• De geliefde die wel of niet blijft

    Wat is een allesverzengende liefde waard in een wereld die ten onder dreigt te gaan aan onverschilligheid ten aanzien van de natuur. Voor Yentl van Stokkum lijkt het een samengaan van twee grootheden, de liefde en onze natuurlijke omgeving. Ze vertaalt deze in dichtvorm zodat de verbinding goed voelbaar is, alsof het een niet zonder het ander kan bestaan. Liefde betekent vooruit voelen, de verwachting aanwakkeren van een toekomst vol passie en romantiek. Natuur staat in de achteruitversnelling, een aankondiging van afbraak die ons te wachten staat als er niets gebeurt om het tij te keren. Van Stokkum weet beiden te verwoorden als een onlosmakelijke twee-eenheid, de tegengestelde richting draagt juist bij aan de boodschap die ze hiermee afgeeft. In het eerste gedicht wordt op luchtige wijze een introductie gegeven:

    ‘alles wat volgt is een leugen
     til niet te zwaar

     (taal is niet gemaakt om te dragen haha)

     maar liefste dit is waar wij zijn begonnen
     midden in de pit van een zonsondergang

     (vermoeide zucht)

     warm en koel tegelijk
     daar gaan we
     terwijl het verdwijnend licht de vingers
     over jouw ruggengraat laat lopen’

    Het is de aankondiging van een naderend einde. De dichter praat onafgebroken tegen en over een geliefde, waarbij ze langzaam lijkt toe te werken naar een onvermijdelijke scheiding. Er worden oorzaken gezocht, verontschuldigingen gemaakt en twijfels geuit, maar het afscheid hangt al vanaf het begin in de lucht. Een afscheid dat verdrietig maakt en tegelijkertijd als een rationele transactie ondergaan lijkt te worden.

    Complex bouwwerk

    En ook de natuur moet eraan geloven. Van Stokkum stapelt het liefdesdrama laag voor laag op, afgewisseld met het natuurlijke verval. Er ontstaat een complex bouwwerk dat gestut door een zoekende toon overeind blijft. De stijgende zeespiegel, afbrokkelende ijskappen, weersextremen, alle vormen van kwetsbaarheid in de natuur worden aangehaald en in verband gebracht met de breuk in een liefdesrelatie.

    ‘maar even hè heb je de bomen zien buigen
     heb je gezien hoe een heel bos kan buigen
     we zijn nog niet in het stormseizoen beland
     voor het gemak vergeet ik wat moet komen
     druk een gebed op jouw schouder
     het weer slaat om

     niet ik die al het morgenrood de hemel in spuwt
     asdeeltjes maken zich los uit mijn longen
     schillen van granaatappelpitjes en de stelen van kersen
     die ik opknoopte met mijn tong
     ik laat alles los’

    De gedichten slingeren zich schijnbaar onafgebroken over de pagina’s. Een relaas op zoek naar een uitlaatklep. Er is geen interpunctie, er zijn geen beginkapitalen en de lange titels houden het midden tussen een aankondiging en een eerste regel. Het is de voortstuwende gedachtegang die de worsteling van het moment goed weergeeft. De dichter gebruikt deze vorm doeltreffend, een onheilsboodschap om het einde in te luiden.

     Tuurlijk had ik hem graag gehouden 

     al was het maar voor de fluorescerende nachten
     waarin hij me vastpinde in bed
     de zon ging maar niet onder
     ik had het amper in de gaten
     ik lette niet op die giftige gloed
     zelfs de vogels waren stil

     hij pelde mijn benen uit elkaar twee sinaasappelpartjes
     en al dat vocht hij likte het op en ik had hem graag gehouden
     ook al kende ik onze houdbaarheidsdatum alleen ik
     hield die in de gaten ik telde
     onze dagen
     het zou kunnen dat ik liever niets aan toeval overlaat

     Natuur en mensheid

    De onstuimige intimiteit valt samen met de benoeming van alles wat er fout gaat in onze natuurlijke omgeving. Van Stokkum weet die grootheden prachtig te combineren en tot één boodschap te vervlechten. Het is indringend door de doorlopende urgentie, het ritme in de taal en de genuanceerde wisselwerking tussen het strikt persoonlijke en de algemene deler, de natuur. 

    Dat samenvloeien zorgt tegelijkertijd voor het allergrootste contrast die deze bundel zo sterk maakt. De grootsheid van de natuurlijke omgeving versus de nietige positie van de mens daarin. Het levert een spanningsveld op waarin de liefde balanceert tussen aantrekking en afstoting, terwijl de dichter woorden probeert te vinden om dit liefdesdrama een plek te geven. Dat die plek in de eeuwigheid van de ons omringende elementen is te vinden is een prachtig gegeven. Liefde is allesomvattend, juist in haar bizarre kronkelingen, en is in deze gedichten op een prachtige wijze verbeeld.

    ‘de vissen die uitsterven maken mij minder verdrietig
     dan de dieren tegen wie ik aan wil kruipen
     en ik houd me meer bezig met mijn geliefde
     die wel of niet blijft (want iedereen weet dat geliefden net zo onvoorspelbaar zijn
     als het weer) dan met het watertekort dat op ons wacht’



  • Geen kinderachtige gedichten voor kinderen

    Wat boffen de kinderen van nu! Speciaal voor hen brengt Stichting Plint vier keer per jaar een tijdschrift uit waarin beeldende kunst en poëzie worden samengebracht, Dichter getiteld. Dichter in de betekenis van poëzieschrijver, maar zeker ook van ‘dichterbij’, omdat op deze laagdrempelige manier elk kind kan kennismaken met kunst en poëzie. En ook ‘dichter’, omdat door het lezen van poëzie je wereld intenser en intiemer wordt.

    Elk nummer heeft een thema, waarover zo’n vijftig dichters een splinternieuw gedicht schreven, een enkeling zelfs twee. Onder deze ‘dichters van dienst’ zijn heel bekende, zelfs beroemde namen van mensen die heus niet alleen voor kinderen schrijven. De gedichten zijn dan ook bedoeld voor ‘kinderen van 6 tot 106’, zoals op de voorkant te lezen staat. Een sympathieke actie van Plint is ook dat de nummers betaalbaar worden gehouden, zodat iedereen een exemplaar kan kopen. Ook geeft Plint gratis exemplaren aan de Stichting Jarige Job, voor kinderen bij wie er thuis geen geld is om een verjaardagsfeestje te vieren. Deze kinderen krijgen dan een ‘Dichter’ in hun verjaardagspakket. Zo wordt poëzie voor alle kinderen toegankelijk.

    Schooltuintjes en dierentuinen

    Het thema van dit nummer is de tuin. Je vraagt je misschien af hoe interessant een tuin kan zijn om er zo veel gedichten over te schrijven, maar alle facetten van de natuur in afgeperkte vorm worden in de gedichten belicht: van schooltuintjes, dierentuinen, verdwaaltuinen, wenstuinen tot geheime tuinen en zelfs de tuinen op een schilderij van Monet en van Jacobus van Looy. Ook de bewoners van die tuinen worden bezongen: duiven, bloemen, bijen, vlinders, naaktslakken (die in de soep gaan!), bomen en kapot gevallen tuinkabouters. Misschien zou je verwachten dat er in deze tijden van klimaatcrisis extra aandacht zou worden geschonken aan wat ons te wachten staat als we er met z’n allen niet gauw voor zorgen dat er een natuurramp afgewend wordt, maar dat valt reuze mee. Geen doemdenken over het einde van de wereld, geen apocalyptische taferelen worden aangedragen; klimaatactiviste Greta Thunberg heeft aan deze bundel niet meegewerkt. Het zijn juist bijna allemaal heel positieve en vrolijke gedichten, waarin woestijnen worden omgetoverd in bloeiende oerwouden en waarin mens en dier in harmonie samenleven met de natuur. 

    Een gedicht dat wel refereert aan de zorgwekkende toestand van onze aarde is ‘Tegelwippen’ van Margriet van Bebber, maar de oplossing ligt in de titel besloten. Ook het gedicht ‘je tuin’ van Diet Groothuis, waarin de zee met grof geweld het gewonnen land weer terugneemt, wijst op wat er gebeuren kan, net als het gedicht ‘Flevoland’ van Greetje Kruidhof, maar dat is niet alleen van deze tijd. En het gedicht ‘Zeg het de bijen’ van Hans Kuyper is ook niet zo vrolijk, maar wel van belang omdat het vertelt over een oeroude gewoonte, waarbij iemand ging aanzeggen aan de bijen dat de baas gestorven was. Er werd drie keer tegen de korf geklopt en verteld dat de baas dood was. Ook werd er vaak een zwarte strik op de korf geplaatst. Deed men dat niet, dan zouden de bijen gaan zwermen en verdwijnen. 

    ‘Ooit was het de gewoonte om te praten
     met het bijenvolk, dat alles kreeg te horen
     van wie ging trouwen en wie daaruit werd geboren.

     Het zoemde rond tussen de honingzoete raten
     die dropen van voorspelling en herinnering.

     Ook als een dierbaar iemand was gestorven
     ging altijd wel een bode naar de korven
     en zong het zachtjes voor de koningin.

     Maar nu het volkje van tuinen zelf moet sterven,
     de lege zomerlucht nooit meer zal gonzen – 

     wie wil er in paniek nog op de korven bonzen,
     vertwijfeld zoekend over barre akkers zwerven,
     wie gaat het zeggen aan de bijen deze keer?

     De korf is leeg, er zijn geen bijen meer.

    Geen kinderachtige poëzie

    Mooie gedichten, maar geen echte ‘kindergedichten’. Wel voor kinderen bedoeld, maar niet kinderachtig. De dichters die aan deze bundel hebben meegewerkt, maken geen onderscheid tussen volwassenen en kinderen als het hun dichtkunst betreft. Hooguit zijn de onderwerpen enigszins aangepast en zijn de gedichten in toegankelijke taal geschreven. Kinderen worden in deze bundel serieus genomen en toegesproken door volwassenen die niet op hun hurken gaan zitten. Zo hoort het ook. Kinderen zijn immers de poëzieliefhebbers van de toekomst. Maar ook voor volwassen lezers zijn deze gedichten een plezier om te lezen. De variatie in tuinen en bijbehorende gedichten is veel groter dan je voor mogelijk had gehouden. 

    De beeldende kunst werd in dit nummer verzorgd door Anne ten Donkelaar. Zij bewaarde beschadigde dode vlinders die ze vond om ze daarna te repareren op een manier die hun schoonheid het beste tot haar recht laat komen in haar tentoonstelling ‘Broken Butterflies’. Ook maakt zij landschappen van bloemen die ze droogt, in combinatie met plaatjes van bloemen uit tweedehands boeken. Haar werk is tussen de gedichten geplaatst als een bonte bloementuin, wat nog versterkt wordt door het kleurige papier waarop de gedichten zijn afgedrukt. 

    Achter in de bundel zijn zes schrijftips van de dichter Jos van Hest opgenomen met voorstellen en opdrachten over een aantal gedichten uit de bundel, die je in je eentje kunt maken of met de hele klas samen tijdens een poëzieles op school. Ze zorgen voor verdieping van de gedichten en voor een andere manier van kijken en dat is goed. Zoals de dichter Kasper Peeters zijn gedicht ‘Tuin van de wensen’ afsluit: ‘[…] een goed land is misschien gewoon een grote tuin.’
    Een vrolijke en mooie bundel voor alle kinderen en volwassenen. Voor wie nog steeds denkt dat het thema ‘De tuin’ niet opwindend genoeg is, is het volgende nummer van Dichter misschien een aanrader. Dat gaat over fabeldieren.



  • Wat staat mij als dichter te doen

    Schrijver en muzikant Bart Koubaa is een politiek-maatschappelijk betrokken dichter die zich in zijn woonplaats Gent al langer bezighoudt met het lot en leven van emigranten en vluchtelingen. Zijn ervaringen en inzichten heeft hij daarover vastgelegd in zijn essaybundel Dansen in tijden van droogte (2021). Koubaa debuteerde in 1988 met de bundel In de wolken. Dit is zijn tweede poëziebundel. Ook schreef hij enkele romans, waaronder het opzienbarende De leraar (2009).

    De verliefde engel
    bestaat uit drie afdelingen met vrije verzen. Elke epische afdeling van elf strofen eindigt met een lyrisch slotgedicht. Het getal elf wijst op een toekomstig gewenste verandering. De alwetende hij-verteller beweegt zich voortdurend tussen de hij en de dichter. De verhaallijn kent concrete, magische en religieuze momenten, met de engel als meest expliciete vertegenwoordiger. Op beslissende ogenblikken kiert de autobiografie van de dichter door de verzen heen. De nieuwe bundel vormt een aaneenschakeling van verrassende metaforen, spiritueel-mythische scènes met als ‘vurige’ scheppingsbron ‘de blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan. ‘De blauwe steen’ als metafoor manifesteert in New York en Gent zijn dwingende aanwezigheid met transcenderende uitwerking op het doen en denken van de hij en de dichter. 

    Bewustwordingsmoment

    In de eerste afdeling, ‘Manhattan of de ontdekking van de werkelijkheid, zomer’, weet de hij zich gedreven door de liefde die hem in staat stelt zichzelf te overstijgen. ‘De blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan, hem bij toeval in handen gekomen, vuurt hem aan het zekere pad te verlaten. Op aanraden van zijn Tunesische vrouw Laïla Koubaa opent de dichter met een scheppingsproces als ooit in het Afghaanse hooggebergte. Daar is in een ver verleden, ‘de ondoorzichtige lapis lazuli, / bezongen en bejubeld / om zijn oogverblindende schoonheid / en zijn vermogen diepe vrede / en heldere inzichten /met zich mee te brengen’. 

    Toen de gravers hem zagen, keken ze onder de grond ‘naar de hemel’. In de steen stond ‘hun toekomst’ geschreven. Het lijkt wel alsof, ‘God of de duivel / een flitsend geschenk  / voor [de] voeten [van de dichter] had laten vallen: / een blauwe meteoriet / die sindsdien deel uitmaakte / van zijn bestaan

    Voortaan was de steen de ‘magische toetssteen’ ‘die de zin / van de onzin’ zou scheiden. De dichter voert ons met deze vondst een heden vol transcendente momenten binnen. Zoals de dichter zijn pen opneemt, zo zit eenieder die de steen opneemt voor de rest van zijn leven aan zijn werking vast. Eenmaal in New York leest de hij op de reclameborden zijn levensopdracht: ‘Discover reality’.

    De directe aanleiding voor het bezoek aan New York in juni 2022 is het aanbod van een jeugdvriend van zijn vrouw, vice-ambassadeur van België bij de VN, om achter het spreekgestoelte van de Algemene Vergadering te staan. De hij laat zich met de blauwe steen op zak in gedachten meedrijven boven Harlem in een vrijheid ‘die elke dichter dichter / bij zijn doel’ brengt. Hij weet zich teruggeblazen naar Afghanistan, ‘dansend op de vleugels / boven reusachtige bergketens’. De vraag die zich daarboven aan hem ontvouwt, is of het nodig is mensen te doden, zoals de taliban en de Amerikanen in Afghanistan hebben gedaan, om rechtvaardigheid te bewerkstelligen. 

    Na de regen van bankbiljetten uit de grijsgroene wolk boven het Riverside Park vraagt de hij zich af wat er met al die armoede in de wereld moet gebeuren, naast de overdadige rijkdom in de stad: ‘Het goede kun je niet in steen schrijven, / het is vloeibaar als het sap van de papaver.’ Terwijl hij achter het spreekgestoelte staat, herinnert de hij zich het verhaal van de Afghaanse Mir Nazit, die bankroet raakte en een beslissing moest nemen: ‘Ik heb ten einde raad mijn jongste dochter, / Sofia, aan mijn oom verkocht, voor net geen 300 dollar.’ Een zelfverwijt klinkt daaruit op: we zijn helaas ‘teruggeworpen op het eigen overleven’.

    Verlangen naar samenzijn

    De titel van de tweede afdeling ‘Gent of de ontdekking van het hinkelspel, herfst’ herinnert aan het grillige lot uit de roman Een hinkelspel van Julio Cortázar. Het motto van Joseph Brodsky wijst op het verlangen van ieder mens naar niets anders dan samenzijn. In New York had hij ervaren dat het ‘denkbeeld van vrijheid’ omvergeworpen was. Er trokken ‘Afghaanse rillingen’ over zijn lijf, denkend aan wat haar was overkomen. ‘Het gezicht van een kleine engel’ verscheen boven zijn stad Gent. In de oranjevlammenzee keek ze hem aan. Zijn kernvraag is: ‘Wat [is] het belangrijkste vraagstuk / van de filosofie?’ Hij weet het antwoord daarop eigenlijk niet, maar hij voelt zich te veel mens ‘om onbewogen te blijven / bij de prijs op haar hoofd.’ In zijn Gentse onderkomen reikt een engel hem het voorlopige antwoord aan: Safia vraagt om sereniteit. 

    Starend in het vuur bezon de hij zich op manieren om haar te kunnen teruggeven aan haar ouders. Hij beseft dat niet religie of traditie haar rechten schonden, maar de Afghaanse oorlogen. In zijn slaap ‘vliegt’ hij met haar over de oceaan van Afghanistan naar de VN en, ‘neuriëde zachtjes voor Safia Nazir / een slaapliedje waaruit alle poëzie / en vuur was ontstaan’.

    Hij vraagt zich af of hij zich niet vergist heeft. Maar fladderen vergissingen ‘niet altijd rond de waarheid / als engelen rond een licht?’ Een meisje, dat niet Safia heette, wijst hem op het hinkelpad. Het is aan de dichter om met woorden naar de toekomst te hinkelen.

    Schrijven over morele kwesties

    In de derde afdeling ‘Takoe-takoe-taan of de ontdekking van de dichter, winter’ geeft Koubaa aan hoe moeilijk het is een gedicht te schrijven over een morele kwestie: ‘Het is niet de taak van de dichter / om de ziel van Safia Nazir te redden, / maar om haar ziel / de moeite van het redden / waard te maken.’ Het blijft ambivalent om in het breugeliaans winterlandschap een gedicht voor Safia te schrijven: ‘Hoe dichter hij het absurde naderde, / hoe intenser het onmogelijke zich liet zien’. Even verkeert de hij in de waan om naar ‘het paradijs! – op te stijgen’, maar met een doffe klap belandt hij weer op het ijs en raakt zijn blauwe steen kwijt. Deze dichter, ‘Salvator Mundi’,  raakt het spoor bijster. 

    We raken verzeild in een vergelijkbaar sneeuwlandschap als in De sneeuwkoningin van Andersen, waar de kleine Kay de glassplinters in woorden legt. De hij vreest dat het gedicht in verkeerde handen terechtkomt. Daarom selecteert hij denkbeeldig een regenbui met geld boven Afghanistan, om zodoende met die dollars de ‘schulden af te lossen’, opdat de meisjes naar school kunnen. Misschien zou het goed zijn de werken van Voltaire boven Afghanistan af te werpen, opdat het land zou seculariseren. Maar ‘Discover reality’: we denken wel als de verlichte Voltaire, maar ‘doen als idioten’. De inheemse Amerikanen die Frankrijk bezochten, wezen er al op dat het geld de bron van alle kwaad is. In zijn slaap zocht de hij op de oceaan de ziel van Safia Nazir. Uit de zee steeg het koor op: ‘Ik ben Afghanistan waarvan ik verdreven ben, hier ben ik, morgen word ik geboren.’ De hij weet dat hij ‘parels voor de zwijnen / heeft gegooid, / [om] oprecht een ziel de moeite / van het redden waard [..] [te] maken.’

    Enkel in de stilte gebeuren echter de grootste wonderen. De dichter heeft geen keuze in wat in hem opkomt. Gelukkig of niet: ‘elk gedicht was uiteindelijk / de puinhoop van een volmaakt / een voortreffelijk idee’. Daarna pakte hij ‘de blauwe steen’ en gooide hem in de hoek waar de winter voorbijsnelde. Een peper-en-zoutvlinder bevrijdde zich uit een voeg en kondigde een eerst bloesem in zijn kroon van de bottende tak de lente aan. 

    In de laatste afdeling ‘De dichter spreekt de Verenigde Naties toe, lente’ beseft de hij de kracht van het transpersoonlijk bewustzijn dat werkzaam is in het leven. Dat laatste vindt zijn uitdrukking in het bemiddelend optreden van ‘de blauwe steen’ én de engel bij zijn dichterlijke werk. We worden omringd, en naast ons waakbewustzijn, mede gestuurd door een energie die ons verstand te boven gaat. Dit dichterlijk besef maakt deze bundel tot een bijzonder gelaagde leeservaring. In de transcendente liefdesverbinding tussen het meisje, de engel en de dichter ligt de zin van het dichterschap besloten: ‘een meisje, een verliefde engel // met een ziel, de moeite van het redden waard’.



     

  • Iedereen en niemand in het bijzonder

    Het poëziedebuut van Maaike de Wolf De dansvloer is van iedereen,  leest als een ensemblefilm; een mozaïekverhaal samengesteld uit meerdere kleine verhalen. Denk aan Love Actually, Alles is liefde, The Family Stone, Notting Hill. En dan vooral die scène waar Hugh Grant met zijn ziel onder de arm door vier seizoenen loopt. In dit geval is het geen man, maar een jonge vrouw in een grote stad, en wie ze daar zoal tegenkomt. Voor liefhebbers van dit soort vertellingen is het een genoegen om te lezen, om mee te dwalen door die stad, de straat met de döner kebab-tent, biologische groenteboer, Starbucks op de hoek.
    ‘Ze waarschuwt me voor de middelmaat, drukt me op het hart scherp te blijven en niet te / verdwijnen tussen de juwelier met wansmaak en de failliete platenzaak.’

    De Wolfs poëzie dwaalt zo ver naar haar buitengrenzen dat het raakt aan verhalend proza. En zo leest het ook, als miniatuurverhalen, met een begin, en einde en daarin een minuscuul klein plot. Niettemin een verhaal. Maar wel met de vrije interpunctie en opmaak die poëzie eigen is. Vier blokken van ongeveer gelijke lengte, voorafgegaan door twee losse gedichten waarvan niet duidelijk is waarom ze niet in een van die blokken zijn ondergebracht. De meeste titels bestaan uit slechts een woord: Plek, Vis, Idee, Woensdag, We, Party, Prognose. Afgewisseld met titels zoals gedichten ze verdienen. Speels, origineel, cryptisch: Logboek tropisch eiland, De dirty dancer en ik, De nacht ft. Harry Mens.

    Dwalen door een dichtbevolkte stad

    Niet enkel de dansvloer is van iedereen, ook de straat, de bankjes in tram en metro. Een bevolkte stad is het, anoniem in de uitgestrektheid, de diversiteit, de veelheid van naamloze mensen. Intiem in de ontmoetingen, in de namen en eigenaardigheden die gekend zijn. Of die men te weten komt, omdat de ander – al dan niet met naam – een openheid aan de dag legt die door weer anderen als schaamteloos kan worden ervaren.

    ‘Maria

     Ik zei nog: ik ben Maria niet,
     maar het eerste waar ik aan dacht (zijn vrouw)
     was het laatste waar hij aan dacht en voor ik het wist
     stond ik tegen een afwasmachine die nog warm was.

     Uit angst voor bewijzen betaalde hij niets en dus was ik degene
     die het eten kocht en beloofde – om argwaan te voorkomen –
     me exact zo te bewegen als voorheen.

     Af en toe moest ik even kijken als hij boven op me lag,
     omdat ik de kleur van zijn ogen vergat. Als ik klunzig deed, zei hij:
     een echte roker krijgt hem onder alle omstandigheden aan.

     Er zijn mannen, zo blijkt, die nauwelijks bloeden en steeds vaker
     twijfelde ik of ik überhaupt een roker was.’

    In deze urban jungle legt de hoofdpersoon – bijna alle gedichten zijn vanuit eenzelfde ik-figuur geschreven – de laatste meters af van adolescentie naar volwassenheid. In een setting waar die stappen door veel jonge mensen gezet worden, met alles wat daarbij hoort. Het verloren lopen in half gekende systemen, onhandige afspraakjes, uit de hand gelopen feestjes en het bij gelegenheid wakker worden in een onbekend bed.

    Gewoon mensen

    ‘Er is ook liefde

     Mijn eerste nachten in een nieuwe stad
     waar ik wakker onder de balken lig
     en een storm over mijn dak trekt.

     Op de verdieping onder mij bestiert een narcist
     zijn harem van drie, waar hij ‘hond’ tegen schreeuwt
     wanneer ze zich als dieren gedragen.
     Een huwelijk

     met een verlamde kunstenaar die – elke dag
     naar buiten gereden – als uithangbord fungeert

     met de zwakste van hem, die binnenkort
     de wereld af gaat vallen – het duurt.

     Er is ook liefde
     niet voor mens, maar voor wollen truien,
     een obsessieve pas, naderend gerinkel.

     De derde zegt: er stond een zwarte man
     in de gang vannacht we dachten
     dat het een inbreker was.’

    Ontmoetingen vormen de rode draad. Ontmoetingen met echte mensen, of niet; met echte lijven, of niet; in echte kamers, of niet. Met op de vloer een landschap van kapotte huisraad, gereedschap en losse onderdelen, uitgetrokken kleding; het allergewoonste, dagelijkse: boerenkool, gehaktballen, dubbelvla. Dat alles beschenen door flikkerend blauw computerlicht van chatboxen, met ook daar ontmoetingen, en allemaal zijn ze zo rafelig als het leven zelf. Het gaat steeds om identiteit die lang niet zo helder en eenduidig is als we vaak hopen. En als we zelf niet eens weten of we af zijn, hoe moeten we dan onze zinnen afmaken.’
    Wat ik doe: / kijken naar de ander / één hand voor mijn oog, één hand op mijn rug. // Ze laat zich in delen bij me achter / in de hoop er na een tijdje helemaal te zijn. // Soms ademen we samen, we denken: / niet te vaak voorlezen, samen liggen, kruipen, / sinaasappels persen, gehakt rullen, rustig aan, / het hout aftasten.’

    Dan is het maar goed dat De Wolf, anders dan veel dichters van haar generatie en evengoed nog vrijblijvend, wel kiest voor interpunctie. Dan staat er in ieder geval een punt aan het eind van al die niet afgemaakte gedachten.

    Onbevredigende onvoltooidheid

    Van veel situaties die worden beschreven, krijgen we als lezer niet te weten hoe het afloopt. Maar precies in die onvoltooidheid – die gepaard gaat met een prettig soort ongenoegen – raken de gedichten aan het leven zoals het is. Immers, als we vanuit de tram kijken naar een burenruzie, een kroegbaas die een dronken klant de deur uitwerkt, een moeder die haar kleuter overeind helpt en troost, dan weten we ook niet hoe het verder gaat zodra de tram zich weer in beweging zet.
    Of in het echt, of in computerbeelden, fragmentarisch en flikkerend, als een lampje dat bijna de geest geeft, zó zien wij het merendeel van mensenlevens gebeuren. En in die weerspiegeling zien we vaak ook ons eigen leven.

    Tegelijk schuilt in dat gratuite, in dat niet-afgemaakte het risico dat de dichter de aandacht van de lezer niet overal consequent kan vasthouden. Bij het woord ‘iedereen’ laat zich al gauw ‘niemand in het bijzonder’ aanvullen. Uiteraard ligt daarin de ruimte waarin onbeperkt kan worden ontmoet, gekeken, geobserveerd, gesproken, gedacht en gedicht. Tegelijk mist – juist door dat ongedefinieerde, die onbegrensde anonimiteit – de bundel hier en daar urgentie en ligt onverschilligheid op de loer. Vooral waar de vertellende ik-figuur zich overgeeft aan een niet mis te verstane indolentie, verkeert die lokkende, nieuwsgierig makende ruimte gemakkelijk in haar tegendeel, en raakt ook de lezer met deze desinteresse, met deze onverschilligheid geïnfecteerd. De dwaaltocht die zo verwachtingsvol werd aangevangen, blijft dientengevolge niet van begin tot eind boeien en lijkt bij tijd en wijle te verzanden in een dwaalspoor.

    Uiteindelijk weet De Wolf het allemaal wel weer vlot te trekken en tot een goed einde te brengen. Maar ondertussen heeft zij meermaals het risico genomen van lezers die afhaken. Daarbij komt nog dat op geen enkel moment duidelijk wordt of die toon van ‘ach nou ja, wat doet het er ook toe’ een bewuste keuze is die hoort bij het karakter van haar gedichten, of dat het haar werkelijk niet kan schelen. En de afgehaakte lezers bijgevolg ook niet. Voor een debuutbundel nogal een risico, maar daarover mag men van mening verschillen.
    ‘Waarom niet meegaan. / Voor wie de vlag mag voeren is de reis zo vreemd nog niet / misschien heeft mijn rol in deze samenhang betekenis. // Op pad met vintage leren handschoenen stel ik me voor / een zwarte hoed, voor als ik straks die ander ben. / Boeken, die me op het juiste moment verzwaren.’

     

     

  • Hoe belangrijk kleren voor ons zijn

    ‘Haal mij van deze hanger.
    Grijp mij uit deze kast.
    Laat mij hier niet hangen.
    Pak me beet. O, houd me vast.’


    Gedichten over kleding. Wellicht niet het eerste onderwerp waaraan je denkt bij het bepalen van een thema voor een dichtbundel. Maar Ted van Lieshout besloot om het wél te doen met
    Ommouw me. Het is een bundel vol gedichten, in beeld en taal, waarin hij betekenis probeert te geven aan hoe belangrijk kleren voor ons zijn. En wij voor onze kleren.

    […]

    Ommouw me, gedichten en portretten van kleding en schoeisel, staat er beschreven als je het boek openslaat. Maar daarmee doet de auteur zichzelf én deze bundel tekort. Het is buitengewoon mooie poëzie die raakt, doet verwonderen en kan helen. Een bundel die je leest, koopt of cadeau krijgt, en de rest van je leven met je meedraagt.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Originele manier van vertellen van een tof wijf

    Kun je spreken van ‘lillende prozagedichten’? Volgens het woordenboek wordt ‘Lillen’  gebruikt bij het beschrijven van ‘een weke massa die in schuddende beweging is’, waarbij de gedachten meteen uitgaan naar een klassieke drilpudding met gelatine, of naar een dampende hoop ingewanden van een pas geslacht kalf. Maar in het voorwoord van de debuutbundel van Geraldine Suijkerbuijk, Het leven is geen ponykamp, wordt die omschrijving aan haar gedichten gegeven. Het is geen adjectief dat uitnodigt om de bundel te gaan lezen. Wie dat toch doet, ontdekt dat de bundel is samengesteld uit prozagedichten: kleine verhaaltjes zonder titel, miniaturen, tafereeltjes die over twee of drie pagina’s in een kolom zijn gezet, een enkel gedicht in de vorm van een aforisme dat apart staat.

    De pagina’s zijn niet genummerd, maar de 123 gedichten wel. Ze lijken wat inhoud betreft op bladzijdes uit een dagboek, waar bijna elke dag in geschreven wordt over alles wat de dichter heeft meegemaakt en verwerkt. Dat wordt nog versterkt door beginregels als: ‘Even niet geschreven’ en ‘Ja, daar ben ik weer’. Het zouden brieven kunnen zijn, gericht aan een correspondentievriendin, of een gesprek aan een tafeltje in de kroeg waarbij je slechts een spreker hoort. De bundel is prachtig vormgegeven door Steven Oost, met een kunstwerk van Marcel Herms als omslag, dat uit te vouwen is tot postergrootte.

    Verstrijken van de tijd

    De steeds terugkerende onderwerpen zijn de overleden vader, ‘de man die rauwe bonen zoet maakte’ en hoe erg hij door de dichter gemist wordt, haar zoon Storm, haar hond Rav, ‘Een hond die voor 1 dag niet zijn aars/ zat te schaven aan een prinsentapijt’, haar liefde voor wijn en zelf gedraaide gehaktballen, maar vooral haar uitbundige levensstijl.

    De gedichten bestrijken een aantal jaren: de zoon van wie in het begin verteld wordt dat hij 16 jaar is, start aan het einde van de bundel met zijn twintigste levensjaar. Ook de mededeling ‘ik ben inmiddels 5 badmatten en 4 banen verder’ geeft in gedicht 33 het verstrijken van de tijd aan. 

    Deze bundel is een kennismaking met een vrouw die haar eigen leven leeft en daarvoor geen excuses maakt, met ‘te veel gedachten en van het leven genietend’. Ze heeft een baan in de bibliotheek in Eindhoven als ‘ongeorganiseerde biebmiep’ waar ze geniet van de aanblik van studenten die er komen werken, maar dat gevoel meteen weet te relativeren: ‘[…] Een diepe buiging/ voor alles wat hier nu voorbijloopt. Op/ een enkeling na.’ Elke morgen als ze opstaat, kijkt ze naar de tekst die boven haar bed hangt en die de titel verleende aan deze bundel. Ze heeft vriendinnen, gaat op vakantie, maakt zich zorgen over haar uiterlijk. Ze beschrijft haar dagelijkse leven en maakt de lezer deelgenoot van de gevoelens en gedachten die terugblikkend op de dag bij haar opkomen. Daarbij lijkt ze nauwelijks aan een lezer te denken en lijken de gedichten puur voor eigen plezier te zijn geschreven.

    Vrolijke chaos

    Het zou niet veel om het lijf hebben als Suijkerbuijk niet zo’n originele manier van vertellen had, zo sprankelend en los dat je meteen bevriend wilt raken met zo’n tof wijf. Alle gedachten en invallen van Suijkerbuijk buitelen in vrolijke chaos door de gedichten heen, alsof ze voorbeelden zijn van automatisch schrijven, zonder vooropgezet idee. Ze zet gewoon op papier wat er in haar hoofd opkomt. Een fragment uit gedicht 50 illustreert dit:

    ‘[…] Ik zeg, ontkurk
     en omarm het leven. Maak een flikflak
     over die kutpoortjes op het station als
     je geen OV hebt en toch naar de andere
     kant moet. Houd je toilet schoon. Dat
     maakt mijn hoofd ook zuiver. Ik ben
     Pippie Langkous falderie faldera.
     […]
     Ik ben net als onkruid, overal.’

    Op een grappige manier weet Suijkerbuijk mensen, dieren en dingen beeldend te beschrijven: haar aanbeden hond is ‘een bruine blafgod’ en een vrouw met ‘een anitameijerkapsel’ staat je meteen voor ogen. Pubers ‘ruiken de/ lente en dat voelen ze in hun boxers.’ Haar taalgebruik is origineel en vloeiend, alsof het haar geen enkele moeite heeft gekost om te schrijven. Zo is bijvoorbeeld haar brief aan Sinterklaas een mooi voorbeeld, al is het gedicht te lang om hier in zijn geheel te citeren. ‘Lieve Sint, mocht je echt bestaan en / mij het voordeel van de twijfel geven, / dan heb ik best een leuk verlanglijstje / voor je. Iets waar je je best voor moet / doen. Maar na een turbulent jaar vind / ik dat ik het wel verdien om de gekste / cadeaus te krijgen. // […] // […] Dat mijn hond geen / salto meer maakt in een mesthoop / en dat mijn vriend nieuwe wervels krijgt. // […] // Wil je mijn tandarts vragen nooit / met pensioen te gaan Sint? Een / robotstofzuiger hoef ik niet, want / stofzuigen hoort bij mijn primaire / Levensbehoeftes.’ Waarna ze, nadat ze allerlei buitenissige wensen genoemd heeft, eindigt met:

    ‘Morgen komt de schoorsteenveger,
     dus dat gat moet niet echt lastig zijn.
     Vol verwachting klopt mijn hart.’

    Optimisme en levensvreugde

    De dichter wisselt drama af met nuchterheid, liefde met boosheid, hoogdravendheid met platvloerse uitdrukkingen. De gedichten zijn soms kinderlijk en speels, laconiek en filosoferend tegelijk, maar door alles heen klinken een overweldigend, niet klein te krijgen optimisme en levensvreugde en dat is het wat deze bundel zo aantrekkelijk maakt. Je kunt je als lezer afvragen of dit wel een gedichtenbundel is, en of het waar is dat een gedicht een gedicht is als de dichter zegt dat het een gedicht is. Je kunt je afvragen of er niet te veel clichés en platitudes in staan: ‘Kleine kinderen, kleine zorgen, grote/ kids, grote zorgen. Geen kids weinig/ zorgen. Ik had hem voor geen goud/ willen missen. En bloed kruipt toch/ waar het niet gaan kan.’ Je kunt je afvragen of het niet steeds over hetzelfde gaat, dode vader, hond, buren, eten, alledaags leven, maar je moet je gewonnen geven door die bruisende levenslust. De humor en de zelfspot van de dichter nemen je ogenblikkelijk voor haar in, evenals haar ontwapenende eerlijkheid, al is het wel veel wat er op je afkomt, want Suijkerbuijk ratelt maar door zonder adem te halen. Het is even wennen, maar uiteindelijk lees je door, omdat je alles van haar wilt weten. Gedoseerd lezen is het advies.


    Het leven is geen ponykamp is verkrijgbaar bij Uitgeverij Petrichor.

     

  • Almadhoun brengt lezer weer in contact met de werkelijkheid

    Dit is geen poëzie om bij achterover te leunen. Dit zijn gedichten die bijten en pijn doen en je dwingen om je blik niet af te wenden. De teksten en kanttekeningen van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun drukken je met de neus op de vreselijke gevolgen van een wereld die in brand staat. Zijn gedichten zjn zo indringend dat het onmogelijk is om ze schouderophalend te vergeten. Almadhoun is geboren als zoon van een Palestijnse vader en een Syrische moeder in het grote vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië. Sinds 2008 woont hij afwisselend in Stockholm en Berlijn. Eerder vertaalde bundels van hem zijn Weg van Damascus en de bundel die hij samen met Anne Vegter schreef, Ik hier jij daar. Alle keren verzorgde Djûke Poppinga de vertaling uit het Arabisch. 

    Zijn gedichten gaan net als in eerdere bundels nog steeds over politiek, oorlog, vluchtelingen, discriminatie en uitzichtloosheid, maar hij is de liefde en de hoop daarbij niet uit het oog verloren, hoewel die nooit zonder bitterheid zijn.  Almadhoun houdt Europa een spiegel voor waarin het zichzelf niet durft te herkennen, zoals in ‘Ode aan het verdriet’: ‘We houden van je, Europa, o oud continent, ik weet niet waarom ze je oud/ noemen, want je bent jong vergeleken met Egypte en het land van Eufraat en Tigris. […] // We houden van je, Europa, en we houden van de vrijheid die je ons hebt/ gebracht toen we als vluchtelingen naar je toe kwamen en het racisme negeerden/ dat jij onder het tapijt probeert te schuiven als je de woonkamer aanveegt. […] // Jij, die de vernietiging van de Joden hebt/ bedacht, de Endlösung die ertoe heeft geleid dat ik als vluchteling ben geboren / in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen in Damascus, omdat je in/ al je schaamteloosheid met Palestina, mijn land, compensatie hebt betaald, als/ de oplossing voor de Holocaust die jouw witte inwoners, die geloofden in het zuivere arische ras, hebben uitgevoerd.’

    Choqueren vereist

    Almadhoun waarschuwt voor de parallel die getrokken kan worden tussen het racisme tegen de Joden in de Tweede Wereldoorlog en dat tegen de hedendaagse vluchtelingen: ‘Niemand wil ze hebben’. Hij is in deze bundel rechtstreekser dan in eerdere bundels, onverbloemder ook, met de bedoeling te choqueren omdat er anders niet geluisterd wordt. Hij schudt de mensen wakker die gezapig zijn ingedut bij de gruwelijke beelden die het journaal laat zien en waar niemand meer van opkijkt. De oorlog in Syrië, de talloze vluchtelingen en nu de oorlog in Gaza: Almadhoun zorgt ervoor dat de afstand van de lezer tot die gruwelijke gebeurtenissen wordt verkort. Het is zijn persoonlijk verhaal dat hij meedeelt. Het is poëzie die je als lezer beschaamd maakt omdat je dacht dat je met één knop het wereldleed kon uitschakelen. 

    Ook zijn liefdespoëzie is intens, als een verhaal uit ‘Duizend en een nacht’, de Arabische raamvertelling uit het Midden-Oosten, maar altijd wordt verdriet en bitterheid erdoorheen verweven: ‘Ik schrijf liefdesgedichten in de vorm van nachtmerries;’ zegt de dichter, zoals in het gedicht

    ‘Het blauwe marmer 

     Kom, het eten is klaar, de wijn staat kouden het bed is warm. Ik heb een paar
    bloemen langs de straat gedood, zodat mijn kamer tot leven komt. Hier ben ik, klaar om me voort te planten. Laat de bloem van
     het leven niet verwelken.
    Liefhebben is moeilijk als we niet weten hoe het moet, maar nog moeilijker als
    we het wel weten. Kom, misschien zullen we ons niet herinneren wat er in de
    toekomst gaat gebeuren en misschien zullen we, na al deze oorlogen, sterven van
    liefde.’ 

    Even indringend als zijn gedichten over de liefde voor een vrouw zijn de gedichten die vertellen over zijn liefde voor de stad Damascus. Voor de beschoten en afgebrokkelde stad van nu, maar ook voor de stad uit zijn herinneringen die met niets anders te vergelijken is. Steden als Berlijn en Stockholm kunnen de vergelijking met Damascus niet doorstaan. Vooral Stockholm moet het daarbij ontgelden vanwege de koude winters, de hypocrisie van de Zweedse staat: ‘Stockholm, Zweed als ze de belastingen innen, migrant als ik gelijkheid eis.’
    Met zwarte humor beschrijft Almadhoun zijn verblijf in Stockholm, het land waar hij toch de liefde heeft gevonden. Hij wil ‘om klimatologische redenen asiel in een warm land aanvragen.’ Het gedicht ‘Het barre land’ is een litanie van opsommingen die één voor één aangeven waarom de dichter zich ongelukkig voelt in dit voor hem vreemde land, waar hij nooit zal wennen en waar hij ook nooit echt deel van uit zal maken. Hij beschrijft het lot van de migrant die altijd tussen verleden en heden zal blijven dwalen, tussen het land van herkomst en het land van zijn keuze en die zich in geen van beide thuis weet.

    De ene ramp voor de andere

    Almadhoun brengt de lezer weer in contact met de werkelijkheid. Bij alle brandhaarden die nu zijn aangestoken op de hele wereld, lijkt het vaak alsof dat de ene ramp de andere uitwist of doet vergeten. De oorlog in Oekraïne, de burgeroorlog in Jemen, het geweld in Ethiopië, Nigeria, Myanmar: steeds als er één dodelijk conflict onder de aandacht wordt gebracht in de media, zijn we geneigd te vergeten dat het wapengekletter elders gewoon doorgaat. Dat geldt ook voor de oorlog in Gaza, in heel Palestina. 

    Almadhoun vestigt onze aandacht op alle geweld, alle oorlogen. Het feit dat hij de kans heeft gehad om naar Zweden te vertrekken, doet niets af aan het verdriet en het heimwee. ‘Jij zegt dat ik aan de oorlog ben ontsnapt. Nee, liefste, niemand ontsnapt aan/ de oorlog. Het is alleen zo dat ik niet ben gestorven. Ik ben blijven leven, dat is/ alles.’

    Het is de kracht van de poëzie van deze dichter dat hij de lezer dichterbij zichzelf weet te brengen, bij zijn verleden, zijn trauma en zijn verdriet. Heel even weten we weer wat oorlog aanricht, ook al hebben we het niet zelf meegemaakt. Het is wat we voelen bij de twee minuten stilte op de vierde mei. En als we de bundel dichtslaan, moeten we proberen dat gevoel vast te houden om ervoor te zorgen dat we niet vergeten. Dat is de boodschap die deze dichter brengt.

     

     

  • Wij bezitten het juiste heden 

    Sasja Janssen benadert in haar nieuwe bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica, net als in haar voorlaatste bundel Virgula (2021), de telkens veranderende werkelijkheid met licht, logica en beheersing. In een schemerige atmosfeer waarin het logisch denken verder weg lijkt dan ooit, voert ze ons naar een bewustzijn van het heden in allerlei levensfasen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen, voorafgegaan door een ‘heden’ gedicht. Verder wordt elke afdeling ermee afgesloten. In ‘Het heden is een lach in het donker’ spreekt ze zich uit, verwijzend naar de liefdesroman van Vladimir Nabokov over een jong meisje en een oudere man, over het heden dat, ‘wacht op zijn volledige openbaring / maar het houdt niet van mij en zwerft in zichzelf / prostitueert de tijd’.

    De ik ziet krampachtig verlangend uit ‘naar de judaskus die het [heden] me geeft’ dat impliceert dat je er mag zijn, voor jezelf en de anderen. Daarmee is het volledig op willen gaan in het heden een diep verlangen van de ik om los te kunnen komen van wat geweest is en komt. 

    Ontoereikendheid van taal

    Janssen werpt in ‘het beste’ uit de eerste afdeling ‘Wat slapen de geraniums licht’  fundamentele vragen op: ‘zijn wij alomtegenwoordig? Zijn wij goed?’ Uit haar antwoorden blijkt dat de ‘verzengende feitelijkheid’ ons raakt en de moraal ons op een dwaalspoor zet met dood maken tot gevolg: ‘Wij deden altijd het betere / we verlangden elkaar kapot, vraten elkaars bezit’. Onze taal blijkt ontoereikend te zijn om de alomtegenwoordige schepping en onszelf te doorgronden. Al het denken over zonde en schuld is de schuld van Bijbelse theorie. Dat laat de ik achter zich. ‘Tot niets keer ik weer’ blijft dan over. Er is enkel een hier en nu. In ‘Lichte geraniums’ verwoordt ze ‘doodgemoedereerd’ het verwerkingsproces van een overlijden van moeder: ‘bij haar wake branden ze een kaars / zodat ze niet verdwaalt in haar einde’. Het brengt de ik dichter bij het besef van de eigen vergankelijkheid ‘dat de mensen net zo snel gaan als de aarde / door de ruimte schiet’. In ‘de heimwee als meisje van zestien’ komt de ik erachter dat ‘het heden is het probleem van de kunst’, omdat je als kunstenaar in dat heden wil blijven dat achter je geraakt. In ‘Het heden is een gramarijn’ drukt het voortdurend bestellen van ‘dure kleren’ een verlangen uit om als taalkunstenaar gewetensvol om te gaan met woorden.

    Licht en duisternis, dood en leven duelleren met elkaar in de tweede afdeling ‘Het bloeiende uitroeiende’. In de bloemrijke omgeving leeft bij de ik een verlangen naar wat is geweest. In de plantenkas ervaart de ik existentieel ‘das Seiende und das Wesen’. Terugkomst in de moestuin betekent ‘op zoek naar het juiste woord’, om woorden aan herinneringen te geven aan het ouderlijk huis. De betrokkenheid op het proces in de natuur helpt om de essentie van het heden te benaderen.  In ‘Het heden is een sjibbolet’ wijst op het onderscheidend woord ‘heden’ gestalte te geven als toegang tot het leven: ‘Wij bezitten het juiste heden, enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. 

    Verrassende beeldwendingen

    Het heden diagnosticeert in de derde afdeling ‘De eerste bloem als een magnolia’ de wording van de ik tot een taalgevoelig dichter. In het kerngedicht ‘ben ik niet langer een teken begint men mij te betekenen’ lezen we de wording van ik: 

    ‘een vader zegt entropie mijn moeder logica
     mijn vader schaken mijn moeder dammen
     […]
     daarna scheppen ze mijn duisternis leeg
     en word ik van een deling een speling 

     En 

     zo ritmeer ik tussen alle klanken, maar verlies mijn taalloosheid
     ons oudste zintuig
     toch praten we het opgetuigde brood met smaak’

    Op de hotelkamer in ‘ik ging naar Greenwich’ gebruikt Janssen een van de zovele verrassende beeldwendingen. Zo ‘zapte ik op de hotel-tv, at dinerkokkels als ontbijt / zo kort beefde de nacht, tot ik het ei uitpoepte / en uit het flinterdunne heden glipte’. De ik beseft in ‘terug naar het eerste lied’ als een eerbetoon aan Nicole, haar tweelingzus, dat ze in een paradox leeft: ‘dat ik pas dood kan na jou / smaect men bitteren suere / mij gruwelt dat ic leve / maar mijn moeder heft opnieuw haar lied aan als ze zwarte bessen plet’. Hadewijch komt haar tegemoet in haar mystieke eenheidservaring. Het obsessief kopen geeft in ‘Het heden is geen zweetdoek van Veronica’ een ‘onbetaalbaar maar vol heden’, en ‘je bent elke keer nieuw’.

    Patronen in de werkelijkheid

    De ‘Spinsels’ hebben in de vierde afdeling ‘Tapijtbloemen’ direct betrekking op wat Janssen zich als dichter bij het heden voorstelt: ‘zwijgen is van vrouwen, het niet-bestaan, daarom bezitten zij het weten / van voor de tijd dat het denken bestond / van de tijd waarin weten ruimte was’.
    Het gedicht spint woorden ‘omdat ze niet lineair zijn / en valt zijn prooi aan om zo mooi mogelijk te glinsteren’. De ik houdt ‘meer van de waanzinnige / dan van de dichter, omdat die zichzelf betekenis ontzegt’. In het derde spinsel’ staat er wat Janssen zich als dichter toewenst: 

    ‘soms hebben we een filosoof nodig voor onze woorden en dingen
     soms een psychiater om te weten dat we menselijk zijn, een kosmoloog
     die ons opgeilt met zijn verstrekkende kennis, te wijd
     om na te vertellen, een priester die seks tussen God en materie
     stelt, waardoor we ons kunnen vermeerderen, soms een moeder
     of vader voor duiding van een wereld van taxonomie’ 

    Janssen verenigt als dichter de filosoof, psychiater, priester en ouder in zichzelf. Net als melancholie is het ontdekken van patronen in de werkelijkheid voor de ik belangrijk. In ‘Het heden is de derde ruimte’ gaat het om wat niet hoorbaar is in klanken, maar wel wordt gesuggereerd met de sjwa-klank. Het heden is niet te vatten, het is iets wat het verleden uitvreet en voor toekomst geen geduld heeft: ‘ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd’.  

    In het gedicht ’een spiegel in de aarde’ uit de vijfde afdeling ‘De narcissen buigen’ schemert het niet, ‘toch is er geen licht, toch is er geen donker’. De krans van bladeren aan de oever toont een zwartgroene onderwereld en een doorzichtige bovenwereld. Op het meer mengt toekomst en verleden zich, ‘in zijn oog dat nooit sluit / de narcissen buigen, een uil draait zijn kop, vlinders geborgen // dan zinkt ze en duikt op het gedicht als nieuwste tijd’.

    opmerkelijke metaforen en personificaties

    Het gedicht opgedragen aan Marianne Moore spreekt van een ‘coup de foudre’ in de eenzaamheid ‘van het onzegbare in elke geboorte en moord’. Hoezeer ook alle schepsels zich afhankelijk weten, ‘alleen het gedicht echoot ons in en uit en slijpt zichzelf ruw / naar de wetten van zijn enige geluid’. Of het nu Freud of Rimbaud is – in het gedicht dat Janssen aan zichzelf opdraagt – hij is de enige ‘die mijn gedichten begrijpt, volledig / als een wortelkanaal / daar heb ik wel wat seks voor over’. Hoe het ook zij: ‘de poëzie laat me nooit / meer in de steek’. 

    Janssen heeft een beeldrijke bundel geschreven. Strak gecomponeerd vol van opmerkelijke metaforen en personificaties die er niet alleen een objectiverend karakter aan verlenen, maar ook indirect het levenloze tot leven wekken. Ze toont een voorliefde voor eigenzinnig geformuleerde versregels die in hun vervreemdende werking de distantie tot de lezer vergroten, zoals ‘performatieve papavers’ of ‘de ostranenie van het organisme’. De ik heeft aldoor ‘alleen maar Gegenwart’ willen leven, om aan het eind in haar tijdelijk huis te worden teruggebracht ‘tot mijzelf in een kaal bad’. De vraag blijft in dit schaakspel dat leven heet: ‘waarheen toch en waarvandaan’, aldus de Perzische dichter Omar Khayyam. 

    Vooralsnog lijkt voor Janssen poëzie te ontstaan uit een geheimzinnige werkelijkheid, die aan haar betekenissen toedicht en waarop ze vervolgens al schrijvend grip probeert te krijgen. Ze doet er in de hele bundel alles aan ‘het juiste heden’ te veroveren: ‘enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. In die zoektocht naar zichzelf als dichter probeert ze een vast geloof in het heden te doen oplichten. Deze bundel is een intense zoektocht naar betekenisgeving voor dichter en lezer. 



     

  • Manifest van onverwoestbaarheid

    Drie lezingen en vele weken geduld waren er voor nodig vooraleer duidelijk werd dat er aan Koeiendagen van Kira Wuck weinig valt te grijpen, en nog minder te be-grijpen. Poëzie die vrij als stromend water zichzelf lijkt te vormen, zonder zich te storen aan hoofdletters, leestekens, en wat er verder zoal aan regels zijn uitgedacht om het de schrijver en vooral de lezer makkelijker te maken. Gedichten die soms wat langer, soms wat korter zijn; soms een titel hebben, soms ook niet; en die zijn opgedeeld in zes blokken van ongelijke grootte. De inhoudsopgave alleen is al een feestje. Titels vetgedrukt, titels cursief, of gewoon een eerste regel ingeval er geen titel is.

    Wuck hanteert haar taal soepel. Woorden die niet als klinkertjes of kinderkopjes met veel symmetrie en ritmiek in een fraai patroon zijn gelegd in het voorplein van een zestiende-eeuws kasteeltjes, maar hier en daar als ringen in de rotswand geslagen, om met nog iets van houvast een ravijn te kunnen passeren. Met prachtige vergezichten uiteraard, maar ook met peilloze diepten waarvan niemand precies weet wat zich daar afspeelt. Levensgevaarlijk. Maar wel een ervaring die je achteraf voor geen goud had willen missen. Woorden waarvan je niet goed weet wat je ervan moet denken. De titel alleen al: Koeiendagen. In de Dikke Van Dale komt het niet voor. Maar er is iets aan dat woord – en aan andere woorden en zinnen trouwens ook – dat je pakt, dat je raakt, zodat je maar al te graag meedrijft op de melancholie die het oproept.

    Wachten op Vertraging

    Verwacht bij die weidse panorama’s overigens geen scherpe adelaarsblik. Die past niet bij deze gedichten, noch qua vorm, noch qua inhoud. Eerder is het als wachten op een vlucht met vertraging, ergens op een vliegveld ver van huis; met een beker te dure koffie in de handen. Halfslaperig, tussen je wimpers door, kijken naar de andere reizigers. Allemaal wachtend op harde stoelen, aan formica tafeltjes, met hun rolkoffers, hun blèrende kinderen.

    ‘de man die met zijn hoofd tegen het beslagen raam bonkt
     zoekt een uitweg
     hij wordt door antidepressiva aan elkaar geregen’

    Hoe kan taal die zo fragmentarisch wordt gebruikt, zo zonder kop of staart, toch zo’n compleet verhaal vertellen? Nee, eerder nog alsof de verhaal-fase in een rotvaart wordt gepasseerd, in één keer door naar het beeld. De gedichten van Wuck lezen als korte films. En die films zijn van een dermate niveau dat ze moeiteloos internationale prijzen zouden binnenslepen; verbluffend van eenvoud en tegelijk geraffineerd complex.

    Naar believen wordt er in- en uitgezoomd, van cel naar heelal en vice versa, door een ik-figuur waarvan niet zeker is of dat een mens is of een dier. Zelfs niet of het een zoogdier is; mogelijk een amfibie, een weekdier, een visje. Het is allemaal zo diffuus als wat, doorschijnend en zonder materie bijna. En daar tussendoor plaatst Wuck woorden van een onontkoombare en welhaast alledaagse concreetheid: bril, pillen, sinaasappels, kopje, suiker, melk.

    ‘Zure melk

     Als de aarde is opgebrand / hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat / bossen zijn teruggegroeid
     eencelligen voeten krijgen / rechtop leren staan / beschutting zoeken
     misschien is er voor een lange tijd / alleen heel veel zwart / doet iemand vanaf een andere planeet / met zaklampen de sterren na’

    Huidloos naakt

    Een paar jaar terug was er een film met de intrigerende titel Kan door huid heen. Bij het lezen van deze bundel krijgt de lezer bij tijd en wijle het gevoel dat er helemaal geen huid is. Wucks gedichten zijn van een haast lichaamloze transparantie, en tegelijk zijn ze zo lichamelijk als het maar kan; aards, naakt, en op een meer dan gebruikelijke manier nabij. Intiem, op een soms ongemakkelijke wijze.

    Als een peepshow waar niet het platte, directe bloot wordt bekeken, maar de werkelijke intimiteit die zich onder dat evidente bloot afspeelt. De intimiteit van mensen die voor hun geliefde niets te verbergen hebben. De zelfloosheid waarmee iemand zich overgeeft, om te worden uitgehold, verslonden, met huid en haar. Of – het is maar net hoe de verhoudingen liggen – om met de ander te versmelten, zoals slakken paren, traag, langdurig, en ja, huidloos naakt. Niet meer zichtbaar waar de een ophoudt en de ander begint. Voor de betrokkenen zelf mogelijk ook niet.

    Los van de vraag of de lezer hier op zit te wachten – zo ongevraagd en onbedoeld voyeur te zijn van zo’n verregaande intimiteit – verdient Wuck alle lof voor deze bundel, want ze krijgt het toch maar op papier. Als een goocheltruc waarbij je je als toeschouwer alleen maar afvraagt: Hoe dan? 

    ‘Ineens besefte ik dat je geurloos was / alsof je jezelf tot nu toe ongemerkt door het leven bewogen had / toch wist ik je steeds te  vinden en te verleiden / om op lelies te gaan staan / misschien ben je wel een engel / want je huid is ook intact // nog geen doorn heeft in je enkels geprikt / geen scherf heeft je ooit geraakt’

    Herinnerd lichaam

    Wie de door Wuck geschetste en geschilderde intimiteit uitsluitend wil opvatten als liefdespoëzie in positieve, wellicht zelfs romantische zin, komt bedrogen uit. Veel gedichten zijn geschreven vanuit negatief oogpunt. Niet in de betekenis van somber, depressief, zwartgallig, maar als een fotonegatief, als omgekeerde aanwezigheid. Afwezigheid dus; na het vertrek, na het verlies van de geliefde, op welke wijze dan ook.

    Herinnering van aanraking die derhalve niet-aanraking is geworden; gemis, leegte, en de rouw die nu, na het heengaan, om dat ontbreken wordt geleden. En uiteraard met dezelfde intensiteit, wat bijna onvermijdelijk doet denken aan dat prachtige Shakespeare-vers: love is not love which alters when it alteration finds. Ofwel: de liefde is altijd wat ze is, ongeacht de omstandigheden; met een aanwezige of afwezige geliefde; met een levend lijf, of met een herinnerd lichaam dat er in puur stoffelijke vorm allang niet meer is.

    Verval en dood gaan hand in hand, de dood van dingen, het verval van mensen. Of omgekeerd, wie zal het zeggen. Zonder aarzeling wordt in dat bederf gewroet en gezocht naar de gaafheid van het begin. Als tijd niet bestaat – en die indruk wordt veelvuldig gewekt in de gedichten van Wuck – is het er allemaal tegelijk, geruststellend nabij, en pijnlijk afwezig.

    ‘Vintage is hip

    Vannacht droomde ik dat ik in je huis was/ maar het servies was al opgehaald / dus omhelsde ik de aangevreten bank /   dievanbinnen zo hol moest zijn / als een oude ezel // overeind gehouden met telefoonboeken uit de jaren negentig / toen je nog gewoon iedereen bellen kon // de lelijke kopjes zocht ik in elke kringloopwinkel / net als je kleren die hipsters nu dragen’

    Kaarten met spreuken

    Tot slot het allerlaatste vers; daarna komt er niets meer, enkel nog het schutblad. Woorden die iedereen aan het begin van een nieuwe liefde aan de nieuwe geliefde zou moeten toesturen. In sierlijke letters gekalligrafeerd, als op zo’n kaart die je vindt in een molentje, tussen spreuken van Rumi, Rilke of Inayat Kahn. Zo’n kaart die niet zelden eindigt in een mooi lijstje; vanwege de compacte maar o zo waardevolle levenswijsheid. In dit geval als een gebruiksaanwijzing, een manifest:

    ‘je kan met me gooien
     maar niet op me gaan staan
     ik veer niet terug
     en vertrek maar één keer’



     

  • Geloven in het eigen dichterschap

    De Russische schrijver en filosoof Leo Tolstoï (1828-1910), bekend van zijn beroemde roman Anna Karenina (1877), schreef in een van zijn brieven dat ‘werkelijk genoegen niet bestaat, behalve dat wat zijn oorsprong vindt in scheppende arbeid. Wat is moeilijker weer te geven dan de waarheid, wat komt moeilijker tot stand dan helderheid?’ Daan Doesborgh is in zijn nieuwe bundel Moet het zo op zoek naar een verstaanbare manier om tegen de vergankelijkheid in aan zijn dichterschap gestalte te geven. 

    In zijn gedicht ‘Prefiguratie’, voorafgaand aan de bundel, raakt Doesborgh aan zijn voorgeschiedenis waarin de religie een rol speelde. Hij verwijst onder meer met het ‘ruisen van de beukenhaag’ naar een religieuze ervaring op de manier, zoals God Elia nadert op de berg. De dichter lijkt zich hierin bewust te worden van de scheppende arbeid die hem zo nu en dan te boven lijkt te gaan. Met deze religieuze grondtonen opent Doesborgh zijn bundel die uit vijf afdelingen zonder titel en van verschillende lengte bestaat. Het is aan de lezer om de thematische noemer vast te stellen. Achter in de bundel noemt Doesborgh een groot aantal dichters aan wie hij schatplichtig is: ‘I think my friends have gathered here for me.’ (Nick Cave) Of hij deze vermelding uit zelfvertrouwen doet, blijft vooralsnog de vraag. 

    Angst in het donker

    De eerste afdeling plaatst ons direct in de dodelijke actualiteit van Oekraïne. Een granaat, een ‘shrapnelkop ontbrandde’ in een zomerse nachtelijke ontmoeting boven Snizjne. Omgeven door angst in het nachtelijk donker lijkt alles wat het persoonlijke voelt, wordt overgedragen op de dingen. In het ‘Lang sonnet voor Laurens van der Graaff’ concretiseert het ik het dreigende gevaar met dodelijk afloop in dienst van het Oekraïense leger’. In het ‘Sonnet voor de eeuwige jeugd’ stelt hij zich voor, hoe het is om zo jong te moeten sterven: ‘Het niet-begrijpen [daarvan] wordt een tweede huid / Je groeit niet meer jaarlijks je denken uit’. 

    Tragisch is dat in het gedicht ‘Cordyceps’ het ‘sprankelend begin’ van de geboorte tevens het einde inhoudt. Als een cordyceps, een schimmel, zijn we ‘het ware kwaad in de natuur’. In deze bedreigende werkelijkheid is er voor een ieder ‘een weg die je / verkent, er is een pad dat je bent.’ Onder deze bizarre omstandigheden personifieert het ik de dingen, zoals in het gedicht ‘September op het eiland’, waarin hij de steiger laat zeggen: ‘kruip tegen mijn wang / en kus me met je autobanden’. 

    Doesborgh schroomt niet zich in zijn eigen onwerkelijke wereld terug te trekken. In zijn poëzie waart existentiële eenzaamheid, leegte en dreiging rond, waarin hij als oplettend waarnemer soms meegezogen dreigt te worden. Te midden van het muzikale geweld kringelen de gedichten ‘als gas tussen haar lokken’ van Sappho omhoog. In het laatste titelloze gedicht op het plein gaan allen dood, ‘haast terloops’ / en meteen daarna / was alles [weer] weids en licht’. In meerdere gedichten lijkt het ik vrij te zweven, en los van zijn werkelijkheid te komen. 

    Gezondheid en bestaanszekerheid

    In de tweede afdeling twijfelt het ik in ‘De dokter en ik’ aan zijn gezondheid, sterker nog aan zijn bestaan. Hij gaat te rade bij een pièta en vertrouwt zich denkbeeldig toe aan de armen van Maria: 

    ‘ik ben Christus op Golgotha
     of een onbedaarlijke aansteller
     maar niets daartussenin
     ik denk in grotere woorden dan ooit’ 

    Hij weet zich na deze dokterssessie gezond verklaard, en verbaasd zich daarover. Gezond willen zijn en bestaanszekerheid voeren de boventoon in deze afdeling: ‘Het leven zwemt / blikkerend voorbij, niet ziek is / niet klagen.’ Voortdurend leeft het ik in een sfeer van onbestemdheid, alsof hij het leven uit zich voelt wegvloeien, al dan niet verkankerd. Hij vraagt zich dan ook af, hoe kan er dan uit het niets een gedicht ontstaan? 

    ‘zoals je
     uit het niks een dag gezond was
     en de volgende niet.

    Het ik voelt zich nog altijd door de dood bedreigd en vraagt zich af wie van zijn vrienden als eerste zal gaan. Zijn remedie tegen deze levensbedreigende gedachten is het draaien van een film. Net als in de film blijft de afloop van het leven onvoorstelbaar. De doodsangst bedreigt zijn levenszin. 

    Dood en liefde omsluiten elkaar

    De derde afdeling opent Doesborgh met een zeemanslied waarin het terugkerend refrein ‘We zijn doden maar we weten het nog niet’, duidt op een ontbrekend (zelf)bewustzijn van wat onze onbarmhartige condition humaine als levensles inhoudt. In de ‘Ballade voor mijn oma’ brengt Doesborgh een onthutsende hommage aan haar, een trotsmakend boegbeeld dat hem herinnert aan Slauerhoffs gedicht ‘Het boegbeeld: de ziel’. Zij vroeg hem haar te helpen het leven te verlaten: ‘er was een storm opgestoken in haar hoofd’. Dood en liefde omsluiten elkaar dikwijls in deze bundel. De dood van de ander betekent dat hij of zij nog meer aanwezig is dan daarvoor, zoals het slachtoffer op de cover van ‘Time Magazine’. Opnieuw komt de ellende van Oekraïne langs met een opzwellende rivier die de militaire opmars doet stranden. De natuur neemt de macht over. 

    De dood is dominant in deze afdeling. Zo droomt het ik in het vijfdelige gedicht ‘Je mag niet dromen in gedichten maar wel doodgaan’, dat hij stierf: 

    ‘het lijkt alsof we reizen
     langs huizen vol graven
     om een eigen graf te vinden

     zodat men hier 

     in innerlijke vrede
     op het laatste oordeel wacht
     […]
     Een graf!
     zo hebben wij een lus geleefd!
     Op de meter af is zo ons einde
     ons begin.’

    Zo ook in ‘Toen Thomas stierf’ weet het jarige ik zich overvallen door het nieuws van de dood van de ander die achter zijn laptop de dood in zich voelde zakken. Gevonden door andere mensen: ‘Jij was te dood en ik niet jarig genoeg.’  Wat in deze gedichten opvalt, is dat het ik zich zeer bewust wordt van het feit dat doden ‘snel vergeten wie we zijn’. In het gedicht ‘Travertijn’, opgedragen aan Menno Wigman, vraagt het ik zich af, waar de gedichten nu nog vandaan komen, 

    ‘wel
     dat die dode er iets
     mee te maken heeft, 

     Kom op zeg, je leest dit
     immers met mijn stem’

    De vierde afdeling verwoordt vluchtgevaar voor het eigen leven: ‘Het was geen vluchten wat we deden, / een ontsnapping meer, aan iets / wat op ons leven leek. 

    Een houding van gelatenheid die je de dreiging doet vergeten. Het ‘Gedicht met licht’, is een cruiseschip dat licht met bakken vol over het water uitstrooit. Het is zomer en de dingen gebeuren als vanzelf: ‘De iepen aan het water werpen grote / kanten schaduwrokken op de scheefgezakte / kade’ 

    Zoeken naar zelfvertrouwen

    Beeldrijk formuleren lukt Doesborgh lang niet altijd. Het is ook een moment van verrukking, je opgenomen weten in een groter geheel. Nadat het water van de ‘Maas’ gezakt was, waren alle stammen gedrapeerd met ‘knapperige Degasjurken’. Opnieuw doemt zijn oma op die ‘ziet uit het raam hoe de oever haar dagelijks nadert’. Als het ik vijf is, durft het niet uit het raam te kijken naar het naderende water.

    Het zand van Aalsbeek aan de Maas blijkt in het achtdelige gedicht ‘Van water’ nauw verbonden te zijn met zijn levensgevoel: ‘ze zeiden toen / dat je geboren was uit water’. Het is de plek vol geheimenissen. Op het einde neemt de rivier zijn ruimte onder de lage lucht. Kiezels rollen ‘de laatste meter tot het water / dat likkebaardend je naam hijgt’. Met deze hartstochtelijke beelden neemt het natuurlijke leven zijn loop. Het gevecht met het achterlaten van de ander blijft. Ter geruststelling volgt er een ‘Bezwering’: 

    ‘je bent zoals je altijd bent geweest  

     en doet alsof je altijd zo zal zijn. Dan heb je
     spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan:
     bestaan in het volle licht van het bestaan.’

    In de laatste afdeling komen we dichter bij wat het lyrisch ik bezielt. Bovenal is dat geloof hechten aan het dichterschap. Geen rijm. Geen trukendoos en alledaags taalgebruik, maar ‘schrijven alsof het er altijd al stond’. Deze poëticale opening zegt iets over het zoeken naar zelfvertrouwen door deze dichter: Zo is ten slotte elke gebeitelde regel / weifelend neergeschreven door iemand / die eerst moest geloven / in zijn eigen gezicht.’ 

    ‘Gezicht’ is hier in de betekenis van ‘beeld’ dat zich aan hem voordoet op het moment dat de dichter bezig is zijn woorden aan het papier toe te vertrouwen: ‘Wat denkt die vent [wel], / vanwaar dat licht?’ Gelooft hij er nog wel in? In hoeverre kan hij wegblijven van de vorm? Hier is enige worsteling bij het schrijven te proeven, terwijl de dichter tezelfdertijd behoefte heeft aan ‘spelregels’. De conclusie is voor hem duidelijk: hou je in dit spel klein, laat de taal haar werk doen. 

    Al met al weet de dichter zich voor een onmogelijke opdracht gesteld. Toch ontleent hij troost in dit vergankelijke bestaan aan het grote gedicht van W.B. Yeats, terwijl het ‘meer zingt’. Wat er ook aan de overzijde gebeurt, ‘jij loopt over straat met dit gedicht. / Geen mens kan je iets maken.’ De dichtkunst geeft hem iets onoverwinnelijks. In ‘Het lied van der dwaze bijen’ van Nijhoff vindt de dichter zijn positieve slotakkoord. Daarin laten de nieuwe koningin en de bijen hem ‘dansend de stand van de zon […] zien’. Doesborgh heeft in deze bundel geprobeerd de vergankelijke wereld te begrijpen. Voor hem is het dichterschap een manier om daaraan tegenwicht te bieden: ‘bestaan in het volle licht van het bestaan.’

     

     

  • Voetbal en poëzie

    Nu de biografie van Hugo Claus (1929-2008) verschenen is, werd zijn stem weer uit  het geluidsarchief gehaald. Op radio 4 was te horen hoe Claus poëzie vergeleek met voetbal. Verontwaardigd vond hij dat wie een toegangsticket voor een voetbalwedstrijd kocht, voor datzelfde geld een boekwinkel kon binnenstappen om twee of drie dichtbundels te kopen. Dat men meer waar voor zijn geld zou hebben. En waarom ‘men’ dat dan niet deed. Men zou willen dat het zo eenvoudig lag. Er zijn er die van voetbal en poëzie houden, er zijn er meer die enkel aan voetbal tijd en geld spenderen. Liefde kan niet gedwongen worden. Ofschoon literair tijdschrift Het liegend konijn een goed begin is voor wie zich aan de poëzie wil wagen. 

    Het liegend konijn verschijnt tweemaal per jaar met gedichten die nog glanzen van de nieuwigheid. Gevestigde dichters als Erik Lindner, ‘Dromen zijn rommelige verhalen’,  Tomas Lieske met ‘Vier gedichten over Charlotte de Bourbon (1547-1582), Halverwege gaan de paarden spreken, hun taal is Pools en halverwege.’ Eva Gerlach, ‘Er is geluid dat ons bereikt ook als we / niet luisteren, niets horen. Tik, tik, tik,’. Bernard Wesseling met negen gedichten: ‘Iemand moet zijn uiterste best doen en jammerlijk falen / opdat jij kunt uitblinken’. En Florence Tonk: ‘We weten het / allemaal wel / dat stralen van sterren / veelal / signalen zijn / uit het hiernamaals / (…).’ 

    De nog niet alom bekende, maar wel veel geprezen Alara Adilow stond drie gedichten af over verwondingen, bedriegen en liefde. Adilow is een veelbelovende Nederlandse dichteres van Somalische afkomst. Haar debuutbundel Mythen en stoplichten werd vorig jaar bekroond met de Herman de Coninckprijs, de C. Buddingh Prijs en stond op de shortlist van de Grote Poëzieprijs. Haar stijl is overrompelend. ‘haar verwonde mond lag in mijn adem / Lag stil, stil lag ik daar genaakt in haar / en ik dacht adem en ik ademde en adem’.
    Er zijn jonge dichters die, zoals een goed dichter betaamt, in de voetsporen treden van dichters die hen voorgingen. Kevin Amse schreef, geïnspireerd door Hugo Claus, het gedicht ‘Drang’. Elk couplet begint met, ‘Hoe’. ‘Hoe we de dagen als een kamerjas van ons af laten glijden / dit vermetel vrijen, je ranke vingers als kluiven in mijn mond.’ Een gedicht van twaalf coupletten, de stem van Claus klinkt er in door. Er zijn meerder dichters die in reactie op, of in de geest van de oude dichters schrijven. Strofen die gedragen worden op de wind die eerdere dichters hebben aangewakkerd, verrijkt de poëzie van nu. In reactie op Dylan Thomas schrijft Bo Vanluchene, ‘zo razen wij razend uit alle macht / gapen wij tot tranen, de dag / is niet van ons, alleen de goede nacht’.

    Anne Louïse van den Dool verwerkte de aankoop van een huis in vier gedichten: ‘Onderpand, ‘Fundering’, ‘Vochtdoorslag’ en ‘Meerwerk’. Uit een ‘onafhankelijk opgesteld bouwkundig’ rapport blijkt de dreiging van een miskoop.
    ‘terwijl we de pagina’s omslaan vult onze blik zich met optrekkend vocht / tussen onze beglazing wordt condensatie aangetroffen / zwijgend zetten we parafen onder veertig papieren / we bedanken voor de buitenkans’. Een meesterlijke gedichtenreeks, gretig uit voor te dragen aan huiszoekende vrienden en familieleden. Er valt zowaar een les te leren uit poëzie.

    Honderdzeventig gedichten van zesendertig dichters. Het Liegend konijn heeft er patent op dat wanneer je erin duikt, onderdompelend de poëzie ondergaat, er met moeite uitkomt. Dat de verwondering, het genieten en de bewondering de kop opsteken. Werd in eerdere edities, haast traditie, werk opgenomen van een enkele (jonge) debutant op de laatste pagina’s van het tijdschrift, is er nu werk van een tiental nog niet met een bundel gedebuteerde dichters opgenomen (jong en oud).

    Dat het afhangt van hoe je de bal legt voor je schiet, of hoe een dichtregel wordt aangevlogen om de toeschouwer/lezer te bereiken. ‘overgiet de jonge sla / met afwaswater, trek alle leven / en vierendeel de spliterwten.’ Zo weet Ludwig van de Voorde ‘jonge sla’ slim op te voeren in zijn poëzie, dat (voorgezaaid door Kopland) altijd goed wordt verstaan.



  • Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

    De Duitse sinoloog Richard Wilhelm (1873-1930) hield in 1923 voor Carl Gustav Jung (1875-1961) en zijn collega’s in de Psychologische Club te Zürich een lezing over I Tjing of Het Boek der Veranderingen. Dit oude Chinese wijsheids- en orakelboek gaat terug op bronnen tot 4000 v. Chr., vermoedelijk afkomstig uit de Han-dynastie. Kort tevoren had Wilhelm het boek in het Duits vertaald en van commentaar voorzien. Al vanaf 1913 kende Jung Wilhelm en zijn vertaling van het boek Het geheim van de gouden bloem, een ander Chinees levensboek. Na lezing daarvan kwam Jung tot de conclusie dat de wijsheid van het Oosten aan de mensen daar toebehoort en hem alleen datgene toebehoort wat uit hemzelf voortkomt. Maar de fascinatie voor het Oosten was wel bij hem gewekt.

    Hester Knibbe heeft het Boek der Veranderingen als uitgangspunt genomen voor haar nieuwe bundel Binnen in de aarde is een berg. Ook bij haar moet er door de lezing van de I Tjing iets van die fascinatie voor die geheimzinnige werkelijkheid zijn opgeroepen, maar ook de afstand daartoe. Het gaat haar niet zozeer om het orakelkarakter, maar om kennisname van teksten met eenzelfde scala aan driften, mogelijkheden en beperkingen waarin we ons in deze moderne tijd nog altijd kunnen herkennen. In het bijzonder heeft ze de titels van de hexagrammen als inspiratiebron gebruikt om te zien in hoeverre er verbazingwekkende coïncidenties ontstaan tussen gewaarwordingen en ervaringen in haarzelf. 

    Vanuit de bron en verder

    De bundel bestaat uit twee afdelingen en bevat vierenzestig hexagrammen en opent met een citaat van Louise Glück: ‘Who can say what the world is? The world / is in flux, therefore / unreadable’. Onze wereld is permanent in beweging en laat zich moeilijk in woorden vangen, maar mensen blijven zoeken naar een houvast te midden van die nimmer aflatende beweging. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘Aan de voet van de berg ontspringt een bron’. Vanuit deze onnatuurlijke situatie is het mogelijk op een tegendraadse manier te denken. Het gedicht, voorafgaand aan de hexagrammen, spreekt over een vrouw die een denkbeeldig pad in haar geest harkt, en zo een creatief spoor creëert door de tijd heen. We volgen daarna in grote lijnen de ontwikkelingsgang van kindertijd naar volwassenheid. 

    Al in het eerste hexagram, in tweeregelige strofen geschreven, beseft de ik dat hij met zijn woorden niet gelooft ‘de waarheid te [kunnen] kennen’. Soms zingen de woorden rond: ‘bitterzoet soms als hemelse honing’. Maar een mens redt het niet alleen met de hemel. We hebben de aarde nodig, die door ons toedoen ‘verschraalt’, maar we willen ondertussen geen gemis ervaren in leven en liefde. Die afhankelijkheid ervan begint al op het moment dat een kind ter wereld komt. De daaropvolgende periode, ‘de jeugddwaasheid’ van de puberteit, behelst de zwerftocht naar geluk en liefde. 

    Vanuit het perspectief van de levenslange ontwikkeling heeft Knibbe een reeks gedichten gecomponeerd waarin een enorme vaart zit. Enjambementen en de snelle opeenvolging van beelden, gebiedende wijs en versregels zonder werkwoordsvormen, filosofische observaties als ‘Het uitzicht is nergens hetzelfde en zoeken duurt langer dan vinden’ dragen daartoe bij. Knibbe wil veel zeggen in zo min mogelijk woorden. De gedichten zijn gelaagd en compact van opbouw. Soms lijkt de inspiratie haar te overspoelen. 

    Spiegelende problematiek

    De gedichten spiegelen de actuele problematiek: klimaat, migratie, smartphone, armoede en eenzaamheid. Naast de aantasting van de natuur is er het probleem van de bedelaars op straat, terwijl er ‘een gloed / lente over het leven en de meeste passanten / leken tevreden’, is er ‘Het leger’ van ‘makkers voor even’ die luidkeels van zich laten horen en die dromen op ‘Plaza Utopia’. Ze klampen zich aan elkaar vast. Maar gelukkig is de temmende kracht van de smartphone die hen toelacht’ en die de jeugd zich machtig doet wanen. Dit kleine heelal waarin op beeld de wereld langskomt, doet sterk verlangen ‘naar een aardse omhelzing’. 

    Dat het egocentrisme hoogtij viert, blijkt voor de ‘spiegel van de maakbaarheid’ als iemand zich ontkleedt. Hij weet zich afgesneden van de wereld om zich heen. Hoe vind je dan ‘de vrede’, de moed, in zo’n geïndividualiseerde wereld om ‘een vreemdeling binnen te laten’. Hoe moeilijk is het in een ‘Gemeenschap van mensen’ ‘de Olympus [te] bestijgen // en […] de vlakte / met haar luie bedrijvige menigte // [te] mijden.’ 

    Een mens dient immers te weten dat hij ‘tot beiden: god / die een mens zoekt en andersom in één lijf // dat met de voeten stevig geplant op de grond / het niet nalaten kan naar de hemel te kijken.’ Deze dubbelzinnigheid lijkt mij de dualiteit waarom het in deze bundel draait. Die verscheurdheid is van alle tijden: hoe je welkom te weten in deze leegte: ‘die men ontwaarde in eigen en / andermans ogen en adem’. 

    In al het onmogelijke klinkt een positieve levensinstelling door. In ’De bekoorlijkheid’ zien we in het maken van het selfie boven op de denkbeeldige berg heel duidelijk de grootheidswaan en zelfzucht van de hedendaagse dalbewoner: ‘Het is / me gelukt! Voegt hij toe (met dat // uitroepteken erachter, hartje erbij).’ 

    Ondertussen moeten we de onschuld van onze kinderen afschermen tegen alles wat het leven tegenwoordig bedreigt, zoals de algoritmen op de telefoon: ‘O algoritme van de liefde red de gestrande reiziger! […] wat // liegen verhullend je enen en nullen? / Zeg het niet, zeg // tegen de eeuwige reiziger: / weet ik niet.’ In het innerlijk hooggebergte met al zijn veranderingen en verschuivingen ligt het gevaar op de loer. 

    De tweede afdeling ‘Op de berg is een vuur’ gaat over de inwerking van andere mensen op het leven van het individu gedurende zijn tocht door de bergen: ‘is het [dan] de geest die het lichaam / meesleept of neemt het lijf de geest mee op reis?’ Het leven zit vol schijnbewegingen en is een vuur ‘dat steeds hoger // en dieper vlamt. Misschien bestaat het grote / soms even uit samen.’ Er zit een optimistisch grondtoon in deze voortsnellende, observerende poëzie die de ironie van ons tijdgewricht niet uit de weg gaat. Knibbe toont haar meesterschap in haar metafoorkeuze. Ze gaat dilemma’s niet uit de weg: ‘Het is de wereld vandaag / die we veroveren moeten voor morgen’. Ze vraagt zich af of er wel voldoende aandacht voor het zwakke in onze samenleving, zoals al die ontheemde jongeren, voor wie het gezin ‘Het gezin’ zo wezenlijk is: ‘het hart [zou daarin] de basis [moeten] vormen / voor de verdeling’. Veel blijft voor Knibbe een vraag waarvoor geen oplossing voorhanden is, maar ze blijft zoeken en zich openstellen voor de routes omhoog uit het dal, op weg ‘naar het vuur’: ‘binnen in de aarde is een berg’.

    Deze bundel geeft een schets van een levensweg langs steilten en afgronden. Heel nadrukkelijk werpt Knibbe in deze tweede afdeling de vraag naar de zin van dit leven op: ‘Of ik besta is een vraag die niemand mij stelt. / Mijn wereld? Een raam met uitzicht op elders // en nergens’. Daarmee brengt ze de metafysica haar poëzie binnen. Wie zegt er eigenlijk ‘ik’ in mij? In ’De omwenteling’ rijst de vraag: ‘waarvan en waarheen”. Je ontwaakt in een andere droom, ‘steeds besta ik in een andere droom’. Het wereldnieuws klimt lomp door het raam: ‘Waar / gaan ze naartoe? We volgen de waan van de dag. Telkens blijkt dat ‘Een duider / duidt en een andere duidt // hetzelfde anders, ze spreken / de taal van zeker weten’. Het blijft een Babylonische spraakverwarring. 

    Toenemende verlatenheid

    Naarmate de tocht op de berg vordert, neemt de verlatenheid toe. De eenzame zwerver, de pelgrim, de doler, hij moet lenig van geest zijn. In ‘Innerlijke waarheid’ geeft Knibbe een prachtig portret van de dichter die verleidend zich de woorden en beelden toe-eigent: ‘salonfähige non in habijt / met hoog split, ik kuis mij klunzige // schaamte schrans taaloordeel / over komma en punt spreek // niet met gom in mijn mind.’ Ze zoekt naar waarheid en verblijft in leugenachtigheid. Door alles heen is ‘mijn weg […] goedgelovig en / louche van aarde, ik kijk naar de mier: is nijver // de basis van een solide / bestaan? 

    64 – Voor de voleinding

    Een vrouw harkt het grind in haar tuin, harkt
    het in banen in cirkel, harkt

    de golfslag van zee rond een steen, harkt
    aandachtig een pad

    in haar geest. Ze weet dat
    wind wat ze doet zal verwaaien, tijd

    het slordig zal wissen, één
    voetstap en de golf

    breekt, is het eiland opnieuw niet meer
    dan die steen. Ze weet dat 

    het grind geen betekenis heeft: het gaat
    erom dat de hand beweegt.

    Dezelfde vrouw als uit het openingsgedicht harkt haar tuin en sluit de cirkel: ‘Ze weet dat / wind wat ze doet zal verwaaien, tijd / het slordig zal wissen’. Het grind heeft geen betekenis: ‘het gaat /erom dat de hand beweegt.’ Knibbe laat het begrijpen van deze levensreis als mens en dichter voor wat het is, het gaat ‘erom dat de hand beweegt.’ Niet het waarom, maar het meegaan in de beweging waarin je gesteld bent, is waar het om gaat.