• Hoe lang mag rouw duren en wie bepaalt dat

    Hoe ga je verder met je leven, als een van je kinderen is gestorven? Kom je de dood van je kind nog ooit te boven? En helpt het, als je ‘je leed te boek stelt’, zoals P.C. Hooft Maria Tesselschade aanraadde bij de plotselinge dood van haar dochter en man? Kun je het ‘van je afschrijven’?
    Toen baby Constantijn nog voor zijn eerste verjaardag stierf, schreef vader Vondel een troostrijk gedicht, maar bij de dood van zijn achtjarige dochter Saartje was er in zijn bittere gedicht over haar geen troost meer te vinden. Van Eeden zag de dood van zijn 24-jarige zoon Paul als een ‘ontwaken’, Bilderdijk verloor tien kinderen en schreef voor hen allemaal apart een gedicht, maar brak pas echt bij de dood van de elfde, Julius. En in recentere tijden hebben Jan Wolkers, A.F.Th. van der Heijden en P.F. Thomése aangrijpend over de dood van hun kind geschreven. De moeders lijken minder van zich te laten horen: Vasalis, Esther Jansma en vooral Anna Enquist zijn namen die zich aandienen als het gaat om schrijven over een gestorven kind, waarbij vooral voor Enquist het een allesoverheersend thema in haar werk is geworden.  

    De titel van haar negende bundel, Berichten van het front, duidt er op dat zij nog steeds een gevecht moet leveren om verder te kunnen leven zonder haar dochter die in 2001 op 27-jarige leeftijd door een vrachtauto werd geschept en overleed. In het eerste gedicht Oudjaarstoespraak, dat los staat als een aankondiging, noemt Enquist ook een aantal schrijvers die gebukt gaan onder de dood van een kind. Ze spreekt ironisch over hen en over zichzelf als: ‘de werkgroep gedupeerde dichters, / de vereniging rouwende schrijvers’, […] vlijtig /  schrijvend aan de zinnen die wij schrijven moeten. / Wij kneden het gemis totdat het op de bladzij past.’

    Poëzie als gebalde vuisten

    Wat volgt is een cyclus van tien gedichten over de Griekse godin Demeter, oorspronkelijk de godin van de landbouw, maar ook van het graan en de groei van de gewassen. Haar dochter Persephone werd ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Demeter smeekte Zeus, de oppergod, om haar dochter naar haar te laten terugkeren en hij stemde toe, maar op de terugweg uit het dodenrijk at Persephone vier pitjes van de granaatappel die Hades haar had meegegeven, waardoor ze gedwongen werd om vier maanden per jaar bij Hades in de onderwereld door te brengen. In die vier maanden treurt Demeter om de afwezigheid van haar dochter; dan is het winter op aarde en wil er niets meer groeien.
    In enkele van de gedichten identificeert de dichter zich met Demeter en maakt haar verdriet inzichtelijk, maar ook bekritiseert ze haar en neemt ze afstand: Demeter mocht haar dochter uiteindelijk acht maanden per jaar bij zich hebben; voor de dichter is dat niet weggelegd. 

    Verdriet en woede voeren de boventoon in de gedichten: Enquist schrijft rauw en hartstochtelijk en met gebalde vuisten. Ze gebruikt woorden als ‘razernij’, ‘geteisterd’, ‘onmachtig’ en ‘verscheurd’ om aan te geven hoe zij zich voelt.
    Troost wordt gezocht – maar slechts ten dele gevonden – in de natuur. Ook in de afdeling Hoog, wit, koud van gedichten die de natuur beschrijven, kiest de dichter bewust voor de onbarmhartige kant van de natuur, de koude winter, het kille ijs en ‘de hoogste hoogten / waar niets meer groeit’. Op een tocht door de bergen in Zweden worden de sneeuw en het ijs een symbool voor het bevroren zijn in de tijd en het niet verder willen gaan.

    Alles gaat verder

    In de derde afdeling Ter hoogte van het gras komen de raadgevers aan het woord, die allemaal zo goed weten hoe het moet, rouwen en verder gaan. Maar wie bepaalt voor een ander hoe lang rouw mag duren? 

    Vakantie

    ‘Je moet vakantie, zeggen ze, berglucht
     en meer nemen dan geven. O nee,

     de raadgevers weten van niets. Veel
     weet ik niet uit te delen en reizen is:

     vlucht. Tussen de hagen van de tuin
     moet ik, onder de onnozele fruitbomen

     met hun zinloze oogst ieder jaar, potten
     vol appelmoes, vijgenjam, kweegelei,

     -met de kleinkinderen, dat wel, jazeker –
     ophouden met de weidsheid, de hoogte.

     Wend je tot het robuuste gras, groen
     tussen dorre plaggen. Niets beleven. Zijn.’ 

    Bijna twintig jaar na de dood van haar dochter is ook de dichter verder gegaan, al kijkt ze nog steeds op bij het zien van ‘Een vrouw uit haar geboortejaar / met brede heupen, grijzend haar’. Ze kan geen afstand nemen van de tastbare herinneringen aan haar dochter in een huis dat als een museum voor haar is ingericht. Maar er lijkt verandering op komst, een afsluiten en een nieuw begin: de gedichten spreken van het snoeien van de planten en hun ‘ongepaste groei’, het opruimen van de tuin, het omhakken van de buxushagen waar de mot in gekomen is:

    ‘Wie durft zet de bijl erin, ontsteekt het vuur
     -een jaar later nog een zwart litteken naast
     de schapentrog. Maar kijk, uit de stompen
     barsten de nakomelingen, drie op een rij, frisgroen
     glimmend, bedauwd, stomweg groeiend alsof
     er niets is gebeurd, alsof er genoeg is gerouwd.’

    Kleinkinderen en muziek

    Troost wordt gevonden bij de kleinkinderen en in muziek. Enquist gaf daar al eerder blijk van als pianiste in haar roman Contrapunt. In het laatste gedicht van deze ontroerende bundel Berichten van het front worden die gecombineerd: 

    Voor de stilte

    ‘De drummer is drie jaar. Hij heeft
     de hele dag een liedje in zijn hoofd.
     Jij ook, oma? ja, oma ook. Al wat zij
     ooit gehoord, gespeeld, gezongen heeft
     ligt in die jukebox vastgelegd. Dat blijft.

     O ja? Als het haar wit voor ogen wordt
     omdat het zover is? Als zij verlangt naar
     pauken en trompetten en misbaar? Buiten
     de tijd verstomt alle muziek. Het is de hel.
     Dat gaat ze niet vertellen aan de trommelaar.’

    Woorden zijn leugens, zegt de dichter. Tijd en ouderdom maken je niet milder zegt het gedicht Boterdeeg, je moet ‘rechtop staan en het slagveld overzien. // Dan kieper je – geen angst, geen afgunst – heel dat / reservoir aan kennis en herinnering de afgrond in.’ Enquist is in haar gedichten streng en gebiedend voor zichzelf, maar niet voor de lezer. Je hoeft haar teksten niet te lezen, zegt ze. Maar wie dat niet doet, mist een diepe en overweldigende ervaring.

     

     

  • Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Jozef Deleu (1937) is bij veel poëzielezers misschien wel het meest bekend vanwege zijn functie als stichter en hoofdredacteur van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat tweejaarlijks verschijnt en gedichten onder de aandacht brengt die nog niet elders gepubliceerd werden. Ook heeft hij diverse bloemlezingen samengesteld, waaronder een van het werk van Guido Gezelle en het Groot Verzenboek, een dwarsdoorsnede van de beste Nederlandse gedichten van de 20e eeuw. Dat Deleu zelf ook dicht, is waarschijnlijk veel minder bekend. Toch heeft hij sinds zijn debuut in 1963 zeven dichtbundels gepubliceerd, deze zijn nu integraal opgenomen in de verzamelbundel Ondoorgrond, gedichten 1963-2019, tezamen met twee bundels lyrisch proza en de laatste, niet eerder verschenen dichtbundel Tussentijd. Voor zijn dichtwerk ontving Deleu in 1965 de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen en in 1995 de Prijs voor Poëzie van West-Vlaanderen.

    Monumentale verzameling

    Het is zoals te verwachten een monumentale verzameling geworden. De gedichten daarentegen zijn niet zo omvangrijk en nemen slechts een klein gedeelte van de bladzijde in. Deleu is geen man van een grote omhaal van woorden. Elk woord in zijn gedichten lijkt zorgvuldig gewikt, gewogen en gekozen:

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad.

    (Uit: Overboord, 2012)

    Het hoogst noodzakelijke

    Deleu houdt zichzelf strak in de hand, de gedichten doen stoïcijns aan, beheerst en teruggebracht tot het hoogst noodzakelijke. Dat dit een kunst is die pas na vele jaren geperfectioneerd is, valt goed waar te nemen als de vroege bundels vergeleken worden met het latere werk. De dichter lijkt steeds minder te hoeven uitleggen terwijl de zeggingskracht van de gedichten juist groter wordt. De eerste bundels tonen nog overmoed en grote gevoelens, die uit de latere bundels zijn ingetogener, verstild. 

    Een verdere vergelijking van de verschillende bundels laat zien dat ze ook iets gemeenschappelijk hebben, het thema van leven en dood, tijd en vergankelijkheid. Er is vrijwel geen gedicht in zijn gehele werk te vinden dat niet het woord ‘dood’ in zich draagt. Deleu lijkt geobsedeerd door de dood, maar aanvaardt het feit dat er een einde is met hetzelfde stoïcisme dat zijn gedichten kenmerkt. Zo luidt de titel van de bundel uit 2005 Gras dat verder groeit, als een verwijzing naar de Bijbelse woorden ‘Alle vlees is als gras’ uit Jesaja 40:6. 

    Toch doet de titel van het verzamelde werk, Ondoorgrond, vermoeden dat ondanks de preoccupatie van de dichter met de dood, dit niet geleid heeft tot weten wat dood en leven inhouden. Maar Deleu streeft ook niet naar die kennis; hij laat het geheim intact.

    Over de dood

    Over de dood
    moet je schrijven
    als over het leven.

    Een doordeweekse dag
    valt de regen niet meer
    laat de zon zich niet meer zien.

    De dieren gaan schuilen
    voor de grauwe as, de dag
    is even zwart als de nacht.

    De postbode komt
    met een brief die je
    niet meer verwacht.

    Zo eenvoudig het leven
    zo eenvoudig de dood
    alles even.

    (Uit: De jager heeft een zoon, 1995.)

    Dichten voor kinderen en vrouw

    Omdat de dood geaccepteerd wordt als een vaststaand feit, kan de dichter zich ten volle richten op het leven voor de dood. Juist het besef dat alles tijdelijk is, verhevigt het genot van schoonheid en het carpe diem. Veel gedichten gaan over de volheid van de natuur in het algemeen, over bloemen, dieren en kleine kinderen. Ook over de eigen kinderen schrijft Deleu met liefde en aandacht voor kleine details; deze gedichten behoren tot de mooisten. En in elke bundel staat wel een gedicht dat opgedragen is aan zijn vrouw Anne-Marie. Ook hieruit spreekt de intense aandacht voor het leven en de liefde. 

    De taal is voor Deleu het middel bij uitstek om een brug te slaan tussen het leven en de dood. Zijn woorden en gedichten moeten de vluchtigheid van het leven vangen en bestendigen. Deleu schrijft om niet te vergeten, om de tijd te laten voortbestaan. Via de taal wordt elk gedicht als een stolp over een moment in de tijd gezet en wordt daardoor bewaard. 

    Binnen dit verzameld werk staan de bundels met lyrisch proza als uitzondering op de regel. Gezangen uit het achterland (1981) bestaat uit een Voorzang, zes ‘Bewegingen’ en een slotzang. Deze lange prozagedichten vertellen hoe een vrouw, Cecilia, aan haar man Felix terugdenkt, die in de Tweede Wereldoorlog van de honger krankzinnig is geworden en gestorven is in een inrichting, het ‘Gesticht’. Ze herleest zijn brieven – waarvan Deleu de spelling met opzet verouderd heeft – en herdenkt hem met liefde, maar probeert ook een manier te vinden om verder te gaan met haar leven in de wetenschap dat ‘alles de moeite waard blijft. Ondanks alles.’

    Ook in deze gedichten die zo duidelijk anders zijn, blijft Deleu trouw aan zijn thema’s: de dood moet aanvaard, de tijd onderworpen en beheerst worden.

    Klassiek in zijn thematiek

    Het is opmerkelijk dat de redacteur van een tijdschrift dat plaats biedt aan nieuwe dichters zelf zo klassiek is in thematiek en versvorm. Deleu experimenteert niet, met vorm noch inhoud. Zijn poëzie is niet maatschappelijk geëngageerd noch modern of vernieuwend. Deze traditionele gedichten zijn tijdloos, niet onderhevig aan mode of trend, juist door hun onveranderde consistentie. Ze maken indruk doordat ze ontdaan zijn van elke afleiding van het wezenlijke, de kern. Zo geconcentreerd teruggebracht naar het allernoodzakelijkste tonen ze door de hele bundel heen de constante kwaliteit van een groot dichter.

    Nu Deleu drieëntachtig jaar is geworden, is deze verzameling van zijn complete werk als een eerbetoon aan zijn lange dichterschap. Het laatste gedicht uit het verzameld werk is zeer toepasselijk getiteld Nalatenschap:

    […]
    wat wij deden
    of nalieten te doen
    wat wij opbouwden
    of bestreden
    was openbaar

    van verlies was geen sprake
    op winst werd
    nooit gehoopt –
    niets ging verloren

    De dichter lijkt hier de balans op te maken van zijn hele leven en zijn poëtisch oeuvre en kan tevreden constateren dat ‘niets verloren ging’. Of met deze nalatenschap tevens zijn loopbaan als dichter wordt afgesloten, is nog de vraag. Misschien verrast Deleu zijn lezers nog.

     

     

  • Dichten met de moed der wanhoop

    Af en toe wordt in de literatuur de vraag gesteld of deze geëngageerd moet zijn. Dichters als Tsead Bruinja en Peter Verhelst vinden dat ze in hun poëzie kritische vragen moeten stellen over de politieke actualiteit. Jens Meijen (1996), een bewonderaar van Verhelst, trad eind vorig jaar in hun voetsporen met zijn debuutbundel Xenomorf. Hij won er op 26 juni jl. de C.Buddingh’-prijs mee. In zijn debuutbundel stelt hij uitgebreid de klimaatproblematiek aan de orde en het effect daarvan op zijn generatie. Meijen verklaart de titel in het gelijknamige gedicht heel eigentijds aan de hand van Google. Xenomorf betekent ‘niet de gebruikelijke vorm hebbend’. De titel slaat zowel op de alarmerende toestand van onze planeet als op de experimentele vorm van de gedichten: ‘Jij landschap gebloemschikt naar mijn adem / Jij xenomorf’.

    In rijke beelden beschrijft Meijen de wereld van vroeger en nu en werpt hij een blik in de toekomst. Over dat laatste is hij ronduit somber, meteen al in de eerste regels van de bundel: ‘De mens kreeg de natuur om het lichaam open te plooien: vet en groot en naakt werden we.’ We zijn verveemd van de natuur: ‘met elke cirkel van de seizoenen maken we onszelf vreemder’. De dichter moet ‘kneuzen’, de ‘zachte blauwe plekken stollen tot inkt’. Een mooi beeld. Hij moet zijn verontwaardiging uiten: ‘Pas in taal krijgt dit woord een zin’. ‘De mens kreeg taal om het hoofd open te plooien: gedachte werd wereld, wereld werd gedachte’. De taal is echter vaak krachteloos: ‘Deze woorden kwijnen weg, vergrijzen/rotten op de rank’. ‘Wat van ons overblijft is plastic’.

    Met taal het tij keren

    Met Xenomorf doet Meijen toch een poging om met taal het tij te keren, of in ieder geval een bijdrage te leveren aan het inzicht dat het zo niet goed gaat met de aarde. ‘Een bewoonbaar huis is niet / te verzoenen met de verlangens / die je koestert: wildgroei van klimop, een tuin vol diepzeemeren, gletsjers, vol neushoorns, octopi, koraalduikers. Het huis in de tuin zal snel opgeslokt zijn / met de welgemeende excuses van een outsourced pr-team’, schrijft hij in de eerste van drie ‘Puinsonnetten’. Het hoeft niet te verbazen dat deze met de sonnetvorm niets te maken heeft: ook deze vaste vorm is tot puin vervallen. De regels zijn onregelmatig op de badspiegel geplaatst, rijm ontbreekt. Meijen schrijft sowieso losse, vrij vertellende poëzie.

    De dichter beschouwt zichzelf als een aanjager, hij kan het niet alleen: ‘Help me / om woorden weer genoeg te maken, / deze explosie te bevatten / deze tijden te bevolken’ schrijft hij in ‘Vlees zonder bloed / Tijdnood’. En in ‘De god zichtbaar de god’: ‘We zijn mysterie verschuldigd / aan moeder aarde / ook hier en nu, / op deze bank, in dit park. / Schep zorgen voor jezelf / als een kind in Kruidvat suikerkersen’.

    De gedichten schieten in de tijd heen en weer.‘In ‘Een Back To The Future-remake in 2040’ verplaatst Meijen het perspectief, heel origineel, naar de toekomst:

    ‘Iedereen is vertrokken naar koelere plekken,
     waar mensen elkaar niet de kop inslaan voor een glas water.

     Het zal niet lang meer duren
     of ook de bergen zullen vluchten
     naar landen waar ze niet welkom zijn.

     De laatste archeologen graven nog naar sporen,
    de laatste biologen documenteren
    de planten die nog overleven in deze woestijn,
    maar ook zij
    houden het niet lang meer uit.’

     Het was allemaal te voorzien, zegt de dichter in de laatste strofe:

    ‘Maar ik vraag me af:
     wat is het punt van tijdreizen
     als je weet hoe het eindigt?’

    Herinneringen aan vroegste jeugd

    Even later duikt de dichter in ‘Nul’ weer in het verleden en beschrijft een herinnering aan zijn vroegste jeugd, waarin de aanslag op de Twin Towers opduikt:

    ‘Het verleden herneemt zich , wil breuken opsporen
     zoals een computer zichzelf herstelt. Ik zie:
     fluwelen broeken, sandalen met witte sokken,
     veel te grote surfshirts
     en vooral elf september tijdloos
     het ontkiemen van een nieuw millennium
     gladiolen omringen een doodgevroren dier.
     Ik was nog kind. Proefde bloed die nacht.’

    De regels zijn vaak elliptisch van vorm en dat heeft een reden. Meijen geeft deze letterlijk weer in het gedicht ‘Waanbeelden van een omgevallen boomstronk’: ‘Ik vul mijn zinnen met ellipsen / omdat de woorden door mijn vingers glippen / een ontwrichte wereld verdient geen mooie dingen’.
    Het was sterker geweest dit impliciet te laten. De titel van het gedicht verwijst naar Meijens gevoel van ontwrichting door de snel veranderende wereld: ‘ik kan het niet aanzien, / de verandering die betekent / dat ik ook onherroepelijk veranderd moet zijn’. ‘dit gevoel van onbehagen / lijkt op wanneer je door een telescoop kijkt / naar een lege plek in de lucht / waar je zou gezworen hebben dat er net nog / een licht brandde.’
    De dichter vraagt zich meermaals af wie hij nog is, wat hem definieert.

    Het zijn maar stijlfiguren

    Om zijn boodschap kracht bij te zetten gebruikt hij veel herhalingen, opsommingen en parallellismen. De poëzie krijgt hierdoor iets bezwerends:

    ‘Mijn galblaas is een luchtballon

     en ik heb watervrees. Malawi niets meer dan een mooie naam
     en ik heb watervrees. Nooit een punt van homeostase
     en ik heb watervrees. Balans van vloeistoffen, energie, chakra’s.’

    Dat dit ook maar stijlfiguren zijn, blijkt uit de volgende passage waarin de kracht van taal weer wordt gerelativeerd:

    ‘Ik tel mijn leeftijd in seconden en
     mijn naam draagt enkel betekenis in een lang verzonken taal.
     Er zijn skeletten gevonden in de Marianentrog
     met in hun botten gekerfd:
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     herhaal het genoeg en alles wordt waarheid. (‘Ochtendzang van een slaapwandelaar’).

    Citaten uit muziekteksten en Wikipedia

    Heel opvallend zijn de citaten die los van de gedichten worden geplaatst, cursief, aan de rechterzijde van de bladzijde. Vooral citaten uit de muziek, van Britney Spears, rapper Drake tot Spinvis, waarbij hij het citaat van de laatste in de tegenwoordige tijd zet. Verder citeert hij uit Wikipedia. Moderne media (Google, Skype en Snapchat) komen regelmatig in zijn gedichten voor. We bevinden ons overduidelijk in de wereld van de millennial die zijn informatie voor een groot deel van het scherm haalt. Ook dit maakt zijn poëzie heel authentiek. Verder bestaat het onderscheid tussen hoge en lage cultuur voor hem niet. De poëzie bevat zowel verwijzingen naar Sylvia Plath en Kafka als naar Harry Potter en Game of Thrones.

    Doordat het merendeel van de gedichten over dezelfde problematiek gaat, weet je het echter op een bepaald moment wel. Meijen draaft een beetje door, ook al is hij inventief in het variëren op het thema en schrijft hij soms sterke regels (‘vogels kunnen niet vliegen in cyberspace’). Xenomorf geeft vooral een indringend beeld van de kopzorgen van een nieuwe generatie, waarvan de talentvolle Jens Meijen een van de spreekbuizen is: 

    ‘Het mag niet vergeten worden
     zweer me dat ze lezen
     hoe het voelt
     om weggegeven te worden.
     Hele levens lang.’

     

     

  • Naar de ziel van zijn bestaan

    In tijden van intelligente lockdown blijkt nog eenvoudig gereisd te kunnen worden, bijvoorbeeld door het Italië van dichter Giorgio Bassani (1916-2000). Nu de verplaatsing van mensen op een laag pitje staat, weet deze reisleider ons mee te voeren naar plekken die voor hem de ziel van zijn bestaan betekenen. En dat doet hij op haast terloopse wijze: een plaatsaanduiding, de naam van een regio, streek, straat of villa. Veel titels van de gedichten in de bundel Epitaaf (1974) bestaan uit zo’n naam, terwijl het betreffende gedicht de emotionele associatie van de dichter verbeeld. In het gedicht Forte Antenne – een eeuwenoud fort in de Romeinse wijk Parioli – gaat dat als volgt:

    ‘Een tak in het bos zijn
    het blaadje aan die
    tak
    weer worden als je was
    destijds op je derde vierde
    toen je geen vrouw kende
    buiten je
    moeder
    geen andere stad dan
    de jouwe’

    Wat het een met het ander heeft te maken blijft onuitgesproken, maar is wel voelbaar. Er wordt een bepaalde stemming opgeroepen door in de titel zo expliciet te verwijzen naar een plek, terwijl het gedicht een persoonlijke beleving weergeeft. Zoals het doorbladeren van een fotoalbum: bij iedere foto hoort een verhaal dat door de verteller met gloed wordt verteld. De luisteraar krijgt een samengestelde situatie voor ogen, waarvan de foto het enige letterlijke beeld is. De rest bestaat uit aanvullende indrukken en details. 

    Getuigenissen van liefde

    Bassani doet dat met de liefde van een reiziger voor de plaatsen waar hij geweest is. Of de plaats waar hij vandaan komt. Veel terugblikken naar zijn jeugd in Ferrara, naar verschillende familieleden met hun gewoontes en eigenaardigheden. Maar bovenal is het een krachtige getuigenis van de liefde in het algemeen, die meestal in verwondering wordt weergegeven. Met gedachten die een vraagstelling tot gevolg hebben. Zoals in het gedicht Op bed:

    ‘Gisteravond op bed was ik
    aan de rechterkant gaan liggen die zij
    inneemt als ze hier is
    en vanmorgen wakker wordend zag ik mij
    weer links liggen waar ik slapeloos in het donker soms
    het krachtige kloppen hoor van haar
    aanwezigheid

    Wat heeft me er derhalve toe bewogen om in de nacht
    de ruimte van haar grote
    afwezige lichaam
    te verlaten dan de hunkering zelf ook
    niets te zijn?’

    De meeste verzen van Bassani zijn een weerslag van zijn eigen existentie. Hij refereert aan mensen en aan plaatsen en zet zichzelf als vraagteken middenin die constructie. De situatie is vrijwel altijd een herinnering die zijn eigen positie heeft bepaald. Of een gelegenheid om die positie te bevragen. De terloopsheid waarmee dat wordt opgeschreven zorgt voor de bijzondere beleving dat hier geen antwoorden worden gegeven maar slechts vragen worden gesteld. 

    Ook het schrijven is voor Bassani geen concluderende onderneming. Hij weegt zijn woorden en blijft de beschouwende observator van zijn eigen werk. Eventuele kritiek wordt geanalyseerd, zoals in het bijtende Aan een andere criticus:

    ‘Als een gedicht inmiddels – naar jouw zeggen –
    uitsluitend beschouwd moet worden als een simpel
    communicatiemiddel
    zoals zo veel andere welnu
    het zij zo

    Communiceren via de kunst was altijd al
    mijn hoogste streven
    al durfde ik daar nooit maar dan ook nooit
    op te hopen zelfs niet bij jou
    klootzak’

    Lezen zonder houvast

    Het meest opvallende aan de gedichten in Epitaaf is de gecentreerde opmaak op de bladspiegel. Alle verzen staan op een centrale as en zijn niet links of rechts uitgelijnd, waardoor de lezer als het ware moet zoeken naar het begin van de nieuwe regel. Ook het feit dat er geen interpunctie wordt gebruikt en er effectief van enjambementen gebruik wordt gemaakt, maakt dat de gedichten zich niet direct openbaren aan de lezer. De verzen moeten meerdere malen gelezen worden om tot de kern door te dringen. Een leesavontuur dat niet alleen de betekenis als doel heeft, maar ook de talige kant van de dichter benadrukt. Hier dient een groot compliment gemaakt te worden aan vertaler Jan van der Haar.

    Bassani neemt de lezer mee op zijn reis, maar hij is geen openhartige reisleider. Het vereist de nodige concentratie en toewijding om hem op zijn weg te kunnen volgen. Een weg die vrijwel altijd uitkomt bij de liefde.

    ‘Vaak heb ik – alsof ik droomde – ons twee voor ogen naast elkaar
    ruggelings op een groot bed dat veel weg heeft van het onze in Maratea
    de slaapkamer blijkt eveneens nogal hetzelfde
    in het witte ultramoderne meubilair in de blanke
    gipswanden in het hoge raam
    daar verticaal rechts achter het doffe
    silhouet van je grote
    uitgestrekte lichaam
    en zelfs in het licht het matissiaans blauwe licht van zeven uur
    ’s ochtends dat al tussen de spijlen door dringt om
    de lauwe schemer te verslaan’

     

     

  • Spel met woorden zorgen voor een unieke poëziebeleving

    Sensorium betekent volgens het woordenboek ‘een waarneming van alle zintuigen’. Een betere titel kon nauwelijks gekozen worden voor deze bloemlezing van de ‘grande dame’ van de Oostenrijkse literatuur Friederike Mayröcker. De bundel Sensorium etc. is een zorgvuldige selectie uit haar poëzie geschreven vanaf 1939. Het werk pretendeert ook niet meer te zijn dan dat. Haar prozawerk en hoorspelen werden niet opgenomen in deze anthologie. Haar poëzie wordt natuurlijk gekenmerkt door heel wat genrefluïde kenmerken, maar telkens met de lyriek als uitgangspunt. De inspiratie voor haar werk kende veel bronnen: haar moeder die als styliste experimenteerde met vormen en kleuren, haar jeugd in Deinzendorf, naar eigen zeggen een zintuiglijk paradijs, de verschillende invloeden van zowel oorlog als de Wiener Gruppe, en haar eigen flamboyante stijl. 

    Spelen met zintuigen

    Het spelen met zintuigen doet denken aan Nederlandstalige poëtische grootmeesters als Guido Gezelle of Paul van Ostaijen, die trouwens ook, net als Mayröcker, volop experimenteerden met bladspiegel en typografie. Mayröcker onderging drie verschillende ontwikkelingsfases in haar werk en in deze bloemlezing worden die ook mooi geïllustreerd. Haar eerste fase noemde ze zelf haar onschuldige fase. Dit verwijst naar de afwezigheid van referenties aan oorlog en geweld die toen volop aan de gang waren (we schrijven 1939-1950). Korte klankvolle gedichten vormen de hoofdmoot. Geleidelijk aan vinden verwijzingen naar dood en oorlog hun weg naar haar poëzie, zonder evenwel afbreuk te doen aan het spelen met klanken en experimenteren met ritme.

    Haar nauw contact met de Wiener Gruppe is daar niet vreemd aan. De avantgarde-literatuur uit de eerste helft van de 20e eeuw werd vanonder het stof gehaald en Mayröcker schrijft in de traditie van het expressionisme, dadaïsme en surrealisme met al zijn kenmerken. Uit die periode houdt ze ook haar relatie met Ernst Jandl over. Experimenteren met losse woorden, klanken, ritme, maar evenzeer met leestekens, witregels en dubbele betekenissen zijn legio. Haar derde periode komt na een tijd van relatieve rust op poëtisch gebied. Vanaf de jaren zeventig vorige eeuw wordt haar poëzie iets toegankelijker. Ze blijft complexe beelden tekenen van verschillende zintuigelijke waarnemingen, maar er is een soort van rust neergedaald over het geheel. Een elegische toon krijgt de bovenhand.

    Evolutie in haar werk

    Na de dood van Ernst Jandl in 2000 krijgt Mayröcker een serieuze knauw. Haar werk bestaat dan uit een soort van razende taal, vol ongebruikelijke samenhangen qua woord en beeld. Opnieuw doen typografische eigenaardigheden hun intrede. Grote prozablokken vinden hun weg in haar dichtwerk en dat neemt alleen maar toe in haar  voorlopig  laatste ‘gedichten’ uit 2018, gebaseerd op ziekenhuiservaringen. Op dat moment was ze 93 maar nog vol van levensdrang. 

    Sensorium etc. is geen verzameld werk-uitgave, maar een zeer representatief overzicht van het leven en werk van deze auteur tot nog toe. De verschillende periodes komen aan bod en de samenstellers hebben ook de chronologische volgorde gerespecteerd. Daardoor krijgt de lezer zicht op de evolutie in haar werk. De gedichten van Mayröcker zijn vaak complex en moeilijk toegankelijk, maar de rijkdom van beeld en klank, het spel met woorden en betekenissen zorgen voor een unieke poëziebeleving. Wie een beetje vertrouwd is met de avantgardistische traditie kan veel ontdekken en ten volle genieten van het uitgesproken talent van deze onvergankelijke Oostenrijkse schrijfster. Het tweede deel van de titel van dit werk, etc., is natuurlijk niet lukraak gekozen. Het verwijst naar het veelvuldige gebruik van dit woord en het beletselteken in haar werk. Misschien verwijst het ook naar de multi-interpreteerbaarheid en het aanwezig zijn van zovele aspecten in haar bijzondere poëzie. Dit en nog veel meer, etc.

     

  • Intrigerende bundel die aanzet tot overdenkingen

    De debuutbundel van Laurine Verweijen verscheen in februari en werd gelijk genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2020. Gasthuis is een persoonlijke bundel waarvan vrijwel elk gedicht geschreven is vanuit het perspectief van een lyrisch ik of wij. Vanaf het eerste gedicht is het duidelijk dat het hier vrouwen betreft die aan het woord, of het onderwerp zijn: ‘O alle vrouwen die ik nooit zal kunnen zijn’. De verbondenheid met alle vrouwen, ook die uit het verleden, wordt beschreven aan de hand van een beeld van wassende vrouwen in een rivier. Eén vrouw staat symbool voor alle anderen. Het doet denken aan het lied van Bram Vermeulen, Moeder, waarin hij zingt over zijn gestorven moeder: ‘Daar rust het overleven / De kracht van alle vrouwen / De wil op haar gezicht.’

    Cyclische beschijvingen

    De bundel kreeg twee motto’s mee, een citaat van Nadine Gordimer over de seizoenen en hoe je vergeet dat regen bestaat als het een half jaar niet geregend heeft. En van Helene Cixous: ‘I, too, overflow’. Stromen, vloeien, overlopen, vruchtbaar zijn: het zal geen toeval zijn dat de daaropvolgende zeven gedichten de menstruatiecyclus beschrijven en wat die aanricht in het lichaam van een vrouw vanaf de dag dat die zich aankondigt met hoofdpijn en ‘weke benen’ tot aan de dag waarop het daadwerkelijke bloeden begint. Ook hierin speelt de verbondenheid met alle vrouwen een rol. Verweijen schroomt niet om in details te treden en zo een taboe te doorbreken dat nog steeds in stand gehouden wordt. 

    Het vrouwelijke lichaam is vaak onderwerp in de gedichten. De titel, Gasthuis verwijst naar het lichaam, dat een gasthuis is voor bijvoorbeeld een embryo, maar kan biedt ook tijdelijk onderdak aan een man en is een permanente behuizing voor de eigen geest. Gasthuis heeft vanouds ook de betekenis van ziekenhuis: het lichaam kan ziek zijn, een moeilijke zwangerschap herbergen, er kan een abortus overwogen worden of juist een kinderwens;  al deze mogelijkheden komen aan de orde: ‘[…] een groot aantal kamers / heeft lange tijd leeg gestaan.’ Het beeld van de lege kamers keert vaker terug als metafoor voor het vrouwenlichaam.

    De keuze om wel of geen kind te krijgen verwoordt Verweijen het duidelijkst in haar gedicht Kingsize, waarin ze het ‘geenkind’ naast het ‘welkind’ introduceert:

    ‘Je zou keer op keer het nietkind
     naar voren kunnen schuiven, als je keuze
     die je hebt gemaakt, en hoe je die
     met lege handen draagt.’

    Geheel in overeenstemming met De Beauvoirs stelling uit De tweede sekse: ‘Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt’ is het mooie gedicht: 

    Meisje

    ‘Een meisje komt erachter dat haar bewegingen bestaan
     dat als zij haar knie buigt, er een buigende knie in de wereld is

     dat haar uitgestoken hand wordt gesignaleerd, aanvaard

     Hiermee wordt het meisje vrouw. Ze haalt een extra lapje
     vlees in huis en begint te koken. Iemand schuift aan

     iemand schuift op wanneer de vrouw erachter komt
     dat ook haar woorden worden gesignaleerd, aanvaard

     Als iemand weigert te aanvaarden, buigt ze haar knie

     Soms bekijkt ze haar knie, die steeds stijver wordt
     soms bedenkt ze wie haar uitgestoken
     hand signaleert, aanvaardt’

    Relaties als een leeg huis

    Maar niet alle gedichten gaan over vrouwen of lichamelijkheid, ook relaties worden beschreven en dan vooral het moeizame proces waarmee ze tot stand komen en in stand gehouden worden. Want de protagonisten in een relatie staan tot elkaar als dag tot nacht, zoals in de beginstrofe van Fabel

    ‘de dag en nacht kunnen elkaar
     nooit leren kennen
     hoe dichter de een naar de ander kruipt
     hoe meer ze zelf verdwijnt’

    In ‘Tafels en stoelen’ wordt het beeld geschetst van een verbroken relatie als een leeg huis, dat opnieuw moet worden ingericht. Alle keuzes liggen open, want: ‘je hebt het zelf voor het zeggen / Het huis is helemaal van jou en leeg’. Gevoelens van onbehagen worden afgezwakt door de positieve kanten van de situatie te benadrukken.
    De liefde waarvan sprake is, richt zich overigens in deze gedichten niet uitsluitend op een geliefde in de erotische betekenis, ook tussen moeder en dochter is die voelbaar in een van de gedichten.

    Verloren in vertalen van taal

    Een derde thema dat opvalt in Gasthuis, is die van taal en communicatie. In het lange prozagedicht Weeftechniek wijst de titel al op de vaardigheid om van woorden en zinnen een verhaal te maken dat uitgroeien kan tot een gesprek, tot communicatie met een ander. De taal wordt vernieuwd, vermengd met andere talen, woorden daaruit worden overgenomen. Eén van de strofen bestaat uit alfabetisch gerangschikte Engelse woorden voor alles wat te maken heeft met de beweging van water. Daaronder staat een strofe waarin getracht is al deze synoniemen in het Nederlands over te brengen. Hoewel het Nederlands toch ook een groot aantal woorden over water kent, zijn deze niet echt synoniemen of vertalingen van de bovenstaande Engelse woorden; er moet in de laatste regels van het gedicht een tolk aan te pas komen. Ondanks een grote woordenstroom en het zoeken naar de juiste uitdrukking in relatie tot de ander komen we niet tot een samensmelting of symbiose en blijven we ‘lost in translation’. 

    Wederzijds onbegrip speelt een grote rol in deze bundel. Taal is ontoereikend om nader tot elkaar te komen. Het gedicht Moetingen is een spel met taal: het voorvoegsel –ont staat meestal voor iets negatiefs; hier is dat weggelaten om tot het woord ‘Moetingen’ te komen en de voorvallen in het gedicht positief te maken. Maar ‘moetingen’ kan ook staan voor dingen die echt ‘moeten’. 

    Niet alle gedichten zijn van eenzelfde kwaliteit. Verweijen is in haar debuutbundel duidelijk op zoek naar wat het beste bij haar past en wat haar eigen is. Sommige gedichten zijn heel subtiel, ander weer expliciet. Het gedicht, ‘Het lege grijpen / De mug in je vuist’ dat enkel uit twee regels bestaat, had achterwege moge blijven, het doet afbreuk aan de rest. Maar het merendeel van deze bundel is zo goed, dat je deze kleine onvolkomenheden graag over het hoofd ziet. Het is een intrigerende bundel met doordachte en doorvoelde gedichten, waarin de dichter haar beschouwingen zodanig heeft verwoord dat die aanzetten tot overdenkingen. 

     

     

  • Verzamelbundel met aansprekende en originele liefdesgedichten

    Van Breyten Breytenbach (1939) verscheen een kleine verzamelbundel met liefdesgedichten afkomstig uit verschillende periodes van zijn leven. Ze worden op de omslag aanbevolen als ’25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben’. De bundel kreeg de titel Allerliefste mee (waar het gedicht ‘als van veugels’ mee begint) en heeft een eenvoudige en vrolijke lay-out. Een typisch cadeauboekje, gericht op een zo groot mogelijk publiek, en daar is natuurlijk niets mis mee.

    De gedichten zijn van grote kwaliteit en prima vertaald. Een groot pluspunt is dat de originele Afrikaanse versies in het boekje zijn opgenomen, extra verdieping is mogelijk. De gedichten werden gekozen door Annemiek Recourt en de vertalingen zijn – op drie na – van Laurens van Krevelen. De andere zijn van Krijn Peter Hesselink en Adriaan van Dis. Recourt maakt haar keuze is uit de verzamelbundel ‘Rooiborsduif’ die in 2019 in Zuid-Afrika werd uitgebracht ter ere van Breyenbachs tachtigste verjaardag (samengesteld door de Zuid-Afrikaanse auteur Charl-Pierre Naudé).

    Breytenbachs taal

    Meteen valt weer op hoe mooi en rijk Breytenbachs taal is. De gedichten zijn begrijpelijk én origineel, waartoe alleen de grote dichters in staat zijn. Terwijl deze poëzie ook nog eens over liefde gaat. Probeer dan maar eens de clichés te vermijden. Zo is de maan vaak aanwezig, die steeds in een verrassend perspectief wordt geplaatst. In ‘Wintertroost’ uit 1964, het eerste opgenomen gedicht, maakt ze deel uit van het Chinese beeld van de draak:

    ‘en als het weer zomer is
     zullen we gedurende de langbenige avonden
     buiten onder de pergola wandelen
     om naar elkaar te wuiven

     en als het dan donker wordt
     met lantaarns als drakenogen in onze handen
     op de getande daken klauteren om
     naar de grommende maan te kijken’


    In het laatste gedicht, ‘We hebben de maan geplukt’ (2019) wordt het maanlicht letterlijk binnengehaald om de liefde kracht te geven:

    ‘we hebben de maan geplukt
     straaltje voor straaltje
     om het buiten donker te maken
     en de liefde niet te laten verleppen’


    Werk uit verschillende periodes 

    Doordat het gedichten uit verschillende periodes van zijn leven zijn – naar verschijning chronologisch opgenomen – valt extra op wat een authentiek dichter Breytenbach is. Ook dat hij nooit een vernieuwer was: zijn poëzie is klassiek van vorm, vol alliteraties, personificaties, enjambementen, etcetera. De gedichten zijn heel persoonlijk en hebben soms een autobiografisch en anekdotisch karakter. Ze spelen zich bijvoorbeeld een paar keer af in Parijs, waar Breytenbach jaren in ballingschap leefde (1964 – 1975) en waarnaar hij na zijn detentie in Zuid-Afrika in 1982 terugkeerde om Frans staatsburger te worden. 

    De gedichten staan bol van de melancholie. Vanwege de afstand tussen de ik en de ‘jij’ die hij steeds aanspreekt en naar wie hij hevig verlangt. Zoals in ‘gekooide vogel’ (1970): ‘ik ben een nachtvogel naar jou onderweg / door scheuten in de tijd / in tuiten van het duister / over steppen en savannes’. Melancholie is er ook over het ouder worden: ‘nazomeravond: de hemel / een ontsteking achter de Eiffeltoren, / sterren beginnen te brommen in de ruimte / zoals de ogen van vliegtuigen, / en ik met mijn gebalsemde lijf op het balkon / van dit oude gebouw’ (‘handpapier’, 1998). 

    De gedichten zijn zeer zintuiglijk en zinderen van de kleuren, geuren en geluiden. In ‘herfstavond’ (1964) loopt de ik in gedachten met zijn vrouw langs de Seine:

    ‘en de lucht krimpt tot een gebolde violette bloem
     de huizen, de winkels worden blauw en over
     de stad valt de bijtende kilte van vroege herfst: zoete  dood
     de vensters gaan een voor een geel open
     hoe lieflijk rins geurt het haar van mijn beminde in de schemer’


    Aansprekende verbeeldingskracht 

    Er is ook regelmatig sprake van erotiek, in latere gedichten worden die vrij expliciet beschreven. Hierdoor levert de poëzie – ook in het origineel – ten opzichte van de eerdere gedichten aan magie in: ‘als mijn pik ooit de magische/voering van je kut zou vergeten/de diepberg en het knopje clitoris/en het kloppende opzwellen door je tong –‘ (‘De eed’, 2007). Dat is toch iets heel anders dan: ‘ik zal uit haar tong drinken, we zullen als hagedissen/op onze kooi klauteren/langs de vensterbank tot de eerste glimmende nok/en dan de maan’ (‘herfstavond’, 1964).

    Maar denk niet dat de bard op zijn oude dag zijn verbeeldingskracht is kwijtgeraakt. Van een breekbare, metafysische schoonheid bijvoorbeeld is het gedicht ‘ce-suur’ (2012): 

    ‘zes uur en het licht ontvouwt
     een vlag van stille geboorte over de stad
     oud vuur gaat tegen de voorgevels
     van grachtenhuizen fonkelen
     grachten die beweging van weerspiegeling krijgen
     afwijzende gezichten van wolken
     als de liefde van afgelopen nacht wordt vergeten
     later een warreling van bladeren
     een bootje dat het vlies van het dromende water
     openbreekt tot een rilling van stilte
     bij het terugdenken aan de liefde van de afgelopen nacht
     een hond misschien een stem
     een zucht die door de straten slaakt:
     een flard gedicht en een verrukkelijk verdriet
     de ontrukking van vertrekken:
     zo is de zomer van het hart.’

    Zoals de flaptekst al vermeldt, is Allerliefste een ‘ideale introductie op Breytenbachs poëzie’. Het is in elk geval een mooie eerste kennismaking met deze belangrijke dichter. Doe dit mooie boekje beslist aan iemand of aan uzelf cadeau. Aanleiding overbodig.

     

     

  • Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Op 16 maart 2018 stierf de dichter F. Starik aan een hartaanval. Het was ook de dag waarop hij vijftien jaar samen was met zijn geliefde, de dichteres Vrouwkje Tuinman. Anderhalf jaar na zijn overlijden verscheen haar zesde dichtbundel Lijfrente, waarin ze vertelt over de dood van haar partner en de verwerking van haar verlies. Voor deze bundel kreeg ze in maart 2020 De Grote Poëzieprijs.
    Op de voorkant van de bundel een foto van een man die zijn hoofd door een opening steekt van wat een bunker lijkt. Hij draagt een keurig pak, nette schoenen, de manchet van zijn overhemd komt onder de mouw van het jasje uit. Het zou zomaar een begrafenispak kunnen zijn. De gedachte dat de man een kijkje neemt in de onderwereld waar de schimmen wonen, laat zich raden. 

    Iets nieuws staat te beginnen

    Het eerste gedicht van de bundel heet Maart, de maand waarin Starik gestorven is, maar ook de maand van het nieuwe begin: in de vijver groeien de eitjes uit tot kikkervisjes met de belofte van nieuw leven: ‘Vanmorgen evolueerde een van de streepjes / tot een komma. Er staat iets te gebeuren.’ Maar voordat Tuinman vertelt wat dat is, doet ze verslag van de revalidatie van Starik na zijn eerste hartaanval negen maanden eerder, zijn ziekenhuisopname en uiteindelijk zijn dood. Om het te boekstaven, om het niet te vergeten, maar ook om te kijken wat er voor haar is overgebleven nu ze alleen verder moet. Het motto van de bundel, een fragment uit Passengers van Iggy Pop, wijst daar op: ‘(…) So let’s take a ride and see what’s mine’.

    Er zijn een aantal van de klassieke rouwfases in deze gedichten aan te wijzen: ontkenning, woede, aanvaarding. De laatste strofe van het gedicht Automaat luidt bijvoorbeeld: 

    ‘Les twee: ontsluit, nog voor er twijfel kan ontstaan,
    met twee handen alle poorten. Maakt niet uit of
    er push staat of pull. Berust niet, sla desnoods
    degene die een deur voor je open wil houden
    voor zijn hoofd. Ga niet in op de belofte van een wonder.’

    Zuinig op grote woorden

    Tuinman dicht niet met grote woorden en houdt de beschrijving van haar emoties klein. ‘Lief is zuinig op grote woorden, lees ik in jouw computer.’ Ze gaat terecht vanuit dat de lezer zelf wel kan aanvoelen wat er achter haar nuchtere observaties schuil gaat. Vooral in de langere prozagedichten is dat zeker zo, kan iedereen voelen hoe moeilijk het moet zijn geweest om thuis te komen in een leeg huis, kleding en persoonlijke spullen van de overledene uit te moeten zoeken en alles voortaan alleen te moeten doen. Het zijn heel persoonlijke, kwetsbare gedichten waarin geprobeerd wordt het verdriet in te dammen. Troost wordt er niet geboden, maar humor is een van de manieren om het beheersbaar te houden:

    Omgekeerde emancipatie

    ‘Nieuw aangeleerd cliché: ‘deze dingen doet mijn man normaal’.
    Het kastje van het zonnepaneel. De banden op spanning.
    De verstopte stofzuiger repareren. Rouw opent deuren – soms letterlijk,
    als het driepuntsslot kapot is en er een man, een andere dus,
    moet komen, die beweert dat dit al maanden speelt, gebeurt
    echt niet zomaar opeens, daar komt mijn cliché, en haalt zomaar
    tachtig euro van de rekening. Voel ik me schuldig? Soms, een beetje,
    want de meeste van die dingen deed hij helemaal niet,
    of ik deed ze al voor hem. Dan schreeuw ik tegen de schroefboor,
    verwijt hem dat er nooit iets lekker vanzelf werkt, het verdorie
    ook nog regent en ik een levende gemeenplaats ben.’

    De praktische aangelegenheden, die gebeuren moeten, zoals het uitzoeken van foto’s en het opruimen van medicijnen, worden in de gedichten afgewisseld met herinneringen aan het gedeelde verleden, waarbij het verdriet en het gemis wél de vrije loop krijgen. Maar steeds opnieuw vermant Tuinman zich, zit niet bij de pakken neer maar blijft bezig, omdat het moet. Het is die afwisseling van de nuchter constaterende en emotionele toon die deze bundel levensecht en zo aanspreekbaar maakt. 

    Pogingen tot afstand houden

    De manhaftige pogingen het verdriet op afstand te houden worden ’s nachts in dromen doorbroken: in twee gedichten, Opzichtige dromen 1 & 2 en 3 t/m 8 vertellen acht dromen van een hernieuwde ontmoeting met de geliefde op een festival, op het station, naast het bed. ‘(…) Ik houd je vast, jij mij niet.’

    In het lange prozagedicht Wachtkamer verderop in de bundel, is de tijd het onderwerp. Dit gedicht fungeert als een samenvatting van de bundel en beschrijft het gehele rouwproces van begin tot einde, van de dood van Starik tot aan het onbeschofte ongeduld van de omgeving: ‘Sorry, maar wanneer houdt dit zielige gedoe nu eens op?’

    Maar het is ook een algemeen aanvaard cliché dat het leven verder gaat. De gedichten kijken gaandeweg vooruit in plaats van achteruit en na een jaar is er voorzichtig sprake van een ander lief. ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,’ vertelt de beginregel van Omtrekkende bewegingen.

    Met het laatste gedicht van de bundel is de cirkel rond: weer staat de dichter in de tuin, net als in het eerste gedicht. Ze heeft de tuin in velden verdeeld: 

    Gras

    ‘Aan de andere zijde is het groener.
    Op het ene veld staan de mensen die niet
    meer willen, een tuin verderop degenen die nog jaren
    vooruit kunnen, ware het niet dat hun ziekte –
    er valt niets te ruilen. […]
    Ik sta aan de rand van wat eigenlijk meer mos is
    dan gras. Mijn perk zit vol kuilen en oud blad, maar
    ook wonen er mollen in en wormen, er springen padden,
    ’s avonds landen er libelles. Ik neem een stap.’

    Deze bundel zou eigenlijk in elke wachtkamer van elk ziekenhuis, mortuarium en hospice moeten liggen. Iedereen die iemand heeft verloren zal zich herkennen in deze doorleefde bundel.

     

  • Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    H.C. ten Berge (1938) is altijd geïnteresseerd geweest in andere culturen. Hij vertaalde onder andere Japanse noh-spelen, Azteekse poëzie en volksverhalen uit de Eskimo-cultuur. In zijn dichtwerk is het ‘onderweg zijn’ een belangrijk thema. In De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, dat zich afspeelt in Noord- en Midden-Amerika, worden deze interesse en thematiek met elkaar verenigd.

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is een reisverhaal in dichtvorm. In ‘een script in 45 scènes & een tussenspel’ beschrijft Ten Berge de avonturen van deze Spaanse edelman, alias ‘Koeienkop’ (‘Cabeza de Vaca’), een eretitel met een mythische oorsprong. Deze avonturenvonden plaats in de zestiende eeuw en begonnen met een expeditie naar toen nog onbekend land rond de Golf van Mexico. De expeditie mondde uit in een ware uitputtingsslag die bijna niemand overleefde. Na lange omzwervingen kwam Núñez terug in zijn vaderland waar hij schriftelijk verslag deed aan keizer Karel V. Ten Berge baseert zich op Núñez’ relaas en citeert hier delen uit.

    Het is één lang gedicht

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is dus eigenlijk één lang gedicht. Aan het begin voert Ten Berge  zichzelf als verteller op:

    ‘Op de tuibrug naar Tampa,
     staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
     de baai boven ravottende dolfijnen

     in een lange glijvlucht overspant,
     de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
     denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
          die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
          met drie kraken en een brigantijn
          op deze blinkend witte kust verzeilde.’

    Aldus een brug slaand naar het verleden. In het tussenspel keert de dichter terug, letterlijk stappend in de voetsporen van zijn helden. Althans, dat zou hij graag doen: ‘Wat trad ik graag als late nazaat/in hun weggewiste sporen –/ door niets gesteund en zonder liefde/ trok ik er, de angst verkropt, alleen op uit,/ een godvergeten minnaar van extremen.’ Uiteindelijk doet hij dat met het woord. 

    Ingenieus narratief spel

    Ten Berge speelt een ingenieus narratief spel met verschillende perspectieven. Alleen dit al maakt het gedicht bijzonder levendig. Zoals hij zich op Núñez baseert, verwees ook Núñez naar andere bronnen, om de keizer een zo compleet mogelijk verhaal voor te schotelen. Bijvoorbeeld over hoe het afliep met de roekeloze, zelfzuchtige expeditieleider Pánfilo de Narváez, de tegenpool van de verstandige, edelmoedige Núñez:

    ‘[Hernando] vertelde zijn verhaal aan Figueroa,
     die het doorgaf aan Dorantes en Castillo,
     die het overbrachten aan de nobele Álvar Núñez,
     die het later opschreef voor de vrome en gevreesde
        koning-keizer van een wereldrijk
     die men Carlos I in Spanje noemde, maar in Brussel Karel V.’

    De keizer moet Núñez op zijn woord geloven. Bewijsmateriaal is soms verloren gegaan: ‘Ik vroeg hem [een boosaardige kapitein die hij ontmoette] jaar en maand en dag / waarop wij voor het eerst / weer christenen zagen / voor mij op te schrijven / (wat hij toen ook deed). / het papier is later zoekgeraakt.’ Ten Berge legt hiermee extra nadruk op de verbeelding. Niemand weet meer wat er echt is gebeurd. Aan de andere kant heeft de lezer houvast aan talloze tijdsaanduidingen, soms als noot in de kantlijn toegevoegd.

    Huiveringwekkende avonturen

    Núñez’ belevenissen zijn prachtige en vaak huiveringwekkende avonturen. De lezer waant zich in een jongensboek. De titel van het gedicht zegt het al: er is sprake van talloze beproevingen. Ze worden met veel gevoel voor detail opgedist: 

    ‘Klamme hitte. Honger. Dorst.
     De van god gezonden monniken, soldaten,
     officieren hebben koorts of lijden aan kwetsuren.
     De gewonden legt men over paardenruggen
     bij het oversteken van rivieren.
        Er wordt een Arabier gedood, het vlees verdeeld:
        een daad die men alleen bij hoge nood
        met tegenzin herhaalt.’

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca staat vol met dit soort aansprekende anekdotes. In de scène ‘Kleine kroniek van Prikkelperenland’ (prikkelperen zijn cactusvijgen) wordt het leven van de Charruco, een volk van woudlopers, met sociologische precisie beschreven. Begrippen worden in de kantlijn verklaard of in de als bijlage opgenomen aantekeningen verduidelijkt. Waarom dit op twee verschillende plaatsen in het boek gebeurt is onduidelijk. Naar de aantekeningen wordt in het gedicht niet verwezen. Soms had er meer verklaard kunnen worden. Want wie weet dat een ‘cacique’ een opperhoofd is?

    Vloeiende regels vol klankrijm

    Uiteraard wordt de moeilijke verhouding tussen de Spaanse overheersers en de diverse indianenstammen beschreven, die gekenmerkt wordt door uitbuiting, wraak en onbegrip: ‘Zoals onwetende veroveraars in angst en vreze leven/ heeft de indiaan geen weet van overzeese volken/ of een wereldrijk dat inlijft en berooft.’ Núñez is in deze geschiedenis de ware adellijke held, die optreedt als heelmeester en streeft naar rechtvaardigheid voor de indianen. Het lijkt daarom rechtvaardig dat hij het overleeft, al is hij voornamelijk ‘een geluksvogel’. 

    Ten Berge schrijft dit alles op in vloeiende regels vol klankrijm. Beeldspraak wordt achterwege gelaten. De verhalen spreken voor zichzelf. Dat maakt dit gedicht tot een makkelijke leeservaring. Heel anders dan je doorgaans bij deze dichter gewend bent. Erg is dit zeker niet. Daarvoor fonkelt dit gedicht meer dan genoeg, waarbij je al lezende vergeet dat het voor een groot deel aan de verbeelding van de dichter is ontsproten.

     

  • Meedrijven op de woordenstroom van De Feyter

    Moya De Feyter (1993) is een Belgisch dichter en schrijver. Ze studeerde theaterwetenschappen en debuteerde in 2018 met de dichtbundel Tot iemand eindelijk, daarbij verschenen haar gedichten ook in diverse literaire tijdschriften. Ze won in 2017 de poëziewedstrijd van de universiteit van Antwerpen en bereikte tweemaal de finale van Write now!, een schrijfwedstrijd voor jong talent. Met het theatergezelschap Zuidpool gaf ze aan haar laatste bundel Massastrandingen ook zelf gestalte op het toneel, samen met vijf andere spelers. 

    Die vijf spelers komen overeen met de vijf verhaallijnen die in de bundel te ontdekken zijn en die aangegeven worden door het consequente gebruik van verschillende lettertypes en typografische kenmerken: donkergrijze balken over de regels, doorhalingen van woorden, inspringen in de marge, kleine en grote letters. Sommige bladzijdes zien eruit alsof de bundel in de modder heeft gelegen. Dat past bij de titel: ‘Massastrandingen’ doet allereerst denken aan walvissen die op het strand geworpen zijn. Maar ook brengt dat het thema ‘vastlopen’ in gedachten, gestrand zijn, niet verder kunnen. 

    Pop in sinaasappelboom

    De eerste verhaallijn staat in een schreefloze letter en gaat over een dode pop die in een sinaasappelboom hangt. Niemand weet wat daarmee moet gebeuren, maar heeft er wel een mening over: ‘er staan nu zeven mensen rond de sinaasappelboom / de pop is duidelijk dood’. Pas in het allerlaatste gedicht zal er iemand een oplossing aandragen die op zijn zachtst gezegd nogal verrassend is.
    In cursief grijs beschrijven de gedichten van de tweede verhaallijn de spanning in een gezin  voordat er een grote een overstroming plaatsvindt. Ieder lid van het gezin is uitsluitend met zichzelf bezig en niemand ziet de zondvloed aankomen voor het te laat is: ‘de eerste druppels hadden ze nochtans aangenaam gevonden. een gezellig getik op koud glas’.

    Een derde verhaallijn is een dialoog tussen twee personen, waarbij de sprekers naast elkaar worden gezet in hun eigen letterkleur, maar beide sprekers lijken deel uit te maken van één enkele persoonlijkheid, waarbij de tweede stem die van de nuchtere realiteit is: ‘hier is nog nooit iemand geweest / ik toch’. Zij geven beiden commentaar op de gebeurtenissen. In de vierde verhaallijn zijn de gedichten lichtgrijs gehouden: zij gaan over de grootmoeder en haar veroudering. Het zijn liefdevolle, humoristische gedichten, die het meest de realiteit benaderen. 

    Spoorzoeken langs verhaallijnen

    De vijfde lijn bevat een verzameling losse gedachten, invallen en kernachtige spreuken. Deze vijf lijnen zijn echter niet altijd even duidelijk van elkaar te onderscheiden. Gedichten uit deze vijf lijnen staan als losse fragmenten op elke bladzijde afgedrukt. Je zou deze bundel dus op verschillende manieren kunnen lezen: of je leest bladzijde voor bladzijde de verschillende gedichten achter elkaar, of je volgt het spoor van één enkele verhaallijn door de hele bundel.
    Spoorzoeken wordt het sowieso, want veel van de gedichten lijken associatief te zijn ontstaan vanuit de fantasie van de dichter, waardoor het lastig wordt een verhalende lijn vast te houden. In de bonte verzameling van gedichten moet de lezer zelf zijn weg zoeken: patronen ontdekken, verbanden leggen en structuren aanbrengen. Dat wordt wat bemoeilijkt doordat er heel veel gedichten in deze experimentele bundel staan: 111 dichtbedrukte pagina’s zijn opmerkelijk veel voor een bundel. Een index ontbreekt, maar het zou ook ondoenlijk zijn om de gedichten daarin onder te brengen.

    De zee en al wat daarin leeft vormt een thema en een bron van inspiratie voor De Feyter: walvissen, dolfijnen, haaien, kwallen, zeesterren en plankton bevolken de gedichten. Onder water kan het leven mooi zijn, als je een walvis bent, maar de zee vormt een bedreiging voor het leven daar buiten: ‘oh en als je thuiskomt, zal je vader er niet zijn / hij werd door een walvis opgeslokt’. 

    Wonderlijk geheel

    Er staan rampen te gebeuren, maar er is niemand die een besluit neemt: de gezinsleden gaan ieder in zichzelf op en hebben nauwelijks in de gaten dat er een vloedgolf aankomt; niemand doet iets aan de dode pop die in de sinaasappelboom hangt en ieders aandacht trekt; de veroudering van de grootmoeder gaat onvermijdelijk verder. De dialoog tussen de twee sprekers levert hierop commentaar als het koor in een Grieks drama uit de oudheid:‘we sluiten onze ogen want we weten dat het daar in het leven vaak op neerkomt / je ogen sluiten, hopen dat er in tussentijd / iets verandert’

    Het valt niet mee alle stemmen uit deze bundel met elkaar in verband te brengen, maar ook zonder een verband leveren de gedichten samen een wonderlijk geheel op. Als je meedrijft op de woordenstroom van De Feyter, wordt allengs duidelijk dat alles met elkaar te maken heeft. De gedichten over de grootmoeder zijn de meest traditionele van vorm en inhoud:

    als je dood bent heeft het geen zin om mooie kleren te dragen

    ‘de moeder van mijn moeder slaapt met haar bril op haar buik
     ik staar onafgebroken naar de pootjes
     wanneer de avond valt, gaan ze nog altijd op en neer

     de volgende ochtend deppen we haar droge lippen
     drinken en eten hoeft niet meer, zegt de dokter’

    De losse gedachten en invallen zijn niet altijd even sterk en soms doen ze zich voor als tegeltjeswijsheden of tekst op een poster van Loesje: ‘als je met je voorhoofd de grond raakt, kun je niet meer vallen’. Daarentegen zijn de hallucinerende beelden die De Feyter gebruikt doordringend en verontrustend. Een intrigerende bundel die veel vragen opwerpt, de antwoorden zal de lezer zelf moeten zien te vinden.

     

  • Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klimaatverandering heeft ook de literatuur beïnvloed: nog nooit zijn er zo veel romans en dichtbundels geschreven die zich bezighouden met een wereld in de toekomst na de Apocalyps. De meeste van deze boeken vertellen over een dystopische samenleving, waarin de mens moet zien te overleven onder barre omstandigheden, met als grootste vijand zijn eigen medemensen. De achtste bundel van Mark Boog (1970), Liefde in tijden van brand, gaat weliswaar uit van hetzelfde vertrekpunt: een maatschappij die vijandig en vernietigend is, maar hij kiest voor een andere route. In plaats van de confrontatie met de buitenwereld aan te gaan, voert hij een liefdespaar op dat zich verschanst in een binnenwereld en zich staande probeert te houden  op een eilandje te midden van een wereldbrand die zich als een woeste vuurzee om hen heen uitbreidt.

    Een idyllisch begin

    De bundel bestaat uit vier afdelingen van elk veertien titelloze gedichten zonder witregels. Aan het begin van elke afdeling is het eerste gedicht in cursief gezet, als representant voor dat wat volgt. De meeste gedichten zijn kort en bevatten hooguit vijftien versregels achter elkaar, alleen het cursieve gedicht van de derde afdeling vormt hierop een uitzondering met eenentwintig strofen van drie regels. Alle gedichten scharen zich onder hetzelfde thema en zijn onderdeel van één verhaal.
    De eerste afdeling toont een idyllisch begin: ‘Schaterlachend dansen we het korenveld in’. Er zijn slechts twee personen, de ik en de jij die in alle gedichten de hoofdrol spelen. Andere mensen zijn niet aanwezig: ‘Elders is nooit leven aangetroffen, / er is naar gezocht. We vliegen hoog.’

    Dit zijn liefdesgedichten pur sang, handelend over twee geliefden en niets anders. De vuurzee van de buitenwereld wordt weerspiegeld in het liefdesspel in bed, dat met een dompelbad vergeleken wordt. Alle gedichten in deze afdeling zijn variaties op eenzelfde thema: jij en ik en de liefde.

    Bedreigende buitenwereld

    In de tweede afdeling loert het gevaar: ‘Er woei papier door de brievenbus naar / binnen’. De buitenwereld dient zich aan en probeert door te dringen in het dagelijkse leven van beide geliefden. Er komen scheuren in hun zelfgebouwde cocon. De derde afdeling met haar afwijkende inhoud en vorm fungeert als de spil van de gehele bundel, het middelpunt waaromheen de andere afdelingen draaien. In deze cursief gezette drieregelige strofen wordt teruggekeken op het verleden en de oorzaak van de vlucht van de geliefden uit de buitenwereld. Ze rijden in een auto door een woestijnlandschap op weg naar een toevluchtsoord. Er heeft zich blijkbaar een grote, niet nader aangeduide ramp voorgedaan. Het heeft er alles van dat er een gruwelijke oorlog over het land getrokken is: ‘Op het koude veld liggen lichamen, / inmiddels zwijgende lichamen. / Ze liggen op hun rug.’

    In de vierde afdeling is de buitenwereld onontkoombaar binnengedrongen in de binnenwereld van de geliefden, die hun ogen niet meer kunnen sluiten voor de wereldbrand. Wat buiten gebeurt, heeft ongemerkt invloed op hun samenzijn: hun geluk wordt stroever, laat Boog de hoofdpersoon zeggen, en zij blijven bij elkaar omdat er niemand anders is. De vijfde afdeling klinkt als een berusting in niet alleen het verval van de buitenwereld, maar ook dat van het eigen lichaam: in hun zelfverkozen toevluchtsoord waren de geliefden veilig voor de buitenwereld, maar worden bedreigd door de voortschrijdende tijd. Ze zijn langzaam oud geworden, ziekte en aftakeling slaan toe, en ook de eens zo hechte liefde begint barsten te vertonen: 

    ‘De zon brandt op de harde rotsen,
    die elk jaar roder, dichter, ouder
    woestijn zijn. Wie buitenkomt
    gezicht brandt. Wie binnengaat
    duisternis vindt. Elk jaar na
    de gruwelijke winter is er meer
    troost in het uitzicht, meer troost
    in het gekende gezelschap, meer
    verlies. We gaan nooit meer weg.’

    De afgelegde weg voert onherroepelijk naar een triest einde in het allerlaatste gedicht:

    ‘In ons smeulen vuren, ons oppervlak
    is zwart en stil, een kratermeer
    bij wolkeloze avond. Daar vliegen
    de vleermuizen, daar gaan de uilen.
    We gooien het koude hoofd in de nek
    en huilen, eindelijk huilen we.’

    Het verval en de liefde

    De titel van de bundel brengt onvermijdelijk het beroemde werk van Gabriel García Márquez in gedachten, Liefde in tijden van cholera. Er zijn treffende overeenkomsten: Márquez vertelt ook over twee geliefden die pas, als ze al over de zeventig zijn, hun liefde kunnen vieren en beleven. Ook hier is veel aandacht voor het lichamelijk verval, ook deze geliefden vluchten voor de buitenwereld waar cholera heerst, en blijven op een boot – hun toevluchtsoord –  heen en weer varen over een rivier. 

    Mark Boog, die eerder de C.Buddingh’- prijs en VSB- poëzieprijs won, heeft met deze bundel een reeks klassieke liefdesgedichten geschreven, die traditioneel genoemd zouden kunnen worden, als het element van de wereld na het Armageddon niet zo nadrukkelijk aanwezig was geweest. De gedichten passen in deze tijd waarin de angst voor de toekomst prevaleert, maar Boog predikt niet, dringt niemand iets op en probeert niet te overtuigen van de naderende ondergang: de gedichten zijn rustig en laten in mooie beelden zien dat branden een onderdeel is van de liefde en het leven zelf. 

     

  • Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    In het jaar 2000 wordt ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman verkozen tot Gedicht van de twintigste eeuw. Het vers definieert het Nederland van toen ten voeten uit: weemoedig, gematigd, eensgezind en heldhaftig in de strijd tegen het water. Zou een dergelijke verkiezing worden gehouden in het Caraïbisch gebied, dan was Un champ d’îles van de in Martinique geboren dichter en literatuurdocent Édouard Glissant – vertaald als Een veld van eilanden door Jan H. Mysjkin – een grote kanshebber. De man die de term ‘Antillanité’ introduceerde, thematiseert de ongrijpbare identiteit, die op de Antillen, een smeltkroes van allerlei culturen, talen, religies en geschiedenissen, opgeld doet. Het werk geeft de Antillianen, die zich in hun eigen creoolse taal niet mochten uitdrukken, een stem. In het Frans nota bene, waardoor de Europese taal niet langer verdeelt en heerst, maar verbindt en schept. Het resultaat is een bundel met prachtige, raadselachtige poëzie en een iconisch motto: ‘Ik maak mezelf tot zee waarin het kind zal dromen.’

    Identiteit en verbondenheid

    In de proloog van Een veld van eilanden geeft Jan H. Mysjkin een heldere omschrijving van Édouard Glissants (1928 -2011) streven: ‘(…) de quasi-utopische vereniging van het Afrikaanse en het Europese erfgoed.’ Het is hem niet te doen om een kille afrekening met de koloniale mogendheden. Voordat Glissant in Parijs sterft, ziet Mysjkin kans hem persoonlijk te spreken over Un champ d’îles. De dichter drukt hem op het hart de bundel niet normaliserend te vertalen; Mysjkin dient grammaticale en semantische aanpassingen te vermijden, opdat de Nederlandse vertaling net zo meerduidig en rijk aan betekenis zal zijn als het Franse origineel. Hoewel het boek een compilatie is van vier hoofdstukken die elk op zich uit andere werken van Glissant afkomstig zijn, vertonen de verzen opmerkelijk veel samenhang. Telkens voelt, denkt en spreekt de Stem vanuit een Godperspectief, zij het eerder matriarchaal dan patriarchaal.

    De inhoudelijke verbinding komt terug in de opbouw; de componenten gaan in een schier onoverbrugbare kloof toch de dialoog met elkaar aan. Aldus wordt de mythe van oorspronkelijkheid, mogelijk van mono-etnische afkomst, ontkracht: waar een stem ook vandaan komt, hij heeft de potentie in harmonie voort te leven te midden van steeds meer sprekers zonder continu terug te kijken naar zijn geboortegrond en ontstaansgeschiedenis. Hierover dicht Glissant: ‘Elk woord is een aarde waarvan de ondergrond moet worden doorwoeld waar een losse ruimte warm wordt gehouden voor het woord van de boom’
    Identiteit ligt niet zozeer besloten in het isolement van de wortels, als wel in de open dialoog met de ander. Bovendien staat zij nooit vast, maar is zij altijd onderhevig aan verandering en ontwikkeling. Waar het verleden eenieder op zijn nostalgische Zelf terug werpt, behoort de toekomst iedereen toe. 

    Postkoloniaal

    Hoewel Glissants poëzie bij vlagen enigmatisch aandoet, is zijn werk doorspekt met maatschappelijk engagement. Hij pleegt weliswaar geen vergelding op de westerse kolonialen, maar hij benoemt de pijnlijke geschiedenis van zijn volk, die door thuisloosheid, onderdrukking en moord getekend is. Hij bezingt het noodlot van de negroïde bevolking die van de ene oceaanoever naar de andere werd verscheept, overgeleverd aan de genade van zee en zeeman: ‘Bloedige schoonheid van golven / O het is een wond een wond  / Waarin de hemel danst, plechtig en traag / Bij het zien van zulke naakte mannen’

    Wat dikwijls op de loer ligt bij maatschappijkritische literatuur, is een belerende strekking die de affectieve werking van het geschrevene tenietdoet. Op virtuoze wijze omzeilt Glissant dit mankement door de natuur en de ontknevelde stem van de Antilliaan tot mondstuk van de kritiek te maken: ‘Oh je bent Stem, en hun hoogmoed zal verdrogen.’ Moraliserende vingerwijzingen zijn overbodig om de lezer te laten luisteren naar de boodschap van de zee, de wind, de geradbraakte akkers en de geroofde grondstoffen, die alle getuigen zijn van een bloedige geschiedenis. Zo zegt het hoofdstuk Een veld van eilanden, dat de gelijknamige boektitel draagt, over de ecocide: Het hele eiland is medelijden dat op het eigen lijf zelfmoord pleegt. 

    Het vers Afrika (origineel: Afrique) koppelt deze uitbuiting van de natuur aan de genocide van hen die de exploitatie ten uitvoer moesten brengen: een slordige twaalf miljoen tot slaaf gemaakten. De Stem roept de natuur aan, als ware zij Vrouwe Justitia:’ ‘Neem de zee als weegschaal / en als gewicht het zwarte zout / ingezaaid door het bloed der volken / die allen omkwamen.’
    Gerechtigheid geschiedde. De Stem neemt het voortouw en vertelt het verhaal dat nooit verteld mocht worden. Is dat een revanche? Nee. Het is een herstelde, zij het broze balans, waarna de vruchtdragende aarde hopelijk leven geeft aan iedereen en niet slechts aan de agressors: ‘mooie vrucht, en wie weet plukken we haar tot slot allemaal, wie weet.’ 

    Nomadische aard van de poëzie

    De meerduidigheid in het werk van Glissant verdient extra aandacht. Voor de fervente poëzielezer, die een gezonde dosis ambiguïteit weet te waarderen, is deze bundel een genot. Het hoofdstuk ‘De ogen de stem’ (les yeux la voix) neemt de lezer mee naar een muze die last heeft van haar geheugen. Daarna heffen de kapittels ‘Een veld van eilanden’ en ‘Afrika’ een liefdevolle klaagzang aan ter ere van hun volkeren en tot slot herstelt ‘Het ontvreemde oog’ (‘l’oeil dérobé’) de chaos. Glissant is wars van geijkte, westerse poëtische conventies: vaste rijmschema’s en strakke metrums ontbreken, de verhaalontwikkeling is eerder cyclisch dan lineair en een duidelijk afgebakende structuur is afwezig. Bovendien belichaamt de natuur geen idyllisch ideaal uit de herderspoëzie, waarin lieflijkheid en vrede de boventoon voeren. Daarnaast is zijn woordgebruik dermate associatief, dat iedere poging tot een dieper begrip leidt tot betekenisverruiming. Zo merkt Glissant op: ‘Welke onbuigzame gedachte loopt door / de vezels de sappen de spieren / werd uit pijn een woord gemaakt / een nieuw woord dat zich vermenigvuldigt’

    Het is bijkans onmogelijk de gedichten sluitend te interpreteren, het verwordt al snel tot definiëren. Een definitie staat nauwelijks verandering toe, want zij stelt vast, schept orde en loopt dood. Glissant lijkt dit procedé ten koste van alles te willen voorkomen. Daar spreekt eerbied uit voor de literatuur, die volgens hem evenals de creoolse identiteit uit meerstemmigheid en chaos bestaat. Wie de poëtische kluwen van Glissant probeert te ontwarren, zoekt het geheim tevergeefs. Ondoorgrondelijk is misschien wel de beste typering voor Glissants poëzie; de dichter trekt de grond onder de voeten van de lezer vandaan door te verhalen over de tot slaaf gemaakten die hun grond daadwerkelijk verloren. Zo maakt hij de reislustige lezer deelgenoot van de ontworteling die zo velen hebben moeten doorstaan. De bestemming voor de nomadische mens is ongewis: ‘Wie bemint is rondtrekkend onkruid.’ Een veld van eilanden heeft de mens lief en verloochent grenzen. Hoe vaak in de koloniale geschiedenis was dat niet andersom?