• Identiteit

    Er zijn schrijvers waarvan je elk nieuw boek blind koopt. Dat geldt ook voor overleden schrijvers als er een nieuwe boekvertaling verschijnt. Plots zijn ze herontdekt, goede literatuur is tijdloos. Na Gloed van Sándor Márai werd het een na het andere vertaalde boek van deze Hongaarse schrijver uitgebracht. Een ander voorbeeld is de Noor Knut Hamsun. En de Tjech Karel Čapek (1890 – 1938), van wie met enige regelmaat een nieuwe titel verschijnt, steeds vertaald door Irma Pieper in schitterend Nederlands. Deze drie schrijvers behoren tot mijn favorieten.
    Mijn kennismaking met Čapek begon met Een doodgewoon leven (1934), waarin de hoofdpersoon geen geëxalteerde held is, maar een eenvoudige spoorwegbeambte, een man als iedereen. Wanneer hij zijn memoires schrijft, blijken die verrassende inzichten in zijn persoonlijkheid te verschaffen. Hij is complexer dan hij altijd had gedacht, een inzicht dat we volgens Čapek op onszelf kunnen betrekken.

    Čapek schreef ook een paar zeer fantasievolle boeken. In Oorlog met de Salamanders (1936) wordt de mens voor de kust van een Aziatisch eiland geconfronteerd met een hyperintelligent salamandersoort. Het is een satire op totalitaire (onmenselijke!) systemen en inspireerde Orwell tot het schrijven van Animal Farm. In Oorlog met de Salamanders klinken de echo’s van Swifts Gulliver’s Travels en Defoes Robinson Crusoe door.
    Kritiek op het vooruitgangsgeloof vinden we al in het vroegere Krakakiet (1924) over een ingenieur die een raadselachtige, verwoestende springstof uitvindt, een briljante vooruitwijzing naar de ontwikkeling van de atoombom. Natuurlijk wil iedereen dit krakakiet hebben, met alle gevolgen vandien. Behalve verbeeldingsrijk zijn Oorlog met de Salamanders en Krakakiet ook nog eens ongelooflijk spannend.

    Ook het in 2017 verschenen Meteoor (1934) was direct op mijn stapel nog te lezen boeken beland. Omdat ik meer favoriete schrijvers heb, kwam ik er pas dit jaar aan toe. Het boek kan als een pendant gezien worden van Een doodgewoon leven. Alleen gaat het ditmaal over wat we kunnen weten van andermans leven, in dit verhaal dat van een neergestorte vliegenier, die onherkenbaar verbrand is en in coma ligt. Vanuit verschillende perspectieven lezen we vier mogelijke geschiedenissen, waaruit een fantastisch beeld oprijst van deze mysterieuze figuur.
    In het dit jaar verschenen Hordubal (1933) wordt er eveneens getracht de waarheid te achterhalen en hanteert Čapek opnieuw een wisselend vertelperspectief. Aan de lezer om ermee aan de slag te gaan.
    Dat is de kracht van fictie en van een goede schrijver: verschillende waarheden te verbeelden en je na te laten denken over je eigen identiteit.

     

    Een doodgewoon leven, Oorlog met de Salamanders, Krakakiet, Meteoor en Hordubal verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Een standbeeld

    In zijn pas verschenen boek Over normaliteit en andere afwijkingen, gaat de Gentse hoogleraar psychodiagnostiek Paul Verhaeghe in op mensen die afwijken van het gevestigde beeld van normaliteit. Iedere samenleving creëert zijn eigen beeld van de ideale mens. In onze tijd is dat een succesvol, ondernemend initiatiefrijk individu. Als je daarvan afwijkt ben je abnormaal. Er zijn twee soorten mensen die daarvan afwijken, aan de ene kant de losers en aan de andere kant degenen die veel te sterk aan dat beeld voldoen. Verhaeghe noemt als voorbeeld van deze laatste categorie president Trump. Als Hillary Clinton hem, tijdens de verkiezingen van 2016 toevoegt dat niemand ooit een belastingaangifte van hem heeft gezien behalve toen hij een casinovergunning wilde aanvragen, laat hij iedereen verbijsterd achter door te zeggen dat dat laat zien hoe slim hij is. Schaamteloos en immoreel, zeker, maar dat zo iemand gekozen wordt tot president, zegt veel over onze maatschappij: ik, in plaats van solidariteit. Presidenten worden uiteindelijk vereeuwigd in standbeelden en staatsieportretten. Hoe zal Trump vereeuwigd worden?

    Nu zijn helden per definitie lieden die qua gedrag afwijken van de norm. Marco Kroon is zo’n held, een gedecoreerde held zelfs, onderscheiden met de militaire Willemsorde. Deze hoge onderscheiding wordt hoogst zelden toegekend. Wijlen Prins Bernhard had er ook een. Kroon bevindt zich in goed gezelschap. Marco Kroon houdt lezingen over leiderschap, kameraadschap en loyaliteit. Het NOS-journaal berichtte onlangs dat hij door de militaire rechtbank in Arnhem is veroordeeld tot een werkstraf van honderd uur voor schennis van de openbare eerbaarheid en mishandeling van politieagenten. Pardon, dat kan niet waar zijn. Zo’n man loopt toch niet te swaffelen naar vrouwelijke agenten, en deelt geen kopstoot uit. De veronderstelling alleen al. Hoe komt de rechtbank daarbij?

    Vanzelfsprekend gaat hij in hoger beroep. Zijn goede naam zuiveren. Wij zullen nog van hem horen. Is het ontbreken van schaamtegevoel misschien een vereiste voor heldendom of, meer algemeen, voor leiderschap in extreem moeilijke omstandigheden? Schaamteloosheid was, volgens Annejet van der Zijl, ook Prins Bernhard niet bepaald vreemd. Mensen als Trump en Boris Johnson hebben er ook geen moeite mee de ene leugen aan de andere te rijgen. Gezien hun populariteit, denk ik dat dit een kwaliteit is. Ik zou dan ook willen pleiten voor een standbeeld voor majoor Marco Kroon: een acht meter hoge Manneke Pis.

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Kerstpudding en mistletoe

    Iemand zegt: ‘Plum speech. Ik moet een Plum speech houden’. Ik word wakker, ben het zelf die dit murmelt. Het klinkt aannemelijk, speechen over pudding nu kerstmis nadert. Waarom ook niet. Er zijn veel dingen waarvan ik denk er iets mee te moeten doen. Zo moet er een sfeer van kerst in huis komen. Moet de kamer anders ingericht, moeten er meubels uit, er iets bij. Ik voel me als de vrouw in The sorrowful wife, van Nick Cave, ‘Who is shifting the furniture around’.
    Ik zie voor me een feestelijk gedekte tafel met damasten kleden in een eetkamer met krullerige versieringen, een kerstboom tot aan het plafond, honderden lichtjes, – man, wat een lichtjes. Kerstmis vieren zoals in films en op plaatjes. Compleet met een goudbruin gebraden kerstkalkoen op een bed van groen, flonkerende wijnglazen, pasteitjes en het dessert iets met sterretjes. Mistletoe in de deuropening, kerstsokken aan de schoorsteenmantel, rond de kerstboom een stoomtrein die af en toe fluit, stoom afblaast. De boom zelf onbereikbaar door pakjes in alle maten en vormen, berg van beloften. Van knuffels die knipogen, poppen die babyflesjes leegdrinken, boeken die zichzelf lezen.

    Dan komt de titel Een wereld van mooie plaatjes, van Simone de Beauvoir in mijn hoofd. Over het leven van een jonge vrouw in Parijs, door haar ouders gemodelleerd tot voorbeeldige vrouw, met enkel do’s and don’ts hoe te leven. Ze werkt in de reclamewereld, verleidt  mensen dingen te kopen die ze niet nodig hebben. Een wereld van valse schijn. Voor haar dochter wil ze het anders: ‘Een kind opvoeden, dat is niet er een mooi plaatje van te maken.’ Een veelzeggend boek, met innerlijke conflicten, nog steeds van deze tijd, (jongens lees dit boek!).

    De kamer staat op zijn kop en ik lees Nacht en dag van Virginia Woolf. Over verschillen in burgerlijke stand, met diners en theevisites, voortreffelijk geserveerde gerechten waarbij gasten zich volgens de regelen der conversatiekunst vermaken. En loop door de straten van Londen naar jongerenbijeenkomsten, waarbij toen al gezeten werd op matrassen op de grond. Maar ook hier is wat je ziet, de buitenkant – schijn. Een boek waarin de werkelijkheid, heimelijke gedachten betrapt, gedachten achter geënsceneerde plaatjes kijken.
    ‘Ineens kwam de gedachte bij Katharine boven dat iemand die op dat moment de deur opendeed waarschijnlijk zou denken dat ze zich vermaakten; hij zou denken: wat een heerlijk huis om in binnen te komen!, en ze moest vanzelf lachen en zei iets wat bijdroeg aan het rumoer – wat vermoedelijk vooral het huis tot eer strekte, want zijzelf was helemaal niet zo opgewekt.’
    Als iemand de deur naar mijn huiskamer zou openen, zou die hem gauw weer sluiten. En niet zien hoe ik me vermaak met deze geweldige roman van Virginia Woolf.

     

    Een wereld van mooie plaatjes / Simone de Beauvoir / vertaling Ernst van Altena / Agathon (1980)
    Nacht en dag / Virginia Woolf / vertaling Barbara de Lange / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • De nieuwe man


    De heer Bepol, eigenaar van de scheepswerf zou beledigd zijn, maar hij was niet de man om dat te laten merken. Ik had het plan om langs het Damsterdiep te fietsen, tot ruim een eeuw geleden de verbinding tussen Groningen en de zee, maar na een paar kilometer ontdek ik dat ik langs het Eemskanaal fiets. En juist de aanleg van dat kanaal betekende voor Bepol het einde van zijn welvaart. Hij bleef nog wel leiding geven aan de werf, maar ‘…bij gebrek aan problemen kreeg hij steeds meer een filosofische inslag met een onbedwingbare neiging tot beeldspraak.’
    Bepol is de hoofdfiguur in de roman De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom. Ik herlas het in de omgeving waar het verhaal zich afspeelt. Het dorpje Wirdum, dichtbij Appingedam, was het doel van mijn fietstocht.
    Een romanfiguur kan ‘in je systeem’ gaan zitten. Je beeldt je in hoe hij eruit ziet, hoe hij beweegt en praat. De stem van Bepol zal deftig klinken en even denk ik dat hij binnenkomt bij restaurant De Landman in Termunterzijl waar ik een visje eet. Goed gekleed, alleen de sandalen onder zijn pantalon – het woord ‘broek’ past niet bij Bepol – detoneren. De bediening behandelt hem met egards. Als hij gaat zitten kijk ik hem op de rug: hij draagt bretels. Precies zoals Bepol dit gezien moet hebben bij Niesten, de sterke zwijgende kracht op de werf: ‘… bretels, die tussen zijn schouderbladen bijeenkwamen zodat zijn broek van achter op één plaats, in het midden, omhooggetrokken werd.’

    Pas via de brug over het Eemskanaal, ik heb zo’n tien kilometer omgefietst, nader ik Appingedam en kom weer thuis in het boek van Rosenboom. De rondvaartboot Damsterveer ligt achter de Nicolaikerk, mensen gaan aan boord en even verderop ligt café ‘De eerste aanleg.’ Hier zal Bepol een glas gedronken hebben voordat hij naar de bank en de notaris ging.
    Hij hield van een sigaar. Op de hoek van de St. Annastraat en Dijkstraat lees ik onder de kap van een hoog huis ‘H. Martens, sigarenhandel’. Achter de gevel uit de tijd van de Jugendstil is er nu een Primera. ‘Koop uw staatslot,’ staat er op een bord. Bepol zou gedraald hebben bij zo’n aanbod. Rond 1920, de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, ‘kelderden de vrachtprijzen, de schippers verdienden niets meer […] en als de kustvaart nog het hart van de scheepsvaart was, dan het hart van een dode.’
    Ik loop wat rond, vind het trekpad langs het Damsterdiep aan de rand van een nieuwbouwwijk, een man maakt zijn bootje winterklaar en sopt met een schuursponsje de reling. Bepol zou zich geërgerd hebben aan dat kleine gedoe. Je moet groot denken. Maar verder dan dit inzicht kwam hij niet. Wat hij vooral deed was veel praten.
    ‘Door even snel te praten als de tijd praatte hij de klok tot stilstand, maar toen hij zweeg ging het tikken toch weer door.’

     

    De lucht wordt donker, ik fiets richting Wirdum. In de crisistijd riep Bepol dat ‘recreatie de toekomst heeft’. Hij voegt de daad bij het woord, iets wat hij zelden doet, en laat in Wirdum ‘een openbaar bankje met uitzicht’ plaatsen. Het in gebruik nemen van het bankje was een officiële gebeurtenis met speeches en fanfare. ‘Het was een stoffige middag, maar de schetterende muziek haalde er een vochtig doekje over zodat hij nu weer klonk als een trompet.’
    Als hommage aan Thomas Roosenboom werd er in 2004 bij Wirdum, aan het Damsterdiep, een bank geplaatst met uitzicht op de brug. Als je daarop staat zie je rechts een witte schuur, daarachter was de werf, is mij verteld.
    De eerste druppels vallen, het rommelt in de verte. In mijn gedachten zie ik het bankje, een polonaise daar omheen, muzikanten spelen. De eerste lichtflits. Ik keer om. Laat de fictie maar de fictie blijven.

    Een kwartier later zit ik weer in Appingedam, in café Hof van Daam. Door het raam aan de achterkant zie ik de hangende keukens aan de gevels. Buiten regent het. In het midden van de zaak ligt een tuba op de grond. Reizen is het toeval ontmoeten, ik moet gelijk aan de fanfare in Wirdum denken. Aan een tafeltje in de hoek zitten drie mannen. Ze hebben alle drie een snor die naar beneden hangt. Ik vermoed dat de mannen van het muziekkorps ook snorren droegen maar dan met de punten omhoog gekruld, het verschil tussen de jazz en de fanfare.
    Ze praten over hun repertoire. De ene neuriet ta-ta-dam, ta-tá-dam, de ander zegt ‘dat ‘s I am blue’ en neuriet mee. ‘Billy Holiday, die durfde af te wijken,’ zegt de derde. Dan gaan ze staan. Even denk ik dat ze hier speciaal voor mij gekomen zijn, dat de tijd een spelletje met me speelt.  Ze spelen. Baby be good.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Tikkende pootjes

    Er zitten eikenprocessierupsen in mijn hoofd. Ineens waren ze er, samengeklonterde rupsennesten met gemene netelhaartjes die alle ruimte innemen en erom schreeuwen beschreven te worden. Ik doe alsof ik doof ben. Dit ongedierte verdient gif, geen woorden. In een omtrekkende beweging grijp ik terug op een lijstje reserve-onderwerpen, gemaakt voor momenten als deze. Maar ideeën die liggen te verstoffen op een plank, worden zelden belangrijk.
    Als het schrijven hapert, rest lezen over schrijven. Een geluk, want ik houd ontzettend van lezen over schrijven en ik zou een column kunnen vullen met geweldige titels, zoals Briefroman van Juli Zeh of  De geest geven van Hilary Mantel. Ik las ze en keerde er veranderd uit terug.

    Maar het boek over schrijven dat de weg vrijmaakte en dat ik steeds herlees, kreeg ik jaren geleden cadeau van een goede vriendin. Ik stond op het punt mijn schrijven serieus te nemen en dacht nog dat zoiets een eenmalige beslissing was. Zo werkt het niet, staan voor wat je schrijft is een doorlopend en actief proces. Want wat is werkelijk belangrijk genoeg om over te schrijven? Hoe te schrijven als het leven je te slim af blijkt te zijn? Maken de slordige aantekeningen over die man zonder uiterlijk, daar verderop aan een tafeltje, of hoe je de tikkende pootjes van je overleden hond mist, werkelijk een verschil?

    Writing down the bones van Natalie Goldberg zorgt ervoor dat deze vragen niet beantwoord hoeven te worden. Niet vóórdat je hebt geschreven in ieder geval. Ze schrijft over de aubergines die ze overdag als keukenhulp sneed en hoe die ’s avonds in haar gedichten belandden, hoe ze uren doorbracht met haar Garfield-schrift in een willekeurige Croissant Express, dat ze stapels van zulke schriften heeft, grotendeels gevuld met ‘crap’ en hoe dat niet uitmaakt. Schrijf over die tikkende pootjes, zegt ze. Schrijf.
    Schrijven lost niet alles op, maar het komt er wel het dichtst bij in de buurt. Ik vertel de afgelopen weken steeds hetzelfde verhaal aan de mensen om me heen: ik heb MS. Het is te groot, te netelig, maar gif is een dooddoener. Laat de mezen en vleermuizen me helpen.

    Goldberg schrijft: ‘Sit down right now. […] Don’t try to control it. Stay present with whatever comes up, and keep your hand moving.’ Ik doe wat ze zegt, zoals altijd. Ik ga zitten, ik schrijf.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijfster. In haar columns schrijft ze over de natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

  • Bladeren

    Wat ik jongeren die niet lezen zou willen zeggen: een boek hoeft niet helemaal gelezen te worden, je mag er ook in bladeren. Weet dat woorden zinnen vormen die tot fragmenten uitgroeien die blad na blad een verhaal, een boek, een roman worden. Weet dat het lezen van een woord, een zin genoeg kan zijn om gegrepen te worden. Het woord dat je dwingt verder te lezen is iets anders dan iemand die tegen je zegt dat je moet lezen, of je met een leeslijst opzadelt. Met zoveel boektitels op een lijst zou ik me ook geen raad weten. Alsof je uit de garderobe van je ouders een outfit moet aanmeten zonder te weten wat een outfit precies inhoudt. Dat anderen denken te weten wat goed voor je is, brengt je helemaal in de weigerstand. Dus neem het heft in eigen handen, laat niemand je zeggen wat je moet lezen, bepaal gewoon zelf dát je wilt lezen. Hoe te beginnen?

    Misschien hebben je ouders een boekenkast, snuffel daar eens in (kom je gelijk te weten wat de verlangens van je ouders zijn, dat kun je aflezen aan hun boeken) en anders ga je gewoon naar een boekenwinkel. Daar loop je langs de kasten (niet ingaan op de vraag of ze kunnen helpen, je kunt het zelf) en laat je ogen over de ruggen van de boeken gaan. Wat helpt is als je een beetje in de put zit, een beetje down bent. Oriënteer je op kleur, naam of titel van een boeken. Als een boek je aanspreekt (ja, boeken kunnen spreken), neem die eruit. Open het, lees een stukje, dat kan het begin zijn, een eerste zin zoals deze: ‘Nu ze bij elkaar zitten zijn ze niet meer zo bang.’ Of blader verder, vind een fragment als: ‘Met haar vingers graaft ze in de grond, in haar mond. De aarde knerpt tussen haar tanden, maar het smaakt niet vies. Woedend gebaart mama achter het raam: Wat doe je daar? Je lijkt wel gek! maar zo ontheemd voelt ze zich dat het knarst tot in haar ziel.’

    Knarsen tot in de ziel, dat zegt je iets, al vond je het eerst belachelijk (wie eet er nu zand?) Maar, als je eerlijk bent, wil je weten waarom iemand dat doet, en hoe het verder gaat met degene die het knerpen van zand tussen haar tanden tot in de ziel ervaart. Je bladert verder en leest over een innerlijke strijd naar vrijheid, naar een erkennen van wie je bent, in een taal die je niet helemaal begrijpt. Dat geeft niet, je hoeft niet alles te begrijpen, als je de passie maar voelt. Hoe woorden en meningen iemand gevangen kunnen zetten. En dat niets zo fijn is als lezen over dingen waar jezelf mee worstelt. Pak gewoon een boek, de rest gaat vanzelf.

     

    Citaten uit: Wind / Gerry van der Linden / Uitgeverij Auteursdomein


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Tweekoppigkalf

    Het is de tijd van de eindejaarslijstjes. Welk boek was het beste en welke film, welk festival had de meeste bezoekers? Op de uitgeverij vraagt mijn theezakje me naar mijn lievelingsboek, op Twitter iemand naar mijn favoriete film. Ik kom handen en voeten tekort voor alles, maar vooral voor het beantwoorden van die twee vragen. Te veel keuze. Eerder dit jaar stuitte ik op een Twitterdraad waarin lievelingsgedichten werden gedeeld. Zo maakte ik kennis met Laura Gilpin:

    The two-headed calf

    ‘Tomorrow when the farm boys find this
    freak of nature, they wil wrap his body
    in newspaper and carry him to the museum.

    But tonight he is alive and in the north
    field with his mother. It is a perfect
    summer evening: the moon rising over
    the orchard, the wind in the grass. And
    as he stares into the sky, there are
    twice as many stars as usual.’

    Wat is een goed gedicht? Die vraag lijkt zoveel moeilijker te beantwoorden dan de vraag wat een goed verhaal is. Of is dat maar schijn, is het bij nader inzien even moeilijk te vatten wat een verhaal goed maakt?
    Giplins enjambement roept eveneens vragen op. Is iedere regelafbreuk even functioneel of stond het wel gewoon lekker zo, een entertje na north? Gaat het over meer dan alleen deze anekdote of ligt de morele superioriteit er juist te dik bovenop? Freak of nature is een afhaakwaardig cliché, een en ander is niet vrij van sentiment. Maar dat newspaper maakt het schrijnend, levensecht, net als de wind in het gras. In het levensechte zit mijn betrokkenheid.

    Nergens staan de woorden death of die, die aangekondigde dood verzin je er in de witregel zelf bij. Maar zover is het nog niet, het dier leeft: kijk maar, het ligt in de boomgaard met zijn moeder – mother, niet cow – en het is een perfecte zomeravond. Ze gaan elkaar verliezen maar zij weten dat nog niet. Wij wel.
    De uitsmijter is er een van strijkorkest en vioolmuziek. Na alles wat niet uitgesproken wordt, smeert Gilpin op het laatst het verdriet uit in je gezicht. En waarom ook niet, het is toch ook gewoon droevig, die twee in het veld?
    Zoals een freak of nature voor iedereen iets of iemand anders behelst, zo weet ik niet zeker of dit goede poëzie is. Misschien is dat de verkeerde vraag. Ik vind het een prachtig gedicht, een van mijn favorieten.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Witgekalkte muren

    Ik kan opeens verlangen naar leegte, naar een kamer met witgekalkte muren, kaarsrechte boekenkasten en een stoel. In de keuken een fornuis, een tafel en een plank aan de muur voor spullen. Geen zesendertig koffie- en theebekers maar zes borden, een steelpan,  een soeppan en wat waterglazen, ook geschikt voor wijn of andere dranken. In de rest van de ruimte een radslag kunnen maken, alleen zijn met mijn gedachten.
    Dan niet denken aan de zolder die volstaat met dozen met boeken, prullaria en mappen, veel mappen met ik weet niet wat. Daartussen kampeerspullen, (wat een behoorlijk compact woord is maar in wezen een bijeenraapsel van slaapzakken, matjes, bekers, borden, touwen, haringen, hamers, zaklampen), vloerkleden, manden met kerstspullen (die ik altijd in maart wil wegdoen, maar weet dat ik daar in december last mee krijg), en sjaals die van niemand zijn maar waarvan je niet weet of er ooit eens iemand zal zeggen een sjaal kwijt te zijn, en dat jij weet: ‘Hé, die ligt bij mij op zolder.’ Dat de dingen dan voor even weer kloppen.

    Begin vorige eeuw startte Albert Kahn een groot project. De filantroop wilde een wereld in verandering in beeld brengen. Het samenbrengen van verschillende culturen door middel van afbeeldingen was voor Kahn een soort wereldvredesmissie. Hij stuurde verschillende mensen de wereld over om foto’s te maken, waaronder zijn chauffeur Alfred Dutertre, de verteller in een roman van Lia Tilon.
    ‘Hij hield me voor dat ik foto’s maak van een wereld in overgang. Hij gelooft dat onze tradities het anker vormen dat wij nodig hebben bij ruwe zee. Zichtbaar vergenoegd met zijn nautische vergelijking. Tradities bieden houvast en geven vorm aan ons bestaan. Hij zei dat het belangrijk is te begrijpen wie eenieder is – waar hij vandaan is gekomen. Ik geloof dat hij bang is dat wij het verleden vergeten.Wat een drieste gedachte: een chauffeur uit Parijs die de afkomst komt tonen van de Amerikanen en Chinezen! Hij zegt dat hij ook op zijn andere zakenreizen zal laten fotograferen en deze autochromes zal exposeren. Zodat men elkaar kan leren kennen. Ik weet het werkelijk niet. Vragen veel gebeurtenissen dan niet om vergetelheid? Omdat ze anders blijven groeien? Woekeren en de vruchtbare grond verarmen?’

    Nu denk ik erover foto’s te maken van mijn spullen. Foto’s zeggen meer dan de werkelijkheid laat zien. Dat heeft te maken met de onbeweeglijkheid van de tijd. Ik kan er de witgekalkte muren mee behangen. Dat wat je ziet, is wat je ziet. De lichtval, de opstelling en het perspectief geven me ruimte te ontdekken waar ik vandaan kom. Foto’s als gedachten die de woorden hebben losgelaten, zoals gedachten beelden zijn waar later pas woorden bijkomen.

     

    Lees de prachtige roman  Archivaris van de wereld van Lia Tilon, over de missie van Albert Kahn om wereldvolkeren via fotobeelden te verenigen.


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • De dichter een ander

    Op de jaarlijkse boekenmarkt loop ik een goede Vlaamse vriend tegen het lijf die net als ik een fervent boekenliefhebber is. Het verwondert me niet dat hij er al zo vroeg in de ochtend bij is. In zijn mooie taal vraagt hij of ik al wat gekocht heb. Ik laat hem het boek zien dat ik van de kraam pakte waarbij we staan te praten: een biografie van de Belgische dichter Jan van Nijlen (1884-1965), wiens bekende gedicht Bericht aan de reizigers het Centraal Station van Antwerpen siert. Mijn vriend zegt in zijn Vlaamse idioom: ‘Dat is ook toevallig, ik bén van Nijlen!’ Waar een Nederlander zou zeggen: ik kóm uit Groningen!
    De kraamhouder heeft ons gesprek opgevangen en overduidelijk verkeerd geïnterpreteerd. Hij komt verheugd vanachter zijn boeken vandaan: ‘U bent Van Nijlen! U bent de dichter zelf! Wat geweldig om u te mogen ontmoeten!’

    We zijn te zeer overrompeld om het misverstand meteen recht te zetten. Mijn vriend geeft de man automatisch een hand en mompelt verlegen iets onverstaanbaars, terwijl de boekenverkoper door blijft gaan met het verkondigen van het geluk dat hij de dichter Van Nijlen in levende lijve mag leren kennen. Nu is het te laat, mijn vriend kan niet meer terug: er ontstaat een gesprek waarbij hij gaandeweg als vanzelf verandert in de dichter. Ik leg de biografie voorzichtig terug op de kraam: de portretfoto op de voorkant lijkt niet op mijn vriend. Als je al zo lang dood bent, moet je wel veranderd zijn.

    Eenmaal thuis zoek ik in mijn boekenkast naar de Verzamelde Gedichten van Van Nijlen: de bundel valt als vanzelf open bij een gedicht, waaruit blijkt dat Van Nijlen zijn werk zorgvuldig gescheiden hield van zijn dichterschap. Tegenover de plichtsgetrouwe ambtenaar – Van Nijlen was van 1919 tot aan zijn pensionering in 1949 ambtenaar bij het Ministerie van Justitie te Brussel – staat de dichter die zich uit de wereld had teruggetrokken en in zijn eigen schepping leefde.

    ‘’t Is Jan van Nijlen niet
    die zijn gedichten schreef,
    ik ben de dichter
    van de verzen die hij schreef.
    Ik was het die,
    terwijl Van Nijlen sliep,
    bij lente- en zomertijd
    door bos en weide liep,
    die kruiden zocht en bloemen
    en praatte met de dieren,
    en die, terwijl hij op een droog kantoor
    zijn ziel en zaligheid verloor,
    in zijn plaats naar de wolken keek.’

    De dichter is een ander. Dus toch.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Brieven

    Er is een schriftje weg, er staat iets in dat ik nodig heb, denk ik. Ik zoek een zinsnede, een opgeschreven waarneming die iets op gang moet brengen. In mijn ergernis dat ik het niet kan vinden, stoot ik mijn teen tegen een grote zwarte koffer. Gevuld met honderden met de hand geschreven brieven en postkaarten. Brieven die pas na mijn dood gelezen zullen worden door anderen. Nu schrijven we e-mails die worden opgeslagen in een cloud waar niemand tegenaan loopt. Ik las een boek waarvan elk hoofdstuk zich laat lezen als een e-mail, puntsgewijs, in ingedikte taal, als is er geen tijd te verliezen. Een met de hand geschreven brief brengt gedachten op gang, werkt ideeën uit. We schreven brieven, en wachtten daarna weken op een wederhoor. Geïntrigeerd door hoe mensen op internet corresponderen, schreef de Braziliaanse schrijver Michel Laub een roman. Zijn gedachten over wat we allemaal via internet vrijgeven, hoe weinig besef er is wat ermee gebeurt, werkte hij uit in Het donderdagtribunaal.

    Hoe het is als je leven onder een digitaal vergrootglas wordt gelegd. Brieven die online geschreven zijn lopen kans door anderen gelezen te worden. Waarom zou je e-mails van anderen willen lezen? Wraak is er een, domweg nieuwsgierig een tweede. Gewoon even kijken wat de ander zoal doet op internet.
    José Victor en Walter zijn sinds hun jeugd vrienden van elkaar. Ze zijn van de generatie ‘80, toen aids de seksuele vrijheidsbeleving in zijn greep hield. José Victor houdt van vrouwen, Walter van mannen, beiden hebben wisselende contacten gehad. Seksuele veroveringen worden in hun e-mailwisseling in oneliners neergezet, hiv besmettingen op de hak genomen. Ze zijn als jongens onder elkaar, de grootspraak, onderbroekenlol, niet voor derden bestemd. Dan stuit de ex-vrouw van José Victor op de mailwisseling, (als vond ze een koffer met brieven onder het bed) en begint te lezen.

    Ze komt te weten dat Walter al jaren seropositief is (daar maken ze grappen over in hun mails). Ooit heeft de ex, kort voor ze José Victor ontmoette, onbeveiligde seks gehad met Walter. De schrik slaat haar om het hart. Ze voelt zich toch al bedrogen omdat haar man voor een andere vrouw koos, uit wraak zet ze enkele van hun e-mails online. De vrijgegeven berichten werken als een roddel, ze ontberen de context en verspreiden zich snel. José Victor wordt verguisd door vriend en vijand. Dan zegt hij zijn baan op en begint een zelfonderzoek.
    Dat vriend Walter in de jaren tachtig besmet raakte, dit geheim hield, laat nog weer eens zien wat een schande er kleefde aan de diagnose aids, aan homo zijn. Laub laat in tegenstelling tot wat nog wel gedacht wordt, zien dat ieder mens met het aidsvirus besmet kan worden, ongeacht geaardheid. Verrassend boek.

    Het schriftje vind ik dan eindelijk tussen andere schriftjes op mijn werktafel, ik lees de zin: ‘Het internet versnelt de tijd die we hebben, roem en vernietiging gaan langs dezelfde weg.’ Ja, dat brengt wel iets op gang.

     

    Het donderdagtribunaal / Michel Laub / vertaling Harrie Lemmens / Ambo|Anthos (2018)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Krijgertjes

    Is het een cadeautje? Elke boekenkoper kan deze vraag dromen. Je bent net een inspirerend bezoek aan de boekhandel aan het afronden en hebt het boek naar keuze op de toonbank gevleid. De vraag geeft je een schuldgevoel omdat je een boek voor jezelf koopt. Egoïst! Een boek geef je cadeau. Boeken zijn cadeauartikel nummer één, daar kan geen nieuwe, door elektronica beheerste tijd tegenop. Op zich verheugend natuurlijk. Toch klinkt de vraag stupide. Zou een boekverkoper niet vermoeden dat er mensen zijn die boeken voor zichzelf kopen? Als ik een cadeaupapiertje wil, dan vraag ik er wel om. Ik ken mensen die het boek uit valse schaamte toch laten inpakken, om thuis het plakband weer los te peuteren. Cadeautje voor jezelf.

    Heel veel geschonken boeken worden niet gelezen. Men werpt even een gespeeld enthousiaste blik op het boek dat men niet wilde hebben en roept: Goh, wat leuk! Het zijn vaak slappe boeken speciaal uitgegeven om cadeau te doen: taalboekjes, krantenstukjes, boekjes over katten. De uitgeverijen kennen hun pappenheimers. En de gelukkige ontvanger zit er intussen mee. Om dit te voorkomen roep ik alvast geen boeken cadeau te willen. Voor de zekerheid, want de meesten weten het wel. Ook wat ik aan boekenkasten heb staan. Ze denken waarschijnlijk: hem hoef ik geen boek te geven, die heeft alles al. Natuurlijk kan ik altijd vragen of ik het boek mag ruilen, maar dat is minder feestelijk. Bovendien moet men dan met het bonnetje – inclusief het bedrag dat men voor het cadeau overhad – op de proppen komen. Dat is heel onpersoonlijk en zakelijk. En misschien wilden ze juist een persoonlijk cadeau geven. Vonden ze het boek geweldig en wilden ze een leeservaring delen.

    Je reputatie als lezer kan ook averechts werken. Laatst bracht bezoek ongevraagd een stapeltje oude boeken mee. ‘We zijn aan het opruimen en dachten aan jou. Jij houdt toch zo van lezen?’ Terwijl ik al voortdurend mijn hoofd pijnig waar ik mijn vers aangeschafte boeken moet laten. Wik en weeg welke boeken plaats zouden kunnen maken. Een moeizaam proces. Ineens heb je er weer een stapel boeken bij, waarvan straks ongetwijfeld gevraagd wordt ‘wat je ervan vond’. Je moet die krengen nog lezen ook. Als je dit gevoel herkent: gewoon weigeren. Wees keihard. Of doe ze weg. Lieg. En mocht je voor je verjaardag of een ander feestje toch boeken willen krijgen: geef ze een lijstje.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Strijkend licht

    We zitten aan de keukentafel, binnen is het zestien graden. We roosterden granen en noten in een koekenpan, maakten koffie. Naast me op tafel de verhalen van William Trevor. Op de radio ‘Het spoor terug’. Over Ernest Shackleton, die in 1914 een expeditie naar Antarctica ondernam. De expeditie eindigde niet zo best. Shackleton was een romanticus, schreef en droeg gedichten voor aan zijn bemanningsleden. Toen hij zeventien was, wilde hij indruk maken op een meisje en meldde zich voor de Discovery-expeditie van Robert Falcon Scott, een reis naar het toen nog vrij onbekende Antarctica. Het werkte, na drie jaar kwam hij terug, een jaar later, in 1904, trouwde hij met haar. Hoewel Scott beroemder werd dan Shackleton, wordt de laatste geroemd om zijn organisatietalent. Nog schijnen de Britten te zeggen: ‘Zit je in een hopeloze situatie, geef me dan Shackleton.’

    Je kunt nooit helemaal weten wat iemand beweegt de dingen te doen die ze doen. William Trevors verhalen vertellen niet wat er gebeurt. In het verhaal ‘Afzondering’, duwt een kind in een nauwelijks beschreven beweging, haar moeders minnaar van de trap. Haar vader is Egyptoloog, een dromer, ongrijpbaar. Zonlicht strijkt over de keukenvloer, buiten is het koud.

    Op de radio de holle knallen van houten spanten die breken, een ijzige wind, er is schipbreuk. Shackleton laat een kamp opslaan op het pakijs. Het is min dertig graden, er worden tenen geamputeerd, vallen met een klikkend geluid in een emmer, (ik hoorde het echt). De kou in de keuken is opeens te verwaarlozen. Met de verhalen van Trevor in mijn hoofd veroorzaakt dit een heen en weer schakelen tussen twee manieren van zijn. Daartussen sluimeren gedachten, doen zich mogelijkheden voor die nooit overwogen waren.

    In een sfeer van wijkende werkelijkheid en sluimerende gedachten, moet ook bij de jonge vrouw uit het titelverhaal ‘Heilige beelden’, de gedachte ontstaan zijn dat ze haar vierde kind dat ze verwacht tegen betaling aan haar kinderloze vriendin zou kunnen afstaan. Dan zou haar man, die prachtige beelden maakt, dit kunnen blijven doen in plaats van als wegwerker te gaan werken. De vriendin is verbijsterd, ‘Ze trilde op haar benen en moest gaan zitten, (…) “Ik denk niet dat ik je goed begrepen heb”, zei ze, ofschoon ze beter wist.’ Het leek de jonge vrouw een mogelijkheid, een optie om twee hunkerende zielen te helpen. Zelf zou ze, als ze erover heen was, wel weer zwanger worden.

    In het verhaal ‘Afzondering’ komt Shackleton ook voor. ‘Ernest Shackleton was een hoogst opmerkelijk man,’ zegt de vader van het meisje die haar moeders minnaar van de trap duwde. ‘Misschien wel de nobelste van al die mannen die zich hebben onderscheiden (…). De geheimen die ze voor elkaar hadden, de kwalen die ze verborgen hielden, hun gebeden, hun teleurstellingen. Wat een ontbering, maar ook wat een geesteskracht! We zitten vreemd in elkaar, wij mensen, vinden jullie ook niet?’ Daar schrijft William Trevor prachtige verhalen over, over mensen en hun raadselachtige beweegredenen.

     

    Heilige beelden / William Trevor / vertaling Sjaak Commandeur / Meulenhoff (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.