• Leegland

    Voor België ben ik niet dit EK. Ik fiets graag in de Ardennen en Brussel, Antwerpen, Gent: leuke steden, maar heb niks met het Belgische voetbal. Vroeger ook al niet. Porto sprak altijd meer tot mijn verbeelding of zelfs Dinamo Zagreb dan bijvoorbeeld Anderlecht of Standard Luik. Geef mij maar Bayern München of Stuttgart. Beieren voelt als een landschappelijk thuis, ook al staan de streek en zijn bewoners voor een conservatief leven, wat me minder aanstaat. Maar het romantische van bergen, bossen en veel leegte, staat me weer wel aan.

    Aan Duitsland denk ik dus vaak. Vandaag ook weer. Ik bladerde door een roman (De zondagsjongen, 1988) van Cherry Duyns, documentairemaker, schrijver en half Duits. Zijn bassende stem kwam al vaker tot me via de radio of de tv. Samen met Armando voedt en stut hij mijn fascinatie voor de oosterburen. De grensstreek heeft ook mijn bovenmatige interesse. Zoals het schuldige landschap in de schilderijen van Armando. De bomen staan er, de weg loopt er, het boswachtershuisje aan de weilandrand: ze hebben gezien wat er gebeurd is – een smokkelaar, een oorlogshandeling, iets onwettigs – maar ze zeggen niks. Ze zijn het decor van het plaats delict. Maar je merkt niets aan ze. Sommige mensen zijn net zo. Wetend, maar zwijgzaam als het graf waar ze anderen in hebben zien storten na het nekschot. Er is nog zoveel leegheid – fysiek als mentaal – die je met je verbeelding kunt vullen.

    Gisterochtend ging ik op de koffie bij een uitvinder en boekenliefhebber, groot deel van zijn leven in Duitsland gewoond trouwens, de liefde achterna – en kreeg een boekje van hem cadeau: Bas Princen, Rotterdam (Witte de With Publishers, 2007). Een fotoboek over allerlei delen van de stad die onbestemd lijken of zijn. Rommelige ruimtes, niemandsland. ‘Urban junk spaces’, zoals architect Rem Koolhaas deze plekken noemt. Het is een thema dat me interesseert: tussengebieden waar weinig of niks gebeurt, die niet door een of andere overgeorganiseerde overheid of ambtenaar tot een bestemming is verheven (of gedegradeerd in sommige gevallen) en volgeplempt met bankjes, een strak rijtje bomen of verkeersborden. Of plekken die nooit zijn volbestemd en afgebouwd. Hekwerken en wegzakkende bankjes in een zanderig leeg stuk boulevard of een parkeerplaats aan de rand van bosschages. Geen mens te zien. Wel veel rommel en overwoekerde ruimtes. De socioloog David Hamers publiceerde jaren terug al Niemandsland over dit verschijnsel (Lemniscaat, 2006). De uitvinder vertelde me dat hij zich vooral ophoudt zo’n honderd jaar terug, rond de jaren 1920, lezend in boeken over het modernisme in de architectuur, toegepaste kunst en design. Hij is bezig met een boek over Rietveld. En af en toe staat de tv aan, om een flard voetbal op te vangen van het EK voetbal. ‘Om toch nog een beetje bij de tijd te blijven.’

     

  • Karikaturen in literatuur en schilderkunst

    De Dood van Sardanapalus (1827) van Eugène Delacroix (1798-1864) is een explosie van kleur en geweld. Het schilderij is gevuld met extravagante rijkdommen, naakten en de dood. Vooral met de dood, want Sardanapalus de laatste koning van Assyrië, wilde zijn aankomend verlies voor zijn en liet daarom al zijn bezittingen inclusief zijn vrouwen vernietigen voordat hij de hand aan zichzelf sloeg.

    Delacroix’ schilderij is in velerlei opzichten woest. Van de moordende soldaten tot de opgestapelde rijkdommen en wulpse, neervallende vrouwen. Alles drukt een irrationele onstuimigheid uit, nog eens extra aangezet door de heftige penseelvoering waar Delcroix zich van bedient. Een typisch voorbeeld van een oriëntalistisch meesterwerk.

    Oriëntalisme is volgens Edward Said, de bedenker van de term, een manier van spreken, denken en schrijven dat het Westen een spiegel verschaft waartegen het zichzelf kan identificeren (Orientalism. Western Conceptions of the Orient, 1978). Niet door zijn spiegelbeeld te tonen, maar zijn tegendeel. De Oriënt wordt dan als primitief, sensueel en irrationeel getypeerd, terwijl het Westen progressief, meer geordend en rationeel zou zijn. En hoe zeer dat irrationele en sensuele van de Oriënt ook mag aanspreken, zeker als het met de vaardige hand van een Delacroix op het doek is gesmeten, het is altijd een karikatuur dat de boodschap uitdraagt dat datgene dat je niet ziet (het Westerse), duizend maal beschaafder en beter is.

    Michel Houellebecq treedt met zijn roman Onderworpen, waarin hij een islamitische wereld schetst die naar de Seine is opgerukt en de democratische orde heeft verdrongen, vakkundig in de voetsporen van Delacroix. Opnieuw is het geweld en sensualiteit wat de klok slaat. Geweld in de vorm van rellen en dood in les rues de France, zoals de recente geschiedenis heeft getoond en is helaas een niet geheel onrealistisch beeld. Sensualiteit in de vorm van de meerdere (jonge) vrouwen die zelfs de meest sullige professoren aan de Sorbonne ten deel vallen als dat bolwerk van Westers denken onder Saoedische leiding is gekomen.

    Volgens de Volkskrant is Onderworpen een intelligente analyse van de westerse samenleving en speelt het een meesterlijk en geraffineerd spel met de angst voor de islam. Volgens het NRC is het een wake-upcall, met de vraag wat we over hebben voor het voortbestaan van onze beschaving en democratie. Door de ogen van Said in de roman, overheerst een ander beeld. Houellebecqs roman is dan niet meer om de zoveelste poging om de Westerse hegemonie te bevestigen en het onbegrepen Oosten te marginaliseren. Wat Houellebecq overigens met grote kwaliteit doet. Want net als De Dood van Sardanapalus is Onderworpen uiterst amusant en een weldaad voor de geest. Maar het is goed je te realiseren dat het fictie in het kwadraat is. Niet alleen omdat het verhaal is verzonnen, maar ook omdat de Oosterse spiegel waar Houellebecq ons in laat kijken karikaturaliseert.

     

  • Louis Lehmann worden

    Alles speelt zich af in het hoofd, is imaginair. Ook dat ik honderden vrienden heb die allemaal aan leuke projecten werken. In het echt moet ik opletten die imaginaire vrienden niet als echte vrienden te bejegenen. Laatst gebeurde het dat ik tijdens een jubileum in een van de bekendste boekhandels van Amsterdam verschillende imaginaire vrienden tegenkwam. Ik zag een schrijver, ik kende zijn blogs. Nadat ik eens op een van zijn blogs had gereageerd, werd hij volger van mijn twitteraccount en ik van zijn twittteraccount. Want zo gaat dat. De schrijver stond met een bier in zijn hand vlak bij me. Hij keek me even aan en toen schudden we handen (ik geloof dat ik mijn hand opdrong) en ik sprak vaag: ‘We kennen elkaar niet maar eigenlijk wel. Ja, gek hé, zei ik nog. We volgen elkaar op Twitter. ‘Ah’, glimlachte de schrijver en knikte en bleef knikken terwijl zijn glimlach verkrampte en ik me uit de voeten maakte zonder gezegd te hebben wie ik was.

    En ik dacht: Kon ik maar een Louis Lehmann worden. De dichter en tekenaar die ook choreograaf en componist, zanger, danser, scheepsarcheoloog en musicus was en jurist en vertaler en prozaïst en collagist. De man die alles kon maar bovenal magistraal improviseren. Naar die man luisterde ik in de jaren negentig als hij zijn praatje over muziek of zangers of componisten hield bij de VPRO-radio. Met een stem die altijd wat haperend maar zo aandachtig klonk. Alsof het te bespreken onderwerp hem zojuist op een A4tje was toegeschoven en hij er kost wat kost wat van maken moest en er geen moment van stilte mocht vallen. Hoorbaar onderzocht hij zijn geest als zocht hij naar dat ene feitelijke gegeven tussen duizenden ongeordende informatie. Hij werkte zich al pratende naar de uitgang toe. Vond in zijn hoofd altijd wat hij zocht, ondanks het stamelen of het opnieuw beginnen van een zin nadat die in aanvang gesneuveld was. Altijd kwam het juiste boven.

    Louis Lehmann overleed in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd. In 2014 werd een dubbelnummer (4/5/) van De Parelduiker gewijd aan zijn leven en werk. Een prachtige editie. Daarin vertelt Wim Noordhoek de anekdote dat Lehmann, toen hij een psychiater consulteerde en die hem vroeg naar zijn ouders, er alleen maar vier lettergrepige woorden uit zijn mond kwamen. Nietsbetekenende vier lettergrepige woorden. Het werd een tic en ze kwamen op ongelegen momenten tijdens gesprekken zijn mond uit. Ten slotte tikte hij ze uit om ervan af te komen.

    Het leek me een vergevingsgezinde man. Een man die van zijn eigen onaffe gedichten zegt: ‘Hee… heb ik dit geschreven. Merkwaardig.’, moet wel vergevingsgezind zijn. Als ik dan Lehmann ben geworden, dan zou ik zoiets gezegd kunnen hebben als: ‘Ik heb nooit kunnen inzien waarom de maan iets poëtisch zou zijn.’ (Want zulke dingen zei Lehmann.) En dan zou de schrijver zeggen: ‘Nee, nu je het zegt. Ik ook niet.’

     

    Luister naar enkele van zijn radiomomenten op: www.louislehmann.nl/werk.

     

  • Waartoe reizen dient

    Nog even en het is zomervakantie. Gaat u nog weg? Mocht u naar het Lake District in Engeland gaan, wat ik u van harte kan aanbevelen, dan zult u een confrontatie met de dichter William Wordsworth niet gemakkelijk ontlopen, althans met de dichter zoals hij voortleeft dankzij de toeristenindustrie. Grote kans dat u thuis komt met bijvoorbeeld een mok die is bedrukt met narcissen en het eerste couplet van ‘The Daffodils’. U weet wel: ‘I wandered lonely as a cloud’. Er zijn ook theedoeken, pannenlappen, notitieboekjes, stukken zeep, gebakbordjes, sjaals en natuurlijk de eeuwige T-shirts. Altijd die narcissen; nooit een ander couplet. Zo leeft de naam van de grote Wordsworth mede voort dankzij de toeristische geldmachine en daarin schuilt de nodige ironie.

     

    Wordsworth, die zich in 1820 nog had bezondigd aan een reisgids, namelijk de nog steeds leverbare Guide to the English Lakes, zag met lede ogen aan hoe het Lake District, waar hij geboren en getogen was, een steeds populairder vakantiebestemming werd. Het bruisende noorden van Engeland, bakermat van de Industriële Revolutie en het ‘Manchester kapitalisme’, lag naast de deur en steeds meer mensen wilden wel eens weg uit die heksenketel.
    In 1844 was de maat vol. Plannen om een spoorlijn door te trekken naar Windermere deden hem in de pen klimmen. Hij had gezag: hij was Poet Laureate. Eerst schreef hij twee sonnetten, toen artikelen in de krant en tenslotte een pamflet. Hij waarschuwde dat het toenemende toerisme aanpassingen zou vergen die juist de charmes van het gebied, waar het de bezoekers toch om te doen was, teniet zouden doen. Bovendien had hij het helemaal niet begrepen op de gewone man, aan wie de schoonheid van het gebied niet besteed zou zijn.
    Het mocht niet helpen. Als u deze zomer aankomt op het station van Windermere, denk dan even aan de grote dichter die zich in zijn graf omdraait.

     

    Het Lake District was al in de achttiende eeuw een vakantiebestemming. De eerste reisgids dateert van 1774. Maar wat was toerisme in die tijd? In Lyrical Ballads, de geruchtmakende bundel die hij in 1798 samen met Coleridge publiceerde, schetst Wordsworth in ‘The Brothers’ een aardig tafereel. Ik citeer het in de vertaling van Jabik Veenbaas, in 2010 verschenen bij Athenaeum.

     

    Al die toeristen moeten – lieve God! –
    Een vruchtbaar leven leiden – vlug en blij
    Kijken ze rond, als was de aarde lucht
    En zij dan vlinders die een zomer lang
    Rondfladderen; weer anderen, even wijs,
    Zijn neergestreken boven op een rots,
    Schrift op de knie en potlood in de hand,
    Ze kijken, schrijven, schrijven, kijken weer –
    Een mens kan twaalf mijl reizen in die tijd,
    Een akker oogsten van zijn buurmans graan.
     

     

    Wij eenentwintigste-eeuwers zien hier misschien een aantrekkelijke vorm van ‘slow tourism’, maar de waarnemer in dit vers, een dominee, ziet vooral oppervlakkigheid en lediggang en verbaast zich.
    Wordsworth zelf wist waar hij het over had als het op reizen aankwam. Samen met een vriend had hij in 1790 een tocht door Frankrijk, Duitsland en Zwitserland gemaakt. Hij doet er verslag van in ‘The Prelude’. Drieduizend mijl, waarvan tweeduizend te voet. Het revolutionaire Frankrijk! Hij verwekte een kind en zag de sublieme Alpen, waar het allemaal om begonnen was: ’the ever-living universe and independent spirit of pure youth were with me at that season’. (Maar ook een romanticus moet wel eens afzien: ‘on the rock we lay and wished to sleep but could not, for the stings of insects…’) In Basel kochten ze een boot waarmee ze de Rijn afzakten tot aan Keulen.
    Maar het ging Wordsworth niet om avonturen à la Djoser en Lonely Planet. Het ging  hem om vervoering en om de verrijking van geest en ziel. Niet voor niets eindigt ‘The Daffodils’ met de volgende regels die – let vooral op de laatste twee – ons vertellen waar reizen eigenlijk toe dient.

     

    For oft, when on my couch I lie
    In vacant or in pensive mood,
    They (de narcissen – rvd) flash upon that inward eye
    Which is the bliss of solitude;
    And then my heart with pleasure fills,
    And dances with the Daffodils.

     

     

  • Val uit de tijd

    Deze week was ik weer eens bij een overleden persoon op bezoek. Zoals ik dat al vaker als antiquaar deed. De nabestaanden stonden mij bij om de collectie boeken die deze 100-jarige had nagelaten, van commentaar te voorzien. Welke boeken op welk moment in diens leven belangrijk waren geweest en waarom. De tijdsspanne van de jaren dertig, vorige eeuw tot een paar jaar terug werd in vogelvlucht overbrugd. Filosofie en literatuur waren de twee pijlers van deze boekenverzameling. Veel in het Frans en het Duits. Alles wees erop dat dit leven van ver kwam, uit een voorbije tijd die we ons bijna niet meer zonder denkinspanning kunnen voorstellen. Waarin de Duitse Kultur en de Franse civilisation van groot belang waren. Een vooroorlogse tijd die niet wist dat na nog een wereldoorlog, de Anglo-Amerikaanse cultuur dominant zou gaan worden.

    Ook de kaalheid van het interieur, voornamelijk simpele houten stoelen, tafels en kasten en geen centrale verwarming gaven mij het gevoel van een stil, lezend, ascetisch leven, zonder al te veel luxe. Tenminste, in materiële zin dan. De geest werd wel degelijk verrijkt. Ik keek van over de leesstoel uit over een meertje en kon me goed indenken dat je hier de dagen vulde met lezen, mijmeren, voor je uit kijken, niets doen. Iets wat wij heden ten dage maar moeilijk vinden en nutteloos. Graag zou ik wat van die rust uit die tijd willen krijgen. Om minder door prikkels van buitenaf geregeerd te worden, geen tv, geen social media. Ik werd blij van deze partij boeken, ook al nam ik zeker niet alles mee.

    Sommige uitgaves vielen uit elkaar als ik ze, mogelijk na vele decennia, uit de kast pakte. Verdroogd papier, bruin geworden door jaren zonlicht, glipte door mijn handen heen en vielen op de uitgesleten houten planken. Met plezier trok ik de Verzamelde werken van Slauerhoff van de plank, ooit uitgegeven door Nijgh en Van Ditmar in de oorlogsjaren. Ook trof ik heel wat titels aan van de dwarse Franse filosoof E.M. Cioran en de ‘foute’ Duitse schrijver Ernst Jünger, die beide eerder dood, verderf en geweld in woorden vierden dan het lichte, succesvolle leven, dat wij tegenwoordig moeten leiden.

    Over de dood gesproken: wat een toeval, of toch niet: ik pakte net uit een doos die ik meenam een boek, verschenen in de Lonsdale Library of Sports, Games & Pastimes, Volume XI: Boxing (A Guide to Modern Methods) van Viscount Knebworth uit 1945. Vond daarin een uitgescheurde recensie van een boksboek over de dit weekend overleden Muhammed Ali. Het jaar 2016; een jaar waarin de ene na de andere legende ons ontvalt. Gelukkig leer je door het boekenvak dat ‘la chute dans le temps’ (Cioran) geregeld een prettige duikvlucht uit het heden kan zijn, maar toch ook dat heden en verleden vaak meer met elkaar vervlochten zijn dan je soms denkt.

     

    JOOT.NL

     

  • Iconische beelden

    Op 3 april van dit jaar was Cees Nooteboom te gast in het programma Buitenhof om te praten over Een duister voorgevoel, zijn recente boek over Jheronimus Bosch.

    Bosch - Aylan

    Er ontspon zich een ongemakkelijk gesprek tussen de schrijver en presentatrice Marcia Luyten, die duidelijk niet op dezelfde golflengte zaten. Dat bleek vooral toen Nooteboom bijna verrukt de gelijkenis verduidelijkte tussen Bosch’ paneel met Sint Christoffel en de foto van de politieman die op een Turks strand het verdronken Syrische jongetje Aylan Kurdi wegdraagt.

    De overeenkomst is treffend, maar niet toevallig. Jeroen Bosch schiep met zijn Christoffel een archetype. Het spreekt juist zo aan omdat het een vóórafbeelding is van een werkelijkheid die zich ten allen tijde kan voordoen. Het is invoelbaar hoe Nooteboom met een schok de overeenkomst zag, maar hij is niet uitzonderlijk.
    Nog bekender is de foto van Aylan geworden waarop hij met zijn gezicht naar beneden en de armpjes langs het lichaam aan de rand van het water ligt. Dergelijke iconische beelden die we uit de werkelijkheid plukken, hebben ook een negatieve werking: ze drukken soms andere werkelijkheden weg. Want wie herinnert zich nog dat op datzelfde strand waar de agent Aylan opraapte ook zijn vijfjarige broertje Galip en hun moeder Rihan lagen. Met nog negen andere drenkelingen trouwens. Om het maar eens cru te zeggen: Galip lag er minder spectaculair bij.

    Aylan en Galip
    Het gevaar is dat dergelijke beelden ons oog voor de werkelijkheid vernauwen tot één sentiment dat een ramp in al zijn heftigheid samenbalt, maar tegelijk afstand scheppen tot de context. In zekere zin worden we er zelfs ingeluisd. Het is niet voor niets Aylan die op de foto staat. Hij was het jongste kind, het meest kwetsbare, het meest weerloze. Juist de foto van hem werkt het beste om het sentiment dat we voelen te bewerkstelligen. Die van zijn broertje is niet dramatisch genoeg en moet het tegen die van Aylan afleggen. Dat roept de vraag op hoe een foto betekenis krijgt en wat wij als ‘waarnemers’ zien. Want we waren er niet bij. We moeten het doen met beeld dat collectief tot icoon is verklaard. Wat er omheen gebeurde zal in ons geheugen (als we het al opgenomen hebben) steeds vager worden.

    Die gedachte kwam bij me op omdat ik het zelf een half jaar eerder meemaakte. We waren in september vorig jaar in Molivos (ook wel Mythimna geheten) op Lesbos. De kilometers lange kustweg van Skala Sikaminia in het oosten tot aan het stadje lag bezaaid met rubberboten en zwemvesten. Bij de school van Mythimna spraken we met enkele van de verzamelde vluchtelingen. Onder andere met de Syrische jonge vrouw met haar kind die we fotografeerden. Haar man liet ons ondertussen op zijn telefoon een filmpje zien dat hij tijdens de oversteek vanaf de Turkse kust op het zwalkende rubberbootje had gemaakt. De trillende beelden toonden de paniek in de ogen van moeder en kind.

    Maar toen we thuis onze foto terugzagen trof ons dat we het archetype van de Madonna hadden vastgelegd. Zoals Rafael dat bijvoorbeeld ooit deed. En hoe meer tijd verstrijkt sinds ons verblijf op Lesbos, hoe meer de foto de liefde van moeder en kind verbeeldt en de schokkende beelden op de telefoon van haar man vervaagt.

    Rafael - Lesbos

    Toch zit op haar schoot het kind dat Christoffel op zijn schouder droeg. En het kind dat de agent wegdroeg van het Turkse strand.

     

     

  • Fragmenten

    Op een druilerige namiddag in 1985 kocht ik kort voor sluitingstijd mijn eerste deeltje van Privé-domein bij boekhandel Praamstra in Deventer. Ik had een girocheque, (zoals dat toen nog ging) bij het Postkantoor (dat er toen nog was), ingewisseld en trok de stad in. Bij de boekhandel ging ik voorbij aan de boekenstapels en -kasten en bleef dralen bij een kast waarin de Privé-domeindeeltjes stonden opgesteld. De crèmekleurige ruggen met zwart gedrukte titel, het grove papier waarop het gedrukt was en de indruk wekten als was jij de enige aan wie dit egodocument werd prijsgegeven, brachten mij in een niet te negeren aandrang een deel te kopen. De prijs ging ver boven mijn budget, toch kocht ik er een, De zoon van een dienstbode van August Strindberg. Een boek waar ik me zwoegend en zwetend doorheen las.

    Daarna kocht ik lukraak het ene na het andere deel. Na Strindberg volgden Julien Green (2 dl), Gustave Flaubert, Michael Boekanin, Toergenjev, Claire Goll, Paul Léautaud (4dl), Paustovskij (4 dl), Virgininia Woolf (2 dl), Anna Mahler, gebroeders de Goncourt, Matthieu Galley, Italo Svevo, Pessoa, Tsjechov, Jeroen Brouwers, August Willemsen, Nathalie Sarraute.
    Vorige week vierden Privé-domein en Athenaeum Boekhandel hun vijftigjarig jubileum. Op het Spui voor de Athenaeum Boekhandel vond een voorleesmarathon plaats. Er was een klein podium onder de luifel van de boekhandel en het publiek stond in groepjes bij elkaar, waaronder de schrijvers/vertalers die wachtten op hun beurt om uit hun favoriete Privé-domein voor te lezen. De zon scheen, de tram gierde steeds opnieuw langs en doorsneed het gesproken woord met een ijzeren onverbiddelijkheid, maar dat mocht de pret niet drukken.

    Anton de Goede, ooit medewerker bij boekhandel Athenaeum en getuige van het ontstaan van de reeks Privé-domein in 1966, introduceerde de schrijvers. Waaronder Gerbrand Bakker die sprak over zijn eigen Privé-domeindeel, Harrie Lemmens als vertaler van Clarice Lispectors De ontdekking van de wereld. Victor Schifferli las in het 2e deel van Paustovski, Jan Willem Anker las August Willemsen en Hein Aalders las van een A4-tje Slauerhoff, uit de bloemlezing die in september zal verschijnen. Janna Loontjes las Max Brod, Barber van der Pol las Ted Hughes en Atte Jongstra las zichzelf.

    Tussendoor schitterde de pretentieloze verschijning van Shira Keller. Zij las begeesterd en met krachtige dictie voor uit Mijn Vlaamse jaren van Jeroen Brouwers. Vooraf bekende zij dat Brouwers voor haar de beste schrijver is die er bestaat. Dat ze hem ooit een literaire liefdesbrief heeft geschreven. Dat ze daarop nooit een reactie gekregen heeft. Dat dat niet erg was. Dat het er uiteindelijk om gaat je zwoegend door een tekst heen te werken. Brouwers zwoegt al schrijvende (alles met de hand) zijn teksten aaneen. Dat bleef me bij van een middag mooie fragmenten uit de Privé-domeinreeks.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover. Maar niet te vaak.

     

  • Onderweg

    In de Oude kerk in Amsterdam is nog tot 28 augustus de tentoonstelling Once in a lifetime te zien. Ik was bij de pers-presentatie waarbij de curator een kleine groep recensenten in vogelvlucht rondleidde. Bij elk werk rond het thema ‘leven en vergankelijkheid’ gaf ze een korte omschrijving.

    Bij het ene werk wees ze op de overeenkomst met een mini-uitvoering van de toren van de Oude Kerk, bij het volgende keek ze naar boven, naar de gelijkenis van de eendensnavels met – zoals ze het noemde – de ‘toeters’ op het grafmonument van Van der Hulst. En bij twee vitrines met zeepjes wees ze naar beneden, naar de zerkenvloer, die er niet zo afgesleten en glanzend als de hotelzeepjes uit zagen.

    Er werden aantekeningen gemaakt, vragen gesteld, en ondertussen vroeg ik me af of het de kunstenaars waren die de overeenkomsten hadden gezocht, of dat ze de curator waren opgevallen, of dat wij die er zelf in mochten leggen. Dat eerste kon lang niet in alle gevallen, want het werk van Borremans komt bijvoorbeeld uit het S.M.A.K. in Gent. Het laatste zou mooi zijn: de dialoog met de kunst aangaan.

    Op The twilight of our heart van het kunstenaarsduo Muntean/Rosenblum, is  een desolate snelweg te zien met aan de horizon, onder een opentrekkend wolkendek, de skyline van een grote stad. De eenzaamheid als in Jack Kerouacs Onderweg spat ervan af. De curator omschreef de stijl van Muntean/Rosenblum als ‘pathetisch.’ Het boekje bij de tentoonstelling legt uit: pathos is het Griekse woord voor lijden of emotie. Een vergelijking met iets uit de omgeving in de kerk bleef uit. In plaats daarvan vermeldde ze dat tijdens de opening op deze plaats een ‘motet’ zal klinken van de renaissance-componist Cristóbal de Morales. Een motet is een compositie door meerdere zangers uitgevoerd, verklaarde het boekje.
    Het komt mooi uit dat in de week na de opening van deze tentoonstelling het bekende vocaal ensemble Weser Renaissance door het hele land sacrale muziek van De Morales zingt, gewijd aan Maria. En ja, het klopt: zijn muziek was volgens de website van de organisator van dit kleine tournee ‘tijdens zijn leven al beroemd om de unieke muzikale expressie’ ervan. Over pathos gesproken.

    Ik kijk nog eens naar The twilight of our heart en dan naar Lives were changed, ook van Muntean/Rosenblum. Hierop komt de jongerencultuur tevoorschijn die past in de sfeer die Kerouac al eind jaren vijftig van de vorige eeuw beschreef: een disco met dansende jongeren. En dan valt me op wat ik mis: op beide kunstwerken gaat geen van de afgebeelde personen een gesprek aan met een ander.
    Toch was ik getuige van een gesprek. Niet tussen die schilderijen en iets anders aan de muur of op de grond, zoals de curator voorstond, maar tussen mij, dat schilderij en de muziek van De Morales. En ik besefte dat het dáár om gaat: je moet zelf een kunstwerk ‘af’ maken. Dan gaat kunst leven én kan het soms zelfs  je leven veranderen. Lives were changed, inderdaad. De titel zegt het al.

     

  • Schizofrene dwaling

    Ik zie de auto’s voor mijn raam voorbij flitsen terwijl ik in gedachten vanachter mijn bureau naar buiten naar een leeg laagland met knotwilgen en sloten tuur. Dat is best gek. Maar toch gebeurt me dat vaak. Ik loop ergens, in de supermarkt of op een plein, maar eigenlijk ook weer niet. De mijmering die altijd in mij is, brengt me op een dijk langs een rivier, naar het dorp kijkend met de spitse kerktoren waar ik op 200 meter vandaan woon aan het marktplein. Of op een berg met een panoramisch uitzicht, met  eeuwige sneeuw op de toppen, al fiets ik toch echt de stad uit richting de westelijke rand van Amsterdam waar ik woon en werk. En waar mijn boeken staan die ik de hele wereld over stuur. Ik zal vast niet de enige zijn die werkelijkheid en fantasie op hetzelfde moment kunnen beleven. Mindfullness in het kwadraat? Schizofrene dwaling van de geest? Bipolair genot van het leven.

    Op het moment dat ik boeken sta in te pakken om te verzenden, ben ik ook bezig met het schrijven van een verhaal dat er nooit zal komen. Over een oudere beeldhouwer die terugdenkt aan vroeger jaren toen hij in zijn atelier stond, dat aan de dijk lag bij een rivier en dat over een week gesloopt gaat worden. Die verhaallijn heeft zich nu al een jaar of twee in mijn hoofd genesteld sinds ik een paar kunstcatalogi uit de jaren zeventig van de beeldhouwer Marius van Beek (1921-2003) in handen kreeg bij een boekeninkoop. Maar het verhaal wil niet bepaald vlotten. Iedereen wenst wel eens een maandje vrijaf van werk en beslommeringen om ergens in een huisje in de duinen of op een Waddeneiland te gaan zitten om dan die bom van creativiteit te laten ontploffen. Ik dus ook, maar dat komt er gewoon niet van. Zijn er mogelijk van die groepsreizen voor uitgestelde creatievelingen? Schilders, schrijvers, fotografen, filmers die op een bungalowpark allemaal hun ‘ware’ ding mogen gaan doen. Vast wel. Ergens in een bos in Drenthe wordt elke zomer Buitenkunst gehouden, met honderden deelnemers op een camping en allemaal werkplekken, maar dat is me toch weer te massaal, te openbaar. Liever schrijf ik alleen een gedicht, dat ik daarna kan weggooien zonder dat iemand het heeft gelezen en dan zegt dat het mooi is – of te erg voor woorden.

     

  • Verhalende beelden

    Eén van de grote verschillen tussen geschreven en beeldende kunst is de factor tijd. Een beeld of schilderij geeft meestal één scène; een boek honderden. Soms smokkelt een schilder of beeldhouwer wat, en beeldt hij twee of drie scènes uit. Maar veel verder komt een kunstenaar bijna nooit.

    Tenzij je natuurlijk Auguste Rodin heet, het Franse genie dat aan het einde van de  negentiende eeuw de beeldhouwkunst op zijn kop zette. Een onvermoeibare verhalenverteller in klei, brons, gips en marmer, die geen genoegen nam met de beperkingen van zijn metier. En soms driedimensionaal probeerde te doen wat schrijvers op honderden pagina’s doen: een amalgaam van verhalen, als een weldadig woud waarin je – in de beste zin des woords – naar hartenlust kunt verdwalen.

    Zelf had Rodin één boek waarin hij het liefst verdwaalde: het eerste deel van Dante Alighieri’s Goddelijke Komedie, waarin diens tocht naar de Hel centraal staat, met die prachtige eerste regels:

    In het midden van de reis door ons leven,
    hervond ik mij in een duister woud,
    want de rechte weg was geheel verloren

    Volgens de overlevering las Rodin het liefst elke dag iets in Dante’s Hel. Steeds weer nieuwe verhalen opsnuivend die zich in zijn hoofd mengden met zijn sculpturale ideeën en vervolgens via zijn handen in klei en gips een ongekend energieke uitweg zochten. Leidend tot de Hellepoort (1880-1917), de meest geweldige poort die je je kan voorstellen. Niet erg praktisch als poort, maar even gevarieerd en overvol als het meest schitterende woud, waarbij Danteske figuren de plaats van de bomen innemen: zoals Ugolini die zijn eigen kinderen op eet of de verdoemde geliefden Paula en Francesca uit Rimini. Die laatste twee zelfs meerdere keren op de deur, waaronder eenmaal innig kussend. Wereldberoemd en onvergetelijk. Deze scène is dan ook met de Denker, die overigens bovenop de Hellepoort zetelt, misschien wel het bekendste beeldmerk van Rodin.

    Al met al is duidelijk dat Rodin’s verbeelding van Dante’s Hel een explosie van verhaallijnen is, waarin Rodin uiteindelijk net zo verdwaalde als Dante in het woud. Met dat verschil dat hij niet in het midden van zijn leven, maar in het tweede deel ervan verdwaalde. Rodin werkte 37 jaar aan zijn Hellepoort, zonder deze ooit af te ronden. Pas na zijn dood werd het door zijn assistenten in de huidige vorm in elkaar gezet en in brons gegoten. Maar toen Rodin nog leefde was de Hellepoort al wel tot leven gekomen. De Kus, de Denker, de Drie Schaduwen, Adam en Eva. Ze zijn voor de poort gemaakt en later als apart beeld uitvergroot. En de lijst sculpturale nakomelingen van de poort is nog veel langer. Weliswaar niet zo lang als de lijst figuren uit de Goddelijke Komedie. Maar Rodin komt als één van de weinige kunstenaars met zijn Hellepoort wel in de buurt. En bewijst zo dat beeldende kunst soms net zo verhalenrijk is als het meest uitgebreide boek.

     

    Vertaling citaat door Frederica Bremer, uitgever Tjeenk Willink en Zoon, 6e druk, 1965

     

  • Afgeprijsd

    Wat is literatuur nog waard dacht ik toen ik in Utrecht een tafel afgeprijsde boeken zag waarop zo’n zeventig boeken met hun ruggen naar boven tegen elkaar aan geperst stonden. Buiten nog wel. De boeken waren als nieuw maar over datum. Ik hoorde daar eigenlijk niet te zijn. Ik zwierf maar wat rond en keek naar die boeken die met de zachte bladerkant, daar waar het boek zich zal openen voor wie het kennen wil, steunden op de tafel. En ik dacht: Niet op hun buik, niet op hun buik. Gewetenloos waren ze daar gestald. Geen kant konden ze op. Maar hé, dacht ik. Komop!

    De zon schemerde door het grijs. Ik was een afspraak nagekomen aan de Oudegracht en na afloop wat besluiteloos blijven rondhangen. Voor ik het wist stond ik voor de boekentafel. De afgeprijsde boekentafel. Mijn ogen vlogen over de ruggen met een snelheid die ik amper bij kon houden. Niet op hun buik, niet op hun buik, ging het door me heen en ik begon ze er één voor één eruit te halen en maakte stapeltjes waar een stuk van de tafel was vrij gekomen. Toen zag ik Het laatste kind van Gilles van der Loo die binnenkort met een derde roman bij Van Oorschot uitkomt. En ik dacht, weten ze dat wel? Weet De Literaire Boekhandel aan de Lijnmarkt wel dat Van der Loo  aan een oeuvre schrijft. Weten ze wel hoe goed hij schrijft. Dat je zo’n boek niet moet verkwanselen maar in je winkel moet houden. Je klanten aanraden. En ik vroeg aan de jonge verkoopster: Heb je deze gelezen? en hield  Het laatste kind omhoog. ze glimlachte en zij wijs: Je kunt niet alles lezen he. En ik vroeg: Weet de uitgever dit? en wist gelijk dat dit geen wijze vraag was. Dus ik dacht: een uitgever moet weer eens contact zoeken met laten we zeggen, de werkvloer.  En weet de boekhandelaar wel wat hij in huis heeft, echt in huis heeft?

    Harrie_Lemmens_God_is_een_braziliaan_6ed87117bc583a3aceb3447f4d4f6de09ce1be7cDe verkoopster ging naar binnen, en ik trok twee exemplaren van God is een Braziliaan van Harrie Lemmens ertussen uit. Dit is toch een boek dat je op voorraad moet hebben wil je je klanten die Portugeestalige literatuur omarmen ter wille zijn. Een boek vol ontmoetingen met schrijvers, politici, taxichauffeurs,…

     

    En hier, een boek van Richard Yates. Yates van Revolutionary Road! Dit is Een geval van yatesordeverstoring. En begint zo:

    ‘Voor Janice Wilder betekende eind zomer 1960 het begin van de tegenslag. En het ergste was, zei ze later altijd, het afschuwelijke was, dat het zomaar zonder waarschuwing leek te gebeuren.’

    Zoals alles zonder waarschuwing gebeurt. Een winkelhulp krijg opdracht alle boeken van voor, of na (willekeur lijkt mee te spelen) een bepaalde datum uit de schappen te halen om ruimte te maken voor verse oogt. De boekhandelaar als boer die zijn eigen boterberg creëert en zo goed boert dat de waarde van een boek beperkt is.

     

     

     

     

  • Harmonie voor even

    De lente davert over ons heen. O. den Besten, Wim de Bie’s verbitterde oud-leraar Duits, werd er depressief van. Die uitbundigheid, die schaamteloze bloemen! Anderen worden euforisch. Neem Nescio. In de lente van 1953 komt zijn kleinzoontje om het leven door een ongeluk. Het wordt slechts terloops vermeld in zijn Natuurdagboek.

    Op 7 april noteert hij:

    Met de bus van half elf met Mariussi en Nelletje naar ZuidLaren. Weer: dreigend, maar later minder. Niet over Onnen. In ZuidLaren snoei gekocht bij Hovius en in het café koffie en zij samen een fleschje rooie limonade met een rietje. Allebei naar de w.c. en ik moest Mariussi z’n bretelletjes vanachteren vastmaken in het café. Met de bus van half 12 terug (niet over Onnen). Mariussi en Nelletje stonden maar te kijken. Om 6 uur is Mariussi doodelijk aangereden op de Nieuwe Heereweg, dichtbij huis, terwijl ik in het Quintus-laantje wandelde (groote helderheid) en al door de G.G.D. naar het Academisch Ziekenhuis gebracht.’

    Bedenk dat Nescio dit mogelijk pas na terugkomst in Amsterdam heeft geschreven. Hartverscheurend de details die hij de moeite van het vermelden waard vindt en die allemaal even belangrijk lijken. De route. Het weer. En, zeer karakteristiek, die ‘groote helderheid’. Zou de ontspoorde zin aan het eind een teken zijn van zijn ontreddering? Op 8 april: ‘Woensdag om half 5 in den ochtend is Mariussi gestorven. Verder geen woord over wat dan ook.

    Vrijdag 10 april reizen hij en zijn vrouw terug naar Amsterdam. Hij vermeldt ‘een schitterend zonlicht’ in Drenthe en ook ‘een rijtje vrij grote boomen in de verte, met een groen waas, het eerste’. Hij besluit de notitie met: ‘In Groningen is in deze week overal de vogelkers prachtig in bloei geraakt’. Niets over Marius.

    Op 11 april is de begrafenis. ‘Zaterdag. Met Miep en Louis in den trein van 10.34 naar Westerveld (de begraafplaats – RvD). Schitterende helderheid, warm in de zon (…) Exceptioneel heldere dag. In Amsterdam waren de forsytsia’s uitgebloeid terwijl ze in Groningen nog op hun mooist waren.’ In Nescio’s onvoltooide verhaal Het einde lezen we: ‘Er zijn maar vijf dingen die de moeite waard zijn (…): Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods’. Het vroege voorjaar: begin april. Marius’ dood viel in het verkeerde jaargetijde.

    De dood van zijn kleinzoontje was niet de eerste voortijdige dood in zijn naaste familie. Hij had al jong een broer verloren en zijn oudste dochter was op haar drieëndertigste overleden. De Middeleeuwse wijsheid ‘Media vita in morte sumus’, door Luther zo mooi vertaald met ‘Mytten wir im Leben synd / mit dem Todt umbfangen’, was bittere realiteit voor hem.

    Maar Nescio, voor wie natuurgenot veel weg had van een mystieke communio (in een recente roman wordt hij ‘de grootste natuurmysticus van de twintigste eeuw’ genoemd) wist dat ook het omgekeerde waar is. Hij kon kopje-onder gaan in de beleving van het licht, in die ‘helderheid’. Geen wonder dat het lied van Ichnaton, dat een loflied is op de vergoddelijkte zon, hem dierbaar was. Evengoed had ook hij te kampen met een pregnant besef van de alles verslindende tijd. Tussen die twee uitersten stroomde zijn religieuze verlangen en dat heeft hem het leven niet gemakkelijk gemaakt.

    Soms was er even harmonie. In Najaar (1922) schrijft hij: ‘Een glimlach trekt over de gruwelijke oneindigheid en eeuwigheid Gods. Het kind speelt.’

     

    Zie De lente en de leraar Duits op YouTube.