• Twintig verhelderende essays

    Piet Gerbrandy is dichter, classicus, docent en essayist. In zijn boek Het woord en de wereld laat hij in ruim twintig essays zien hoe deze vier domeinen van zijn werkterrein samenkomen, sterker nog, noodzakelijk zijn in hun samenhang. De essays zijn geschreven tussen 2018 en 2024 en bestrijken diverse terreinen: van religie tot de klassieke oudheid, van filosofie, Griekse en Latijnse schrijvers tot aan moderne poëzie. Vanuit verschillende invalshoeken en wetenschappen hebben mensen volgens Gerbrandy geprobeerd antwoord te geven op de eeuwige vragen: ‘Wie zijn wij? Hoe staan we in de wereld? Wat is schoonheid? Hoe moeten we handelen?’

    Ook Gerbrandy zelf buigt zich over deze vragen, waarbij zijn dichterschap leidend is in zijn zoektocht naar antwoorden, zoals de ondertitel van dit boek al aangeeft: Duidingen van een dichter. Maar je zou deze ondertitel ook anders kunnen lezen: er staat immers niet: duidingen door een dichter. Je zou je ook kunnen afvragen welke dichter er geduid wordt. Want dit boek gaat over veel dichters, die allen zoeken naar wat zij ‘aan de wereld kunnen toevoegen.’

    Poëzie als middel tot begrijpen

    Alles wat mensen naar elkaar willen overbrengen, geschiedt door middel van taal die ‘zowel verheldert als vertroebelt.’ In den beginne was het woord en dan met name beeldspraak en metafoor, zegt Gerbrandy. ‘Het is het enige gereedschap dat ons […] ten dienste staat om greep te krijgen op het geheel waarvan we zelf deel uitmaken.’ Poëzie zou daarbij het middel bij uitstek zijn om te begrijpen ‘wie, wat en waar we zijn’ omdat zij zich het meeste bedient van beeldspraak. Hij haalt daarom ook Aristoteles aan: ‘Poëzie onderzoekt wat het is te zijn’.

    Verrassend genoeg begint Gerbrandy zijn zoektocht naar samenhang en betekenis niet bij de hem zo vertrouwde klassieke oudheid, maar bij de dichter Lucebert (1924-1994) en het geheim dat hij zijn hele leven bij zich droeg. Namelijk dat hij nazistische en antisemitische opvatting zou hebben gekoesterd terwijl hij zich eerst keerde tegen oorlogsgeweld en onderdrukking. Gerbrandy onderzoekt of er in Luceberts poëzie sporen zijn aan te wijzen die duiden op sympathie voor het gedachtegoed van de nazi’s. Een gedegen analyse waarbij Gerbrandy diep ingaat op enkele gedichten van Lucebert en tot verrassende conclusies komt, maar nergens een oordeel velt.

    Heldere taal

    Andere dichters wier werk zorgvuldig en indringend wordt onderzocht zijn onder anderen Gorter, Sasja Janssen, H.C. ten Berge, Hans Faverey en Annemarie Estor. Het betoog van Gerbrandy over het werk van deze dichters is scherpzinnig en verrassend en biedt verschillende nieuwe inzichten in de analyse van poëzie. Belangrijk is dat hij zich in deze analyses niet verliest in vage bespiegelingen. Dat maakt zijn essays buitengewoon leesbaar, ook al zou je nog nooit iets hebben gelezen over de onderwerpen die Gerbrandy tegen het licht houdt. Niet iedere lezer beheerst de kennis van Grieks of Latijn, maar dat hoeft geen belemmering te zijn om deze essays te lezen; Gerbrandy neemt je mee naar de klassieke oudheid, waar hij je rondleidt en je nieuwsgierig en enthousiast maakt over alles wat hij erbij vertelt.

    Zoals bijvoorbeeld de essays over de Romeinse dichter Ovidius en zijn Metamorfosen, de Griekse Pindarus of de verteller Claudius Claudianus, over wie Hella S. Haasse Een nieuwer testament schreef. Het is Gerbrandy’s grote kracht dat hij het gedachtegoed van deze mensen naar onze tijd kan halen door te laten zien dat hun verhalen en mythen van alle tijden zijn:

    ‘Er is geen definitieve interpretatie, en iedere versie heeft evenveel bestaansrecht. het lichaam van de mythe trekt bij elke herneming een ander kleed aan, een weefsel van woorden die ertoe uitnodigen betekenis toe te kennen aan wat zich mogelijk onder de taal bevindt.’

    Nieuw licht op de bijbel

    Van de Klassieke Oudheid en haar goden is het een kleine stap naar een hoofdstuk over het ontstaan van offeren en dan vooral de overgang van mensenoffers naar het doden van dieren vanuit een religieuze overtuiging. Gerbrandy geeft een verklaring die aannemelijk is: ‘In eerste instantie is het waarschijnlijk een sociaal automatisme geweest: ik neem iets, dus ik moet iets geven. Het omgekeerde geldt eveneens: ik geef iets, dus mag ik verwachten iets te krijgen.’ Later wordt het offer getransformeerd tot een zoenoffer voor eerwraak tussen twee strijdende partijen om verder bloedvergieten te voorkomen.

    Ook het Christendom kent mensenoffers: de kruisiging van Christus, die Gerbrandy een ‘Unschuldskomödie’ noemt, ‘een vorm van ritueel gesjoemel’, omdat ‘zowel offeraar als slachtoffer wist dat de laatste na zijn dood opnieuw zijn comfortabele positie naast zijn vader zou kunnen innemen.’

    Gerbrandy noemt zichzelf een ‘ex-gereformeerde classicus’ en werpt vanuit die positie een geheel nieuw licht op de Bijbel en verschillende verhalen daaruit. Vooral zijn verhandelingen over het Hooglied en het verhaal over Job zijn verrassend en de bevindingen van Gerbrandy zijn goed onderbouwd. Hij komt tot de volgende conclusie: ‘het is in de eerste plaats de literaire kwaliteit van Job die me omverblaast, maar de strekking als zou de mens niets vermogen ten overstaan van hogere krachten, of je die nu God, het Lot, het Toeval of de Natuur noemt, blijft onverminderd actueel.’

    Het belang van kennis vergaren

    De enige manier om je staande te houden in een verwarrende wereld is volgens Gerbrandy in zijn essay De vorstin der dingen, het vergaren van kennis over die wereld. Niet per se via het onderwijs, al kan dat wel een helpende hand reiken, maar vooral door verhalen en door poëzie, omdat de literaire traditie universele waarheden bevat die via symbool en metafoor worden overgeleverd. Waarheid en werkelijkheid worden duidelijk door ze in taal te vatten. Taal en teksten geven inzicht in ons bestaan. Een brede intellectuele ontwikkeling is noodzakelijk om je te kunnen weren in het maatschappelijke leven. ‘Eruditie is niet ouderwets. Eruditie zou de 21st century skill bij uitstek kunnen zijn.’ Gerbrandy pleit voor een samengaan van traditie en experiment bij het verwerven van kennis.

    Een voorbeeld daarvan geeft hij als hij in de Metamorfosen van Ovidius en het Symposium van Plato verbinding legt met de hedendaagse maatschappij: de verkrachting van vele vrouwen door Zeus. de oppergod van het Griekse godendom, de huidige Me too– beweging en de Epstein files hebben te veel overeenkomsten om te negeren als het gaat om man-vrouw-verhoudingen en de moderne opvattingen daarover. De bruggen over de kloof tussen vroeger en nu kunnen alleen geslagen worden door een grondige verdieping in de materie die te vinden is in de literatuur, de dichters en de taal. Lees Gerbrandy en word wijzer.

     

     

     

    Titel

    Titel

    auteur

  • Pats, boem, Shakespeare

    Tamelijk onopgemerkt verscheen in mei 2025 een nieuwe vertaling van de 154 sonnetten van William Shakespeare (1564-1616). De eerste Engelse uitgave van deze gedichten dateert uit 1609. In de 19de eeuw verscheen voor het eerst een volledige vertaling, door L.A.J. Burgersdijk (die trouwens ook alle toneelstukken van Shakespeare in het Nederlands vertaalde). Deze nieuwe integrale vertaling van deze wereldberoemde sonnetten is de zestiende.

    Het is verleidelijk om al die zestien verschillende vertalingen eens bij elkaar te zetten en te gaan vergelijken, integraal of gedicht voor gedicht. Maar aan die verleiding is vooralsnog weerstand te bieden. Laten we het hebben over déze uitgave. Want alles eraan is prettig. Het formaat, het papier, de in katernen genaaide en gebonden uitvoering, de mooie tweekleurendruk en de lichtvoetigheid waarmee de tekst wordt gepresenteerd. Of beter gezegd: niet wordt gepresenteerd.

    Want de uitgave bevat geen inleiding, geen verantwoording of bronvermelding, en ook geen Engelse tekst naast de Nederlandse vertalingen, gewoon pats, boem: gedichten om te lezen. Laat één voorbeeld iedereen ervan overtuigen dat vertaler Frans van Deursen het Engels van Shakespeare van meer dan vierhonderd jaar geleden soepel overzette in hedendaags Nederlands.

    In boeken uit reeds lang vervlogen tijd
    zie ik de knapste lieden uitvergroot;
    hoe schoonheid wonderschone verzen wijdt
    aan jonkvrouwen en ridders, mooi maar dood.
    Met zwier doet de antieke pen verslag
    van hand, van voet, van voorhoofd, oog en mond.
    Breedvoerig rijmend maakten ze gewag
    van schoonheid die vóór jou niet eens bestond.
    Dus al hun odes zijn slechts profetie,
    een toekomstbeeld waarin jij wordt voorzegd.
    Toch wordt het nergens grote poëzie:
    geen van die zieners zag jou immers echt.
    En ik, die hier en nu de muze dien,
    ben sprakeloos terwijl ik je kan zien.

    Hedendaags – en niet alledaags, verre van. In heel veel andere sonnetten weet de vertaler met zijn rake woordkeus en ‘een gezonde dosis overmoed’ de poëzie van Shakespeare te vertolken. Keurig conform de impliciet vereiste regels, met behoud van regellengte en metrum, en dat zonder enige kramp of nadrukkelijkheid. Eeuwige ontroering, gevangen in een ogenblik, telkens veertien regels. Heel warm aanbevolen.

     

  • Gedichten die ertoe doen

    Allard Schröder (1946) is bekend als auteur van essays en proza zoals de romans Grover en vooral De hydrograaf, waarvoor hij in 2002 de AKO-literatuurprijs ontving. Toch debuteerde hij in 2011 op 65-jarige leeftijd als dichter met de bundel Het meisje met de afstandsbediening, die tot stand kwam door een keuze te maken uit een verzameling poëzie die hij gedurende 35 jaar geschreven had. En in 2024 verscheen zijn tweede bundel, Lichtvang getiteld. Het zou zomaar kunnen dat deze bundel ook ontstaan is door een keuze uit de gedichten die Schröder in de tussenliggende dertien jaar heeft geschreven, want de opgenomen gedichten zijn zeer uiteenlopend van zowel vorm als inhoud, maar niet van kwaliteit, die blijft constant hoog.

    Het zijn gedichten van iemand die veel gezien en geleefd heeft en die daardoor wijs genoeg is om zich niet druk te maken om wat een ander van hem vindt. Schröder is geen moderne dichter en stoort zich niet aan poëtische conventies of modetrends. Er is moed voor nodig om zo volstrekt eigenzinnig te dichten, zonder acht te slaan op wat de tijdgeest voorschrijft of wat je populair maakt. De gedichten lijken puur te zijn geschreven voor eigen genoegen, als een weergave van de dingen die de dichter overpeinsd heeft en waarvoor hij nu en na veel schaven een passende formulering heeft gevonden. Daarbij mengt hij heden, verleden en toekomst dooreen tot een tijdloze wereld waarin realiteit en fantasie in elkaar overlopen. Nooit worden de gedichten zwaar, maar ook zijn ze nooit zonder betekenis. De dichter zoekt het in de lichtheid van het bestaan, zoals de titel van de bundel al aangeeft. Hij zoekt het in de romantiek van het leven, de sprookjeskant:

    ‘Ergens daartussen, tussen dag en nacht,
    vind je mij in het vale licht, oud schemerkind, al jaren
    bezig met zijn zoveelste ademtocht, daar leef ik
    in de zachte grijzen, te midden van stemmen nog zachter
    dan grijs – geen god of demon die zich daar laat horen.
    Dit is mijn rode uur, dat van licht nog even fonkelend
    spiegelt in onverschillig glas, voor het zijn dood smeult.’

    Het licht is overal 

    Het licht gaat altijd met de dichter mee. Het vergezelt hem op zijn reis door de klassieke oudheid in het gedicht ‘In Beneventum in het voorjaar van 268 van onze jaartelling’, dat een eerbetoon is aan de Griekse dichter Kavafis die over het verleden schreef alsof het nog steeds een levende realiteit was. Zo maakt Schröder ook geen onderscheid tussen oude en moderne poëzie: zijn werkterrein bestrijkt alle eeuwen. Dat is ook te merken aan de mythologische elementen waarover hij dicht: eenhoorns, griffioenen en nimfen bevolken zijn gedichten alsof ze echt bestaan. En de oude Griekse goden lijken nooit verdwenen te zijn. Rozenvingerige godinnen, najaden en silenen kondigen hun terugkomst aan. ‘Alles wordt nieuw, overal straalt groot licht / en zingt het weer, want de goden zijn teruggekomen. […] – de goden zijn weer onder ons // en alles is weer, zoals het hoort te zijn.’ De schikgodinnen bepalen het noodlot van de mens, zoals in het mooie gedicht dat begint met de versregel: ‘Een vrouw komt naar buiten, zet de handen in de zij.’

    ‘De vrouw strekt lachend de armen uit, zachte
    armen met kuiltjes, die kinderen hebben gewiegd;
    ze kruist ze over de borst en sluit de ogen.
    Dit is de dag der dagen, hiervoor wilde ze geboren zijn.’

    De draad van de tijd

    Ondertussen zitten onder een oude boom drie oude vrouwen, die ‘de draad van de vrouw [hebben] opgepakt en meegeweven.’ De vrouw heeft er geen besef van dat haar dood al voorbestemd is, maar de dichter aanvaardt dat gegeven zonder dat het afschrikwekkend is, het hoort er gewoon bij. ‘Intussen staat zij daar en zingt met gesloten ogen./ Haar stem snelt de wereld in, omdat het die dag is.’

    Naast Kavafis lijkt Schröder ook te verwijzen naar een andere grote dichter, Czeslaw Miłosz, als hij in het gedicht ‘Dat’ zegt: ‘Dat ik nu het onmogelijke moet doen:/ voorzichtig de wereld optillen/ en haar dan omkeren zodat we/ haar eindelijk van onderen kunnen zien.’ In het gedicht ‘De zin’ zegt Miłosz in de vertaling van Gerard Rasch: ‘Eenmaal dood zal ik de voering van de wereld zien./ De achterkant […]’.

    Er zijn meer verwijzingen naar de literatuur te vinden: versregels van bijvoorbeeld Goethe, Homerus, Willem Kloos, zitten in de gedichten verborgen. Ze leggen getuigenis af van wat in de poëzie van waarde is voor Schröder, van wat blijft, ook als al het andere verdwenen is.

    Leef je leven

    Het verleden wordt door de dichter niet alleen aangeduid door middel van de klassieke oudheid, maar ook door zijn herinneringen aan zijn jeugd, in het besef dat de tijd voorbij gaat en dat we ouder worden, maar bij hem hoeft dat niet per se een nadeel te zijn. Een lichte melancholie over de vergankelijkheid is hem niet vreemd, maar echt zwaar wordt het nooit, omdat de dichter met milde zelfspot in alles naar het licht zoekt. Leef je leven, zoek het licht, want eens zal alles voorbij zijn, lijkt de dichter te willen vertellen. De gedichten lijken door een gelukkig mens te zijn geschreven.

    Toch is de dood nooit ver weg, maar de dichter ziet die niet met angst tegemoet, omdat hij als  heiden zich opgenomen weet in de kringloop van het leven, waar elk einde steeds weer een nieuw begin betekent:

    ‘Uiteindelijk zal ik een herfstblad zijn
    en rood en bedachtzaam wikkend en wegend
    uit de hemel komen zweven
    om me voorzichtig neer te vlijen
    op wat me al is voorgegaan om ermee tot humus te vergaan
    voor wie na ons komt.

    Mooi einde.’

    Een einde van een mooi leven, ‘een leven als een zoete bries op een zomerdag.’ Deze gedichten doen ertoe. Zelfs als alles donker wordt, zal er ergens nog licht schijnen, zeggen ze.
    Schröder heeft dat licht gevangen in deze indrukwekkende en troostrijke bundel.

     

     

  • Een circulaire tijdreis

    In De weg naar huis beschrijft Juliën Holtrigter een onderweg zijn, en soms een thuiskomen. Recht is die weg allerminst. Eerder is het een circulaire tijdreis in drie delen, ‘Hoog water’, ‘Verstekelingen’ en ‘De weg naar huis’. Elk deel bevat veertien gedichten met een overzichtelijke structuur. Veel gedichten tellen ook nog eens veertien regels, als bij een sonnet, weliswaar zonder rijm en in vrije vorm. Maar met een sobere en aangename cadans waardoor de lezer – waarheen het ook gaat – met de dichter kan oplopen. Bij Holtrigter geen gesol en met visuele grapjes, wegspringende letters en talige acrobatiek waaraan geen touw is vast te knopen. Deze bundel bevindt zich in de veilige zone tussen klassiek en modern, het experimentele is tenslotte niet aan iedereen besteed. De grondtoon die door bijna alle gedichten loopt is een soort melancholieke somberte. Al is die melancholie eerder nostalgisch dan zwaarmoedig. Dat maakt een groot verschil. Voor wie op grijze winterdagen graag mijmerend uit het raam staart, is deze bundel een niet te versmaden literaire lekkernij. En zelden paste een coverafbeelding zo bij de inhoud als deze ‘Bomenrij’ van Jan Mankes.

    Duurzaam leed

    Meteen al in het eerste van de drie delen wordt het introspectieve karakter van deze bundel duidelijk. Niet gelijk somber, maar weemoedig is het wel. Omdat deze tijdreis moeiteloos toen en nu, daar en hier aan elkaar paart, kan het gebeuren dat in een enkele strofe wordt beschreven wat er zo mooi is aan de wereld, en tegelijk wat er allemaal zo foeilelijk aan is. En nee, geen eenmalige ergernissen. Klinkklare ellende is het die zich telkens opnieuw aandient of zelfs helemaal niet meer weggaat. Het arriveert dagelijks in megacontainers, als de onnutte meuk uit lagelonenlanden.

    ‘Uit sterven / Een gloednieuwe morgen

    Een gloednieuwe morgen breekt aan,
    de haven ontwaakt, de sluizen gaan open,
    schepen voeren het heil aan in megacontainers:
    de nieuwste gadgets en speeltjes – lees: afvalhopen.

    Het land van belofte loopt onder en droogt ernstig uit.
    Een overvloedig tekort stapelt zich op. We hebben
    de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is
    noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.

    Terwijl de wereld vergaat, traag weliswaar maar
    gestaag, zitten wij naar ons beeldscherm te staren.
    We hebben het niet geweten, zal men ooit zeggen.
    Als alle leven is uitgestorven, staan onze kunststof
    kozijnen nog lang overeind, onze keramische heupen
    overleven nog eeuwen.’

    Hoop en vrees

    Toch zijn er ook prachtige beelden en zinnen. ‘Eenzaamheid fietst als een zieke artiest door de stad, besmet ongewild wie hij ziet.’ Of deze, ‘De trein komt voor even tot stilstand. Stapvoets gaat het verder, alsof er een dode aan boord is gekomen.’ Er zijn mensen – van een tijdperk eerder nog – die blijven zoeken naar potten met troost en hoop. Er is de nachtzuster die liefdevol haar patiënten kust. ‘In mijn zaaltje van angst en beven zal ze gaan zingen / vanmorgen, maar ik hoor haar nog niet. // Ik, nota bene de bedenker van het omhelzende bed, / ben een van de velen. / Zij is doodmoe en ik kan geen kant op.’

    Het is nooit allemaal zwart-wit, er zijn veel nuances, veel grijstinten. Hoop en vrees houden het naast elkaar uit in een wankel evenwicht, als bij een koorddanser op het slappe koord. En dat is wat ook de lezer in balans houdt, verontrustend en geruststellend tegelijk. Voor elke hardheid is er iets zachts, tegenover elk nieuw staat iets ouds, iets vertrouwds. De tijdreis gaat razendsnel en traag tegelijk: ‘Hij heeft de tijd: van vuistbijl tot smartphone duurde / een nanoseconde vanuit de Orionnevel gerekend.’

    Bijbelse motieven

    Omdat alles altijd in beweging is, is er ook altijd licht aan het eind van de tunnel. Of komt men weer vrij uit de buik van een enorme vis. ‘Er doemt een gigantische monstervis op / met wijd open kaken en alles wordt zwart. / Ik kan niet meer denken en hoor slechts ruis / totdat ik als een kersenpit uit word gespuugd. / En dan mag ik naar huis. – U hoort nog van ons.’

    Behalve deze strofe, die erg doet denken aan Jona in de walvis, zijn er meer bijbelse beelden: verloren zoon, woestijn, engelen en profeten, en zelfs een voorzichtige verwijzing naar Lazarus en de rijke vrek.

    Meer inspiratie werd gevonden achter de Hema: / een aftandse kameel wierp veel stof op, gaapte geweldig, / knielde gedienstig en bood me een lift aan. // Het beest, vast ontsnapt uit een circus, / droeg me de stad uit en verder en verder, richting woestijn. // Om weer te aarden?

    Sowieso spelen er – ragfijn, maar toch – mooie ouderwetse motieven door deze bundel. De liefde van een puber voor een lerares, met alle aandoenlijke onhandigheid van dien. En inderdaad iets met geloof en kerk, hoewel allang niet meer dat zwaar-zwarte waar Wolkers en de zijnen eertijds tegenaan schopten. Nee, een mild geloof, knus en huiselijk. Even Nederlands als vissersboten, tegenwind en fietsen over de dijken. Nostalgisch bijna, van toen geluk heel gewoon was. Hoewel, zo gewoon was dat geluk niet. In ieder geval niet probleemloos of volkomen, want tegenover thuis staat ontheemd zijn; bij op weg gaan hoort onvermijdelijk verdwalen, de weg kwijt raken. Dieper ligt de vraag of de plek die lange tijd je thuis was, wel de beste plek is om naar terug te keren.

    Litanie van gesukkel

    De reizigers op deze circulaire tijdreis – Holtrigter noemt ze verstekelingen – ervaren de tijd op eigen wijze en hebben daar hun eigen gevoelens bij. Over het precieze hoe en wat van tijd en ruimte is weinig onderlinge overeenstemming. De dichter lijkt daar niet mee te zitten, die laat zich niet opjagen; die laat het allemaal naast elkaar bestaan.

    ‘Waar tijd niet bestaat maar wel lichtjaren ruimte, / zijn daar de zielen van oude kettinghorloges? / Is er een klok die lichtjaren telt?’

    Toch hebben die verstekelingen wel een paar dingen gemeen. Hoe kan het ook anders als het onderscheid tussen begin en einde, oorsprong en bestemming, verleden en toekomst zo vaag is dat daardoor zelfs de lijn tussen herinnering en droom niet meer helder is. Telkens is het maar de vraag of iets al heeft plaatsgevonden of dat het nog te gebeuren staat. Of dat, en daar schuurt zachtjes de weemoed, het gedane nog eens gebeuren mag, opnieuw, maar anders. En daar is de omgekeerde weg die blijkbaar veel dichters – of mensen met een dichtersgemoed – afleggen. Bij wie het leven niet licht en zorgeloos begint zoals bij de meeste kinderen, maar juist zwaar, en dat het gaandeweg lichter wordt. En niemand weet waarom.

    Of misschien ook wel. Iets met gewenning, niet door de zwaarte van het leven overvallen worden, maar altijd al geweten hebben dat die er was, dat het nu eenmaal een litanie van gesukkel zou worden. Alles wat daarna blijkt mee te vallen is winst.

    ‘Dit wandelend eiland

    Dit wandelend eiland is tijdloos want onbewoond.
    Roestige boten, daar vastgelopen, staren hol
    naar elkaar als ontluisterde goden.

    Rondom woelt de zee.
    Er drijven, als in de kosmos planeten.
    Ik duik en luister, hoor golfslag en ruis.

    Ik heb mijn ziel bloot gelegd, lispelt de zee,
    en nu jij.
    Er is een diepte in mij, zing ik, die ik niet ken
    maar vermoed, ik was er dichtbij.

    Een vis ben ik die in de loop van de eeuwen
    zijn afkomst voorgoed is vergeten.

    Dolend niet weten dat je verdwaald bent.
    Zoiets.’

     

     

  • Troost vinden in levens en werken van beroemde schrijvers

    Mijn vaderland is de titel van de nieuwe bundel van Johannes van der Sluis, dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Dat vaderland blijkt in de gedichten echter niet Nederland te zijn, zoals je zou verwachten. Niet voor niets is de titel van de bundel dezelfde als die Bedřich Smetana koos voor zijn cyclus van zes symfonische gedichten, Má Vlast, waarvoor hij tussen 1874 en 1878 de muziek componeerde. Het lijkt erop dat Tsjechië voor Van der Sluis eveneens het land is waar hij zich thuis voelt: zijn ‘Ersatz-Heimat’, noemt hij het zelf. Waar Smetana op zijn muzikale reis van zes gedichten uitgaat, koos Van der Sluis voor vijf afdelingen van gedichten en brieven. 

    De eerste brief is gericht aan zijn vader aan wie hij de bundel heeft opgedragen. Deze brief is honderd jaar later geschreven dan de brief die Kafka in 1919 aan diens vader richtte, en heeft dezelfde teneur van een jeugd waarin de vader weliswaar aanwezig was, maar op afstand bleef. Gelukkig weet Van der Sluis zich met zijn vader te verzoenen voordat deze in 2023 overlijdt. Ze maken samen een bedevaart naar Praag, ‘omdat we daar vroeger vaak waren geweest’. De dichter reist Kafka achterna en bezoekt de vroegere woningen van ‘al die fantastische/ schrijvers en dichters’. 

    ‘binnen is niemand te zien
     met de lift naar de vijfde verdieping
     de verdieping waarvan hij in de ban was
     Rilkes Malte Laurids Brigge in Parijs
     die van de vijfde verdieping wilde springen
     net als Kafka
     die op de vijfde had gewoond
     Konstantin Biebl
     die daadwerkelijk is gesprongen
     en hij woonde zelf op de vijfde verdieping
     waar we aan toevoegen
     Jan Arends
     de vijfde verdieping
     ook niemand hier’ 

    Buitengewoon droge humor

    De autobiografische elementen van de dichter en zijn ouders worden afgewisseld met veel citaten uit het werk van diezelfde schrijvers en dichters en met zeer gedetailleerde informatie over het verloop van de reis. Die informatie lijkt af en toe behoorlijk langdradig en overbodig, maar wordt dan plotseling doorbroken door de buitengewoon droge humor van Van der Sluis, die de draak lijkt te steken met zijn eigen vertelwijze: ‘we liepen langs de muur van Lennon/ War Is Over!/ stond er geschreven/ je zag het niet/ je bent van de Stones’. 

    De reis met vader en moeder voert verder naar Beieren, naar Neuschwanstein waar koning Ludwig II zich in de Starnberger See verdronken heeft. Het gedicht dat hierover gaat is een fantastische vervlechting van de banale werkelijkheid met de verering voor de sprookjeswereld van koning Ludwig, doorspekt met citaten van Johnny Cash, Joseph Roth en Apollinaire, en alles overgoten met een ironisch sausje. 

    Liefde blijft onbereikbaar

    Het reisverslag dat ook een dagboek is, wordt onderbroken door een brief aan zijn moeder en het afscheid van zijn stervende vader.

    ‘heeft papa me niet op wat zijn sterfbed leek
     opgedragen om mijn eigen weg te gaan?
     of gold dat alleen voor mijn poëzie?’

    De derde afdeling brengt de dichter buiten de grenzen van Europa: hij is verliefd geworden op een grillige Marokkaanse jongedame van twintig jaar, die niet al te toeschietelijk is en met wie hij in het Italiaans moet communiceren. Ze neemt een chaperonne mee naar de afspraakjes en haar familie maakt bezwaar tegen de relatie. Pas als de dichter zich bekeerd heeft tot de islam mag hij hoop koesteren, maar tot een bruiloft komt het niet. Vanuit Catania schrijft hij ook brieven aan zijn geliefde, maar die bezorgen hem niet het gewenste resultaat.

    ‘maar gisterochtend schreef ik
     ik kon het niet laten
     dat ze nu rustig kon slapen
     ik ben dood
     je hebt me vermoord
     met de Arabische vertaling erbij
     in die hoop dat zo’n vertaalprogramma het niet
     vertaalt met
     ik heb in het zwembad geplast’

    Grote namen en een ontgoocheld man

    Ondertussen vallen er grote namen als van Kierkegaard, Simenon, Pirandello, Czesław Miłosz, Robert Walser en vele, vele anderen. Van der Sluis citeert volop om zijn betoog kracht bij te zetten, daardoor wordt het wel eens vermoeiend om zijn verhaal te blijven volgen.
    De prozagedichten zijn in twee kolommen op de pagina’s gezet en wijken wat inhoud betreft niet veel af van de inhoud van de brieven, alleen de vorm is anders. Er wordt geen gebruik gemaakt van leestekens, op het vraagteken na, en alleen eigennamen en het eerste woord van een titel krijgen hoofdletters. Hij springt van de hak op de tak, verwijst terug naar elementen uit eerdere gedichten, maar het is allemaal veel van hetzelfde: een gezapig voortkabbelen van een verslag van persoonlijke teleurstellingen. Zelfs zijn droge humor kan niet voorkomen dat de aandacht verslapt.

    De dichter zet zichzelf neer als een ontgoocheld man, een verdrietige Pierrot, een ridder van de droevige figuur die net als Don Quichot zich vergeefs te weer stelt tegen de slagen van het noodlot en troost vindt in levens en werken van beroemde schrijvers. In zijn minutieus bijgehouden dagboek waarin hij zich ook tot anderen richt, probeert hij grip te krijgen op de omstandigheden, maar het blijft vechten tegen de bierkaai. 

    ‘zoals Duitsland papa’s moederland is
     is liefde mijn moederland
     een bloedige geschiedenis
     maar ik zing graag
     vooral op papier
     laat mijn lied voor jou
     alle woningen wijden

     Liefs,
     Johannes’

    Het vaderland, waarvan sprake is in de titel, is niet aan te wijzen op de wereldkaart. Het is de wereldliteratuur waarin de dichter zich thuis voelt.

     

     

  • De moed om te vliegen

    Vlieg! zegt de vloer is een nieuwe dichtbundel van Eva Gerlach. Een op het oog dun boekje, maar met een grootse inhoud. Aangevuld en verrijkt met prachtige illustraties van Trui Chielens.

    Gerlach schrijft over onderwerpen die dicht bij de belevingswereld van tieners liggen. De fase van het ontdekken van jezelf en je plek vinden in de wereld om je heen.

    Ze vertaalt deze thema’s in gevoelige maar krachtige poëzie en maakt de lezer deelgenoot van de ontdekkingsreis van een meisje in de tienertijd. De bundel maakt op een indringende en ontroerende manier duidelijk dat opgroeien niet zonder moeilijkheden verloopt. Gescheiden ouders, stieffamilie, verdriet, eenzaamheid en angst zijn thema’s die Gerlach niet uit de weg gaat en die veel tieners zullen herkennen.

    Leeftijd: 12+

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Lange ketens met kwetsbare schakels

    De bundel Wat wij doen dat heet bewaren, van Siel Verhanneman valt uiteen in twee delen: Psoas, de zielenspier, en Uterus, daar waar het nieuwe leven ontkiemt. Twee plaatsen in het lichaam waar grote verlangens en gevoelens beleefd en bewaard worden.
    Samengebracht in deze bundel gaan die verlangens en gevoelens vooral over moederschap en het doorgeven van leven in de breedste zin van het woord. Daarbij beschrijft de dichter zichzelf niet zelden als een schakel in een lange familielijn, tussen een vader die er niet meer is en een dochter die gezond en wel het levenslicht ziet. Een kind waarin de dichter een betere, sterkere versie van zichzelf projecteert. Maar niet zonder spijt, want ooit wordt dit kind volwassen en moet het worden losgelaten; en niet zonder angst, want het lot komt in vele gedaanten en spaart niemand.

    ‘Ik herken een zus in liedjes op de radio, / ik zie een vader achter het stuur van rode wagens. / Deze soort van missen vindt geen plek in ons vrolijk circus / waar we verdriet als roze koeken delen. / Deze soort van missen hoort bij de eerste golven / die zich terugtrekken net voor ze mijn tenen raken.’

    Van vasthouden naar loslaten

    Van de vele vormen van verlies getuigt Verhanneman in meerdere gedichten, genadeloos eerlijk en open. Daarmee cirkelt de hele bundel rond dat ene thema: de kwetsbaarheid van het leven. In het begin is dat vooral het verdriet om een mislukte zwangerschap dat al dan niet met een partner kan worden gedeeld.

    ‘Vandaag verloor de vrouw alweer een vrucht, / een idee van jou, tot je afsterft? / Oplost, waarin? / Uitstroomt, waarheen? // Op zoek naar een schuldige / eindigt ze steeds bij jaar vermoeide handen, / gespannen spieren, de kraaienpoten, / het onafgebroken drammen in haar hoofd / hoe graag ze jou hier wil houden, / kan het niet in alle rust / loslaten // het allerkleinste deeltje in haar / geen plek kan vinden. // Het is de natuur, zegt de man / die elke nacht naast haar slaapt, / verzwijgt hoe die voor de vrouw / veel wreder is,’

    Verderop in de bundel is er dan eindelijk een voldragen kind dat na de beschutting van de moederschoot nog een tijdlang gevangen zit in de symbiose buiten het lichaam. Zuigend en zogend innig verbonden totdat het los van het moederlijf kan bestaan en een eigen mens wordt. En de moeder met lede ogen en een bloedend hart moet aanzien dat dit kind behalve een eigen, zelfstandig lichaam ook een eigen geest heeft en herinneringen die in beider DNA liggen opgeslagen, maar die toch niet voor beiden dezelfde waarde en belangrijkheid hebben.

    Is loslaten minder moeder zijn? / Hoe bewaar ik een baby die niet meer / tussen mijn wiegende armen past, hoe hou ik / later de peuter, kleuter, tiener vast / in een volwassen lichaam, zoveel verder bij mij vandaan.’

    Poëzie als een dagboek

    De behoedzaamheid die past bij het thema ‘groei’ bepaalt de continuïteit van de bundel. Waarbij Verhanneman ook nog eens een chronologische volgorde aanhoudt, zodat de gedichten van voor naar achter bijna lezen als een persoonlijk relaas. De veelgebruikte ik-vorm maakt het allemaal nóg persoonlijker. Minutieus en met een ongekende intimiteit wordt dit proces van jaren beschreven. Ondenkbaar bijna om als lezer níet geraakt te worden door het feit hierbij betrokken te worden. Tegelijk maakt die voorzichtigheid de bundel hier en daar zwak. Al was het maar door het ontbreken van heftige uitbarstingen en verrassende wendingen. 

    Daarbij is de intimiteit van dien aard dat de lezer bij tijd en wijle het gevoel bekruipt een dagboek te lezen in plaats van een poëziebundel, waarbij het vertelde – hoe fijnzinnig en poëtisch geschreven ook – meer het karakter heeft van proza. En een heel persoonlijk proza bovendien. Wat een versmalling tot gevolg heeft voor wat betreft het lezerspubliek. Niet iedereen zit op zulke intieme ontboezemingen te wachten; niet iedereen voelt de behoefte het dagboek van een ander te lezen.

    ‘Ik kijk naar deze vreemde moeder / die mij vertelt hoe graag ik / een tweede kind wil. / Dat ik het vechten verlang / om het gebrek aan plek / op mijn lichaam. / … en kan ik / nog een tweede keer / tot zo’n oerversie van mezelf / geboren worden?’

    Een andere zwakke plek: door deze al te persoonlijke invalshoek ontbreekt de blik naar buiten bijna helemaal. Terwijl dat ‘naar de wereld kijken door de ogen van een ander’ iets is dat liefhebbers van poëzie toch graag zoeken in een gedicht. Zowel voor de inhoud, het thema, als voor vorm, de specifieke verbeelding van het vertelde, heeft deze naar binnen gerichte blik consequenties.

    Kunst in een instrumentele rol

    Het enige dat een gezond tegenwicht biedt en de inhoud wegtrekt uit die al te persoonlijke benadering, is de interactie met diverse kunstwerken. Bij 26 van de in totaal 41 gedichten is er een verwijzing naar een kunstwerk van een bekende of minder bekende kunstenaar. Behalve bij de wederwaardigheden rondom het moederschap mag de lezer ook getuige zijn van het proces dat zich als gevolg van deze interactie in de dichter zelf voltrekt.

    ‘Ik denk na bij welk kunstwerk je zou passen, / bladerend door O’Keeffe glimlach ik om een perzik, / bij Chagall staat alles zo snel in brand. / Daar gebeurt het, in die vlammen vang ik een glimp / van je toekomst zonder seizoenen,’

    Zo komt buiten toch binnen en kan het ook over andere dingen gaan. Al is de richting niet zo dat de dichter middels het gedicht de aandacht van de lezer naar buiten, naar het betreffende kunstwerk stuurt. Eerder heeft het kunstwerk een instrumentele rol en helpt het de dichter om de geleefde ervaring te kunnen verbeelden in zoiets taligs als een gedicht. Dus toch weer de blik naar binnen. De beschreven ervaringen blijven dicht bij de beleving van het eigen lichaam, de eigen seksualiteit, de kwetsbare familieverbanden, en zijn daardoor te persoonlijk om universeel te kunnen worden. Er ís een buitenwereld, maar de beweging is van buiten naar binnen en niet omgekeerd.

    De unieke waarde van poëzie

    Het enige achterdeurtje dat leidt tot een meer trans-persoonlijk verstaan van deze gedichten is de herkenbaarheid voor vrouwen – en enigermate ook voor vaders en partners – die ooit ergens in hun leven een vergelijkbare situatie hebben meegemaakt.
    ‘Op klaarlichte dag strekt ze uitdagend haar fijne poten / boven haar hoofd, wikkelt elegant haar spinrag / om alle ophef, zacht is hoe zij monden snoert. // Haar eieren trillen, / zij weten dat dit de moeder is / die hun wereld wel bijeen zal houden.’

    Behalve over mensenbaby’s en dat o zo kwetsbare groeiproces, gaat het veel over natuurlijke, organische dingen. De eieren van de spin van Louise Bourgeois, vogels en nesten, bomen en bloemen van allerlei soort. En behalve in de keuze van thema’s en beelden is die voorzichtigheid, die nadruk op kwetsbaarheid er ook in de taal zelf. Nergens is die hard of bot, kil, stoer of zakelijk. Met wondermooie titels die op zichzelf al poëtische miniatuurtjes zijn: Onze hoop rust in haar eieren, Tweedekansbegrafenis, Madeliefjes plukken, Ontglip-me-nietje.

    Poëzie als een geheime tuin met veel moois om van te genieten doch slechts toegankelijk voor een klein, select gezelschap. Maar is dat niet precies de kracht en de unieke waarde van poëzie, dat het geen mainstream-gebeuren is dat de grote massa met een doorsnee aanbod tevreden stelt? Anders dan proza, dat zich in duidelijke genres laat indelen en herkennen, speelt poëzie zich meesttijds af in een kunstig labyrint met vele niches.



  • Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    In 1988 debuteerde Elma van Haren (1954) met de bundel De reis naar het welkom geheten, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht Het schitterende uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Ze schreef ook een verhalenbundel en een roman en is naast schrijver ook beeldend kunstenaar.

    Haar veertiende bundel, Uit de klatergouden boot gevallen, laat zich lezen als een uitbundig sprookje, een scheppingsverhaal uit een zelfgeschapen mythologie, waarin de realiteit een ondergeschikte functie heeft. Er klinken echo’s door van de Japanse godenverhalen en de Griekse mythologie, met een vleugje van de Noorse.

    In haar ‘Aantekeningen’ vertelt Van Haren dat de bundel ontstond naar aanleiding van een zin die ze maar niet uit haar hoofd kreeg: ‘In de parels rond de ranke hals van meisjes zit de adem van ama’s…’ Vanuit deze zin schreef ze een verhaal dat zich afspeelt in Japan, waar jonge vrouwen, ama’s genoemd, al eeuwenlang parels opduiken uit zee. Het is een gevaarlijk beroep, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van apparatuur en de vrouwen vertrouwen op het inhouden van hun adem. 

    Parelduiksters en pareldraagsters

    Van Haren verdeelt de wereld in parelduiksters en pareldraagsters, ‘heldinnen en slechteriken’, twee groepen die erg ver van elkaar afstaan. Degenen die de parels opduiken met gevaar voor eigen leven, zijn immers nooit degenen die de parels dragen. Een van de ama’s, die later Shinju genoemd wordt, ontvoert een van de pareldraagsters, Madelief, die later Meri genoemd wordt. Meri – met gouden krullen en blauwe ogen- is het tegenbeeld van Shinju, maar toch ontwikkelt zich tijdens hun vlucht een liefdesrelatie tussen beide vrouwen, die later weer dreigt te verzanden als te veel ruzies de liefde afzwakken.

    ‘Twee boeken opengeslagen op elkaar. Copulatie.
     Stijlen vervloeien, verdrinken, zinken. Hier en daar
     sterke trampolinewoorden.
     Het beste zuigt zich gretig in elkaar, weefseltaal, stijlvampier,
     op de tenen wordt om het meest herkenbare heengelopen
     en met een handgebaar,
     verdwenen!
     De tweesprong: één snelweg naar de einder. Perfectie.
     Alice met de appelwangen en Cleopatra met haar slangen.
     Een plaatje paradijsgewijs. Klassiek.
     Wij, liefdespaar.
     Uiteindelijk.’

    Spinnenkoningin regeert de wereld

    Het verhaal wordt bezongen door acht verschillende stemmen, waarvan de verteller het vaakst aan het woord is, maar ondanks dat is hij/zij niet de belangrijkste. Dat is namelijk de stem van de Spinnenkoningin die alle touwtjes in handen heeft. Zij regeert de wereld en weeft het noodlot voor iedereen: ‘Tussen de planeten heb ik ieders naam in het sterrenstof geschreven.’
    Ook is er een koor als in Griekse tragedies dat commentaar levert op de gebeurtenissen, maar er zelf niet bij betrokken is. Alle stemmen hebben een eigen teken meegekregen dat naast de titel van elk gedicht geplaatst is waardoor meteen duidelijk wordt wie er aan het woord is. Het teken voor de Spinnenkoningin lijkt op een web. 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor de Dood/Man met de zeis, maar hij wordt in de tweede afdeling van de bundel vervangen door een vrouwelijke dood, Hella genaamd, of ‘Hare Heftigheid’: ‘Dat mijn baas bazin is, Spinnenkoningin, gaf me goede hoop/ toen de [positie van Magere Hein voor het grijpen lag./ Deze tijd is rijp voor vrouwelijk beleid.’ Hoe het verhaal afloopt, wordt door de dichter in het midden gelaten. Dat kan de lezer zelf bedenken. 

    In sprookjes kan de werkelijkheid ondersteboven worden gezet, evenals de volgorde van de gebeurtenissen en de wetten van de logica gelden hier niet. Belangrijker dan het verhaal is de wijze waarop Van Haren het vertelt. Haar poëzie kenmerkt zich door een bonte schakering van fragmenten, losse hersenspinsels die door middel van associaties aan elkaar geregen worden. Deze bundel is een overweldigend geheel van verschillende stijlen, lettertypes, typografieën, dialogen, haiku’s, zelfs van talen, omdat er ook Japanse gedichten in afgedrukt staan. 

    Ingewikkeld web met vaste patronen

    De versvormen zijn heel divers, voornamelijk vrije gedichten die uitwaaieren over de pagina en lange gedichten die uit één zin kunnen bestaan. Alleen de Spinnenkoningin heeft een eigen versvorm gekregen, alleen voor haar, een sonnet van een octaaf en een sextet met een strak gehouden schema voor het eindrijm. Dat is ook passend voor een spin die zelf een ingewikkeld web weeft met vaste patronen. 

    ‘Ingesponnen

     Mijn acht spinnenogen haken zich aan alle kanten vast,
     Soms gevangen door kleinigheden van grote onbelangrijkheid
     En hoe ik ook mijn best doe, ik raak het maar niet kwijt,
     Het drukt op de doorluchtigheid van mijn weefsel, een grote last,

     Waardoor het patroon verwart als ik niet oppas, dus tot mijn diepe spijt
     Eist dit soort onbenulligheid dat het al mijn aandacht
     Krijgt, het klemt zich als een weerhaak aan mijn kantkloskracht
     Tot de juiste oplossing met eindelijk van deze marteling bevrijdt.

     Dit! Ik zie een lieve en een agressieve, toevallig samengesmeed,
     Behept met machteloze mensgevoelens, vluchtend voor het onvermijdelijke lot.
     Vechten, rennen, vrijen. Doden? Als het zo uitkomt, zullen ze het zeker doen.

     Een raadsel waarom deze twee beklijven, maar mijn professioneel fatsoen
     Dwingt me het serieus te nemen ook al voel ik mij beknot tot op het bot.
     Weet dat ook een Spinnenkoningin  heftig lijdt onder menselijk leed.

    De gedichten in deze bundel lijken ongeordend, maar wie goed leest merkt dat schijn bedriegt. Van Haren speelt een fijnzinnig spel met de taal, dat levert knappe vondsten op waarbij een soort droge humor eruit springt. Heel bewust haakt ze aan bij dramatische clichés, om daarna zelf een loopje te nemen met wat ze geschreven heeft. Een bundel als een achtbaan: heftige emoties vliegen van hoog naar laag en omgekeerd, het geschreeuw kan oorverdovend zijn en regelmatig gaan de gedichten ‘over the top’, zowel wat inhoud als uiterlijk vorm betreft. Het is aan het verhaal om te bepalen wat het wordt, schrijft de dichter in de ‘Aantekeningen’. Geen bundel om te analyseren of te ontleden, dit is een bundel om je te laten overrompelen door het taalplezier dat van de pagina’s afspat en dat nog lang in je hoofd blijft nadenderen.



  • Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Geluk. Een woord, of misschien beter gezegd een idee of concept waarbij iedereen direct een beeld zal hebben. Ga je echter kijken hoe dat concreet moet worden ingevuld, dan zullen velen het antwoord schuldig blijven. De ware betekenis van ‘geluk’ is voor de meesten even duidelijk als vluchtig en ongrijpbaar. Het is daarom een uitdagende taak een verzamelbundel poëzie samen te stellen met geluk als leidraad. In Het komt goed; de mooiste gedichten over geluk heeft Elisabeth Lockhorn zich over deze taak gebogen, met zeer bevredigend resultaat. Hier is duidelijk veel zoekwerk aan voorafgegaan: veel lezen, veel afwegen.

    Een van de belangrijkste functies van poëzie is dat het je leert opnieuw, en vooral met een andere blik, naar vaak alledaagse dingen te kijken. Met die notie in gedachte is ‘Grassen van H.H. ter Balkt een treffende keuze. ‘De grassen in boomgaarden onder groen hout, / de grassen op boerenerven, door honden bewaakt’. En welk een geluk er uitgaat van de rust van een stapel hout toont Rolf Jacobsen: ‘Het is goed, dat er in de wereld nog hout is / En dat er nog / Stapelplaatsen genoeg zijn. / Want in hout is een grote rust / En een sterk licht, / Dat ’s zomers ver  /De avond in schijnt.’

    Er is het geluk dat kinderen geven, het geluk van mooie woorden, het geluk van een schilderij, het geluk je in je auto af te sluiten met Mozart. Anderen vinden het geluk in God en via hem in de natuur (Gerald Manley Hopinks). J.C. van Schagen laat zien dat ook in regen geluk kan schuilen: ‘en over de huiverende slootjes danst de regen / hij ritselt stilletjes tussen het helm in het duin’.

    Sta er voor open

    Maar je moet geluk wel durven ervaren, zoals het motto van Anna Kamieńska zo treffend zegt: ‘Joy – it’s not just a gift. / In a sense it is also a duty, / a task to fulfil. Courage.’ En dat is het precies. Het is onze plicht open te staan voor geluk. ‘Aarzel niet, zo zegt Mary Oliver in het gelijknamige gedicht. ‘Hoe dan ook, wat het ook is, wees niet bang voor / de overvloedigheid ervan. Vreugde is niet gemaakt / om een kruimel te zijn.’ Dit gedicht is vertaald door Marjoleine de Vos, die zelf ook met enkele gedichten is vertegenwoordigd, waaronder het erg mooie, Het leven in juni’, met de slotstrofe ‘Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld / en om mij heen ademt alles en in huis / zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, / deze ochtend in juni, de zwartkop zingt / en in de tuin zit zij.’ Niet geheel toevallig staat naast haar het al even fraaie Dit moment’ van haar ex-man Tom van Deel (1945-2019), met als eerst vijf regels, ‘Er is niets voor te stellen mooier dan / een vrouw die in het strijkend avondlicht / een tuin inloopt, het waait, het blad van / de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar / bloemen, snoeiend, alles als weleer’.

    ‘Om / Onrechtvaardigheid als enige / in het centrum van onze aandacht te zetten is het prijzen / van de Duivel’, aldus Jack Gilbert (wat een ontdekking!) in ‘Een instructie van de pleiter’. Van Jack Gilbert kan een directe lijn getrokken worden naar de Poolse Zbigniew Herbert ‘- vergeef me dat ik alleen aan mezelf dacht terwijl het / leven van anderen wreed onherroepelijk om me draaide / als de grote sterrenklok van Sint-Pieter in Beauvais.’ Misschien moeten we ook de natuur hier als voorbeeld nemen: ‘Dan komt de rust over me van wezens in het wild / die niet hun leven lastig maken met piekeren / over verlies.’, (Wendell Berry).

    Pure kwaliteit

    We komen veel grote nationale en internationale namen tegen zoals de Zweedse Nobelprijswinnaar Tomas Transtrőmer, uiteraard in vertaling van Bernlef. De voor Transtrőmer zo veelzeggende titel De halfklare hemelis misschien wel de perfecte geluksstaat, op weg naar het ultieme, met nog veel moois op komst. ‘Alles begint om zich heen te kijken / Met honderden tegelijk lopen wij de zon in. // Ieder mens een halfopen deur / Leidend naar een kamer voor allen.’

    Van Kavafis zijn vier gedichten opgenomen (vertaling door Blanken), waarvan ‘Ithaka’ en ‘Antonius door zijn god verlaten’ tot de absolute hoogtepunten van de moderne wereldliteratuur mogen worden gerekend. ‘Houd altijd Ithaka in gedachten. / Daar aan te komen is je bestemming. / Maar overhaast de reis volstrekt niet. / beter dat die vele jaren duren zal, / en dat je, oud al, landen zult op het eiland, / rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen, / niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal. / Ithaka gaf je de mooie reis. / Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan. / Verder heeft het je niets meer te geven.’ Het geluk zit in de reis, wat hier staat voor het leven zelf.

    Nog een Nobelprijswinnaar, de Pool Czesław Miłosz is vertegenwoordigd met vijf gedichten, evenals Zbigniew Herbert in de vertaling van Gerard Rasch, een van de grote namen op literair vertaalgebied. De bundel begint direct goed metMiłosz’ zeer fraaie ‘Een Geschenk’, waarvan de kernregels, ‘Er was geen ding op aarde dat ik zou willen hebben. / Ik kende niemand die het benijden waard was. / Wat aan kwaad was geschied, had ik vergeten.’  Ziedaar geluk in een notendop.
    Van Dylan Thomas is een van zijn mooiste gedichten gekozen, ‘Varenheuvel (‘Fern Hill’, vertaald door Bert Voeten). Met die bekende en prachtige openingsregels: ‘Toen ik nu jong en onbezwaard was in de appelgaard / Nabij het jubelend huis en blij om het groen van het gras’. Daar is het groene gras weer.

    ‘Een draagbaar paradijs’ van Roger Robinson is ook een van de parels uit deze bundel. Hier wordt poëzie bijna mindfulness. ‘En als het leven je onder druk zet, / moet je de richels ervan aftasten in je zak, / zijn dennenachtige geur opsnuiven / zijn hymne neuriën onder je adem.’ Verder vinden we onder andere Rutger Kopland, Philip Larkin, Ida Gerhardt, Vasalis en Fernando Pessoa, tussen de vele andere grote namen – en de vaak minder bekende verrassingen.

    Elisabeth Lockhorn ontwijkt vakkundig alle clichés die zo’n bekend referentiekader bieden bij het thema ‘geluk’. Juist door aan de ene kant dichtbij dit kader te blijven, maar het tevens door de kracht van de keuzes vakkundig te omzeilen en overstijgen krijgt deze bundel extra waarde en stijgt daarmee verre uit boven de gemiddelde thematische verzamelbundel. Een heerlijke bloemlezing voor alle poëzieliefhebbers, maar zeker ook voor iedereen die niet zoveel in aanraking is geweest met poëzie maar er wel benieuwd naar is.

     

     

  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Een boek om te koesteren

    ‘Wat moet ik dan doen met die mooie topazen oorbellen? Een belachelijke eerste gedachte. Die ik toch heb, ’s nachts in bed, als ik mezelf toesta vlak voor het slapen gaan even te denken aan “als ik nu zou horen dat ik niet zo lang meer te leven zou hebben.’’’

    Het is voorjaar als dichter en schrijver Marjoleine de Vos een bultje ontdekt bij haar kaak, onder haar rechteroor. Ruim een half jaar later is het bultje uitgegroeid tot een speekselkliertumor en de oncoloog besluit tot een operatie. Het zal wel meevallen, zegt hij. Waarop De Vos noteert: ‘Precies wat ik dacht, behalve op de momenten dat ik het niet dacht.’ En deze momenten kwamen vaker voor dan ze zou willen. Ze doet er verslag van in het kleine, fraai uitgegeven boekje Zo hevig in leven, een overpeinzing over sterfelijkheid. De titel is een dichtregel uit een van haar gedichten, ‘Mevrouw Despina leest een psalm’ uit haar bundel Zeehond graag uit 2000. Het gedicht staat ook vooraan in dit boekje, als een motto, en het vat de inhoud ervan prachtig samen: angst en onzekerheid over het leven en het einde daarvan wisselen in haar gedachten van plaats met de betekenis en de vreugde van het hier en nu. De

    Houvast zoeken in de natuur 

    Vos zet haar gedachten om in prachtig proza, onnadrukkelijk, alsof ze in zichzelf praat. Ze vertelt over haar angsten, haar herinneringen, alles wat ze liefheeft en vreest te moeten achterlaten. Ze denkt na over haar eigen afwezigheid, de vergankelijkheid van de mens. Hoe moet je je voorstellen dat je er niet meer bent. Het feit dat de artsen geen definitieve diagnose hebben kunnen stellen, maakt het voor haar nog moeilijker: hoe moet ze zich verhouden ten opzichte van het leven. Houdt het op of gaat het verder. En als het verder gaat, hoe dan. Gedachten over wat er kan gebeuren met haar gezicht: ‘Niet het mijne! – en hou hierover op.’ Houvast vindt ze in relativeringen die ze zoekt in de natuur, haar liefde zonder voorbehoud voor dieren, waaronder haar vogeltjes – die keren steeds terug in de tekst – en voor de literatuur. Om troost en bevestiging en om te weten dat ze niet alleen staat, citeert ze Vestdijk, Vasalis, Szymborska, Proust en Nijhoff (‘die verlichten mijn dagen’), maar vooral Mary Oliver, die net als zijzelf inspiratie vond in de natuur en dichtte over de ‘overgave aan de natuurlijke wereld’: natuur, stilte, dieren. 

    Nadenken over het leven voert haar onvermijdelijk terug naar het verleden: ‘Een heerlijke tijd natuurlijk, oorlog lang voorbij, iedereen werd almaar rijker, we geloofden eindeloos lang in zoiets als vooruitgang’. Ze kan niet anders dan concluderen: ‘Ja, ik heb in allerlei opzichten geboft met mijn tijd van leven. Bof nog steeds.’

    Als ik er niet meer ben

    Van september tot en met februari schrijft De Vos niet alleen over haar gedachten maar vertelt ze ook over het hele medische circuit waarin ze beland is: onderzoeken, uitslagen, uitzichtloosheid en strijdend met hoop, verwijten maken dat de tumor veel te laat ontdekt is en dat het veel te lang heeft geduurd voordat er iets aan gedaan werd. ‘Als ze in september dat bobbeltje hadden weggehaald. Dan was er geen avond geweest waarop ik wanhopig had gedacht: Zelfs een jaar is genoeg, echt waar, laten de goden mij nog een jaar toestaan. Maar niet nu al.’

    Ze denkt na over haar begrafenis en welke muziek er dan gedraaid moet worden. Herkenbaar voor iedereen die hetzelfde meemaakt. Maar het ergste vindt ze het verdriet van anderen, als ze moet vertellen wat er met haar aan de hand is. En de angst dat je degenen van wie je houdt niet goed achterlaat. ‘Dus dan fantaseer is hoe ik hem veel geld kan nalaten, waarmee hij dan iets kan gaan doen. Welk geld. Wat doen. Ik wil hem gewoon vast blijven houden als ik er niet meer ben.’

    Tijdens de operatie, de dag na nieuwjaarsdag, zijn er geen uitzaaiingen gevonden. ‘Zucht van opluchting, alsof die arts zei: gij zult leven, zonder dat er ooit gezegd is dat dat niet het geval zou zijn […]’ Zekerheid wordt niet geboden, als er niets gevonden is betekent dat nog niet dat er ook niets is. Maar: ‘Ik heb geen klachten. Ik leef.’ 

    Overgave aan het leven

    En dat is wat blijft als je haar boek hebt gelezen, haar overgave aan het leven, haar verwachtingen, haar levenslust. Het heeft te maken met, zoals ze schrijft, ‘het loslaten van jezelf.’ Alsof  ‘jezelf’ er niet meer zo veel toe doet, zegt De Vos, ‘kijken naar wat er aan leven is buiten je, en niet denken: wat betekent dat voor mij, niet zoeken naar wat er in je omgaat.’ In de woorden van Elisabeth Eybers, die zij citeert, heet het: ‘Zelfafstotend groeien.’ De Vos voelt dat als zij haar geliefde vogels observeert, mussen, wulpen, sternen, groenlingen en koolmezen. Die spreken tot haar, net als de woorden van Eybers, ‘zomaar wat woorden om mee te nemen in het ijverige alledaagse dwalen, zoeken, leven.’

    Zo hevig in leven is een intiem boek dat de lezer rechtstreeks in het hoofd en hart van de dichter laat meekijken hoe zij deze moeilijke periode beleefd heeft. De Vos doet niet aan zelfbeklag. Ook maakt ze geen grote gebaren of verheft haar stem. Het is een open en eerlijk relaas dat niemand onverschillig zal laten. Wie in dezelfde situatie verkeert of verkeerde als zij, zou dit onsentimentele maar ontroerende boek moeten lezen. En zo troost te vinden in de woorden die zij heeft gegeven aan wat veel mensen moeten doorstaan. Dit is een boek om te koesteren.

     

     

  • Oogst week 11 -2025

    Uit de klatergouden boot gevallen

    Elma van Haren (1954) is dichter, performer en kunstenaar. Ze debuteerde met de dichtbundel De reis naar het welkom geheten (1988) die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Voor Grondstewardess ontving zij de Jan Campert-prijs. Het gedicht ‘Het schitterende’ uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Elma van Haren schrijft eigenzinnige poëzie, die voortkomt uit haar voortdurende en onbegrensde verbazing over de dagelijkse realiteit. Haar poëzie kenmerkt zich door los rijm en een eigenzinnige typografie, alsof impressies en fragmenten op willekeurige wijze met elkaar verbonden zijn. 

    Van Harens nieuwe bundel Uit de klatergouden boot gevallen bestaat uit een prozagedicht van acht stemmen. Elke stem heeft z’n eigen toon en eigen ritme en, zoals in de muziek, roept elk ritme een tegenritme op in het volgende gedicht. Twee vrouwen spelen een rol: De een is het slachtoffer van de ander, maar als ze gedwongen worden om samen te vluchten voor het lot, gaan ze elkaar toch liefhebben. Kleine gebeurtenissen echter, zoals die plaatsvinden in een mensenleven, ondermijnen hun liefde. Hierdoor haalt het lot hen uiteindelijk in en vergaat het hun zoals iedereen.  

     

    Uit de klatergouden boot gevallen
    Auteur: Elma Haren
    Uitgeverij: De Harmonie

    Ragbol Rinus

    Wie kent Piet de Smeerpoets niet? Oorspronkelijk getiteld ‘Der Struwwelpeter’, geschreven in 1845 door Dr. Heinrich Hoffmann, bevat het boek tien opvoedkundige verhalen voor en over kinderen, bedoeld om te waarschuwen voor slecht gedrag. Alle verhalen hebben een gruwelijke afloop. Huisarts Heinrich Hoffmann bedacht de verhalen om zijn jonge patiëntjes stil te krijgen als die zich niet wilden laten onderzoeken – door hun aandacht te trekken en niet meer los te laten, ze te vermaken, te choqueren en om ze aan het lachen, schrikken en griezelen te maken. 

    Het boek werd meerdere malen uit het Duits naar het Nederlands vertaald. Nu is er een gloednieuwe vertaling van Robbert-Jan Henkes, dichter en vertaler, die eerder in samenwerking met Erik Bindervoet werk van onder anderen Bob Dylan, James Joyce en The Beatles vertaalde. Bovendien vertaalde hij Russische gedichten voor kinderen van Daniil Charms, Nina Gernet en Natalja Dilaktorskaja in het boek Hé, waar zijn mijn kindjes? 

    Piet de Smeerpoets krijgt bij Henkes de naam ‘Ragbolrinus’: 

    ‘Ragbolrinus, grote groezel,
     alles aan zijn lijf is smoezel.
     Niets dat hij ooit knippen liet.
     Nagels? Naalden! Haren? Slierten!
     Hij’s geen mens maar ongedierte.
     Niets dat je van die jongen ziet.
     Ragbolrinus? Is er niet!’

     

    Ragbol Rinus
    Auteur: Dr. Heinrich Hoffmann
    Uitgeverij: Uitgeverij M10boeken

    Dobberen

    Sophia Blyden (1993) is dichter, schrijver, programmamaker en host. Ze studeerde Moderne Nederlandse Letterkunde in Leiden. In haar proza en poëzie onderzoekt ze thema’s als eenzaamheid, machtsverhoudingen en de grens tussen feit en fictie. Daarbij laat ze zich graag inspireren door sprookjes, mythen en popcultuur. 

    In haar debuutbundel Dobberen drijft een kikker op het water, tussen realiteit en fantasie, mens en dier, man en vrouw. Met zijn kop boven het oppervlak en het lijfje eronder belichaamt hij de ‘tussenruimte’ waarbinnen een jonge vrouw zich beweegt. Sophia Blyden laat het licht schijnen op het gebied tussen meisje en moeder in. Hoeveel controle heb je over je lichaam, grenzen en toekomst? Blyden dicht over keuzes die een meisje moet maken voordat ze volwassen kan worden, maar ook over de voorwaarden en de consequenties van die keuzes. Zoals het kikkervisje moet kiezen of hij land- of waterdier wordt, zal ook een jonge vrouw haar identiteit moeten bepalen. 

     

    ‘thuis ga ik voor de spiegel staan en bekijk mijn naakte
    babylichaam, (…)
    ik voel me een gladde godin (zal later zo genoemd worden)
    en schaam me diep diep diep’



    Dobberen
    Auteur: Sophia Blyden
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido
    ,