdat het verhaal dichterbij komt. Maar misschien is dat alleen mijn ervaring maar.

    Wie zijn hierin je voorbeelden?

    Carver, Salinger, Kavin Canty, Sanneke van Hassel, Ton Rozeman en Janneke van der Horst.

    Waar plaats jij jezelf hierin, hoor je ergens bij?

    Ik lees zelf te weinig en ken het gehele literaire landschap te slecht om mijzelf ergens bij te durven plaatsen. Ik weet wel dat ik taal zie als een instrument om een verhaal te vertellen. Dat is waar het om gaat. Het doel is het verhaal, niet de taal. Ik wil droge, minimalistische dingen laten zien. De lezer moet het in zijn hoofd maar bij elkaar puzzelen. Ik schrijf wat ik leuk vind. En wat ik schrijf ken ik niet bij anderen.

    Wat is een kort verhaal voor jou?

    Het heeft iets te maken met lengte. Maar het heeft vooral te maken met de manier waarop je een verhaal vertelt. In een paar zinnen kan je iets neerzetten. Mijn verhaal Zaterdag, dat is naar mijn idee een echt kort verhaal. Geen plot maar een schets die bijna neigt naar een gedicht. Het beschrijft een paar personen op een feestje. Er gebeurt eigenlijk niks. Maar toch blijf je achter met een gevoel. Het fijne van een kort verhaal vind ik ook dat het geen begin en eind hoeft te hebben. Je pakt een stukje, dat laat je zien en dat is genoeg. Je hoeft niks op te bouwen of af te ronden.

    Nu over jouw werk, over je thema’s. Hoe kom je eraan?

    Ik schrijf over dingen die me dwarszitten. Het is vaak iets dat me stoort, dat me bezighoudt, en dan ga ik er over schrijven.
    Er gebeuren zoveel dingen in de wereld die mensen niet willen weten, niet willen zien, daar schijf ik graag over. Dat wat niet in een perfecte wereld past. De wereld is niet perfect, niemand is perfect, maar we doen ons graag perfect voor. En iedereen is zo ontzettend blasé. Als er dan iets in het leven gebeurt waardoor alles instort, dan komen we er opeens achter dat we gevoelens hebben. Veel verhalen gaan daarover: dat mensen ontdekken dat het allemaal niet zo is als ze dachten en dat ze alles een plek moeten geven. Ik maak de dingen groter in mij hoofd. Als ik bijvoorbeeld maar een klein beetje bang ben om een kind te krijgen dan maak ik het absurd groot en ontstaat een verhaal als Het kleine ding.

    Het is veel erger dan de realiteit maar het is mijn manier om met de dingen om te gaan, te verwerken en een plek te geven. Dingen die ik niet zeg maar in mijn verhalen wel durf te zeggen, het zijn gedachte-experimenten.
    Ik woonde ooit samen met een huisgenoot, we hadden geen bijbaan, ik was aan het schrijven, hij deed zijn eigen ding. We waren allebei voor onszelf bezig en we maakten het altijd heel laat en zagen de zon nooit. Als we wakker werden was het alweer donker. Zo ontstond Ketamine. Het is niet werkelijk autobiografisch, maar het komt wel allemaal uit mij.
    Ik vind het fijn als mensen Schoon goed vinden. Dat komt omdat ik daar veel meer risico’s heb genomen in stijl en in wat ik schrijf. En ik ben heel blij dat ik Zaterdag heb geschreven, dat heeft voor mij wel wat deuren geopend; wat je kan maken in een verhaal, wat je kan doen.

    Eerste sneeuw
    is ontstaan uit het liedje Alles in de wind, alles in de wind, nu ben ik mijn zusje kwijt in een versie van Spinvis waarbij geloof ik zijn zoontje het zingt. Zo’n lieve jongensstem, dat is zo mooi. Kwijt, je bent een mens niet kwijt, zo’n mooie zin, daarmee ben ik begonnen, ik wist niet hoe het af zou lopen. Ik heb het in een dag geschreven, heel ongewoon voor mij, normaal ben ik heel langzaam.

    Vroeger keek ik heel erg veel tv. Nu niet meer, ik word er moe van. Ik dacht lange tijd dat ik mijn jeugd vergooid had door zoveel tv te kijken maar er is toch ook iets waar ik nu iets mee doe. Onbewust heb ik toch veel vertelstructuur tot me gekregen. De bogen. De beloftes die je moet inlossen.
    Toen ik lesgaf in het schrijven van korte verhalen heb ik mijn cursisten alleen maar films aangeraden. Kijk films, herhaalde ik telkens. Ik denk dat films heel goed zijn. De verhaalstructuur, de dialogen. Veel geschreven dialogen zijn onnatuurlijk, er zit weinig spanning in. Je merkt dat die gesprekken niet echt gevoerd zijn. In films kom je daar niet mee weg.

    Zou je zelf  filmscenario’s willen schrijven?

    Nee, dat ook weer niet. Ik zou me dan te veel met wat mensen verwachten bezighouden. Dat lijkt me niet wenselijk. Als ik een verhaal schrijf ben ik alleen, écht alleen. Ik heb mezelf geleerd me volledig af te sluiten, dat niemand meeleest over mijn schouder, ik oordeel pas later.

    Hoe werkt jouw schrijfproces?

    Ik ben een verzamelaar. Ik schrijf korte fragmenten op. Dingen die ik hoor, die vrienden mij vertellen. Dingen die ik grappig vind of dingen die me raken. Op een gegeven moment denk ik, o, dat past wel bij dat, ik maak notities maar ik ga niet elke dag zitten. Als ik werk doe ik dat thuis, op mijn laptop, aan een tafel, of in bed, bijna altijd na 9 uur ’s avonds. Het zijn periodes. Twee weken elke dag naar de bieb om te schrijven en dan opeens werkt dat niet meer, dan moet ik het weer anders doen. Mijn schrijfproces is dus ook fragmentarisch. Ik heb ooit een ateliertje gehuurd maar daar ben ik ook maar een maand gebleven.

    Humor?

    Heel belangrijk. Humor is belangrijk om te relativeren. In het leven, maar het werkt precies hetzelfde in een verhaal. Ik doe het op gevoel. Je kan niet continu wat slechts brengen, je moet afwisselen. Ik vergelijk het wel met een leuke test die ze ooit deden met middelbare scholieren. Er werden hun foto’s getoond van slechte gebitten. Bij het zien van foto’s met middelmatige tanderosie, gaan scholieren beter hun tanden verzorgen. Als je ze foto’s laat zien met heel slechte gebitten, met heel veel tanderosie, dan stoppen ze met tanden poetsen, dan geven ze helemaal op.

    De titel van je boek, leg eens uit.

    Vogels die vlees eten is een zin uit Ketamine. Het is een rauwe titel die past bij het boek. Het vervreemdt, je denkt even dat het niet klopt. Veel verhalen in het boek laten ook dingen zien die mensen het liefst ontkennen. Andere dieren eten ook vlees maar bij vogels is het iets vies, iets wat niet hoort. Maar ze maken gewoon deel uit van de natuur. Een natuur die willekeurig en soms wreed is. Net zoals de mensen in mijn boek die ook dingen doen die niet normaal zijn maar toch ook weer wel. Ik vind het een fijne titel die goed past bij het boek.

    Je personages zijn niet helemaal normaal maar toch ook weer wel.

    Ze laten een deel van het mens-zijn zien. Juist die kant die mensen niet graag willen laten zien. Als alles wegvalt, als alles verloren is, als het enige dat je nog over hebt is dat je bestaat. Ik wil laten zien hoe mensen kunnen zijn, vaak in donkere werelden. Ze doen door omstandigheden of onvermogen dingen die ze eigenlijk niet zouden moeten doen. Maar van binnen blijven ze ondanks alles toch goed. Ze zijn misschien niet normaal maar ze zijn wel menselijk. Daar gaat het om.

    Waar ben je nu mee bezig?

    Ik ben nu net weer een beetje begonnen met schrijven. Maar het zijn nog kleine aantekeningen. Kleine rare gedachte-experimenten, het is nog niet echt iets concreets aan het worden. Maar het is fijn om weer te schrijven zonder deadline. Het voelt weer als speelkwartier. Alles mag en kan.

     

    Vogels die vlees eten/ Thijs de Boer/ Uitgeverij Nieuw Amsterdam (2010)

  • Interview met Ton Rozeman

    Ton Rozeman schreef twee verhalenbundels en een novelle. In de aanloop naar Het weekeind van Het Korte Verhaal, Hotel van Hassel, een uniek internationaal literair gebeuren in De Balie in Amsterdam, interview ik hem over zijn korte verhalen.

    Je hebt een site, ShortStory.nu, met als ondertitel: omdat korte verhalen geweldig zijn. Wat is er zo geweldig aan het korte verhaal?

    ‘Het korte verhaal biedt ontzettend veel mogelijkheden. Het is een speeltuin waarin je kunt experimenteren. De vrijheid is groot, je hebt geen schema nodig, je hoeft geen lijnen uit te zetten, je kunt to the point zijn. Net als met poëzie kan je heel veel kanten op en je tegelijkertijd toch tot de ziel beperken. Dat ongeplande openstaan voor gewone dingen die zich zomaar aandienen, het alledaagse bijzonder maken, dat vind ik heel boeiend. Bovendien kent het korte verhaal maar nauwelijks een tijdverloop. Je hebt geen overbruggingen, ook niet in plaats, wat je in een roman vaak wel hebt. Je hoeft nergens naar toe, je bent er al. Het korte verhaal is echt iets van deze tijd, ik begrijp die voorkeur voor dikke romans niet helemaal.’

    Maar het korte verhaal heeft in Nederland, anders dan in Amerika, toch maar weinig aanzien?

    Ik vind de status van het korte verhaal in Nederland heel positief. De kritiek bespreekt het en uitgeverijen durven hun nek uit te steken met verhalenbundels, ook als ze weten dat ze er maar een paar honderd van zullen verkopen. Joost Zwagerman heeft zich ingespannen met zijn bloemlezingen, er staat een nieuw literair tijdschrift KortVerhaal op stapel, Hotel van Hassel, een internationaal weekeind in Amsterdam rond het korte verhaal, dat zijn toch allemaal mooie en hoopvolle ontwikkelingen. De status is in orde maar de lezers kopen vooral die dikke romans.

    En daar ga jij met jouw site wat aan doen?

    Ik wilde het korte verhaal promoten. Ik kan wel zielig doen, roepen dat er te weinig aandacht voor is, hoewel dat achteraf erg meevalt, maar ik kan ook iets doen, proberen een bijdrage te leveren. Vandaar.

    En blijkt het zinvol?

    Zeker. Het kan natuurlijk altijd actiever, beter, maar ik ben zeer tevreden. Ik krijg veel aandacht. Uitgeverijen sturen en masse hun verhalenbundels toe, ze werken mee aan het verloten van bundels via mijn site, schrijvers en vertalers zijn graag bereid om hun werktijd te geven aan interviews. Ik heb veel bezoekers en ben blij met alle aandacht en tijd die mensen eraan geven.

    Hoeveel tijd ben je er zelf aan kwijt?

    Zes tot acht uur per week, meer nog… ik loop weer achter met mijn e-mails. Al die boeken lezen, dat kost veel tijd, al krijg ik zo nu en dan hulp met intensieve besprekingen van verhalen.

    Terug naar het korte verhaal. Wat is naar jouw idee een kort verhaal precies? Waaraan moet het voldoen?

    Dat is gelukkig niet te definiëren. Studenten vragen me vaak hoe lang een verhaal mag zijn. Dan roep ik maar iets omdat ze een antwoord willen. 10.000 woorden, maar dat slaat nergens op. Het korte verhaal is allerminst een korte versie van een roman. Maar ook daarop zijn weer uitzonderingen, als ik denk aan de verhalen, de miniromans, van Alice Munro: tijdverloop, sprongen… Ook op andere terreinen zou ik het niet kunnen definiëren. Niets ligt vast. Hoewel… soms, als ik lees, vraag ik me af: ‘Is dit eigenlijk wel een kort verhaal?’ Dan word ik dus geconfronteerd met het feit dat ik wel degelijk een sjabloon heb. Maar hoe dat er precies uitziet?
    Mijn verhalen laat ik zeer op tijd ophouden, en ook pas heel laat in het proces beginnen. Waar mensen zeggen, het is dringend, het is vijf voor twaalf, daar zou ik willen beginnen en niet eerder. Van vijf voor twaalf tot een voor twaalf is mijn korte verhaal. En al die ellende die ervoor is geweest waardoor het vijf voor twaalf-gevoel is ontstaan krijg je vanzelf wel mee.
    Een kort verhaal is voor mij het uitdelen van een klap. Een sympathieke, goedbedoelde, leerzame klap. Niet altijd leuk maar het moet wel gebeuren.

    Je noemde Alice Munro, wie zijn je voorbeelden?

    Ik heb het schrijven geleerd via Raymond Carver. Dat alledaagse, prachtig. Tot die tijd leefde ik in tweestrijd: literatuur was voor mij Jan Wolkers, heel vitaal, heel mannelijk. Ik was zijn tegenpool, daar zat ik mee. Wolkers is groots, meeslepend, geen geneuzel. In Carver ontdekte ik geneuzel op het hoogste niveau. Geen mensen uit een stuk, geen hoofdpersonen zoals in Turks Fruit, en toen dacht ik: hé, er is voor mij ook een markt.
    Nu lees ik bijvoorbeeld Lydia Davis’ korte verhalen, net ontdekt. Vlak voor je neus gebeuren er dingen en ik heb het niet gezien. Ontwrichtende verhalen zijn het. Ze is heel confronterend. Ze ziet dingen die ik achteraf ook wel zie maar ik heb ze nooit opgeschreven. Zij is veel verder en veel beter dan ik ben.

    Wat ziet ze dan bijvoorbeeld?

    Ze zit in de bus Foucault te lezen maar ze begrijpt er eigenlijk niks van. Af en toe streept ze toch maar iets aan en ze vraagt zich dan af of ze dat doet omdat het belangrijk is of omdat dat het enige is dat ze snapt. Dat herken ik. Ik heb dat ook, maar ik heb het nooit opgeschreven. Daarom is ze verder, zij schrijft het wel op. Ze is op een aangename manier ontluisterend. Ze weet me keer op keer te confronteren met dingen die ik ook al had gezien.

    En dichter bij huis?

    Sanneke van Hassel. Zij kan ook zo goed kijken. In die zin is ze een voorbeeld voor mij. Bij elk verhaal dat je van haar leest lijkt het alsof het autobiografisch is, maar dat kan niet. Heel goed vind ik dat. Toen ik haar interviewde vroeg ik haar: wat heb je vandaag gezien? Wat je dan hoort, heel mooi, ze doet veel met decor en omgeving. Dat komt door dat oog dat ze heeft. Heel leerzaam. Ik laat haar altijd aan mijn studenten lezen.

    Nu jouw werk. Je verhalenbundels zijn zeer goed ontvangen. Je debuut, Intiemer dan seks (2001) werd genomineerd voor de Debutantenprijs en bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003. In 2004 verscheen Misschien maar beter ook, dat genomineerd werd voor de longlist van zowel de AKO- als de LibrisLiteratuurprijs en de Dif/BNG Prijs. Hoe was dat, die aandacht?

    Ik kon er toen niet zo goed mee omgaan, ik vond het erg verwarrend ook al was het positief. Opeens was er een buitenwereld waar je rekening mee moet houden. Je hoeft natuurlijk helemaal niks maar ik dacht, daar ga je je toch toe verhouden, heel moeilijk om naast je neer te leggen. Ik voelde het ook als een soort verplichting, om verhalen te schrijven, om een bepaald genre te schrijven, om bepaalde thematiek te hanteren.
    En bij mijn tweede boek vroeg ik me af: ben ik de kritiek wel voldoende aan het negeren? En als je je dat afvraagt ben je er natuurlijk mee bezig.

    Hoe gaat dat nu?

    Ik heb nu het idee, als ik me niet vergis, dat ik mijn eigen weg aan het gaan ben, los van het feit of ik de kritiek aanvaard of negeer. Maar misschien zijn het alleen maar wijze woorden en voelt het uiteindelijk toch nog anders.

    Heb je het gevoel dat er mensen over je schouder meelezen, voel je je vrij te schijven wat je wilt?

    Ja, ik voel me vrij. Ik heb de schrijversvakschool gedaan, daar heb ik al zoveel dingen gebruikt uit mijn privé-leven -en dat ook aan mensen laten lezen- dat ik die vuurdoop wel heb gehad. Ik heb toen al mensen dusdanig verward en tegen me het harnas ingejaagd dat ik sindsdien verlost ben van mijn privé-omgeving. Ik vrees niets meer en kan alles gebruiken. Het kan ook niet anders, als je bepaalde dingen niet durft op te schrijven kan je niet werken.
    In al mijn boeken zijn privé-elementen aan te wijzen, niet dat het helemaal autobiografisch is, maar ik heb vaak zonder enige terughoudendheid materiaal uit mijn omgeving gebruikt.
    De enige die ik uitleg heb gegeven is mijn moeder. Zij vindt het lastig te zien dat privé-elementen opduiken maar dat de verhalen tegelijkertijd niet kloppen met de werkelijkheid. Nu is ze eraan gewend en weet ze dat haar zoon allerlei dingen opschrijft die wel met ons gezinsleven te maken hebben maar toch ook weer anders zijn. Ze kan er nu mee omgaan, ze kan het aan haar vriendinnen uitleggen.

    En je vader?

    Mijn vader had er niet zoveel mee. Hij las eigenlijk nooit. Ik vraag me opeens af of hij mijn werk wel heeft gelezen. Misschien heeft hij een poging gedaan. Hij was wel trots maar op een nogal ‘onbruikbare’ manier. Inhoudelijk kon ik er niet met hem over spreken. Hij had ooit een radio interview voor me opgenomen waarin ik veel over mijn privé-leven vertelde en ook over wat er daarvan in mijn verhalen terecht is gekomen. Zijn reactie: ‘prachtig, het paste precies op een bandje’.

    Na jouw twee verhalenbundels heb je een novelle geschreven, Nu gaat het gebeuren. Is het korte verhaal voor jou via de novelle een opstap naar die dikke roman?

    Nee, zeker niet. Tjechov bleef naast zijn korte verhalen altijd toneel schrijven. Carver schreef naast zijn verhalen gedichten. Ik denk trouwens dat het korte verhaal eerder een opstap zou kunnen zijn naar poëzie.

    Is poëzie iets voor jou?

    Ja, zeker, ik houd erg van poëzie. Ik lees het niet dagelijks maar ik heb er wel degelijk iets mee. Ik schrijf zo nu en dan gedichten, in Tirade heeft eens een prozagedicht van me gestaan. Maar of er ooit een bundel komt, ik weet het niet, ik sluit het in elk geval niet uit.

    Heb je een verschil ervaren tussen het schrijven van een verhaal en een novelle?

    Dat vind ik lastig om te beantwoorden. In elk geval vind ik het moeilijker om een kort verhaal te schrijven dan een novelle. Het is veel ‘ongeplander’, grilliger. Het moeilijke is dat je een moment als een bliksemflits probeert te doorgronden, het kan leven of niet. Als het eenmaal leeft is het oké, anders moet ik het wegleggen en het later weer oppakken, of helemaal opnieuw beginnen.
    Een van de verhalen uit mijn debuut heb ik in twee dagen tijd met migraine geschreven, andere verhalen weer in maanden. Ik kan wel gedisciplineerd zijn maar dat dóórschrijven is bij korte verhalen soms erg lastig terwijl ik heb ervaren dat me dat bij het schrijven van de novelle goed afging.

    Waar komen je verhalen vandaan? Hoe begin je?

    Mijn thematiek is altijd aanwezig, van daaruit hoef ik niet te denken, dat is hoe ik ben en hoe ik kijk, mijn oog moet ergens op vallen. En ik gebruik graag bekende decors. Mijn vader lag veel in het ziekenhuis. Ik ken de omgeving van het ziekenhuis dus goed en kan het als decor voor mijn verhalen goed gebruiken. Dat vind ik makkelijk, dan hoef ik er niet zo over na te denken. Ik gebruik ook vaak huizen die ik ken, dan weet ik waar alles ligt. Dan kan ik erdoor heen lopen en beweeg ik me gemakkelijk, dan hoef daar in elk gaval geen energie meer in te steken.
    Ik schrijf van het begin naar het eind, altijd, en ik weet niet waar ik naar toe ga. In mijn debuut dacht ik het eind telkens te weten maar het klopte nooit. Bij mijn tweede boek dacht ik, het komt wel, en dat was ook zo. Ik vergelijk het wel met plakplastic, daar kaftte ik vroeger op school mijn boeken mee. Je moet het vanaf het begin heel goed gladstrijken, als je in het begin bubbeltjes hebt dan kun je beter maar ophouden, dan wordt het ellende.

    Een eerste pagina moet visionair zijn. Als ik tevreden ben met een eerste pagina dan zit het DNA er al in, dan komt de rest wel. Het verhaal groeit. Je kunt niet iets máken, je kunt het alleen laten groeien. Ik houd er niet van als je ergens naar toe moet, als er iets opgelost moet worden, als er iets groots te gebeuren staat, iets dramatisch. Ik merk bij mijn studenten dat ze vaak aan het eind iets prachtigs willen laten gebeuren. Dat ergens naar toe werken, dat wil ik niet, het is het kind met het badwater weggooien. Je bent al ergens, je bent al iemand. Van daaruit gebeuren er dingen, vaak wordt dat veronachtzaamd.
    Het niet durven weten, dat is belangrijk. Als je dat erkent dan levert dat veel mooi materiaal op.

    Je thema’s zijn herkenbaar, je schrijft over relaties, de breuk daarin, goede bedoelingen, ouders…

    Ja, dat zijn de stier en de rode lap, ik duik erin, dat zijn dingen die me heel erg aantrekken. Ik ben gefocust, ik ben er gevoelig voor, het is zelfonderzoek. Soms vergroot ik angsten uit, dan denk ik, stel je voor dat ik dat zou doen, ik doe het niet maar stel je voor… Dat vind ik interessant.
    Mijn thematiek is zeer autobiografisch. Mijn term daarvoor is thematisch-autobiografisch. Vervolgens geef ik er wel mijn eigen draai aan.

    Het slotverhaal van mijn tweede bundel, Alsof ik met vakantie ga, waarin een echtpaar met kind uit elkaar gaat, is het meest autobiografische. Pas veel later heb ik het op kunnen schrijven. Ik leg niet uit waarom ze uit elkaar zijn, dat vind ik niet zo interessant. Dat leer ik ook aan mijn studenten: maak het niet te logisch. Ik vind het niet spannend als een stel uit elkaar gaat omdat ze niet meer van elkaar houden. Maar als ze nog wél van elkaar houden maar toch uit elkaar gaan, is dat voor mij psychologisch gezien heel interessant. Dat ambivalente heb ik ook bij het overlijden van mijn vader gevoeld, wat zowel een tragisch gemis is als een grote opluchting. Ik wil hem in die ambivalentie durven zien en niet de ongemakkelijk kant maar wegstoppen. Dat zijn mooie dingen om als schrijver te onderzoeken en te vergroten. Die onhandige, onduidelijke gevoelens waarvan je eigenlijk niet wilt dat je ze hebt, daar wil in wroeten. Met die ambivalentie ben ik nog lang niet klaar. Dat is een bron.

    Wat doe je verder?

    Ik zit in het bestuur van de Vereniging voor Letterkundigen en ik geef les aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. En mijn site natuurlijk.
    Maar ik ben ook weer aan het schrijven en dat doet me goed. In de tijd dat ik veel andere dingen doe voel ik me onzeker. Als ik niet schrijf voel ik me overgeleverd.

    Er komt dus weer een nieuw boek.

    Ja.

    Een bundel?

    Dat laat ik graag in het midden. Ik vind het griezelig om te praten over werk dat nog in wording is maar ik ben, zoals ik net zei, gelukkig weer goed bezig na er een tijdje uit te zijn geweest.

    Wanneer?

    Ik ben traag maar ik denk wel dit jaar. Ja, zeker, dit jaar!

     


    Ton Rozeman (1968) is docent aan de Schrijversvakschool en hoofdredacteur van de website ShortStory.nu.
    Van Ton Rozeman verschenen bij LJ Veen de bundels Intiemer dan Seks (2001), bekroond met het Charlotte Köhler Stipendium 2003 en genomineerd voor de Academica Debutantenprijs 2002, en Misschien maar beter ook (2004), genomineerd voor de BNG Nieuwe Literatuur Prijs en longlisten AKO Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs
    In 2007 verscheen bij Nieuw Amsterdam de novelle Nu gaat het gebeuren.

     

  • Het schrijven van deze roman was absolute noodzaak

    Interview door Wil van Basten

    De Iraans-Franse schrijfster Chahdortt Djavann was ter gelegenheid van de Nederlandse vertaling van haar boek La Muette, De Zwijgster (vertaling Carolien Steenbergen) in Nederland. In samenwerking met Uitgeverij Sirene had ik de eer haar in ’t Frans te mogen interviewen voor Literair Nederland.

    ‘Ik ben vijftien, ik heet Fatemeh, maar ik vind mijn voornaam niet mooi.(…) Ik word binnenkort opgehangen…’.
    Aldus begint deze korte roman in de vorm van een dagboek. Fatemeh is veroordeeld tot ophanging en wacht in de gevangenis op haar terechtstelling. Zij is tijdens haar verhoren vreselijk gemarteld, geestelijk en lichamelijk, en zij besluit haar korte leven en het leven van haar tante (La Muette-De Zwijgster) dat onlosmakelijk met haar verbonden is, op te schrijven als herinnering aan hen beiden. Zij schrijft niet om goedkeuring voor haar daden te krijgen maar wel hoopt zij op begrip. Haar bewaker geeft haar een schriftje en een pen en in het grootste geheim schrijft zij dit meer dan afschuwelijke verhaal dat voor ons, westerlingen, nauwelijks te geloven en al helemaal niet te begrijpen is. Het is een aangrijpende getuigenis in vlijmscherpe, zeer sobere taal die je niet meer vergeet.

    In de voorpublicatie hebben we kunnen lezen dat de vurige liefde van de zwijgster voor een man, terwijl zij voor de moellah bestemd was, heeft geleid tot de voor haar fatale afloop, namelijk ophanging. Veroordeeld dus eigenlijk voor ‘voortijdig overspel’. Deze afloop is bij de lezer bekend, maar toch blijft er een bepaalde spanning en lees je het boekje in één adem uit … want al lezende vraag je je steeds af waarom dan toch haar nichtje, dit meisje van vijftien jaar, in de gevangenis zit en opgehangen zal worden. Welke vreselijke misdaad heeft zij dan toch begaan, waarom wacht haar, evenals haar tante het zelfde lot?

    Chahdortt (= dochter van de sjah) Djavann, de inmiddels ook in ons land bekende Iraans-Franse schrijfster en polemiste weet waarover zij spreekt en schrijft. Zij woont sinds 1993 in Frankrijk waar zij politiek asiel heeft gekregen en sociale psychologie en antropologie heeft gestudeerd. Zelf heeft zij ook tien jaar de sluier/hoofddoek gedragen. Vooral door haar essay Bas les voiles !  dat verscheen in 2003 heeft zij wereldwijd bekendheid verworven. ‘ J’ai porté le voile dix ans. C’était le voile ou la mort. Je sais de quoi je parle.

     

    Het is duidelijk dat de titel De zwijgster een symbolische titel is voor alle vrouwen in Iran die leven en lijden onder de Sharia (= de staatsleer van de Islam; deze leer bevat alles wat moet, mag en niet mag van Allah). Misschien zelfs is De Zwijgster het symbool voor alle moslimvrouwen in dezelfde omstandigheden in de hele wereld. In wezen zijn zij allen veroordeeld tot stilzwijgen. Zwijgen of gedood worden.


    Waarom heeft u voor een zwijgende hoofdpersoon gekozen? Kan men zwijgen en tegelijkertijd toch in opstand komen? Het lijkt een contradictie?

    ‘De zwijgster kán wel spreken, maar zij weigert te spreken. Zij zegt heel veel door haar blik, door haar gebaren, door haar daden. Het is zeker geen lege stilte. Het is de stem van de vrouw die nooit spreekt.
    Het verhaal speelt zich af in een zeer armoedig milieu, een belangrijk gegeven. Op blz. 12 schrijft het nichtje ‘Waar ik ben opgegroeid, bestonden alleen maar ellende en drugs, geen mens ontsnapte er aan het onheil (…)’.’


    U heeft minutieus en heel duidelijk deze armoede en de dogma’s van de Islam beschreven. De Islam staat centraal in deze tragedie. Zou deze geschiedenis zich op dezelfde manier af kunnen spelen in welgestelde kringen of zelfs in het hele rijke milieu? Komt het daar ook nog steeds voor dat meisjes van 13 gedwongen worden te trouwen met grote, dikke en stinkende mannen van in de 50?

    ‘De Moellahs zijn de religieuze leiders die sinds 1979, dus vanaf het begin van de regering van Khomeini, het bewind voeren in Iran en hun bloedige tirannie tot op heden nog steeds uitoefenen. En Chahdorrt voegt daar verontwaardigd aan toe: Vorig jaar vonden er zelfs 177 ophangingen plaats, het aantal stenigingen tot de dood er op volgt, nog buiten beschouwing gelaten. Met dit soort terechtstellingen staat Iran op de eerste plaats op de ‘wereldranglijst’ . China neemt de tweede plaats in. Het is wel zo dat procentueel gezien ophangingen veel méér voorkomen in armoedige milieus. Maar ook dit soort gedwongen huwelijken zijn helaas heel gewoon in de betere kringen en heten dan ‘verstandshuwelijken’.’


    Kunt u wat meer vertellen over de sobere doch scherpe schrijfstijl en over de gekozen vorm van deze getuigenis?

    ‘Het schrijven van deze roman was voor mij een absolute noodzaak. Ik moest dit verhaal schrijven. Het verhaal zat in me en het moest eruit. Ik heb me drie weken lang opgesloten in huis, zoals de zwijgster en haar nichtje in de gevangenis, zonder ook maar één keer het huis te verlaten. Daarna was ik volkomen leeg en ziek. Ik heb het manuscript even een tijdje laten liggen en ben daarna begonnen met het herschrijven. Ik heb het geheel tot een minimum aan zinnen teruggebracht. Ieder personage heb ik opnieuw bewerkt en als het ware gebeiteld en bijgevijld. Ieder personage is een miniatuur geworden, volgens Perzische traditie. Ieder personage is een klein, afzonderlijk kunstwerk. De lezer voelt wat de personages voelen, ook al is het een geschiedenis die ver van hem/haar af staat. We zien dat meisje in haar cel zitten en voelen bijvoorbeeld haar gebroken ribben.
    Er staat geen zin te veel in. Het is een bijna zwijgende schrijfstijl geworden, une écriture quasi muette.’


    En dan voor wat betreft de vorm.

    ‘Het is in de eerste plaats van het allergrootste belang dat mijn boodschap goed overkomt, daarom schrijf ik. In navolging van de negentiende-eeuwse literaire traditie heb ik voor deze vorm, het dagboek gekozen. Het verhaal wordt daardoor levensechter, vandaar ook de spaarzame woorden van de bewaker, de levende getuige, er tussendoor. En door het verhaal van een kader te voorzien door de brief vooraf van de uitgeefster, dan het eigenlijke verhaal/dagboek, daarna notities van de journaliste en de vertaalster wordt het verhaal nog echter, komt het nog meer naar voren. Zoals bij een schilderij. Een schilderij zonder lijst zegt veel minder dan met een lijst! Kijk maar eens rond! En ik heb met deze roman geschiedenis geschreven! Het is de eerste keer dat er een moellah vermoord wordt,…. door een vrouw! Dat is heel symbolisch.’


    Is dit echt gebeurd?

    ‘Nee, dat is het enige dat niet waar is aan het verhaal. Alle andere gebeurtenissen zijn gebaseerd op waargebeurde feiten. Het is fictie gebaseerd op de realiteit.

    Wanneer je de beide vrouwelijke hoofdpersonen vergelijkt, dan zie je dat het elkaars tegenpolen zijn.
    De zwijgster is een sterke vrouw in alle opzichten. Zij voelt zich vrij. Haar metamorfoses maken haar nog fascinerender. Indrukwekkend zijn haar stilzwijgen na het familiedrama, de sneeuwscène, haar enorme depressie na deze erotische explosie, de liefde die haar geneest, haar intelligentie, haar moed. Ze verkiest ophanging boven een gedwongen huwelijk.
    Het nichtje is lief, berust in haar lot, ook al is het onrechtvaardig. De zwijgster is haar grote voorbeeld, zij wil zeker niet op haar moeder lijken die ze als de schuldige ziet van alle onheil.’


    Waarom twee tegenpolen gekozen?

    ‘De zwijgster voedt het meisje op en is daardoor eigenlijk haar moeder. Zij hebben een innige band. Ze zijn niet helemaal elkaars tegenpool. Het verschil is dat de zwijgster handelt uit liefde. Ze heeft een vreselijk leven gehad. En door haar daad is zij eigenlijk al elders.
    Fatemeh heeft daarentegen een ‘gelukkige’, beschermde jeugd gehad. Zij is niet zo sterk als haar tante, maar wil wel vluchten. Helaas zijn de deuren gesloten. Dus moet zij een andere list verzinnen. Zij denkt niet aan zelfmoord, daar is ook kracht en moed voor nodig. Fatemeh heeft niemand meer. Zij doodt uit haat, maar wil niet dat het bloed van de moellah op haar baby komt. Door haar volgende wanhoopsdaad wil zij de baby verder lijden besparen. Uit liefde? Dan heeft ze de mogelijkheid te vluchten, maar ze doet het niet en volgt daarmee de weg naar het schavot, zoals haar tante.’


    Ik vond het nogal onverwacht te lezen dat Fatemeh een onthulling doet over haar sexuele gevoelens.

    ‘Bedenk dat zij al deze gedachten heeft vlak voor haar dood! Zij is zich heel scherp bewust van al haar gevoelens. Zij wil eerlijk zijn en de waarheid opschrijven, maar beschrijft deze dus nà alle gebeurtenissen! Flashback. Haar seksuele gevoelens zijn louter biologisch te noemen. Zo moet je ook de sneeuwscène van de zwijgster zien. Negenentwintig jaar en nog nooit de liefde bedreven.’


    Ik heb ergens gelezen dat de naam Fatemeh de voornaam is van een van de feministische voorvechtsters in Iran. Heeft u daarom deze naam gekozen?

    ‘Fatemeh is een zeer gangbare voornaam in Iran. Een van mijn voornamen is ook Fatemeh. Het is de dochter van Mohammed. En ik hou ook niet van die voornaam.’


    Heeft u uit medelijden voor de hartaanval gekozen?

    ‘Hartstilstand komt heel vaak voor in Iran in de leeftijd van 50-60 jaar. Men wordt niet zo oud. Maar inderdaad. De vader is niets meer, heeft niets meer, het noodlot heeft ook hem verpletterd. Dat heb ik willen aantonen. Zijn dood is een bevrijding.’


    Is er inderdaad sprake van verliefdheid tussen de bewaker en Fatemeh?

    ‘Oh, zeker. En Fatemeh sleept eigenlijk de bewaker met zich mee.’


    Ik heb een paar van uw boeken gelezen en zie dat uw schrijfstijl beïnvloed is door westerse schrijvers. Ik denk bijvoorbeeld aan L’Etranger van Albert Camus, waar ik bepaalde parallellen zie met La Muette. Welke schrijvers leest u vooral?

    ‘Wat grappig ! L’Etranger is het eerste Franse boek dat ik gelezen heb. Het is te lang geleden dat ik daar nog een gedegen antwoord op kan geven. Schrijvers als Tolstoi, Dostojewski,Flaubert, Daudet, en De Maupassant, bijvoorbeeld hebben mijn voorkeur.’


    Bent u inmiddels meer Française dan Iraanse?

    ‘Eigenlijk heb ik drie identiteiten: ik ben een mens, ik ben een vrouw en ik ben schrijver.
    Maar ik zal tot aan mijn dood in mijn ziel een balling blijven. ‘Exilée dans l’âme’.’

     

    Ik bedank Chahdortt Djavann voor haar openhartige interview en zij signeert mijn Franse La Muette met de woorden: A Wil. Avec mes remerciements en espérant que la voix de la muette se porte loin…