• Pars pro toto

    Jaren geleden nam ik deel aan een excursie naar het Müllerorgel van de Grote- of St. Bavokerk te Haarlem. Die excursies zijn er nog steeds op de laatste zaterdagmiddag van de zomermaanden. Tijdens zo’n excursie sta je terzijde van de organist die vanaf de orgelbank van alles laat horen, en daar uitleg bij geeft. Zoals het stereo-effect van de pedaaltorens (c links, cis rechts enz.). Ik herinner me dat organist Jos van der Kooy op een gegeven moment zei dat zo’n orgel in de tijd dat ze werden gebouwd, een overweldigende klank moet hebben gehad in de oren van de mensen die er toen naar luisterden; het was de tijd dat een trekkar die ratelend door de straten reed, zo’n beetje het hardste geluid was. Een détail dat me altijd is bijgebleven en ik moest er weer aan denken, toen ik bezig was een boekje te schrijven over de theoloog, schrijver en (amateur)organist Henk Vreekamp (1943-2016). Hij had zijn hart verpand aan de Veluwe en schreef daar een trilogie over. Een beetje romantisch misschien, maar dat is maar de helft van het verhaal.

    Of misschien is het maar een kwart, bedenk ik me nu ik stuit op het stukje ‘Geknetter op de Veluwe’ van Bob den Uyl in diens Vreemde verschijnselen. Den Uyl stak de draak met die hedendaagse liefde voor de Veluwe, want het is er helemaal niet stil, ‘er heerst een verschrikkelijk lawaai’. Hij doelt op een gemotoriseerde zaag, opgevoerde bromfietsen, een paar tanks die voorbij rijden, machinegeweren die ratelen en straaljagers die loeien.
    Met Kester Freriks in zijn boek Stilte, ruimte, duisternis zou je daaruit kunnen concluderen dat de natuur niet meer stil is, maar ook dat is niet het hele verhaal. Niet vanwege dat verschrikkelijke lawaai dat Den Uyl beschrijft, maar omdat volgens Freriks die geluiden niet in harmonie zijn met de omgeving, er wezensvreemd aan zijn.

    Dat Vreekamp het helemaal niet over dat lawaai had, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij op de Veluwe samenviel met de omgeving en met zichzelf. De Veluwe schiep voor hem de ruimte waarin hij zijn gedachten en verbeelding de vrije loop kon laten. Ik zie hem voor me, wanneer de nevel uit de grond optrekt en hij met zijn blote voeten in het Kootwijkerzand staat. Geworteld in de grond waar zijn wieg stond. De Veluwe pars pro toto (dat is de andere helft van het verhaal), zoals Kana voor hem de voorsmaak van Kanaän was en Ede in een gedicht van Jan Weiland de voorsmaak van Eden. Of Zwolle, dat voor Hendrick ten Oever het aardse paradijs was. Zo schilderde hij het althans in 1675, op een doek dat momenteel te zien valt op de tentoonstelling ‘Gelderland Grensland’ in CODA Museum Apeldoorn. Wie de trap naar de expositieruimten afgaat, ziet ook een brommertje staan. Toeval? Nee: onderdeel van de tentoonstelling ‘Sparta, de sleutel tot een rijker leven’, knetterend over de Veluwe.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Het raadsel, de vrouw

    De storm over het boekenweekthema, en de voor de jaarlijkse geschenken gekozen schrijvers, is nog maar net gaan liggen – hoewel iemand die duidelijk niet aan woorden genoeg heeft het nodig vond de CPNB te bekladden – en ik lees Hokwerdas kind van Oek de Jong. Ook ik heb een mening over De moeder, de vrouw. Over vrouwen praten en schrijven, dat is niet aan boekinhoud gebonden, die twee mannen gun ik het van harte, mijn bezwaar zit hem in dat over. Over betekent: niet met. Maar ik wilde geen column schrijven over de boekenweek. Het is ruis, een stoorzender. Intussen bevindt een deel van mijn wezen zich in de romanwereld van Oek de Jong. 

    Hokwerda’s kind is goed geschreven – nee, meer dan goed geschreven, de taal is zinderend en sensueel, het verhaal spannend en dan is daar ook nog Amsterdam, dat tot leven komt als een volwaardig personage. Toch hapert er iets, iets weerhoudt me van de volledige overgave zoals ik die het liefst dankzij een verhaal ervaar.
    In de biografie op zijn persoonlijke website schrijft Jan Siebelink ‘(…) dat vooral mannelijke auteurs in staat zijn om onuitwisbare vrouwenfiguren te scheppen.’ Hij is allerminst ironisch en vervolgt: ‘Misschien omdat zij meer oog hebben voor het raadsel van de vrouw. Een vrouwelijk auteur wil haar heldin helemaal transparant maken. Een mannelijk auteur zal het raadsel heel willen laten.’

    Er is veel over die laatste twee zinnen te zeggen maar vooral over dat raadsel blijft hangen. Telkens wanneer het in Hokwerdas kind over Lins uitpuilende ogen, hoge taille, sterke lichaam en ronde vormen gaat, keer ik bij dat raadsel terug. Dan vraag ik me af of we – lezers van onze tijd, mensen die zich bezighouden met het boekenweekthema en de discussie daaromtrent – deze roman nog zouden ‘pikken’ wanneer hij nu zou zijn verschenen. Is Lin een geloofwaardig, op zichzelf staand vrouwelijk personage of is zij juist een (mannelijke) fantasie: niet zozeer een raadsel, maar eerder een wens? Is haar geschiedenis te plat, het waarom of de oorzaak ervan te rechtlijnig? Dit zijn vragen die ik mijzelf liever niet stel. Ik wil niet gehinderd worden door toetsen uit de werkelijkheid en al helemaal niet door speldenprikjes van andere schrijvers. 

     Later spreek ik een collega-schrijver. Zij, even kwetsbaar als getalenteerd, heeft zich teruggetrokken van de stoorzenders en de ruis. Eindelijk beleeft ze weer plezier aan het schrijven van haar volgende roman. Terwijl ze ruw het verhaal schetst, denk ik aan die eerste scène: Hokwerda die, sarrend, steeds maar weer de kleine Lin het water ingooit. De kracht van het hoofdstuk zit hem in wat er tussen de regels verscholen ligt.
    Als ik de roman noem bekent zij nooit boeken te lezen die tegen haar eigen materie schuren. Te veel ruis. Gelijk heeft ze. In de trein naar huis denk ik aan haar woorden en hoe deze schrijver uit een heel donkere bron put. Het is die bron die Oek de Jong zo schitterend tot leven wekt in Hokwerdas Kind. De rest, ja, is ruis. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

     

     

     

  • Vrachtwagens vol grind

    Zeven jaar waren we weg geweest. De overgang vanuit het midden van Portugal, de bergen, ruwe begroeiingen en weidse uitzichten, naar een met grind en tegels belegde Nederlandse tuinen. Waar achter de ramen van de meeste huizen een eenheid van twee identieke objecten in de vensters stonden opgesteld. Tussen wijkende gordijnen, als waren het de coulissen van een huiselijk toneel, de objecten een optreden verzorgden voor passanten. Je zag twee zedelijk neerbuigende bloeiende orchideeën in eenduidige potten, onbetamelijk grote lantaarns waarbinnen nooit een lichtje werd ontstoken, of een set schemerlampen, vermoedelijk zonder snoer. Het was in september 2007 dat we terugkeerden, wennen was een dagelijks ding.

    Het eerste nieuws dat me trof (ook het luisteren naar nieuwsberichten is anders als je lang bent weggeweest, alsof het niet voor jou, die zo lang weg was, bestemd is), was de brand in het Armando Museum in de Elleboogkerk in Amersfoort. Zijn daar aanwezige collectie, zo sprak de nieuwslezer op 22 oktober, was daardoor verloren gegaan. Het was een schok voor de kunstenaar, hij rouwde om het verlies van zoveel kunstobjecten en niet alleen om die van hemzelf; er zat ook een grafiek van Dürer in de collectie. Het bericht trok aan me, bracht me een stukje meer naar waar ik geland was. Sinds ik in de jaren tachtig Herenleed had gezien en later zijn gedichten las, begreep ik dat Armando altijd rekening hield met de wreedheid in de mens. Mijn geloof in het goede in de mens, dat niemand slecht wordt geboren, in wezen niet slecht is, begon te tanen toen steeds meer de betekenis van ‘schuldige landschap’ tot me doordrong, de tragiek in de mens.

    Aan ver doorgevoerde beteugelingen van de natuur kan ik niet wennen. Een gedicht van Armando raakt aan wat ik voel als ik langs betegelde voortuinen en grindbakken loop. Zijn gedicht Een galg, (Gedichten 2009 waarmee hij de  VSB Poëzieprijs 2011 won), raakt aan de verbazing en de irritatie die ik gewaar werd over hoe een land in zeven jaar tijd zo strak in zijn vorm getrokken was. Denk aan de hoeveelheid grind waarvoor rivieren worden afgegraven en die met vrachtwagens vol de stad werd binnengereden. Ik denk aan de bomen en planten die ontworteld werden en voor dood bij het grofvuil werden gelegd. Ik dacht aan degenen die dachten ergens aan te bouwen door bomen te ontwortelen, dat ze er uiteindelijk geen plezier van zouden hebben als het water zou komen. Ik las het niet zonder enige grimmigheid in mezelf gewaar te worden. Komt ie:

    Ze dachten we gaan de aarde beklimmen
    we gaan de dood verjagen, we
    zegenen de regen, we
    brengen stenen naar de stad

    Ze zwoegden
    en bouwden moeizaam een galg

    Armando is niet meer, gestorven in het harnas zou je uit de berichtgeving kunnen opmaken. En dat doe ik maar al te graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

  • Eierstokken

    Op een koude junizondagmiddag las C. Buddingh’-prijswinnaar Radna Fabias op een podium in een park een gedicht over eierstokken voor. In het gedicht draagt een ik-persoon haar vruchtbaarheid ten grave. Thuis las ik het nog eens na: ‘omdat ik van mijn moeder houd bezweer ik de herhaling vanuit mijn afgeklemde eierstokken’. En hoewel ik wist dat het niet ter zake mocht doen voor mijn begrip van het gedicht, kon ik het niet nalaten me af te vragen of deze zin over Fabias’ eigen eierstokken ging, en of ze alleen figuurlijk waren afgeknepen of ook in het echt. Ik overwoog zelfs om haar er een e-mail over te schrijven.

    De neiging van mensen (waaronder dus mijzelf) om te willen weten hoe waargebeurd een verhaal of gedicht precies is, heeft soms iets onaangenaams, vooral wanneer de waargebeurdheid als verkoopargument wordt gebruikt. Boeken die gepresenteerd worden als deels of helemaal autobiografisch, krijgen doorgaans meer aandacht dan boeken die geschreven zijn op basis van alleen verbeeldingskracht en interesse in de werelden van anderen, terwijl ze niet per definitie mooier of beter of zelfs realistischer zijn. Aan de andere kant ligt de nieuwsgierigheid van de ene echte mens in de verhalen van de andere echte mens misschien wel aan de basis van ons vermogen ons te interesseren in literatuur, en is het daarom ook niet gek dat de verhalen die mensen over zichzelf vertellen het meest aantrekkelijk zijn.

    Mijn nieuwsgierigheid naar de echte Radna Fabias had ook te maken met wat ik een paar weken daarvoor over de echte Renate Dorrestein had gehoord, tijdens een hommage aan haar werk en leven. Een opvallend feit uit dat leven is dat ze zich als jonge twintiger liet steriliseren omdat ze absoluut geen moeder wilde worden. Hoewel ze het gegeven van een sterilisatie bij mijn weten nooit in een literair verhaal heeft gebruikt, was haar wantrouwen jegens ouders en de terreur van het gezin wel duidelijk aanwezig in haar boeken. En dit wantrouwen was een van de redenen waarom ze zelf nooit moeder wilde worden.

    Een vrouw uit het publiek die met Dorrestein bevriend was geweest, wist te vertellen hoe moeilijk het destijds was een arts te vinden die de ingreep bij haar wilde uitvoeren. Uiteindelijk wist ze een arts te overtuigen. ‘Stel je voor dat ik een keer zo verliefd word op een man dat ik een kind met hem wil,’ had ze gezegd. ‘Dat wil ik koste wat het kost voorkomen.’
    Een uitspraak die een verhaal op zichzelf is, ondanks dat hij niet in een literair werk is opgenomen. Nog niet in ieder geval. Ik stel me voor, een gesteriliseerde vrouw die zo verliefd wordt op een man dat ze een kind met hem wil.

    Er zou een roman in kunnen zitten. En voor ik daaraan begin te schrijven moet ik dan toch misschien Radna Fabias eens mailen. Kijken of ik haar een paar, tot de verbeelding sprekende, waargebeurde uitspraken over haar eierstokken kan ontlokken.

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Gesproken woorden en orale verhalen

    Het woord dat er in den beginne was, was een gesproken woord. Geen wonder dus dat de literatuur van het eerste uur orale literatuur was. Verhalen die van mond tot mond gingen, in de vergetelheid raakten en plaatsmaakten voor nieuwe die op den duur ook weer verdwenen.
    Naar die literaire oervorm wordt vaak verwezen als het in het kader van spoken word gaat over de wortels van het genre. Ik geloof niet dat dat helemaal terecht is – spoken word is een manier van vertellen die veel jonger is en meer met de vorm en het ritme van rap en poëzie te maken heeft dan met de inhoud van orale verhalen – maar ik begrijp het verband wel. Bij spoken word staat niets en niemand de interactie tussen spreker en toehoorder in de weg en dat was bij het oorspronkelijke gesproken woord ook zo.

    In een week die een beetje in het teken stond van spoken word (met het oog op een interview schuimde ik het internet af op zoek naar relevante voorbeelden) lees ik toevallig ook The Big Mirror van Mohammed Mrabet, ‘taped and translated by Paul Bowles’.
    Het is niet voor het eerst dat ik een door de analfabete Mrabet aan Paul Bowles verteld verhaal lees. Ik kende Het strandcafé en De stem al, en de roman Liefde met een lok haar. Het is wel de eerste keer dat ik denk de stem van Mrabet daadwerkelijk te horen. Voorgaande keren wist ik niet precies waar Mohammed Mrabet ophield en Paul Bowles begon, maar The big mirror klinkt authentiek. Het ziet er ook uit als een tot de magisch-realistische essentie beperkt verhaal, dat niet aangepast is aan de literaire smaak van de westerse lezer.

    Paul Bowles heeft heel wat verhalen van Mohammed Mrabet opgenomen en (maar misschien niet rechtstreeks uit het Maghrebi) in het Engels vertaald:

    ‘Ik heb meer dan honderd verhalen aan Paul Bowles verteld. Dat komt door Jane [Jane Bowles, de vrouw van Paul, lw]. Ik wilde helemaal niet met iemand samenwerken. Ik ben visser, ik vis, koop vis, ik verkoop vis, ik koop dit en dat. Kopen, verkopen, dat is mijn werk. Maar Jane zei tegen Bowles: Mrabet is the big storyman. Paul luisterde met open mond naar mijn eerste verhaal. Nachtenlang heb ik hem verhalen verteld. Verzonnen verhalen. Ik kan niet lezen en niet schrijven. Ik ben geen schrijver, ik ben geen dichter. Voor mij is vissen hetzelfde als verhalen vertellen. Op het strand is niemand, alleen Mrabet en de grote stenen. Ik vis en ik krijg honderd verhalen’,

    (in: Paul Bowles en zijn vertellers, artikel van Anneriek Goudappel in Vrij Nederland, 22 juni 1996)

    Mohammed Mrabet was niet de enige (analfabete) verteller die met zijn verhalen bij Paul Bowles terechtkon. Ook Abdeslam Boulaich, Ahmed Yaboubi en Driss ben Hamed Charhadi vertrouwden hem hun orale verhalen toe. Vanaf dat moment waren zij geen verhalenverteller pur sang meer, maar stonden ze ook te boek als schrijvers van op papier gestolde woorden. Van verhalen die voorgedragen kunnen worden, en daarmee weer in het domein van het spoken word terechtkomen.

     

    Foto: Paul Bowles (l) en Mohammed Mrabet (r), still uit de documentaire Un Américain à Tanger (1993) van Mohammed Ulad-Mohand.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Bewaarde klanken

    Om het inoperabel tekort
    van gebaren die onvoltooid
    en gedachten die verzwegen
    blijven om alles wat nooit
    kan worden prijsgegeven
    beroep ik me op het gedicht
    als machteloos tegengewicht.

    Dit zijn regels van Ellen Warmond (uit: ‘Excuus’, Proeftuin, 1953) die soms worden gestuurd als troost na het overlijden van een naaste. Ze werden ook getwitterd in dezelfde week dat ik in het Amsterdamse Concertgebouw dirigent Michael Tilson Thomas van het London Symphony Orchestra enkele, soms terugkerende en veelzeggende gebaren zag maken tijdens de uitvoering van de zesde en zevende symfonie van Jean Sibelius. Hij hief zijn linkerhand in de lucht, als pakte hij de klank van het orkest af, en bracht zijn gebalde vuist tot achter zijn rug. Hiermee leek hij te willen zeggen, en nu op naar een volgend, mooi klankmoment, dat ik weer in mijn vuist zal vangen en zo, als in een doosje, bewaren zal.
    Raadselachtiger, haast ritueel was het wat er tussen de twee symfonieën in gebeurde. Hij legde het dirigeerstokje waarmee hij de zesde symfonie had gedirigeerd neer en pakte, voor hij de eerste inzet van de zevende aangaf, een ander stokje. Met één vinger leek hij de weerstand van het stokje aan de bovenkant te testen. Waarop leden uit het orkest hard begonnen te lachen. Tilson Thomas haalde zijn schouders op als wilde hij zeggen: ‘Laat me nu maar. Het hoort erbij’.

    Gebaren – ze kunnen soms juist zovéél zeggen. Bij het lezen van Warmond moest ik ook denken aan dat herhaalde gebaar van Dame Judy Dench tijdens de monoloog van Lady Macbeth van Shakespeares (op dvd van de Royal Shakespeare Company, 2004). Een vriend had me erop gewezen. En, ja – daar was het moment: met één hand veegde ze meerdere keren laag, als het ware over de grond – gelijk een van de heksen aan het begin van het stuk – op de volgende woorden, kort na de briefscène:

    …. Kom, gij geestenschaar
    Die moordgedachten zaait, ontvouw mij thans,
    En giet mij boordevol, van kruin tot tenen,
    Met ijselijke wreedheid. [Ze heft haar handen ten hemel en gaat daarna weer vegend verder]
    Stol mijn bloed,
    Sper elke weg en toegang voor erbarmen.

    (vertaling Willy Courteaux):

    Twee dichterlijke frases, van Warmond en Shakespeare en gebaren van Tilson Thomas en Dench. Gedicht als these – toneel als antithese. De synthese vind ik in mijn hart, waar ik het bewaar.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Achter glas

    In het Franse vakantiehuis waar een deel van mijn volgende roman zich moet gaan afspelen, lees ik de helft van de correspondentie tussen Rudy Kousbroek en Gerard Reve. Van laatstgenoemde zijn de brieven niet in het boek opgenomen, iets met de rechten, onhandig maar helaas. Wat overblijft leest haast als een literaire ingreep: juist omdat Reves vragen en antwoorden ontbreken, is de lezer gedwongen om een en ander zelf in te vullen.
    Steeds is duidelijk, hoe intiem en openhartig Kousbroek ook lijkt, dat publicatie van deze brieven altijd al een doel op zich was. Daarom maakten beide schrijvers, we hebben het nu over de periode 1979-1989, steeds een doordruk van elkaars brieven. Alles voor het nalatenschap.
    En zodra je schrijft om gelezen te worden, om nog meer gelezen te worden dan alleen door diegene tot wie je je richt, schrijf je anders. Dan speel je een spel. Ook dat is een ingreep. Afstand wordt bewaard. Maar is dichterbij komen niet juist wat we willen, zodra we overgaan tot het lezen van brieven en dagboeken? 

    ‘Het lukt niet meer, ik zit vast als een muur (of, zoals me nu invalt: dat iemand met zijn hoofd naar beneden tussen twee Amsterdamse huizen in is gevallen – je weet wel, van die huizen in de binnenstad met 20 cm ruimte ertussen – en dan op de hoogte van de eerste etage klem is komen te zitten. ’t Is soms net of ik wat hoor, zegt de bewoonster ’s avonds tegen haar man) en het uiteindelijke resultaat is dat ik helemaal niets meer doe.’ Dit stukje, waarin Kousbroek aan Reve uitlegt waarom hij niet schrijft, laat het dubbele zien: het is blootgeven en bedekt houden tegelijk, je mag dichterbij komen, toe maar, maar je blijft wel achter het glas. Kousbroeks taal, zijn weloverwogen woordkeuze en de zorgvuldige uitwerking van zijn metafoor, is dat glas. 

    Tegelijkertijd lees ik in Ik bestaat uit twee letters, het ‘Privédomein’ van A.H.J. Dautzenberg. Nergens in het boek, al ben ik nog niet op de helft van de meer dan zeven honderd pagina’s, heb ik het idee dat het te intiem is wat ik lees, dat ik getuige wil zijn van iets waarin ik geen plaats heb. Met het bedoelde hertekenen van een jeugd en van een broer lijkt de materie behoorlijk persoonlijk en precair, maar ik word er niet door belemmerd – tot ik bij de brieven aan Gerbrand Bakker aankom. Pas hier, in de steekjes en de grapjes in de brieven die Dautzenberg stuurt, komt ongemak aangewaaid. Natuurlijk, ook hier is sprake van ingreep, van spel. Bakkers brieven zijn niet in het Privédomein opgenomen. En toch.
    Ben ik te dichtbij gekomen – is het glas door de een weggetrokken zonder dat de ander daar iets over te zeggen had? Waar is de wand die alle partijen beschermt? Dichterbij wil ik, in het lezen, altijd dichterbij – maar het hoeft nooit zo heet te worden dat ik me kan branden. Achter glas zie ik goed genoeg. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Pseudoniem

    Ik herinner mij Aarts’ letterkundige almanak. Ik herinner me dat ik me daar vanwege de lessen ‘Handboeken & Naslagwerken’ in diende te verdiepen. Ik herinner mij dat ik toen ik eenmaal afgestudeerd was en een baan had als bibliothecaris elk jaar de nieuwe editie bestelde voor de collectie ‘Handboeken & Naslagwerken’.
    Ik kan me niet herinneren dat ik in al die jaren dat ik in een bibliotheek werkte ooit iemand iets heb zien opzoeken in Aarts’ letterkundige almanak. Ik kan me de inhoud van geen enkele almanak herinneren.
    Dat laatste is niet helemaal waar. Eén ding herinner ik me namelijk nog wel: dat Aarts’ letterkundige almanak een weliswaar niet uitputtende, maar wel uitgebreide pseudoniemenlijst bevatte en een evenmin volledige, maar ondanks dat lange lijst huisadressen van schrijvers. Ik herinner me dat ik me elk jaar opnieuw verbaasde over het schenden van zo veel privacy.

    Een schrijver heeft recht op een teruggetrokken leven in de anonimiteit. De wereld moet het met zijn boeken doen. Wie onder de indruk raakt en bewondering wil uiten, doet dat via de uitgever. Als een  schrijver reageert en daarbij zijn adres prijsgeeft, is dat doorgaans een kwestie van fatsoen en geen uitnodiging tot intensief persoonlijk contact. En zeker geen vrijbrief om onaangekondigd op bezoek te gaan. Ik weet – niet uit eigen ervaring, maar wel van dichtbij – hoe ontregelend het kan zijn als een lezer letterlijk op de koffie komt en verwacht door een schrijver met open armen te worden ontvangen.

    Het kraken van een pseudoniem is eveneens een ernstige inbreuk op de privacy van een schrijver. Zij die onder een schuilnaam schrijven, hebben daar hun persoonlijke en/of artistieke redenen voor. Met de keuze voor een nieuwe naam nemen zij een extra identiteit aan en geven zij te kennen dat de schrijver en degene die ze ook nog zijn niet samenvallen.
    Een pseudoniem maakt een schrijver niet anoniem. Hij is dat pseudoniem. Er is dus geen enkele reden zijn ‘ware’ identiteit te achterhalen. Ik heb tijdens mijn leven als bibliothecaris dan ook nooit begrepen waarom op cataloguskaartjes bij de naam van een schrijver, indien van toepassing, nadrukkelijk vermeld werd dat het om een pseudoniem ging dan wel om ‘het pseudoniem van’. Ik vond dat overigens niet alleen vervelend voor een schrijver. Als lezer hoef ik helemaal niet te weten dat het om een pseudoniem gaat.

    Dat schrijvers via hun sociale media vindbaarder zijn dan ooit verandert niets aan hun recht om als privépersoon buiten het bereik van lezers te blijven. Dat werk de indruk wekt autobiografisch te zijn evenmin.

    Dit kwam allemaal in mij op nadat ik gehoor gaf aan het verzoek van een schrijver om bij een stuk over zijn werk het trefwoord te verwijderen dat verwees naar zijn privé-identiteit. Hoewel de schrijver onder eigen naam debuteerde, wil hij vanaf nu in het publieke domein alleen nog maar door het leven gaan als …*, een zorgvuldig gekozen pseudoniem waarin een complete identiteit besloten ligt.

     

    * naam bij mij bekend.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Oprecht toneel

    Omdat ik genomineerd was voor een prijs zou er een jongen bij me langskomen om een videoportret van me te maken. Na afloop van de bekendmaking van de nominaties kwam hij naar me toe om een datum af te spreken. Hij zei: ‘Ik wil ook graag een paar shots van je werkplek maken, kan dat?’
    ‘Mijn werkplek,’ zei ik, denkend aan de kamer waar ik schreef, en las, en sliep, en filmpjes maakte, en sinaasappels at, en mijn plantjes water gaf. ‘Ja, natuurlijk kan dat.’
    ‘En misschien heb je wel een mooie grote boekenkast?’
    ‘Nou,’ zei ik, ‘het is meer een boekenplank. Maar wel best een lange.’
    ‘Mooi,’ zei hij. ‘En… hoop je dat je gaat winnen?’

    Ik had een oom – mijn tante is inmiddels van hem gescheiden en noemt hem consequent ‘die gek’ – die altijd weigerde om ‘goed’ te zeggen als de mensen hem vroegen hoe het ging. Hij geloofde namelijk niet dat de vraag oprecht was. Ze vroegen het omdat het hoorde, dus hun interesse was niet echt. Mijn ouders kunnen nog altijd verontwaardigd raken over zijn naïeve cynisme. Dat het sociale verkeer een spel is waarin veel uitspraken vastliggen, betekent niet dat we niet oprecht kunnen zijn als we het spelen. Als er vroeger bij mijn vader thuis onverwacht bezoek de voordeur naderde, kon mijn oma uit de grond van haar hart verzuchten: ‘Gadverdamme, daar heb je die lui weer.’ Om die lui vervolgens binnen te laten met een welgemeend ‘Hé lui, wat gezellig!’ Wij zijn een familie van bevlogen oprechte toneelspelers.

    Maar bij deze vraag twijfelde ik. Wat was het vastliggende antwoord op de vraag of ik wilde winnen, gegeven dat behalve de maker van mijn videoportret ook een jurylid, een mevrouw van de organisatie en de twee andere genomineerden meeluisterden? Als beschaafd persoon kon ik dan ook niet zeggen dat ik die paar duizend euro best kon gebruiken. Voor de mevrouw van de organisatie en het jurylid was het misschien wel prettig als ik zei dat ik hoopte dat ik won, om zo het gewicht te erkennen van de prijs waarvoor zij zich zo hadden ingezet. Aan de andere kant had het jurylid net tegen me gezegd dat het eigenlijk een onmogelijke opgave geweest was, een gevalletje appels en peren; zij had ons liever genomineerd zonder een winnaar aan te wijzen. En de voorzitter van de organisatie had in zijn toespraak genoemd dat men het wedstrijdelement niet te belangrijk wilde maken, omdat het er vooral om ging het werk van alle genomineerden onder de aandacht te brengen bij een groot publiek. Als ik uitsprak dat ik op winst hoopte, zou ik kunnen overkomen als iemand die niet dankbaar was voor deze aandacht. Daarbij wilde ik liever niet tegen de andere genomineerden zeggen dat ik wilde dat zij zouden verliezen. Dus ja.

    ‘Het zou natuurlijk een enorme eer zijn om te winnen,’ zei ik bevlogen en oprecht. ‘Maar ik ben al heel erg blij dat ik ben genomineerd. Dat is eigenlijk al een prijs op zich.’

     


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • De vrouw de man

    Zullen ze het zo bedacht hebben bij het CPNB: ‘Laten we dit jaar maar weer twee mannen doen. Scheelt een hoop gezeur, (denkend aan vorig jaar toen de gekozen schrijfster gewogen en te licht bevonden werd). Doen we volgend jaar weer een vrouw, misschien wel twee, voor het essay en de novelle. Doen? Dan lopen we gelijk een beetje in op dat handjevol vrouwen die een boekenweekgeschenk hebben geschreven.’
    Ze weten dat er geturfd wordt op het aantal vrouwen, dat ze op hun tellen moeten passen. Niet dat je overal rekening mee kunt houden; het gaat per slot om de literaire kwaliteiten van een schrijver en een verheffend thema. Dat moet niet uit het oog verloren worden.

    Ik denk dat er sprake was van miscommunicatie, een geval van niet op dezelfde golflengte zitten. Komt in de beste organisaties voor. De keuze van welke schrijvers, liep, denk ik, niet synchroon met degenen die met het thema aan het stoeien waren. Er was geen onderling overleg, er werd niet breed gekeken en toen was daar opeens een thema van jewelste: ‘De moeder de vrouw’. Klinkt wel goed zeiden ze tegen elkaar. ‘Linken we het aan het gedicht van Nijhoff, dan hebben we een belangwekkend en ook  literair thema bij de hand. Prachtig toch?’ Daar stonden dan aan de ene kant die twee mannen en aan de andere kant die twee vrouwen, ‘De moeder’ en ‘ de vrouw’. Toen begon ik me opeens dingen af te vragen. Was ik niet teveel van de Amerikaanse mannenliteratuur. Met ‘mijn’ Philip Roth tot aan de Henry Miller van Anaïs Nin. Schuldbewust vroeg ik mij af of dit thema mij ergens heen wilde leiden waar ik geen idee van had. Had ik wel genoeg vrouwelijke auteurs gelezen om er een mening op na te mogen houden? Ik was me er heus van bewust dat er mannelijke en vrouwelijke schrijvers zijn, maar het verschil was me nog nooit zo opgedrongen als nu. Door het ‘moeder de vrouw’ thema.

    Van de weeromstuit begon ik alle vrouwelijke auteursnamen in mijn boekenkasten in een boekje te noteren. Beginnend bij Pearl Abraham, Maria Barnas, De Beauvoir, Blaman, Edna O’Brian langs Dulce Maria Cardoso, Colette, Rachel Cusk, Minke Douwesz, Anna Enquist, Keri Hulme langs Mensje van Keulen, Connie Palmen, Sylvia Plath, naar George Sand, Marijke Schermer, Rachel Seiffert, Marijn Sikken, Susan Sontag, Anne Tyler, Manon Uphoff, Frida Vogels, Christa Wolf, Virginia Woolf, Maartje Wortel, eindigend bij Miek Zwamborn. Teveel om hier allemaal te noemen. Meer dan honderd. Ik wist niet dat ik zoveel vrouwelijke schrijvers in huis had. Ik denk er eigenlijk nooit bij na als ik een boek koop. Ook als ik lees ben ik me vaak niet bewust of ik een vrouw of man lees. Als een auteur sterk in zijn taal is waarmee de dingen goed aaneen getrokken kunnen worden. Als ze meanderend en schuivend met woorden tot stellingen komen, ideeën ontvouwen, ruimte creëren; dan ontstaat er bewondering. Als het een vrouwelijke auteur betreft, dan denk ik, zie eens, hoe goed ze het kunnen. Dat toch wel.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verstaat u vertaals?

    Stel dat een vertaler zou doen wat de meeste mensen denken dat een vertaler doet… Stel dat een vertaler altijd letterlijk zou vertalen wat er staat… De literatuur zou er een stuk minder leesbaar door worden. Wie te dicht bij de bron blijft, loopt het risico een vertaling vol kreupele zinnen af te leveren die waarschijnlijk ook nog eens wemelt van de woorden die hun herkomst verraden en niet naadloos passen in de taal waarin ze beland zijn.
    Volgens Paul Claes zijn het vooral beginnelingen die (te) krampachtig vasthouden aan het origineel, maar hij geeft in Gouden vertaalregels: tips voor beginnende [en andere] vertalers grif toe dat het onbewust ook de beste vertalers overkomt: het nauwgezet kopiëren van woordenschat, woordvolgorde en zinsbouw uit de brontaal. ‘Vertaals’, zo noemt Claes de taal tussen bron en doel.

    Hoewel het de lezer misschien vreemd in de oren klinkt: vertalen wat er staat is zelden de bedoeling. Echte vertalers weten dat. Die weten dat ze soms alles op alles moeten zetten om een Nederlandse tekst af te leveren die net zo klinkt als het Braziliaans-Portugees van Raduan Nassar of Clarice Lispector of het Russisch van Aleksandr Poesjkin. Die durven die eerbiedwaardige teksten los te laten, maken er iets anders van en doen een schrijver met hun vertaling toch recht. Als het goed is, weten zij precies wat een schrijver te vertellen heeft en hoe ze dat in het Nederlands moeten zeggen.

    Verzinnen wat er staat, dat is volgens Harrie Lemmens de kern van het werk dat hij inmiddels al een jaar of dertig doet. Sommige schrijvers kent hij inmiddels zo goed dat hij tijdens het lezen al precies hoe de zin die komt, gaat lopen. In het hoofd van een schrijver kunnen kruipen helpt, maar het eigen gevoel laten spreken ook. Meer dan het beheersen van (een) techniek is vertalen volgens Harrie Lemmens namelijk een kwestie van gevoel.
    Collega-vertaler Hans Boland houdt het op instinct, en een strategie heeft hij niet. Wel een manier van werken. Voordat Hans Boland een tekst vertaalt, maakt hij omtrekkende bewegingen. Hij verkent een tekst – de vorm en de inhoud – uitputtend. Dan pas begint hij te vertalen: ‘Als je alles wat er niet staat eenmaal hebt, ben je er al bijna’.

    Hans Boland, Harrie Lemmens, Paul Claes  en vele collega’s met hen weten dat de schrijvers die zij vertalen alleen tot de verbeelding van lezers zullen spreken als het Nederlands van hun vertalers onberispelijk is.
    Om te voorkomen dat er ‘vertaals’ in hun translaties sluipt, moeten zij het origineel af en toe laten voor wat het is. Dat voelt niet altijd goed. Mariolein Sabarte Belacortu – ook haar hoorde ik recent vertellen over haar vak – kwam in gewetensnood toen ze tijdens het vertalen van een tekst van de Mexicaanse dichter Dolores Dorantes geen gehoor kon geven aan een voorschrift van de dichter. Met enige schaamte gaf ze toe Dolores Dorantes niet op de hoogte te hebben gesteld van de uiteindelijk door haar gekozen oplossing.
    Vertalen is en blijft een kwestie van meerzijdige partijdigheid.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Zingen in de bus

    Het gebeurde tijdens een korte busrit. Bij het winkelcentrum stapte een stel jongens in die achterin plaatsnamen en een nummer van Kanye West begonnen te rappen: ‘Poop! Poop’ klonk het door de bus. Een halte verder kwam er een stel, luid met elkaar pratende meisjes bij die halverwege in de bus bleven staan. De buschauffeur vond dit alles bij elkaar waarschijnlijk herrie genoeg, en drukte elke keer als op een bandje de afkondiging van de komende halte begon, dit na de haltenaam meteen weg. Een van de meisjes vulde hardop en mechanisch het ontbrekende deel aan: ‘U kunt hier overstappen op stads- en streekvervoer. Vergeet u niet uit te checken.’ De andere meiden keken haar bewonderend aan en zij zei luchtig dat ze zoiets, als ze het een keer had gehoord, nu eenmaal niet vergat. Niets bijzonders.

    De rappers en de meisjes voerden mij in gedachten naar een aankondiging van de presentatie van de nieuwe dichtbundel van dichter/componist Rozalie Hirs, verdere bijzonderheden, die voordat ik van huis ging tussen mijn e-mail zat. Daarin werd opgeroepen om de gedichten hardop te ontdekken, ‘zing ze als het ware, in de bus, bij je oma, wandelend in het bos, op reis, thuis, in bad. Lees ze voor jezelf, voor je geliefde, je zus, vriendin, huisgenoot, vader, broer of moeder. Of laat ze je voorlezen. Zing ze op steeds andere wijze. Op eigen tempo, ademend, denkend door je eigen stem.’ Ik ben alleen bang dat als ik dat in de bus zou doen, de kakofonie nóg groter wordt, en de chauffeur nog stressvoller, dus houd ik me stil.

    De rappende jongens en meisjes in het middenpad waren inmiddels uitgestapt en de rust in de bus keerde terug. Ik mijmerde verder en dacht aan een masterclass blokfluit die ik eens aan de toenmalige Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden bijwoonde. De docente, niemand minder dan de blokfluitiste Jeanette van Wingerden, behandelde enkele variaties van de Utrechtse componist/beiaardier/blokfluitist Jacob van Eyck op de in zijn tijd bekende teksten en melodieën. Je moest volgens Van Wingerden de onderliggende tekst als het ware, terwijl je hem speelde, met je tong uitspreken. Pas dan zou je volgens haar de intentie van Van Eyk ‘pakken’.

    Nog een stapje verder denkend – ik was tenslotte nog niet op mijn bestemming aangekomen – in het voorwoord van zijn strijkkwartet Fragmente-Stille, an Diotima, noteerde de componist Luigi Nono vele eeuwen na Van Eyck, dat de vier musici geacht werden de in de partituur opgenomen tekst van Hölderling innerlijk te zingen. Hij bracht me op een idee en misschien ga ik dat maar doen met de gedichten uit de nieuwe bundel van Rozalie Hirs: innerlijk zingen of uitspreken. Al dan niet in de bus, dat maakt dan immers niet meer uit.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.