• Het ritme van inkt en witregels

    In een boek uit de jaren tachtig stond een foto van de bibliotheek van Het Vredespaleis in Den Haag. De foto bracht me terug naar mijn tienerjaren. De jaren van boeken en muziekplaten, en later cd’s lenen in de plaatselijke bibliotheek. Op de foto is een bruin interieur te zien, behangen met boekenkasten en lange tafels met het blad rood bekleed. Grote brillen op de neuzen van de aanwezigen, evenals hun oversized truien en jasjes in felle kleuren, groen, blauw en geel. Op de tafels stapels boeken om de lezers heen. Mensen zitten met hun neus in de boeken en pen in de aanslag om notities te maken.

    Geen laptop, smartphone of computer te vinden. Alhoewel, op de flap van het stofomslag van het boek is wel een auteursfoto te vinden: triomfantelijk houdt de schrijver van het boek en bibliothecaris van deze bieb, pen en papier omhoog maar hij leunt wel half op een klein computerscherm met grote bak erachter en een toetsenbord ernaast.  De gebruikers van de bibliotheek moeten het nog doen met pen en papier, maar het Opperwezen van de Collectie staat al wel met één been in de digitale tijd.

    Tien jaar later, halverwege de jaren negentig, toog ik met een hele zware laptop met de fiets en metro naar een gebouw naast het Amsterdams Medisch Centrum, om in het depot van de Universiteitsbibliotheek, op aanvraag, kranten uit de jaren vijftig in te zien, studiemateriaal voor mijn doctoraalscriptie. Het af en toe oprispende, ronkende geluid van de laptop kan ik nog steeds oproepen. Daarop tikte ik mijn doctoraalscriptie, ook al gebruikte ik toen nog geen email om mijn hoofdstukken te versturen. Ik kopieerde de pagina’s en fietste ze naar het faculteitsgebouw. Door mijn vorderingen te kopiëren ontstond een prettige bijkomstigheid: de bladspiegel moest worden opgemaakt, de letter en de lettergrootte moesten gekozen worden. Als het op papier afgedrukt was, keurde ik het als een letterknecht in een zetterij.

    Om hetzelfde grafische plezier schreef ik gedichten. Ik was misschien wel meer bezig met het ritme van inkt en witregel dan met de poëtische inhoud. Het voelde alsof ik een ambacht uitoefende op mijn eigen wijze en op een nieuwe manier: via het scherm van mijn laptop. De visuele poëzie is in die zin het summum van grafisch visueel plezier: letters op een dansende cadans op het papier gezet, nog steeds ongeëvenaard uiteraard te bewonderen in Bezette Stad van Paul van Ostaijen uit 1921. Ik keek net tussen mijn eigen boeken en in de database van mijn boekwinkel: jammer, geen exemplaar van Bezette Stad of Van Ostaijens Verzameld Werk. Gelijk maar even besteld via Boekwinkeltjes.nl. Want het is goed geregeld terug te keren naar je eerste schreden op het pad waarop je nog steeds gaat, zonder te weten waar je uitkomt.

     

     

  • Het effect van de Spelen

    Voor de Olympische Spelen in Rio begonnen, had ik het in een van mijn vorige columns over het Refugee Olympic Team (ROT), dat aan de Spelen zou deelnemen. Ik was benieuwd naar de prestaties van het team en de aandacht die het in de media zou krijgen.

    Zowel op tv als in de papieren media werd plaats gemaakt voor de deelname van het ROT.  In die berichtgeving kwam de motivering van de atleten ruim aan bod: Ook al heb je de grootst mogelijke ellende meegemaakt, je hebt een toekomst. De prestaties waren daar ondergeschikt aan. Die kregen dan ook nauwelijks aandacht. Achteraf zijn die ook niet mijn belangrijkste punt, maar voor de volledigheid:

    De Syrische zwemmers Rami Anis en Yusra Mardini (het  verhaal van Mardini, over de redding van een rubberboot met vluchtelingen op weg naar Lesbos, verscheen in verschillende bladen) strandden in de eerste ronde op hun onderdelen. Dat lot was ook de Zuid-Soedanese lopers James Nyang Chiengjiek, Yich Pur Biel en Paolo Lokoro en hun landgenoten Angelina Lohalith en Rose Lokonyen beschoren. De Ethiopiër Yonas Kinde werd 90ste op de marathon. Bij het judo kwam de Congolese Yolande Mabika niet door de eerste ronde, maar haar landgenoot Popole Misenga bereikte de laatste 16. Ze konden alle tien dus ook geen potje breken, maar daarom waren ze er ook niet. Bereikten ze dan wel hun andere doel: publiciteit voor de aanpak van hun leven na de vlucht? De pers pikte het in elk geval op. Maar kwam het ook aan bij de lezers en luisteraars?

    Om daar achter te komen hield ik een klein , volstrekt niet representatief, onderzoekje onder mijn Nederlandse kennissen. De meesten die weet hadden van het ROT , hadden  die kennis  opgedaan omdat ik er zelf over  begonnen was. Een enkeling had erover gelezen of  op tv gezien. Waaróm het team meedeed bleek nog minder bekend. Om een idee te geven: ik heb het over Nederlanders in de leeftijd  van pakweg 40 tot 70 jaar die geïnteresseerd zijn in de actualiteit van de dag. Belangrijker is natuurlijk de vraag of de deelnemers  er zelf  moed uit hebben geput .

    Net zo min representatief, waren de antwoorden op mijn vraag onder statushouders (vluchtelingen met verblijfsvergunning) in mijn kennissenkring. Ik vroeg het aan zo’n vijftien personen, bijna allemaal tussen de 20 en 40 jaar. Onder hen Syriërs, Eritreeërs, Palestijnen en Afghanen. De meesten hadden er van gehoord, maar hadden er niet veel aandacht aan besteed. Met  uitzondering voor alle Syriërs (vier) en één Palestijn. Ze kenden de prestaties van Anis en Mardini en waren er bijzonder trots op.

    ‘En de andere Olympiërs uit het team?’, vroeg ik. Ze wisten dat er meer vluchtelingen hadden meegedaan, maar die riepen niet de glimmende ogen op die Anis en Mardini bewerkstelligd hadden. Ik begreep meteen dat ik de klassieke fout had gemaakt om alle vluchtelingen op één hoop te vegen. Dé vluchteling bestaat gewoonweg niet. Om enthousiast achter een sporter te staan en trots op hem te zijn, moet je je met hem verbonden voelen. De Syrische vluchteling is dat met de Syrische sporter, zoals de Nederlander dat is met de Nederlandse.

    Door vluchtelingen als één groep te beschouwen dichten we die groep een homogeniteit toe die er niet is. Natuurlijk, het zijn lotgenoten, maar óók individuen met eigen wortels. Door alle vluchtelingen als categorie aan te spreken, ontnemen we ieder van hen de nationale identiteit waarvan ze het laatste restje willen behouden nu ze van hun grondgebied zijn verstoten. Het schoot me plotseling weer te binnen dat een Iraniër me daar een jaar geleden in een gesprek  ook al eens op wees: “Waarom zeg jij ‘jullie’’ tegen mij als je het over asielzoekers hebt?” Hij en ik konden er toen gelukkig om lachen.

    Aan het begin van deze column vroeg ik mij af, of het doel van het ROT bereikt is. Wat denkt u?

     

     

  • De huisschilder

    Er stond een man op een ladder voor het raam van mijn werkkamer op de eerste verdieping. Het was de huisschilder. Door de gordijnen heen, die ik gesloten hield om de warmte te weren, zag ik het silhouet van de man op de ladder heen en weer bewegen. Alsof hij zacht zwiepend een orkest aanmoedigde. Hij doopte de kwast in de verfpot die aan de ladder hing. Door de kier, daar waar de twee gordijnen net iets te smal van stof waren om elkaar te raken, en waar ik van een afstandje gegeneerd doorheen keek, zag ik zo nu en dan een donkerblauw petje verschijnen. Ik had het geluid van een aluminium ladder die tegen de gevel werd geslingerd wel gehoord maar er geen aandacht aan geschonken. Mijn werkkamer is mijn vesting waar niemand ongevraagd kan binnenkomen, of het moet Mijn lief zijn die me een gekoeld glas wijn komt brengen.

    Vanuit een gettoblaster , zoals alleen de echte werkmannen van de straat die nog hebben, walste Boudewijn de Groot met ‘Onder de purp’ren hemel in de bruine zon / Speelt nog steeds het harmonieorkest’ door het op een kier staande raam mijn kamer binnen. Alsof ik ontelbare zomers werd teruggeworpen in de tijd. Door de kier zag ik een soepele hand het kozijn strelen, en dan weer kleine tipjes met de top van de kwast aanbrengend. Er klonk een zucht. Een zware zucht, die als een kreun aan de huisschilder ontsnapte. Ik wilde het raam dicht doen maar dan zou de man weten dat er zich iemand achter het gordijn bevond.

    De onrust besprong me van alle kanten. ‘Het komt door de warmte’, dacht ik. Buiten was het 30 graden. Bij elke, door de gordijnstof gefilterde beweging van de huisschilder, hield ik mijn adem in en schoof met mijn stoel steeds verder onder de tafel om te voorkomen dat hij een glimp van mijn aanwezigheid zou kunnen opvangen. Het begluren van mensen is een onhoudbare eigenschap van de mens. En een huisschilder houdt vast niet alleen om de geur van verf van zijn werk.

    Ik zou, wanneer ik huisschilder was, me ijverig van mijn taak kwijten, maar ondertussen zou ik alles wat zich in de kamer achter het te bewerken object bevond aan een onderzoekende blik onderwerpen. Ik zou het vertrek onopvallend doch intensief afspeuren op sporen waaraan je enigszins het type of karakter van de bewoner zou kunnen aflezen. Een handdoek over de rugleuning van een houten stoel, of achteloos op de grond achtergelaten. Een slipje, sloffen onder het bed, een boek, (ergens zal er een boek zijn), een half leeg theeglas op een tafeltje. Daar kun je iets mee, de suggestie van een leven.

    Van een werkkamer als deze zou ik me de voorstelling maken van wat iemand daar zoal doet, buiten gekoelde wijntjes drinken en zich verbergen voor de buitenwacht. Ik zou geloven dat iemand daar, gezien de stapels schrijfboeken, kladblokken, pennen en losse beschreven blaadjes, de volle boekenplanken langs de muren, belangrijk werk zat te maken. Dat daar een schrijver zou huizen, waar nog niemand van gehoord had en die niemand ooit te zien kreeg maar waar we nog van zouden horen. Dat is het voorrecht van een huisschilder, zich de levens van de bewoners toe eigenen. En al zou het niet waar zijn, het is de suggestie die de dingen levendig houdt.

    Ondertussen was ik met mijn laptop naar de badkamer gevlucht waar ik zittend op het deksel van de wc-pot verder typte en nog steeds de zware zuchten van de huisschilder kon horen en wachtte op Mijn lief en koele wijn.

     

     

  • Service van de zaak

    ‘Een ander gaat naar een concert, wij hebben dit’, zei kortgeleden een vliegtuigspotter toen de Joint Strike Fighter (F-35)  vliegbasis Leeuwarden aandeed. Er was een tijd dat ik concerten recenseerde voor een regionaal Fries dagblad en beide deed: een optreden van de Kapel van de Koninklijke Luchtmacht op de vliegbasis verslaan én eersterangs zicht hebben op een F-16. Om beide had ik niet direct gevraagd.

    Bij de poort van de vliegbasis moest ik mij legitimeren. Anders dan Tonio Kröger, die in de gelijknamige novelle van Thomas Mann op een gegeven moment niets bij zich had om zich te legitimeren, had ik erop gerekend. En anders dan in het verhaal van Mann, volstond hier geen typoscript met mijn naam erop. Want uiteindelijk zijn en blijven ook muziekjournalisten journalisten, en daar moet je mee oppassen!

    Mijn auto, en even later die van een wat oudere collega-recensent van een andere krant, werd naar een platform achter de hangar van een F-16 gedirigeerd. Er stond er maar een. In de pauze zagen we dat er bewaking bij onze auto’s stond. Of was dat verbeelding, en was het voor die F-16? In ieder geval werden we tijdens de pauze geschaduwd, daar was geen verbeelding voor nodig. Dit maakte mijn collega en diens vrouw hoe langer hoe zenuwachtiger, en ze meenden dat het beter was om in elkaars buurt te blijven.

    Aan het eind van het concert werden we weer onder escorte naar buiten geleid. Ik stapte in en zag achter me de koplampen van een ‘volgauto’ oplichten. Toen ik bij de slagbomen was aangekomen, stroomde inmiddels de volle parkeerplaats leeg. Deze auto’s hadden allemaal voorrang op mij en ik bezat mijn ziel in lijdzaamheid, hoewel er thuis een schrijfklus op me wachtte. Mijn collega-recensent en zijn vrouw was ik inmiddels uit het oog verloren.

    Op een gegeven moment schoot de auto die mij op gepaste afstand volgde mij links voorbij. Een politieman stapte uit, hield alle langzaam, in colonne rijdende auto’s tegen, en gebaarde mij op te trekken en in te voegen. Wat bij Mann aan het begin van zijn ontmoeting met een politieman gebeurde (hij beschreef zijn vriendelijke, eerlijke gezicht), gebeurde bij mij aan het eind van een avond vol vooroordelen en oordelen: voor even was de politie mijn dikste vriend.

    Ik moest er weer aan denken toen ik onlangs las wat de woordvoerder van een groot congres van Jehova’s getuigen in Utrecht antwoordde op de vraag van een journalist, waarom hij niet onbegeleid rond had mogen lopen: ‘Dat is service.’

     

     

  • Zot op het boek

    ‘Het laatste boek.’ Van het weekend was het weer raak. De zoveelste doodverklaring van het papieren boek. Op pagina 54 van de papieren variant van V Zomer  Magazine van de VK, stond het weer eens uitgesmeerd over de pagina’s. In vette, rode letters werd ook nog een citaat afgedrukt: ‘Ondingen zijn het: je kunt er niet eens mee op je zij liggen.’ Was getekend: Vincent Everts. Wie? Eh, ja, die ja. Hij schijnt een digitaal denker te zijn, wat dat ook moge betekenen. Leniger is hij van dat digitale denken in elk geval niet geworden. En als besluit van het artikel mocht Everts ook nog zeggen dat ie blij is dat het papieren boek binnenkort tot het verleden behoort.

    Ik word er onderhand een beetje moe van. De schrijver van het artikel (Ianthe Sahadat) laat in het middenstuk nog een aantal wetenschappers aan het woord om de nuances van voor en tegen te belichten, maar de tendens is duidelijk: papieren boeken zijn echt niet meer van deze tijd. Mensen die ik spreek, vinden het vooral een curiosum als je zegt boekhandelaar te zijn. Afgelopen weekend was ik in de Ardennen heuvels aan het beklimmen met een aantal mensen die in de financiële sector werken. Een jurist, zoon van een professor, zelf zeer belezen en cultureel goed onderlegd, kon de vraag niet onderdrukken die ik op feesten en partijen telkens weer mag beantwoorden: ‘Boeken, lopen die nog wel een beetje?’

    Of: ‘Valt er nog een boterham mee te verdienen?’ Men had ook kunnen vragen naar de avonturen die je beleeft als je op boekeninkoop gaat. Of ze hadden kunnen zeggen dat ze het een mooi vak vinden, het boekenvak en dat ze graag ook in een boekwinkel zouden willen werken. Dat werd me 20 jaar geleden nog wel eens met enige jaloezie bekend toen ik als net afgestudeerde jong volwassene in een Amsterdams antiquariaat mijn carrière als boekverkoper begon. ‘Wat leuk zeg, ja, dat zou ik ook wel willen, werken in een boekhandel, dat lijkt me echt prachtig.’ Maar ja, das war einmal.

    Ik ben dan ook blij in oktober te mogen deelnemen aan een boekenbeurs in Antwerpen, want, zo is mijn ervaring, Belgen, vooral Vlamingen, zijn zot op het boek, op het mooie, het bijzondere boek: gesigneerd, genummerd, met een mooie ets ingelegd, een kunstenaarsboek, een bibliofiele editie op handgeschept papier van een nooit eerder gepubliceerd en in de nalatenschap van een overleden dichter gevonden manuscript uit de beginperiode van de woordkunstenaar, uitgegeven in een beperkte oplage. De sensatie van het aanraken en ruiken van een boek dat bij elk exemplaar anders is, wil je toch niet missen. Dat contact is soms prettig en inspirerend, soms tegenvallend of oninteressant, maar ja, zo zijn wij mensen toch ook? Soms prettig, soms onhandig, soms nuffig en soms zelfs heel vervelend, zoals die mensen die er schijnbaar een genoegen in scheppen om andermans passie voor iets of iemand af te serveren als ouderwets.

     

     

  • Escapades

    Nu de hedendaagse goden zijn teruggekeerd van de Olympus is de tijd rijp voor een klassiek literaire terugblik op één van de meest memorabele momenten van de Spelen: de escapades van godenzoon Yuri.

    Hoe kunnen we zijn avonturen beter herbeleven dan door ze terug te lezen in Ovidius’ Metamorphosen? Wat leent zich daar beter voor dan die prachtige aaneenschakeling van verhalen over levens van klassieke goden, stervelingen en andere mythische figuren? Zoals de in een laurierboom veranderende Daphne, de altijd napratende Echo en de op zichzelf verliefde Narcissus. Nee, niets is leuker dan deze klassieke verhalen te gebruiken als spiegel voor de beproevingen van de hedendaagse mens. Zoals die van Yuri.

    Zijn escapades brengen die van Bacchus in herinnering, uit het achtste boek van de Metamorphosen. Een verhaal dat door Titiaan in opdracht van Alfonso d’Este onvergetelijk is uitgebeeld. Voor wie het wil zien; het hangt in de National Gallery van London. We zien een overblije jeugdige Bacchus die met zijn gevolg van feestvierders op een wat verdrietige Ariadne stuit, de dochter van koning Minos. Zij is net verlaten door Theseus, die haar had meegenomen naar Naxos, maar daar alleen achterliet. Terwijl ze nog in tranen is dient de wijngod zich bij haar aan. Ze schrikt maar wordt snel door Bacchus getroost. Hij pakt haar diadeem af, slingert het de hemel in en schenkt haar zo haar eigen sterrenbeeld, de Corona Borealis. Waarna ze trouwen en geloof ik, nog lang en gelukkig leefden.

    Dit doek van Titiaan lijkt Yuri op het lijf geschilderd. Al zijn er dan wel meerdere interpretaties mogelijk, maar dat is bij een klassiek mythologisch schilderij wel vaker het geval. Volgens de eerste interpretatie is Ariadne net met de boot in Brazilië aangekomen en stuit ze op het strand op Yuri met zijn gezelschap van schaarsgeklede en dronken Braziliaanse feestbeesten. Yuri is zo blij haar te zien dat hij uit jolijt haar diadeem de hemel in slingert, waarmee hij zijn kansen op Olympische goud vergooit.
    Een tweede interpretatie is dat Yuri’s gezelschap bestaat uit dronken collega-Olympiërs, waaronder de door slangen gevangen god Mauritshendrikos. Hij stuit dan niet op Ariadne maar op de godin Olympia, die op zijn zachts gezegd not amused is als ze ziet hoe haar gedroomde winnaar hier door de in bier gedrenkte Olympiadengroep wordt opgejut. Ze wendt zich van hem af en ontneemt hem zijn podiumkansen. Al lijkt ze door met haar rechterhand naar de sterren aan de hemel te wijzen te suggereren dat het goud voor Yuri in de toekomst misschien nog wel bereikbaar is.

    U ziet, Ovidius en Titiaan zijn van alle tijden, al zullen we nooit weten welke interpretatie de juiste is. Maar ik hoop dat ooit één van de lezers van deze column in de National Gallery voor het schilderij van Titiaan staat en dan fluistert: ‘Hee, dat is Yuri, hoe zat dat ook al weer?’

     

     

  • Akoestiek van het geheugen

    Met Dochter aan het stuur  (die onlangs opeens haar rijbewijs had gehaald waar ik niets van wist), maakte ik een ritje in onze lichtblauwe 2CV door de omgeving. Na het behalen van een rijbewijs komt het er op aan kilometers te maken en ik kon daar wel iets in betekenen als gezelschapsdame.

    Met autorijden is het als met schrijven, je moet het elke dag doen. Vandaag gingen we langs smalle landweggetjes, over dijken en pakten tussendoor een stukje snelweg mee. De dijken waren om behendigheid in het nemen van slingerende bochten te leren, de landweggetjes om tegemoetkomend verkeer zonder claustrofobische gevoelens te passeren en de snelweg om het in- en uitvoegen te oefenen. En ondertussen probeerden we een gelegenheid aan te doen voor koffie. Maar dat was nog niet zo eenvoudig.

    Soms stelde ik voor ergens af te slaan en dat deed ze dan. Zo kon het gebeuren dat we een doodlopende weg inreden waarbij we aan het einde van die weg nog net linksaf konden, recht het parkeerterrein van een Kringloopwinkel op mét een café. Na het inparkeren van de 2CV, bezochten we eerst de boekenafdeling. Dochter vond daar een bijzondere fietstas (wat geen fietstas bleek te zijn maar wat het wel was wisten ze ook niet). We kwamen armen te kort om de stapels boeken, waaronder gedichten van Garcia Lorca, Vasalis en Szymborska waarvan ik dacht er niet zonder te kunnen maar later, door gebrek aan voldoende liquide middelen, de meeste weer terugzette en er drie overhield.

    De keuze viel uit sentimentele overwegingen op Cirkel in het gras van Oek de Jong. Het bracht me terug naar de zomer van 1986 toen ik, verlangend naar romantische verliefdheden, me verloor in het personage Hanna Piccard en haar gepassioneerde liefdesleven in Rome. Wat een boek! De tweede was Vertrouw op mij van John Updike. Een meesterlijke schrijver waarvan ik de Rabbit boeken kende en hoopte dat deze verhalenbundel eenzelfde effect op me zou hebben. Al bladerend bleven mijn ogen al gauw haken achter:

    ‘(…) misschien was dat een kwestie van de akoestiek van het geheugen.’

    ‘De akoestiek van het geheugen’. Stel je voor: het geheugen een ruimte waarin sprake is van een akoestiek. In de akoestiek van het geheugen kaatst het geabsorbeerde verleden zich opeens in een volheid terug die zijn weerga niet kent, die de werkelijkheid vergroot en overtreft. Prachtig!

    De derde keus viel op De Nederlandse maagd van Marente de Moor, van wie ik altijd dacht iets te willen lezen maar het nooit deed. Het was een mooi exemplaar, niemand had de bladzijden nog beroerd. Het was vast een verjaarscadeau geweest voor iemand die niet van dat soort boeken hield en het in de kast zette en alleen als de gever van het boek op bezoek kwam, het er even tussenuit nam en weer recht tussen de andere boeken zette die hij, om redenen die hij zelf ook niet kende, allemaal niet gelezen had. Deze man was onlangs geëmigreerd en had, tot zijn verbazende spijt, al zijn boeken moeten achterlaten en had de Kringloop  gevraagd, de boeken, toch algauw zo’n 600 in getal, tezamen met een verzameling ovenschotels, mee te nemen. En zo kwam ik aan een vrijwel nieuw exemplaar van een boek van Marente de Moor. Ik ben benieuwd hoe de akoestiek van mijn geheugen dit later zal gaan afspelen.

     

     

     

     

  • Welkom in de eenentwintigste eeuw

    Een collega, docent maatschappijleer, liet leerlingen een opdracht over Anne Frank maken. Groot was zijn schrik toen hij ontdekte dat sommige werkstukken doorspekt waren met neo-nazistische narigheid. Wat bleek? De zoekterm ‘Anne Frank’ had de kinderen op Google een reeks treffers opgeleverd waarin betrouwbare en leugenachtige websites als ogenschijnlijk gelijkwaardige alternatieven werden aangeboden. Het Verzetsmuseum of ‘White Power’-malloten, het was één pot nat.

    Zelf zocht ik ooit op YouTube het filmpje van cantor Azi Schwartz, voorzanger van een New Yorkse synagoge, waarop hij zingt bij een 9/11 herdenking op Ground Zero. Hartverscheurend mooi, u zou eens moeten luisteren. Wat zag ik toen de YouTube-pagina verscheen, op dat tableau van fotootjes met titel en tijdsduur? Ik zag een filmpje van een holocaust-ontkenner. Een filmpje over de waarheid omtrent 9/11, dat de Mossad en de Amerikaanse overheid als daders noemde. Ik kon filmpjes aanklikken van ultra-orthodoxe rabbi’s. Ik zag Israëlische soldaten het volkslied zingen. Allemaal vanwege mijn zoekopdracht ‘Kaddish’.

    Het hoeft niet te verbazen dat scholieren kopje-onder gaan in de informatie-overdaad van het internet. Het ís ook moeilijk daarin je weg te vinden, er zijn vast en zeker veel volwassenen die het evenmin kunnen. Voor hen staat het feit dat iets op internet te vinden is al gauw gelijk aan het bewijs van de waarheid ervan. Zoals ouderwetse gelovigen zeggen: ‘Het staat geschreven’, zo vermeldt menig leerling ‘Google’ als hem of haar wordt gevraagd in zijn werkstuk een bron te vermelden.
    Zo goed als het internet een formidabel hulpmiddel is voor communicatie en informatievoorziening, is het internet een ongekend krachtig middel tot massa-manipulatie en grootschalige verdomming.

    In verband met de uitslag van de referenda over Oekraïne en het Britse lidmaatschap van de EU is wel gewezen op de oogkleppen die gebruikers van de sociale media en de zoekmachines zichzelf opzetten. Niet alleen vertrouwt menigeen voor zijn informatievoorziening op onkundige of tendentieuze bronnen. Maar bedrijven als Google en Facebook selecteren uw nieuwsaanbod mede op grond van eerdere zoekopdrachten en eerder bezochte websites. Daar dienen de befaamde algoritmes voor. De gebruiker krijgt daardoor allengs een steeds uniformer en vooroordeel-bevestigend aanbod.
    Het resultaat? Torenhoge misvattingen. Oogkleppen. Oplaaiend wantrouwen. De ‘Illuminati’ beheersen de wereld, weetjewel. Israël zit achter I.S. Onze voorouders joegen op dino’s. Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker is een gevaar voor de volksgezondheid, snap dat nou toch.

    De vertrouwde mantra ‘Hier ligt een taak voor het onderwijs’ is in dit geval volkomen terecht. De grootste uitdaging voor scholen in onze tijd ligt, paradoxaal genoeg, in het bijbrengen van een bij uitstek traditionele vaardigheid: kritisch omgaan met ‘informatie’. De internetvaardigheid bij uitstek!
    Dat is een bijna onmogelijke opgave. Het gezag van het onderwijs is niet groot genoeg. Het aanzien van degelijke kennis is klein. De concurrentiepositie tegenover het internet als bron van kennis is zwak. En het besef van de urgentie van deze onderwijstaak is niet groot. Maar o wee, lukt het de scholen niet, dan zullen we nog wat beleven.

    Helaas luidt een veelgehoorde opvatting over het schoolcurriculum: parate kennis is van weinig belang. ‘We zoeken het wel op’. Uitgerekend Paul Schnabel, voorzitter van de ‘Onderwijs 2032’-club, heeft het onlangs nog gezegd. Alle aandacht gaat uit naar twenty-first century skills, een begrip dat vooral tot uitdrukking moet brengen dat de gebruiker helemaal van deze tijd is. Zowel staatssecretaris Dekker als Paul Rosenmöller, voorzitter van de VO-raad, lijken me buitengewoon eenentwintigste-eeuws. Ze dwalen.

    ‘Skills’. Vaardigheden dus. Maar nodig zijn kritische vaardigheden én kennis. Het ene is waardeloos zonder het ander, en je kunt niet leren het kaf van het koren te onderscheiden zonder een fundament van degelijke kennis.
    Mijn grootouders zeiden: ‘je moet je geen knollen voor citroenen laten verkopen’. Niets moderns aan dus, maar moeilijker dan ooit, vanwege dat onafgebroken bombardement van nieuws en quasi-nieuws, meningen en verzinsels. En daar stel ik me dan ook nog eens vrijwillig en onmatig aan bloot. Junkiegedrag.
    Misschien toch maar censuur van het internet? O, geef ons minder ‘informatie’ en meer kennis, parate kennis!

    Docenten van Nederland, het nieuwe schooljaar staat voor de deur. We hebben niets te verliezen dan de last van ondoordachte modepraatjes. Ontwaak!

     

     

  • Vorm en vent

    Ik ben een verzameling aan het aanleggen van secundaire literatuur. Geen romans, verhalen of poëzie komen op een steeds hoger wordende stapel terecht, maar voornamelijk essaybundels of verzamelde stukken over literatuur, over kunst, over schrijven, over  kijken naar kunst, over de stand van de cultuur, enzovoort. Mij heeft dat altijd gefascineerd: vorm en vent tegelijk. Een secundaire bibliotheek dus. Ik broedde er al een tijdje op, al jaren eigenlijk zonder echt de daad bij de gedachte te voegen. Ik weet ook nog niet of het commercieel interessant zou moeten zijn. Ik vind het vooral prettig om labyrintisch bezig te zijn. Ooit toen ik samen met mijn voormalig zakenpartner JOOT begon, dachten we eerst aan de naam Labyrinth voor ons antiquariaat. We hadden zelfs een kleine verzameling boeken aangelegd die onder de noemer ‘labyrinth’ vielen. Die dus op de een of andere wijze – iconografisch, historisch, literair – met het onderwerp labyrinth te maken had.

    Het is een genre dat vooral ook de aandacht had van Joost Zwagerman, die een bloemlezing samenstelde van essays in de Nederlandse literatuur, naast verhalen een ondergeschoven genre in Nederland. Doordat ik begin dit jaar een groot deel van zijn boekenverzameling kocht, gingen er de afgelopen maanden veel essaybundels en secundaire literatuur door mijn handen. In zijn veelzijdige oeuvre heeft hij ook geregeld geschreven over voornamelijk Engelstalige essayisten, columnisten of journalisten zoals Cyril Connolly, Susan Sontag, John Updike en Gore Vidal. In het Nederlandse taalgebied zie je zijn grote interesse voor een schrijver als Gerrit Komrij in het aantal boeken dat Zwagerman van hem bezat en ook las. Bij sommige lezers zie je soms een streepje of aantekening in het eerste of tweede hoofdstuk. Maar Zwagerman las de boeken helemaal uit, gezien het aantal ezelsoortjes aan het einde van het boek.

    Fijn zijn de stukken van schrijvers die ook wetenschapper zijn, of kunstenaar, zoals bijvoorbeeld gedragsbioloog Tijs Goldschmidt. Ze schrijven niet als kenner alleen over hun eigen vakgebied, maar ze zijn juist panoramische kijkers die met verwonderende ogen kijken naar een wereld die vaak minder eenduidig is dan meestal gedacht wordt. Ze laten kruisbestuivingen l plaatsvinden tussen bijvoorbeeld biologie en filosofie, of poëzie en fotografie. Als ik enige consistentie in mijn denken en doen weet te betrachten, dan kom ik nog op mijn secundaire bieb terug.

    Tot slot wil ik nog even kwijt dat ik, ook weer zo’n uitgesteld en nu ingelost verlangen, ben begonnen aan de schrijver A. Alberts. Wat een prachtige stilist. Kraakhelder, maar met oog voor het mysterieuze in het leven. Lezen die man, bijvoorbeeld zijn verhalen in Eilanden (Van Oorschot).

     

     

  • Moraliserende wijsvinger

    Kunstenaars die maatschappelijk betrokken zijn zoeken naar verbeelding van het vluchtelingenprobleem. Ze kunnen niet anders. Het is hun manier om ongerustheid, verbazing, gekrenktheid en zorg te uiten. Werk dat die voedingsbodem heeft spreekt veel sterker aan dan wat wil moraliseren of overreden. Zo vergaat het mij althans. De afgelopen tijd stond ik op verschillende manieren tegenover uitingen van beeldend kunstenaars over vluchtelingen. En ik vroeg me af, waarom het ene werk me meer raakt dan het andere.

    Van Michiel Voet is een serie geënsceneerde foto’s onder de titel The invisible Man (er bestaan ook een boek en een toneelversie van). Hij is illegaal in Nederland. Op de foto zien we een man onder iets wat een dekbedovertrek lijkt. Hij draagt nette schoenen en een broek met een scherpe vouw. Het zou een kantoorman kunnen zijn. Ook het dekbedovertrek (het woorddeel ‘dek-‘ geeft hier wel toepasselijk de verhulling weer) ziet er schoongewassen uit. Het kleurenpatroon is mooi. De compositie van de foto is fraai. De figuur lijkt te staan tegen een achtergrond die me aan de muren in de gangen van de Tweede Kamer doet denken.

    De man houdt duidelijk met zijn handen de bovenhoeken van het dek omhoog. Er vallen plooien in het doek die het geheel verlevendigen. Maar ze zouden net zo goed sporen kunnen zijn van een worsteling zich te bevrijden. De kunstenaar heeft zijn werk voorzien van een uitvoerig verhaal, dat is te lezen op zijn site. Waar nog veel meer foto’s te zien zijn.

    De foto raakt me en brengt me in verwarring. Alles is er mooi aan. Er wordt ook niet geheimzinnig gedaan. Ik zie een goed geklede man. Ik weet dat hij een Algerijn is. Ik weet zelfs zijn naam: Karim Ramtani. Hij is 23 jaar en zit zonder land. Er wordt niet geheimzinnig gedaan. En toch klopt er iets niet.

    KUNSTrePUBLIC Een tweede kunstwerk zag ik op de manifestatie Sonsbeek 2016 in Arnhem, titel: VVest Life. Ook hier is het thema de vluchtelingenstroom. Het Berlijnse kunstenaarscollectief KUNSTrePUBLIK zette een stervormig parlementsgebouw neer dat geheel is opgebouwd uit zwemvesten die zijn verzameld op Lesbos. Op de top een EU-vlag en binnenin zitjes, eveneens van zwemvesten. Regelmatig klinkt vanuit speakers geschreeuw of worden liederen gezongen. Ik moet toegeven dat het werk me niet onberoerd liet; toch was er iets waardoor het me minder bleef bezighouden dan bijvoorbeeld de foto’s van Michiel Voet. Ik heb me afgevraagd hoe dat kwam. Het heeft te maken met het moraliserende vingertje dat hier wordt opgestoken: kijk eens wat de vluchtelingen moeten doorstaan en hoe de EU daarmee omgaat. Ik zie commentaar op een wereldprobleem dat met het vingertje wijst. Ik herken het falen van Europa, maar voel me nauwelijks aangesproken.

    De onzichtbare man onder het dekbedovertrek roept de vraag op wat zich hier afspeelt. Het beeld dwingt me echter ook na te denken over mijn manier van kijken: hoe snel ben ik tevreden met mijn eerste interpretatie?
    VVest Life zegt me dat de politiek faalt. Maar ik zelf blijf buiten schot.

     

    Michiel Voet: www.michielvoet.com/the-invisible-man/74-het-verhaal
    Sonsbeek/KunstrePUBLIK: www.sonsbeek.org/nl/sonsbeek-2016-transaction/kunstenaars/kunstrepublik  (tot 18 september).

     

     

  • Carmiggelt en vakantiedingen

    Deze vakantie waren er nogal wat eerste dingetjes. Zo dronk ik voor het eerst thee zoals Engelsen doen. Het was aan de kust van Dorset. Ik was dorstig en het was warm en dan blijkt thee met melk een goede dorstlesser. Eerder die dag had ik begrepen dat je niet zomaar uit Londen wegkomt. We deden er die warme zaterdag in juli ruim anderhalf uur over voor we in de file naar Dorset terechtkwamen. Waarna we in 5 uur een afstand aflegden die je, zonder verkeer op de weg, in twee uur rijdt. Toen begreep ik pas waarom Zoon, die al tien jaar in Londen woont, zo weinig naar ‘buiten’ ging. Deze vakantie heb ik ook  begrepen (een levenslang proces) dat je je nooit moet bemoeien met hen die je lief zijn. Je moet ze alle credits geven inzake wat dan ook. En dat  leverde wat op. Ik heb me nog nooit zo Zen gevoeld. Wat meteen weer een ‘eerste’ dingetje werd: Zen te zijn met jezelf en je omgeving.

    Maar toen moest Carmiggelt nog komen. Ik fietste door Gelderland. Kwam door De Steeg, wat het favoriete vakantieoord van Carmiggelt was. Hij is er vereeuwigd, zittend op een bankje met zijn vrouw Tiny. Ik was er vaak voorbij gekomen met de auto maar had hen nooit opgemerkt. Nu passeerde ik ze op een meter afstand en riep: ‘Kijk nou’. ‘Daar zit Carmiggelt!’ en zette mijn fiets aan de kant.

    Daar zaten ze dan. Hij stijf in zijn veel te ruime regenjas en Tiny met degelijke pumps die parmantig enkele centimeters boven de steentjes zweefden. Zo levensecht alsof ze tijdens het poseren versteend waren geraakt. Waardoor de aanblik wat lugubers kreeg. Er lag een schrijfblok op Carmiggelts knieën dat hij met een hand vasthield en met de andere licht beroerde. Je kon je opeens voorstellen dat hij daar helemaal niet had willen zitten, zo donker en stijf. Thuis pakte ik zijn boekjes erbij en voor ik het wist zat ik in de Carmiggeliaanse Way of seeing.

    Een paar dagen later bevond ik mij in de sanitaire ruimte van een camping in het Oosten des lands. Er stonden twee rondborstige vrouwen van meer dan gemiddelde lengte toilet te maken. De vrouw links poetste haar tanden elektrisch en bewoog de roterende borstel driftig in haar mond heen en weer waarbij ze veel schuim produceerde. De vrouw rechts werkte met een föhn haar kapsel bij onderwijl haar hoofd koket alle kanten opdraaiend. Ik voegde me tussen hen in, wat gezien de breedte van de wasruimte niet eenvoudig was. De vrouw met de föhn begon over ‘irritatie’ in haar liezen. Het was rood en ‘jeukte as de neten’. Ik herkende het accent dat Loes Luca in Het Schaep in Mokum bezigt. De poetsende vrouw murmelde dingen als, ‘Grumbllele en tjejjee seg’. Waarop de vrouw met de föhn zei dat haar man haar had meegenomen voor een fietstochtje. Ik begreep dat ‘meneer’  blij mocht zijn dat ze met hem mee naar ‘hier’ was gegaan. Ze begreep niet wat m bezielde. Veertig jaar op camping Bakkum gestaan en nu wilde meneer ineens iets anders.

    En nu meneer hier toch was wilde hij de omgeving leren kennen. Hij huurde twee fietsen en het ‘stukkie’ fietsen werd een tocht van ‘zestig kilometer!’ riep de vrouw met de steeds verhitter rakende föhn in haar hand. ‘Ik had m wel door hoor, de smiegt. Ging inenen voor me uit fietse zodat ik m nie bij kon houwen. Meneer was gewoon verdwaald. Maar toegeve, ho maar.’ De poetsende vrouw schuimde verontwaardigd: ‘E ou oe ijii oob e bhajen idde.’ ‘Precies’,’ zei de vrouw met de föhn en draaide haar hoofd nog eens koket in het rond. Ik pakte mijn toiletspullen en zei: ‘Goedemorgen,’ maar ze hoorden me niet. Dat was de eerste keer dat ik met twee Amsterdamse dames een wasruimte deelde. Carmiggelt had er wel raad mee geweten.

     

     

  • De koelte van een kerk

    Op een van de warme dagen deze zomer, zocht ik de koelte van een kerk en bezocht een orgelconcert. Met mij nog zo’n zestig, meest oudere mensen. Stuk voor stuk hadden we de vader of moeder van de organist kunnen zijn. Op het programma stonden werken van Schumann, Brahms, Bach en Rheinberger.

    Een ook al wat oudere heer in een frivool T-shirt heette ons opgewekt welkom en begon omstandig te vertellen over de twee zielen die in Schumanns borst huisden: Floris ( Florestan) en – hij moest even spieken – Eusebius. Toen kwam de al dan niet Platonische liefde tussen Clara Schumann en Brahms aan bod. Net toen ik het ergste begon te vrezen over het vervolg, Rheinberger, bijvoorbeeld over diens slechte gezondheid, stapte hij over op de heugelijke mededeling dat ons volgend concertseizoen iets nieuws staat te wachten: een projectiescherm in de kerk, waarop we de verrichtingen van de organist levensgroot zouden kunnen volgen! Of misschien zelfs méér dan levensgroot, dat weet ik niet meer.

    De organist, die voor iedereen duidelijk zichtbaar achter de klavieren zat, begon voortvarend met een Fuga van Schumann. Naast me nam nog snel een mevrouw op stevige wandelschoenen plaats. Haar Nordic walking stokken legde ze behoedzaam op de grond. Een knoflookwalm wasemde me gedurende de rest van het concert met regelmaat tegemoet.

    Nadat de laatste klanken van een Sonate van Rheinberger haddden geklonken, kwam de oudere heer die ons verwelkomd had,  naar voren en vroeg bezorgd of we het allemaal wel hadden kunnen volgen; de organist had veel zomaar achter elkaar door gespeeld, vond hij. Ik dacht het niet; er was ook zonder scherm duidelijk te zien geweest dat hij tussen de stukken eigenhandig, zonder hulp van een registrant, registers uittrok dan wel induwde.
    De organist werd naar beneden gewenkt. Niet om hem de les te lezen, gelukkig, maar om een bos bloemen te overhandigen.

    Ik hoopte vurig dat het hierbij zou blijven, de knoflookwalm was niet meer te verdragen. Ik raakte er van overtuigd dat het  de toch wel aangename lucht van sinaasappel, die bij elke uitademing uit de mond van een arts ontsnapte en door de ik-figuur in Philippe Claudels De boom in het land van de Toraja geassocieerd werd ‘met een zeker geluk. Een naseizoen’, in walging ver voorbij streeft.

    Nee, een volgende keer dat ik naar een concert in deze kerk ga, neem ik een neuskapje en een slaapmaskertje mee. Zo eentje als in de film L’échappée belle van Emilie Cherpitel: met kunstwimpers. Niemand zal nog naast me willen zitten.