• Plattegrond

    ‘Wie weggaat van de wereld laat voor wie blijft een
     spoor van vragen achter.’ 

    In Amsterdam was het stil op straat. Anderhalvemeter afstand leek een overbodige regel. Ik liep over de Nieuwmarkt naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar de Sint Olofspoort, het Waterlooplein, ging onder het IJ door. Onderweg verzamel ik de herinneringen van mensen die je gekend hebben in al die jaren dat ik niet wist waar je was. Langzaam ontstaat er een beeld, worden lijnen zichtbaar waarop ik mijn vinger leg, beweeg van A naar B, als op een plattegrond, om te zien waar je ging. Geregeld denk ik, ‘Als ik dit geweten had’, of, ‘Als ik dat gedaan had, hoe zou het dan?’ Een poëtische gedachte, de ‘als dit of dat’ gedachte. Het helpt om het verleden voor even naar je hand te zetten. Deze zomer las ik de gedichten van de Portugese schrijfster Maria do Rosário Pedreira. Daarin krijgen emoties de vrije hand, enkel de woede ontbreekt. Daar had ik wat mee te stellen de laatste tijd, met onverwachte woede, om hoe de dingen gegaan zijn. 

    ‘Ik herinner me het muurtje tussen de weg en
    het strand. Daar gingen we zitten alsof we voor altijd
    het eerste streepje zonlicht konden bewaren, januari,
    een tijdens de nacht geleerd woord, of een eiland
    dat oprees uit de zee en doelloos ronddreef. Veel later
    zouden wespen en meeuwen op het geluid van mijn
    vingers in je haar afkomen – als lang verwachte engelen.’

    Pedreira dicht over verlangens die kwellen, van liefdes en levens die voorbij zijn, tussen de strofen door sijpelt verdriet en een zekere tederheid. Er spreekt verlatenheid in deze bundel, die niet zonder meer Scherven heet. Een verlatenheid die ook uit de verhalen van Natalia Ginzburg spreekt. Scherven is tweetalig uitgegeven – wat mooi is, de Portugese taal in het Nederlands te kunnen zien overgaan – waarmee een vertaler zijn werk vrijgeeft, laat zien welke keuzes hij maakte. Hoe in de ene regel het woord ‘medo’ vertaald wordt als ‘bang’, in een andere regel met ‘angst’. En ‘assustada’ ook de betekenis van bang zijn heeft. De nuances, het zoeken van de vertaler naar de juiste gradatie van een emotie. Ik zocht naar verschillende benamingen, gradaties van emoties.
    ‘ik ben bang. De maan is er nog maar voor de helft, de aarde beeft. En ik beef van angst dat je niet terugkeert.’
    (estou assustada. A lua está apenas por metada, a terra treme. E eu tremo, com medo que nao voltes.)

    Deze bundel was de hele zomer bij me. Telkens sloeg ik het open, verkende opnieuw de regels van verlangen, herkende klanken van voorbije levens.  Sommige gedichten zijn als een lied, het zingt terwijl je leest.

    ‘Ze bewaarde een paar stiltes en ook de dingen
     die ze gewoon bij toeval niet had gezegd. Ook bewaarde ze
     nu die toevalligheden, blanco berichten tussen de woorden,
     waarvan ze er te over had. Desondanks zou ze altijd die
     woorden bewaren, of het beeld van lippen terwijl ze ze
     zeiden – een gezicht dat nog niet triest aan de zomer herinnerde.’

    Zomers kenmerkten zich vroeger door een zomerliefde, een zomerhit. Door deze bundel zal ik mij de zomer van 2020, de zomer waarin jij verongelukte, altijd blijven herinneren.

     

     

    Scherven / Maria do Rosário Pedreira / gekozen, vertaald, nawoord  Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Een baksteen

    Het was laat geworden toen de vergadering eindelijk voorbij was. Mijn collega  bood aan me met zijn auto naar het station te brengen, vandaar zou ik de trein naar huis nemen. De nachtlucht was scherp en koud, de sterren schenen stralend aan de donkere hemel. Het had gesneeuwd en het landschap leek een illustratie uit een boek van Anton Pieck. We liepen door de hobbelige straten van het slapende dorpje, gordijnen waren gesloten, geen mens op straat, zelfs niet om nog een laatste keer de hond uit te laten. Toen we langs een rij geparkeerde auto’s liepen, zagen we dat bij één van de auto’s de sleutels nog in het deurslot staken. We waren van mening dat we niet zo maar door konden lopen. Dus ik liep naar het huis waarvoor de auto geparkeerd stond en drukte op de bel. Na een poosje deed een oudere man open, een grote man met een baard en een bril. Hij nam ons argwanend van hoofd tot voeten op terwijl hij probeerde in te schatten met wie hij te maken had op dit late uur. Zijn blik bleven hangen bij het zwarte gezicht van mijn  collega.

    Hij snauwde, ‘Wat moeten jullie?’ Ik zei, ‘Pardon meneer, is dat uw auto die hier voor de deur staat?’ Meteen werd hij nog achterdochtiger, deed een stapje terug en vroeg, ‘En wat dan nog? Wat hebben jullie daarmee te maken?’
    ‘Helemaal niks, meneer,’ zei ik, ‘ik wilde alleen maar zeggen  dat u de autosleutels aan de buitenkant van de deur hebt laten zitten.’ Als bij toverslag veranderde zijn houding. Hij ademde opgelucht uit en bedankte me uitbundig, steeds maar weer. Hij schudde langdurig mijn hand, mijn collega, die uiteindelijk ongevaarlijk bleek, daarbij volledig negerend. Die haalde gelaten zijn schouders op en voegde dit nare incident toe aan een lange rij van vervelende ervaringen die met zijn huidskleur te maken hadden. Ik voelde me onpasselijk worden van woede, wilde tekeer gaan, heel dat kleine dorp verwoesten, platbranden tot de grond toe, tot alleen smeulende resten zouden overblijven. Het zou niet helpen, ik zou me er maar even beter door voelen.

    Na deze gebeurtenis kon ik het bekende gedicht van Lucebert nooit meer lezen zonder aan die avond te denken:

    ‘Er is een grote norse neger in mij neergedaald
     die van binnen dingen doet die niemand ziet
     ook ik niet want donker is het daar en zwart

     maar ik weet zeker hij bestudeert er
     aard en structuur van heel mijn blanke almacht

     hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten
     dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
     nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
     teveel slaven trok ik af van de belasting’

    Die avond zelf was ik alleen maar op zoek naar een baksteen, om door het raam van de auto te gooien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Een brok proza

    We hadden de camping op Terschelling besproken. Toen kwam het bericht dat mijn broer was verongelukt. De broer die een zwervend bestaan leidde. Zijn dood zette iets in beweging, veranderde iets. Na de uitvaart ging ik naar Terschelling, dacht meer aan mijn broer dan ik ooit gedaan had. Elke ochtend kroop ik om 7 uur m’n tent uit, fietste door de duinen, beklom de opgang naar het strand, liep de Noordzee in. Na een worsteling met het water sprak ik met mijn broer. Of hij wel eens op een eiland was geweest, dat hij de zee beslist zou mogen, dat het leven van strandjutter hem zou bevallen. Lege flessen, ijzeren doppen, hout, aangespoelde containers. Terug thuis ging ik kanoën op de Berkel, spierpijn als genade.
    Vorige week, 
    ik moest wat, fietste ik naar Lochem. Boekhandel Lovink hield zomeruitverkoop. Er stond ook een uitgever met de overgeschoten boeken van Ton Schimmelpennink, de boekverkoper uit Amsterdam die naar Friesland vertrok. De uitgever is een echte boekenliefhebber, had de boeken blind opgekocht, in met ducktape dichtgeplakte dozen. Hij zei, een goed boek verliest nooit zijn waarde.

    Op internet circuleerde een foto van mijn broer waar hij voor een boekenkraam op het Waterlooplein staat, boeken in een doos herschikt. Altijd bereid te helpen, zeiden ze over je. Ik kocht vijf boeken uit de dozen van Schimmelpennink, twee van Boekhandel Lovink. Daarbij zat Confituurwijk van Femke Vindevogel bij, een naam als een sprookje. Confituurwijk gaat over Marie De Geest, op haar drieëntwintigste wees. Haar moeder is al langer dood. Haar vader heeft, juist als het boek begint,  zelfmoord gepleegd. Was alcoholist, Virginia Woolf addict, laat haar met niets achter, ze moet het ouderlijk huis verlaten. Met een koffer vol partituren, blokfluit, laatste boek dat haar vader las en poes Emma gaat ze op pad. Naar de confituurwijk. ‘Een plek waar men twee keer per dag sponsbrood met choco of confituur at omdat men geen geld had voor charcuterie.’ Een tragikomisch verhaal, je zou erom gelachen hebben. 

    Marie heeft niks in haar nieuwe huis, geen bed, geen stookolie voor de kachel. Iemand brengt een luchtbed, dat ze het liefst weigert. Ze is woedend op alles en iedereen, het meest op zichzelf. ‘Ga weg, dacht ik. Blijf uit mijn buurt, ik ben de zandbank waartegen iedereen te pletter slaat.’ Als ze met haar blokfluit partituren oefent voor een auditie, zetten de buren schlagermuziek op, komen aan haar deur verhaal halen. Ze is bang, maar gelukkig woont mevrouwtje Vrank in haar, die zegt, ‘”Kom eens terug als jullie bereid zijn om dat schlagerfestival stiller te zetten. Dán hebben we iets om over te praten. Ondertussen oefen ik verder.” Het antwoord droop van mijn broekspijp.’ Waarna de buren met hun keukengerei de tussenmuur bewerken. ‘Ik nam mijn blokfluit en blies mijn longen moe. Als ze oorlog wilden, zouden ze oorlog krijgen.’ Soms raakte ik de draad van het verhaal kwijt, zoals in het echte leven. Een verhaal wordt gemaakt op het moment dat je het beleeft. Vindevogel schrijft geweldige metaforen, gebalde zinnen. De tegenslagen zijn hilarisch, woede en onmacht voelbaar, als de Noordzee die de benen onder je wegslaat, waardoor je lacht, huilt. Huilt tot je niet meer kunt, denkt, verdomme man. Het was een genot dit boek, gelijk een brok proza, te lezen. Ik werd er een stuk beter van.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Nieuw besef

    Het thuisblijven tijdens de corona pandemie maakte veel nostalgische gevoelens los naar tv-programma’s van vroeger. De keuze van presentator Charles Groenhuijsen van Op1 viel op een scène uit Pipo de Clown, waarin zigeuner Felicio figureert en de indiaan Klukkluk. Glimlachend constateert hij dat er hier sprake is van nogal wat vooroordelen, van stereotypen. Nu is bekend dat wij niet zonder stereotypen kunnen. Stereotypering is een van de selectiecriteria waarmee wij ons staande houden in het leven. Wij zijn niet in staat alle informatie die elk moment tot ons komt telkens weer op hun merites te beoordelen. Denk alleen maar aan Candide of het optimisme, dat prachtige satirische kleinood van Voltaire op het positivisme in zijn tijd. De onbevangenheid waarmee hoofdpersoon Candide het slechtste van de mens tegemoet treedt: oorlog, slavernij, extremisme, hypocrisie en wat niet al, komt hij langzamerhand tot een nieuw besef. 

    Wij selecteren gevoelsmatig, maar volgens aangeleerde criteria. Het ontwikkelen van deze selectiecriteria is de voornaamste taak van de opvoeding, maar zoals elke opvoeder weet, gaat dit niet zonder slag of stoot. Bovendien ondergaat een kind veel meer invloeden dan alleen die van zijn opvoeders. Stereotypen zetten zich vast en zijn moeilijk te bestrijden. Toch is het goed je daarvan bewust te zijn. Want stereotypen kunnen leiden tot racisme.
    De moord op George Floyd heeft wereldwijd veel emoties bij zwarte mensen losgemaakt. Een golf van een onderhuids voortwoekerend gevoel van diepe gekrenktheid als gevolg van systematische discriminatie zoekt een uitweg en overspoelt de westerse wereld. Het succes van de boeken van Colson Whitehead  over
    De ondergrondse spoorweg en De jongens van Nickel is hier waarschijnlijk gedeeltelijk op terug te voeren.

    Hoewel het gesprek hierover goed is, lijkt de debatformule zoals onlangs gehanteerd door Jort Kelder niet het geëigende middel. Te veel belangrijke vragen werden hooguit aangestipt en bleven onuitgewerkt, bijvoorbeeld de vraag: ‘Mag een mens er racistische opvattingen op nahouden?’ Jammer! Veel waardevoller was de getuigenis van Typfoon in Zomergasten. Hij maakte duidelijk dat discriminatie als gevolg van stereotyperingen diepe wonden slaat in de persoonlijke ontwikkeling van mensen. Hij benadrukte dat vooroordelen en discriminatie eigenlijk een gevoel van vrijheid in de weg staan, niet alleen bij de gediscrimineerde, maar ook bij de discriminator, iets wat Voltaire in Candide al laat zien. Typhoon illustreerde zijn verhaal met prachtige fragmenten zoals uit de film ‘As it is in Heaven‘. Het is dan ook een teken van geestelijke bekrompenheid, gebrek aan geestelijke vrijheid, dit betoog van Typhoon door Wilders te horen wegzetten als: ‘Ziekelijk gezeur.’ 

     

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.

  • Vlieg op de rand

    Het aanbod aan meningen is overweldigend, ik zwalk er van links naar rechts, langs zwart en wit, roze en rood tussendoor. Mij ontbreekt richting, een voorschrift. Het is als het betreden van een zonbeschenen brede avenue, zoals de Avenida da Liberdade in Lissabon. Komend vanuit de smallere straten van de binnenstad weet ik niet waar ik kijken moet, begin te lopen als een dronkaard over uitgestrekte vlakten. Niet dat ik nu in Lissabon ben, maar het gevoel is er. Nu kijk ik naar de vlieg op de rand van de broodplank, hoe die zijn pootjes wrijft, zich voorbereidt op iets. Onderwijl zoek ik een gevel om tegenaan te leunen, tot een overzicht te komen. In Mazzeltov van de Vlaamse schrijver Margot Vanderstraeten is de werkstudent die de schrijver toen was, op zoek naar het goede, naar overeenkomsten van afwijkende levens. In 1987 komt ze als twintigjarige werkstudent bij een orthodox-joods gezin in Antwerpen als huiswerkbegeleider. 

    Bij de eerste kennismaking zegt de vader nadat hij haar uitgestoken hand heeft aangenomen. ‘Zullen we dat maar één enkele keer doen? Als u mij de hand reikt, zal ik hem drukken, want ik respecteer u en uw gewoonten, nietwaar. Maar veiligheidshalve geven wij, orthodoxe joden, geen hand aan een vrouw.’ Duidelijkheid, daar snak ik dus naar.
    De vader, in het eerste oorlogsjaar geboren, werd in een onderduikgezin in Wallonië geplaatst, op zijn vijfde weer opgehaald door zijn moeder, die Auschwitz overleefde. De student vraagt zich vrijpostig de dingen af waar een ander niet aan durft te komen. Of de vader het onderduikgezin in Wallonië nog wel eens heeft opgezocht. De vader, door emoties bevangen, ‘Er bestaan twee soorten verdriet, onthoudt u dat. Een dat het kan verdragen om gekieteld te worden. En een dat zo groot is dat je ervan af moet blijven, zelfs met ogenschijnlijk onschuldige vragen.’ Kijk, zo’n inzicht geeft richting.

    Als ze met de grootmoeder een vertrouwelijk gesprek heeft, denkt ze dat deze misschien wel  ‘graag’ met haar over het kamp zou willen praten. ‘Gráág over praten? U vindt niemand die graag over de oorlog wil praten! En als u wel zo iemand vindt, moet u die persoon meteen wantrouwen! Zwijgen is het medicijn. Dus zwijg ik ook.’ Waarna de student ten ondergaat, en ik met haar door een golf van plaatsvervangende schaamte. In mij zit ook een alleswillenweter, de onbeschaamdheid van het denken.
    ‘Wij leven al in 5752’, zegt een van de kinderen. Dat doet de schrijver beseffen dat als de mensheid qua jaartelling al niet tot eensgezinsheid kan komen, hoe zou dat dan met al die andere gebruiken en gewoonten moeten?
    Mazzel tov is een doortastende zoektocht naar de waarde van de mens, ontdekken dat het westerse leven ook niet alles is. Met de familie en de student ontstaat een verbintenis voor het leven. Haar nieuwsgierigheid heeft mijn denken op een ander spoor gebracht. We komen allemaal uit een andere tijd, begrijpen elkaar niet, kunnen vrienden zijn.

     

    Mazzel tov / Margot Vanderstraeten / AtlasContact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft wakker bij een goed verhaal.

     

     

  • Een listig spel

    Men denkt dat ik als bioloog wel van alle dieren zal houden. Dat doe ik ook. Mits ik niet onvrijwillig mijn habitat hoef te delen. De voegen van mijn woningblok worden vernieuwd. Het aanhoudende gedril is allesoverheersend. De muis die sindsdien bij me introk zoekt waarschijnlijk rust, net als ik. Hij is er nu een week. Ik begon met een diervriendelijke muizenval. Een dag en een triomfantelijk spoor poepjes later, kocht ik twee onvriendelijke vallen. Muizen kunnen ziektes overbrengen, overtuigde ik mezelf. Ik kocht zelfs lokspek. Inmiddels bén ik lawaai en dénk ik muis. Met mijn geprinte manuscript vlucht ik naar een terras.

    Het lezen is als een confrontatie met mijn spiegelbeeld. Ik, als schrijver, overstem de protagonist nog teveel. Dat moet anders. Een zin uit het verhaal Lief leven van Alice Munro achtervolgt me al dagen. De verteller noemt de naam van een buurman en eindigt de zin als volgt: ‘(…) en hij speelt geen verdere rol in wat ik nu aan het schrijven ben, ondanks zijn trolachtige naam, omdat dit geen verhaal is, maar het leven.’ Ik voel me prettig betrapt, kennelijk had ik een verwachting. Wat lees ik nou precies? Munro speelt hier een listig spel. Je weet dat ze in het verhaal zit maar je kan haar niet vangen. Haar werk, dat nota bene vaak autobiografische elementen bevat, maakt zich los van de maker. Er is die stelling dat een goed kunstwerk niet af is en zo zijn de verhalen van Munro: ze zitten vol zijpaden, er is ruimte aan de voor- en achterkant. Ze leven.

    Aan het eind van de middag zit ik bij de kapper. Om de borende blik van mijn werkelijke spiegelbeeld te vermijden, bestudeer ik de muur. Ik zie veel interessante gaten die ik perfect zou kunnen dichten met mijn nieuwe kitpistool. Dat kocht ik afgelopen weekend, na de onvriendelijke muizenvallen en het wraak-gat dat de muis in de muur had geprobeerd te knagen. De kapster vertelt dat het haar liefste wens is om één keer in haar leven go-go-danseres te zijn. Al is het maar voor vijf minuten. Ik kijk naar haar korte haar en tattoos en zeg dat me dat best een haalbare droom lijkt. Mijn escapistische ziel wenst dat ze het zal doen. Zoals de moeder die zomaar besluit te gaan acteren, uit De kinderen blijven, een ander verhaal van Munro.

    Op het internet is iedereen het erover eens dat een muis nooit uit zichzelf je huis verlaat. Toch houdt hij zich al een paar dagen gedeisd. Ik koester de stille hoop dat we samen het narratief zijn ontstegen.

     

     Familiestukken / Alice Munro, samenstelling Marja Pruis & Greta Le Blansch /  vertaling Pleuke Boyce en Kathleen Rutten


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Oefening

    Vannacht werd je wakker  van de kou en een razend kloppend hart. Je bleef stil liggen, heel stil. Alsof er een muis in de kamer was die, als jij maar stil bleef, vanzelf zou verdwijnen. Ondertussen overwoog ik mijn mogelijkheden, koos niet voor paniek. Verbazing mocht, want lang had het hart zich aan de regels gehouden. Je schoof naar de rand van het bed. Nam een boek van het tafeltje, ging blootsvoets de trap af. In de gangkast zocht je naar een doosje tabletten. Er is gebrek aan zuurstof. Rustig blijven is een optie, adem in adem uit. Voel het onrustige hart in snel tempo van tadangtadangtadang gaan. Laat het gaan, geen paniek. Ga zitten, leun achterover, adem in adem uit.

    Leg het boek naast je neer. Breek een tablet doormidden. Neem de andere helft pas als de eerste helft niet de nodige werking had om het hart dat woelt onder de huid, trappelt tegen de ribben, (alsof de toegemeten ruimte waarmee het decennia genoegen nam, benauwd), te beteugelen. Open het boek en lees. Negeer het hart tot het weer past in zijn vorm, geruisloos kloppend, zonder ophef. Zeg tegen degene die de kamer binnen komt, wakker geworden door een lege zijde van het bed, dat het goed is. Dat het een oefening is. Zoals alles in het leven een oefening is.

    Dan lees je een verhaal voor over oefeningen in het bedelen, een verhaal dat helemaal gelezen moet worden.

    ‘Wij trekken vuile, gescheurde kleren aan, wij trekken onze schoenen uit, wij maken ons gezicht en onze handen vuil. Wij gaan de straat op. Wij staan stil, wij wachten.
    Als een Buitenlandse officier langs ons komt steken wij onze rechterarm omhoog om te groeten en houden wij onze linkerhand op. Meestal gaat de officier voorbij zonder stil te houden, zonder ons te zien, zonder naar ons te kijken.
    Eindelijk blijft er een officier staan. Hij stelt ons vragen. Wij antwoorden niet, wij blijven onbeweeglijk staan, met één arm omhoog en één vooruit. Dan zoekt hij in zijn zakken, legt een muntstuk en een stuk chocolade in onze smerige handpalm en loopt hoofdschuddend verder. Wij blijven wachten. Een vrouw komt voorbij. Wij houden onze hand op.
    Zij zegt: “Arme kleintjes. Ik heb niets om aan jullie te geven.” Zij streelt ons haar.
    Wij zeggen: “Dank u.” Een andere vrouw geeft ons twee appels, een ander biscuits. Een vrouw komt voorbij. Wij houden onze hand op, zij staat stil, zij zegt: “Schamen jullie je niet om te bedelen? Kom bij mij thuis, daar zijn gemakkelijke werkjes voor jullie. Hout hakken, bijvoorbeeld, of het terras schrobben. Daar zijn jullie groot en sterk genoeg voor. Daarna, als jullie goed werken, geef ik jullie soep en brood.”
    Wij antwoorden: “Wij hebben geen zin om voor u te werken, mevrouw. Wij hebben geen zin om uw soep te eten, of uw brood. Wij hebben geen honger.”
    Zij vraagt: “Waarom bedelen jullie dan?”
    “Om te weten hoe dat is en om te zien hoe de mensen reageren.”
    Zij schreeuwt terwijl ze wegloopt: “Vuile schooiertjes! En nog brutaal ook!” Onderweg naar huis gooien wij de appels, de biscuits, de chocola en de muntstukken in het hoge gras langs de weg. De aai over onze bol kunnen wij niet weggooien.’

    Ga dan slapen tot de eerste vogel ontwaakt.

     

     

    ‘Bedeloefening’ uit: Het dikke schrift / Ágota Kristóf / Van Gennep


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje en leeft voor een goed verhaal.

     

     

  • De geest van de schrijver

    Het regent af en aan, windvlagen verontrusten de dagen. De takken van de vijgenboom opzij van het raam laat zijn takken zwaar neer, blindeert een deel van het venster. Bladeren van de tomatenplanten in de tuin kleuren geel. Het zijn gevoelige planten, ze houden niet van de aanraking van water, elk jaar zijn we benieuwd of ze van groen naar rood kleuren. Ondertussen denk ik aan hoe schrijvers vergeten kunnen raken. Dat je opschrikt bij het vernemen van hun dood, ze opeens  je gedachten weer bevolken met hun leven, hun verhalen. Zoals Mischa de Vreede, ze overleed 12 mei op drieëntachtigjarige leeftijd. Ik dacht aan haar columns in de Libelle van mijn moeder, die nergens terug te vinden zijn. Columns van een vrij leven is wat ik me ervan herinner, ze deed wat ze wilde. Haar laatste dichtbundel Zeestenen verscheen in 2001, Heilige dagen, een roman over een vriendschap, in 2007. Daarna verscheen er nog wel eens een artikel van haar in Vrij Nederland, begin vorig jaar nog een zeer helder, prachtig stuk over Lucebert en de biografie van Hazeu in De Groene

    Met haar moeder, een ouder en een jonger broertje, zat ze van haar zesde tot haar negende in Jappenkampen. Verkeerde er op het randje van de dood. Het kamp leerde haar de dingen te ondergaan, te zwijgen, te buigen, niet van je te laten horen. Voor een kind dat al vroeg wist dat ze schrijver wilde worden een zware opgaaf. Over die dagen van verbijsterende omstandigheden publiceerde ze verschillende autobiografische boeken. Waar ik mee leef is een compilatie van die autobiografische verhalen. Haar werk leest als een zoektocht naar de werking van de geest, naar wat zich achter het zichtbare verborgen houdt. ‘Luister / dat wat ik vertel is het schuim / hoe schoon ook en wit en bewegend: / het moet weg // daaronder wordt alles helder / daar schuilt het geheim / en kan ik mijn diepten zien / dat wil ik’.

    Als kind snakte ze naar welsprekendheid, naar helderheid. In het kamp negeert haar moeder het verbod van samenscholing herhaaldelijk en wordt gevangen gezet. De kinderen bij verschillende ‘tantes’ ondergebracht. Na een jaar worden ze weer herenigd in het kamp, een moment van grote blijdschap. Ze moet het zeggen, het is zeer ongewoon, kan het bijna niet over haar lippen krijgen, maar dan toch, ‘Lieve moeder, ik vind u zo lief.’ De moeder, streng, ‘Ik zou eerst maar eens zelf een lief meisje worden, als ik jou was!’ ‘En zodoende’, eindigt ze veelzeggend deze passage. 

    Toen ze in het kamp ziek werd, kwam ze op een zaal vol kinderen met difterie, ‘… die eerste avond heb ik hun met een steeds heser wordende stem verhalen verteld tot mijn keel zo dik was dat er geen geluid meer uitkwam.’ Ze schrijft, ‘Je overleeft het als je een goede manier van ‘vluchten’ hebt. Doordat je in gedachten afstand neemt van de situatie. Ik keek naar mijn broodmagere openliggende benen en dacht alleen maar: “Dit ben ik niet, dit overkomt me niet. (…)” Ik hield altijd de hoop op de mogelijkheid van een ander leven. (…) Daarnaast las ik het boek ‘Ik en mijn speelman’ en wist dat er ook een kleurrijke wereld bestond met zachte gevoelens, met mensen die beleefd en aardig tegen elkaar zijn.’
    Later zei ze, ‘Een verhaal vertellen is ongeveer het liefste wat je een ander kunt aandoen.’ Het vertellen van verhalen als teken van liefde, kom er maar eens om.
    Haar boeken zijn enkel nog tweedehands verkrijgbaar, een herdruk van veel van haar boeken is zeer gewenst.

     

     

    Waar ik mee leef / Mischa de Vreede / Atlas (1995)
     Het gedicht ‘Luister’ komt uit de bundel: Met huid en hand, (1959)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en een goed verhaal.

     

     

  • Hebzuchtigen

    Ik vul een enquête in voor een onderzoek naar koopgedrag. Er wordt gevraagd of ik spaargeld heb en zo ja, waarvoor? De keuzemogelijkheden zijn: a. de studie van de kinderen, b. pensioen, c. een vakantie, maar ik besluit te kiezen voor d. anders, en ik vul naar waarheid in, ‘het verzamelde werk van J.D. Salinger’.
    Salinger had tot nog toe niet zo’n groot oeuvre dat ik daarvoor mijn spaargeld moest aanspreken: vier romans en wat losse verhalen en die staan al jaren in mijn boekenkast. Holden Caulfield uit ‘The catcher in the rye’ sloot ik weliswaar in mijn hart, maar ik viel als een blok voor de familie Glass uit de overige boeken. Ik was niet de enige, zelden heeft een schrijver zo’n cultstatus gekregen onder zijn talloze fans. Maar Salinger besloot de rest van zijn leven als kluizenaar door te brengen, hij wilde niet meer publiceren en gaf geen interviews. Wel bleef hij schrijven. Na zijn dood in 2010 op 91-jarige leeftijd bleken er een aantal manuscripten in een kluis te liggen, sommige kranten spraken van vijftien in totaal. Wereldwijd  ging er een golf van hebzucht door de fans heen, maar helaas, ook deze manuscripten mochten volgens zijn laatste wil niet uitgegeven worden. 

    Toch gonzen de geruchten dat de zoon van Salinger, die zijn vaders nalatenschap beheert, bezwijken zal voor de druk van de fans, en het grote geld. Binnen vijf jaar, binnen tien jaar? Eén manuscript, of allemaal? Of moet ik ongeduldig wachten tot zeventig jaar na het overlijden van Salinger de auteursrechten vervallen, zoals de Auteurswet bepaalt? Dan zal mijn spaargeld onder mijn eigen erfgenamen verdeeld worden, want 2080 zal ik niet halen.
    Maar ik wil die boeken van Salinger hebben, alle vijftien. Ik wil weten hoe het verder gaat met Holden Caulfield en met de familie Glass. Het kan me niet schelen wat het kost, daar spaar ik voor. Ik hoop dat de kinderen van Salinger, hebzuchtig naar de miljarden aan inkomsten, zich haasten hun vaders werk te publiceren. Want hebzucht, daar weet ik alles van. 

    Dante plaatste de hebzuchtigen in de vierde cirkel van het vagevuur. Ze moeten voor straf met hun gezicht op de grond vastgebonden liggen. Waarom? Omdat je in die houding niet kunt lezen. 

    ‘Wat hebzucht doet, staat hier als afgeschilderd
    in ’t lijden van deze omgekeerde zielen,
    want niet één straf op deze berg is droever.

    Gelijk ons oog zich nooit verhief naar boven,
    doch immer aan het aardse bleef gekluisterd,
    zo richt gerechtigheid het hier naar onder.

    Zoals eens hebzucht onze geestdrift doofde
    voor alle deugd en wij niets goeds dus deden,
    zo werpt gerechtigheid ons hier voorover, 

    aan handen en aan voeten als geketend.
    En roerloos blijven wij dan ook hier liggen,
    zolang ’t behaagt aan de gerechte Meester.’ 

     (vertaling Chr. Kops)  

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Wandelschoenen

    Sinds kort begin ik de dag met een koude douche. Dat komt door een van de figuren uit De afwezigen van Lieke Kézer. In het begin is er een passage waarin Frank, een oude man en zijn twaalfjarige buurjongen Joshua, die hij na het overlijden van zijn moeder onder zijn hoede heeft genomen, naar New York gaan. Hij wil Joshua iets tonen, iets dat de stille jongen in beweging moet brengen. Dat is wat we behoren te doen, elkaar in beweging brengen. De ochtend na aankomst verslaapt Frank zich en zit Joshua, allang wakker, voor de tv. Ze kennen elkaar nog niet zo goed. ‘Je had me wakker mogen maken, je mag me altijd wakker maken,’ zegt Frank. Hij stapt snel uit bed, neemt een ijskoude douche.‘[staat] naar adem happend onder de ijzige straal, hij dwong zichzelf er dertig seconden onder te blijven staan om zijn bloedsomloop op gang te brengen.’ Toen leek het me opeens van belang mezelf tot iets te dwingen, iets op gang te brengen.

    Nu moet ik wandelen. Iemand zei dat wie een uur zit, een half uur moet lopen. Ik wandel weleens. Soms loop ik tien kilometer naar de stad, en weer terug. Vanmorgen trok ik mijn wandelschoenen aan als begin van een dagelijkse gewoonte. Ik stak twee straten over, liep door hoog opgeschoten grasland en bloemenvelden. Stak een smalle weg over, langs een vervallen boerderijtje uit 1757. De takken van de oude walnotenbomen opzij van het voorhuis hingen zwaar van de groene bolsters. Ik prijs mezelf dat ik een walnotenboom herken als ik er een zie. Als ik met iemand wandel zeg ik, ‘Kijk, een walnotenboom’. Er zijn genoeg struiken, bomen, planten die ik niet ken, onbekend landschap, en dacht aan de Duitse essayist Julius Heine. Waarvan ik niet weet of hij echt bestaat, op google loopt elk spoor op niets uit.

    Wel is er dat kleine witte boekje met essays, Schaduw werk van hem. Een betoverend boekje. Een boekje als een kleinood, om bij je te dragen, eruit voor te lezen als de behoefte zich voordoet. Ik dacht, als dingen vastlopen, nietszeggend zijn, is het goed Julius Heine te lezen. Als ik je nu zou tegenkomen tijdens mijn wandeling, zou ik je dit fragment willen voorlezen. ‘Ongetwijfeld kent u allen de favoriete passage van dichters en schrijvers uit het paradijsverhaal. De eerste mens die in de tuin van Eden loopt, die kijkt en nog eens kijkt, die namen geeft aan planten, de bomen, de dieren en stamelend de wereld in taal brengt. Al scheppend vindt hij de wereld. Hij vond, kan je ook zeggen, wat er altijd al was maar had taal nodig om dat te weten – en dat bedoel ik met mijn oproep: met nieuwe beelden en nieuwe taal kunnen wij de wereld opnieuw leren kennen.’
    Dan kunnen we praten over de omkeerbaarheid der dingen, over welke kant we op zullen gaan. 

     

    Schaduw werk / Schattenschriften / Julius Heine, tweetalige editie, vertaling Anna Eble, 68 blz. / zesde en laatste deel in de serie ‘Schemerschijn’ van de Jan van Eyck Academie /€ 15,- of gratis bij een jaarabonnement op Terras.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje, ontsmettingsgel en een goed verhaal.

     

  • Voorlezen

    Eind maart ontving ik een berichtje van de schrijfster wiens boek hier voor me ligt. Rauwe wortels ernaast, in stijl met de levensvisie van de personages in het boek. Wordt er wijn geschonken in een goed verhaal, drink ik een wijntje. Ik ontmoette haar in 2018 voor een interview over schrijven en haar verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Een titel die ook heel goed had gepast bij deze roman. In dit boek doen de personages er alles aan om niet toe te geven aan hun hongergevoel, licht en muziek zal hen voeden. Als een van hen door uitputting sterft, volgt een politie onderzoek. De huisgenoten worden opgepakt, gedurende enkele dagen ondervraagd. Er wordt vooral gevraagd of ze het niet hadden zien aankomen, de dood van hun huisgenoot. Nee, ze hadden het niet zien aankomen, want aan doodgaan dachten ze niet.

    Het was een ingesproken berichtje. Ze vertelde dat ze de drukproeven van haar boek aan het doornemen was, dat deed ze altijd hardop lezend. Toen kwam het idee om voor iedereen in haar telefoonlijst een fragment in te spreken. Ze vroeg of ze een stukje uit haar roman mocht voorlezen, terwijl ik gretig, ‘Ja, leuk’, zei, praatte ze door. Mijn stuk begon bij hoofdstuk 10. ‘Tien’, zei ze. En na een korte pauze, ‘Wij zijn een vlinder. Een prachtige, pasgeboren vlinder die woont in het hoofd van Muriël. Minimaal eens per dag, maar meestal vaker, kruipen wij uit onze cocon naar buiten en vouwen onze vleugels open in het zonlicht, (…).’

    Elk hoofdstuk begint met ‘Wij zijn…’. ‘Wij zijn de plaats van delict’, ‘Wij zijn een cello’, ‘Wij zijn twijfel’. Vanuit voorwerpen, plaatsen of stemmingen wordt steeds een ander licht geworpen op wat er gebeurd is. Elke ‘Wij’ is een sprekend orgaan. Al lezend beweeg ik mee met elke schijnwerper die ze op de situatie richt. En dan, in hoofdstuk 17, wordt de lezer buitenspel gezet, schrijft de schrijver zichzelf erin, ‘Wij zijn het verhaal. Langzaam en voorspelbaar stevenen wij op onze afloop af – de climax, of de anticlimax, dat valt nog te bezien. Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan. We snakken naar (…) een onverwachte wending, een nieuw personage (…) maar de schrijfster heeft blijkbaar andere dingen aan haar hoofd.’

    De roman is gebaseerd op een krantenbericht uit 2017, over de dood van een van de huisgenoten van een woongroep die leven van licht. Het had een behoorlijk zweverige kant op kunnen gaan met dit boek. Ik had geen idee, maar weet wel dat het kunstenaarschap van deze experimentele schrijver vooralsnog onmetelijk groot is.

    De schrijfster speelt met situaties, met de lezer, met vooroordelen, omstandigheden, met zichzelf als schrijver. En het werkt indringend. Gisteravond nog, begon ik zomaar – ik wilde een tweede bordje Indiase curry opscheppen –  van honderd terug te tellen naar nul. Een beproefd trucje van de arme Muriël in het boek, dat ze toepast als de behoefte aan eten te groot wordt. Mij hielp het niet.

     

    Wij zijn het licht / Gerda Blees / Uitgeverij Podium (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, doet het even zonder het OV maar kan niet zonder een goed verhaal.

  • Standbeelden

    Geen standbeeld staat op dit moment nog veilig op zijn sokkel. Burgemeesters geven opdracht aan hun ambtenaren alle standbeeelden in hun gemeente te inventariseren en te onderzoeken in hoeverre de afgebeelde persoon naar huidige maatstaven nog deugt. Colston is in zee gedumpt, Columbus neergehaald, voor Peter Stuyvesant wordt gevreest, JP Coen’s dagen zijn geteld en Winston Churchill is voorlopig ingepakt. Hoewel we ons ervoor moeten hoeden hen allemaal over één kam te scheren, hebben de beeldenstormers goede redenen voor hun acties. De met een standbeeld geëerde mannen hebben zich in het verleden bezig gehouden met slavenhandel, discriminatie of racisme, zaken die wij tegenwoordig verwerpen. Of deze beeldenstorm een goed antwoord hierop is, is de vraag. In de tijd dat deze mensen leefden, werd er anders gedacht. Bovendien zijn veel van die beelden pas veel later neergezet. 

    Moet je de geschiedenis herschrijven? Misschien moet je deze beelden juist laten staan. Zo roepen zij tenslotte precies die vragen op, die voortdurend gesteld moeten worden als je wilt afrekenen met de niet meer in deze tijd passende denkbeelden. De meeste beelden stammen uit de 19e eeuw, het tijdperk van de romantiek waar ook de wortels gezocht moeten worden van veel antidemocratische opvattingen. Die gaven in de 20e eeuw wel vaker aanleiding tot narigheid en maken ook tegenwoordig weer opgang. Wil je het gedachtengoed van iemand als Baudet bestrijden, laat dan die beelden staan en voer de discussie over de vraag waarom Baudet juist nu een bloemetje meent te moeten leggen bij het standbeeld van JP Coen, een erkend massamoordenaar uit de 17e eeuw over wiens optreden ook in zijn eigen tijd al verontrustende vragen werden gesteld. 

    Met het opruimen van getuigenissen uit het verleden, zoals standbeelden, straatnamen, boeken en films, verdwijnt ook een deel  van ieders eigen geschiedenis. Soms kan het verstandig zijn een beeld weg te halen of een straatnaam te veranderen. Geschiedenis is immers een discussie zonder einde. De Vrijheidslaan in Amsterdam heette na de oorlog de Stalinlaan. Stalin had, samen met Churchill en Roosevelt, Hitler verslagen en was vlak na de oorlog populair, net als zijn partijgenoten van de CPN. Pas in 1956, als de Koude Oorlog in volle gang is en de misdaden van Stalin aan het daglicht treden, wordt de naam veranderd in Vrijheidslaan. Weinig mensen twijfelen aan de juistheid van zo’n beslissing. 

     

     


    Huub Bartman interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en zoekt naar verbindingen.