• Pseudoniem

    In 1947, toen de hoop groeide dat na de oorlog alles beter zou worden, werd een aantal auteurs gevraagd om een bijdrage te leveren aan een nieuwe Omnibus voor de jeugd, omdat ‘kunstenaars weten wat de jeugd-van-nu nodig heeft om de wereld van morgen iets bewoonbaarder te maken dan hij heden is.’ Hella S. Haasse schreef het verhaal ‘Machiel en de griffioenen’, over een jongen die na de bevrijding een andere naam krijgt van zijn vader, omdat deze zijn werkgever verraadde aan de nazi’s, onderduikers aanbracht en zich verrijkte met de eigendommen van weggevoerde joden. Elke keer als Machiel zich vergist in zijn nieuwe naam, slaat zijn vader hem in het gezicht, tot alleen nog het verlangen hem kwelt ‘om zijn eigen naam, dat vertrouwde woord, nu door het verbod tot een oneindig gevreesd en geliefd begrip geworden, uit te schreeuwen, te fluisteren, te herhalen’. Als het gezin zijn intrek neemt in een groot herenhuis, gekocht met bloedgeld, ziet Machiel daar een wapenschild, vastgehouden door griffioenen, waarop staat: ‘In blaem en faem – eygen naem’. Dit geeft hem de kracht om op te staan tegen zijn vader en zijn naam terug te eisen.

    Het deed me denken aan de noodzaak van pseudoniemen in de literatuur. Voor het verbergen van je eigen naam viel vroeger wel iets te zeggen. Misschien was je eigen naam niet voldoende betekenisvol, zoals die van Johanna Petronella Vrugt, die onder de naam Anna Blaman schreef. Of je was een vrouw in een maatschappij die schrijvende vrouwen als kermisattracties beschouwde, dan koos je een mannelijke naam om mee te kunnen doen: Curris Bell voor Charlotte Brontë, George Sand voor Amantine Dupin. Misschien kon je je hoofd niet meer hoog houden als je slechte recensies kreeg, of werd je op je werk niet meer voor vol aangezien, zoals Nescio vreesde, die eigenlijk Jan Grönloh heette, of wilde je je serieuze werk gescheiden houden van het meer frivole, zoals E. du Perron deed als Cesar Bombay. In bijna alle gevallen leek de keuze van een pseudoniem ingegeven te zijn door angst: voor kritiek, voor de reactie van de familie en de omgeving, voor je reputatie, voor stukgeslagen dromen.

    In 1976 verscheen er nog een pseudoniemenboek van Wim Hazeu met meer dan tweeduizend schuilnamen van Nederlandstalige auteurs, maar de laatste tijd kom je het fenomeen  opvallend weinig meer tegen. Schrijvers van nu zijn met recht trots op hun werk. Als zij een pseudoniem kiezen, dan is dat om andere redenen dan de angst van hun voorgangers. Uiteindelijk is er maar één naam die ertoe doet, zegt dichter Jotie T’Hooft:

    Namen

    Ik draag ze als een doem.
    Mijn stofnaam mens
    Een mager woord, een woeker,
    Een overschrijden van de grens.
    Mijn eigen naam, die niemand kent
    De som van al mijn trilling
    Van mijn lot equivalent
    Tegelijk mijn warmte en verkilling.
    Plaatsnamen, zaaknamen. Liefdesnamen
    Die nooit voorbij zouden gaan,
    Waarvan sommige al vergeten zijn
    Terwijl wij andere beramen.
    Dat alles binnen de taal,
    Keelklank, eeuwenoude kwaal:
    Slechts één naam legt iets bloot
    De eeuwenoude roepnaam Dood.

     

    Uit: Verzamelde gedichten 1981 / Jotie T’Hooft


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • It’s actually brown

    De dagen waren zonder begin of einde. Je treinde van stad naar stad. Bakte in de ene stad pannenkoeken voor de tweelingmeisjes, daarna ging je door naar Den Haag. Daar nam je de metro naar Rotterdam, Theater Zuidplein, de openingsavond van Poetry International. In de wandelgangen enkel aardige mensen. Je ontmoette de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreiraeen van de twintig dichters die het festival openden. Ze vertelde over haar nieuwste bundel O meu corpo humano, gedichten als ‘ouvidos’ (oren) en ‘ombros’ (schouders). Je overnachtte in Den Haag. In bed bladerde je door de bundel The Oysters I bring to Banquets, van Gary Geddes. Een van de dichters van die je bijbleef.

    ‘It’s actually brown, not green, to mach
     the colours of the house, and erected
     where the rotten deck once stood. […]’

    De volgende ochtend liep je de tuin van je dochter in. Las op de tuinbank verder in Familielexicon van Natalia Ginzburg, er wachtte een leesclub die avond. Je nam de bus naar het station, huurde een OV fiets, fietste naar Den Haag West. Stapte af bij elke afslag om de ingestelde route op je mobiel te checken. Je stalde je fiets voor het huis van de vorige vriendin van de jongste zoon. Ze is ceramiste. Je was er om een theepot, gestookt in een zoutoven, met als handvat een steel met een bol aan het einde om de pot op te tillen, thee uit te schenken. Een kunstobject. Je nam er twee kommetjes bij.

    Je fietste terug naar het station. Om zes uur moest je in de binnenlanden van Salland zijn, voor die leesclub. Er was een trein uitgevallen. Op het perron las je de laatste stukken van Familielexicon. Ginzburg is, nadat haar eerste man in de oorlog door fascisten is vermoord, opnieuw getrouwd. Ze staat op het punt van Turijn naar Rome te verhuizen, en haar moeder zich overal mee bemoeit. ‘“Maar in Rome moet je leren stoppen!” zei mijn moeder. “Of anders moet je een poetsvrouw vinden die daar goed in is! Vind een naaister aan huis, zo iemand als Tersilla.”’

    Je zal te laat voor de leesclub komen. Appte degene met wie je zou meerijden, dat hij vast moet gaan. Thuis poetste je je tanden. Zette een fles wijn klaar die je vergat mee te nemen. De man reed je met behulp van googlemaps naar een plek met onbegaanbare paden. Het leesgezelschap zat rond een rijkelijk gedekte tafel, je had alleen het voorgerecht gemist. Er was veel te zeggen over Familielexicon. Weer buiten keek je naar de reikwijdte van stilte, geloofde plots dat de wereld eindig was. Rond middernacht rolde je in bed, de man in diepe slaap. Zaterdagochtend leek tijdloos. Maar wacht, er kwamen vrienden te eten. De man deed boodschappen. Jij kookte. De volgende dag stond een bezoek aan een wijngaard gepland. Je vraagt je af wie je agenda heeft bijgehouden.   

    Maandag houdt je je schuil op de bank. Slaat een jublileumbundel open waarin negentien auteurs over Gerard Reve schrijven. Je leest het verhaal van Marina Kuipers, dat alles in zich heeft wat je nodig hebt. Kuipers vatte eens het plan op het huis La Grâce van Reve in Frankrijk te kopen. Joop Schafthuizen als bemiddelaar, lijkt bereidwillig. Dromend over de inrichting van het huis schaft Kuipers het hele oeuvre van Reve opnieuw aan. Voor de bibliotheek in het huis dat een soort bedevaartsoord voor Reve liefhebbers zal worden. Joop is geen man van daden, lijdt aan depressies, moet naar de kapper, maar komt de deur niet uit. Er zijn lange telefoongesprekken. Een keer vertelt hij dat hij onderweg naar de ‘coiffeur’ was, maar niet goed was geworden. De dorpsarts kwam erbij. Die vond, ‘dat hij voor een man van zijn leeftijd, die drie flessen rode wijn per dag drinkt, twee pakjes sigaretten wegpaft en nauwelijks beweegt, nog een puik werkend hart had.’ Na vier jaar eist Kuipers ‘concretere toezeggingen’. Joop wordt narrig. Tweemaal belt hij haar nog, om ‘keiharde fanfaremuziek’ op haar voicemail af te spelen. De werkelijkheid is bitter, het verhaal geweldig. Je denkt, ‘It’s actually brown’.

     

     

    U heb ik lief, De eeuw van Gerard Reve / samenstelling Æ de Jong / uitgeverij Nobelman


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Verlangen naar ergens

    Je zou naar de eerste uitreiking van de Johan Polakprijs. Je keek ernaar uit. Sasja Janssen was met haar bundel Virgula de gelauwerde. De eerste keer dat je haar hoorde voordragen was tijdens een dichtersmiddag in een café in Amsterdam op een herfstige zondagmiddag in 2010. Je had je jongste zoon van elf meegenomen in de overtuiging dat je met de grote poëzie niet vroeg genoeg kunt beginnen. We stonden achterin bij de toiletten waar in een uitgespaard hoekje werd voorgedragen. Haar poëzie maakte indruk. Je begreep er niet veel van, maar vond het prachtig. Haar voordracht was alsof ze je deelgenoot maakte van een geheim, intiem leven. Die avond van de Johan Polakprijs uitreiking waren er treinen uitgevallen. Terug naar huis zou die nacht niet gaan. Om je verlangen naar deze prijsuitreiking te smoren, ging je vroeg naar bed met een boek. Je viel van het ene verlangen in het andere.

    In De muur voorbij begeef je je zonder moeite in de sfeer van Oost-Berlijn. In oktober 1981 vertrok Harrie Lemmens vanuit Nijmegen naar Oost-Berlijn. Er was een onbestemd verlangen naar iets. Als vertaler kon hij werken bij Vertaalbureau Intertext, waar brochures over onder meer be- en ontwapening en redevoeringen werden vertaald. Hij verblijft er met onderbrekingen zo’n vier jaar. Hij hield zijn bevindingen bij in een notitieboekje. Lemmens heeft een fijne stem van vertellen. Hij zoekt mensen op, legt contacten om literatuur te kunnen vertalen, leert er zijn latere vrouw Ana kennen. Op zijn eerste werkdag wordt hij rondgeleid door de directeur Herr H.. ‘Op de trap komen we een kleine jonge vrouw met lang kastanjebruin haar tegen.’, schrijft Lemmens. In het voorbijgaan knikken ze elkaar toe. ‘Das was Frau Tavares, unsere Portugiesin,’ zegt Herr H.. En zo, in kleine opmerkingen passeren ze elkaar in het boek. Tot Ana hem in de pauze meeneemt op haar wandelingen door de Leipziger Straße. Vanonder het kopje ‘Leipziger wandelgang’, waarvan er dertien zijn opgenomen, klinkt Ana’s stem. Mooie stukjes tekst waarin zij een vraag beantwoord, uitleg geeft of enthousiast reageert op een vertelling van Lemmens.

    In de stad zijn het theater en de kroeg druk bezochte gelegenheden. In de eerste weken bezoekt hij de voorstelling Dantons Tod door het Deutsches Theater, en is verrukt. ‘En dan te bedenken dat Georg Büchner eenentwintig was toen hij het schreef… In 1835 was dat.’, noteert Lemmens in zijn boekje. Treffend te lezen dat, ‘Het einde [van Dantons Tod] is koude-rillingen-werk: Lucille, de vrouw van de afgevaardigde Camille, roept “Vive le roi”, waarna onmiddellijk twee burgers op haar afkomen, een van de twee minzaam over haar wang strijkt en zegt: ‘Na, kommen Sie mal mit!‘ Een indringende scene, ‘omdat het zinnetje rechtstreeks verwijst naar de benaderingswijze van de politie hier’.

    Dresden is een stad die fascineert, zo dicht bij een vernietigend deel van de geschiedenis te verkeren. Hij maakt een afspraak met een vrouw die als kind het bombardement op Dresden heeft meegemaakt. Zij vertelt over haar tante die net geopereerd was toen de bommen vielen. In paniek rende ze naar buiten in de richting van de dierentuin. Waar ze onder een lage stenen bank kroop. Dan hoort ze naast zich iemand zuchten. ‘Eerst zag ze niets, het was nacht, maar in het licht van de brandende fosforbommen merkte ze plotseling dat er een leeuw naast haar lag, die verlamd van angst was.’ Hysterisch nu, vluchtte ze het park uit, zag mensen in rioolputten verdwijnen, liet zichzelf er ook in zakken. Uiteindelijk raakte ze voor twee jaar in een coma.

    Lemmens is in Oost-Berlijn als Fassbinder op zesendertigjarige leeftijd dood wordt aangetroffen in zijn woning, ’tragisch dat een kunstenaar zo jong sterft.’ Ook als Brezjnev sterft, ‘wat nu?’ Het overlijden is een dag geheim gehouden, ongetwijfeld om de nodige voorbereidingen te treffen ter beantwoording van die vraag, hoewel, de brave man was allang zo goed als dood.’ Als de vriend uit Nijmegen, die hem heeft aangezet tot dit verblijf in Oost-Berlijn, hem vraagt wat hij hier nou vooral ontdekt heeft, antwoordt Lemmens dat dat misschien wel ‘verlangen’ is. Een verlangen dat zowel uit iets positiefs als negatiefs voortkomt. Positief is dat de mensen hier nieuwsgierig zijn. Negatief is hun eeuwige zelfbeklag, ’te weten dat hun verlangen nooit bevredigd wordt’.

    De films en toneelstukken die hij bezoekt, de boeken die gelezen worden vormen een onafzienlijke lijst. Het culturele leven lijkt rijker dan ooit. Je noteert namen, Christoph Hein bijvoorbeeld, die je nu eindelijk eens lezen moet, en Irmtraud Morgner. In De muur voorbij, Berlijnse fado loop je mee met een leergierige jongeman die met vrienden drinkt en discuteert, zich laaft aan literatuur en theater. ‘Rondlopen en speuren naar beelden, vooral van vergankelijkheid, het vreten en wroeten van de tijd.’ Dat is wat de vertaler in spe bewoog. Prachtig boek, gretig gelezen.

     

     

    De muur voorbij, Berlijnse fado / Harrie Lemmens / 304 blz. / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Het belang van ‘nee’ zeggen

    Pas nadat zijn schoonzuster flink kwaad op hem is geworden, komt Vierde Broer schoorvoetend tevoorschijn. Ma, zoals zijn eigenlijke naam luidt, had zich verstopt in de stal bij de ezel. Hij moet binnenkomen, er is bezoek, maar eerst moet hij het nette nieuwe jasje van Derde Broer aantrekken. Het bezoek heeft een officieel karakter: er wordt een huwelijk gearrangeerd. De bruid is Guiying. Ze is net als Ma van middelbare leeftijd, woont in een schuurtje op het erf van haar broer en die broer wil van haar af. Dat is niet eenvoudig, want wie wil de door alle slaag die ze heeft gekregen mank en incontinent geworden Guiying in vredesnaam hebben? 

    Ma, die door Derde Broer bij wie hij als knecht werkt schandalig wordt uitgebuit, heeft nog nooit van zijn leven ‘nee’ durven zeggen. Niet dat hij nu ‘ja’ zegt, maar daar vraagt ook niemand naar. En terwijl Guiying door haar familie naar de wc wordt gestuurd om te voorkomen dat ze waar iedereen bij is haar plas laat lopen, wordt het huwelijk tussen de beide outcasts beklonken. Mooi geregeld. Opgeruimd staat netjes. Ma en Guiying krijgen de aftandse ezel mee en moeten er maar het beste van zien te maken. Dat doen ze nagenoeg zwijgend, want de een is nog verlegener en schuchterder dan de ander. En dan gebeurt er iets wat niemand in de verste verte had voorzien. Ma en Guiying zijn uiterst zorgzaam voor elkaar. Hij koopt om te beginnen een lange jas voor haar, zodat niemand het ziet als ze in haar broek heeft geplast. Gaandeweg bloeit er zomaar iets moois op tussen deze twee paria’s. 

    De film Return to Dust, uit 2022, van regisseur Li Ruijun is een verhaal over leren ‘nee’ zeggen. Ma, analfabeet, niet één dag op school gezeten en zijn hele leven als lijfeigene uitgebuit, kan het niet. En dus laat hij als een goedzak door iedereen over zich heen lopen. Maar het moet gezegd, de onverstoorbaarheid waarmee Ma en Guiying de klappen en slagen opvangen waarvan hun leven aan elkaar hangt, dwingt respect af. Hun toewijding aan elkaar, waar inmiddels eigenlijk zonder meer het woord ‘liefde’ voor mag worden gebruikt, stuit bij de mannen in het dorp op hoongelach. Moet je die twee nou zien: Jut en Jul! Maar de vrouwen zijn jaloers. Wie heeft er ooit van hen gehouden zoals Ma van Guiying houdt? 

    Return to Dust, voor een appel en een ei gedraaid in Gansu, een van de armste streken van China, waar Li Ruijun (1983) opgroeide, werd in China uit de bioscopen en van de streamingdiensten verwijderd. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom, want de film is behalve prachtig gefotografeerd en ontroerend mooi, op tal van punten ook een aanklacht tegen de materialistische verdwazing van de moderne tijd die het traditionele leven op het platteland in snel tempo de nek omdraait. Ma en Guiying slagen erin een veilig keuterboerenparadijsje voor zichzelf te creëren. Maar de wereld laat hen niet met rust. Het leven dwingt telkens weer tot nieuwe keuzes. Hoe ver laat je het komen? Heel ver, in Ma’s geval, al zie je dat het hem steeds meer moeite kost om te doen wat anderen van hem willen. Pas als het te laat is, zegt hij eindelijk een keer ‘nee’. Het is een definitief ‘nee’, waarvoor hij met zijn leven betaalt. En dat desondanks aanvoelt als een overwinning. Bravo! Lang leve Vierde Broer!

    Return to Dust draaide vorig jaar in de Nederlandse filmtheaters. Een kleine film die qua bezoekersaantallen weinig potten kon breken, maar die als instant klassieker ongetwijfeld een mooie toekomst zal hebben. 

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Zijn derde roman verscheen bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Prachtig memoir

    Je weet over de ontbossing van het Amazonewoud. Door houtkap, bosbranden. Je tekent petities, doneert aan Greenpeace. Daarna ga je over tot de orde van de dag. Doet de dingen die je doen moet. Dat zegt iets. Over de erge dingen die er in de wereld gebeuren, maar die je niet direct raken. Elke ochtend sta je op, maakt koffie, laat de kat buiten, maakt een boodschappenlijstje, verstuurt een appje. Dat is jouw realiteit. Dan lees je de ‘memoir’ van een Braziliaanse oud-trucker, door de zoon opgetekend. De vader genoot als kind een paar jaar onderwijs, ging toen op het land werken. ‘Ik heb dus van mijn zevende tot mijn veertiende op de trekker gewerkt, van mijn veertiende tot mijn eenentwintigste ongeveer als automonteur en op mijn tweeëntwintigste ben ik gestopt als monteur en de baan op gegaan.’

    De zoon (1984) is gepromoveerd, doceert sociologie en politiek aan de universiteit van São Paolo. Hij heeft zes lange gesprekken met zijn vader gevoerd. ‘Ik hoor hem graag praten over alledaagse zaken, over de indrukken en kleine dingen van het leven.’ Hij zoekt naar ‘het wezen van de geest’.

    Een boek over een vader, verweven met de infrastructuur van het grootste land van Zuid-Amerika, Brazilië. Zoals het grootste project dat Brazilië vooruit moest helpen. ‘De Rodavia Transamazônica (BR-230), een megalomaan project om de Atlantische Oceaan over land te verbinden met de Stille Oceaan, beloofde het land in het begin van de jaren zeventig op te stuwen naar grote hoogte.’  

    De vader vertelt: ‘Om ‘n truck te besturen in ‘t Amazonegebied, in de tijd dat de boel daar werd ontsloten, moest je ‘n avonturier zijn. Restaurants en winkels waren er bijna niet, alleen van die kraampjes langs de weg.’ En ook: ‘Eind jaren zestig waren d’r al veel houtzagerijen, maar toen er meer wegen kwamen, ontplofte de houthandel zowat. Als je [in die tijd] door Acre reed, zag je alleen maar van die lange colonnes vrachtwagens met boomstammen, overal. (…) Ik vond toen al dat ze de boel naar de knoppen hielpen. ’t Leek me geen goeie zaak, maar in die tijd zei niemand er wat van, iedereen dacht dat het regenwoud niet kapot kon.’ 

    De zoon weet: ‘Aan de arbeiders die werden aangetrokken door deze uitdijende grenzen werd het kappen van het regenwoud verkocht als de onvermijdelijke route naar collectieve vooruitgang en een beter leven.’ De vader raakte tijdens de halve eeuw dat hij met zijn vrachtwagen Brazilië doorkruiste aan de belangrijke zaken die het land zo verdeeld hebben. ‘Mijn vader heeft in het begin van de jaren zeventig tientallen keren door het gebied langs de rivier de Araguaia gereden. Daar, tussen het zuidoosten van Pará en Tocantins, woedde een schrijd tussen het militaire bewind en een stel jong revolutionairen en plaatselijke boeren, die resulteerde in een van de bloedigste hoofdstukken van de Braziliaanse dictatuur.’

    De mengeling van de onopgesmukte verhalen van de vader en de wetenschappelijke visie van de zoon maken het tot een bijzonder boek. Het zijn de verhalen van de vader die je wakker schudden. Alsof er een kaart wordt opengevouwen, de geografie van een man en zijn land zichtbaar wordt. Dit boek is een prachtig essayistisch memoir. Een liefdevol portret van een vader, een kritische beschouwing van Brazilië. Lees het.

     

     

    Wat van mij is / José Henrique Bortoluci / vertaling Marilyn Suy / De Arbeiderspers


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Zonder woorden

    In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit is de aanvang van het evangelie van de apostel Johannes. Niet toevallig is Johannes ook de naam van het hoofdpersonage in Ochtend en avond, de recente novelle van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. En is het niet zo dat Johannes ook een visser was, ja zo is het, Johannes was ook een visser, net als de Johannes van Fosse. En na het begin volgt het eind zoals na de ochtend de avond moet komen. En als in de avond de dood onherroepelijk is geworden, schrijft Fosse, zullen de woorden waarmee alles begon verdwijnen. Is dat een typische schrijversgedachte? Is het niet zo dat voor een schrijver alles begint en eindigt met woorden? Ja, zo is het.

    Bovenstaande is een (onbeholpen) poging om het poëtische metrum van Fosses novelle te imiteren. Hij stelt vragen en beantwoordt deze in vrijwel dezelfde bewoordingen. Ochtend en avond is mede daarom eigenlijk geen novelle, maar een prozagedicht. Er ontbreken leestekens, de zinnen lopen eindeloos door en springen naar volgende regels zonder kapitalen te gebruiken. Het is een interne monoloog waarin Johannes zich afvraagt hoe het kan dat hij zich als oude man ineens weer lenig en fit voelt. Hij ontmoet allang gestorven vrienden en geliefden, weet dat ze dood zijn, maar vergeet dat ook weer, al ziet hij wel dat hij bijvoorbeeld een steen dwars door zijn oude vriend Peter heen kan gooien en voelt hij de kou in de hand van zijn overleden vrouw Erna.

    Johannes gaat dood, maar komt onder de hand van de schrijver juist tot leven. Moeiteloos laat hij af en toe het perspectief verspringen, bijvoorbeeld naar Johannes’ jongste dochter, die het dichtst bij hem woont en na de dood van zijn vrouw een beetje op hem toeziet. Vader Johannes noemt ze hem. Door haar ogen zien we hoe hij op zijn sterfbed ligt. In de slaap gestorven, zo lijkt het. Maar wij weten beter. Johannes is klaarwakker gestorven.

    In Ochtend en avond staat de geboorte van Johannes voor de ochtend. Die geboorte wordt in het eerste hoofdstuk beschreven in dezelfde stijl, in een overeenkomstig gedachtenspel. Maar nu is Olai het hoofdpersonage, de vader van Johannes. Olai verwacht veel van zijn zoon, groot geluk doorstroomt hem als het kind zich aankondigt, maar hij mag niet bij de geboorte aanwezig zijn. De vroedvrouw weerhoudt hem ervan. Juist daarom is die vaderlijke verwachting zo aanstekelijk. In het tweede deel laat Fosse Johannes in een kort fragment op deze manier denken aan zijn vader: ‘(…) tussen hem en zijn vader boterde het immers niet zo, en daarna kwamen er nog twee kinderen, Signe en de kleine Olai, ja, want uiteindelijk moest hij toch een kind naar zijn vader vernoemen, denkt Johannes, (…)’. Dat komt binnen, vooral als je zelf vader bent van een zoon en zoon van een vader. In de ochtend van het leven spelen mooie verwachtingen een hoofdrol. Als de avond is gevallen, blijkt het vaak anders te zijn gegaan en rest slechts het zwijgen.

     

    Ochtend en avond / Jon Fosse/ vertaling Marianne Molenaar / uitgeverij Oevers


    Jan Kloeze is schrijver, begin maart debuteerde hij met de roman Starfighter.

  • Alice Munro lezen

    Je dacht aan hoe verhalen ontstaan, hoe ze verteld worden. Dat een goed verhaal altijd vanuit de werkelijkheid ontstaat. Maar eerst. Er moesten boodschappen gedaan worden, er was een afspraak bij de tandarts. Op je verjaardag nog wel. Maar Alice Munro (1931-2024) was overleden. Nu denk je steeds aan haar verhalen. Naast Natalia Ginzburg en Marga Minco is Munro de schrijfster die je het meest bewondert.’ Je was net in het verhaal ‘Trein’ van haar begonnen, in bed. Dertien boeken met verhalen publiceerde ze. Er is behoefte aan een soort overzicht van haar leven. Een schrijver is terug te vinden in zijn boeken. Je speurt het internet af op zoek naar boeken van haar die je nog niet hebt. Je vindt Het uitzicht vanaf Castle Rock. Verhalen over haar familie. In het voorwoord schrijft Munro hoe ze in de jaren negentig geïnteresseerd raakte in de geschiedenis van haar familie. Ze begon er verhalen over te schrijven die ze evenwel niet publiceerde.

    ‘Deze [verhalen] nam ik nooit op in de bundels met fictie die ik om de zoveel tijd samenstelde. Waarom niet? Omdat ik vond dat ze er niet bij hoorden. Ze vormden geen autobiografie, maar kwamen dichter in de buurt van mijn eigen leven dan de andere verhalen die ik had geschreven, zelfs die in de eerste persoon. In die verhalen had ik wel van persoonlijke gegevens gebruikgemaakt, maar er daarna van alles en nog wat mee gedaan. Omdat ik in de eerste plaats een verhaal wilde vertellen.’ 

    Haar verhalen zijn plotloos, als het echte leven. In het verhaal ‘Trein’ neemt het leven van een jongeman verschillende wendingen, waardoor je niet kunt stoppen met lezen, want hee, wat gebeurt er hier. Je denkt aan boodschappen, tandarts. Je denkt, nog even. In haar verhalen legt Munro niets uit over het hoe en waarom van haar personages, ze plaatst je er middenin. Je kunt niet anders dan meegaan om te ontdekken wie ze zijn.

    Als ‘s avonds de verjaarsvisite aan tafel zit waarop een stapel boeken van Munro ligt, kun je het niet laten. Je vraagt of ze Munro’s verhalen kennen. Je vertelt over het verhaal dat je die ochtend las. Over een jongeman, Jackson die in de trein zit. Als de trein vaart mindert, gooit hij zijn plunjezak naar buiten, springt er zelf achteraan. ‘Een jongeman in goede conditie.’ Munro rept met geen woord over oorlog. Door die plunjezak begrijpt je dat hij als Canadese soldaat Nederland heeft helpen bevrijden. Hij springt uit de trein en loopt het spoor terug. Na een tijdje klimt hij over een hek, komt oog in oog te staan met een gehoornde Jersey koe. Er komt een vrouw de wei inlopen. Ze zegt dat hij zijn plunjezak moet laten vallen, dat de koe daar overstuur van raakt. Ze zegt, ‘Ik heb havermout op de kachel staan. Ik ben zo klaar met melken.’ Eenvoudige woorden.

    De jongeman doet klusjes voor haar rond het huis. Voor je het weet ben je bijna twintig jaar verder. Zijn ze in 1962 met de auto op weg naar Toronto. De vrouw moet aan een gezwel geopereerd worden. Ze wil dat niet, denkt dat het gezwel vanzelf zal verdwijnen. Ze wil omkeren, naar huis. Munro schrijft, ‘Sinds er voor iedereen ziekteverzekering was gekomen, rende iedereen maar naar de dokter, zodat hun leven een lang drama van ziekenhuizen en operaties werd, wat de periode aan het eind van je leven, waarin je mensen tot last was, alleen maar langer maakte.’ En wat je daar dan van denkt.

    Hij bezoekt haar dagelijks in het ziekenhuis, tot zijn leven weer een wending neemt. Op een ochtend loopt hij langs een appartementengebouw waar een man op een brancard naar buiten wordt gedragen. De eigenaar van het gebouw vraagt hem of hij de conciërge, want die is het, zolang wil vervangen tot hij terug is uit het ziekenhuis. De conciërge sterft, hij krijgt de baan. Drie jaar later leest hij in de krant dat de vrouw, waar hij jaren bij woonde, is overleden. ‘Niet dat hij vaak terugdacht aan de kamers waar hij samen met haar had gewoond of het werk dat hij aan haar huis had gedaan.’ Als hij geconfronteerd wordt met iemand uit zijn jeugdjaren, neemt hij opnieuw de trein. In een plattelandsplaatsje stapt hij uit. Hij ruikt de geur van zagerijen. ‘Daar was werk, in zo’n houthakkersplaats zou zeker werk zijn.’ Waar het verhaal eindigt.

    In haar laatste boek, Lief leven uit 2012, zijn enkele persoonlijke verhalen opgenomen. Je zoekt het verhaal ‘Met uitzicht op het meer’, waarin een vrouw, Nancy, naar de dokter gaat en zich in de dag heeft vergist. ‘Ze vraagt zich af of ze haar verstand begint kwijt te raken.’ Dan volgt er een verschrikkelijk goed verhaal van verdwalen in een stadje waar ze een dokter zal bezoeken die haar verstandelijke vermogens zal onderzoeken. Het blijkt een droom. Het verhaal eindigt met een korte dialoog:

    ‘Er is een vrouw hier die Sandy heet. Dat staat op het speldje dat ze draagt en Nancy kent haar trouwens ook.
    “Wat moeten we met u aan?”, zegt Sandy. “We proberen u alleen maar in uw nachtjapon te krijgen. U lijkt wel zo’n kip die bang is dat hij opgegeten zal worden. U zal wel gedroomd hebben”, zegt ze. “Waar hebt u nu over gedroomd?”
    “Over niets’, zegt Nancy. “Het was toen mijn man nog leefde en toen ik nog autoreed.”
    “Hebt u een mooie auto?”
    “Een Volvo.”
    “Ziet u wel? U bent nog helemaal bij de pinken.”’

    Sinds 2012 leed Alice Munro aan dementie. Ze was een veel gelauwerd schrijfster, haar boeken werden in vijfentwintig talen vertaald. In 2013 ontving ze de Nobelprijs voor Literuur. Na een verhaal van Munro, kun je niet meer zonder. Ze hebben de kracht je in een compleet andere wereld te laten verdwijnen.



     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft in haar wekelijkse column over boeken.

     

     

     

  • Slakken

    Al vroeg in het voorjaar was een vraatzuchtig leger mijn tuin binnengevallen: elke nacht graasden hordes slakken zich een weg door mijn planten heen. Overdag sliepen ze aan de schaduwzijde van de bloembakken, met vijfentwintig tegelijk. Handenvol plukte ik eraf, alsof het kersen waren. Als het emmertje vol was schudde ik het ver weg in een weiland leeg. Maar elke ochtend waren er opnieuw alleen nog armetierige steeltjes over van de eens bloeiende planten. Zilverig glanzende slijmsporen lagen over alle restanten heen. Ik kon ze nooit op heterdaad betrappen op hun strooptochten, maar het bewijs van hun aanwezigheid lieten ze voor iedereen zichtbaar achter.

    Met grimmige vastberadenheid zette ik nieuwe planten in grond, andere soorten waarvan ik hoopte dat de slakken die met rust zouden laten. Ik verdiepte me in methodes om het ongewenste gedierte uit te roeien of toch in ieder geval uit mijn tuin te verwijderen. Niets hielp, geen gebroken eierschalen, geen bier, geen kaneel, knoflook of koperen stuivers tussen de planten. Chemische bestrijdingsmiddelen of vergif wilde ik niet gebruiken, vanwege de katten, en omdat ik zo milieuvriendelijk mogelijk te werk wilde gaan. Maar elke ochtend was de ravage groter. Mijn tuin zag er steeds meer uit als een krater in een maanlandschap, kaal en onherbergzaam.

    De slakken werden een obsessie. Ik begon mijn strijd tegen de slakken als een persoonlijke vete te beschouwen, een veldslag waarbij zij het elke dag opnieuw van me wonnen. Niets van wat ik ondernam om ze weg te krijgen leek er toe te doen, het maakte geen verschil, ze knaagden onverstoorbaar voort. Ze gaven me het gevoel dat niets wat ik deed werd opgemerkt, dat ik er niet toe deed, dat mijn bestaan verwaarloosbaar was. Niet alleen dat van mij, maar van alle mensen op aarde. Als de rook van de wereldbrand op het einde der tijden opgetrokken zou zijn en alle leven vernietigd, zouden er nog steeds slakken rondkruipen en alles wat overeind gebleven was verwoesten met hun malende kaken. Met onbeheerste hoofdletters typte ik woedend allerlei zoektermen in de zoekbalk van Google in een hernieuwde poging om een oplossing te vinden voor het probleem van de vretende kudde in mijn tuin. En toen verscheen onverwacht dit gedicht van Harriët Laurey op mijn scherm:

    DE SLAK

    Draag ik mijn huis en ben ik nergens thuis
    en kan ik nergens voor de regen schuilen,
    dan in de schelp, die ik niet om kan ruilen
    voor ooit een ander, niet mijn eigen huis.

    Ken ik de aarde, maar de hemel niet,
    de groene haag, maar niet de bloesemknoppen,
    de helling wel, maar nooit de heuveltoppen.
    Laat ik geen sporen na dan van verdriet.
    Ben ik maar voor eenzelvigheid geschapen
    en voor de regen, die mij buiten drijft
    en voor de weg, die zonder einde blijft.

    En voor de kinderen, die slakken rapen,
    maar ’s avonds thuis en bij elkander slapen.

    Kreeg ik ondanks alles toch nog medelijden met deze stomme beesten.

     

     

    Uit: Harriët Laurey / Loreley (1952)


    Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Een draai geven

    In ‘Achter de muur’ herinnert Marga Minco zich hoe haar vader elke zaterdag naar de sigarenwinkel wandelde, terwijl zij met hem meeliep. Ze beschrijft hoe hij daar een sigaar aangeboden kreeg. ‘Met de sigaar al tussen zijn lippen maakte hij een bijna terloopse buiging naar het blauwe vlammetje van de sigarenaansteker – een stevige metaalkleurige standaard, die deed denken aan de zilveren kandelaren die men wel op de met wit damast gedekte dinertafels aantreft  en stak de sigaar op.’ Deze details haalt ze zich voor de geest als ze na de oorlog voor de dichtgemetselde winkelpui van de sigarenwinkel staat. Ze gaat na waar de winkeldeur moet hebben gezeten. Ze legt haar hand tegen de muur. Bedenkt dat daar, achter die stenen muur, ‘de geur van een pas opgestoken sigaar voorgoed moet zijn blijven hangen.’ Minco’s verhalen schrijnen des te meer door haar droge constateringen.

    In het literair tijdschrift Kluger Hans las ik een verhaal over een zomerkamp, een knap geconstrueerd verhaal. Drie jonge mensen, Tomas, Tara en Inge zijn de begeleiders. Het speelt zich af in de toekomst, in een Koepel waarin de wereld is nagebootst. Al komen er geen onvoorspelbare weersomstandigheden in voor. Op een dag verzucht Tara dat ze verlangt naar een zuchtje wind. ‘Een goeie zomerbries. Schaapjeswolken. Of zelfs een stevig namiddag onweer.’ Tomas negeert de opmerkingen, ‘Hij heeft weinig op met de pre-Koepelnostalgie die tegenwoordig in bepaalde kringen hip is.’
    Het verhaal begint zo: ‘De laatste ouders zijn vertrokken. Met een vaag gevoel van spijt ziet Tomas de auto’s achter het duin verdwijnen – voor één moment zelf weer kind.’ 
    Door dat vage gevoel, een moment weer kind voelen, ontstaat het vermoeden dat Tomas aan zo’n zelfde zomerkamp geen prettige herinnering heeft overgehouden. Er is sprake van een verdwenen zusje. 

    Eigenlijk kan Tomas niet met kinderen omgaan. Dan komt er ook nog elke nacht een vreemd kind bij. Eerst een jongetje, dan een meisje, dan een baby. Er lijkt een omkering van vermissingen gaande te zijn. Tomas besluit ze weg te brengen. In de vroege ochtend brengt hij ze met de auto naar de buitenrand van de Koepel, waar hij ze naar buiten werkt. Een van de kinderen stribbelt tegen. ‘Tomas moet hem met beide armen loswrikken van het hek en hem, terwijl de poort alweer omlaag ratelt, een laatste hakje geven wanneer hij terug naar binnen dreigt te kruipen.’
    Als de ouders de kinderen komen ophalen, zal het aantal dat ze hebben achtergelaten precies kloppen. ‘Niemand kwijt.’, bedenkt Tomas. Toch blijft er iets aan hem knagen. Op de terugweg zet hij de auto aan de kant van de weg. Hij kijkt rond in de auto. Zijn blik treft een roze elastiekje op een van de stoelzittingen. ‘Met terugwerkende kracht bereikt hem een beeld uit de achteruitkijkspiegel, als een vakantiefoto van lang geleden; broer en zusje, een baby op de achterbank.’ Alsof Tomas zelf, zijn zusje en de nieuwe baby zijn teruggekeerd uit de tijd. En hij ze nu voorgoed verwijderd heeft. 

    In ‘De dag dat mijn zuster trouwde’ ging Marga Minco nadat het bruiloftsfeest van haar zus was afgelopen, naar haar kamer. Op haar bed lag de doos waarin het bruidsboeket bezorgd was. Ze hield de doos voor haar gezicht. ‘De geur was erin blijven hangen.’ Alsof door het vasthouden van die geur, die te beschrijven, het lot van haar zuster die drie weken na haar trouwdag werd opgepakt en niet meer terugkwam, nog veranderd kon worden. Door stil te staan bij de geur van een bruidsboeket, sigarenrook, of bij de aanblik van een roze elastiekje, is er de schijn of het leven nog alle kanten op kan. Echt gebeurd is een goed excuus om de geschiedenis een draai te willen geven.

     

     

    Uit: Alle verhalen / Marga Minco
    Uit: Kluger Hans #45 / Malthus aan zee / 
    Johannes Westendorp



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

  • Exit Nexit 

    Stelling: als de Engelse komedie Passport to Pimlico tijdig was herhaald op de Engelse televisie, was er geen Brexit geweest. Passport to Pimlico, een productie van de fameuze Ealing Studios, grijpt terug naar de Tweede Wereldoorlog, die in 1949, het jaar van uitbreng, nog vers in het geheugen lag. Het verhaal in het kort: in de puinhopen van het naoorlogse Londen legt de explosie van een achtergebleven Duitse bom in de wijk Pimlico een schatkelder bloot. In die kelder wordt een middeleeuwse oorkonde gevonden. Daaruit blijkt dat Pimlico aan de hertog van Bourgondië toebehoort – en dus geen Brits grondgebied is! De inwoners zien hun kans schoon om aan de rantsoenering en andere door de overheid opgelegde bureaucratische beperkingen te ontkomen en roepen de onafhankelijkheid van hun wijk uit.

    De overheid pikt dit uiteraard niet en speelt het spel hard door Pimlico af te zetten met prikkeldraad. De bewoners nemen daarop wraak door een Londense metro te stoppen die door hun wijk rijdt en de passagiers om hun paspoort te vragen. Waarop de overheid op haar beurt water en stroom afsluit en de voedselvoorziening aan de grens tegenhoudt. En zo escaleert de situatie in snel tempo tot hilarisch-anarchistische proporties (varkens worden aan een parachute in het afgezette gebied gedropt).
    Ongetwijfeld werd er in 1949 anders naar Passport to Pimlico gekeken dan nu.

    Filmwetenschapper Charles Barr vergeleek het verzet van de Bourgondiërs tegen de Britse regering met ‘de spirit, de veerkracht, de lokale autonomie en eenheid van Londen in oorlogstijd’. De filmhistorici Anthony Aldgate en Jeffrey Richards meenden dat de film de gevestigde sociale orde verstoorde om het welzijn van een gemeenschap te bevorderen. En volgens filmhistoricus Robert Sellers illustreerde de film ‘de meest typische Engelse kenmerken van individualisme, tolerantie en compromisbereidheid’. Maar nu, 75 jaar later, hebben begrippen als nationaliteit, patriottisme, identiteit en onafhankelijkheid een andere gevoelswaarde gekregen dan toen. Omdat de getoonde, in een lachspiegel uitvergrote absurditeit inmiddels realiteit is geworden, is de film moeilijk los te zien, niet van de Tweede Wereldoorlog maar van een andere historische gebeurtenis: de Brexit in 2020. 

     Scenarioschrijver T. E. B. Clarke (die een Oscar kreeg voor zijn scenario van een andere Ealing-komedie, The Lavender Hill Mob) vond de inspiratie voor Passport to Pimlico overigens in een Canadees krantenbericht uit de Tweede Wereldoorlog. Daarin stond dat de kraamafdeling van het Ottawa Civic Hospital op 19 januari 1943 tijdelijk extraterritoriaal werd verklaard toen onze prinses Juliana daar beviel van prinses Margriet. Zodat zij op Nederlands grondgebied zou worden geboren en haar aanspraak op de troon niet zou verliezen.

    In 2019 heb ik vurig gehoopt dat de BBC Passport to Pimlico zou uitzenden, als medicijn tegen de rampzalige Brexit-verdwazing. Ze hebben het niet gedaan, helaas, waardoor het nu voor de Britten te laat is. Voor Nederland is het nog niet te laat. Een Nexit is nog geen feit, maar de grootste politieke partij roept er steeds luider om en het is naïef, te veronderstellen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Daarom bij dezen het dringende verzoek aan de Publieke Omroep: vertoon Passport to Pimlico op televisie. Het minste wat het oplevert is een geweldig leuke filmavond.

     

     


    Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd.

  • Alles wat raakt

    Verhalen geven zicht op de werkelijkheid, in boeken ligt alles besloten voor wie het weten wil. In Tramhalte Beethovenstraat vindt de Duitse schrijver Andreas (dienstplichtontduiker), een baantje bij een Beierse krant in Nederland. Hij betrekt een kamer aan de Beethovenstraat. Bij de tramhalte daar, worden van maandag tot en met vrijdag, elke nacht vierhonderd Joden naartoe gestuurd. Met tram 8 worden ze opgehaald. Andreas denkt dat hij een nachtmerrie heeft. ‘Midden in de nacht schoot hij schreeuwend overeind. Daar waren ze weer, de geluiden, de korte snelle commando’s, het geblaf, het gedempte gezoem van stemmen. Alleen geen huilen, geen kreet. (…) De trams begonnen te rijden, het gedreun stierf weg, voetstappen verwijderden zich, toen was het stil.’ 

    Je keek de documentaire Verdwenen stad. Een intens goed gemaakte film over hoe de Duitsers Amsterdam ‘Joden vrij’ maakten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Veel werd duidelijk, verhalen verbonden zich met elkaar. Kwam het door de manier waarop tram 8 uit de remise reed (of een suggestie van tram 8). Deuren klapten open, rammelende geluiden, piepen van ijzer op ijzer. Daar gleed de tram de baan op. Of was het door de beelden van Amsterdammers die massaal langs de kant van de weg stonden om de bezetter over de Dam te zien rijden. Als was daar een feestelijke reden voor. De zwarthemden die voorbij marcheerden, de vele Nederlanders die hen de ‘Heil’ groet brachten. Het waren op zichzelf staande beelden. Het zag er allemaal zo aannemelijk uit. Of kwam het door de vertellers in de film dat je zo ontroerd raakte. Mannen en vrouwen die hun deportatie overleefd hebben. In een gewone straat in Amsterdam, op een brug of bankje bij een speelplaats, vertellen zij waar ze waren op het moment dat ze uit huis werden gehaald, getuige waren van razzia’s. Ze vertellen niets over hoe het in de kampen was, hoe ze overleefden. Ja, dat raakte je. En toen las je dit gedicht van Felix Oestreicher, geschreven in een concentratiekamp.  

    Weet je nog?

     ‘Weet je nog hoe het was thuis?
     in die zonovergoten dagen?
     ‘s Morgens wekte zonlicht ouders en kind,
     ‘s middags vulde het lachend de klas,
     ‘s avonds lag warme rust over de tuin.

    Weet je nog hoe we ‘s avonds
     thuis aan de grote ronde tafel aten?
     Vrolijk kwetterden de kinderen,
     wierpen stiekem kruimels, brokken
     en wat vlees naar de kat.

     Weet je nog hoe we thuis
     ‘s avonds in de heerlijke tuin zaten,
     waar viooltjes geurden, sering, jasmijn,
     terwijl jij naaide en verstelde, ik
     hardop voorlas uit krant of boek?

     Weten jullie nog hoe we in dit Lager
     hokten, vraten en sliepen in de drek?
     Angstig doorwaakten we de nacht voor transport.
     Ooit zal men er ons naar vragen,
                    maar wij
     zullen er in stilte aan terugdenken.’

    Dit laatst couplet, waarin de herinnering vooruitloopt op het heden, het verheft de dichter boven alles. Je denkt aan die jongeman die het in de nacht allemaal gehoord heeft, zag gebeuren, niet begreep waar hij getuige van was. Je denkt aan overlevenden die het er niet over hebben. Dat stilte iets is wat het onbegrijpelijke en beestachtige het best verdragen kan. En dat al die verhalen elkaar raken, opeens in het volle licht bestaan. ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’ Jeroen Brouwers wist het. Zoek naar de verbanden.

     

     

    Tramhalte Beethovenstraat / Grete Weil / vertaler Willy Wielek-Berg / Meulenhoff (2024)
    Naderhand, Kampgedichten / Felix Oestreicher / Ton Naaijkens / M10boeken (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem, een boek per dag is haar levensmotto.

     

     

  • Niet te negeren

    Het boek verscheen in het Nederlands in 2020. Toen heb ik het niet gelezen. Soms ben ik allergisch voor een hype. Uit een soort recalcitrantie wil ik dan niet lezen wat iedereen leest. Maar de titel is me bijgebleven. Zo’n titel die iets in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden. En dan ook nog van een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, ik kon het niet langer negeren.

    Op de omslag wordt het een gothic detective genoemd. Het hoofdpersonage zou doen denken aan Miss Marple, de bejaarde hobbyspeurder van Agatha Christie. Onzin wat mij betreft. Het is gewoon een grote, zo niet briljante ‘Roman’. De hoofdletter is geciteerd. Tokarczuk gebruikt namelijk op een ongebruikelijke manier hoofdletters in haar tekst. Hoewel, eigenlijk doet het vertellende personage dat, mevrouw Duszejko. Een stevige vrouw van een jaar of zestig, geregeld gekweld door ‘Kwalen’, nauw verbonden met de ‘Natuur’, de ‘Dieren’ en de ‘Sterren’: ‘Ik geloofde niet dat iemand het überhaupt zou afdrukken, maar misschien dat iemand erover zou Nadenken’.

    Het nadenken betreft hier haar ‘Theorie’ dat er overeenkomsten bestaan tussen de stand van de sterren en de filmprogrammering van televisiezenders. Mevrouw Duszejko heeft vele theorieën, allemaal tamelijk wezensvreemd, vaak gebaseerd op haar fenomenale astrologische kennis. Dat maakt haar een buitenstaander. In de ogen van anderen een gek maar ongevaarlijk oud wijf. Toch zijn sommige van haar overwegingen zo gek nog niet. Bijvoorbeeld als ze aankomt met de theorie dat het cerebellum niet correct is verbonden met de hersenen: ‘Was die verbinding goed aangelegd, dan zouden we volledige kennis hebben van onze anatomie, van wat er in ons lichaam gebeurt. Het kaliumgehalte in mijn bloed is gedaald. De derde halswervel staat wat onder spanning. Lage bloeddruk vandaag, ik moet bewegen, en na die eieren met mayonaise gisteren is het cholesterolniveau te hoog, dus moet ik letten op wat ik eet.’

    Haar belangrijkste theorie is dat de ‘Dieren’ wraak nemen op de mens, op de vaak gedachteloos wrede mens die reeën en zwijnen naar believen dood schiet, die bomen omhakt en vossen in een pelsfokkerij opsluit. Die wraak bestaat uit moord, vandaar de annotatie met een detective of thriller. En inderdaad, de moorden vormen een voortstuwend element in het boek; ze zijn in eerste instantie een aanleiding om mensen en gebeurtenissen in een afgelegen en geïsoleerd gebied van Polen te beschrijven. Zonder nadruk is het boek ook nog eens buitengewoon geestig. ‘Eunjer was waarschijnlijk geschapen voor een leven in eenzaamheid, net als ik, maar onze eenzaamheden waren op geen enkele manier verenigbaar’, schrijft mevrouw Duszejko bijvoorbeeld. Ze heeft trouwens een hekel aan haar naam, aan de meeste namen. Daarom verzint ze voor iedereen een treffende bijnaam. Eunjer is zo’n bijnaam, net als Grootvoet en Goednieuws.

    Nu het boek uit heb, weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd geraakt door een schrijver. Als ik twee alinea’s had gelezen dan wilde ik al naar mijn eigen schrijftafel rennen. Niet om een pastiche op Tokarczuk te maken (dat zou niet alleen onmogelijk, maar zelfs potsierlijk zijn), maar wel om te proberen eveneens een meeslepend verhaal te vertellen. Om ook origineel te zijn, theorieën tot leven te wekken en personages te laten schitteren in hun eigen universum.

     

    Jaag je ploeg over de botten van de doden / Olga Tokarczuk / vertaling: Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra / De Geus



    Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighter bij uitgeverij Palmslag.