• Fotosynthese 36 – Verliefd op Japan

     


    Op Lefkas zag ik dit beeld van Lefkadios Hearn. Het was niet de buste zelf die mijn aandacht trok, maar diens tweede naam op de plaquette eronder: Yakumo Koïzoumi (1850-1904).
    Twee weken voor mijn vakantie had ik De zwevende wereld van Annejet van der Zijl gelezen over het leven van Franz von Siebold (1796-1866) en zijn Japanse vrouw en kind. In dat boek legt de schrijfster uit dat verschillende verwijzingen naar Japan, eerder in haar leven, ineens op hun plek vielen tijdens een rondleiding in het door Frank Lloyd Wright ontworpen huis ‘Falling Waters’ in Pennsylvania. Wright was geïnspireerd door over de rivier hangende theehuizen in Japan; in het pand hangen bovendien prenten van Ando Hiroshige. Ze wist ineens dat haar volgende boek over Von Siebold moest gaan: de man die onder andere de Japanse kunst in Europa introduceerde.

    Dat ik hier in Lefkas De zwevende wereld nog in mijn hoofd had was beslissend. Ik zou anders hoogstwaarschijnlijk niet lang bij het beeld stil zijn blijven staan. Nu wilde ik weten wat de connectie met Japan was van deze 16 jaar voor Von Siebolds dood geboren Hearn (Πατρίκιος Λευκάδιος Χερν). Ik kreeg al snel het gevoel dat de stad Lefkas veel eer naar zich toe trekt: Lafkadios werd er geboren, maar vertrok amper twee jaar later al naar Dublin. De tekst op de plaquette laat zelfs zijn werkelijke Ierse voornaam Patrick weg, als om te benadrukken welke eer hij Lefkas bewees door zijn tweede. Hearns Ierse vader Charles was getrouwd met de Griekse Rosa Cassimati. Het was een huwelijk dat niet lang stand hield. Hearn groeide op bij pleegouders in Ierland, kwam op zijn 19de in Cincinnati terecht en later in Louisiana (New Orleans). Zijn pleegfamilie liet hem al vroeg aan zijn lot over. Ook zijn vader en moeder zag hij nooit meer.

    In Amerika werd hij journalist, was zes jaar getrouwd met een voormalige slavin (wat als illegaal gold), ging Franse literatuur vertalen en publiceerde over thema’s als geweld, corruptie en criminaliteit in zijn stad. In 1890, 40 jaar oud, trok hij voor zijn krant als correspondent naar Japan, dat zijn grote liefde zou worden. Hij werd er docent Engels in Matsue en trouwde er met de Japanse samoeraidochter Koïzumi Setsuko, met wie hij vier kinderen kreeg. Hij werd Japans staatsburger en bekeerde zich tot het boeddhisme. Tegelijk met zijn naturalisatie nam hij zijn nieuwe naam aan, een eerbetoon aan zijn nieuwe land en aan zijn vrouw, die ook Koïzumi heette (Yakumi is een poëtische verwijzing naar de streek war het gezin woonde). Na een hartaanval werd hij begraven in Tokio.

    In een toelichting bij het beeld dat ik in Lefkas zag wordt zijn grote betekenis genoemd voor de westerse kijk op Japan. Is dat niet wat chauvinistisch in zijn geboortestad Lefkas?
    Ik had nooit van Hearn gehoord. Over Von Siebold las ik al lang geleden dat hij dé man was die Europa’s blik op Japan wist te richten. Er zijn volgens Van der Zijl aan Von Siebold gewijde musea in Nederland, Duitsland en Japan. Ook Hearn staat centraal in twee musea in Japan. Leiden eert Von Siebold in het naar hem genoemde Huis aan het Rapenburg; Lefkas heeft het (kleinere) Lafcadio Hearn Historical Center. En zoals Von Siebold zijn botanische tuinen kreeg in Leiden, zo kreeg Hearn zijn Japanese Gardens in het Ierse Waterford.

    Hearn wordt in De zwevende wereld niet genoemd. Dat is te billijken: er zijn na Von Siebold meer mensen geweest die hielpen het venster op Japan open te houden.
    Over Hearn verscheen bij mijn weten maar één biografie, The Outsider: The Life and Work of Lafcadio Hearn: The Man Who Introduced Voodoo, Creole Cooking and Japanese Ghosts to the World. Die noemt op zijn beurt Von Siebold ook niet. De subtitel wijst er al op dat Hearn heel andere interesses had. Von Siebold was wetenschapper, arts en geïnteresseerd in botanie en handel. Hearn vooral in Japanse mythen en spookverhalen. Die vertaalde hij in onder andere zijn bekendste boek Kwaidan (ook verfilmd).
    Ik heb een poging gedaan de biografie te lezen. Mijn aandacht verslapte snel. Geef me dan maar Von Siebold. Ik ben er van overtuigd dat zijn betekenis, ondanks zijn – door Van Zijl uitdrukkelijk beschreven kwalijke kanten – groter is. Dat vind ik geen chauvinisme van mezelf.

     

  • *Fotosynthese 1 – Achtergrond bij de achtergrond

     


    Dit is Alexandrië in de jaren dertig/veertig vorige eeuw. Alexandrië of het huidige لإسكندرية al-Iskandariyyah in Egypte is een van die klassieke smeltkroezen van verschillende culturen. Het was een Griekse nederzetting, een voorpost van de Helleense beschaving, het Kalifaat regeerde er een poos, Napoleon kwam langs, Turkse Joden uit Constantinopel verhuisden er heen, de Britten maakten er een poos de dienst uit. In het eind van de 19e en het begin van de twintigste eeuw was het een vrijhaven voor Europese kunstenaars en dichters. Voor mij verwijst dit plaatje naar een aantal goede boeken. In de eerste plaats is dat Alexandria Quartet van Lawrence Durrell, vier boeken die voorgoed de sfeer van het vroeg twintigste eeuwse Alexandrië weergeven, een heel erg fraai, wat dromerig stel boeken rond een vriendengroep die leeft en droomt in Alexandrië.

    In 1957 verscheen al heel snel een vertaling (Johan W. Schotman) van de vier boeken, mooie delen die je bijna nooit ziet. Dit zou opnieuw uitgegeven moeten worden (maar is omvangrijk – en is het niet te ouderwets?), ik citeer de hele eerste bladzijde om een indruk van het werk te geven van het tweede van de vier boeken, Balthazar:

    IMG_1146‘LANDSCHAPSTINTEN: bruin tot bronskleurig, hoge horizon, lage wolken, parelmoeren grond met oesterkleurige schaduwen en violette weerglans. Het leeuwenstof van de woestijn: profetentomben aan het oude meer, die bij zonsondergang overgaan in zink en koper. Zijn geweldige breukvlakken van zand als waterpeilstrepen van de lucht; groen en citroen overgaand in geschutbrons; tot aan een enkel pruimdonker zeil, vochtig, trillend als een nimf met plakkerige vleugeltjes. Taposiris is dood te midden van zijn omgestorte zuilen en zeebakens, verdwenen zijn de Harpoeniers … Mareotis onder een hemel van gloeiend lila.
    zomer: geel zand, hete marmeren hemel
    herfst: gezwollen-kneuzing blauw-grijzen
    winter: bevroren sneeuw, koel zand
    heldere hemelpanelen, glinsterend van mika
    gewassen-delta groenen prachtige sterrenluchten

    En het voorjaar? 0! er is in de Delta geen voorjaar, geen gevoel van opfrissing en vernieuwing in de dingen. Je wordt de winter uitgegooid in een wassen namaak van een zomer, te heet om te ademen. Maar hier, in Alexandrië, redden de zeewinden, over de golfbreker tussen de oorlogs-schepen door aankruipend, om de gestreepte zonneschermen van de café’s op de Grande Corniche te doen flapperen, ons tenminste van de tijloze druk van zomerse nietigheid. Ik zou nooit…
    De stad, halfverzonnen (en toch volkomen werkelijk), begint en eindigt in ons, wortelt diep in onze herinnering. Waarom moet ik er avond na avond weer naar terugkeren, als ik hier bij het vuur van johannesbrood-boomhout zit te schrijven, terwijl de Aegeïsche wind aan dit huis op het eiland rukt en de cypressen als bogen krom achterover buigt? Heb ik niet al genoeg verteld over Alexandrië? Moet ik opnieuw worden aangestoken door de droom ervan en de herinnering aan zijn inwoners? Dromen, die ik veilig dacht vastgelegd te hebben op papier, weggeborgen in de kluis van mijn herinnering! Je denkt misschien dat ik me er te veel aan overgeef. Maar zo is het niet.’

     

     

    *De eerste fotosynthese verscheen op 4 februari 2016. Intussen zijn er 35 fotosyntheses verschenen. Om ze weer onder de aandacht te brengen, plaatsen we elke maand een van deze fotosyntheses.


    De rubriek ‘Fotosynthese’ naar een genre-idee van Rudy Kousbroek, geeft informatie over de afbeelding die als achtergrond op deze website staat. 
    In fotosynthese gaan beeld en tekst een verbinding met elkaar aan. Spreekt het u aan en heeft u ook een idee? Lever dan een afbeelding (rechtenvrij), met context. Dan kijkt de redactie of het voor plaatsing in aanmerking komt. Suggesties kunt u mailen naar: redactie@literairnederland.nl

     

  • Fotosynthese 35 – Maanraket

    (Klik op de foto om de achtergrond te zien)


     

    Fotosynthese door Steven van den Heuvel

    Een goede raket stort na bewezen dienst in zee. Ik schrijf een goede raket, want het wemelt van de slechte raketten. Exemplaren beladen met explosieven bedoeld om parkeerplaatsen te maken van steden. Een goede raket is naar de hemel gericht en schiet satellieten en mensen de ruimte in. Denk aan de iconische rode Kuifje-raket en de Apollo 11, beide brachten ze mannen naar de maan. Maar ze moeten alsnog landen en bij die landing kan het flink misgaan.

    Op de foto is een goede raket te zien die verkeerd is terecht gekomen. Lange tijd was hij naar de hemel gericht, maar na bewezen diensten keerde hij terug naar de aarde en kwam neer in het centrum van Breda. Slecht gekozen dus. Wonder boven wonder waren er, ondanks de vele omstanders, geen slachtoffers te betreuren. Er was alleen een hoop stof.

Het kan een stuk vervelender uitpakken. In 1996 kwam een Chinese raket na lancering terecht op een dorp 1200 kilometer verderop, met 6 doden, 56 gewonden en 80 verwoestte huizen tot gevolg. Sindsdien heeft China het landingsprobleem uitbesteed aan andere delen van de wereld. Zo kwamen in 2020 delen van een Chinese raket op een dorp in Ivoorkust terecht. 

    In vergelijking met de Chinese raket was de Bredase toren op de foto niet zo gevaarlijk. Hooguit een beetje onhandig. Hij stond in de weg. Op de plek waar hij ruim 100 jaar met de spits naar de hemel heeft gewezen moest een winkelcentrum komen en dus werd hij naar de grond getrokken en de rest van het bouwwerk gesloopt.

We zijn een fractie van de impact af. Er is heel wat volk afgekomen op de teraardebestelling van de torenspits. En ik verlang naar het volgende shot, naar het moment dat alle aanwezigen hebben kunnen zien – ze staan er zelfs gevaarlijk dicht bovenop -, maar voor mij alleen in mijn eigen verbeelding zichtbaar kan zijn: het moment waarop de toren de grond raakt. Dat shot is er niet.

    De foto is genomen in 1967. Bij het maken van een goede foto was timing essentieel. Het was dit shot of een shot van de impact, een grote stofwolk, een geluidloze inslag.

    Hoe langer ik naar de foto kijk, des te meer ik ga twijfelen: heeft dat volgende shot daadwerkelijk bestaan? De toren lijkt te zweven in een perfecte hoek van 45 graden, alsof hij straks plots kan verdwijnen en op buitenaardse wijze ergens anders weer kan verschijnen. Zwaartekracht, daar lijkt het zich niets van aan te trekken. Dat zwevende element doet me denken aan een kerk in de buurt waar ik opgroeide. Net als de afgebeelde kerk stond dit exemplaar op de nominatie om gesloopt te worden, maar het was onduidelijk of en wanneer dat zou gebeuren. Aan de torenspits hing een poos lang een kabel waar een auto aan bungelde. Hoe die auto daar kwam of wat hij daar deed wist ik niet, maar Gods wegen zijn dan ook onkenbaar. Wat me is bijgebleven is het verstilde beeld: een auto zwevend in de lucht. Een Volvo, meende ik me te herinneren, maar volgens mijn vader was het een Opel Cadet, veel meer had die toren ook niet aangekund. Daar zat wat in. Even plots als dat de auto was verschenen, was hij ook weer verdwenen. De hemel ingereden, dacht ik.



    Als mens ben je weerloos tegen de raket. Je zou willen dat je ze verstild kon laten zweven, dat het volgende shot er niet zou komen. Dat je ze weg kon denken. Terug naar waar ze vandaan kwamen of überhaupt gewoon de ruimte in, weg. Het criterium voor een goede raket lijkt dan ook iets anders te zijn: hij dient niet te worden gebruikt, maar met de spits naar de hemel gericht te blijven en aan de grond genageld. Om te bewonderen zoals we een kerk bewonderen. Zonder doel of missie, behalve dan dat ze nu eenmaal bestaan.

     

     

    Foto: B. Speekenbrink D0374 / collectie Stadsarchief Breda


    Steven van den Heuvel (1986) werkt als docent psychologie. In zijn vrije tijd leest hij net zo graag als dat hij schrijft.

     

     

  • Dampen in series

     

    (Klik op de foto om de hele achtergrond te zien)


    Jaren geleden begon ik op Pinterest afbeeldingen van foto’s en kunstwerken te verzamelen. Mijn aandacht verslapte echter vrij snel. Ik ben niet zo’n verzamelaar. Om het monotone vergaren te ontvluchten, ging ik afbeeldingen met elkaar vergelijken. Das Balkonzimmer van Adolph von Menzel bijvoorbeeld, leek vrij veel op een schilderij van Jakub Schikaneder dat ik kende. En ook tussen een foto van Saul Leiter en een prent met een Chinees handschrift zag ik een gelijkenis, of tussen een druksel van Hendrik Werkman en een foto van László Moholy-Nagy. Zo kreeg ik er alsnog lol in. Buiten Pinterest om ging ik verder. Nooit ben ik bewust naar parallelle beelden op zoek gegaan, ik voegde alleen iets toe wanneer een bepaalde voorstelling direct een ander beeld opriep en wel een die zich in mijn hoofd, dus in mijn eigen ‘databank’, bevond. Het werd een sport met eigen regels.

    Dit leverde me op den duur een aardige collectie evenbeelden op. Soms is de overeenkomst tussen de voorstellingen letterlijk: een paar personen met eenzelfde blik, enkele interieurs met eenzelfde lichtval en compositie. Vaker echter hebben de beelden niks met elkaar te maken en lijken ze tóch op elkaar. Dat zijn de meest intrigerende. Voor nu wil ik eenvoudig aftrappen en wel met twee rookwolken die op elkaar lijken. 

    In het essay ‘IJle substantie’ uit de bundel Verborgen verwantschappen van Rudy Kousbroek is een foto opgenomen van een jonge vrouw met een sigaret. De vrouw, ze heeft een licht peinzende en neerwaarts gerichte blik, blaast een dunne rookwolk uit. In deze flard is zonder al te veel moeite het hoofd van een paard te herkennen. Kousbroek beweert dat de vrouw zichtbaar kan maken waar ze aan denkt: aan haar lievelingspaard dat onlangs door haar vader is verkocht. De vrouw, nog altijd volgens de auteur, doet een poging het dier weer op te roepen. Kousbroek weidt uit over ‘materialisatie’ en ‘ektoplasma’, dan wel een ‘tijdelijke verstoffelijking van de geest’, en memoreert een medium uit zijn jeugd, ene Eusapia Palladino, die van alles kon waaronder hele menselijke gestaltes en gezichten voortbrengen, of handen vanachter een gordijn. Kousbroek meent zich zelfs te herinneren dat bij Eusapia het ektoplasma uit haar oor tevoorschijn kwam; net als de mond of de neus tenslotte ook een gat in het hoofd. 

    Dat waren nog eens tijden. Ik herinner me een verhaal van mijn moeder. Hoe zij als zestienjarige haar oudere zus eens vergezelde naar een zogenaamde duiveluitdrijver. De zus dacht in die tijd dat de duivel op haar nek zat, zo ongeveer tussen haar schouderbladen. De duiveluitdrijver, ook wel ‘strijker’ genoemd, gleed met zijn handen tijdens de met rituelen behangen sessie behoedzaam langs de rug van mijn tante. Daarna schudde hij zijn handen vol afschuw en rillend van zich af.  Dit herhaalde hij enkele malen. Ook de strijker was een soort medium, een tussen-lichaam als het ware, via welke de duivel weer verdwijnen kon. 

    Tja. De vrouw. De foto. Het paard. Het moet allemaal in mijn achterhoofd zijn blijven hangen want toen ik op een dag een willekeurige krant doorbladerde, zag ik een foto die zeer veel leek op het beeld dat Kousbroek had beschreven. Kijk nu toch eens, dacht ik meteen, Helmut Schmidt kan het ook! Wat? Nu, paardenhoofden blazen. En ook bij hem lijkt het een fluitje van een cent.

     

     

     

     

     

     

     

     

    Een cruciaal verschil tussen de rokende Schmidt en de jonge vrouw is echter niet zozeer het verschil tussen pijp (hij) en sigaret (zij) maar vooral dat zíj haar ogen heeft gesloten waar híj ze heeft geopend. De vrouw is veel geconcentreerder aan het roken dan dat hij het is. De foto van Schmidt is afgesneden, ik kan niet zien wat hij doet. Maar het komt me voor dat hij zich gelijktijdig met iets anders bezighoudt. Misschien is hij aan het lezen, zijn blik is vrij gericht. En juist deze bij-bezigheid zou zijn ongeconcentreerde roken weleens kunnen verklaren. Ongeconcentreerd ja, want als ik goed kijk, ontwaar ik niet een, maar twee hoofden in de rookflarden van de gewezen bondskanselier en mede-uitgever van Die Zeit. Het eerste paard dat hij wilde formeren, is mislukt (dat lijkt bij nader inzien veel meer op een hondenkop) en daarom walmt hij er nog een achteraan. Het tweede hoofd heeft al iets meer van een paard weg. Ik weet niet wat Schmidt hierna gaat blazen, en of hij altijd in series dampt. Het maakt ook weinig uit. Knap is het sowieso, twee paarden tegelijk materialiseren, of een hond én een paard. En dat terwijl hij simultaan een paar beleidsstukken doorneemt, of een artikel voor zijn krant bewerkt.  Het is zonder meer roken op niveau. Maar ik ga uiteindelijk toch voor de perfectie van de jonge vrouw. Zij heeft een bijna volmaakt, zuiver paardenhoofd geblazen. En, veel belangrijker nog, het lijkt haar niks te kunnen schelen. Zij is elders.

     

     


    Nicole Montagne (1961) is schrijfster, illustratrice en grafica. Zij publiceerde verschillende verhalen en essay bundels, waaronder De verzuimcoördinator

  • Fotosynthese 33 – Gehuld in dialect

    (Klik op de foto om de achtergrond te zien)


     

    Er is een beroemde cartoon van Jack Ziegler uit de New Yorker waarop je acht mannen om een vergadertafel ziet zitten. Zeven van hen hebben een zonnebril op en dragen een zomerhoedje met een vogelveer, en alle zeven houden ze een saxofoon in de aanslag. De achtste draagt gewoon zijn alledaagse pak met stropdas en kijkt wezenloos om zich heen. Op hem richten alle blikken zich en de voorzitter roept hem nijdig toe: Damn it, Hopkins, didn’t you get yesterday’s memo? Het is misschien niet aardig tegenover de mevrouw op dit laat negentiende-eeuwse kabinetportret, maar toen ik haar outfit voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik direct aan die cartoon denken.

    De kleding waarin deze Elzasser vrouw is vereeuwigd, heeft ze natuurlijk niet zelf zo bij elkaar gezocht. Het gaat hier om een traditionele klederdracht die nauw luistert naar de meest gedetailleerde overlevering, zoals die waarschijnlijk al generaties lang in haar familie bestond. Het meest in het oog springt het hoofddeksel met die knoop in het midden, waarmee het gevaarte vermoedelijk aan een haarstreng is vastgemaakt, en met de franje die van de beide vleugelkappen naar beneden hangt. Ook de omslagdoek die met een grote gesp of speld aan haar jak is bevestigd en de smetteloos witte kraag en manchetten suggereren dat dit geen alledaagse kleren zijn, maar het resultaat van een tot in de details gevolgde traditie.

    Dezelfde vraag kun je natuurlijk over Nederlandse klederdrachten uit Staphorst, uit Zeeland of uit Volendam stellen, maar in die traditionele kledij kun je nog iets boerderij- of vissersachtigs ontdekken. Deze Elzasser klederdracht daarentegen laat zich niet zo gemakkelijk met een professionele of functionele achtergrond associëren. Ik kan me tenminste geen beroep voorstellen, waar de vormgeving van dit hoofddeksel op teruggaat.

    En toen dacht ik: klederdracht is eigenlijk een dialect in de vorm van kleren. Immers, ook een dialect ontstaat als een uitgewerkte variant op of een tussenvorm van bestaande talen, dikwijls in een overgangsgebied tussen twee streken of landen. Het eigene van zo’n dialect is juist de verbindende kracht ervan. Dat Drenthenaren ‘tokkelbred’ of ‘snoarenbak’ zeggen in plaats van ‘gitaar’, dat geeft ze onderling het gevoel dat ze bij elkaar horen. Het gegeven dat ze zich daarmee onderscheiden van de rest van Nederland, versterkt die samenbindende kracht. Net als dialect is ook klederdracht iets van de oudere generatie, waar in een familie meestal nog wel met respect en historisch besef over wordt gesproken (‘kijk, dit waren de oorijzers van je grootmoeder’), maar millennials zullen er niet zo gauw de stad mee in gaan.

    Als je op het internet lijsten met dialectwoorden langsloopt, dan krijg je niet de indruk dat daar veel nieuwe, moderne woorden of uitdrukkingen tussen staan. De ontsluiting van het plattelandsleven door tv, internet en sociale media, grotere mobiliteit, verstedelijking en de geringe bereidheid van ouders om het dialect van hun eigen jeugd nog aan hun kinderen door te geven maken tezamen dat dialecten langzaam maar zeker uitsterven, zoals klederdrachten van lieverlee de kist op zolder niet meer uitkomen en ten slotte op hun best naar het streekmuseum verhuizen.

    Wel is het goed om te beseffen dat zelfs in de moderne tijd dankzij influencers, glossy bladen en rolmodellen uit films en series er ook allerlei afgedwongen kleedstijlen bestaan. De mode die voorschrijft dat je splinternieuwe jeans bij voorkeur van zorgvuldig aangebrachte slijtplekken en gescheurde gaten moeten zijn voorzien, is niet minder dwingend dan een door familie opgelegde traditie om op hoogtijdagen in een bepaalde streekdracht op een dorpsfeest te verschijnen. Het ene is global, het andere local, maar de wens van een individu of een groep om ergens bij te horen door zich gezamenlijk op dezelfde manier van anderen te onderscheiden is identiek. Dat geldt net zo voor de blauwe blazer van de corpsstudent als voor het naveltopje van de zestienjarige scholiere of de clubsjaal van de voetbalfan.

    Het is een van de meest deprimerende gegevenheden van de modewereld en de kledingindustrie dat je geacht wordt je eigen kledingsmaak of -stijl ondergeschikt te maken aan die van anderen, die er dikwijls ook nog eens materieel belang bij hebben dat je hun zin doet. Ik voel mij dan ook ten diepste verbonden met de enorm slechte zin die op het gezicht van deze in klederdracht gestoken mevrouw uit de Elzas te lezen valt.

     

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste roman, De schaduw van een vriend, verscheen in 2022 bij Uitgeverij De Bezige Bij.

     

  • Fotosynthese 32 – Buffalo Bill in Venetië

     

    (Klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Er zijn nogal wat vindplaatsen op het internet die bij deze foto het jaartal 1905 of 1906 vermelden. Inderdaad was Buffalo Bill met zijn rondreizende Wild West-show in die jaren voor de derde en laatste keer op tournee door Europa. Toch kan die datering niet kloppen, want op 14 juli 1902 was met donderend geraas de bijna honderd meter hoge Campanile linksboven op de foto ingestort, en aangezien die pas in 1912 in volle glorie weer was herbouwd, zou die opvallende klokkentoren dus in de beide genoemde jaren hoogstens als een in aanbouw zijnde stomp zichtbaar zijn geweest. Deze foto dateert dan ook van Buffalo Bills eerste Europese reis, om precies te zijn uit april 1890. Voor het overige is er aan het uitzicht op de stad in de achtergrond gedurende de afgelopen eeuwen niet zo veel veranderd, wat nu juist de reden is dat miljoenen mensen per jaar Venetië per se met eigen ogen willen zien.

    Buffalo Bill, in 1846 in Iowa geboren als William F. Cody, reisde naar Italië niet slechts om te kijken, maar vooral om bekeken te worden. In de tijd van Amerika’s ‘Wilde Westen’, de gestage verovering van de westelijk gelegen gebieden die tot dan toe aan oorspronkelijke bewoners (‘native Americans’, vroeger ‘Indianen’ genoemd) hadden toebehoord, verwierf Cody al op jeugdige leeftijd een reputatie als koerier, verkenner, schutter, cowboy en buffeljager. Zijn roem drong door in avonturenromans en werd vereeuwigd in toneelstukken. Dat bracht hem op het idee vanaf 1883 zelf met een soort Wild West-circus te gaan optreden, waarin bijvoorbeeld een aanval van Indianen op een postkoets werd nagespeeld. Op het nippertje werd die aanval dan door de toegesnelde cavalerie afgeslagen, waarna de blanke inzittenden van de postkoets samen met hun redders het applaus in ontvangst namen. Cody zelf zag deze rondreizende voorstellingen niet zozeer als ‘show’ maar als een display of current events, zoals hij het zelf noemde.

    Die educatieve missie gold in zijn eigen ogen des te sterker tijdens de drie Europese tournees die hij ondernam, waarbij vooral de authentieke Indianen met wie hij optrad grote belangstelling genoten. Op deze foto, die ongetwijfeld – zoals alles waar Buffalo Bill zich in die jaren mee bezighield – voor pr-doeleinden bestemd was, zien we in de gondel twee chiefs met hun indrukwekkende verentooi zitten: Sioux Chief Rocky Bear (vierde figuur van links) en Sioux Chief Black Heart (tweede van rechts), waarschijnlijk beiden met hun vrouw ter rechterzijde.

    Afgezien van Cody zelf, nadrukkelijk poserend met zijn karakteristieke Stetson op het hoofd, staan in de ranke gondel twee Venetiaanse gondeliers, die er met hun riemen in slagen de boot onbeweeglijk stil te houden in het op deze voorjaarsdag kalme water van de lagune. En tot slot staat er achter in de gondel nog een man met een hoed, die met zijn gestrekte linkerarm ergens naar wijst of iets aan de fotograaf wil beduiden. Dat is zo’n geluidloos detail op een oude foto waarvan de verklaring wel nooit meer te achterhalen zal zijn.

    De Wild West-voorstellingen van Buffalo Bill waren geen klein bier. Je kunt ze misschien nog het beste vergelijken met hedendaagse tournees van popsterren. Tijdens zijn Europese reizen trad hij op in England (onder meer ten overstaan van Koningin Victoria), Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, België en Spanje. Aangekomen in Rome wilde hij het liefst optreden in het Colosseum, maar het podium daar bleek te klein. Cody kwam op audiëntie bij Paus Leo XIII, en samen met de Heilige Vader bracht hij een bezoek aan de Sixtijnse Kapel, de paus in zijn draagstoel, omgeven door de schitterend uitgedoste leden van zijn Zwitserse Garde, Buffalo Bill omringd door zijn Sioux-Indianen. Je zou willen dat ook daar iemand even een foto van genomen had. Maar de foto’s die wél werden gemaakt, plus alle aandacht in de geschreven pers, waren bij elkaar voldoende voor grote aantallen betalende bezoekers, en daar was het ‘Buffalo Bill’s Wild West’ natuurlijk vooral om te doen; in Florence kwamen avond aan avond 10.000 mensen naar de voorstelling kijken.

    De tegenstelling die deze foto op het eerste gezicht suggereert, tussen de oude wereld van het historische Europese culturele erfgoed aan de ene kant, en de moderne commerciële Amerikaanse toeristische showbusiness aan de andere, is door de tijd volstrekt ingehaald. Het massatoerisme, met meer dan 30 miljoen bezoekers per jaar, heeft van Venetië precies zo’n zelfde populaire show gemaakt als Buffalo Bill deed met de eigentijdse geschiedenis van zijn land. In beide gevallen wordt een kwetsbare werkelijkheid (die van een unieke historische stad respectievelijk die van miljoenen Inheemsen) onder de voet gelopen door een even massale als genadeloze commerciële exploitatie. De nauwelijks 50.000 in de Dogenstad overgebleven echte Venetianen zijn in deze parallellie de bewoners van een reservaat geworden. Dag in dag uit worden zij door de schietende cavalerie van vliegtuigen, cruiseschepen en bussen vol toeristen overvallen. The show must go on.

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste boek, De meteoriet en het middagdutje (2021), een bundeling van vijftig fotosyntheses, verscheen bij Uitgeverij Boom.

     

  • Fotosynthese 31 – Verloren boek

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Vijfendertig jaar geleden beschreef ik het wonderlijke leven van een onverzadigbare levensgenieter. Een ornitholoog, gezagsuitdager en filantroop bovendien, die het lukte om er in zeventien jaar een enorm familiekapitaal doorheen te jagen. Toen hij als gevolg daarvan eerst onder curatele werd gesteld en later failliet verklaard, ontkwam hij door een truc aan een persoonlijke ondergang terwijl het leven van zijn rentmeester voorgoed geruïneerd bleek.

    Deze kleurrijke man was Jan Jacob Luden (1877-1935). Ik hield me enkele jaren bijna obsessief met hem bezig. Toch is hij ook een al lange tijd weer met respect begraven bezetenheid.  Tot de man af en toe opnieuw wordt opgeroepen door een toeval. Dat gebeurde onlangs door het essay Het lijf van de grond dat Wytske Versteeg schreef voor De Gids nr 2023/3. Ze brengt daarin Justus von Liebig ter sprake die halverwege de 19de eeuw experimenteerde met kunstmest, maar later in zijn leven inzag dat die de grond zou uitputten. Hij pleitte sindsdien voor kringlooplandbouw.

    Ik zag in gedachten Luden weer in zijn vogellaboratorium zitten. Hij schreef er vanaf ongeveer 1910 zijn boeken met natuurobservaties en onderzoeken naar ingewanden van vogels, werk dat hij samen met zijn taxidermist Eduard Blaauw uitvoerde. Zijn boeken zijn, zij het beperkt, terug te vinden in grote bibliotheken en archieven zoals dat van Naturalis in Leiden.

    Tijdens mijn research voerde ik tal van gesprekken met merendeels kinderen van ouders die nog met Luden hadden samengewerkt of contact met hem hadden gehad. Onder hen was een planoloog wiens vader met mijn hoofdpersoon een belangstelling voor archeologie deelde en hem daarover wel eens sprak. Of het een echte vriendschap was, is me nooit duidelijk geworden, maar ik kreeg via zijn zoon wel enkele persoonlijke brieven van Luden in handen. De verwijzing door Wytske Versteeg naar Von Liebig katapulteerde me terug naar de boekenkast van de planoloog. Hij haalde daaruit bij mijn bezoek destijds een dun gedrukt boekje tevoorschijn van slechts vijftien pagina’s, eerder een pamflet, dat hij van zijn vader had geërfd. Het was geschreven door Jan Jacob Luden en getiteld Zijn onze tegenwoordige theorieën over bemesting steekhoudend? Ik stond perplex. Dat Luden tegen gebruik van kunstmest was, wist ik – ik had de bouwtekening gezien voor een kleine fabriek voor natuurlijke mest  (die er nooit gekomen is omdat zijn faillissement zich toen al aankondigde). Maar ik wist niet dat hij zijn ideeën over bemesting ook gepubliceerd had. Ik was het boekje nergens tegengekomen; zelfs een verwijzing ernaar had ik nooit ontdekt.

    Ik hield het enigszins verkleurde exemplaar in mijn trillende handen alsof het een onschatbaar kleinood was. De man die het me aanreikte was op dit aandenken aan zijn vader erg gesteld: ik mocht het lenen om het te kopiëren, maar moest het liefst dezelfde dag nog terugbezorgen. Ik las erin hoe Luden als een milieu-activist avant la lettre fulmineerde tegen de vergiftiging van de mens en de bodem door kunstmest zoals die werd aangeprezen in een toen populair handboek, geschreven door een pastoor, H.W. Roes, en uitgegeven door de Boerenstand van Alem, Maren en Kessel. Het boek putte volgens Luden uit het vroege ‘Liebigsche arsenaal’ dat volgens hem hopeloos verouderd was. Daarmee doelde Luden op het gebruik van nitraten door Von Liebig die aanvankelijk inderdaad leidden tot grotere opbrengsten van gewassen, maar op termijn de bodem bleken te verschralen.

    Ik zocht wat globale gegevens over Von Liebig op, maar besteedde weinig aandacht aan hem omdat hij te ver af stond van wat ik in de biografie over Luden te vertellen had.

    Een jaar of tien geleden vernam ik bij toeval dat de planoloog, die me de opwinding destijds bezorgd had, was overleden. Al ettelijke maanden eerder. Met wat reserve – ik voelde iets van lijkenpikkersschaamte – spoorde ik zijn zoon op en vroeg hem of hij het boekje in de nalatenschap had aangetroffen en zo ja, of ik het mocht hebben. Hij praatte me bij. Een klein deel van de boeken van zijn vader was naar de familie gegaan en een grotere partij naar een antiquariaat. In zijn garage stonden nog wat dozen met boeken die hoogstwaarschijnlijk een bestemming als grondstof voor nieuw papier zouden krijgen. Het door mij gezochte boekje kende hij echter niet. Hij wist zeker dat het niet in zijn familie terechtgekomen was en evenmin in de dozen in de garage. Voor de zekerheid ging ik nog bij het antiquariaat langs, maar ook daar bleek het in de in- en verkoopadministratie niet voor te komen. Ik hervatte met een vage hoop – toen ik de biografie schreef stond internet nog in de kinderschoenen, laat staan dat je in gedigitaliseerde bestanden kon zoeken – mijn zoektocht. Vergeefs: ook in 2023 kan ik het boekje niet vinden.

    Ik leef nu met het verwarrende idee dat ik kopieën bezit van een boekje dat niet meer bestaat. Een echte obsessie is het niet meer, maar toch voel ik af en toe de verleiding, tijdens naspeuringen op internet naar zaken van een heel andere orde, gevolg te geven aan een opkomende impuls toch nog even te kijken op een plek waaraan ik nog niet gedacht had. Maar eigenlijk kan ik niet anders dan slechts weemoedig naar de foto kijken van die werkplaats waarin Luden zich zat op te winden over het gebruik van kunstmest. En zijn mening met giftige pen neerschreef in een pamflet dat verloren is gegaan.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Ook vele andere schrijvers, onder wie medewerkers van Literair Nederland, wijden zich aan dit genre.

     

  • Fotosynthese 30 – Twee kisten

     

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Vier rouwboeketten en ruim veertig belangstellenden, is dat veel of weinig? Ik heb me wel eens afgevraagd hoeveel mensen er bij mijn eigen begrafenis zullen komen opdagen. Vermoedelijk hangt dat af van de leeftijd waarop een mens ‘gaat’, zoals dat met een curieuze uitdrukking heet. Als je jong sterft, is de rouw massaal. Wie halverwege het leven doodgaat, mag ook nog op substantiële belangstelling rekenen. En voor wie ‘op zijn tijd’ overlijdt, zijn die vier rouwboeketten en veertig man publiek waarschijnlijk een alleszins redelijke score. In het land waar deze foto werd genomen was op dat moment de gemiddelde levensverwachting voor wie de volwassenheid had bereikt, ongeveer vijfenveertig jaar.

    ‘Veertig man publiek’, zei ik, want het springt direct in het oog dat er op deze begrafenis maar één vrouw te bekennen valt. Vele jaren terug was zij de inwonende huishoudster van de overledene, en kennelijk is zij haar werkgever niet vergeten. Voor het overige zijn het allemaal mannen, merendeels beter aan te duiden als ‘heren’, in pak en met stropdas, hun hoed respectvol in de hand en een uitdrukkingsloze blik op hun gezicht. Kleine kinderen zijn er ook niet. De overledene kon prima met kinderen overweg, maar hij bleef zijn leven lang ongetrouwd en had ze voor zover bekend zelf niet. Men veronderstelt zelfs dat hij bij zijn dood op zevenenveertigjarige leeftijd nog maagd was, maar dat zijn van die gegevens in een mensenleven die een biograaf nooit met honderd procent zekerheid kan verifiëren.

    Het is de dichter Fernando Pessoa die hier in zijn kist ligt, en de foto werd genomen op maandag 2 december 1935, twee dagen na zijn overlijden in het Franse Hôpital Saint Louis in Lissabon. Het gebouw op de achtergrond is vermoedelijk de kapel op de Cemitério de Prazeres, de negentiende-eeuwse begraafplaats van de Portugese hoofdstad. Voor kenners van de Portugese literatuurgeschiedenis vallen tussen de op deze foto vereeuwigde heren ongetwijfeld wel gezichten te identificeren van in de jaren ’20 en ’30 bekende tijdschriftredacteuren, plus een paar dichters en literaire journalisten. Naast enkele familieleden zien we verder diverse bazen van de handelsfirma’s waarvoor Pessoa als vertaler en correspondent werkte.

    Wie er ook tussen staat is zijn kapper, Manassés Seixas, die de dichter daags voor zijn overlijden nog had geschoren; bij hem thuis, zoals hun gewoonte was. In later jaren zou Manassés nog vaak geïnterviewd worden als ‘de barbier van Pessoa’. Op grond van hun vroegere affiniteit en hun vertrouwelijke omgang had hij van zeer dichtbij een unieke, bijna intieme kijk gehad op de man die na zijn dood zou uitgroeien tot de belangrijkste modernistische dichter van Portugal. Op deze ochtend heeft hij zijn kapperszaak speciaal gesloten om de uitvaart van zijn favoriete klant te kunnen bijwonen.

    Het ‘pièce de milieu’ op de foto is natuurlijk de kist op de eenvoudige, ietwat boertige draagkar. Het stoffelijk overschot zal onvermijdelijk zware sporen hebben gedragen van een door en door ongezonde levensstijl. Volgens zijn beste biograaf, de Engelse vertaler en criticus Richard Zenith, is Pessoa overleden aan een ileus, dat wil zeggen: een verstoring van de passage van voedsel door het darmstelsel. Als dat zo is, dan mag het een wonder heten dat de doodsoorzaak uiteindelijk niet levercirrose is geweest, zozeer had de dichter door zijn zware dagelijkse alcoholconsumptie dat vitale orgaan jarenlang op de proef gesteld.

    Vanaf zijn vroege jeugd, die hij deels in het Zuid-Afrikaanse Durban doorbracht, tot een dag voor zijn overlijden, had Pessoa de gewoonte om op losse velletjes papier, op de achterkant van rekeningen of enveloppen, in schriften en op briefpapier van de firma’s waarvoor hij werkte dichtregels te schrijven, aanzetten tot nieuw werk of losse ingevingen. Hij deed dat overdag en vooral ook ’s nachts, minstens zo compulsief als zijn alcoholinname, en de veelheid van persoonlijkheden (‘heteroniemen’) die hij daartoe in zichzelf opriep, verleent zijn productiviteit als dichter de proporties van een onbeheersbare epidemie. Die decennialange, obsessieve schrijfdrift onder ruim honderd schrijversnamen resulteerde bij zijn dood in een nagelaten kist vol met snippers, vellen, brieven, dagboekbladen, schriften en enveloppen. Men schat – een precieze telling schijnt door de veelheid niet mogelijk te zijn – dat het bij elkaar om meer dan 30.000 individuele manuscripten gaat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sinds 1935, met het groeien van Pessoa’s postume dichterlijke roem in en buiten Portugal, de opeenvolgende uitgaven van zijn verzamelde werken als een cascade van steeds grondiger inventarisatiepogingen over elkaar heen gebuiteld zijn.

    Daarmee kreeg die nagelaten manuscriptenkist in zijn onuitputtelijkheid een bijna mythische status, zeker in het licht van het feit dat Pessoa bij zijn leven slechts één kleine dichtbundel had gepubliceerd. In feite is deze dichter zijn hele solitaire leven lang bezig geweest om een kist te vullen, die op een dag de plaats zou innemen van de kist waarin zijn fysieke lichaam op deze foto uitgeleide wordt gedaan.

     


    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste boek, De meteoriet en het middagdutje (2021), een bundeling van vijftig fotosyntheses, verscheen bij Uitgeverij Boom.

     

     

    Foto: Sascha de Boer

  • Fotosynthese 29 – Studeren in gevangenschap

    Het zou een moment op een feestelijke bijeenkomst kunnen zijn, maar dat is het niet. Op de foto staan mannen in een vrijetijds-outfit van lichte overhemden en korte broeken. Er staan twee glazen op tafel en liefst twee obers zijn onderweg naar ze toe. Ze zijn, gezien hun kleding, deel van de groep. De mannen achter de bar staan in gelid voor de fotograaf. Aan tafel kijkt één man in de lens; de twee anderen staren naar iets onbestemds. Het is stil. Er wordt gezwegen tot het fototoestel heeft geklikt. De foto is duidelijk in scène gezet. 

    Ik stuitte er op toen ik op zoek ging naar de achtergronden van The Spark Papers, een keurig verzorgd boekje – hardcover, stofomslag – van nog geen veertig pagina’s, dat ik lang geleden op een boekenmarkt vond. Het bevat onder andere drie spreekbeurten van Nederlandse geleerden tijdens de Willem Spark-herdenking op 24 juni 1943. De teksten gaan over William Horace Lawrence Spark (1801-1843), een Nederlandse componist. De enigszins cabareteske formuleringen en de vermelding dat de Amsterdamse Willemsparkstraat naar hem is genoemd, maken duidelijk dat het om een grap gaat.

    Gegijzelden met veel vrijheid

    Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat sommigen op de foto toehoorders waren van die spreekbeurten. Ze waren gijzelaars in seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. De Duitse bezetter hield er vanaf 1942 prominente Nederlanders gevangen die het gevaar liepen te worden geëxecuteerd als elders in het land verzetsacties zouden worden gepleegd waarvan geen daders konden worden gevonden. Onder de prominenten waren hoogleraren, directeuren van bedrijven, Kamerleden enzovoort, zoals Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken, Johan Huizinga, Frits Philips, Jan De Quay en Wim Schermerhorn. Ze hadden ongewoon veel vrijheid zolang ze maar geen Duitsvijandige acties ondernamen.

    Er werd muziek gemaakt, film gekeken, geschilderd en gediscussieerd in de bar ‘De dorstige gijzelaar’ waar de foto is gemaakt. Maar vooral: er was door de gegijzelden een druk programma opgezet met tal van cursussen en lezingen, gegeven door deskundigen in hun vakgebied. Er was zelfs sprake van bijzondere tolerantie van de Duitsers. De filmcommissie mocht rolprenten laten zien die door de censuur kwamen, maar omgekeerd kwamen er geen represailles toen die commissie weigerde de Duitse aanbeveling op te volgen om Olympia van Leni van Riefensthal te programmeren.

    Er bestaan tal van voorbeelden van boeken die zijn geschreven in gevangenschap: Mein Kampf van Hitler, Pilgrim’s Progress van John Bunyan, Don Quichot van Cervantes en De Profundis van Oscar Wilde, De 120 dagen van Sodom van De Sade en vele meer. Hoe streng het regime ook kon zijn, er was ruimte om aan schrijfgerei te komen en er was vaak bezoek mogelijk. Geen van deze genoemde boeken zijn ontstaan in situaties waarin zoveel geesteskracht moest worden aangesproken als in krijgsgevangenschap, in een concentratiekamp of in Siberië. 

    Beekvliet was een behoorlijk humaan kamp. De gegijzelden beschikten over boeken en andere media, kregen pakketten toegestuurd en hadden erg veel bewegingsvrijheid binnen het terrein. Hitlers Herrengefängnis noemde de latere diplomaat Max Kohnstamm Beekvliet in het gelijknamige brievenboek over zijn verblijf daar. Toch was er de angst: zeven gijzelaars werden daadwerkelijk afgevoerd en geëxecuteerd.

    Activiteiten in communistisch gevangenschap

    Ik was echter verbaasd over de voorbeelden die ik uit mijn leesmemorie kon opgraven over studieactiviteiten in veel rigidere kampen. Mira Feticu bijvoorbeeld schrijft in haar Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal: ‘In de Roemeense politieke gevangenissen zaten veel schrijvers die het niet eens waren met de lijn van de enige Partij. Schrijvers, theologen, filosofen, hoogleraren. Er werden daar, in de communistische hel waar je zero vrijheid, zero eten, zero van alles had, taalcolleges gegeven. Gedetineerden onder elkaar, tussen de martelingen door onderwezen ze elkaar, er werden gedichten in hun geheugen geschreven, conferenties gehouden van een niveau dat de ‘“vrije” communistische academische wereld in Roemenië niet kende’.

    Vertaler (onder andere van Berlin Alexanderplatz) en verzetsman Nico Rost, die in Dachau terecht kwam wist daar een clandestiene leesclub te organiseren. Hij kon door zijn baantje in de ziekenbarak bij  de vele boeken, Duitse en Franse literatuur, die hij verslond en met anderen besprak. Wat hij daar las is allemaal te lezen in zijn Goethe in Dachau. Dagboek 1944-1945.
    De Franse filosoof Paul Ricoeur werd in 1939 opgroepen voor het Franse leger, maar zat al vanaf het begin van de oorlog als krijgsgevangene in Offlag II-D in Pommeren. Met enkele andere intellectuelen in dat kamp slaagde hij er in daar lezingen te organiseren en lessen te verzorgen. Hij begon er bovendien aan een vertaling van Ideeën van zijn Duitse vakgenoot Edmund Husserl.

    En dan vind ik in De verdwenen piano’s van Siberië van Sophy Roberts nog dit over de dekabristen, de opstandelingen tegen de autocratie van de tsaar in Rusland in 1825, waarvan de leiders werden opgehangen of naar Siberië verbannen: ze ‘stichtten gezamenlijk een kleine academie in ballingschap. Ze richtten werkplaatsen op om te timmeren, te smeden en boeken te binden. Ze gaven colleges (…). Ze begonnen een bibliotheek, die ze vulden met duizenden boeken die hun verwanten stuurden (…) De gevangen verzonnen verhalen over denkbeeldige landen en verre zeereizen’. In al die gevallen werd de dorst gelest door een bijna niet te vatten geesteskracht.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Fotosynthese 28 – Een kopje thee van mevrouw Sonneveld

     

    Klik op de foto zie de achtergrondfoto in zijn geheel


    Donkere wolken boven het centrum van Rotterdam. Het is 14 mei 1940, twee uur in de middag. Een half uur eerder is het allesvernietigende bombardement begonnen, waardoor de oude binnenstad grotendeels is weggevaagd. Wonderlijk dat zoveel destructie in zo’n korte tijd, niet meer dan veertien minuten, plaats heeft kunnen vinden. Het Duitse bommentapijt zorgt vooral voor grote branden en een verstikkende rookontwikkeling. Als de bommenwerpers zijn verdwenen, zal het nog dagen duren voor deze vuurzee kan worden bedwongen.

    Mensen die de brandende hel overleven en weten te ontvluchten, al dan niet met in de haast bijeengeraapte bezittingen, verzamelen zich op de open vlakte aan de westzijde van het centrum. Het is de dichtstbijzijnde plek om de overweldigende hitte te ontlopen, op slechts tweehondervijftig meter van de brandgrens. Met een blik op de enorme rookwolken wacht men in onzekerheid af op wat komen gaat. Gezinnen zitten bij elkaar, buren zijn opgelucht elkaar te zien – het zou zomaar een aangename bijeenkomst kunnen zijn, ware het niet dat onder de inktzwarte wolken de stad met de grond gelijk is gemaakt.

    Die open vlakte wordt een veilige plek voor honderden getroffenen. Het zogenaamde Land van Hoboken ligt midden in Rotterdam. Ongeveer achtenvijftig hectare weiland tussen de Nieuwe Binnenweg en de Westzeedijk. Het landgoed is sinds het begin van de negentiende eeuw eigendom van de familie Hoboken, een geslacht van rijke scheepvaartondernemers. Aan de kant van de Westzeedijk staat Villa Dijkzigt, het woonhuis van de familie – het huidige Natuurhistorisch Museum. De stad Rotterdam heeft zich door de jaren heen om het Land van Hoboken heen gekruld, omdat de familie lange tijd weigerde het landgoed aan de gemeente te verkopen. Een stuk polderland omringd door stedelijke bebouwing, de steeds meer uitdijende stad die pas op de plaats moet maken voor een groene plattelandsoase. In de lente ziet men vanuit de huizen aan de Westersingel de lammetjes door het gras huppelen, in de zomer hoe de pachtboer zijn hooi binnenhaalt.

    Pas in 1924 bereiken de gemeente en de familie Hoboken toch overeenstemming over de verkoop en wordt begonnen aan een stedenbouwkundig plan om het gebied met de omringende stad samen te laten vloeien. Allereerst is er de bouw van Museum Boymans van Beuningen aan de grens van het gebied. Het plan voor de rest van het openliggende terrein kost veel tijd, wordt lang onderbroken door de oorlogsjaren en wordt pas echt in gang gezet vanaf 1955.

    Aan de rand van dit wondelijke stadslandschap wordt in 1932 Huis Sonneveld gebouwd (op de foto de lichte villa, centraal in het beeld). Als mededirecteur van de Van Nelle fabriek heeft Albertus Sonneveld zijn oog laten vallen op deze plek om zijn woonhuis te laten verrijzen. Onder de indruk van de nieuwe, modernistische architectuur van zijn fabriek laat hij architecten Brinkman en Van der Vlugt ook een ontwerp maken voor zijn privéwoning. Het hagelwitte bouwwerk is een state-of-the-art villa die geheel in de stijl van het Nieuwe Bouwen wordt gerealiseerd. Voorzien van de modernste snufjes, door Albertus opgedaan tijdens zijn zakenreizen door Amerika, zoals ingebouwde geluidsapparatuur in alle kamers, een luxe badkamer met massagedouche en alle meubels speciaal vervaardigd door de firma Gispen. De achterliggende tuin is op maat gemaakt zodat de glanzende Cadillac ’s morgens door de chauffeur gemakkelijk uit de garage gereden kan worden.

    Als mevrouw Sonneveld op die bewuste dinsdagmiddag in 1940 uit het raam kijkt, ziet ze de eerste vluchtelingen in het weiland neerstrijken. Achter het huis brandt de verwoeste stad en ze weet inmiddels dat het bombardement is gestopt en de villa Sonneveld mogelijk gespaard zal blijven. Ze roept het dienstmeisje en geeft opdracht ‘die arme mensen’ voor het huis een kopje thee te schenken. ‘Maar niet in het dure servies’. Er is natuurlijk geen beginnen aan. De toestroom van mensen is té groot. 

    Enkele tienduizenden Rotterdammers zijn na het bombardement op slag dakloos en dit aantal loopt binnen een paar dagen op tot vijfenzeventigduizend. Het grootste deel vindt nog dezelfde dag onderdak in de omringende wijken en dorpen, bij familie, bij kennissen of bij vreemden. Hier en daar moeten gezinnen één nacht in de open lucht doorbrengen om daarna al snel ergens terecht te kunnen. De gemeente Rotterdam hoeft slechts op enkele plaatsen noodopvang te realiseren. 

    Ter Apel 2022 – opnieuw hebben honderden mensen zich verzameld op een randje gras. Ditmaal niet voor een villa, maar voor het COA aanmeldcentrum. Hier zal de nacht weer doorgebracht moeten worden door vluchtelingen die zich door het overvolle centrum nog niet hebben kunnen aanmelden als asielzoeker. Het overgrote deel komt uit gebieden waar ze geen zekerheid hebben over hun eigen veiligheid of de veiligheid van hun dierbaren. De wereld van deze mensen is gekrompen tot de vierkante meter waar ze nu op verblijven. Overgeleverd aan de wispelturigheid van de politieke besluitvorming. Ook hier zal een kopje thee geen wonderen doen. Wat medemenselijkheid wel.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Fotosynthese 27 – Stairways from hell to heaven

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel


    Zoals een dier zich aanpast aan zijn omgeving, zo hebben gebouwen dat gedaan. Evolutie is niet alleen van toepassing op flora en fauna.  De ornamenten op dit gebouw komen op mij een beetje neo-klassiek over. Waarschijnlijk zijn de bouwmeesters eerste- of tweedegeneratie-Britten of -Fransen geweest die een Parijs of Londons versiersel in een verre geheugencel bewaard hadden, lichtjes aangepast, en zo vervolgde  het ornament gemuteerd zijn bestaan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Aan de drie uithangende airco’s op deze foto kun je zien dat dit pand zich in een vochtig landklimaat bevindt, langzaamaan veranderend in een subtropisch klimaat; de zomers zijn er heet. Maar in de tropen had het gebouw vast veertien airco’s gehad.

    New York City. Geen mens twijfelt aan de locatie van dit pand. Waar zie je dergelijke wonderlijk overheersende fire-escapes? Alleen in een stad die enkel frontgevels heeft en geen binnentuinen. Die stad was vanaf 1880 intens gegroeid door alle nieuwe aanwas: Ieren na de hongersnoden halverwege de 19de eeuw, Duitsers, en Italianen na de eenwording in respectievelijk 1871 en 1870.  Fransen en Polen zochten hun heil in de V.S. vanuit een Europa dat net als nu te veel een bastion van de rijken was geworden. De huurpanden in Greenwich Village waren niet luxe, straatarme arbeiders hokten er bijeen. Er werd hoog gebouwd om ruimte te besparen. En omdat het kon.

    Bij een brand in 1860 kwamen twintig mensen om. De Tenement House Act zorgde er in 1867 voor dat een ontsnappingsroute voor huurders verplicht werd. Het duurde nog tot 1911 tot het echt beeld veranderend misging. Honderzesenveertig arbeiders van de Triangle Shirtwaist Company kwamen om bij een uitslaande brand. In het pand dat met zeshonderd mensen was volgestouwd maakten vooral Joodse en Italiaanse immigranten kleding voor de binnenlandse markt tegen zeer lage lonen. Ze woonden in panden als dit hier. De binnentrappenhuizen waren afgesloten zodat de werknemers niet te vaak naar de wc gingen, een praatje maakten of een sigaret rookten. Er moest productie gedraaid worden. Een meisje zat opgesloten omdat ze iets gestolen zou hebben. De meeste doden waren meisjes; de jongsten waren de 14-jaar oude  Kate Leone en Rosaria ‘Sara’ Maltese. De meesten van de slachtoffers sprongen brandend van de 8ste, de 9de en de 10de verdieping. Het zou 110 jaar de grootste brandramp met vallende slachtoffers in New York blijven… Woedend waren de mensen.  80.000 van hen liepen over 5th Avenue en eisten dat de overheid ging nadenken over veiligheid. Het leidde tot de  Sullivan-Hoey Fire Prevention Law, een pakket maatregelen dat ook de getoonde landmark verklaart: projectontwikkelaars moesten zich aan een pakket eisen houden en de brandtrappen aan de voorgevel was er één van. Voor Kate en Sara kwamen de brandtrappen van New York te laat.

    In 1912 componeerde de Joodse componist Charles Simon een Yiddish lied over de tragedie. Het refrein luidt:

    Oy a trer darf yeder mentsh fargisn
    Af dem groysn khurbn vos es iz geven
    Vi der fayer hot kinder fun eltern avekgerisn
    Aza umglik zol mer nisht geshen
    Fun der tsentn flor zenen zey geshprungen
    Zikh tsu retn fun der biterer noyt
    Dokh iz zey nebekh nit gelungen
    Un af dem sayd-vok gefinen zey dem toyt.

    Oy, men zou een traan moeten laten
    voor de grote vernietiging die plaatsvond
    Hoe het vuur kinderen van hun ouders losscheurde
    Iets dergelijks zou nooit meer mogen plaatsvinden
    Ze sprongen van de tiende verdieping
    om zichzelf te redden van de bittere nood
    Maar dat is ze natuurlijk niet gelukt
    En op de stoep vonden ze de dood

    In 1927 werd een veilige binnentrap verplicht, maar destijds waren uitwendige brandtrappen al wijdverbreid in de stad. Tot 1968 zijn ze gemaakt, vermoedelijk ook omdat ze nu bij een New Yorkse woonkazerne waren gaan horen. Daar zal de filmindustrie wel een rol in hebben gespeeld: denk aan Hitchcocks Rear Window of Breakfast at Tiffany’s, waarin Audrey Hepburn op zo’n trap op een ukelele tokkelend Moon River zingt. Na The West Side Story had de brandtrap het zelfs tot een iconische affiche geschopt. De filmhit toonde vooral de romantische mogelijkheden van de trap: hoe geliefden bij elkaar komen buiten medeweten van hun ouders om. Dat wat in 1920 nog refereerde aan een ramp, verwees door dergelijke films alras naar romantiek. De brandtrap was geëvolueerd van een functie naar een mogelijkheid, van noodzaak naar wens. Om de vijf jaar moeten de brandtrappen gecheckt worden, maar ze vertonen nu veel roest en corrosie. New Yorkse makelaars adverteren er mee. Voor de bewoner van vandaag is het vaak een groot rek om een tomatenplantje op te zetten. Of naar ik aanneem voor een hennepplant, sinds het bezit daarvan gelegaliseerd is. De fire escape werd van een nachtmerrie een droom.

    All that    

    the only things I remember about
    New York City
    in the summer
    are the fire escapes
    and how the people go
    out on the fire escapes

    in the evening
    when the sun is setting
    on the other side
    of the buildings
    and some stretch out
    and sleep there
    while others sit quietly
    where it’s cool.

    and on many
    of the window sills
    sit pots of geraniums or
    planters filled with red
    geraniums
    and the half-dressed people
    rest there
    on the fire escapes
    and there are
    red geraniums
    everywhere.

    this is really
    something to see rather
    than to talk about.

    it’s like a great colorful
    and surprising painting
    not hanging anywhere
    else.

    Charles Bukowski (uit Open all night)

    De fire escape werd van een nachtmerrie een droom, daarna een schilderij en tenslotte deze foto.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Fotosynthese 26 – Een bloemetje voor Sergei

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrond in zijn geheel


    Beste Sergei,

    Wij kennen elkaar niet. Toch heb ik een paar jaar geleden, op 21 oktober 2015 om 11.15 uur, aan je graf gestaan. Het was bedolven onder de bloemen, kleurige linten, versierde hartjes en dat alles in de kleuren van de Oekraïense vlag. Het stond in fel contrast met het mistroostige weer. Een loodzwaar wolkendek dreigde elk ogenblik tot ontlading te komen en over te gaan in een dichte motregen. Ik weet trouwens helemaal niet hoe je heet. Ik noem je voor het gemak maar Sergei. In het Nederlands zou ik je Jan kunnen noemen, Jan Soldaat. Ik heb besloten je een brief te schrijven.

    In 2015 was ik met twee vrienden een weekje in Lviv. Ons was verteld dat het een mooie stad moest zijn. Wij zijn Nederlandse historici en hebben belangstelling voor de geschiedenis van Oekraïne, een grensland tussen oost en west. Lviv wordt wel ‘de ultieme stad voor historici’ genoemd. Dat is af te lezen aan de nog steeds gangbare Duitse, Poolse en Oekraïense namen voor de stad: Lemberg – Lwów – Lviv. Van 1918 tot 1939 behoorde de stad tot de republiek Polen (Lwów), van 1939-1941 tot de Sovjet-Unie (Lviv) en van 1941-1944 tot nazi-Duitsland (Lemberg). Van 1944 tot 1991 behoorde ze weer tot de Sovjet-Unie (Lviv) en vanaf 1991, na het uiteenvallen van de USSR, tot het onafhankelijke Oekraïne, een betrekkelijk jong land. De stad heeft nooit lang tot één land behoord. Vaak zijn begraafplaatsen een fascinerende spiegel van dat verleden. En dat is zeker het geval op de begraafplaats Lychakiv, waar jij je laatste rustplaats hebt gevonden. Veel Poolse graven herinneren aan de Poolse hegemonie in het verleden. Het feit dat er tegelijkertijd een veredelde beeldenstorm heeft plaatsgevonden op de ogen van de afgebeelde Poolse overledenen, impliceert dat naderhand niet iedereen meer gediend was van die Poolse invloed.

    Als inwoner van Lviv en Oekraïne moet je heel anders in het leven staan dan wij, inwoners van Amsterdam, Alkmaar en Leiden. Deze steden liggen al sinds mensenheugenis in Nederland, een onbetwist soeverein land. Wij voelen ons dan ook allemaal Nederlander en een beetje Amsterdammer, Alkmaarder of Leidenaar. Wij voelen ons totaal niet bedreigd. Wie wil nu Nederland aanvallen, laat staan Amsterdam, Alkmaar of Leiden? Een krankzinnige gedachte! Veel mensen in Nederland hebben niet veel op met militairen. Ik ook niet. Een generaal die in uniform met pet op in een talkshow verschijnt, opgedirkt met kruisen van verdienste, wekt bij velen de lachlust op. Een potsierlijk gezicht. Je zou eens moeten weten hoeveel moeite het ons heeft gekost om een jaarlijkse veteranendag in te voeren. Veel mensen vonden dat een belachelijk idee. Ik kan mij zo voorstellen dat dat bij jullie heel anders ligt. Misschien voelde jij je aanvankelijk vooral Lvivenaar en daarna pas Oekraïner en is het gevoel van Oekraïner te zijn pas later versterkt door de inval van de Russen in de Donbas. Jullie vrijheid moet voortdurend verdedigd en bevochten worden. Jullie kijken natuurlijk met veel meer respect naar militairen dan wij. Jij hebt je als vrijwilliger gemeld om voor je land te vechten in de Donbas. Staande aan je groeve word ik bestormd door al deze overpeinzingen. Uit de bloemenzee op je graf blijkt dat jij voor de mensen in Lviv een held bent. Ik begrijp dat wel en respecteer dat ook. Door jouw ogen ziet de wereld er totaal anders uit dan door mijn ogen. In jouw ogen is de wereld veel bedreigender en vol gevaren waartegen je je teweer moet stellen.

    De herinnering aan de onderdrukking van de Sovjettijd is nog springlevend. Je hoeft maar in de ogen van je grootmoeder te kijken en je leest de angst voor de herinneringen aan de ‘holodomor’ uit de jaren dertig en de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, toen jullie eerst de Russen, daarna de Duitsers en ten slotte wederom de Russen over de vloer kregen. Trouwens, in Nederland weet bijna niemand wat er bedoeld wordt met de ‘holodomor’, namelijk dat er toen naar schatting 4 miljoen mensen opzettelijk de hongerdood zijn gestorven in Oekraïne op bevel van Stalin. Ik heb wel eens geprobeerd daarover te praten met een oudere Oekraïense vrouw. Dat was lastig. Jullie praten daar niet graag over, omdat het nog zo vers en dichtbij is. Bovendien weten jullie nooit zeker of die tijd nooit meer terug komt, tenslotte blijkt Rusland dichtbij. Ik lees er veel over en praat er wel graag over, omdat het mij interesseert maar nooit persoonlijk geraakt heeft. Het is ver van mijn bed. Vrijheid is voor jou iets kostbaars en bijzonders. Voor mij is het vanzelfsprekend en doodgewoon. Jij herinnert mij daar weer eens aan en daar wil ik je voor bedanken.

    Rust zacht, Sergei. Ik leg ook een bloemetje op je graf.

     

     

    Fotograaf: naam onbekend


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.