• Plinius


    Ik heb de man niet aan zien komen, hij staat schuin achter me. Op de rand van een steile afgrond begint hij onverwacht tegen mij te praten. Nou ja, ‘steile afgrond’ is wat overdreven, dat gevoel komt door mijn hoogtevrees.
    ‘De meeste mensen, toeristen zoals u,’ zegt hij, ‘vragen zich af hoe het eeuwen geleden hier zo hoog geworden is. Maar weinigen beseffen dat het juist de afgravingen zijn die dat gevoel van hoogte veroorzaakt hebben.’ Hij doet een stap naar voren en komt naast me staan, hier op de wierde van Ezinge.
    ‘In de tijd gemeten is het nog niet zo lang geleden’, hij spreekt traag en docerend, ‘dat men inzag dat de grond van de wierde uiterst vruchtbaar was. Zelfs huizen werden er voor afgebroken om die grond af te graven en te verhandelen. Goede mest bracht geld op. Veel geld. Pas veel later kreeg die grond concurrentie van de kunstmest.’
    Hij heeft zich naar mij omgedraaid, zijn duimen achter de bretels.
    ‘En meneer, met die afgravingen werd niet alleen goede grond gewonnen maar ook onze geschiedenis blootgelegd. Als Van Giffen (ik noteer de naam in mijn notitieboekje) er niet was geweest hadden we nooit geweten wie de bewoners waren toen de wierde niet hoger was dan een bultje in het landschap.’
    De man kijkt naar de lucht alsof hij ergens boven de kerktoren zijn inspiratie vindt. Hij heeft iets van een filosoof.
    ‘Arm was het, meneer, toen het hier allemaal begon. Arm en nog eens arm. U moet maar eens beneden in het museum lezen wat die Romein Plinius daarover dacht, toen hij hier aankwam. En als u daar toch naartoe gaat vergeet dan die Van Giffen niet, die professor. Wat hij omhoog spitte, een kleine eeuw geleden, was wel even uit 500 voor Christus. De resten van tachtig huizen, boerderijen…’ Hij onderbreekt zichzelf.
    ‘Een fijne dag nog, daar naar beneden, het museum ligt op nog geen tien minuten.’
    ‘En bij het bruggetje moet u naar rechts,’ roept hij me na.

     

     

    Even later bekijk ik de foto’s van Van Giffen. Je herkent hem gelijk in het midden van een groep mannen die bij de afgraving staan. Hij is de kleinste, een scherpe blik, een houding van ik-ga-u-eens-wat-laten-zien’. Het liefst nam hij zelf de schop ter hand.
    Verderop in het museum de tekst van Plinius de Oude, een jonge officier die met de Romeinen voer in de richting van de Eems. Het is niet de eerste keer dat ik dit lees op deze reis, de tekst bestaat in vele variaties:
    ‘…met aarde verwarmen ze hun voedsel en hun lijf, verstijfd door de noordenwind.
    Een meelijwekkend volk. En als vandaag de dag deze stammen overwonnen worden door het Romeinse volk, noemen ze dat slavernij! Zo is het inderdaad: het lot spaart velen door ze te straffen.’

    Maar als ik rondloop in het museum, de tekst van Plinius herlees, – een klerk noteerde wat hij zag: de koeien met de poten in het water, de doordringende stank van zout en slib en niets dan armoe – dan is er toch een groot contrast met wat Van Giffen hier ontdekte. Door enthousiastelingen werd zijn werk wel het ‘Pompeï van het noorden’ genoemd. Dat is natuurlijk overdreven, maar duidelijk werd dat, in de tijd dat Plinius hier passeerde, de mensen in huizen woonden en het vee gewoon op stal stond.
    Was die Plinius niet een verwende jongeman, een rijkeluiszoon, gewend aan een rustige Middellandse Zee met helder water en geen gedoe met eb en vloed en springtij? Elke dag een goede fles wijn op tafel en ’s avonds naar het badhuis. Dat je met een plak gedroogde koeienstront de kachel heel goed aan kon maken, daar schrok hij van, die voortdurend geciteerde Plinius. Ik vermoed dat hij nooit in Ezinge is geweest.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Omdraaien

    Ik ben niet zo’n held waar het idolen betreft. Eens schreef ik een brief aan Hans Warren, zijn Geheime dagboeken kende ik van voor naar achter. Ik dweepte met de schrijver. Die brief verstuurde ik niet. Om Jeroen Brouwers fietste ik een middag door de Achterhoek. Uit zijn Kroniek van een karakter dacht ik te weten waar zijn huis in Exel stond. Stel dat ik hem tegenkwam. Ik fietste heen en weer. Bij een pad naar een huis, gedeeltelijk verborgen achter bomen, stapte ik van mijn fiets. Het was een grijze dag, kraaien scheerden over omgeploegd land, er kwam een auto aan, ik keerde snel mijn fiets en ging er vandoor. Bij de boekpresentatie van De Zondvloed in 1988 bij een boekhandel in Zutphen, liep de straat vol. De schrijver werd buiten geïnterviewd op een soort houten spreekgestoelte. Daarna nam hij plaats achter een tafeltje om te signeren. In een lange rij bewogen we richting schrijver. Vlak voor ik het tafeltje bereikte sloeg de onrust toe, ik stapte uit de rij en liep weg.  

    Ik benijd dan ook Jannah Loontjens. Zij schreef Frida Vogels – de meest onbereikbare schrijver, mijn meest geliefde ooit – een brief. In Als het over liefde gaat, dat ze naar aanleiding van haar fascinatie voor Vogels schreef, schrijft ze dat ze zich op de grens  van een ‘lichte vorm van krankzinnigheid’ bevond toen ze die brief schreef. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen.
    Loontjens schreef haar, ‘de opmerkzaamheid in uw schrijven maakt me rustig’. Het is bekend dat Vogels geen bezoek wenst. ‘Toch is bij mij het verlangen ontstaan u te bezoeken, (…) misschien samen een wandeling te maken. Mocht u dat niet willen of kunnen en mij ook liever niet ontvangen, heb ik daar vanzelfsprekend alle respect voor.’ Dan stelt ze voor of ze een route ergens in Italië, voor haar zou kunnen uittekenen, die zou ze dan gaan wandelen om zodoende toch in haar voetspoor te treden. Ze eindigt met, ‘dat lijkt mij “mieters’ om uw woordgebruik te lenen’.

    Frida Vogels beantwoordt haar brief en stuurt haar de originele aantekeningen (de originele!) van een wandeling die ze in 1968 maakte in Umbrië. Er verstrijken zes jaar voor Jannah Loontjens in 2018 daadwerkelijk op pelgrimage gaat met haar vriend. Ze wil erover schrijven zoals Vogels schreef. Het is een project, een zoektocht naar zichzelf, de ander, haar relatie. De boventoon wordt gevoerd door irritaties naar elkaar, haar verleden, zijn verhaal (door haar vertelt), het zoeken naar hotels en het invullen van achteraf gevonden bijzonderheden over de plaatsen waar ze waren. Alles krijgt net niet genoeg ruimte om iets te kunnen raken. Er daalt niets in. Dat zij meerdere keren, ‘[Frida’s]volgorde voor lief nemen en onze eigen route uitstippelen’, is haast niet te verdragen. Te willen schrijven als Frida Vogels, in haar voetsporen te treden, is een onmogelijkheid gebleken, dat begrijpt de schrijver uiteindelijk ook. Alsof je twee dezelfde polen van een magneet tegen elkaar houdt, ze ontspringen elkaar, stoten elkaar af. Zo lijkt dit boek op een vreemde manier geladen, aantrekkelijk maar ook afstotend.

     

    Als het over liefde gaat / Jannah Loontjens / Uitgeverij Podium (2019)


    Inge Meijer reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Boom

    Bomen moeten het regelmatig ontgelden. Ze zijn makkelijk te beschuldigen: ze nemen de zon weg, verpesten het uitzicht, of vormen een potentieel obstakel voor een dronken automobilist. De zaag wordt er vervolgens ingezet en er verdwijnen mooie, soms monumentale bomen. Alleen als ze gewoon ziek zijn, is er geen sprake van schuld. Het gaat me aan het hart wanneer een boom om de verkeerde redenen wordt omgezaagd. Het duurt al gauw een half mensenleven voordat een boom een beetje omvang heeft bereikt. Ik denk dan altijd aan het gedicht ‘Aan een boom in het Vondelpark’ van Vasalis uit Vergezichten en gezichten:

    ‘Er is een boom geveld met lange groene lokken.
    Hij zuchtte ruisend als een kind
    terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
    Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

    O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
    met slepend haar en met de geur van jeugd
    stromende uit zijn schone wonden,
    het jonge hoofd nog ongeschonden,
    De trotse romp nog onverslagen.’

    Dit gedicht roept de pijn op van verloren gegane schoonheid, hoewel die zelfs na de kap nog blijft bestaan. Ook al zou dit gedicht eigenlijk om een gestorven kind gaan, het blijft ook letterlijk een sterk beeld. Laatst maakte ik een boswandeling en ontmoette een enorme kaalslag. Staatsbosbeheer is tegenwoordig een marktpartij en heeft targets voor houtkap. Dit was een zogeheten productiebos. Het herinnerde mij aan regels van Armando uit het gedicht ‘De waarheid’ uit: Liever niet:

    ‘langs de straten slapen de vochtige lichamen,
    stapels op een hoop verzameld.

    Hier heeft iets plaatsgevonden
    dat op de vage waarheid lijkt.’

    Zoals bekend bestonden er voor Armando schuldige landschappen, getuigen van vreselijke gebeurtenissen, zoals de bossen rond Kamp Amersfoort waar hij dichtbij opgroeide. Bij het begrip ‘schuldig landschap’ komen bij mij automatisch de beelden van de geblakerde bossen uit Australië op. Die doen denken aan een ontluisterend gegeven: dat van de opwarmende aarde, en de ontkenning daarvan door sommigen.

    In de postuum verschenen bundel Toch lijkt Armando de rol van het landschap te relativeren:

    ‘Natuurlijk is de boom gestorven,
    moest de boom dan openbaren,
    een getuigenis afleggen?’
    (‘Boom’)

    Inderdaad. Getuigen doen in het geval van de Australische bosbranden alleen de televisiebeelden, die ons er niet alleen van doordringen hoeveel schoonheid er verloren gaat, maar ook wie de ware schuldige is. Het landschap is hier overduidelijk slachtoffer.

     

    Vergezichten en gezichten / Vasalis / Van Oorschot (1954); Liever niet en Toch / Armando / AtlasContact (2017 en 2019).


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Tomaten en Biesheuvel

    Er was eens een vriendengroep die elkaar gevonden hadden in het korte verhaal. Van de zes vrienden was er een verhalenschrijver, waakte een ander over de juiste woordkeuze, was er een handelaar in verhalen, een verteller, een luisteraar en de zesde voorzag de opbouw van de verhalen van een kritische noot. Eens in de maand troffen ze elkaar in een huis met zes kamers in het Oosten van het land. Dan reisden ze daar met koffers vol verhalen, flessen calvados, wijn, en één paar schone sokken naar toe. Nadat ieder zijn spullen had uitgepakt, de calvados en wijn in de keuken op het drankflessenschap waren bijgezet, kookten ze gezamenlijk een maaltijd. Toen de tomaten gesneden waren, de eieren gekookt, schoven enkele vrienden om de keukentafel en werden de eerste glazen gevuld. De verteller, popelend om als eerste een verhaal te vertellen, vroeg: ‘Duurt het nog lang voor de aardappelen gaar zijn?’ Nog twintig minuten’, zei de handelaar in verhalen.

    En zo begon de verteller, die wachttijd ziet als een lege hand die gevuld moet worden, te vertellen. ‘Ik las in een  boek van fijnbladig papier een verhaal geschreven door een Angstkunstenaar. Een verhaal dat me deed beseffen dat je bij wat je ook onderneemt, op alles voorbereid moet zijn.’ ‘Begin nu maar’, zei de verhalenschrijfster, ‘anders zijn zo de aardappelen gaar’. Welnu: ‘Er waren twee pastoors van plan waren de St. Pietersberg bij Maastricht – bestaand uit een doolhof aan gangen waar zelfs gidsen niet verder dan dertig meter naar binnen durfden gaan – te onderzoeken. Op hun vrije dag gingen ze met een haspel, waarop vierduizend meter dun touw en wat kaarsen de berg binnen. Voor ze het gebergte betraden, ontstak een journalist van een landelijke krant, hun kaarsen. Welgemoed liepen ze door duistere gangen met flakkerende kaarsen, het dunne touw gestaag afdraaiend van de haspel. Na honderden meters wilde de ene pastoor weten hoe donker het nu zou zijn, zonder kaarslicht. Beiden blazen hun kaars uit. ‘Donker hè?’, zei de een. ‘Huu’, zei de ander, ‘Maar we moeten weer verder. Heb jij vuur, lucifers of aansteker?’ ‘Nee, ik rook niet.’ In het aardedonker vielen ze in een kuil, het dunne touw dat ze naar de uitgang moest leiden, knapte en ze stierven een langzame dood.

    Tijdens zulke dagen ontstond er bij de vriendengroep van het korte verhaal, het idee een prijs in het leven te roepen voor de beste korte verhalenbundel van het jaar. Een prijs om het verhaal onder de aandacht te brengen, die de winnaar en niet-winnaars op scherp moet zetten nog meer verhalen te schrijven. De prijs moest vernoemd naar de meest unieke verhalenverteller aller tijden, J.M.A. Biesheuvel, en zo geschiedde. In 2020, het vijfde jaar, viel er een hiaat (te weinig prijzengeld, keuze aanbod te klein), knapte het draadje van geloofwaardigheid (door schrijvers als Sanneke van Hassel, Thomas Verbogt te negeren) en zou de prijs een langzame dood sterven.

    Eert het verhaal en zijn verteller zoals uw vader en uw moeder en God in de hemel in de gedaante van Karel van het Reve, zou Biesheuvel kunnen zeggen. De prijs had hoe dan ook uitgereikt moeten worden.

     

     

    Geïnspireerd op het verhaal ‘Vier mannen’ uit de Angstkunstenaar (1987) in Verzameld werk 3 / J.M.A. Biesheuvel / Van Oorschot.


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Schoonheid

    De onlangs verschenen film For Sama, over de verschrikkingen tijdens de bombardementen op de Syrische stad Aleppo. Hamza werkt als noodarts terwijl zijn zwangere vrouw Waad al-Kateab, door dit inferno ronddwaalt en honderden uren film schiet. Op basis daarvan maakte ze een documentaire, een videobrief voor haar dan nog ongeboren dochtertje Sama, voor als zij groot is. Het doet denken aan een andere documentaire die ik onlangs zag, The Cave, over een ziekenhuis tijdens de bombardementen op Aleppo. Indrukwekkend, en wat een heldenmoed wordt er getoond. Na afloop was het nog lang muisstil in de bioscoop. Bij de uitgang zag je mensen met roodomrande ogen. Ook bij mij drongen tranen om een uitweg. 

    Wat voert mij toch naar dit soort films? Wat dwingt mij? Het maakt emoties los; woede, ontroering, gevoelens van machteloosheid, van beklemdheid, maar ook een beleving van schoonheid. Schoonheid, hoezo schoonheid? Schoonheid is voor mij nauw verbonden met waarheid. Het zoeken naar schoonheid is een menselijke eigenschap en is bepalend voor hoe je in het leven staat. Ik ben altijd op zoek naar schoonheid. Waarom is de film Son of Saul over Auschwitz van László Nemes uit 2015 zo’n schoonheid. Juist omdat hij in zwart-wit is, omdat er heel weinig in gesproken wordt, omdat hij bijna niets van de omgeving laat zien. Daardoor komt de waarheid zo goed tot zijn recht. Om de nauwe band tussen schoonheid en waarheid te smeden is vakmanschap een eerste vereiste. Ik ken binnen de filmwereld maar weinig mensen die hier zo van zijn doordrongen als Tarkovski. Wat een genot om zijn films nog eens te zien tijdens het aan hem gewijde retrospectief door filmmuseum Het Eye. De film Stalker, gaat over diepmenselijke angsten en overstijgt het verhaal.

    Documentaires zijn geen speelfilms, maar ook in documentaires geldt de kunst van het weglaten; niet het tonen van de bommenregens zelf, maar de gevolgen voor de mens waarmee de kijker zich kan vereenzelvigen, kan meeleven. Dat is wat er gebeurt in For Sama en The Cave, op een aangrijpende en prachtige manier. In hun schoonheid tonen ze een verschrikkelijke waarheid. Aleppo is al heel lang een puinhoop, waaraan het zijn faam ontleent. Beelden van een groots verleden en een verschrikkelijk heden. 

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis, schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

     

  • Tragedie

    In 2013 begint Barack Obama aan zijn tweede ambtstermijn, maakt Koningin Beatrix bekend dat zij zal aftreden, wordt Kroatië lid van de Europese Unie, krijgt het Vaticaan een nieuwe paus, wordt het Rijksmuseum heropend, roept de Egyptische regering de noodtoestand uit, wordt de honderdste editie van de Ronde van Frankrijk gereden, zijn in een voorstad van Damascus veertienhonderd doden gevallen door een aanval met zenuwgas, is in Zwolle een zeldzame sperweruil gespot, vindt er een aanslag plaats in een winkelcentrum in Kenia met zevenenzestig doden en worden in Angola in een nacht drieduizend families uit hun huizen verjaagd om plaats te maken voor een van de futuristische projecten van presidentsdochter Isabel dos Santos. Alleen van dit laatste werd geen melding gemaakt.

    Albertina de Fatima woont in 2013 al een kwart eeuw op het schiereiland Areia Branca in de baai van Luanda samen met duizenden anderen, vissers, arme stedelingen. Ze woont met haar familie in een huis dat ze omschrijft als een paleis, is er gelukkig. Ze weet niets van de plannen van presidentsdochter Isabel dos Santos, die het eiland wil omtoveren tot, ’Baai van Luanda’, voor recreatieve doeleinden. Op een nacht wordt het eiland bezet door politie, marine en leger, zeven dagen lang. Net als alle bewoners wordt Albertina haar huis uit gejaagd, opgejaagd. Huizen worden platgewalst. Waarna de bewoners met vrachtwagens vol van het eiland worden afgevoerd en aan een zwerversbestaan beginnen.

    ‘Luanda raast op volle snelheid in de richting van de Grote ramp. Acht miljoen mensen die schreeuwen en huilen en schaterlachen. Een feest, een tragedie. Alles wat er maar kan gebeuren, gebeurt ook. Wat niet kan gebeuren, gebeurt ook.’
    Na de krantenberichten over Luanda Leaks deze week, kon ik niet anders dan Het labyrinth van Luanda, van de Angolees/Portugees schrijver José Eduardo Agualusa erbij pakken. Een roman uit 2009, gesitueerd in Luanda 2020. In een land dat de burgeroorlog die van 1975 tot 2002 duurde, nog steeds niet te boven is. Waar chaos ruimte biedt aan verstrengelde belangen en arme bevolkingsgroepen niet meetellen. De wereld die Agualusa beschrijft in Het labyrinth is complex, bizar en wonderlijk en wordt op een of andere manier inzichtelijker gemaakt door de Luanda Leaks. 

    Albertina woont nu met vier andere families in een hutje van bij elkaar geraapte golfplaten op een oude vuilnisbelt in het centrum van Luanda. Het stinkt er, vliegen en ratten zitten overal. Als Albertina wil baden, wacht ze tot de mannen naar buiten gaan om te voetballen. Op het eiland waar ze woonde, woont niemand meer. Wat doet de tijd met misstanden uit het verleden vraagt een man zich af in Het labyrinth: ‘Alles is veranderd, zelfs het verleden. (…) Wat had u anders verwacht, je kunt geen nieuwe toekomst opbouwen zonder eerst het verleden te veranderen.’
    Wie de wereld wil leren begrijpen, wil weten hoe een Nederlands baggerbedrijf betrokken kon raken bij een Angolees schandaal, leest deze ingenieuze roman van Agualusa, naast de Luanda Leaks. Met het inzicht, komt de verandering.  

     

    Het labyrinth van Luanda / José Eduardo Agualusa / vertaling Harrie Lemmens / Meulenhoff


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Schachnovelle

    De lente begon vroeg dit jaar. Ter aankondiging had ik zoals altijd een droom. Ik droomde keurige rijtjes tuinbonen, zojuist ontkiemd. Rond de stengeltjes, die zich eensgezind naar de hemel strekten, lagen keurige kratertjes opgeduwde grond. Eindelijk, dacht ik, en ze waren zo groen, zo stevig! Ik werd wakker en miste mijn vorige leven waarin ik groente verbouwde. Wat er dat komende jaar verbouwd zou worden, bereidde ik voor in de winter, want dan maken tuinders hun teeltplan. In dat plan wordt vastgelegd welk gewas op welke plek in de tuin komt te staan en of er na oogst tijd is voor een tweede, of zelfs derde gewas. Sommige gewassen, zoals radijzen, kunnen kort na zaai al geoogst worden. Op hetzefde lapje grond kun je daarna broccoli verbouwen.

    Broccoli heeft veel meer tijd nodig maar na de oogst kun je met een beetje geluk ook nog raapstelen zaaien. Zo’n plan heeft alles te maken met het slim combineren van kort-en langdurende teelten waarbij je het land zo efficiënt mogelijk gebruikt. Het schuiven met zaaidata en gewastypen heeft grote consequenties; alles hangt met elkaar samen. Je hoeft je nooit meer te vervelen leerde mijn docent groenteteelt ons triomfantelijk. Zittend voor de haard kun je eindeloos nieuwe teeltplannen bedenken, steeds efficiënter, diverser of risicovoller, zonder nog maar een spade in de grond te steken.

    Altijd denk ik dan aan Schachnovelle van Stefan Zweig. Ik herinner mij enkel flarden, maar wat ik nog weet is dat de hoofdpersoon, gevangengezet door de Gestapo, zijn eenzaamheid bezweert door schaakpartijen uit zijn hoofd te leren. Natuurlijk schiet de vergelijking met het maken van een teeltplan voor de haard hopeloos tekort waar het de angst voor gekte en de dreiging van erger betreft. Ik moet het herlezen, dat staat vast. Maar eerst zaai ik in gedachten alvast vroege raapstelen en spinazie in de kas, dek ik die dappere tuinbonen toe met vliesdoek tegen de kou. Over een paar weken zal ik voor het raam tomaten, peulen en capucijners voorzaaien en poot ik buiten de uitjes in rijen, hun spitse pluimpjes kouwelijk boven de grond. En in maart, als dan eindelijk de grond opwarmt, zaai ik radijzen, rucola, spinazie en vroege bieten. Ook zonder tuin is de lente al begonnen.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

  • Omnibus 

    Het klinkt als een mantra door mijn hoofd, al weken. Steeds wil ik zeggen ‘weet je wat ik zou willen?’ Maar eerst moeten er koffiebonen gemalen, het espressopotje op het vuur gezet, havermelk schuimen, luisteren naar berichtgevingen uit de krant die vanaf de keukentafel worden voorgelezen. Er was een stil verheugen, alsof het een geheim was. Zoals een exceptioneel goed boek dat weinig bekend is, wel ‘best kept secret’ wordt genoemd. Ik denk eraan als ik een zwerver in het park tegenkom, of een vrouw alleen, die me op een bepaalde manier in haar verschijning bekend voorkomt, of een man die zichzelf in een huwelijk achterliet. Dan denk ik aan de verhalen van Sanneke van Hassel.
    Het verhaal van een Kaapverdische man, die zijn dromen in de jaren dat hij als buschauffeur in Nederland werkt, ziet vervliegen.  Naarmate hij meer verlangt naar zijn familie, het strand, de oceaan, waar hij opgroeide, hoe afweziger hij wordt.

    Alleen ging hij nog wel eens terug, hoefde hij maar een ticket te kopen, nu vier, voor zijn vrouw en twee kinderen. Op een dag komt er een oude vrouw de bus in. Ze heeft vingers als ‘stokjes’ en een ‘papierdunne huid’. Ze gaat naast hem staan, kijkt afwezig mee door de voorruit. Hij vraagt zich af, terwijl ze langs de buitenwijken rijden, of ze verlangt naar de velden van toen waar nu huizen staan. Hij verzint in haar een bondgenoot in het verlangen naar vroeger. Als hij ‘s avonds laat thuis komt, zegt zijn vrouw ‘Ik heb naar tickets gezocht.’ Maar het is te duur.
    Of dat verhaal over een buurt waar families met uiteenlopende achtergronden wonen. De boel staat op scherp, door de gebeurtenissen en door hoe de schrijver, zichzelf corrigerend, het vertelt.

    ‘Op straat, voor ons huis, lag een zwarte scooter op zijn zijkant. Ernaast stond een jongen jammerend voorovergebogen, met zijn handen op zijn knieën. Hij had donker haar, een smal postuur en hij droeg een wit trainingsjack. Een Marokkaan, dacht ik.’ En dan: ‘een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan.’ Verderop in het verhaal schrijft ze, ‘ wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen?’
    En er is dat bejaarde Amerikaanse stel, hun huwelijk versleten, dat naar Europa reist. ‘Nooit had hij behoefte in het verleden te graven. Tot vorig zomer, onder de magnolia vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Na afloop ging hij nog even in de serre zitten. In het schemerdonker, tussen de lege glazen van de gasten, stond de foto van zijn vader (…), de stuurse mond, de harde blik.’ Dan, met barse stem tegen zijn vrouw, ‘Ik wil erheen. Naar de stad waar mijn vader vandaan komt.’, en ze gaan.

    Wat ik dus wil zeggen, is dat ik droom van een omnibus met alle verhalen van Van Hassel. Zo’n kilo wegend verzamelboek, net als Alice Munro en Clarice Lispector, want zo goed zijn de verhalen van Van Hassel. Je wilt ze allemaal hebben.

     

    Citaten uit: Nederzettingen van Sanneke van Hassel / De Bezige Bij


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

  • Moeilijke vrouw

    Ik schreef al eens dat de ene dood meer doet dan de ander. Dat Aart Staartjes overleed, jeugdicoon uit Sesamstraat voor zeker drie generaties Nederlanders, overschaduwt bijna de dood van een ander, getroebleerder jeugdicoon van mij: Elizabeth Wurtzel. Begin jaren negentig debuteerde Wurtzel met Prozac Nation, dat direct een cultklassieker werd – en zij dus een cultschrijver. Wat Wurtzel over depressies, verslavingen en opgroeien in Amerika schreef was hardcore autofictie: woest en compromisloos – zoals je, na het lezen van haar werk, verwacht dat ze zelf was.
    Prozac Nation las ik op een leeftijd waarop ik boos was maar niet wist op wie en bovendien droomde van een groots en meeslepend (schrijvers)leven. Wurtzel, met haar seks en drugs, haar dramatische depressies, bood me de suikerversie van iets dat in werkelijkheid behoorlijk moest tegenvallen. Zij was voor mij wat Kurt Cobain voor anderen was: een tragische, geniale halfgod. Het duurde lang voor Kurt Cobain van zijn voetstuk viel (wat na al die dode jaren van die schitterende blonde jongen overbleef, was het beeld van een trillende man op sokken) en misschien nog iets langer voor Wurtzel dat deed.

    Volwassen worden is weinig meer dan erkennen dat je ouders en je helden (deze twee kunnen elkaar gerust overlappen) niet uit een sprookje komen, geen archetypes zijn maar echte mensen, met vele lagen en de noodzakelijke drukfouten. Zo ook Cobain, zo ook Wurtzel. Na Prozac Nation las ik Bitch: In praise of difficult women. Of, eerlijker, ik kocht het en zat er vooral mee in de trein, dat omslag met die wild aantrekkelijke dame en die provocerende middelvinger goed in zicht. Ze schreef dit boek onder invloed van cocaïne en Ritalin. Dat is te lezen. Toch wakkerde het iets aan dat zich vele jaren later zou ontwikkelen tot een feministische inslag. Over het schrijfproces van Bitch schreef Wurtzel weer een ander boek: More, now, again. Dat was vooral more again.

    Jaren later volgde ik haar op Twitter en de magie was weg: een artikel dat Wurtzel schreef over hoe ze er als vijftigjarige beter uitzag dan als twintiger leek me aantoonbare onzin. Mijn grootse en meeslepende schrijversdroom werd een schrijvend en werkend bestaan in een huwelijk, een gezin. De aandacht voor mijn jeugdidool verslapte, vervloog.
    Op 52-jarige overleed Wurtzel aan de gevolgen van borstkanker.
    De meeste dode schrijvers – zoals Toni Morrison afgelopen zomer en enkele jaren terug Renate Dorrestein – nodigen uit tot herlezen. Herlezen is een vorm van herdenken. Blijft Wurtzels werk overeind als ik het nu weer opensla? Ik weet het niet. Naast een beeld om te verwerpen en latent feminisme bracht Wurtzel me nog iets: muziek. Bijna ieder nummer dat ze in haar boeken noemde, en dat waren er heel wat, zocht ik op en vond ik geweldig. Laat ik daar mee beginnen, herluisteren als herdenken. Later, als ik eraan toe ben, pak ik Prozac Nation er weer bij. Of nee, liever toch Bitch: in praise of difficult women. Voor die moeilijke, getalenteerde vrouw.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  • Stamelend

    Ik trok een rustig baantje in het zwembad toen twee dames op me toe kwamen zwemmen. Het was duidelijk dat ze niet van plan waren om ook maar een duimbreedte te wijken, dus perste ik me tegen de wand van het zwembad zodat ze voorbij konden zwemmen. Ondertussen vervloekte ik mezelf. Waarom was ik, opzij gegaan? Dat hadden zij toch ook kunnen doen? De vaardigheden om me te laten gelden ontbraken mij, ik moest toch eens leren assertief te zijn.

    Niet veel later was ik op een boekenmarkt waar ik tegelijk met een dame de hand uitstaken naar hetzelfde boek. Ik was een fractie van een seconde eerder. Mijn goede voornemens betreffende  assertiviteit indachtig zei ik vriendelijk maar beslist dat ik het boek het eerst had gezien en het dus van mij was. Waarop de dame de tranen in de ogen sprongen terwijl ze zei dat ik daarom toch niet zo onaardig hoefde te doen? Ik was onaangenaam verrast. Net die éne keer dat ik mijn zelfrespect wil opkrikken, tref ik iemand die evenmin als ik geschikt is om het op te nemen tegen de rest van de wereld. Een grimmig gedicht van Hans Dorresteijn schoot me te binnen, het leek waarachtig wel voor mij geschreven.

     Hoe het niet moet

    ‘Het voordeel van over je heen laten lopen is
    dat je met niemand problemen hebt.
    Toen ik besloot mij niet meer in een hoekje
    te laten drukken, kreeg ik prompt onenigheid
    met vrouwen, vrienden, elektriciens, kleine
    kinderen en huisdieren. 

    (…)

    Soms verlang ik waarachtig terug naar vroeger.
    Er was vrede. De gesprekken verliepen gemoedelijk.
    Het ging van: ‘Tsjee, wat loopt het hier lekker
    zacht. Is dit soms een Perzisch tapijt?’
    ‘Nee, geen Perzisch tapijt, vriend. ik ben het.’
    ‘Goh, je zou toch zweren dat je over een Perzisch
    tapijt liep, zo zacht is het, heb je bezwaar
    als ik er even bovenop kom liggen? Met jouw vrouw?’
    ‘Wie ben ik dat ik bezwaar zou maken. Condooms
    vind je in de linker la van het buffet.

    Alles beter dan ruzie.’

    Er zat niets anders op dan knarsetandend te erkennen dat ik niet meer veranderen zou. Stamelend heb ik mijn excuses aangeboden, gezegd dat ik niet wist wat er over me gekomen was en dat ik normaal niet zo deed, wat helemaal klopte. Het boek heb ik wel gehouden.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Hazenpad

    Toen er de laatste weken volop werd teruggeblikt, lijstjes werden gepresenteerd, er relletjes ontstonden rond het werven van stemmen voor beste boek van het jaar en het vooruitblikken loskwam, koos ik het hazenpad. ‘s Nachts zette ik me in de tuin, wachtend in de stilte op het gekwinkeleer van een vogel die elke nacht mijn nieuwsgierigheid wekte. Ik dacht een nachtegaal, maar weet niets van vogels. Overdag was ik met Belmiro Borba, een man zonder bestemming uit Belo Horizonte. We gingen samen uit, waren met zijn vrienden in het park, voerden filosofische, door drank aangespoorde gesprekken. Het was kerstavond 1934 en we namen de tram naar Calafate, naar zijn huis, een fazenda van zijn familie waar Belmiro woont met zijn twee stokoude zussen. De een wordt op gezette tijden opgenomen in een inrichting, de ander zet tijdens de maaltijden een kartonnen scherm voor haar bord om haar broer niet te hoeven zien.

    Onbereikbare liefdes zijn de gasoline waarmee Belmiro zijn dagen doorkomt. Verliefd op de mythe die hij zelf gecreëerd heeft rond het meisje Carmélia. Belmiro kan enkel op deze wijze de liefde aan, zo gauw deze fysiek wordt, verliest hij het bewustzijn. Liever droomt hij. ‘Toen ik een keer ‘s middags onder de luifel bij de voordeur zat, lichamelijk zeer verzwakt, zag ik haar zelfs het ijzeren tuinpoortje openduwen en naar me toekomen. (…) We praatten lang met elkaar, eindeloze uren, (…). Ze droeg een witte jurk, die haar lichter maakt en haar maagdelijke aanzien versterkt. Wat is deze liefde kuis! Geen lust of verlangen, geen sensuele voorstellingen.’ Carmélia trouwt uiteindelijk met een jongeman uit haar jeugd en gaat op huwelijksreis naar Europa. Belmiro overweegt,  ‘Als ik nou eens naar Rio ging om de afvaart bij te wonen, gewoon onverschillig, is dat geen idee?’ Waarna hij zichzelf direct op de vingers tikt: ‘Nou ja zeg, seu Belmiro, alleen al de gedachte om naar Rio te gaan sluit onverschilligheid uit. Blijf nou maar rustig in de Rua Erê en maak jezelf niks wijs.’  

    Toch gaat hij. Onder het mom van een zakenreisje reist hij naar Rio, ziet van een afstand het jonge stel de loopplank opgaan. Waardoor hij zich geërgerd afvraagt of hij naar Rio was gekomen om ‘dat’ te zien. Twee ‘doodgewone’ reizigers. Er gebeurde niets. ‘De aarde beefde niet, de zon werd niet verduisterd.’  Het is het leven op afstand dat Belmiro voor me inneemt. In zijn dagboek is er sprake van een onderzoekende geest, soms schimpend. Ja, dat is Belmiro, overdag is hij een timide, introverte jongeman van achtendertig, in zijn dagboek is hij een relativerende, soms nukkige oude man. Dagboekschrijven is voor hem een project, ‘Wie wil mag kwaadspreken over de literatuur. Ikzelf zal zeggen dat ik er mijn redding aan te danken heb. Ik kom bedrukt thuis, schrijf tien regels en word olympisch.’ Laten we gaan schrijven, onszelf overtreffen. Maar  lees eerst dit geweldige boek.

    Het was het roodborstje dat wanneer het ’s nacht wakker wordt direct aan het zingen slaat. Roodborstjes roeren zich net als Belmiro, het best in eenzaamheid.

     

     

    Ambtenaar Belmiro / Cyro dos Anjos / vertaald door Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.