• Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Hannah van Binsbergen heeft haar tweede bundel de titel Kokanje meegegeven. Het land van Kokanje is een andere benaming voor Luilekkerland, het land van melk en honing waar de gebraden ganzen je in de mond vliegen en de pannenkoeken aan de bomen groeien. Het woord ‘kokanje’ gaat terug op het Oudfrans en betekent zoiets als ‘land van de honingkoeken’. De bundel Kokanje vertelt van het verlangen om in dat land te komen, maar de dichter geeft meteen al aan dat het heel onwaarschijnlijk is dat dat zal gebeuren. Niet voor niets moet je, om in Luilekkerland te komen, je een weg eten door de rijstebrijberg. Van Binsbergen heeft voor de lezer haar eigen rijstebrijberg opgeworpen door middel van haar taalgebruik, dat nu eens archaïsch aandoet, dan weer raadselachtig of gekenmerkt wordt door een vreemde zinsbouw. Het levert zelfs af en toe totaal onbegrijpelijke gedichten op.

    Vermeend paradijs

    Zo staan erin de afdeling zeven tekenen een zevental korte gedichten waar geen touw aan vast te knopen is: ‘vloed van zijn / troont hoog / lapt een / oorspronkelijk feest’ is er een van. Hoewel ze niet eenduidig te verklaren zijn, tekenen ze wel de sfeer van een sprookjesachtige vertelling, met spreuken en geprevelde bezweringen, die niet bedoeld zijn om te begrijpen. Ze laten zich lezen als kinderrijmpjes waarin het plezier om de klank en het ritme, het spelen met woorden, belangrijker zijn dan de betekenis.
    Onvrede met de huidige maatschappij en de eisen die daarin gesteld worden aan de bewoners is de reden om het vermeende paradijs te zoeken,

    ‘Dolen

     De rotgang der geschiedenis begon
     met bouw. Arm land, wat dacht je
     dat ze murw en nietig in het bivak zouden blijven
     elke dood een schok en honger dagelijks
     soms dodelijk? Breek af dit doolhof
     zeiden zij en maak een kavel

     zo begon ons dolen. helderte verscheen.
     De kleinste streep schoot naar de verte
     een zang vloog dertig  eeuwen later uit het stof
     om ons de oren af te zagen, hier en nu
     waar wij allang een lering trokken.
     Ons alfabet, ons plaagtuig. Een borgpen voor
     een schommelend visioen zolang de pot nog papt

     maar het drijft, ons narrenschip
     drijft het dan niet? Vallend lopen recht
     de armen in van de vermoeidheid, ja we
     hapten stof, ja eigen domme schuld, en alles
     wat te vuur staat brandt. Laat los de boze
     honden langs de lijnen van de tekst
     terug tot de afkomst, waar de vrede ook niet woont
     en laten – vrienden – laten we een nieuwe bouw beginnen

    Zoektocht vol voetangels en klemmen

    Maar de zoektocht naar een beter leven zit vol voetangels en klemmen, het werk en de plichten lopen elke dag weer in aantal op: ‘de weg erheen bespoot door taken.’ Ook God, die in de bundel wordt aangeroepen om hulp te verlenen, kan daar weinig aan doen: ‘laat mijn oren zich sluiten voor hun kleinigheden’, vraagt de ik-persoon aan God en ‘en als ik mijn hoofd neerleg tussen het groen / laat het geschreeuw van de halmen mijn dromen niet storen / maar laat uw dienaar een tijdje met rust.’

    Kokanje blijkt door iedereen anders ingevuld te worden, het paradijs is niet voor iedereen hetzelfde. Voor de dichter is het ‘het recht op luiheid in het wild’, waarin de zinnen gevierd worden en de vergetelheid van het genot gezocht wordt, in tegenstelling tot de eisen van de consumptiemaatschappij, want ‘De dwazen in het bos ontmoet / leven beter op de gunst dan duizend slimmeriken van de handel.’ Maar al gauw blijkt dat Luilekkerland aan dezelfde fouten ten onder zal gaan die al eerder gemaakt werden. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘De waarheid in Luilekkerland’ en dat is ook de titel van de laatste afdeling. Berustte de eerste waarheid nog op aannames die als feiten gepresenteerd werden, in de laatste afdeling wordt al gauw duidelijk dat ook Luilekkerland niet alle wensen kan vervullen. Een van de gedichten heet ‘Otium’, een begrip uit de Romeinse letterkunde uit de 1e eeuw voor Christus: de dichter streefde naar vrijheid van elke sociale of politieke verplichting. In Luilekkerland zou je kunnen doen en laten wat je zelf wilde, maar de dichter spreekt al over ‘verbanning’. Want ook een ‘mooi huis met lekker eten en genoeg te lezen / over de heuvels, in het bos’ moet betaald worden. ‘Een mens moet eten, dat weet iedereen / maar dat te weten bakt de koek nog niet’.

    Alles heeft een prijs

    Luilekkerland is een teleurstelling. Het niets doen wordt een verplichting en lijkt daarin weer precies op het leven dat de zwervers hebben achtergelaten: ‘hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door – ik moet me excuseren.’ De gedichten in Kokanje gaan niet alleen over het streven naar een wereld waarin je kunt doen en laten wat je wilt: Van Binsbergen laat met haar bonte beelden en inventief taalgebruik zien dat ook de taal een Luilekkerland kan zijn waarin vrijheid van lezen en van schrijven voor iedereen onder handbereik ligt. De rijstebrijberg waar de lezer doorheen moet, bestaat uit de soms onbegrijpelijke zinnen en vreemde woorden die de dichter heeft bedacht. Ook last ze regelmatig een zinsdeel uit een andere taal in. Poëzie moet niet altijd eenvoudig zijn, er mag moeite voor gedaan worden. In het lange gedicht Puces savantes staan de volgende strofen:

    ‘Een ware zanger van de massa
     zingt zijn liedjes aan de kassa.

     De eter blieft zijn rapen gaar
     de stem van ’t volk is koen en klaar.

     Volgt onbegrip toch onverhoopt
     dan wordt de zanger opgeknoopt. 

    Wachten op de afloop

    Zo’n vaart zal het wel niet lopen met de dichter van Kokanje. Toch laat de bundel de lezer achter met het gevoel dat de reis naar Kokanje nog niet beëindigd is: het begin is duidelijk, maar het einde is vaag en onbevredigend onaf. Als lezer zit je als het ware te wachten op iemand die komt vertellen dat het afgelopen is, zoals vroeger wel in het theater na een voorstelling gebeurde als het publiek zat te wachten of er nog iets kwam. Een knallende afsluiting als overtuigende afronding van de bundel was op zijn plaats geweest; nu is het slotgedicht slechts een voortzetting van de voorgaande gedichten.
    Maar wie zich door de dichter laat meenemen naar Kokanje komt onderweg voldoende moois tegen. Zo blijkt maar weer dat de reis belangrijker is dan het eindpunt.

     

  • Hoop op vertaling: Gwen Harwood – Collected Poems

    Collected Poems

    Boeken leiden je naar andere boeken, als stapstenen in een rivier. Ik las een boek van Guido van Heulendonk, Vrienden van de poëzie. Dit bevat vier verhalen over een kettingbrief van gedichten die in coronatijd aan diverse mensen verstuurd worden en hun levens beïnvloeden. In het eerste verhaal, Trisha, krijgt een man van een vroegere collega een gedicht toegestuurd van de Australische dichter Gwen Harwood, Barn Owl getiteld. Zonder het te citeren vertelt Van Heulendonk waar het over gaat: een meisje is boos op haar vader. Omdat ze zich met haar wrok geen raad weet, schiet ze een kerkuil neer. Maar de uil leeft nog. Ontzet van zijn bloedige verminking,  zeer plastisch en rauw beschreven, beseft ze wat ze gedaan heeft. De vader staat plotseling achter haar en draagt haar op de uil te doden: ‘End what you have begun’.

    Het is het eerste deel van het tweedelige gedicht Father and child. De pendant heet Nightfall, waarin de autoritaire vader oud is geworden en door de inmiddels volwassen dochter met liefde en mededogen beschreven wordt. Van Heulendonk vermeldt ook dat het gedicht een rol speelt in Julian Barnes’ The Sense of an Ending. Daar probeert een schooljongen het gedicht via Eros en Thanatos te verklaren, wat later de rode draad in het boek van Barnes blijkt te zijn. Titel en dichter van het gedicht over de ‘barn owl’ worden niet genoemd; Barnes nam blijkbaar aan dat iedereen wel wist welk gedicht hij bedoelde, maar ik had er geen idee van toen ik zijn boek las. Ik had – net als de verteller in Trisha – nog nooit van Gwen Harwood gehoord. Ik kende zelfs helemaal geen Australische auteurs, of anders wist ik niet dat ze Australisch waren. Alleen Nick Cave, die zijn poëzie op muziek gezet heeft, neemt een prominente plaats in op mijn lijstje van mensen wier werk ik niet kan missen. Maar van Harwood wilde ik meer lezen.

    Er bleek van haar niets vertaald te zijn in het Nederlands. Het was al een hele klus om überhaupt een bundel van haar te vinden, laat staan een verzamelbundel met haar complete werk. Uiteindelijk heb ik na lang zoeken een afgeschreven, beduimeld en gestempeld bibliotheekboek met de verzamelde gedichten gevonden in de bibliotheek van Diamond Valley in Brisbane, Australië: Collected Poems. De verzendkosten overtroffen vele malen de aanschafprijs. Maar ik was er dolgelukkig mee. Net zo blij als toen ik uit Amerika een eerste druk liet bezorgen van T.H. White, The sword in the stone, met daarin de hoofdstukken die in alle latere edities ontbreken.

    Gwen Harwood (1920-1995) mag dan hier onbekend zijn, in Australië is zij een literaire beroemdheid wier gedichten op middelbare scholen en universiteiten op de verplichte leeslijst staan. Er is zelfs in 1996 een literaire prijs naar haar vernoemd: The Gwen Harwood Poetry Prize. Het beste gedicht wint 2000 Australische dollar. Naast dichter was zij ook librettist; muziek speelde een grote rol in haar leven, wat ook in haar gedichten merkbaar is. Haar eerste gedicht verscheen onder een van haar vele pseudoniemen. Ze schreef onder meer namens Walter Lehmann, Francis Geyer, die als Hongaarse vluchteling schreef over ballingschap, en Timothy Kline. Dit was een jonge anti-oorlogsveteraan van de Vietnamoorlog. Ze hield ervan om een masker te dragen, zei ze in een interview uit 1970: “I like disguises, I like wigs and beards.” Haar bekendste vrouwelijke pseudoniem was Miriam Stone, een verongelijkte
    huisvrouw die klaagde over haar bestaan als echtgenote, huisvrouw en moeder. Hiermee brak zij al vroeg een lans voor alle vrouwen die nooit hadden durven toegeven dat niet elke vrouw gelukkig is met keuken en kinderen. Bovendien liet ze zien dat zij als ‘dichter-huisvrouw’, zoals ze in de media genoemd werd, zelf meer dichter dan huisvrouw kon zijn.

    In the park

    She sits in the park. Her clothes are out of date.
    Two children whine and bicker, tug her skirt.
    A third draws aimless patterns in the dirt
    Someone she loved once passed by – too late
    to feign indifference to that casual nod.
    “How nice” et cetera. “Time holds great surprises.”
    From his neat head unquestionably rises
    a small balloon…”but for the grace of God…”
    They stand a while in flickering light, rehearsing
    the children’s names and birthdays. “It’s so sweet
    to hear their chatter, watch them grow and thrive, ”
    she says to his departing smile. Then, nursing
    the youngest child, sits staring at her feet.
    To the wind she says, “They have eaten me alive.”

    Haar meestal lange gedichten zijn buitengewoon melodieus en lenen zich voor voordracht. Haar onderwerpen zijn gekozen uit de filosofie, de Europese poëzie – waarbij soms een echo van W.H. Auden is te horen – en de muziek. Bovenal put zij echter uit de verrukkingen en de frustraties van het dagelijkse leven met haar huwelijk en haar vier kinderen: intimiteit, verlangen, plezier, melancholie, grimmigheid, felheid met scheutjes boosaardigheid. Haar poëzie is zeer aards en kan onverwacht humoristisch zijn te midden van de ernst, zoals ze ook een algemene beschrijving plotseling een zeer persoonlijke draai kan geven. Haar liefde voor muziek maakt haar gedichten vormvast en metrisch, het eindrijm is zo subtiel dat het pas bij herlezen wordt opgemerkt. De interpunctie is zeer zorgvuldig en overdacht aangebracht. De traditionele vormen doorbreekt ze vaak door een andere spreker te introduceren in het gedicht. Haar poëzie is intelligent, romantisch en sarcastisch tegelijk, met scherpe hoekjes en weerhaakjes.

    Being in the World

    Alone behind the wheel
    half-stupid with fatigue
    I fell briefly asleep
    on the Midland Highway. God
    or someone slapped my life
    back in my empty hands
    before metal shaped my ends.
    Now there’s iron in my soul.
    Iron in my tongue, too,
    clapping against the skull.
    Somebody, something loves me
    enough to keep me here.
    Let my enemies take care.

    Een dierbaar boek onder de aandacht brengen is zoiets als busladingen vol toeristen naar een tot dan toe onbekend eiland brengen, in de hoop dat de ongerepte staat niet zal worden bezoedeld door achtergelaten afval, luide popmuziek of op elke straathoek een McDonalds. Of zoals een kind, dat zijn grootste schat laat zien op een bedje van watten in een mooi versierd doosje, hoopt dat de volwassenen niet schouderophalend zullen zeggen: o, een knikker. Toch riskeer ik graag deze onderschatting. Van harte hoop ik dat Harwood meer in de belangstelling komt te staan in Nederland. Haar volledige werk omvat 368 gedichten en 13 libretto’s; een goede vertaler zou van de gedichten een tweetalige uitgave kunnen maken. Gwen Harwood verdient het om herinnerd en geliefd te worden.

    Anniversary

    So the light falls, and so it fell
    on branches leaved with flocking birds.
    Light stole a city’s weight to swell
    the coloured life of stone. Your words
    hung weightless in my ear: Remember me.
    All words except those words were drowned
    in the fresh babbling rush of spring.
    In summer’s dream-filled light one sound
    echoed through all the whispering
    galleries of green: Remember me.
    Rods of light point home the flocking
    starlings to wintry trees, and turn
    stone into golden ochre, locking
    the orbit of my pain. I learn
    the weight of light and stone. Remember me.

     

     


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de zomerrubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, omdat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

    Collected Poems
    Auteur: Gwen Harwood
  • Twintig jaar een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten

    Terwijl de premier van het Verenigd Koninkrijk zijn ambt voortijdig moet neerleggen, gaat  Het liegend konijn zonder veel ophef of rumoer zijn twintigste jaargang in. Een jubileumjaar in poëzie, een gekroond konijn siert de cover. Sinds 2003, publiceerde HLK  meer dan vijfduizend vers geschreven hedendaagse, Nederlandstalige gedichten van meer dan vierhonderd dichters. Dat betekent dagelijks iets meer dan één nieuw gedicht per dag, twintig jaar lang, verzameld, gekozen, geredigeerd door een persoon, dichter Jozef Deleu. Die dit alles jaar in jaar uit als eenmans redactie tot stand bracht, en gestaag doorvoerde. In een redactioneel stuk, bedankt Deleu de dichters, uitgever, lezers en mecenassen voor hun inzet. HLK twintig jaar als een vrijplaats voor dichters in alle maten en soorten, een vrijplaats voor al wat niet ongenoemd kon blijven. Menig dichter maakte zijn debuut in HLK.

    Dat ook de raadselachtige tekst die elke editie de achterflap siert, in al die jaren nog niet heeft doen vervelen, geeft weer eens aan hoe sterk poëzie kan zijn. Het fragment is uit ‘Diergaarde voor kinderen van nu’ van Paul van Ostaijen (1896-1928). Ostaijen zal welhaast de enige dichter zijn van wie een tekst zo veelvuldig gelezen wordt. Wie nooit een achterflap leest, moet in dezen geadviseerd worden dit wel te doen, waarmee gelijk de kans geboden wordt een literair tekst uit het hoofd te leren. Om u op weg te helpen hier de eerste regels uit het wonderlijke fragment.

    ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik niet. Zoiets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo  nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Daar vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit is nu iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt; hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. (…)’ een tekst die onze nieuwsgierigheid scherpt en ‘zet onze zekerheden op de helling,’ schrijft Deleu in zijn inleiding.

    Het bladeren, hardop voorlezen, namen noemen

    Honderdzevenentachtig nieuwe gedichten van veertig dichters in deze laatste editie. Het bladeren kan beginnen, regels hardop lezen, namen noemen, coupletten souperen, met  de smaak van poëzie in elke regel.
    ‘Ik zie dat u dapper noteert. / Vreemd genoeg beschouw ik wat ik uitkraam / als volstrekte nonsens.’ (Edwin Mortier)

    ‘zij kent geen ingekeerd / en treurend buigen / als wat met haar verbonden is / uit handen glipt / en van haar schoot afglijdt / zij recht het hoofd -’ (Ludwien Veranneman, gelijk als het personage Veranneman uit een verhaal van Campert).
    ‘Nergens hebben dingen het zo voor het zeggen / als in de zoldering, in sponning en gebinte / van een huis. Zij zingen herinneringen uit / die groots en nobel blijven nazinderen.’ (Luuk Gruwez)
    ‘licht veranderde in zand / en regende zachtjes bedekte / niemand in het bijzonder / en nestelde en // alles wachtte’ (Linda Veldman)
    ‘De ree in het veld stapt achter een bosje / net als ik haar aanwijs. Nee echt zeg ik, / mijn wang tegen het glas.’ (Isa Altink)
    ‘Aan de badkamerdeur staat zij doodstil / te luisteren. Ze hoort in de geluiden / de vreemde onrust die zijn wangen kleurt’ (Charles Ducal)
    ‘in alle potjes zalf van mijn moeder / ontstaat in het midden een bergje / terwijl die van mij een dal krijgen / nu het nog kan verzamel ik dat / het blijkt dat alle vogels duiven zijn / in de ogen van mijn moeder’’ (Bianca Boer)

    Het kortste gedicht is van K. Michel:

    Op de Dam

    (klimaatmars 6-11-21)

    als het zonlicht doorbreekt
    en valt op twee flaporen voor mij in de menigte
    zie ik twee dieprode vlinders

    Het langste gedicht, van Michael Tedja ‘Het uitgelezen deel’ beslaat vijf dichtbeschreven pagina’s. Indringend en overrompelend, niet eenvoudig te betreden, met overstelpende regels over uitsluiting, plichten en verboden. Poëzie die trekt en duwt, niet altijd te bevatten, maar het moet gelezen worden.

    ‘De ongebreidelde expansiedrift werd van bovenaf bestuurd.
     Jij gaat katoen plukken, zeiden wij in koor. Sta op en pluk
     de dag door die in toom te houden. Hier kwam het kader
     in beeld. Het is mooi vandaag. Ik trek mijn T-shirt aan.
     Door de driften te contextualiseren ontstond er betekenis.
     (…)’
     Wij waren één ding en isoleerden alle dingen om ons heen.
    Er groeien plukkers aan de takken van het verkoolde houdt.’ 

     (…)

    Poëzie die aan de randen van je comfort zone trekt

    Er zijn stromende gedichten, overvloedige en niet helemaal te begrijpen gedichten, die trekken aan de randen van je comfort zone. Neem deze van Eva Gerlach, het vierde uit een serie van vijf gedichten.

    ‘Hoe krijg ik je samen heel
     stil mag je zijn hier breekman
     schreeuwend in dromen schreeuwend in het diepe
     dagwater in, schreeuwend om losgelaten
     vastgehouden te zijn

     Hoe zwijg je zo hoog schreeuwend in me
     hartman hoe snij je je
     klem in me, kraak je je schrap, hoe krijgt elke amper

     begonnen schreeuw van je zwijgende lichaam het mijne
     elke dag meer zoals jij raasman elke dag stiller.’

    Ach, wie twintig jaar aan Het liegend konijn bijeen op de plank heeft staan, heeft de poëzie in pacht. Die kan zich niet ander dan een verguld mens voelen.

     

     

  • Getuige van toewijding als vertaler en als dichter

    Wanneer een dichtbundel is voorzien van een voorwoord – in Dijende gronden van Anjet Daanje is dat een stevig voorwoord – is er meestal iets aan de hand. Ofwel betreft het een nieuwe vertaling van een dichter die al een tijd niet meer onder ons is, ofwel gaat het om werk dat vanwege de bijzondere totstandkoming toelichting behoeft. In dit geval is het zowel het een als het ander. Hoewel Dijende gronden goed als een zelfstandig werk gelezen kan worden, is de bundel bedoeld als bijlage bij de eveneens in mei van dit jaar verschenen roman Het lied van ooievaar en dromedaris. Voor deze lijvige en complexe roman, die speelt in het Yorkshire van de negentiende eeuw, heeft Anjet Daanje veelvuldig gebruik gemaakt van de poëzie van Emily Brontë. 

    Toen bleek dat er niet veel vertalingen voorhanden waren – en wat er was ook nog eens verouderd bleek – besloot de schrijfster zich maar zelf aan de vertaling van een aantal gedichten te wagen. Een klus die haar zodanig inspireerde, dat zij ook enkele verzen schreef in de sfeer van Brontë’s werk. In die zin had Anjet Daanje twee petten op; die van vertaler en die van dichter. Van beide taken mag gezegd worden dat haar inspanningen hebben geleid tot mooie en meer dan geslaagde resultaten.

    Ritme en rijm

    Uiteraard doet elke vertaler zijn of haar best zo dicht mogelijk bij de brontekst te blijven. Of dat ook altijd lukt, is een tweede. Zeker bij het vertalen van poëzie heeft men niet alleen te letten op inhoud, toon, woordkeus, maar ook op ritme en rijm. Daanje is het buitengewoon goed gelukt de structuur van Brontë’s gedichten, die zij terecht muzikaal noemt, trouw te blijven. Zelfs waar zij concessies heeft moeten doen om in het Nederlands een cadans te realiseren die recht doet aan het Engelse origineel. Het tellen van lettergrepen blijft nu eenmaal een punt bij poëzie, zeker als men daar in twee talen rekening mee moet houden.

    ‘Had I but seen his glorious eye
       ‘Once light the clouds that wilder me,
    I ne’er had raised this coward cry
       To cease to think, and cease to be;

    Had hij maar één keer zijn lichtend oog doen gaan
       Over de dichte nevel die mij omsloot,
    Dan had ik nooit zo laf mijn beklag gedaan
       En gesmeekt om de verlichting van de dood;’

    Doorweven draden

    Niet alleen qua vorm en structuur, ook voor wat betreft stijl en sfeer is Daanje dicht bij Brontë’s origineel gebleven. Dat geldt zowel voor de vertaling als voor haar eigen gedichten. Die zijn niet als een apart onderdeel bijeen geplaatst, maar lopen als een extra draad door het weefsel heen, daar waar ze thematisch het meest op hun plek zijn. Waar het gedicht ‘No coward soul is mine’ – vertaald als ‘Mijn ziel is van geest niet laf’ – eindigt met de volgende regels:

    ‘De Dood speelt geen rol waar u beschikt
     Niet één atoom dat voorgoed door hem wordt ontzield
     Want u bent hartenklop en levenssnik
     En dat wat u bent kan nooit worden vernield.’

    sluit Daanje aan met:

    ‘Gebouwd ben ik uit eeuwigheid
     Een dak van droom en droog
     Een fundering van onwetendheid
     Mijn wanden wolkenhoog

     Uitwendig gebroken gewit
     Geplamuurd en geschuurd
     Niet onontvreemdbaar mijn bezit
     Tot opzegging gehuurd’

    Romantische thema’s

    Terecht noemt Anjet Daanje Brontë’s gedichten modern voor de tijd waarin ze zijn geschreven. Wellicht vanwege de absolute eerlijkheid die Emily Brontë van zichzelf eiste, was haar schrijven zowel naar stijl als inhoud sereen en krachtig tegelijk, en bovendien van een enorme klaarheid. Vrij van de wolligheid, de krullerige overdaad waaraan menig negentiende-eeuwse dichter zich te buiten ging. Toch was Brontë op andere punten juist helemaal een kind van haar tijd. Ook in haar werk komen we de grote thema’s tegen uit de Romantiek: de dood, het sterven; het fysieke en het geestelijke – aarde en hemel, lichaam en ziel – en hoe die zich tot elkaar verhouden. Zowel in het groot als in het klein wordt hierover gedacht en gedicht: de vergankelijkheid van de natuur, de eindigheid van het menselijk leven in al z’n beperking, gebrokenheid en het lijden zelf, en wat er daarna komt.

    Het voor die periode zo kenmerkende rusteloze zoeken naar de staat waarin de mens het meest waarachtig zichzelf is: dromend of wakend, levend of dood. En in dat alles wordt door Brontë en veel van haar tijdgenoten gevraagd naar de plaats, de rol en de werkzaamheid van God, of op z’n minst toch van een goddelijke kracht.

    ‘Thus truly when that breast is cold
     Thy prisoned soul shall rise
     The dungeon mingle with the mould –
     The captive with the skies –

     Dus echt wanneer tot slot de Dood je vindt
     Slaat je gekooide ziel op de vlucht
     Zodat de kerker zich met het stof verbindt –
     En de gevangene met de lucht -‘

    Mystieke dichters

    Van de drie zusjes Brontë wordt Emily vaak gekenschetst als de meest spirituele. Niet geheel ten onrechte. Uit haar gedichten spreekt een diep en intens zielenleven dat mogelijk het resultaat is van een combinatie van factoren, al kan men zoiets achteraf nooit met zekerheid stellen. Het praktische gegeven dat zij niet getrouwd was en niet haar dagen gevuld zag met de zorg voor een huishouden en kinderen. Daarbij het feit dat ze een vrouw was en niet zoals haar broer en veel mannelijke tijdgenoten kon gaan studeren of zich anderszins academisch ontwikkelen, hoezeer ze dat misschien ook had gewenst. Vast staat wel dat zij over een filosofische inborst beschikte die nog verder gevoed werd door het feit dat zij als domineesdochter veelvuldig in contact kwam met religieuze literatuur en spiritueel gedachtengoed in bredere zin.

    Ongetwijfeld heeft dat bijgedragen aan de diepgang van haar schrijven, waarmee zij zich niet alleen onderscheidt van andere dichters van haar generatie, maar waarmee ze zich ook moeiteloos kan scharen in de reeks van mystieke schrijvers. Haar vragen naar de essentie van het leven, de zin van het bestaan; haar zoeken naar God en de wijze waarop zij dat verwoordt – deemoedig, liefdevol, compromisloos en integer tot op het bot – doen in niets onder voor sommige teksten van grootheden als Hadewijch en Augustinus. Vooral waar dat zoeken de beweging volgt van binnen naar buiten en weer terug; want waar kan God gezocht en gevonden worden, anders dan in de eigen, eeuwige ziel? En ook waar dat zoeken – zoals in elke persoonlijke ontwikkeling – gepaard gaat met het voortdurende gependel tussen angst en twijfel enerzijds, en vertrouwen en zekerheid anderzijds.

    Charlotte & Emily

    Van de Brontë’s is bekend dat zij een hechte familie vormden. Geheel daaraan getrouw, sluit Daanje haar bundel af met enkele gedichten van Charlotte Brontë en van haarzelf over deze oudere zus. Verbindend thema in deze gedichten is het sterven van Emily op dertigjarige leeftijd en wat dat met Charlotte heeft gedaan, ondanks de verschillen – en meningsverschillen zelfs – die er waren tussen beide zussen. Niettemin waren zij aan elkaar verknocht en liet Emily’s heengaan een leegte achter die Charlotte twee dagen na haar zuster’s uitvaart zo beschreef.

    ‘Ook weet je niet hoe het is om, zoals ik,
     Daar te liggen en met dof betraande blik
     Uit te kijken over levens bouwval.
    “Donker en koud en zo eenzaam, zo eenzaam,
     Hoe moet ik die sombere reis ooit doorstaan,
     Als jij me niet vergezellen zal?”‘

    Een zusterschap waarbij Anjet Daanje zich thuis moet hebben gevoeld, getuige de integriteit en fijnzinnige toewijding waarmee zij – als vertaler én als dichter – deze bundel gestalte heeft gegeven. Een prachtige aanvulling op haar roman. Maar ook als op zichzelf staand werk een fraaie aanwinst in dit genre.

     

     

  • Nog even geduld

    In 2010 realiseerde de Rotterdamse kunstenaarsgroep Observatorium het project ‘Warten auf den Fluss’. Dit vond plaats in het Ruhrgebied bij de rivier de Emscher, te Essen. Deze rivier was gekanaliseerd en sterk vervuild door zware industrie, maar sinds 2010 is er veel verbeterd door de bouw van waterzuiveringsinstallaties. Bovendien moest een natuurherstelproject de meanderende vorm van de rivier in originele staat herstellen. De strook grond tussen de Emscher en het er evenwijdig aan lopende Rijn-Hernekanaal werd veranderd in een natuurlijk aandoend gebied met ooibos en andere oevervegetatie.

    In het kader van deze ‘Emscherkunst’ heeft Observatorium een zigzaglopende brug gebouwd van achtendertig meter lang. Deze bestaat uit drie paviljoenen met loopbruggetjes ertussenin. Deze brug dient als een plek voor ‘productief wachten’, totdat de nieuwe rivier haar natuurlijke loop zal hernemen. De gehele installatie heet ‘Warten auf den Fluss’.

    In 2016 was de Duitse dichteres Barbara Köhler (1959-2021) een van die gasten die wachtten op het stromen van de rivier. Het uitzicht op de omgeving, de rust van het wachten en de omgang met internationale gasten brachten haar tot het schrijven van 42 gedichten als even zo vele vensters op de wereld. Deze gedichten zijn gebundeld onder de titel 42 vensters op Warten auf den Fluss en werden vertaald door Ton Naaijkens.

    Alle gedichten zijn geschreven in gelijke rechthoekige blokken van negen versregels met 62 tekens, alle van dezelfde breedte. Door deze experimentele vorm lopen de gedichten uitgelijnd van de linker- naar de rechtermarge van de bladzijde en ze symboliseren daardoor de brug die de rivier moet overspannen. De strenge beperking die de dichter hiermee zichzelf oplegt, dwingt tot reflectie, tot het terugschroeven van taal tot haar meest samengebalde zeggingskracht. De bundel is rustgevend, zoals wachten kan zijn. De gedichten zijn helder, meditatief in hun overpeinzingen en associaties. Köhler laat hier als waarachtig dichter zien wat taal vermag.

    Brug – overzetten – übersetzen – vertalen – versprechen – beloven – loven

    Voor de vertaler moet het een gigantisch werk geweest zijn. Dit ligt uiteraard aan de vorm, omdat het gedicht in het Nederlands niet altijd op dezelfde manier uitgelijnd kan worden, maar ook aan de verschillende talen die samenkomen: welke buitenlandse woorden vertaal je, welke laat je staan? Welke betekenis geef je aan een woord dat meerdere betekenissen kent, of in een andere taal iets geheel anders inhoudt? Köhler geeft aan dat het woord ‘hier’ in het Frans en het Nederlands een geheel andere betekenis heeft, en accentueert het woord ‘wacht’ dat zowel imperatief als zelfstandig naamwoord kan zijn. Ook speelt ze met ‘warten’ en ‘Gegenwart’ en het begrip ‘present’, dat tijd, aanwezigheid en geschenk kan betekenen:

    WIR HABEN GEWARTET, we hebben gewacht. We hebben ons herinnerd
    & we hadden de tijd. We hebben samen gegeten, gedronken, feest
    gevierd, gepraat, gezwegen; we zijn gaan slapen & gaan dromen.
    ’s Morgens werden we wakker & waren op ‘n andere plaats, in de
    tijd. En de tijd was vrij en we waren wakker, wach, we waakten
    & wachten – dat was een zonder-woord-gevoel: tegenwoordigheid,
    GEGENWART, in gesprek ook, met je tegenover: ’n tegengeschenk,
    tegenwoord, tegenwoordig. Present, geschenk & gift. Er was een
    woord voor, een bed voor een tijd en voor een rivier: gemaakt.
    
    

    Zelfs zonder kennis te hebben genomen van het origineel kan de lezer slechts concluderen dat Naaijkens op voortreffelijke wijze een titanenwerk volbracht heeft.

    Vloeiend stromen, vloeiend spreken, vloeiend sterven

    Köhler doet bespiegelingen over heden en verleden, de naderende dood en taal. Hiertoe laat zij zich inspireren door de brug, het natuurschoon eromheen en de stilte. Zoals de brug de oevers van de rivier verbindt, slaan de gedichten een brug tussen mensen en hun verschillende talen. Köhler zoekt nauwkeurig naar verbanden, overeenkomsten en verschillen in vooral het Duits, Nederlands, Engels en soms Frans. Ze onderzoekt de zogenoemde ‘Valse vrienden’, woorden die in twee talen dezelfde uitspraak en schrijfwijze hebben, maar van betekenis verschillen. Köhler maakt bezwaar tegen het begrip ‘vals’ met betrekking tot deze woorden, omdat ze juist een nieuw perspectief bieden op wat bekend en vertrouwd, of vreemd en afstandelijk is:

    DOOD is een echte Valse Vriend, wijst ook in het Nederlands op
    een grens in de tijd, in de ruimte, bis hierher: tot hier dus,
    as far as this & auf Wiedersehen: tot ziens, adieu, de mazzel,
    tot morgen: und bis morgen. So long, hoe zit ‘t, hoe lang nog?
    het eindigt en verandert, anders wordt het en wordt anders, ‘t
    kan veranderd worden, kan worden en weer worden – wat dood was
    of dood verklaard, aangeduid werd, tot morgen of overmorgen en
    onder andere: onder meer, among (but not under) others, elders
    en met anderen, (in of onder water?) ander leven: zonder meer?
    
    

    De dood, die ‘echte Valse Vriend’ vormt met het leven een paradox. Leven is namelijk een beetje sterven en andersom. De bundel is opgedragen aan haar vader, die in 2016 stierf. Eén aan hem gewijd gedicht fungeert als venster in de bundel. De dood wordt ook gekoppeld aan de Emscher, die eerst dood was en door het wachtende project herleeft. Rivieren zijn ‘grenzen die we als rivier waarnemen’, aldus Köhler. Rivieren lopen naar het dodenrijk, maar kunnen worden overgestoken door bruggen. Ze noemt hierbij specifiek de zigzagbruggen in Japan, die bedoeld zijn ‘om demonen te verwarren’. Bovendien liet de dichter al doorschemeren dat het leven een wachten op de dood is.

    Poëzie is pauzeren

    De gedichten filosoferen over taal, leven en dood. Het eerste en het laatste gedicht zijn in dezelfde bewoordingen geschreven en maken daarmee de cyclus compleet. De verschillen in beide gedichten zijn aan te wijzen in een verschuiving van verleden tijd naar tegenwoordige tijd en omgekeerd. Bovendien zijn de in het eerste vers uitgesproken verwachtingen uiteindelijk werkelijkheid geworden:

    WE HEBBEN GEWACHT: wir haben gewartet. Müde und wach en wakker
    en moe. We hebben tijd samen doorgebracht, waarheen? Wohin? Où
    or where to? Op ’n rivier, op ’n plek, in twee, nee drie talen
    speelden we het Waiting Game, ein Geduldspiel, speldden we uit
    wat zou kunnen zijn, worden, wat was. Wat wachten inhoudt, wat
    wat het was. Wie wij was, wie wachtte. Men wachtte op ons, wij
    werden onthaald, men had geduld met ons & had met ons opgeteld
    Geduld. En verloren we het geduld toen, aan wie en wanneer? En
    wat hadden we aan al dat wachten? En komt ons toe wat nu komt?
    
    

    Wachten en geduld hebben. Het zou een handleiding kunnen zijn voor het lezen van poëzie, voor de gedichten van Barbara Köhler: lezen, wachten en geduld hebben, tot haar taal bezinkt en verbinding maakt tussen wat je al wist en wat zij je laat zien.

     

     

  • Dichten geeft je vleugels

    Op de achterkant van Jane Leusinks zesde bundel Kraanvogels staat een verklaring van de titel: ‘Kraanvogels staan voor waakzaamheid. In de Chinese traditie dragen ze op hun rug de zielen van de doden. Bij Plinius plaatsen kraanvogels schildwachten als ze tijdens de trek uitrusten. Op een poot staand, met een steen in de andere, weten ze zeker waakzaam te zullen blijven.’ Dat doet denken aan een lied van de Dagestaanse dichter Razul Gamzatov uit 1969, Zhuravli, dat door Willem Wilmink vertaald werd als Kraanvogels. In dit lied zijn gesneuvelde soldaten kraanvogels geworden, die als ze voorbij vliegen ‘roepen uit lang voorbije tijden’ en die in hun midden een plaats voor ieder van ons vrijhouden.

    De boodschap van Gamzatov past wonderwel bij deze indrukwekkende bundel van Leusink, waarin aandacht wordt geschonken aan de doden van lang geleden, maar ook aan die van recentere datum, want ‘gebeurtenissen en verdriet vallen wonderlijk genoeg niet altijd samen’, zoals Leusink in de verantwoording achter in de bundel schrijft. In acht afdelingen, die cirkelen rond de thema’s geheugen, herinnering en de gestorvenen, staan korte en langere gedichten die met elkaar samenhangen. Voor een dieper begrip van de verwijzingen in Leusinks gedichten naar plaatsen, mensen en gebeurtenissen is veel achtergrondkennis en historisch besef noodzakelijk.

    Opdat wij nooit vergeten

    Zo bevat de eerste afdeling Dat we hier op aarde zijn, niet in het paradijs acht gedichten over het leven en de dood van Russisch-Poolse-Joodse voorouders ten tijde van de Pools-Russische oorlog van 1919-1921. Zij moesten vluchten voor het geweld en de pogroms. De gedichten zijn nadrukkelijk als een requiem geschreven, zoals de dichter aangeeft in de laatste versregels. Maar naast de dood gaat het ook hier om de herinnering, zoals immigranten haar vormgeven: ‘[…] En toch altijd / elders zijn, bijvoorbeeld aan de overkant. / het zijn in feite hopeloze hopers / die ook in de toekomst slechts herinneringen zien […]’.

    Deze afdeling is een aanloop tot de herinnering aan de doden die recenter overleden zijn en dus een ‘vers’ verlies voor de dichter betekenen. Leusink is weduwe, ‘[…] klampige weduwe / met dat hart, doorboorde spier die zich maar / niet trainen liet’, maar verloor ook een van haar dochters aan kanker. Deze dochter, Roos, hoedde een kudde schapen in de Pyreneeën waarbij de dieren steeds verplaatst werden. In De weg naar Andorra wijdt de dichter negen gedichten aan haar dochter, waarin ze het leven van haar dochter in Frankrijk probeert te reconstrueren.

    Zij trokken dat niet

    ‘De jongen sprak en zei, zich plechtig tot het dal wendend
    “Goedemorgen allemaal, ik stel u graag onze Noorse Victor
    voor, een blonde Fjord, naast hem ziet u Rodja, een blauwzwarte
    pony uit Mongolië, naast Rodja Roos uit Nederland
    ikzelf ben Chiel, wij heten u hartelijk welkom en dito
    vaarwel, u moet weten: nooit keren wij weer”.
    Samen duwden zij met kracht het stelletje moeders opzij, grote
    borsten, dikke billen stonden het uitzicht op deze roadtrip
     te belemmeren. Zij trokken dat niet –

    In het eerste gedicht van deze afdeling, Proloog, is er voor het eerst sprake van kraanvogels, die zien hoe de dochter als laatste metgezel aanhaakt bij hun vlucht, maar weer loslaat ‘boven de lokkende bergen vol beloftevolle kuddes / blijft van zichzelf’; haar vrijheidsdrang is gebleven. Ook de volgende afdeling, Wij, is een eerbetoon aan de gestorven dochter, maar nu is het de kudde die in negen gedichten een requiem zingt voor ‘haar om ons te leiden’. Het is ontroerend om vanuit het perspectief van de schapen te kunnen lezen hoe sterk de band tussen mens en dier kan zijn: ‘zij de herder onze honden wij de kudde rouwen / om onszelf om ieder van ons: verloren prooien’. Mooi.

    In de afdeling Natuur pakt ons op onze zwakste plek reserveert Leusink ruimte voor anderen: na voorvaderen en dochter te hebben opgevoerd, bezingt Leusink haar broer, vader, moeder en echtgenoot, met niets minder dan haar herinnering. Hoewel beeldmateriaal – zoals foto’s – helpt de herinnering levend te houden, staan de woorden vooral in dienst van het lichaam, dat nog altijd lijdt onder het verlies:

    Epiloog

    ‘Uit mijn kindertijd weet ik nog precies de zwanen in de vijvers van
    kasteel Biljoen, het brood dat mijn handen verkruimelden, het zout
    voor de schapen, wat mijn oma zei, mijn moeder, wat ik droomde
    er zijn ogenblikken dat het lichaam zo ontvankelijk is voor woorden
    dat het zeer doet.’

    Tempo doeloe?

    Het vasthouden van herinneringen domineert vele gedichten, maar ook de dood is sterk aanwezig. Die wordt doorgetrokken in de afdeling De kunst van het sterven op Bali, waarin de dichter refereert aan de strafexpeditie van het Nederlandse leger in 1906 in Denpasar op Zuid-Bali. De gouverneur-generaal Van Heutz eiste schadevergoeding van de vorst van Badung omdat de lading van een gestrande schoener door de bevolking geroofd zou zijn. Toen de vorst weigerde, dreef Van Heutz de zaak op de spits en op 19 september trok het leger op. De heilige tradities van Balinese vorsten schreven voor om jezelf nooit aan de vijand over te geven. Daarom besloten de vorsten met hun hele familie en volgelingen ritueel zelfmoord te plegen door de vijand tegemoet te gaan. Ze werden door Nederlandse leger onder vuur genomen nadat het bevel halt te houden werd genegeerd. Leusink leest hierover als ze op Bali verblijft en schrijft er een cynisch gedicht over:

    Wij en zij

    ‘Na een vroeg ontbijt van geurige, chewy, fluffy
     rijst las ik Bali verder over adat, gewoonterecht:
    de weigering van de vorsten te betalen voor
    het plunderen, het jutten, ja voor de totale
    kolonisatie door ja ons Nederlanders, ach ja
    onze gedegen door goud en geld gedreven tradities.
    Wie kent ze nog, wij kennen ze nog en delven, delven.
    Ik las daarna over die eeuwenoude hindoeïstische
    traditie: de schoonheid van het sterven (door je eigen
    krissen en lansen) boven de oneer van de dood
    door de kolonisator (met z’n geweren en vodjes
    papieren woorden waar niets in wilde trekken).
    Kon het romantischer?
    Zagen wij toen de tijd aan het werk, het onuitsprekelijke of
    Ik dacht aan een nieuwe staat van zijn.
    Ik vroeg: hoe kregen ze de rijen gesloten’

    Er gaat niets boven…

    Niet alle gedichten zijn doortrokken van de dood. De grote liefde die de dichter koestert voor taal komt tot uitdrukking in het gedicht Want in de taal ligt het hart van een volk over het Gronings en over K. (Kornelis) ter Laan, de samensteller van diverse woordenboeken en encyclopedieën. Taal is Leusinks passie, maar vooral lijkt de taal een instrument om afstand te kunnen nemen van de gebeurtenissen. Ze schrijft bedachtzaam en associatief, met een ‘taal van kleine woorden’. Toch is haar woede over zo veel doden, zowel verwante gestorvenen als onbekenden, voelbaar door de taal heen. Soms met ironie, soms met bitterheid lijkt zij naar aanvaarding te zoeken, waarbij haar gedichten zich uitstrekken door de tijd heen in een poging de herinneringen vast te houden. Haar parlando-achtig taalgebruik is beeldend en overdacht, ook daar waar zij bewust de regels van de grammatica links laat liggen en zinnen, zelfs het complete gedicht, plotseling afbreekt:

    ‘wij zoeken ons kroost en andersom een jong schaap
    weet de weg nog niet behoeft een kudde om te volgen
    zij behoeft een kudde als wij zien onze dag nu geheel
    ten einde zij ons flessenlam vanavond trakteert
    op warme opgeloste poedermelk in slaap valt
    tussen ons in onze stront in als we allemaal
    allemaal samen de schuur in in’

    Om ons vervolgens als ‘flessenlammeren’ te laten smachten naar meer van haar woordkunst. Leusinks verzen zijn als het leven, dat abrupt onderbroken wordt door de dood. Juist daarom leeft haar poëzie des te meer.

     

     

  • Wij roeien ruggelings naar later

    Veel van wat Marjoleine de Vos schrijft in haar laatste bundel roept associaties op met de misschien wel meest bekende uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: Het leven kan alleen achterwaarts worden begrepen, maar moet voorwaarts worden geleefd. Waarbij moet worden opgemerkt dat we ons bij dat ‘begrijpen’ niet al te veel moeten voorstellen. Want daar gaat het bij de gedichten in Hoe verschillig regelmatig mis. Er valt weinig te be-grijpen of te be-vatten. Was het maar zo simpel. Niet voor niets koos De Vos voor een motto van de hand van collega-dichter Hans Tentije.

    dat het verleden nooit voorbij is
    maar zich ergens anders bevindt –
    in de leemten, de wijkplaatsen van herinneringen en vergeten

    Na de vragen of dat verleden nu wel of niet voorbij is, en waar het zich dan zou bevinden, rijzen er meteen nieuwe vragen. Is dat verleden wel zo eenduidig als wij vaak – en graag – aannemen? Wat hebben we aan onze herinneringen als dat verleden zich zo moeilijk laat kennen en bewaren?

    Odysseus & Penelope

    Hoe iets of iemand door de tijd verandert, wekt nogal eens verbazing en verwondering, en niet zelden zelfs verwarring. Des te meer als we dat iets of die iemand al langer niet hebben gezien. We zijn dan immers geen getuige geweest van de veranderingen die in de tussentijd hebben plaatsgevonden. Daarbij speelt mee dat de dingen in het echt toch altijd anders gaan dan in de voorstelling die wij er in onze verbeelding van maken.

    Je bent het denk ik wel, ik ken je wenkbrauwboog
    de welving van je voet, ik houd zo pijnlijk veel

    van wie je was in mij, van mijn geweven beeld
    dat niet is jij, die man hier, slapend, aan mijn zij.

    Valt er nog wel iets te herkennen als de periode van afwezigheid te lang heeft geduurd. Is de band, opgebouwd uit de unieke, intieme details en honderden herkenbaarheden van allerlei aard, is die band, dat bij-elkaar-horen op zeker moment niet over z’n kantelpunt heen? Wat valt er nog bij te praten als je zo lang geen getuige meer bent geweest van elkaars leven; als je allang niet meer diegene bent die je toen was? Wat heeft het dan nog voor zin?

    Een weemoedig besef, dat niet alleen wordt benoemd in het eerste deel, Odysseus keert niet terug, maar ook in de andere drie delen van de bundel: ‘God doet de rest’; ‘Gedichten zeiden dat alles voorbij moest gaan; ‘Het mooie overhemd weer aan’.

    Dat gezicht van je

    De motieven uit de Griekse mythologie waar De Vos vrijelijk mee speelt, zijn ook zonder voorkennis op dat gebied goed te verstaan, omdat het telkens weer gaat om thema’s die ten diepste menselijk zijn. In alle grote literatuur – van bijbel tot Shakespeare – komen we ze tegen: verlangen en gemis, het gereis en gezoek naar waar en bij wie men thuis is, liefde, dood, verraad, of menen te worden verraden. En de ultieme desillusie: dat wie denkt met de tijd te kunnen spelen altijd aan het kortste eind trekt.

    Voorbije uren, dagen, jaren keren nooit meer terug, en de geliefden van wie we ooit afscheid namen meestal ook niet. En mocht die geliefde toch wel terugkeren, dan is het hoe dan ook niet meer de man, de vrouw van wie we eertijds de laatste aanblik in ons geheugen hebben vastgezet.

    We praten maar. We wisten niet
    dat dit, dit tasten zoeken wijken
    dat dit is wat er rest. Dit ben jij nog
    een pen die krast over papier.
    Ach dat gezicht van je.
    Ik krijg het niet meer hier.

    Waarmee zich de volgende valkuil aandient. Hoe betrouwbaar is ons geheugen eigenlijk? Niet zo erg betrouwbaar, en dat betreft niet alleen de vertekening die optreedt naarmate de tijd verstrijkt. Meteen al bij het inprenten gaat het mis. We slaan die beelden van onze geliefden tenslotte niet voor niets op. Als het ons niets kon schelen, zouden we immers ook geen moeite doen om iets van hen vast te houden. Maar het kan ons wel degelijk iets schelen. Of nu ons kind voor het eerst alleen op de fiets naar school gaat, ons vriendje een tussenjaar neemt en gaat backpacken aan het andere eind van de wereld, een partner op missie gaat in oorlogsgebied, we slaan dat beeld op omdat we rekening houden met de angstige mogelijkheid dat hij of zij misschien wel niet meer terugkeert.

    Wat de aanleiding ook is, het opslaan van zo’n innerlijk beeld is allerminst een neutrale handeling, maar van meet af aan beladen met emotie van welke soort dan ook. Daarmee zijn ook onze opgeslagen herinneringen per definitie gekleurd. Persoonlijk, uniek, niet uitwisselbaar, en valt dus ook niet te controleren of en in hoeverre dat beeld wel klopt met het gegeven dat eraan ten grondslag ligt.

    Onnozel wie zichzelf vertrouwt

    Dergelijke op voorhand gekleurde, beladen en belaste beelden beschrijft De Vos. En wel op zo’n cryptische wijze dat je je als lezer meermaals afvraagt: hoezo herinnering? Is er eigenlijk wel iets gebeurd, of is zelfs dát een illusie? Een onvast gevoel dat nog wordt versterkt door de rafelige, onafgemaakte zinnen. Alsof zelfs de taal aarzelt of deze gebeurtenissen wel echt hebben plaatsgevonden en echt genoeg zijn om te kunnen worden vastgelegd.

    En jij, hoe leef je nu je onbereikbaar bent.
    Denkt nog aan mij, voert kleine riten uit
    rond wat er rest: een schoen, bikini
    die ik ooit, een handgeschreven zoen
    sieren de leegte die ik achterliet.
    Ben ik het uitgespaarde gat in je bestaan.
    Een door jou zelf geschapen vrouw.

    Op enkele verzen na die niet zozeer qua stijl als wel qua diepgang uit de toon vallen – te lollig, te gezocht, te voor de hand liggend – is het merendeel van deze bundel van een toon en inhoud die beklijft. Ook als het boek allang dicht is, blijft men in het eigen hoofd bezig met wat zich daar in de loop der jaren allemaal aan herinneringen heeft opgestapeld, en bevraagt men de betrouwbaarheid daarvan. Was hij wel echt zo knap? Was die vakantie eigenlijk wel zo heerlijk? Heb ik het me niet gewoon verbeeld?

     

     

  • Roelof ten Napel krijgt De grote Poëzieprijs toegekend

    Vrijdagavond 13 mei werd in het radioprogramma Opium op NPO 4 bekend gemaakt dat De grote Poeziëprijs werd toegekend aan Roelof ten Napel voor zijn bundel Dagen in huis.

    De jury van de Poeziëprijs had negentig bundels te beoordelen waarvan er vijf op de shortlist terechtkwamen. Naast Roelof ten Napel met Dagen in huis, waren dat Piet Gerbrandy met Ontbinding; Sasja Janssen met Virgula; Tijl Nuyts met Vervoersbewijzen en Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen. De jury vond de bundel Dagen in huis een feestje om het leven te vieren en prijst daarbij de poëzie in het algemeen, ‘die weer eens bewijst een huis te kunnen zijn, met ruime, lichte kamers, voor al wie er onderdak zoekt’.

    Uit het juryrapport: ‘Ten Napel is een dichter die tegelijkertijd ook schilder, beeldhouwer, fotograaf is. Hij schrijft vanuit een bezield perspectief, waardoor zijn observaties nergens afstand scheppen, maar vaak juist iets tactiels en soms zelfs intiems hebben. Het huis uit de titel bijvoorbeeld, is ook op te vatten als ons lichaam, of dat van een ander: “Als we ons medeleven verbeelden als verplaatsen-in,/ hebben we dan van de ander geen huis gemaakt?”’

    Het in huis zijn wordt letterlijk vergeleken met ‘in leven zijn’ wat tegen de achtergrond van een pandemie onnadrukkelijk maar onoverkomelijk nog eens aan betekenis wint, schrijft de jury.

    Van dichter, prozaschrijver en essayist Roelof ten Napel (1993) verschenen, naast Dagen in huis, de bundels In het vlees (2019) en Het Woedeboek (2014), alsook de romans Een zoon van (2020) en Het leven zelf (2017).

    De jury van De Grote Poëzieprijs 2022 bestond uit, Elke Brems, (hoogleraar Letterkunde KU Leuven); Vicky Francken, (dichter, vertaler, redactielid tijdschrift Awater); John Jansen van Galen, (journalist); Maarten Moll, (schrijver en journalist) en Xavier Roelens, (dichter en poëziedocent).

    Aan De Grote Poëzieprijs 2022 is een bedrag verbonden van 20.000 euro.  Dagen in huis verscheen bij uitgeverij Hollands Diep in  2021.

     

     

  • Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Er is over geen onderwerp vaker geschreven dan de liefde. Je moet als schrijver of dichter van goeden huize komen om aan al het geschrevene wat toe te voegen. Liefde is het hoofdthema van de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreira. Ze publiceerde tot nu toe drie dichtbundels en een dichtbundel met eerder afzonderlijk verschenen gedichten. Vertaler Harrie Lemmens maakte hier voor deze bloemlezing een keuze uit die in 2020 verscheen onder de titel Scherven. Het betreft een tweetalige editie, die smaakvol is vormgegeven. Do Rosário Pedreira (1959) studeerde letteren, gaf een paar jaar les op een middelbare school en werkt op de afdeling fictie van één van de grootste boekenconcerns van Portugal, Leya. Ze schrijft haar hele leven al gedichten, maar publiceerde vrij laat. Lemmens schrijft in zijn nawoord dat ze door haar collega-uitgevers werd overgehaald om gedichten in te zenden voor een prijsvraag, die ze won. De eerste prijs was een uitgave in boekvorm. Het kenmerkt haar bescheidenheid die je terugziet in het ingetogen karakter van de gedichten. 

    Narratief karakter

    In de vijfendertig opgenomen gedichten komen verschillende facetten van de liefde aan bod en dan vooral de pijnlijke kanten ervan: de hunkering naar de ander, de verlatingsangst en het gemis. De gedichten hebben een narratief karakter. Hoewel ze zijn ingedeeld in strofes lopen de zinnen vaak door op de volgende regel. Het is makkelijk verstaanbare poëzie met een grote ritmische kwaliteit.  Do Rosário Pedreira is duidelijk gepokt en gemazeld in de literatuur. Menig overbekend romantisch thema komt voorbij, maar tegelijkertijd weet de dichteres goedkoop sentiment te vermijden. Dat doet ze door het hanteren van een heel persoonlijke, aardse stijl. Naast de verheven en subtiele gevoelens zet ze de nuchtere feiten van de alledaagse werkelijkheid:

    ‘De wind zegt dat het hoogtij vannacht niet slaapt.
     Ik wacht bang op je terugkeer: de golven hebben
     het kleinste strand al opgeslokt en algen gemorst
     in de bloempotten op het balkon. En naar het heet
     herbergden de pleinen in de stad vanmiddag tientallen
     meeuwen die pikkend achter de duiven aan zaten.’

    Verder zijn de Portugese saudade en fado sterk aanwezig – Do Rosário Pedreira schrijft ook liedteksten voor onder andere fadozangeres Ana Moura. De regels ademen gevoelens van heimwee en verlangen; het noodlot (fatum) ligt altijd op de loer:

    ‘Het was de slaapkamer van geen van ons,
     maar we keerden er telkens naar terug met de haast
     van wie hunkert naar de oude warme geuren van het
     bekende huis; van wie hoopt dat iemand op hem wacht.

     ik vermoedde echter dat ik het niet was op wie je wachtte:
     en ik vroeg je om een extra deken in plaats van om je arm.’

    Deze regels weerspiegelen zowel het verlangen naar de geborgenheid van de liefde – gesymboliseerd door ‘oude warme geuren’ en ‘het bekende huis’ – als het verraad dat op de loer ligt. Deze tegenstelling komt meerdere malen terug. 

    Persoonlijke en eeuwige

    Behalve in besloten huizen en kamers – decors van geluk en eenzaamheid – spelen haar gedichten zich ook vaak in de natuur af: op het strand, aan zee. Het persoonlijke en het eeuwige vallen dan mooi samen:

    ‘We hielden allebei van de kliffen, de uitgesneden rotsen,
     het grillige verloop van het voorgebergte; alle plekken die
     net als eilanden afgesleten worden door de wind en de zee.

     Er hing die nacht geen mist. Er was alleen het doffe licht
     van een vuurtoren dat de sterren tergend doofde. Je zei
     bijna niets om geen overdonderende innerlijke stilte
     te schenden. En je streelde voor het eerst mijn borsten
     alsof je daar voor altijd bang voor zou zijn.

     Je verliet het strand zodra de eerste visser kwam:
     de eerste lantaarn,
     het eerste net.’

    Do Rosário Pedreira weet de teerheid en kwetsbaarheid van de liefde heel precies te beschrijven. De tijd die erdoor verdwijnt of ondraaglijk lang wordt. Het geluk kan zo weer voorbij zijn. Door de orginaliteit en authenticiteit komen de gedichten fris en nieuw over. Het zijn de trefzekere beschrijvingen van gevoelens en de precieze keuze van haar beelden, die de gedichten schoonheid verlenen. 

    ‘Nu is het lichaam meer een boot die losraakt.
     Eerst varen de ogen en de angsten erin weg.
     Pas daarna geeft het vlees van de vingers, op
     drift, de golven van die zee hun smaak.’

    Spiegels en scherven

    De zomer speelt in de zinnelijke gedichten een belangrijke rol. Het jaargetij waarin de zintuigen het meest bediend worden. Ze roepen de typisch mediterrane sfeer op van lome warmte en genot. De volgende regels zullen voor lezers heel herkenbaar zijn: 

    ‘De zomer maakt mijn ogen trager boven de boeken.
     De middagen herhalen zich op het terras, waar de woorden
     kleine geheugenplekken zijn. Ik ben gescheiden van de
     anderen door de tijd tussen deze regels – ver van huis
     heb ik dromen die ik niemand vertel […]’

    Het is niet vreemd dat boeken in de gedichten van deze beroepslezeres en uitgeefster een belangrijke rol spelen. Ook andere elementen komen meerdere malen in de gedichten terug en geven eenheid aan haar poëzie: spiegels die de pijn weerkaatsen, aan scherven vallen (zie de titel van deze verzamelbundel), schaduwen, wonden, kamers, kleding, boten. De herinnering, die de liefde vaak is geworden, is een belangrijk motief. Ook de dood komt in enkele gedichten aan bod: geen gemis pijnlijker dan door de dood. De taal is daar kaler dan ooit: ‘Ik voel/de pijn op de herinnering aan/jouw lichaam in het bed liggen dat/open is gebleven als een wond. En/zonder reden herhaal ik voortdurend/met mijn vermoeide lippen die naam/die ik nog altijd bij haast alles mis.’

    Het blijft moeilijk om liefdesgevoelens in gedichten te vangen, zegt Do Rosário Pedreira ergens: ‘Mijn liefde past niet in een gedicht – er zijn van die dingen / die zich niet overgeven aan de geometrie van deze wereld; / ze zijn als de delen van een geheel die niet bij elkaar passen / of slaapkamers die niet worden ingevuld door de gebaren.’ Toch slaagt zij er hier glansrijk in. De herkenbare thematiek en de persoonlijke toon maken haar poëzie sympathiek. Vertaler Harrie Lemmens heeft haar precieze taal even trefzeker in het Nederlands omgezet.

     

     

  • Extase, chaos en hoop

    In haar tiende bundel Tulpenwodka neemt Astrid Lampe de lezer mee in een achtbaan, die in verschrikkelijke vaart langs een aantal aspecten van de huidige samenleving raast. Niet alleen omvatten deze elementen de coronacrisis en -lockdown, maar ook de klimaatverandering, de verhouding van de mens tot de natuur en de wedloop naar de ondergang van de aarde. De aarde wordt als Gaia gepersonifieerd en het is de bezorgdheid om deze lijdende aarde die de gedichten aanstuurt. Deze bezorgdheid uit zich onder andere in het signaleren van allerlei problemen waar onze maatschappij mee te maken heeft: niet alleen de pandemie, maar ook het seksisme waartegen de #me too-beweging zich te weer stelt, het racisme, de vluchtelingenproblematiek en de veronderstelde maakbaarheid van de moderne mens. Het laatste laat zich ook aflezen aan de foto op de voorkant: een meisje dat haar haren versierd en verlengd heeft met een vlecht van kunsthaar met bloemen erdoorheen: de mens herschept zich met behulp van kunstmiddelen zoals botox en borstvergrotingen en DNA-ingrepen, om er vervolgens een selfie van te maken op Instagram. Dat is de wereld geworden zoals Lampe ons die schetst in haar verontrustende gedichten: een valse, kunstmatige wereld die vervormd wordt door sociale media en internet.

    Dronken poëzie

    Lampes gedichten denderen over de lezer heen, zonder titels, zonder afdelingen, zonder leestekens, met een veelheid aan opeengestapelde en door elkaar gegooide beelden. Ze vormen zo een geheel en zorgen voor eenheid in de bundel, als de afzonderlijke wagentjes van dezelfde eerder genoemde achtbaan. De gedichten zijn veelal associatief verbonden, met kort geschetste scènes, fragmenten van zinnen die bij elkaar gezet zijn. De actuele beelden die Lampe oproept, buitelen door de gedichten in een schijnbare chaos:

    ‘na iedere facebookpost: handhygiëne
    het qwertytoetsenbord
    bleef van schubben verschoond

    de knuffel die je steelt houdt ons in lockdown
    boomwortels breken door het asfalt pantser heen

    de zonnebril van de influencer is overtuigend 3d
    niet alleen het klimaat is van streek

    in het wild uitgezet
    blijft de paringsdrift gemonitord
    het geritsel snelt op gelede insectenpootjes vooruit het is

    gaia die ons inplugt
    dit oeroude immuunsysteem weet met onze dat wel raad

    de beek glijdt af
    de panterprint sprint weg van de dood
    de loeiende stadssirenen zijn in dit gedicht het verse bushmeat
    de natuur die zich opricht

    een keihard verdienmodel’

    Bepaald geen slaapmutsje…

    Hoewel de dichter ook grappig kan zijn met haar taal (‘via het kattenluik ontsnappen aan de paillettenjurk van de / poezenmoeder’) en het gebruik van zelfverzonnen woorden, overheerst de dreiging van het Armageddon in de gedichten. De drang om te overleven en het verzet tegen een dystopie als maatschappij zijn echter ook prominent aanwezig in gedichten waarin mensen zich gedragen als guerrillastrijders in een cyberoerwoud, die ‘verboden in de wind slaan’ en ‘[…] met een egel op schoot het algoritme (…) verstikken / voor definitief’. Hier en daar flakkert een sprankje hoop, mensen leren zich aan te passen om te overleven of doen moeite om terug te keren naar het leven van vroeger.

    Lampe schrijft geen gemakkelijke poëzie. Het tempo is heel hoog. Lampe verstopt het rijm, dat bijna nooit eindrijm is, in de versregels. Ze vervlecht veel Engelse woorden in haar gedichten, samen met neologismen en zelfbedachte woorden, waardoor ze de actualiteit treffend kan beschrijven. De vaak vreemde associaties, die lang niet altijd te herleiden zijn tot hun oorsprong, laat staan te volgen. De dwingende stroom van beelden en woorden, ze overspoelen de lezer die snakkend naar adem de bundel moet wegleggen, omdat alles achter elkaar lezen de werking van een draaikolk heeft. Je wordt erin meegezogen en je komt er niet meer uit. Het is te veel. Toch fungeert de overdadigheid als een spiegel voor onze verwarde maatschappij, waardoor Lampes overvloed als krachttoer mag gelden. Ook nu de coronacrisis bezworen lijkt te zijn en de absurditeit, waarvan we nooit hadden kunnen denken dat die de dagelijkse werkelijkheid zou worden, weer wegebt, blijft er nog genoeg over om je zorgen over te maken. Had Lampe deze bundel in 2022 geschreven, dan had de oorlog in Oekraïne er vast en zeker een plaats in gekregen.

    Nu de coronamaatregelen zijn opgeheven, gaan we gewoon weer verder: ‘je mag weer aan me zitten’ en ‘het mantelpak van de minister is weer terug van de stomerij’.

    […]

    ‘na mens-erger-je-niet
    zoeken we een ander gezelschapsspel
    toe wees eens lief
    het huiswerk schiet erbij in
    een boze boer tuft de heuvel op
    ik speel viool
    spring in de houding
    na militaire interventies delen we het land op
    langs raciale lijnen een vlecht gaat naar het goede doel de echte meisjes mogen
    blijven
    we spelen lockdown
    en nu beschaafd
    […]’

    Het is bezwerende poëzie, die uit de mond van een sjamaan of die van Cassandra zou kunnen komen: onheilspellend en dreigend, maar bovendien niet altijd even duidelijk. Dat is niet erg, de sinistere sfeer die de gedichten scheppen, is voldoende om te begrijpen waar het over gaat. De vaak korte, staccato-achtige zinnen en herhaalde doembeelden roepen een trance op die lijkt aan te sturen op een climax, een uiteenspatting van de aarde en het menselijk leven. Die blijft gelukkig uit. Er lonkt zelfs een belofte van betere tijden:

    ‘[…]
    nu of nooit: maak je kleine little pony
    (jij lila stuiterbal)
    het lukt je
    met het talent dat je vleugels geeft
    aan je bijensterfte te ontsnappen’

    Geen leesvoer, maar leesdrank

    Voor wie het niet heeft opgezocht: tulpenwodka blijkt echt te bestaan. In Katwijk wordt deze exclusieve drank sinds 2014 gemaakt. Een fles goede tulpenwodka wordt gedestilleerd uit 350 biologisch geteelde tulpenbollen en kost 295 euro, maar er zijn ook goedkopere uitvoeringen. De reclamecampagne stelt: ‘De Dutch Tulip Vodka refereert aan het ‘Nederland-gevoel’, dat momenteel heel sterk is tijdens de coronatijd.’

    Dat zou een reden kunnen zijn waarom deze bundel zo heet. Maar Lampe kan met de titel van haar bundel ook heel goed aan iets anders gerefereerd hebben. Wie haar gedichten leest, mag er het zijne van denken.

     

     

  • Gecontroleerde melancholie met comfortabele pasvorm

    De  bundel  Enfin verscheen ter opluistering van het vijftigjarig jubileum van Anton Korteweg (1944) als publicerend dichter en bevat vijftig gedichten. Niks geen Romantic Agony (1971), was de titel van zijn poëziedebuut, waarin met enige distantie en in ironische stijl gevoelens worden beschreven, met vaak verouderde, poëtische clichés. Met verwijzingen naar de oude dichters die in goed lopende regels uitgespeeld worden tegen de weinig verheven gang van alledaagse gebeurtenissen. Alles met een knipoog uiteraard. Op dit soort poëzie paste het etiket van ‘nieuwe romantiek’ met soortgenoten als Gerrit Komrij en Lévi Weemoedt. Maar ondanks zijn toespelingen op andermans werk, bezit Korteweg wel degelijk een herkenbare eigen stijl. Een stijl waarin hij bij voorkeur sluipenderwijs, en anekdotisch in parlando, met een soms archaïsche schijnbeweging, zijn doel treft.

    In zijn met regelmaat verschenen bundels uit de afgelopen halve eeuw heeft Korteweg zijn neoromantische veren niet afgeschud. Deze bleken uitermate geschikt om zijn – met het vorderen van de leeftijd toegenomen – ongemakken voor het voetlicht te brengen. In Enfin lijkt de tekening van alledaags ongerief even op de vleugels van onder meer Nijhoff, Bloem of Gorter mee te liften om uiteindelijk niet echt van de grond te komen. Maar in plaats van ontnuchterd en gedesillusioneerd achter te blijven, koestert Korteweg zijn gecontroleerde versie van melancholie.

    Man zonder problemen

    De werkelijkheid is zelden zo prozaïsch of er valt nog wel een gedicht van te maken. In ‘Een ding van schoonheid maakt je blij. Voor even’, de titel van de tweede afdeling, wordt Keats’ onvergankelijke regel ‘a thing of beauty is a joy forever’ de maat genomen. Korteweg basht met plezier zo’n verouderd romantisch ideaal. We leven in een onvolmaakte wereld maar zijn er niet minder tevreden om. Nergens wekt Korteweg de indruk dat hij liever met een jong gestorven romantische dichter had willen ruilen. Misschien is het meer een soort ‘guilty pleasure’ van eens niet gebukt te gaan onder die armzalige, tekortschietende alledaagsheid. Korteweg komt er eerlijk voor uit dat hij een man zonder veel problemen is, ‘doorgaans welgemoed’. Iemand die zijn zegeningen telt als hij in een gedicht de kleine dissonanten in het leven in passende woorden heeft ‘kaltgestellt’. 

    Soms op het zelfgenoegzame af. Enige koketterie met oudemannenkwalen als ‘twee brillen, gehoormachientjes’ en stramme ledematen is hem niet vreemd. Toch komt men ook te weten dat hij nog aardig wat aftrapt op zijn fiets. Behalve zijn conditie houdt hij hiermee ook zijn poëzieproductie op peil, want vielen  hem niet met het ritme van de pedalen zijn versregels in? Enfin, alles misschien een tandje lager nu, maar het hoeft ook niet veel te zijn. Zijn achternaam getrouw zoekt hij het niet in het verre en weidse, maar in wat voorhanden is. Met  huis-tuin-en-keuken tips en wijsheden als een koe houdt hij zich op de been getuige gedichtentitels als: ‘Bij het in de herfst om de twee weken op donderdag aan de straat zetten van onze vuilnisbak’; ‘Over wat ik beter hoor met een apparaatje achter ieder oor’; ‘Over het geduw van Verleden de ene kant op en van Toekomst de andere’ en ‘Hoe je je laatste levensjaren als het een beetje meezit nog heel aardig door kunt komen’.

    Fijne pen

    Soms krijgt de lezer wat meligheid te verstouwen en mijmert Korteweg over een gehoorapparaat met een ‘filter ingebouwd (…) dat lulkoek tegenhoudt.’ Of zoals in het gedicht ‘Brasserie Streek’, de indruk wordt gewekt dat hij er zijn genoten maaltijd heeft mogen afrekenen met een stante pede geschreven vers.  ‘Het dagmenu is duif vooraf, dan hert of kabeljauw; / in Streek te Culemborg doen ze niet flauw. / Gekrijt op een zwart bord geven twee glazen wijn / te kennen liever vol dan leeg te zijn.’ Maar dat zijn gelukkig uitzonderingen. Over het algemeen weet zijn fijne pen uit het niets haast, nog steeds de juiste woorden te vinden: ‘komt een keurige dame, / fijn mens, top bereikt,/ toch eenvoudig gebleven, / op me afgestapt.’ Met weinig wordt een vrouw toch optimaal verbeeld.

    Behalve dat de vier afdelingen van Enfin voorafgegaan worden door een strofe of gedicht van respectievelijk Minne, Bloem, Paaltjes en Sontrop kent deze bundel ook toespelingen op onder andere De Schrift, Kloos en Kopland. Daarnaast ook wat verzen die geënt zijn op beeldende kunst, waarvan enkele zwart/wit afbeeldingen zijn opgenomen. Echter, het meest gewaagde – want #metoo-angehauchte – schilderij dat Korteweg ter sprake brengt, Thérèse Dreaming van Balthus, waarin de dichter zich vereenzelvigt met de man ‘die genadeloos bij haar naar binnen kijkt’ moet het zonder plaatje doen. 

    Het zit ‘m in de bijvangst

    Het rake wat deze gedichten te bieden hebben, bieden ze meestal terloops aan, als bijvangst in plaats van uitsmijter. Zoals in het gedicht ‘De sliert der geslagenen’, waarin Korteweg in de trein bedenkt dat een zijn treinstel betredende medereiziger met hazewindhond, beter af zou zijn met een vrouw in plaats van met een viervoeter, want: 

    Zit het mee, merk je op den duur
    niet eens dat ze niet in huis is
    als ze niet thuis is. Het huis
    voelt dan even lekker warm aan.
    Met een hond krijg je dat niet gedaan.

    De bundel sluit waardig af met een zonder meer naar metafysische troost hakende gedicht dat de beroemde slotregels uit het gedicht Herbst van Rilke als motto draagt: ‘Und doch ist einer welcher dieses Fallen / unendlich sanft in seinen Händen hält’.

    Zeef ‘De Tijd’

    We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
    -met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit –
    geschudde zeef in iets wat er niet is
    en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
    klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.

    Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
    er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
    oneindig teder in zijn handen houdt.

    Dit neo-romantische gedicht toont de gespletenheid tussen de alledaagse werkelijkheid en de verheven versie van de Grote Dichters van Weleer. Niettemin biedt het troost voor wie er troost in ziet. Elf ‘kwaaltjes’ mankeren naar eigen zeggen deze dichter. Al met al kunnen de gedichten uit Enfin er, net als hun geestelijke vader, nog aardig mee door.