• Verslavend gedagschrijf

    Er was een tijd dat vrienden onaangekondigd langskwamen, er een fles werd opengetrokken, er altijd wel ergens een feest was. Ik lees Moeder en pen, Dagboek 1979-1983  van Mensje van Keulen. In juni 1979 bevalt ze van haar zoontje Aldo. Over de nacht voor de bevalling  schreef ze in haar voorgaande dagboek, Neerslag van een huwelijk. ‘Lon bevestigde een touw aan het plafond waar ik tot een uur of twee iedere vijf minuten aan ging hangen. Tussentijds dronken we wijn, praatten, lachten.’ Haar huwelijk met Lon is dan eigenlijk al voorbij. Hij bedriegt haar met een ander. ‘Ja, wat is er mis. Nu, zonet, gisteren, de afgelopen weken, al zo lang daarvoor. Ik kan het niet meer verklaren, niet analyseren. Ik wou dat ik het in een paar woorden kon in dit schrift, dit gedagschrijf, dat ik kut vind, waarvan ik wou dat ik er nooit aan was begonnen.’

    Dagboekschrijven op advies van Hans Warren en Gerrit Komrij, om het schrijven niet te verleren nu werken aan een nieuwe roman niet lukt. ‘Dus schrijf ik me weer de haastpokken in dit schrift, al lijkt het soms te helpen bij het bedwingen of ordenen van de gebeurtenissen of het ontbreken ervan, wat in feite ook een belevenis is.’

    Ze woont in die jaren aan de Prins Hendrikkade, ‘De hele dag doodmoe door gepieker en de herrie van de IJtunnel en het gebonk van het kraakhuis hiernaast.’ Op 3 okt. 1980 schrijft ze, ‘L is naar de Dordogne. Ik ging terug naar het huis aan de Prins Hendrikkade waar de geesten rondhangen van bejaarden die er vroeger woonden. (…) Hier en daar zit nog een handgreep die herinnert aan het sterfhuis dat het was, ik heb die dingen nooit aangeraakt. Misschien hingen al die tijd dat we hier woonden de eenzaamheid en de pijn van de bewoners nog in de kieren tussen de vloerplanken, (…).’  Ze noteert een bezoek aan beeldend kunstenaar Jan Dibbets en zijn vrouw, die in een voormalige gordijnfabriek wonen. ‘Dibbets had heerlijk gekookt. Hiske’, (hé, is dit de latere schrijver en schrijfdocent Hiske Dibbets, van Droomkeuken?), ‘zijn dochtertje, had de fruitsalade voor haar rekening genomen, Een lief meisje met een tandbeugel, maar dat ding deed niets af aan haar knappe gezichtje.’

    Als ze weer aan een roman werkt, wordt het dagboek overbodig. Op 3 januari 1982 noteert ze, ‘Het afgelopen jaar schreef ik hier maandenlang niet in, de pen gaf goddank voorrang aan mijn boek.’ Dat boek was Overspel, verscheen in 1983. Notities over de befaamde boekenmannen Theo Sontrop en Martin Ros, de laatste zit achter haar schrijfsels aan, de eerste wil een kind van haar. ‘Eerst Theo, die er donderdag op stond met me in La Rive in het Amstel Hotel te dineren en me weer voorstelde een kind bij me te maken.’ Het heeft iets van literair voyeurisme, het ongezien kijken naar het leven van een schrijver die je bewondert om haar volharding, haar boeken.

    Een egodocument laat een leven zonder contouren zien, het is grenzeloos en werkt verslavend. Van Keulen schrijft, ‘Als ik Flauberts brieven opsla, willekeurig, kan ik moeilijk ophouden. Ik onthoud er niets van, maar tijdens het lezen is het of ik met hem meedenk en instem zonder me te hoeven inspannen.’ Zo ook met deze dagboeken, zo gauw ik het boek open, kan ik er niet meer mee stoppen. Het is al middernacht, maar vooruit ik lees nog een stukje, en nog een. ‘23 augustus, Er komt een ’vreselijke’ recensie van Jaap G in HP, is me gezegd. Die zal sommigen dan een goed humeur bezorgen. Ik heb geen zin, en het heeft ook geen zin, om in te gaan op critici. Wordt onderbroken door Aldo: Mama Mennie! Múúúg!’  Het lezen van deze notities drijft je voort, onderwijl de laatste bladzijde vrezend. Dus ga ik nu eerst maar slapen.

    P.S. 0.4.00 uur. Naar toilet, boek op badrand. Ik lees: ’27 augustus, De recensie van Jaap G was inderdaad vreselijk. Nu moet ik volgens hem weer Renate Rubenstein, Nescio, Couperus en Coenen gelezen hebben. Toe maar.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Het verschil in blikken

    De jongeman van Annie Ernaux oogt ondervoed. Zijn rug is te smal voor een leesbare letter. De flappen zijn extra dik om hem toch body mee te geven. Binnen drie kwartier heb je De jongeman en het nawoord van vertaler Rokus Hofstede gelezen. Toch viel deze compacte liefdesgeschiedenis tussen een oudere vrouw en een jongen van vijfentwintig mij niet tegen. Ernaux raakt me gemakkelijk en dat komt door passages als de volgende: ‘Op een zondag in Fécamp wandelden we hand in hand op de pier vlak aan zee. Van begin tot eind werden we gevolgd door de ogen van de mensen die op de betonnen richel langs het strand zaten. A. wees me erop dat we onbetamelijker waren dan een homostel.’ De eerste keer dat R. en ik hand in hand liepen was op het Leidseplein. Toen we elkaar zoenden klonk afkeurend jongensgeschreeuw. Ik vrees dan ook, zonder daar nu een rangschikking van erger naar minder erg van te willen maken, dat een mannenstel hand in hand tóch onbetamelijker wordt gevonden.

    Soms lopen we nog steeds hand in hand, eerder buiten dan in Amsterdam, en dan zijn we allebei op het dierlijke af alert. Een klein kneepje: we laten elkaar los en worden twee gewone vrienden. In de drieëntwintig jaar samen hebben we nooit een woord besteed aan de geheime signalen die onze lichamen met elkaar hebben afgesproken. Ik herken de blikken van de mensen. Om er een paar te benoemen: je hebt de blik die alleen kijkt en de blik die als de ogen elkaar vinden verzacht en vriendelijk wordt. Je hebt de blik die wegkijkt. Je hebt de afkeurende blik. De blik die jou vies vindt. De vijandige blik. De gevaarlijke blik. Die laatste blik zal een oudere vrouw met een jongere man niet snel treffen, schat ik in. Ernaux en A. liepen geen gevaar in een gewelddadige situatie terecht te komen. Toch voelde en zag ze scherp wat haar relatie met A. betekende in de ogen van andere mensen: jullie relatie druist in ‘tegen de maatschappelijke normen’.  

    Zomaar een vraag: Wie van ons twee laat het vaakst als eerste los? Je hebt van die standaardreacties op gevaar: vechten, bevriezen, vluchten. En je opstellen als weerloos slachtoffer als vierde optie, als verder niets meer lukt. R. is van ons twee de meest wijze: hij laat als eerste los. In zelfverdedigingscursussen is vluchten de beste optie.   

    Vervolgens schiet Ernaux een afkeurende opmerking van haar moeder te binnen. ‘Toen ik als achttienjarig meisje tussen mijn ouders over diezelfde strandpromenade liep, met aller blikken op mij gevestigd vanwege mijn zeer nauwsluitende jurk’. De blikken van toen herleven in het heden: ‘Ik had het gevoel dat ik opnieuw dat aanstootgevende meisje was. Maar ditmaal zonder de geringste schaamte, met een gevoel van overwinning.’ Ernaux in de vechtmodus. Wat zou het fijner zijn geweest als haar moeder haar toen had gecomplimenteerd en had bevestigd in haar schoonheid. Dan was hand in hand lopen geen daad van verzet geweest, maar eerder een uiting van onbevangen gelukkig zijn. Iets waarvan twee mannen of twee vrouwen van dezelfde leeftijd of met een onderling leeftijdsverschil alleen maar kunnen dromen.

     

    De jongeman / Annie Ernaux / vertaling Rokus Hofstede / De Arbeiderspers


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

     

     

     

  • Mijn eerste Fay Weldon

    Op 4 januari overleed op eenennegentig jarige leeftijd de Britse schrijver Fay Weldon. Ze schreef meer dan dertig romans en enkele autobiografische boeken, haar laatste verscheen in 2017. Midden jaren tachtig las ik Fay Weldon voor het eerst. Nadat ik gescheiden was, van de man waar ik nu weer mee getrouwd ben (echt gebeurd), betrok ik een ruime kamer boven een bakkerij  in de binnenstad van Deventer. Ik herinner me een zaterdag in november. Het was miezerig weer afgewisseld met stortbuien. Uit grote besluiteloosheid, waar ik toen ook al aan leed, trok ik alle meubels uit hun opstelling en probeerde ze opnieuw te formeren. Wat net als het formeren van een kabinet, een haast ondoenlijke zaak is. Vloerkleed diagonaal leggen, of toch in het midden van de kamer? Bank voor het raam met het frans balkon, of tegen de binnenmuur/zijmuur? Alles eindigde midden in de kamer, daaromheen de leegte. In die opgebroken toestand las ik mijn eerste Fay Weldon.

    In koel, beschouwelijk proza schrijft Weldon over Lucy, moeder van twee dochters, Praxis en Hypatia. Het verhaal begint met fotobeelden bekeken door Praxis als oudere vrouw. In haar herinneringen was er veel heimelijk gedrag, gekonkel over dit en dat. Gedachten over haar moeder, of ze nu wel of niet met de man die een tijd bij hen inwoonde naar bed ging. Praxis weet: ‘Moeder zou het ontkend en in die ontkenning geloofd hebben, of ze het nu wel of niet had gedaan. In een tijd dat de instincten van de vrouw op zo gespannen voet verkeerden met de regels van de samenleving kon je dergelijke gelokaliseerde amnesieën alleen maar verwachten.’ Wat een geweldige vergoelijking is om te mogen liegen over dingen die niet geaccepteerd werden. 

    De moeder eindigt in het gesticht als haar dochters veertien en zeventien zijn. Als Praxis haar bezoekt, krijst ze net zo lang tot ze weer weggaat. Weldon etaleert verschillende theorieën over relaties tussen ouders en hun kinderen, die ik toen niet zo gezien had. Haar herinneringen spelen Praxis parten. ‘De herinnering aan het diepbedroefde kind dat je was; het besef van fouten, niet goedgemaakt, en wonden, niet geheeld, de verscheurende pijn van een verleden waaraan niets kan worden verandert.’ Dat er niets veranderd kan worden, is van een intense droefheid. 

    Evenals haar moeder verstek liet gaan, zo lukt het ook Praxis niet haar kinderen een veilige haven te bieden. Weldon schrijft: ‘Kinderen die gekwetst zijn groeien op om te kwetsen. Dit weet ik. Ik wist het, maar toch was ik hulpeloos. Ik krijste en schreeuwde, probeerde te moorden of veinsde zelfmoord, in bijzijn van mijn kinderen; beoefende de duistere zijde van mijn erotische natuur onder hun verbijsterde blik, onverschillig voor de afgrond die ik open sloeg onder hun voeten. Ik, die hen behoedde voor de vlooien van vreemde honden, en akelige tonelen in de bioscoop, en die hun haar borstelde met liefdevolle zorg. Ja, dat deed ik, en jij deed dat, en jij ook: betaalde hen terug met wat moeder jou aandeed.’ Dit is Fay Weldon ten voeten uit. Praxis werd genomineerd voor de Booker Prize, maar kreeg hem niet. Dat is jammer, want het is een boek dat bij elke herlezing iets nieuws vrijgeeft. En dat zegt wat. 

     

     


    Inge Meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over alles wat ze leest.

     

     

     

  • Niet mijn Emily

    Ik had mijn eigen stelregel overtreden: ga nooit naar de film als je het boek gelezen hebt, want dat valt altijd tegen. Goed, er waren uitzonderingen: ik was vroeger smoorverliefd op de sardonische grijns van Clark Gable als Rhett Butler in Gone with the wind, en Gregory Peck speelde Atticus zoals ik die me tijdens het lezen van To kill a mockingbird had voorgesteld.  Maar de film Emily van Frances O’Connor had maar weinig te maken met Emily Brontë die Wuthering Heights geschreven had. De eeuwige vraag waar een geïsoleerd levende jonge vrouw haar inspiratie had opgedaan voor het schrijven van zo’n wrede, krankzinnige en gruwelijk mooie roman werd beantwoord door haar een relatie te laten aangaan met de dorpspredikant. Er was weer een man voor nodig en een stormachtige, gepassioneerde liefde om Emily Brontë op het idee te laten komen een roman te schrijven. Want hoe zou een streng opgevoed meisje, ver van de mondaine wereld opgegroeid in een klein dorpje in het ruige Yorkshire anders weten waar mensen toe in staat zijn? Alsof ze nooit een boek gelezen had, alsof ze geen dromen had!

    De dorpspredikant, die zo kwezelachtig was om hun relatie te verbreken omdat het een doodzonde zou zijn, kon in ieder geval nooit model hebben gestaan voor Heathcliff, dat was duidelijk. De nadruk werd gelegd op het anders-zijn van Emily, dat haar tot een zonderling maakte in de ogen van anderen. Charlotte Brontë werd neergezet als een preutse, bigotte juffer en jongste zus Anne als een giechelend leeghoofd. Terwijl de roman Jane Eyre van Charlotte toch ruim drie maanden voor Wuthering Heights gepubliceerd werd en de drie zusters altijd gezamenlijk schreven. Maar het schrijverschap van zowel Charlotte als Anne kwam in de film nergens ter sprake, alleen broer Branwell kreeg aandacht als het zwarte schaap van de familie. De film was ook niet echt als biografie bedoeld, maar onwillekeurig wil je er toch iets in terugzien van wat je liefhebt. Maar het was mijn Emily niet. Ook niet die van Yentl van Stokkum, denk ik, die het volgende fragment schreef in haar gedicht:

    ‘Ben je geobsedeerd door een dode dichter’

     de natuur houdt geen rekening met geesten en wie houdt er niet van wie jong gestorven is?

     al dat potentieel dat we in de grond stoppen wat een drama hoe erger de dood hoe groter de
     aanwezigheid van de dode

     hier heb je dode geniale familie een grote ontbonden belofte wat vind je ervan?
     stuk voor stuk hun tijd vooruit wie weet wat ze nog hadden gedaan en geschreven

     hier ligt Ellis Bell en we noemen hem ook wel
     Emily Jane Brontë

     En de recensies waren waardeloos de dagboeken zijn vernietigd en er was nog een
     manuscript en wie weet’

    Ik nam me heilig voor nooit meer naar een film te gaan die op een boek of het leven van een auteur gebaseerd is, alleen  de serie Lampje naar het boek van Annet Schaap, daar maak ik  graag nog een uitzondering voor. 

     

     

    Uit: Ik zeg Emily / Yentl van Stokkum2021.


    Hettie MarzakPoëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Is sneeuw de uitkomst

    Een vriendin vertelde me eens over een schrijver in wiens boeken altijd een dwerg voorkwam. Ook toen ze zei dat ze een boek zonder zou schrijven, kwam er een dwerg in voor. Van sommige dingen die je schrijft, weet je niet dat je ze schrijft. In het werk van Lucas Hirsch lees ik geregeld het woord sneeuw zonder dat het sneeuwt. In het gedicht, ‘Ashuis, I.M. voor Hanna Lauinger 1923-1 mei 1945′, over de verloofde van zijn opa die zelf de oorlog overleefde. Zijn latere vrouw zat in het verzet, wat niet noemenswaardig leek: ‘Het sneeuwde onder bij het leed dat opa te verstouwen kreeg in Auschwitz.’ Als lang na de oorlog ontdekt wordt dat de verloofde van zijn opa vier dagen voor de bevrijding stierf aan een voetinfectie, grijpt het leed van die generatie hem bij de keel. ‘Ik bijt mijn tanden stuk. Mijn tong proeft as en sneeuw en hart.’ Verderop in het gedicht droomt hij dat hij zijn opa ziet slapen. ‘Waar oma normaliter zou liggen lag nu een hoopje sneeuw. Ik schatte er een verloofde, een moeder / en een leven in.’ Wanneer taal niet voldoet, woorden tot emoties vervloeien, is sneeuw de uitkomst.

    Ik denk daaraan als ik halverwege Shotgun Wedding ben. Een boek over de moord op zijn vriend Derk Wiersum die hem volledig velt. Het ongeloof, intens verdriet rauw en razend. Als de tranen koud op zijn wangen liggen, ‘steken ze als de eerste sneeuw.’ Ik kijk mee onder de stolp van rouw waarin de schrijver zich bevindt. De rouwkaart met het in lichtblauw getekende portret van zijn vriend, komt in de boekenkast voor de bundels van de Beats. Lees de rugtitels: Howl, Gasoline, Kaddish. The Wasteland en Leaves of Grass ertussen. Sinds hun vijftiende lazen ze de boeken die hun idool Jim Morrison las. Als elk in een ander deel van Nederland gaat studeren, geven ze elkaar zinnen uit boeken die ze allebei gelezen hebben. De een geeft de eerste zin uit een boek, als de ander de titel weet, geeft deze de laatste zin. 

    Met het verlies van zijn vriend blijven ook de woorden weg, is ‘de poëzie kapot’. Als hij hem voor een laatste keer wil zien, wordt hij gewaarschuwd, ‘Dat je in je gezicht geschoten bent.’ Daar schrik ik terug, het gaat hier niet om een gewoon dode vriend, het gaat om een vermoorde vriend.

    De verschillende gradaties van rouw, verdriet, uiteenvallen, woede. Als dieptepunt de uitvaart. Er is (zwaarbewapende) beveiliging, ‘er dreigt iets, zegt men, wat van deze dood nog veel meer dood wil maken. Noem het de tijdsgeest of de geest uit de fles, een falend systeem, het maakt niet uit, het klemt mijn keel dicht en ik krijg geen lucht.’

    Tien dagen na de moord verlaat de schrijver de wereld waarin hij door rouw verbonden was met vrienden en familie. Een paar maanden later lijkt alles haast gewoon. Weer afspreken met de vriendenclub, waartoe ook Derk behoorde. Een wandeling, een etentje, waarna het gemis des te groter is. ‘In de ochtend word ik wakker met duizend meter sneeuw op mijn hart. Het koelt mijn rouw, dus schudden doe ik niet.’ Dit boek is een indringende elegie om het verlies van een jeugdvriend, van een leven. De woorden werden gevonden, het beklijft ten zeerste.

     

    ‘Ashuis’ uit: Het Liegend Konijn (2021)


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Ik heb geen tikkie

    Op zaterdagavond word ik gebeld. We zijn niet meer dan vage kennissen, daarom ben ik verrast zijn stem te horen. Vorig jaar mei zagen we elkaar voor het laatst. Hij droeg toen een rood giletje op een English Hatter. Tijdens de corona-epidemie stuurde hij mij geregeld een podcast van zijn huisarts in ruste. Over de voor- en nadelen van groepsimmuniteit.  Soms was zijn toon wat in mineur, voorspelde hij dat we allemaal naar de ratsmodee gingen. Dan verstuurde hij als Whatsapp bericht een walsje op zijn mondharmonica. Ik antwoordde altijd vriendelijk; soms met een kleine steunbetuiging.
    Hij bekeek de zaken graag van twee kanten. De mensen in het verpleeghuis hadden het niet makkelijk, maar hij zelf, als kleine ondernemer, leed ook. ‘Ik stap telkens te laat in’, vertelde hij. Dat begon al toen hij met de Britannica encyclopedieën langs de deuren ging en de mensen niet meer op papier maar gratis en digitaal hun informatie vonden. ‘Ik ben als de stad Utrecht. Die bouwde ook een pesthuis toen de pest was uitgewoed.’

    ‘Sorry dat ik je bel,’ zegt hij als ik hem vriendelijk en verbaasd heb begroet, ‘Maar ik zit in moeilijkheden. Echt vervelend.  Zou je me misschien vijfentwintig euro kunnen lenen? Maandag geef ik je het terug.’ Zijn stem klinkt rustig, hij articuleert zorgvuldig. Toch moet hij in gevaar zijn. Iemand zet hem het mes op de keel. Vanwege een schuld? Een conflict? Of het klaar is met die mondharmonica-melodietjes van hem. ‘Ik heb geen tikkie,’ zegt hij tussendoor. ‘Graag overmaken.’ Ik herhaal zijn naam, alsof ik een professioneel hulpverlenersgesprek voer: ‘Klaas, het komt in orde.’ Nog geen minuut later appt hij: ‘Het staat nog niet op mijn rekening.’ En enkele seconden daarna belt hij me: ‘Het is er nog niet.’
    Ik zie hem, gehurkt, omringd door mannen met messcherpe voorwerpen. Zijn giletje heeft hij al moeten inleveren. Zijn oude moeder, vastgebonden, mist al een pink. Terwijl ik op zalvende toon vertel dat ik mijn computer juist opstart om digitaal het geld naar hem over te maken, vraagt R. vanachter zijn Men’s health, waar ik mee bezig ben op de vroege zaterdagavond.  ‘Met Klaas, je weet wel,’  – hij weet het niet – ‘hij is in moeilijkheden.’ Ik app: ‘Het is overgemaakt. Sterkte.’ Geen antwoord. De hele avond is hij niet meer online. 

    ’s Nachts, na het plassen, check ik nog een keer. De tijd onder zijn naam blijft op 19:12 staan. Op zondagmiddag is hij terug op zijn Whatsapp. Er volgt geen berichtje. Geen dankjewel. Op maandag, zo begin ik al te vermoeden, wordt niets teruggestort. ‘Hij heeft die zondag vast zijn roes uitgeslapen,’ zegt R. dinsdagochtend bij de koffie. Ik grinnik beschaamd en denk aan Thomas Manns Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull. Mensen willen bedrogen worden. Met Krull wilde Thomas Mann aantonen dat kunstenaars en misdadigers verwante zielen zijn, staat er op de flaptekst. R. kijkt naar mijn ogen: ‘Ik zie een uitruil. Hij vijfentwintig euro, jij een column.’ De criminelen schrap ik. Ik zet Klaas op een barkruk in een Carmiggelt-achtig café, een boodschappentas met encyclopedieën aan zijn voeten en bier op de lat. Hij belt willekeurig een nummer.

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Mr. Thank You

    Als je op het platteland tussen Izu en Tokio met de bus mee moet, kun je geen fijnere buschauffeur treffen dan Mr. Thank You. Hij is altijd goedgemutst en belangstellend en vergeet nooit andere weggebruikers te bedanken die op de smalle bergweggetjes aan de kant moeten om zijn bus erlangs te laten – zelfs niet als dat een stel kippen is. Het maakt hem zo populair, dat passagiers hun reisschema er graag voor aanpassen.

    De film Mr. Thank You, uit 1936, van regisseur Hiroshi Shimizu, vertelt het verhaal van één rit. We stappen mee op de bus, leren de verschillende passagiers kennen en de mensen die ze onderweg ontmoeten, waaronder een groep arbeidsmigranten, en nemen node afscheid van hen als ze uitstappen. Intussen genieten we van het adembenemende platteland van Japan. In niet meer dan 76 minuten schetst Shimizu in een bedaard tempo en op luchtige toon een portret van de maatschappelijke problemen van Japan in de crisisjaren. 

    Hiroshi Shimizu (1903-1966) was een rijkeluiszoon met een gevoelig oog voor sociale problemen. Hij debuteerde als regisseur op zijn 24ste en maakte meer dan 160 films. Films die ogen alsof ze uit de losse pols gedraaid zijn en die nog altijd verrassend modern aandoen. Daaronder een reeks schitterende kinderfilms, dat wil zeggen films voor volwassenen met kinderen in de hoofdrol. Kenji Mizoguchi zei over Shimizu: ‘Regisseurs als Ozu en ik moeten hard werken om onze films gemaakt te krijgen, maar Shimizu is een genie.’ Dat genie is in Mr. Thank You volop zichtbaar.

    Voor een van de passagiers, een bleu 17-jarig meisje, is het een verdrietige rit. Ze gaat als dienstmeisje in Tokio werken, de armoede dwingt haar daartoe. Haar moeder vergezelt haar tot het treinstation. De treurige blik van Mr. Thank You gericht op het meisje vertelt ons wat ‘als dienstmeisje’ betekent.  Haar lot brengt hem in gewetensnood. Hij droomt van een eigen auto en heeft het geld al bij elkaar. Maar hij kan dat natuurlijk ook ergens anders voor gebruiken. Is een meisje niet belangrijker dan een Chevrolet?

    Mr. Thank You, gebaseerd op een verhaal van Yasunari Kawabata, is een briljante film, verbluffend van eenvoud en wijsheid. Als de eindtitel bereikt is, stap je met tegenzin uit de bus. De film is te zien op YouTube.

     

     


    Hans Heesen, Filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam, schrijver van Naar Zutphen en Een naderend begin van iets nieuws (Uitg. IJzer), schrijft maandelijks een filmcolumn.

  • Herinnerde verhalen

    Vorig jaar december bracht de post een boekje met drie kerstverhalen. Ik las ze direct, het waren uitzonderlijke verhalen, zonder kerstboodschap. Het ene verhaal, hoewel triest, ook wel grappig. Het andere onhandig en het derde ronduit verdrietig. Gisteren stond ik er weer mee in handen. Ik dacht aan het wel grappige verhaal, aan de man en de vrouw. Ze zitten in een getekende antieke auto. In de wielen met spaken zit een slag. Ze zijn op weg naar de Elzas, op de vlucht voor kerstverplichtingen. Beiden kijken stuurs. Hun relatie is een duwen en trekken. ‘We hadden een LAT-relatie die zich al jaren voortsleepte zonder dat we er een einde aan wisten te maken.’ Ze logeren in drie verschillende hotels. Gezellig is het niet, het stinkt er. In elk hotel dezelfde stank, steeds sterker, dat wel. ‘We vonden een pittoresk hotel in Beaune. Maar daar was die gore lucht weer, die intussen tot een ziekmakende stank was toegenomen.’ Alsof ze het bij zich droegen. Die relatie komt tot een eind. Dat is het grappige van dit verhaal. ‘Ik schonk mezelf een glas vin jaune in en dacht: dit wordt een heerlijke kerst.’

    In het onhandige verhaal gaat een meisje met haar vriendinnetje voor kerst bij minderbedeelden op bezoek. Ze weten niets van armoede. Met een kerstboompje, een tas vol etenswaren bezoeken ze een vrouw. ‘Daar zat de oude vrouw. Achter haar zagen ze een bruin gordijn, daar zou de slaapkamer wel zijn.’ Er hing een benauwende lucht in de kamer, ‘van ongewassen lijven, urine, afval, bedorven eten en smerige kleren, schimmelig, aards en ziltig tegelijk, een zurige, vettige, onbekende lucht die als een bruine, onzichtbare mist in de kamer hing en alles bedekte.’ Ze wilden zo snel mogelijk die kamer weer uit, maar vragen of ze iets kunnen doen. ‘Afwassen, of de vloer vegen of zo.’ Ze mogen water halen. ‘Er stonden twee emmers bij de deur, ze pakten de emmers en gingen weer de zes trappen af, en met volle emmers weer naar boven. “Bedankt” zei de vrouw.’  Zo gauw de meisjes buiten waren, de eerste indrukken van zich afgerend hadden, vergaten ze de vrouw die later door de schrijver van dit boekje weer herinnerd werd. Op de tekening staan twee onhandige meisjes midden in het kamertje, de oude vrouw op de voorgrond, de rug naar hen toe.

    Het meest moest ik denken aan het verhaal van een meisje dat met haar ouders  in een stad aan zee woonde. Zomers gaan ze zwemmen. De vader met het meisje om zijn hals hangend. ‘ze hield hem goed vast, maar het water stroomde tussen hen in en ze zweefde hoog op het schitterende water’. De vader werd ziek, de oorlog achtervolgde hem. Er werd een nieuw medicijn op  hem uitgeprobeerd, cortisone. Toen werd de vader opgenomen. Het vrolijke kerstfeest wilde niet komen. De moeder huilde, het meisje ook. De schrijver ziet, ‘nu ik ouder word zijn de herinneringen veel scherper. De beelden komen dichterbij, ik maak het steeds opnieuw mee, steeds weer, als het tienjarige meisje dat ik toen was en tegelijk als de vrouw die ik nu ben.’

    Met kerst bezoekt dat tienjarige meisje haar vader. ‘Het rook vreemd in de kamer, weeïg en zoet en naar iets wat aan het rotten was. De lucht van de dood. (…) De lucht zette zich in mij vast, alsof die mij iets wilde vertellen.’ Verhalen aangezet door stinkende geuren. Stank als waarschuwingssignaal voor teloorgang, armoede, de dood. Er staat een getekende, magere vader in streepjes pyjama voor een raam waarachter het sneeuwt. Hij heeft het meisje bij de hand. Het meisje kijkt naar de sneeuwvlokken, de vader kijkt naar het meisje. Rondom hen een getekende kerstkrans van hulstbladeren waarin de dood in de vorm van skeletten als versiering is verwerkt. Dit boekje een kleinood met verhalen die me bijblijven.

     

     

    Drie kerstverhalen / Solange Leibovici / tekeningen Elisa Pesapane / Polak & Van der Kamp


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over alles wat ze leest.

     

  • Even de doden bijpraten

    Het is niet ongewoon om met de doden te praten zoals Lark doet in Andrew Hollerans roman The beauty of men (1996). Lark rijdt over Eighth Avenue en denkt aan de doden in zijn leven: ‘It’s a curious thing about the dead that we keep talking to people even after they die. In fact, that may be when we really start talking to them: when they’re no longer able to talk.’
    De vrienden waarmee Lark in gesprek is, zijn gestorven aan aids. Lark is dan ook een man diep in zijn midlife-crisis, die deze jarentachtigplaag heeft overleefd, misschien met meer geluk dan wijsheid, wie zal het zeggen. Lark zelf zwijgt erover. Het zijn veelal de dingen van alledag die passeren, of het zijn herinneringen aan gedeelde gebeurtenissen. 

    Lark herkauwt zijn leven en de doden helpen hem daarbij. Het hoort misschien wel bij het ouder worden. Het hoort ook bij rouw. Rouw om mensen die in je leven zo van betekenis zijn geweest. Ondertussen blijft Lark uit een soort hondentrouw zijn verlamde moeder in het verpleeghuis opzoeken. Samen brengen ze de tijd door met televisie kijken en kleine gesprekken. Want als hij met iemand niet zijn diepste gevoelens deelt, dan is het wel met haar. Ze weet niets van het leven dat hij heeft geleid in New York. Ze heeft misschien een vermoeden, maar tussen hen blijft het beeld bestaan van de bijkans aseksuele, vrijgezelle zoon die geen tijd heeft voor relaties omdat hij zijn moeder moet verzorgen. Moet hij haar vertellen van zijn bezoeken aan ontmoetingsplaatsen voor anonieme seks? Wie wordt daar vrolijk van? Seks die er bij het ouder worden steeds meer bij in schiet. De mannen wier blik hij wil vangen, en die vroeger hongerig zijn blik beantwoordden, kijken nu door hem heen. Dat is het ongeluk van oud-zijn, je wordt onzichtbaar. Dichter bij de doden kun je bijna niet komen. Onopgemerkt raken, Holleran laat het de moeder zeggen in Nights in Aruba (1983), een eerdere roman. Zij leed toen onder die onzichtbaarheid en in The beauty of men heeft zij dit verdriet overgebracht op de zoon.

    Ik las het boek aan het einde van 2022, de weken dat er op mijn werkplek in het verpleeghuis ruimschoots wordt teruggeblikt en gemist. De foto’s op de vensterbanken zijn getuigen van een vroeger bestaan. En ja, op stille avonden – en eigenlijk zijn alle avonden stil of de televisie nu wel of niet aan staat – helpen de portretten het innerlijk gesprek op gang. Er wordt geregeld met de doden gesproken, ik hoef dat onderwerp niet eens te introduceren. Soms heeft zo’n gesprek de vorm van een gebed, vaker is het een innerlijke dialoog die in de stilte gevoerd wordt.  Wat voorheen ongezegd bleef, kan nu gedeeld worden. Je hoeft niet meer te veinzen, de doden kijken door je heen. Ze worden meer zoals jij bent. 

    Andrew Holleran is een pseudoniem van Eric Garber. Zijn boeken, inclusief het pas verschenen The kingdom of sand, zijn varianten op zijn eigen leven. Garber heeft zijn moeder nooit over zijn boeken verteld. Over zijn homoseksualiteit zweeg hij tegen haar. Inmiddels is zij enkele decennia geleden overleden. Zal hij haar hebben bijgepraat?

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Geen internet

    Afgelopen weekend stond er een interview met Judith Herzberg in de Volkskrant. Het ging over muizen, schoenen, taart, woorden die goedkoop zijn, zoals ‘vreemd’. Herzberg is op haar achtentachtigste nog steeds een dichter die zoekt, schrijft, aarzelt, niet weet of het wat is. Of er nog dingen zijn, gezien haar leeftijd, die ze per se wil doen, werd er gevraagd. ‘Die zijn er de hele tijd’, zei Herzberg. En of er ook nog persoonlijke dingen spelen die opgeruimd moeten, ‘met mensen enzovoorts’. Dat vindt Herzberg van geen enkele relevantie voor het gesprek. ‘We moeten wel onderscheid maken tussen privé en werk in een interview, Dat moet. Dat wil ik altijd graag.’ En, ‘Het persoonlijke gaat vreemden geen barst aan.’ Ik bewonder haar pertinentheid. 

    Eind vorig jaar verscheen de bundel Sneller langzaam – reden voor dit interview – maar ze wil het er niet over hebben. ‘Ik ga toch niet met jou mijn eigen bundel bespreken? Ik heb het al geschreven.’, zegt ze tegen de interviewer. Direct gevolgd door: ‘Zullen we de bordjes wegzetten? Of wil je nog meer taart eten? Het is heel machtig. Denk dat de muizen er gek op zouden zijn.’ Wat zomaar een gedicht zou kunnen zijn. Herzberg heeft geen internet, moet ze ook niet aan denken zegt ze, ‘anders ging ik me de hele dag ergeren aan allerlei onzin.’
    Dan die muizen. Eerst was er een, toen waren er twee. Herzberg voorzag dat het er in korte tijd meer zouden zijn. Ze werden brutaler, een muis klom in de gordijnen, de ander kon haar zo aanstaren, midden in de kamer, zich afvragend, wat doet die vrouw hier?

    Een vriendin van mij kijkt altijd eerst naar iemands haarsnit en dan naar de schoenen. Het gaat vanzelf, het is een eigenschap. Herzberg kijkt naar schoenen. ‘Ik heb jouw schoenen ook al bekeken,’ zegt ze tegen de interviewer, ’toen je niet keek.’ Wat ze ervan vond. ‘Heel goeie schoenen.’
    Door Herzberg heb ik gedichten paraat die ik zo kan declameren:

    ‘Vraag
    Hoe is dat zo geworden
    Van altijd komen slapen
    Tot nooit meer willen zien?’ 

    Vorig jaar verscheen een uitgebreide versie van de overzichtsbundel Doen en laten uit 1994. Mooie uitgave, stevige kaft. Daarin staat het gedicht, ‘Het hart’. Over een donorhart dat het niet redt in een ander lichaam. Herzberg verplaatst zich in het hart, dat bij de begrafenis niemand aan dat hart denkt waar niks mee aan de hand was voor het in een ander lichaam werd geplaatst.
    ‘(…) niemand riep: Ho dat gaat zomaar niet, hier wordt een hart begraven in een borst die het verstoten heeft’. Haar gedichten ontstaan uit waarnemingen, overblijfselen van ervaringen van anderen, van haarzelf. Ze zegt daarover, ‘Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’ Om van dat toevallige net dat juiste weer te geven waardoor het een typisch Herzberg gedicht wordt, dat is de kunst. Ik las het interview,(een van de mooiste dat ik in tijden las), meerdere keren. Er ontstond het sterke verlangen in navolging van Herzberg zonder internet te leven. Laat ik beginnen met te verdwijnen van Instagram en Linked-in. Judith Herzberg, mijn ‘influencer’.

     

     

    Interview door John Schoorl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

  • Russisch leren

    Ik ben al geruime tijd bezig met het leren van Russisch, maar ik vertel het tegen niemand, om er niet van verdacht te worden dat ik op wil trekken naar het Rode Plein, om te converseren met het megalomane monster Poetin. Ik wil alleen maar een aantal klassiekers uit de Russische literatuur in de oorspronkelijke taal kunnen lezen, zoals ik jaren geleden Grieks leerde om het origineel van Homerus’ Ilias en Odyssee te kunnen lezen. Ik worstelde heftig met die taal, maar ik heb ze wel in het Grieks gelezen, de verhalen over Achilles en Odysseus, ‘de man die naar huis wilde’, zoals Guus Middag hem zo treffend beschreef. 

    En nu dus Russisch, lang voor de brute inval van Rusland in Oekraïne. Het is een mooie taal, maar mensen reageren alsof ik collaboreer met de vijand. Net zoals mijn vader jaren geleden deed toen ik vertelde dat ik naast Nederlands ook Duits wilde studeren. Maar hem nam ik het niet kwalijk: hij hoorde nog steeds de laarzen marcheren, zoals hij ze in Auschwitz had gehoord. Hij geloofde mij nooit als ik vertelde dat Rilke, Heine en Brecht die taal waarin hij alleen bevelen had horen blaffen, ook konden laten zingen.  

    Ik hoor de taal ook zingen bij Isaac Babel, van wiens werk ik zoveel hou, maar meer nog in de poëzie van Anna Achmatova (1889-1966). Ik kocht ooit een tweetalige bundel van haar, Russisch-Engels en ik vind het zo jammer dat ik de helft van die bundel niet kan lezen, het lijkt zo’n verspilling. Ik weet wel dat er ook goede vertalingen van haar gedichten in het Nederlands verkrijgbaar zijn, maar ik wil zo graag haar eigen stem horen zoals die geklonken moet hebben in haar vroege liefdesgedichten en later bij het schrijven van haar Requiem en haar Epos zonder held in de periode na de Russische revolutie, toen de Sovjet Unie zich ontwikkelde tot een totalitaire staat die zich via terreur handhaafde, zoals ook nu gebeurt. Voor haar en voor andere Russische schrijvers wil ik Russisch leren. 

    De Vlaamse dichter Richard Minne (1891-1965) zou dat wel begrepen hebben. Hij probeerde boer te worden, maar dat maakte hem uiteindelijk doodongelukkig. Misschien omdat hij volgens zijn gedichten wel ‘stro in zijn klompen had’, maar niet ‘in zijn hoofd’. En hij hield van de Russische literatuur: 

    ‘Gogol

     Ik lees Gogol. Hij is groot.
     Hij spreekt van liefde en dood,
     en dat mensen klein zijn
     en voor elkaar venijn zijn
     en dat, trots van alles, dit leven
     nog hoog staat aangeschreven. 

     Hoveniersgedicht IX

     Ik denk aan Tchekof
     waar ik loof trek of
     Tobbie melk. Altijd.
     Weemoedigheid.’

    Een taal mag niet verantwoordelijk worden gehouden voor de daden van de mensen die haar spreken. De moordenaars van de gebroeders De Witt spraken Nederlands, evenals degenen die verantwoordelijk waren voor de doden in Atjeh. Ook Marc Dutroux zal het Vlaams van Minne wel verstaan. Monsters en engelen mogen dan misschien dezelfde taal spreken, maar het verschil ligt in wat erin gezegd wordt. 

     

     

    Uit: Verzameld werk, Richard Minne (2006)


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Gewoon doorroken

    Op bezoek in het ziekenhuis zag ik een man in verfomfaaide nachtkleding door de ziekenhuisgangen naar de uitgang lopen, een infuus stellage voor zich uitduwend. Buiten liep hij naar een soort bushokje. Daar haalde hij met een hand, de ander werkloos op de infuus stellage, een pakje rookwaar uit zijn vestzak. Met zijn mond trok hij er een sigaret uit. Hij stopte het pakje terug, stak de sigaret aan, inhaleerde diep en keek bij het uitademen, alsof hij nu pas ontwaakte, om zich heen. In mijn hoofd klonk, ‘Sukkel, waarom stop je niet met roken?’ Alsof je de dood met een rookgordijn op afstand kunt houden. Zou het zo werken? Sigmund Freud zou het geweten moeten hebben. Toen hij zelf leed aan necrose in de mondholte, er een gat in zijn wang ontstond, bleef hij gewoon doorroken. We leven alsof er geen einde aan komt, tot er iets hapert en het begrip sterfelijkheid zijn betekenis krijgt. In de roman Alle mensen zijn sterfelijk van De Beauvoir vindt een ontmoeting plaats tussen een vrouw die het liefst onsterfelijk zou willen zijn, en een man die daadwerkelijk onsterfelijk is, al eeuwen leeft. Zijn grootste wens is dood te gaan. Dat wat we nog nooit ervaren hebben, te willen aangaan. Het zou iets voor een Bucketlist kunnen zijn.

    Schrijfster Katie Roiphe kreeg op haar twaalfde een ernstige longinfectie, de helft van haar longen werd operatief verwijderd. Ze raakte op die leeftijd geobsedeerd door boeken over volkerenmoord. Leest Elie Wiesel, Primo Levi, ontleent er een bepaald soort genoegen aan. ‘Ik wil kinderen zien sterven.’ Misschien omdat de dood haar zo dicht was genaderd dat ze wilde weten wat het is om te sterven. Later maakt ze een boek over het sterfproces bij schrijvers en kunstenaars, mensen met een verbeeldingskracht die de hare te boven gaat. Ze schrijft over de laatste dagen van John Updike, Maurice Sendak, Susan Sontag, Dylan Thomas. Ze las nauwkeurig hun brieven, dagboeken, aantekeningen, manuscripten. Alles om te weten of de dood omarmd danwel ontweken werd.

    Nadat Susan Sontag in 1974 tegen alle medische verwachtingen in borstkanker overleeft, verkeert ze tijdenlang in een roes. Ze zegt, ‘Het heeft mijn leven zoveel intenser gemaakt, heerlijk is dat.’ Dat je opeens weet waar je prioriteiten liggen, zin zich onderscheidt van onzin. John Updike schreef tot het laatste moment, zij het geen proza, maar gedichten over zijn laatste momenten. ‘leven, ja, dat is mooi, / maar niet leven – omgetrokken worden, / een nauwelijks hoorbaar knakje, / in bloei nog en nog altijd / naar het zonlicht uitgestrekt – / ook mooi, laat die fotosynthese toch, / het is mooi mooi geweest.’
    Als Maurice Sendak de tachtig nadert wordt hem gevraagd of hij geobsedeerd was door de dood, ‘Een beetje wel.  Het is zo’n curieus gebeuren.’ Dat in al zijn kinderboeken de dood aanwezig is. Max en de Maximonsters geen onschuldig kinderboek is.
    Roiphe had niet de moed om stervenden in een hospice of oorlogsgebieden te bezoeken. Haar eigen vader wilde ze niet zien toen deze overleden was. Als ze de ‘echte’ wereld wilde zien, sloeg ze altijd een boek open, schrijft ze. Ook daarin zit een obsessie, het voeden van de geest door een boek te lezen, of doorroken als het einde nabij is.

     

     

    Het uur van het violet / Katie Roiphe / vertaling Anne Jongeling / Uitgeverij Hollands Diep (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.