• Heb l(i)ef

    ‘Jij hoeft niet te betalen, jij bent een VIP,’ zei gastvrouw Antoinette. ‘Drankjes en hapjes zijn van het huis.’ Ik stapte doorregend en zoals gewoonlijk veel te vroeg de Oranjekerk in de Amsterdamse Pijp binnen. Er was nog bijna niemand. Een man sneed het kerstbrood aan. Ik had vriend H. uit Taiwan meegebracht. Aan het einde van de middag zou het eerste nummer van Q glossy Zuid gepresenteerd worden, een bundeling van interviews rondom het thema Heb l(i)ef. Jezelf zijn in Zuid. Een huzarenstukje van journalist Paul Hofman die alle interviews voor zijn rekening had genomen.
    Ondanks het slechte weer was de kerk op het laatste moment ruim gevuld. Op het podium stonden interviewer Hofman en, met een doek om zijn schedel geslagen, Stephan Sanders; achter hen een regenboogvlag. H. en ik gingen wat achterin zitten. Het was, moet ik bekennen, een lange middag voor hem, de woordjes Nederlands die hij met de app DuoLingo had geleerd, waren onvoldoende om alles goed te kunnen volgen. Zangeres Tessa Belinfante zong Pride van U2, maar ook dit hoogtepunt uit de westerse jarentachtigmuziek was hem onbekend. Halverwege viel hij tegen mijn schouder in slaap.

    Sanders sprak met zachte stem over zijn jeugd in Twente, zijn adoptie, familie, homoseksualiteit en over het moment dat hij voor het eerst weer naar de kerk ging. De enorme drempel die hij ervoer. Ik kende het verhaal, een jaar geleden las ik Godschaamte, zijn essayistisch ingestoken dagboek. Wat ik me herinnerde: hoe lef en liefde, de thema’s van deze middag, zo’n centrale plek in het boek innamen. De schaamte voorbij door haar eerst op te zoeken. De kerk was toch niets ‘voor mijn soort’,  schrijft Sanders in zijn aantekening van juli 2020. Hoe je jezelf kunt buitensluiten om de schaamte van – mogelijk –  buitengesloten worden te voorkomen. Dan inspireert de moed van Gerard Reve die zich in de jaren zestig katholiek liet dopen en daarnaast openlijk een ongeordend leven leidde van drank, jongens en sadomasochisme.  Maar het is niet alleen Reve die Sanders heeft geholpen: ‘Het allerbelangrijkste heb ik nog niet verteld: het verhaal van de liefde, mijn verhaal van de liefde.’  Het raakt me als hij over zijn adoptiefamilie schrijft, over zijn adoptiemoeder:  ‘Al die tonnen liefde die er zijn ingegaan, gegeven door mensen die mij biologisch niets verschuldigd zijn. En zelfs die biologische moeder heeft iets gedaan: ze liet me geboren worden.’

    Adoptiemoeder en Reve verbond hij in haar rouwadvertentie met het gedicht Dagsluiting. Ik kan het soms gedachteloos voor me uit mompelen:

    ‘Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
     dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
     en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt zoals ik U.’ 

    Na het gesprek met Sanders werd de glossy gepresenteerd. Blauw omslag, glanzend papier. Hapjes, drank, en alle geïnterviewden mochten onder applaus op het podium voor een fotomoment, met die regenboogvlag als decor. ‘Je hebt lef nodig om kwetsbaar te zijn’ zag ik als kop boven mijn interview. Bij het weggaan gaf Antoinette mij enkele extra exemplaren en een lange, warme omhelzing. Om de eenzaamheid die tegen het einde van het jaar opleeft een beetje te verzachten. Heb lef. Heb lief. Ook in het nieuwe jaar.

     

     Q glossy Zuid: Heb L(i)ef 


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

     

     

  • Woest onrustig

    In het oude jaar was er nog een afspraak met de cardioloog. Hij vroeg hoe het ging, ik lachte, zei goed. De cardioloog keek op zijn beeldscherm naar een hartfilmpje, vroeg om mijn pols. Sprak over hartschade, cardioversie (dat klonk als een eerste of tweede versie van een muziekstuk). Nadeel was mijn vrouw zijn, bepaalde leeftijd enzovoort, verder gezond, haha. Toch de kans op propjes in bloedbanen. En dat willen we niet, besloot hij. Nee, nee, dat willen we niet, zei ik hem na. U moet het rustig aan doen, zei hij. Ik moet het rustig aan doen dacht ik, wist even niet meer wie ik was. Ik voelde me goed, maar wie was dan die vrouw waar deze diagnose bijhoorde? Deuntjes van banger hart en bloedend hart speelden door mijn hoofd. Ik liep rustig door de ziekenhuisgangen naar de uitgang, wachtte rustig op de bus. Thuis liep ik in ‘slow motion’ door het huis, legde handdoeken op kleur, schoof wat met meubelen (rustig).

    In een van de vele brieven van Geer van Oorschot, wiens gezondheid niet best was (longontstekingen, hartinfarcten), schreef hij dat de dokter hem bevolen had het kalm aan te doen. Dat hij daar direct woest onrustig van werd. Van Oorschot was een gedreven briefschrijver, schreef soms achttien brieven op een dag, waarvan meerdere aan eenzelfde persoon gericht. Carola Kloos (wie is zij?), was een van de ontvangers van de brieven van Van Oorschot. Ze schreef dat de brieven van Geert een soort van ‘praten’ waren. De eerste brief schreef hij met aanhef, zogauw die op de bus was, schreef hij verder, zonder aanhef. Dat noemde hij ‘nog wat doorpraten’. Soms belde hij eerst op om de brief voor te lezen alvorens hem op de bus te doen. Hij was ook een dwingend schrijver. Aan Kees Verheul schreef hij eind 1975 over de voorbereiding van het januarinummer van Tirade, schrijvers hadden zich teruggetrokken. ‘Heb jij wellicht iets moois voor mij liggen en zo niet zou je dan een kleiner of groter stuk voor me kunnen maken? (Liefst een groter stuk!) Wil je me even bellen?’ 

    Rutger Kopland ontving ooit acht brieven op een dag. ‘Zijn brieven bestrijken een breed scala van toonaarden: dramatische bewondering, strenge vermaning, vriendelijke troost, alles trof ik er in aan.’, schrijft Kopland. Ook dat hij Van Oorschots latere brieven ervoer als geschenken. ‘Wie schreef daar en waarom?’ Ja, gaandeweg het lezen van zijn brieven begin ik me dat ook af te vragen, waarom schreef Van Oorschot zoveel brieven, wie was die man, wat moest hier vervuld worden?

    Op Tirade.nu vind ik een tekst van Carola Kloos. Dat Van Oorschot haar op een vrijdagmiddag in december 1987, twee weken voor zijn dood, belde. Drie maanden daarvoor had ze hem bezocht, had eigenlijk al afscheid van hem genomen. Toen zei Van Oorschot, ‘Ik heb nog twee weken te leven.’ Op die vrijdagmiddag in december, toen hij ver over zijn tijd van leven heen zat, belde hij haar. Het werd een ‘doodgewoon gesprekje’. Voor ze neerleggen, zegt hij, ‘Nou, het ga je goed’. ‘Jou ook, Geert’, zegt zij. En dat hij daar om lachen moest. ‘Ik lachte mee. Nou, daag, zei hij. Daag, zei ik. Dat men zo voorgoed afscheid neemt: daag.’, schreef ze. Dit was sterven in het harnas, ik bewonder deze uitgever, zijn gedrevenheid. En dat je woest onrustig wordt van het advies het rustig aan te doen, dat herkende ik wel.

     

    Uit: Brieven van een uitgever / Geert van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Culinair

    Mijn moeder had een hekel aan koken, zoals ze een hekel had aan alle huishoudelijke klussen die haar afhielden van het werken in haar bloementuin. Ze zette de pannen op het vuur en verdween dan neuriënd naar buiten om haar geliefde rozen te verzorgen. Tegen de tijd dat ze weer aan het eten dacht, waren de aardappels tot puree gekookt en de groenten grijs. De rozen in de tuin zagen er vele malen smakelijker uit dan de spruitjes die mijn moeder op tafel zette. Het familieverhaal gaat dan ook dat ik als kind een bijzonder mooie variant van mijn moeders trots, de Reine Victoria, opgegeten heb.  

    De afkeer van koken en huishoudelijk werk bleek erfelijk te zijn, al was het bij mij niet de tuin die mijn aandacht opeiste, dat deden de boeken. Ik ben dus niet culinair onderlegd en eet zelden buiten de deur. Daarom was ik benieuwd toen een vriendin me uitnodigde om voor de feestdagen te gaan dineren in een restaurant met één ster. Het was een prachtig en deftig etablissement; toen we binnenkwamen, werd ons bijna de weg versperd door een gigantische bos rode rozen op een tafeltje in de hal. We vertelden de kok dat hij naar eigen inzicht een maaltijd mocht samenstellen, waarbij we vertrouwden op zijn expertise.

    Bij de eerste gang, een hapje op een lepel, kwam de eigenaar naar ons tafeltje en vertelde ons met een van eerbied trillende stem welke unieke spirituele ervaring ons te wachten stond. Nog voor hij uitgesproken was, had ik het hapje al op, wist ik veel. Het eten was lekker, maar bij elk volgend bord dat op tafel werd gezet, moesten we wachten tot de man als een hogepriester in een tempel weer kwam aangeschreden. Hij vouwde dan vroom zijn handen, boog zijn hoofd en vertelde op fluistertoon met welk gerecht wij gezegend werden –  alsof we blind waren – met een ontzag alsof we getuige waren van de alchemistische bereiding van een eenhoorn, in plakjes opgediend in de Heilige Graal. Het was allemaal zo onecht, zo nep, zo vals als een bankbiljet van elf euro. Ik voelde een diepe verwantschap met Frans Pointl die een soortgelijke ervaring had gekend, getuige zijn gedicht: 

     ‘Ako-diner 1990 

    er stonden een Rolls, een Bentley en een Porsche 
    een echtpaar stapte uit een Saab Turbo 
    ik stapte uit mijn strippenkaart 

    voor het eerst zat ik aan
    aan een diner 
    dat viel verdraaid niet mee 
    een colonne obers bracht schalen binnen 
    waarop saumon fumé

    daarna kreeg ik een bord 
    met iets roze-roods erop 
    dat leek op een jonge uit het nest 
    gevallen en gefrituurde reiger 
    ik vroeg iemand hoe dit heette 
    die meneer zei: zolang het niet 
    beweegt kunt u het rustig eten

    het diner was beslist niet slecht 
    maar ik prefereer brood met omelet 
    aangezeten aan eigen aanrecht.’

    Op weg naar buiten heb ik uit de vaas in de hal een handvol rozen meegegrist en die in mijn mond gepropt. Ze smaakten geruststellend echt.


     

     Uit: Het Albanese wonderkind / Frans Pointl (1991)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Meerstemmige verhalen

    Wie het ware lezen ontdekt, wordt een graver naar betekenissen, ontdekt werelden van verschil. Wie schrijft, wil weten hoe een verhaal verteld wordt, hoe andere schrijvers het doen, wil gepubliceerd worden. Als themanummer van de nieuwe Tirade kwam een Surinaamse editie uit, Prakseri. Met verhalen van tien Surinaamse schrijvers. Gastredacteur en samensteller Kevin Headly schreef ter inleiding, ‘er is een aantal jaren geen verhalenbundel in Suriname verschenen van schrijvers van het land,  (…) van jonge schrijvers.’ Prakseri nu, ‘biedt nieuwe en bekende schrijvers van fictie een podium om hun werk te presenteren aan de wereld.’ Het is een verrassende editie geworden waarin de schijnwerper deels gericht wordt op het verschil tussen een schrijver in Suriname of in Nederland. 

    Carl Haarnack schrijft in ‘Een eigen geluid’, hoe eenvoudig het voor een beginnend schrijver in Amsterdam moet zijn, met zijn goede boekhandels op bereikbare afstand. Waar je kunt ‘kiezen uit een duizelingwekkende hoeveelheid romans, verhalen, dichtbundels.’ En, ‘Door veel te lezen verruim je je blik en word je zelf een betere dichter, schrijver’. Voor wie in Paramaribo, Nickerie of aan de bovenloop van de Surinamerivier woont, is dat niet mogelijk, schrijft Haarnack. In dit mooie kleine essay waarin hij Anil Ramdas, Edgar Cairo en V.S. Naipaul aanhaalt, gaat het over het belang het eigene niet te verloochenen, maar je toch los te maken van je eigen ‘tribe’. ‘Alleen door meerstemmige verhalen kunnen we de wereld aan.’ Meerstemmige verhalen die gehoord moeten worden.

    Het verhaal ‘Weerzien met Judith’ van Cynthia Mcleod gaat over haar eerste vriendinnetje toen ze vijf was. Ze beleven een innig verbonden tijd met elkaar eind jaren dertig, begin veertig in Paramaribo. Later verliezen elkaar uit het oog, vinden elkaar decennia later in Parijs weer terug. Judith koestert zulke mooie herinneringen aan Suriname, dat Mcleod haar niet uit haar droom durft te helpen. ‘ik dacht aan mijn land; mijn klein onbetekenend derdewereldland: mijn land met zijn kleine, arme maar o zo hartelijke bevolking die in de oorlog spontaan honderden Joodse vluchtelingen heeft kunnen opvangen’. Ze vertelt haar niet over de onveilig jaren tachtig onder het militaire bewind. Ze zegt, ‘Koester je herinneringen, koester je mooie herinneringen aan Suriname.’
    In verschillende verhalen beïnvloeden geesten het leven van alledag. Zoals in ‘Spiritbox’ van Zerachiel van Mark, over het lot van een jong meisje dat in mysteriën gehuld is. ‘Een bebloede oorlel met haar geliefdste oorknopje was het enige dat van Caroline gevonden was.’ 

    Het goed opgebouwde verhaal ‘Het levensformulier’ van Jeffrey Thomas Quartier speelt zich af in de wachtkamer van overleden zielen. In afwachting van een terugkeer naar de aarde, moet  een formulier worden ingevuld. Er zijn verschillende opties over ‘hoe’ en ‘wat’ je wilt terugkeren (mens, dier, insect, plant). Wie kiest voor mens, kan door naar pagina vier, waar geslacht en ras gekoezen kan worden; ‘neger, Javaan. blank, gemengd, enz.’ Kies je neger, dan kan je door naar pagina zeven. Met verschillende opties van het continent waar je geboren wilt worden, ‘(Afrika, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, etc.)’. Bij de optie Noord-Amerika wordt een realiteit weergegeven die voor veel aardbewoners een niet voor te stellen gegeven is. Want, ‘De mogelijkheid bestaat dat u het slachtoffer wordt van een racistische politieagent en/of zinloos politiegeweld.’ Bij de optie Afrika staat, ‘Er is de kans dat u om het leven komt in een burgeroorlog of dat u op een gruwelijke manier verhongert.’ Ik vraag je, wat zou jij kiezen?

    Nu wil ik nog weten wat ‘Prakseri’ betekent. Ik app mijn schoondochter die op haar negende van Suriname naar Nederland kwam.  Ze appt, ‘denken, nadenken of gedachte’. Vraagt wat ik aan het lezen ben, waar ik dit tegenkwam. Ik app dat ik een tijdschrift met Surinaamse verhalen in handen heb. Ze reageert verrast. Deze Prakseri gaat in ieder geval straks onder de kerstboom. 

     

     

    Prakseri, een Tirade vol verhalen uit Suriname / nr. 490, jaargang 66 / uitgeverij Van Oorschot.
    Overige verhalen van: Lisanne Waridjan, Ismene Krishnadath, Kevin Headley, Iraida van Dijk-Ooft, Robby Parabirsing, Maggie Schmeitz, Kevin S. Coulor. Illustraties Joey Roberts en een bijdrage van Julien Ignacio over de (verborgen) schatkist van Surinaamse literatuur.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Duits op z’n Grieks

    Rimini zien, en dan verloren raken. Als het licht in Rialto aangaat, blijf ik enkele seconden bewegingloos zitten, overweldigd door zoveel. Wat een prachtige en belangrijke film heeft Ulrich Seidl gemaakt. Over een aan lager wal geraakte schlagerzanger, een desolate badplaats in de winter, een pijnlijke vader-dochter-relatie, opgevrolijkt met oude-mensenlust en ingebed in een groter verhaal over Europa, dat door migratiestromen naar een nieuwe samenleving kantelt. Hoofdpersoon Richie Bravo zingt tegen het einde van de film mee met Griechischer Wein, dat bekende lied van Udo Jürgens. Het is Duits op z’n Grieks, of Grieks op z’n Duits. Je hebt Udo Jürgens en Rex Gildo die Duits zingen op Griekse klanken, maar ook Demis Roussos en Vicky Leandros, Grieken die Duits zingen op Griekse klanken – het is de enige schlagervorm waarbij ik met een dikke keel brokken wegslik. 

    Terug naar Griechischer Wein van Udo Jürgens, dat lied van weemoed. In mijn debuutroman De wensvader wordt het gespeeld in het verzorgingshuis: ‘De gordijnen dicht, de lichten uit, mevrouw Bosker lag in het blauw van haar televisie waarop Udo Jurgens Griechischer Wein zong.’ En ik had voor het lied een rol bedacht in mijn nieuwe roman, die ook zou gaan over een aan lager wal geraakte schlagerzanger, ik schreef erover in mijn mei-column: ‘Langzaam zak ik dieper, omgeven door al  het kabaal, naar een stilte in mezelf waarin plotseling een onbekende stem spreekt over zijn lange leven als schlagerzanger op een vakantieresort.’ Kan het nog na Rimini?

    Luister eens naar deze Schlagertekst. De stad is donker, de zanger stapt een café binnen: 

    Da saßen Männer mit braunen
    Augen und mit schwarzem Haar
    Und aus der Jukebox erklang Musik

    In de Nederlandse versie, van Joe Harris uit 1975, wordt met zoveel nadruk verteld over mannen met bruine ogen en zwart haar, dat je onwillekeurig denkt aan een homokroeg. Het zijn echter Griekse gastarbeiders die de vreemdeling welkom heetten. In deze ontmoeting wordt wijn geschonken en het verhaal verteld van achtergebleven echtgenotes, kinderen en families. Het is precies het tegenovergestelde van wat in Rimini gebeurt, waar Afrikaanse vluchtelingen her en der in plukjes buiten in de vrieskou zitten of liggen en de schlagerzanger, de vader, zonder naar zijn medemensen om te kijken over dat verlaten strand van de ene plek naar de andere gaat met in zijn hoofd houtje-touwtje-oplossingen. Hij heeft het lang met zoetgevooisde woorden gered, nu is hij reddeloos verloren. Zijn dochter confronteert hem, waarom liet je mij en mijn moeder in de steek? Zijzelf is op haar beurt op geld uit, niet op een liefdevolle hereniging. Ondertussen leeft zijn eigen vader eenzaam op een gesloten afdeling in een Oostenrijks verzorgingshuis. 

    Dezelfde liefdeloosheid herinner ik me uit Renate Rubinsteins echtscheidingsbundel Niets te verliezen en toch bang. Haar man laat haar achter met de woorden dat hij tien jaar ongelukkig is geweest. Zij niet. Wie van ons, zo klinkt haar retorische vraag, heeft nu zijn leven verstierd? Uiteindelijk is Rubinsteins vraag het enige dat werkelijk telt, ondanks dat je er geen enkele pijn door vermijdt. Voor alle mannelijke of vrouwelijke Richie Bravo’s in en buiten Rimini, voor haarzelf, voor ons allemaal. En soms helpt daar een schlager bij. Op z’n Grieks.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

  • Toergenjew en Cardoso

    Ik zocht naar de werkelijkheid, naar een verhaal, stoere verhalen, aards maar ook verheven. Meedogenloze winters, weemoedigheid, verblindende zomerdagen, de dood van een bedrieger. Ik begon in Jagersverhalen van Toergenjew, ‘Ik heb een buurman, een jong landeigenaar, die een enthousiast jager is.’ Ik heb niets met jagen, toch las ik verder. ‘Op een prachtige Julimorgen kwam ik te paard bij hem en vroeg hem, of hij zin had mee op korhoenderjacht te gaan. Hij voelde daar wel voor.’ Er wordt gerept van bonte spechten die met geweld tegen de bast van bomen timmerden. En, ‘tussen de struiken kwinkeleerden er tuinfluiters, fitisjes en sijsjes.’ Lezen is soms net als een gerecht bereiden waarvan je nog niet weet wat het worden moet, snufje van dit, snufje van dat. En tussendoor proeven of de verlangde smaak, textuur van het gerecht al bereikt is. Met Toergenjew was ik er nog niet.

    Ik nam Keerzijde van Dulce Maria Cardoso. Over een rijke Portugese vrouw, bijna zestig, die zich op een dag wanneer haar man met een jonge vrouw ergens in de stad in bed ligt, afvraagt hoe ze toch zo oud is geworden. ‘Alice kijkt op haar horloge en vervolgens op de pendule op het dressoir. De pendule op het dressoir loopt nooit gelijk met de andere klokken.’ Ze verveelt zich, denkt aan toen ze jong was. Dat komt door die pendule waar een mollig engeltje op een schommeltje als slinger dienstdoet. Ze kocht het bij een antiquair ‘tijdens haar eerste winter in deze stad.’

    Ze glimlacht tegen de spiegel, ‘Om te bevestigen dat ze nog een mooie glimlach heeft, nog een mooie vrouw is.’ Over een week wordt haar man zestig, ze wil hem een onvergetelijk cadeau bezorgen, maar kan niets verzinnen waarbij het woord ‘onvergetelijk’ zou passen. Op die dag dat Alice niet weet wat ze moet doen, verongelukt prinses Diana, het is dus 1997. Dat is mooi, dat je opeens ergens in zit waar je zelf ook herinneringen aan hebt. Ik was die zomer net terug uit Portugal, vier maanden zwanger van de jongste, toen ik het nieuws op de radio hoorde. Alice werd gebeld door een vriendin:
    ‘Prinses Diana ligt op sterven.’
    ‘Dat kan niet.’
    De vriendin herhaalt het.
    ‘Goh, wat naar, dat is wel heel triest’, zegt Alice
    ‘Een auto-ongeluk. Een verschrikkelijk auto-ongeluk.’
    Alice zucht. Haar vriendin heeft niet de juiste toon  getroffen. Zulk nieuws verdient de juiste toon.’
    Ik mag Alice wel, weet precies wat ze bedoelt. 

    Ik lees verder over de man van Alice. ‘Twee naakte lichamen liggen op een bed. Een oude man, Afonso, en een jong meisje, Sofía.’ Afonso is een machtig man maar weet geen gesprek te voeren met het meisje, ze weerlegt alles wat hij zegt, windt hem om haar vinger. Ze heeft een vriend, Júlio, die niet weet dat zij om geld met Afonso slaapt. ‘Ze lopen hand in hand. Ze lijken gelukkig. Ze lijken gelukkig omdat ze gelukkig zijn.’ (die herhaling!) Afonso wordt ergens in het boek vermoord, door Júlio. Alice wil een biografie over haar man laten schrijven (een mooi cadeau voor zijn zestigste verjaardag). De biograaf die ze daarvoor op het oog heeft is Gustavo, waarover te lezen in het hoofdstuk: ‘Als apen zich konden vervelen, zouden het mensen kunnen worden’, wat een geweldige titel is. Dit boek is dus precies goed, het verhaal groots, Cardoso een schrijver ‘sans scrupules’.

     

     

    Keerzijde / Dulce Maria Cardoso / vertaling Harrie Lemmens / Uitgeverij Prominent (2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Een vakkundig brok in de keel

    Vladimir Nabokov schrijft in Speak Memory dat de roman Misunderstood (1869) van Florence Montgomery het eerste Engelse boek was dat zijn moeder hem voorlas, en dat het lot van de hoofdpersoon hem een vakkundiger brok in de keel bezorgde dan wat dan ook van Dickens. De schrijver George du Maurier (bekend van de gothic novel Trilby) schreef in een brief aan Lewis Carroll: ‘Ik ben, net als jij, een zeer groot bewonderaar van Misunderstood, en heb er emmers vol tranen bij gehuild.’

    Incompreso, van regisseur Luigi Comencini (1916-2007), uit 1966, is de Italiaanse verfilming van dat boek. (Er zijn ook twee andere, te weten een Hongaarse, al uit 1920, en een Amerikaanse, uit 1984.)
    Het verhaal speelt zich af in een door weelderige tuinen omgeven kapitaal landhuis even buiten Florence, de residentie van de Engelse consul Eliot Duncombe. Alles ademt de sfeer van de oogverblindende melodrama’s van Douglas Sirk. Duncombes vrouw is net begraven als het verhaal begint. De kinderen, twee jongens van een jaar of tien en vier, Andrea en Milo, weten nog niet dat hun moeder is overleden.

    De afstandelijke Duncombe, mooi onderkoeld gespeeld door Sir Anthony Quayle, laat zich nog meer opslokken door zijn werk dan hij toch al deed en de zorg voor de kinderen laat hij over aan het personeel. In zijn verdriet richt hij volledig op zijn jongste zoontje. Voor Andrea, die volgens hem al oud genoeg is en dus sterk moet zijn, heeft hij geen oog. Maar in de gevoelige Andrea, de hoofdpersoon van het verhaal, huist de eenzaamheid van het onbegrepen en afgewezen kind dat zijn verdriet maskeert met boosheid en opstandig gedrag.

    Incompreso is een  magnifieke tearjerker die, gesteund door de prachtige klassieke muziek en het geweldige spel van de jonge hoofdrolspeler, me danig bij de strot greep. Maar het is ook een fijn psychologisch kijkje in de kinderziel en een bijzonder knappe film. Comencini is een van die Italiaanse meesters (zie ook Antonio Pietrangeli, Mario Monicelli, Alberto Lattuada, Dino Risi en vele anderen) die in de schaduw van Visconti en Fellini hun kunsten vertoonden. Met Incompreso laat hij zien dat hij niet voor hen onderdeed.
    Over het verhaal wil ik niets verklappen. Ga maar kijken. De film staat integraal op YouTube. (Zakdoekjes bij de hand.)

     

     


    Van Hans Heesen, filmhuisdirecteur, docent filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (Uitgeverij IJzer), verschijnt maandelijks op deze plek een filmcolumn.

  • Dode zwaan en het meisje

    We vierden sinterklaas. Onze vier  kinderen, waarvan twee met hun kinderen, waren vanuit verschillende delen van het land gekomen. Oudste dochter gaf me het boek terug, Ik nog wel van jou van Elke Geurts, dat ik in de zomer had uitgeleend. We waren er beiden enthousiast over, hoe goed het in elkaar zat. Nadat mijn dochter het over de man had gehad die niet verder wil, maar ook niet vertrekt, noemde ik de dode zwaan op de voetgangersbrug. Oh jaaa, knikte dochter. Hoe dat kleine meisje, ging ik verder, met een dode zwaan in haar armen op die voetgangersbrug staat. De blik van dochter wazigde wat. Ik zei, die zwaan die tegen de reling was gecrasht? De mistflarden en hoe heftig het meisje reageert op de dode zwaan? Hmm, zei dochter. Ik beschreef de lange witte zwanenhals, hoe die vanuit de armen van het meisje omlaag bungelde. Dochter volgde me niet meer. Ik zag het aan haar blik. En er moest ook nog koffie, chocolademelk geschonken worden.

    Later vroeg ik me af of er wel sprake was van mist. Er was op dat punt in het verhaal wel veel in nevelen gehuld voor de vrouw. En die dode zwaan verwijst naar het uiteenvallen van iets, (zes jaar later het gezin). Ik denk aan W.F. Hermans die zei dat er ‘bij wijze van spreken geen mus’ zonder enige betekenis van het dak mag vallen. Dan is de betekenis van een neergestorte zwaan toch wel immens. Het kleine meisje wordt intens geraakt door het lot van de zwaan. Ik pak nu het boek er bij voor ik nog meer verzin wat er niet staat.

    Op bladzijde drieënveertig staat dat het stralend mooi weer is. Mannen lopen in bermuda’s, kinderen op slippers. Vader, moeder, baby en het meisje wandelden over IJburg, vinden de dode zwaan op de voetgangersbrug. ‘Het was ondraaglijk om naar zijn witte veren te kijken, de zon die erop weerkaatste, zoals op verse sneeuw.’ Het verhaal wil dat ook het zwanenvrouwtje, dat haar man zocht, tegen de reling van de brug vloog, stierf. Nergens iets over een meisje dat de zwaan droeg.

    Haar nieuwste boek, Wie is die vrouw? gaat over de ontdekking dat ex-man al jarenlang een relatie met een ander had op het moment dat hij zei, ‘Ik hou niet meer van jou’. Waarop het boek, Ik nog wel van jou ontstond. Kort na verschijning daarvan verneemt ze dat hij dus al jaren vreemd ging. ‘Ik had het heus wel kúnnen bedenken.’ schrijft ze. ‘Maar tot aan dat moment zou ik mijn leven ervoor hebben durven geven, en dat van mijn kinderen, dat het niet zo was gegaan.’ Voor het verhaal lijkt het onzinnig dit bedrog openbaar te maken, het is mosterd na de maaltijd. Zij  stelt voor dat hij haar de komende jaren regelmatig een doosje goede wijn stuurt en het er dan niet meer over hebben. ‘De volgende dag al werden er drie dozen goede wijn bezorgd. De weg was weer vrij. We gingen verder.’

    Maar sommige dingen laten zich niet afkopen. Er moet geschreven worden (dit boek gaat ook over schrijven). De bedrogen vrouw schrijft zich toe naar een vrouw die op zichzelf bestaat. ‘De mist tussen mij en de wereld trok (…) op.’ Geurts speelt met verschillende stijlvormen, versies van eenzelfde gebeuren. Alles om te onderzoeken hoe het had kunnen gaan, waar die vrouw toch was toen de dingen plaatsvonden. Geweldig boek!

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Mij gaat het om Uria

    ‘De klemtoon ligt op de i,’ zei mijn collega afgelopen donderdag. Uría. Een naam die ik me toch had moeten herinneren. Hij, Uria, vaak met de toevoeging de Hettiet, speelt een cruciale rol in dat beroemde Bijbelverhaal over geilheid, bedrog en geweld: de liefdesgeschiedenis van koning David en Batseba. Ontelbare keren heb ik het verhaal gehoord en gelezen. Zelfs de billen van Batseba staan me bij, dankzij een filmscene op televisie. Het voyeurisme van de kijker werd bevestigd door de blik van koning David die vanaf een ander dak of vanachter een  open raam toekeek hoe Batseba de ene emmer water na de andere over zich heen gooide. Niet gewend om bloot te zien, werden haar billen voor altijd in mijn geheugen gegrift.

    Mijn collega nodigde me uit om in haar dienst het verhaal van David, Batseba en Uria (met de klemtoon op de i dus) voor te lezen. En opeens, onder het lezen, had ik te doen met Uria – het vergeten personage van de drie. Terwijl Batseba baddert, David eerst toekijkt en haar daarna bij hem in het paleis uitnodigt voor een vrijpartij, vecht Uria, zich van geen kwaad bewust, voor zijn koning aan het front. Als Batseba zwanger blijkt, roept David hem terug naar Jeruzalem. Hij hoopt dat Uria zijn verlof bij zijn vrouw doorbrengt, zodat zijn daad en haar overspel verborgen blijven. Maar Uria is zo loyaal, dat hij alle lichamelijke pleziertjes weigert. En dan vindt het grote verraad plaats. David geeft de opdracht bij de komende veldslag Uria in de voorste linies te laten strijden en hem op een geschikt moment in de steek te laten. De opzet lukt, Uria sneuvelt.

    Ik moest mijn emoties in bedwang houden toen ik voorlas in die zaal van oude en zieke mensen. Dit was grootse literatuur. Onder de kille feiten schuilt chaos. Er komt nog een vervolg met een profeet en dat het kind van Batseba en David sterft (hun tweede kind wordt koning Salomo), maar dat is in het licht van het korte leven van Uria bijzaak.
    Mij gaat het om Uria. Om zijn toewijding, loyaliteit en moed. Om zijn goedgelovigheid: dat anderen – zeker de zogenaamde boven-je-gestelden, zoals koning David – vanuit dezelfde waarden hun leven leiden. Waarden die je eigen individualiteit en kleine, persoonlijke wensen overstijgen. Duizend jaar voor Christus en de klad zat er al in, dacht ik, ahistorisch en kort door de bocht. Ik begreep wel waarom. Na een project zei eens iemand tegen me: ‘Ik moet excuses aanbieden, ik heb je al die tijd tegengewerkt.’ Ik was verbaasd. Over de bekentenis, over het feit dat iemand energie stak in het tegenwerken van een ander. We wilden allebei van ons vak toch het beste maken? Ik had vermoedens gehad, maar mijn verstand zei telkens: onmogelijk. 

    We weten verder niets. Uria’s dood behoedde hem voor een existentiële crisis, waarbij alles wat hem lief was tussen aanhalingstekens werd gezet. Eigenlijk had ik Uria die crisis gegund. Stel, hij overleefde wél, dacht ik weglopend van het spreekgestoelte. Hij zou zijn waarden herijken, meer leven naar zijn eigen wetten, of hij zou toch ten onder gaan. Want wie zegt dat je altijd sterker uit een crisis komt, liegt of heeft nooit een crisis gekend.

     

    Afbeelding: uitsnede schilderij van Rembrandt 


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Twee aspirine

    In alle vroegte printte ik het toegangsbiljet uit waarmee ik ’s middag zal worden toegelaten tot het Paleis op de Dam. Waar de Israëlische schrijver David Grossman uit handen van de koning de Erasmusprijs krijgt uitgereikt. Buiten hangt een dikke mist, er is migraine op komst. Op radio 4 hoor ik uitgeefster Eva Cossee over David Grossman vertellen. Hoe belangrijk hij voor het humane is. Het klonk zo mooi, ik wilde gaan. Dus voer ik de ochtend volgens plan uit: kleding uitzoeken (er was een dresscode), douchen, haar in krul laten opdrogen, gezicht bijwerken, foundation, mascara, lipstick, klaar. Slik twee aspirine.

    In 2006 riep Grossman samen met de schrijver Amos Oz de Israelisch regering op om de oorlog in Libanon te beëindigen. Niet lang daarna kwam zijn zoon in die oorlog waar nooit een einde aan komt om het leven. Grossman schreef erover in Een vrouw op de vlucht voor een bericht, een moeder die haar zoon aan het front verliest. In Uit de tijd vallen, schreef hij over het verlies van zijn zoon. In een interview in de Volkskrant uit 2020 zei Grossman, ‘Ik probeer in al mijn boeken het harde, versteende deel van onze geest te masseren.’ Ik wilde in de buurt van zo’n mens verkeren. Het belang los te komen van je eigen verhaal, zonder oordelen over afkomst naar een ander kunnen kijken. Troost vinden in boeken waarin een ongenadig hard leven, armoede en anders zijn, zoals in de boeken van Elizabeth Strout, de mensen voortstuwt. 

    Het uur dat ik de trein naar Amsterdam moet nemen, verstrijkt. Buiten is het nog steeds donker, november. Ik zet thee, slik twee aspirines. Op de bank sluimer ik weg. Ik sta in een boekwinkel, zoek bij de B van Barton, kan haar niet vinden. Ik heb teveel van Elizabeth Strout gelezen, over de schrijfster Lucy Barton. In Strouts verhalenboek Niets is onmogelijk, komt Lucy in bijna alle verhalen voor. Als aanleiding voor een gesprek, in de herinnering van een gepensioneerde schoolconciërge. Er is neef Abel, groeide op in net zo’n armoedig gezin als dat van Lucy, haalde als kind zijn eten uit vuilnisbakken. Tientallen jaren later ziet hij Lucy weer bij een boekpresentatie. De vreugde van het weerzien, dat ze het gered hebben. Lucy als beroemd schrijfster.

    In het verhaal ‘Zus’ komt Lucy na dertig jaar op bezoek bij haar broer Petie. Ook zus Vicky is uitgenodigd. Zus weigert, valt onverwacht toch binnen. Petie en Lucy hebben elkaar dan net met woorden afgetast, een bijkans gemoedelijk sfeer gecreëerd. Vicky verpest dat, is ziedend op Lucy, verwijt haar mooi weer te komen spelen. Lucy is toegevend, nodigt uit te komen zitten. Dan deze zinnen vol ongemak. ‘Vicky zette haar handtas op de grond en ging zo ver mogelijk bij Lucy vandaan op de bank zitten. Maar Vicky was omvangrijk en de bank niet zo groot, dus erg ver kon het niet zijn.’ Zo vinden ze elkaar terug, elk een ander geworden, nooit meer dezelfde, als familie onbereikbaar. Niets is onmogelijk, prachtig boek, pijnlijk ook. Ik slik nog twee aspirine.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Plastic letters

    Als je in de trein met een slakkengangetje langs de achterkant van Schalkwijk sukkelt, kun je daar op de gevel van een rijtjeshuis een tekst van slechts twee woorden lezen: met grote letters is daar een streng vermanend ‘heb lief’ aangebracht. Plastic letters, donkerbruin en schreefloos, zo lelijk dat het pijn doet. Maar de schaamteloze imperatief treft het hardst. Alsof het een gebod is, door Mozes grimmig toegevoegd aan die andere tien, dat ons geen andere uitweg biedt dan onwillig te gehoorzamen. Alsof liefde iets kan zijn dat je afdwingt. Het zal goed bedoeld zijn, maar bij mij roept dat bevel enkel wrevel op. Jezus zei tenminste nog: ‘Heb uw naaste lief als uzelf” (Marcus 12:31) maar daarvoor was natuurlijk geen plaats op die gevel. 

    Zou W.H. Auden hetzelfde ongemakkelijke gevoel gehad hebben toen hij in zijn gedicht September 1, 1939  in de Collected Poems uit 1945 de voorlaatste strofe wegliet waarvan de laatste regel luidde: ‘We must love one another or die.’? Hij gaf later te kennen dat hij het gedicht verafschuwde, ‘trash which he is ashamed to have written’. Waarom keerde Auden zich zo fel en publiekelijk tegen die oorspronkelijke versregel? Hij noemde het gedicht ‘the most dishonest poem I have ever written.’ En over de laatste versregel schreef hij: ‘That’s a damned lie! We must die anyway.’ Hij wilde het gedicht niet meer opgenomen zien in latere verzamelbundels, maar gaf uiteindelijk toch weer toestemming, mits de laatste regel van die strofe veranderd zou worden in ‘We must love one another and die.’

    Het is een subtiel verschil in de tekst, maar een enorme verschuiving in betekenis. De eerste versie vertelt ons dat we zullen sterven als we elkaar niet liefhebben. Dat houdt dus in dat liefde de dood kan overwinnen. De aangepaste versregel is fatalistischer: we kunnen elkaar wel liefhebben, maar sterven zullen we toch. Of sterven we juist als gevolg van die liefde? Ondanks Audens afkeer ervan zijn het juist die woorden die beroemd zijn en vaak geciteerd worden. De vertaling is van Arie van der Krogt:

    ‘All I have is a voice’

     To undo the folded lie,
     The romantic lie in the brain
     Of the sensual man-in-the-street
     And the lie of Authority
     Whose buildings grope the sky:
     There is no such thing as the State
     And no one exists alone;
     Hunger allows no choice
     To the citizen or the police;
     We must love one another or die.

    ‘Al wat ik heb is een stem’

     Om de leugen te laten zien
     De leugen van romantiek
     In het hoofd van de man met de pet
     En de leugen van het gezag
     Met zijn torens tot hoog in de lucht:
     Er is niet zoiets als een Staat
     En niemand leeft voor zichzelf;
     Door honger bestaat er geen keuze
     Voor burgers of dienders: we moeten
     Elkander beminnen of sterven.

    Liefde, het blijft een lastig iets. Toch lees ik liever het door Auden verfoeide vers dan dat ik me de les laat lezen door deze twee woorden op een gevel in Schalkwijk.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Een marktplein

    Ik lees Onder literatoren, vijfentwintig schrijversinterviews die tussen 1970 en 1983 door Herman De Coninck geschreven zijn. Prachtige gesprekken. Zoals met Anton Koolhaas die bekend stond als onbenaderbaar, vertelt over zijn dierenverhalen, het heeft over, ‘Het begrijpen dat alle vragen dood.’ Intrigerend, een begrijpen dat allesomvattend wordt, stilstand tot gevolg heeft. Vragen brengen je vooruit, los van je achtergrond creëer je een andere wereld. Het zinnetje  ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn.’ is me uit het prijswinnende essay van de Joost Zwagerman Essayprijs, ‘Bruikleen’ van Falun Ellie Koos, bijgebleven. Net zo intrigerend als fnuikend. Je ontwikkeling bevriest als vragen niet gewoon zijn. Het allereerste interview van De Coninck was in 1970 met Jan Wolkers, het laatste interview in het boek is in 1983 met Breyten Breytenbach. Het zijn veelal (witte) mannen en (twee) vrouwen, niemand stelde zich daar toen vragen over.

    Schrijvers uiten kritiek op elkaar in de interviews. Jan Wolkers over Mulisch, ‘Hij is een van die kunstluizen die alleen maar naar Cuba gaan om bruin te bakken in zwembaden (…).’ En Mulisch over Wolkers, ‘… die schrijft altijd maar weer zijn Kort Amerikaans, en de ene keer heet dat Turks fruit en de volgende keer weer anders.’
    De Belgische dichter en kunstenaar Paul Snoek vindt dat dichter en kunstenaar Marcel van Maele teveel schrijft. Hij zou zijn energie beter moeten gebruiken: ‘(…) hij schrijft en hij schrijft maar. De energie die nu in tien gedichten zit, had hij in één gedicht moeten stoppen.’ En dan volgt een heerlijke jaren zestig/zeventig vergelijking: ‘Dat is zoals een huisvrouw die de hele week eten maakt met dezelfde dingen, die telkens weer haar overschotjes gebruikt, vandaag de restjes van gisteren met wat kaas en gratin erop, morgen de restjes van vandaag met weer een ander sausje. Ze blijven altijd aan hetzelfde dingetje peuteren.’ In de muziek noemen ze dat variaties ‘op’. De Coninck schreef honderden interviews voor het blad Humo, een tijdlang was Piet Piryns zijn compagnon, gingen ze samen op pad.

    Eind jaren zestig begon psychiater Dr. R.H. Hoofdakker als Rutger Kopland poëzie te schrijven. De Coninck vraagt, ‘Toen bent u beginnen te schrijven?’  Kopland zegt, ‘Ja, voor die tijd was het allemaal vanzelfsprekend. Ik was gewoon arts, en… nou ja, dat was ik dan. Maar sindsdien is alles in beweging gekomen, ook om me heen, en ik kan me aan die beweging niet onttrekken.. (…) Ik ben me vragen gaan stellen. Een heleboel zekerheden zijn onder de tafel geraakt.’ Vragen trekken dingen los, morrelen aan bestaande zekerheden. 

    Voor De Coninck betekende het interview met Kopland een kentering in zijn leven. Sinds de dood van zijn vrouw bij een verkeersongeval waagde hij zich niet meer aan poëzie. Kopland zegt dat wat in Poëzie werkzaam is, ‘de troost van de herkenning is’. Hij vertelt over een jongen die een paar dagen in dienst zat en het daar niet uithield. Die jongen zei: ‘Zolang ik die bundel gedichten maar bij me had, kon ik het wel verdragen, want ik had het idee van: die dingen zijn voor mij geschreven, voor mij bedoeld. Zie je,’ zei Kopland ‘het “ik” waar het in mijn gedichten om gaat, dat ben ik niet. het “ik” is een marktplein waar de mensen samenkomen.’ Het bracht De Coninck ertoe te gaan schrijven over zijn verlies.
    Op Cees Nooteboom na zijn alle geïnterviewden zijn overleden. Deze interviews doet ze spreken als waren ze er nog. En dat is mooi.

     

    Onder Literatoren, Vijfentwintig schrijversinterviews / Samengesteld en bezorgd door Thomas Eyskens en Piet Piryns/ De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.