• Iconische beelden

    Op 3 april van dit jaar was Cees Nooteboom te gast in het programma Buitenhof om te praten over Een duister voorgevoel, zijn recente boek over Jheronimus Bosch.

    Bosch - Aylan

    Er ontspon zich een ongemakkelijk gesprek tussen de schrijver en presentatrice Marcia Luyten, die duidelijk niet op dezelfde golflengte zaten. Dat bleek vooral toen Nooteboom bijna verrukt de gelijkenis verduidelijkte tussen Bosch’ paneel met Sint Christoffel en de foto van de politieman die op een Turks strand het verdronken Syrische jongetje Aylan Kurdi wegdraagt.

    De overeenkomst is treffend, maar niet toevallig. Jeroen Bosch schiep met zijn Christoffel een archetype. Het spreekt juist zo aan omdat het een vóórafbeelding is van een werkelijkheid die zich ten allen tijde kan voordoen. Het is invoelbaar hoe Nooteboom met een schok de overeenkomst zag, maar hij is niet uitzonderlijk.
    Nog bekender is de foto van Aylan geworden waarop hij met zijn gezicht naar beneden en de armpjes langs het lichaam aan de rand van het water ligt. Dergelijke iconische beelden die we uit de werkelijkheid plukken, hebben ook een negatieve werking: ze drukken soms andere werkelijkheden weg. Want wie herinnert zich nog dat op datzelfde strand waar de agent Aylan opraapte ook zijn vijfjarige broertje Galip en hun moeder Rihan lagen. Met nog negen andere drenkelingen trouwens. Om het maar eens cru te zeggen: Galip lag er minder spectaculair bij.

    Aylan en Galip
    Het gevaar is dat dergelijke beelden ons oog voor de werkelijkheid vernauwen tot één sentiment dat een ramp in al zijn heftigheid samenbalt, maar tegelijk afstand scheppen tot de context. In zekere zin worden we er zelfs ingeluisd. Het is niet voor niets Aylan die op de foto staat. Hij was het jongste kind, het meest kwetsbare, het meest weerloze. Juist de foto van hem werkt het beste om het sentiment dat we voelen te bewerkstelligen. Die van zijn broertje is niet dramatisch genoeg en moet het tegen die van Aylan afleggen. Dat roept de vraag op hoe een foto betekenis krijgt en wat wij als ‘waarnemers’ zien. Want we waren er niet bij. We moeten het doen met beeld dat collectief tot icoon is verklaard. Wat er omheen gebeurde zal in ons geheugen (als we het al opgenomen hebben) steeds vager worden.

    Die gedachte kwam bij me op omdat ik het zelf een half jaar eerder meemaakte. We waren in september vorig jaar in Molivos (ook wel Mythimna geheten) op Lesbos. De kilometers lange kustweg van Skala Sikaminia in het oosten tot aan het stadje lag bezaaid met rubberboten en zwemvesten. Bij de school van Mythimna spraken we met enkele van de verzamelde vluchtelingen. Onder andere met de Syrische jonge vrouw met haar kind die we fotografeerden. Haar man liet ons ondertussen op zijn telefoon een filmpje zien dat hij tijdens de oversteek vanaf de Turkse kust op het zwalkende rubberbootje had gemaakt. De trillende beelden toonden de paniek in de ogen van moeder en kind.

    Maar toen we thuis onze foto terugzagen trof ons dat we het archetype van de Madonna hadden vastgelegd. Zoals Rafael dat bijvoorbeeld ooit deed. En hoe meer tijd verstrijkt sinds ons verblijf op Lesbos, hoe meer de foto de liefde van moeder en kind verbeeldt en de schokkende beelden op de telefoon van haar man vervaagt.

    Rafael - Lesbos

    Toch zit op haar schoot het kind dat Christoffel op zijn schouder droeg. En het kind dat de agent wegdroeg van het Turkse strand.

     

     

  • Fragmenten

    Op een druilerige namiddag in 1985 kocht ik kort voor sluitingstijd mijn eerste deeltje van Privé-domein bij boekhandel Praamstra in Deventer. Ik had een girocheque, (zoals dat toen nog ging) bij het Postkantoor (dat er toen nog was), ingewisseld en trok de stad in. Bij de boekhandel ging ik voorbij aan de boekenstapels en -kasten en bleef dralen bij een kast waarin de Privé-domeindeeltjes stonden opgesteld. De crèmekleurige ruggen met zwart gedrukte titel, het grove papier waarop het gedrukt was en de indruk wekten als was jij de enige aan wie dit egodocument werd prijsgegeven, brachten mij in een niet te negeren aandrang een deel te kopen. De prijs ging ver boven mijn budget, toch kocht ik er een, De zoon van een dienstbode van August Strindberg. Een boek waar ik me zwoegend en zwetend doorheen las.

    Daarna kocht ik lukraak het ene na het andere deel. Na Strindberg volgden Julien Green (2 dl), Gustave Flaubert, Michael Boekanin, Toergenjev, Claire Goll, Paul Léautaud (4dl), Paustovskij (4 dl), Virgininia Woolf (2 dl), Anna Mahler, gebroeders de Goncourt, Matthieu Galley, Italo Svevo, Pessoa, Tsjechov, Jeroen Brouwers, August Willemsen, Nathalie Sarraute.
    Vorige week vierden Privé-domein en Athenaeum Boekhandel hun vijftigjarig jubileum. Op het Spui voor de Athenaeum Boekhandel vond een voorleesmarathon plaats. Er was een klein podium onder de luifel van de boekhandel en het publiek stond in groepjes bij elkaar, waaronder de schrijvers/vertalers die wachtten op hun beurt om uit hun favoriete Privé-domein voor te lezen. De zon scheen, de tram gierde steeds opnieuw langs en doorsneed het gesproken woord met een ijzeren onverbiddelijkheid, maar dat mocht de pret niet drukken.

    Anton de Goede, ooit medewerker bij boekhandel Athenaeum en getuige van het ontstaan van de reeks Privé-domein in 1966, introduceerde de schrijvers. Waaronder Gerbrand Bakker die sprak over zijn eigen Privé-domeindeel, Harrie Lemmens als vertaler van Clarice Lispectors De ontdekking van de wereld. Victor Schifferli las in het 2e deel van Paustovski, Jan Willem Anker las August Willemsen en Hein Aalders las van een A4-tje Slauerhoff, uit de bloemlezing die in september zal verschijnen. Janna Loontjes las Max Brod, Barber van der Pol las Ted Hughes en Atte Jongstra las zichzelf.

    Tussendoor schitterde de pretentieloze verschijning van Shira Keller. Zij las begeesterd en met krachtige dictie voor uit Mijn Vlaamse jaren van Jeroen Brouwers. Vooraf bekende zij dat Brouwers voor haar de beste schrijver is die er bestaat. Dat ze hem ooit een literaire liefdesbrief heeft geschreven. Dat ze daarop nooit een reactie gekregen heeft. Dat dat niet erg was. Dat het er uiteindelijk om gaat je zwoegend door een tekst heen te werken. Brouwers zwoegt al schrijvende (alles met de hand) zijn teksten aaneen. Dat bleef me bij van een middag mooie fragmenten uit de Privé-domeinreeks.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover. Maar niet te vaak.

     

  • Onderweg

    In de Oude kerk in Amsterdam is nog tot 28 augustus de tentoonstelling Once in a lifetime te zien. Ik was bij de pers-presentatie waarbij de curator een kleine groep recensenten in vogelvlucht rondleidde. Bij elk werk rond het thema ‘leven en vergankelijkheid’ gaf ze een korte omschrijving.

    Bij het ene werk wees ze op de overeenkomst met een mini-uitvoering van de toren van de Oude Kerk, bij het volgende keek ze naar boven, naar de gelijkenis van de eendensnavels met – zoals ze het noemde – de ‘toeters’ op het grafmonument van Van der Hulst. En bij twee vitrines met zeepjes wees ze naar beneden, naar de zerkenvloer, die er niet zo afgesleten en glanzend als de hotelzeepjes uit zagen.

    Er werden aantekeningen gemaakt, vragen gesteld, en ondertussen vroeg ik me af of het de kunstenaars waren die de overeenkomsten hadden gezocht, of dat ze de curator waren opgevallen, of dat wij die er zelf in mochten leggen. Dat eerste kon lang niet in alle gevallen, want het werk van Borremans komt bijvoorbeeld uit het S.M.A.K. in Gent. Het laatste zou mooi zijn: de dialoog met de kunst aangaan.

    Op The twilight of our heart van het kunstenaarsduo Muntean/Rosenblum, is  een desolate snelweg te zien met aan de horizon, onder een opentrekkend wolkendek, de skyline van een grote stad. De eenzaamheid als in Jack Kerouacs Onderweg spat ervan af. De curator omschreef de stijl van Muntean/Rosenblum als ‘pathetisch.’ Het boekje bij de tentoonstelling legt uit: pathos is het Griekse woord voor lijden of emotie. Een vergelijking met iets uit de omgeving in de kerk bleef uit. In plaats daarvan vermeldde ze dat tijdens de opening op deze plaats een ‘motet’ zal klinken van de renaissance-componist Cristóbal de Morales. Een motet is een compositie door meerdere zangers uitgevoerd, verklaarde het boekje.
    Het komt mooi uit dat in de week na de opening van deze tentoonstelling het bekende vocaal ensemble Weser Renaissance door het hele land sacrale muziek van De Morales zingt, gewijd aan Maria. En ja, het klopt: zijn muziek was volgens de website van de organisator van dit kleine tournee ‘tijdens zijn leven al beroemd om de unieke muzikale expressie’ ervan. Over pathos gesproken.

    Ik kijk nog eens naar The twilight of our heart en dan naar Lives were changed, ook van Muntean/Rosenblum. Hierop komt de jongerencultuur tevoorschijn die past in de sfeer die Kerouac al eind jaren vijftig van de vorige eeuw beschreef: een disco met dansende jongeren. En dan valt me op wat ik mis: op beide kunstwerken gaat geen van de afgebeelde personen een gesprek aan met een ander.
    Toch was ik getuige van een gesprek. Niet tussen die schilderijen en iets anders aan de muur of op de grond, zoals de curator voorstond, maar tussen mij, dat schilderij en de muziek van De Morales. En ik besefte dat het dáár om gaat: je moet zelf een kunstwerk ‘af’ maken. Dan gaat kunst leven én kan het soms zelfs  je leven veranderen. Lives were changed, inderdaad. De titel zegt het al.

     

  • Schizofrene dwaling

    Ik zie de auto’s voor mijn raam voorbij flitsen terwijl ik in gedachten vanachter mijn bureau naar buiten naar een leeg laagland met knotwilgen en sloten tuur. Dat is best gek. Maar toch gebeurt me dat vaak. Ik loop ergens, in de supermarkt of op een plein, maar eigenlijk ook weer niet. De mijmering die altijd in mij is, brengt me op een dijk langs een rivier, naar het dorp kijkend met de spitse kerktoren waar ik op 200 meter vandaan woon aan het marktplein. Of op een berg met een panoramisch uitzicht, met  eeuwige sneeuw op de toppen, al fiets ik toch echt de stad uit richting de westelijke rand van Amsterdam waar ik woon en werk. En waar mijn boeken staan die ik de hele wereld over stuur. Ik zal vast niet de enige zijn die werkelijkheid en fantasie op hetzelfde moment kunnen beleven. Mindfullness in het kwadraat? Schizofrene dwaling van de geest? Bipolair genot van het leven.

    Op het moment dat ik boeken sta in te pakken om te verzenden, ben ik ook bezig met het schrijven van een verhaal dat er nooit zal komen. Over een oudere beeldhouwer die terugdenkt aan vroeger jaren toen hij in zijn atelier stond, dat aan de dijk lag bij een rivier en dat over een week gesloopt gaat worden. Die verhaallijn heeft zich nu al een jaar of twee in mijn hoofd genesteld sinds ik een paar kunstcatalogi uit de jaren zeventig van de beeldhouwer Marius van Beek (1921-2003) in handen kreeg bij een boekeninkoop. Maar het verhaal wil niet bepaald vlotten. Iedereen wenst wel eens een maandje vrijaf van werk en beslommeringen om ergens in een huisje in de duinen of op een Waddeneiland te gaan zitten om dan die bom van creativiteit te laten ontploffen. Ik dus ook, maar dat komt er gewoon niet van. Zijn er mogelijk van die groepsreizen voor uitgestelde creatievelingen? Schilders, schrijvers, fotografen, filmers die op een bungalowpark allemaal hun ‘ware’ ding mogen gaan doen. Vast wel. Ergens in een bos in Drenthe wordt elke zomer Buitenkunst gehouden, met honderden deelnemers op een camping en allemaal werkplekken, maar dat is me toch weer te massaal, te openbaar. Liever schrijf ik alleen een gedicht, dat ik daarna kan weggooien zonder dat iemand het heeft gelezen en dan zegt dat het mooi is – of te erg voor woorden.

     

  • Verhalende beelden

    Eén van de grote verschillen tussen geschreven en beeldende kunst is de factor tijd. Een beeld of schilderij geeft meestal één scène; een boek honderden. Soms smokkelt een schilder of beeldhouwer wat, en beeldt hij twee of drie scènes uit. Maar veel verder komt een kunstenaar bijna nooit.

    Tenzij je natuurlijk Auguste Rodin heet, het Franse genie dat aan het einde van de  negentiende eeuw de beeldhouwkunst op zijn kop zette. Een onvermoeibare verhalenverteller in klei, brons, gips en marmer, die geen genoegen nam met de beperkingen van zijn metier. En soms driedimensionaal probeerde te doen wat schrijvers op honderden pagina’s doen: een amalgaam van verhalen, als een weldadig woud waarin je – in de beste zin des woords – naar hartenlust kunt verdwalen.

    Zelf had Rodin één boek waarin hij het liefst verdwaalde: het eerste deel van Dante Alighieri’s Goddelijke Komedie, waarin diens tocht naar de Hel centraal staat, met die prachtige eerste regels:

    In het midden van de reis door ons leven,
    hervond ik mij in een duister woud,
    want de rechte weg was geheel verloren

    Volgens de overlevering las Rodin het liefst elke dag iets in Dante’s Hel. Steeds weer nieuwe verhalen opsnuivend die zich in zijn hoofd mengden met zijn sculpturale ideeën en vervolgens via zijn handen in klei en gips een ongekend energieke uitweg zochten. Leidend tot de Hellepoort (1880-1917), de meest geweldige poort die je je kan voorstellen. Niet erg praktisch als poort, maar even gevarieerd en overvol als het meest schitterende woud, waarbij Danteske figuren de plaats van de bomen innemen: zoals Ugolini die zijn eigen kinderen op eet of de verdoemde geliefden Paula en Francesca uit Rimini. Die laatste twee zelfs meerdere keren op de deur, waaronder eenmaal innig kussend. Wereldberoemd en onvergetelijk. Deze scène is dan ook met de Denker, die overigens bovenop de Hellepoort zetelt, misschien wel het bekendste beeldmerk van Rodin.

    Al met al is duidelijk dat Rodin’s verbeelding van Dante’s Hel een explosie van verhaallijnen is, waarin Rodin uiteindelijk net zo verdwaalde als Dante in het woud. Met dat verschil dat hij niet in het midden van zijn leven, maar in het tweede deel ervan verdwaalde. Rodin werkte 37 jaar aan zijn Hellepoort, zonder deze ooit af te ronden. Pas na zijn dood werd het door zijn assistenten in de huidige vorm in elkaar gezet en in brons gegoten. Maar toen Rodin nog leefde was de Hellepoort al wel tot leven gekomen. De Kus, de Denker, de Drie Schaduwen, Adam en Eva. Ze zijn voor de poort gemaakt en later als apart beeld uitvergroot. En de lijst sculpturale nakomelingen van de poort is nog veel langer. Weliswaar niet zo lang als de lijst figuren uit de Goddelijke Komedie. Maar Rodin komt als één van de weinige kunstenaars met zijn Hellepoort wel in de buurt. En bewijst zo dat beeldende kunst soms net zo verhalenrijk is als het meest uitgebreide boek.

     

    Vertaling citaat door Frederica Bremer, uitgever Tjeenk Willink en Zoon, 6e druk, 1965

     

  • Afgeprijsd

    Wat is literatuur nog waard dacht ik toen ik in Utrecht een tafel afgeprijsde boeken zag waarop zo’n zeventig boeken met hun ruggen naar boven tegen elkaar aan geperst stonden. Buiten nog wel. De boeken waren als nieuw maar over datum. Ik hoorde daar eigenlijk niet te zijn. Ik zwierf maar wat rond en keek naar die boeken die met de zachte bladerkant, daar waar het boek zich zal openen voor wie het kennen wil, steunden op de tafel. En ik dacht: Niet op hun buik, niet op hun buik. Gewetenloos waren ze daar gestald. Geen kant konden ze op. Maar hé, dacht ik. Komop!

    De zon schemerde door het grijs. Ik was een afspraak nagekomen aan de Oudegracht en na afloop wat besluiteloos blijven rondhangen. Voor ik het wist stond ik voor de boekentafel. De afgeprijsde boekentafel. Mijn ogen vlogen over de ruggen met een snelheid die ik amper bij kon houden. Niet op hun buik, niet op hun buik, ging het door me heen en ik begon ze er één voor één eruit te halen en maakte stapeltjes waar een stuk van de tafel was vrij gekomen. Toen zag ik Het laatste kind van Gilles van der Loo die binnenkort met een derde roman bij Van Oorschot uitkomt. En ik dacht, weten ze dat wel? Weet De Literaire Boekhandel aan de Lijnmarkt wel dat Van der Loo  aan een oeuvre schrijft. Weten ze wel hoe goed hij schrijft. Dat je zo’n boek niet moet verkwanselen maar in je winkel moet houden. Je klanten aanraden. En ik vroeg aan de jonge verkoopster: Heb je deze gelezen? en hield  Het laatste kind omhoog. ze glimlachte en zij wijs: Je kunt niet alles lezen he. En ik vroeg: Weet de uitgever dit? en wist gelijk dat dit geen wijze vraag was. Dus ik dacht: een uitgever moet weer eens contact zoeken met laten we zeggen, de werkvloer.  En weet de boekhandelaar wel wat hij in huis heeft, echt in huis heeft?

    Harrie_Lemmens_God_is_een_braziliaan_6ed87117bc583a3aceb3447f4d4f6de09ce1be7cDe verkoopster ging naar binnen, en ik trok twee exemplaren van God is een Braziliaan van Harrie Lemmens ertussen uit. Dit is toch een boek dat je op voorraad moet hebben wil je je klanten die Portugeestalige literatuur omarmen ter wille zijn. Een boek vol ontmoetingen met schrijvers, politici, taxichauffeurs,…

     

    En hier, een boek van Richard Yates. Yates van Revolutionary Road! Dit is Een geval van yatesordeverstoring. En begint zo:

    ‘Voor Janice Wilder betekende eind zomer 1960 het begin van de tegenslag. En het ergste was, zei ze later altijd, het afschuwelijke was, dat het zomaar zonder waarschuwing leek te gebeuren.’

    Zoals alles zonder waarschuwing gebeurt. Een winkelhulp krijg opdracht alle boeken van voor, of na (willekeur lijkt mee te spelen) een bepaalde datum uit de schappen te halen om ruimte te maken voor verse oogt. De boekhandelaar als boer die zijn eigen boterberg creëert en zo goed boert dat de waarde van een boek beperkt is.

     

     

     

     

  • Harmonie voor even

    De lente davert over ons heen. O. den Besten, Wim de Bie’s verbitterde oud-leraar Duits, werd er depressief van. Die uitbundigheid, die schaamteloze bloemen! Anderen worden euforisch. Neem Nescio. In de lente van 1953 komt zijn kleinzoontje om het leven door een ongeluk. Het wordt slechts terloops vermeld in zijn Natuurdagboek.

    Op 7 april noteert hij:

    Met de bus van half elf met Mariussi en Nelletje naar ZuidLaren. Weer: dreigend, maar later minder. Niet over Onnen. In ZuidLaren snoei gekocht bij Hovius en in het café koffie en zij samen een fleschje rooie limonade met een rietje. Allebei naar de w.c. en ik moest Mariussi z’n bretelletjes vanachteren vastmaken in het café. Met de bus van half 12 terug (niet over Onnen). Mariussi en Nelletje stonden maar te kijken. Om 6 uur is Mariussi doodelijk aangereden op de Nieuwe Heereweg, dichtbij huis, terwijl ik in het Quintus-laantje wandelde (groote helderheid) en al door de G.G.D. naar het Academisch Ziekenhuis gebracht.’

    Bedenk dat Nescio dit mogelijk pas na terugkomst in Amsterdam heeft geschreven. Hartverscheurend de details die hij de moeite van het vermelden waard vindt en die allemaal even belangrijk lijken. De route. Het weer. En, zeer karakteristiek, die ‘groote helderheid’. Zou de ontspoorde zin aan het eind een teken zijn van zijn ontreddering? Op 8 april: ‘Woensdag om half 5 in den ochtend is Mariussi gestorven. Verder geen woord over wat dan ook.

    Vrijdag 10 april reizen hij en zijn vrouw terug naar Amsterdam. Hij vermeldt ‘een schitterend zonlicht’ in Drenthe en ook ‘een rijtje vrij grote boomen in de verte, met een groen waas, het eerste’. Hij besluit de notitie met: ‘In Groningen is in deze week overal de vogelkers prachtig in bloei geraakt’. Niets over Marius.

    Op 11 april is de begrafenis. ‘Zaterdag. Met Miep en Louis in den trein van 10.34 naar Westerveld (de begraafplaats – RvD). Schitterende helderheid, warm in de zon (…) Exceptioneel heldere dag. In Amsterdam waren de forsytsia’s uitgebloeid terwijl ze in Groningen nog op hun mooist waren.’ In Nescio’s onvoltooide verhaal Het einde lezen we: ‘Er zijn maar vijf dingen die de moeite waard zijn (…): Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods’. Het vroege voorjaar: begin april. Marius’ dood viel in het verkeerde jaargetijde.

    De dood van zijn kleinzoontje was niet de eerste voortijdige dood in zijn naaste familie. Hij had al jong een broer verloren en zijn oudste dochter was op haar drieëndertigste overleden. De Middeleeuwse wijsheid ‘Media vita in morte sumus’, door Luther zo mooi vertaald met ‘Mytten wir im Leben synd / mit dem Todt umbfangen’, was bittere realiteit voor hem.

    Maar Nescio, voor wie natuurgenot veel weg had van een mystieke communio (in een recente roman wordt hij ‘de grootste natuurmysticus van de twintigste eeuw’ genoemd) wist dat ook het omgekeerde waar is. Hij kon kopje-onder gaan in de beleving van het licht, in die ‘helderheid’. Geen wonder dat het lied van Ichnaton, dat een loflied is op de vergoddelijkte zon, hem dierbaar was. Evengoed had ook hij te kampen met een pregnant besef van de alles verslindende tijd. Tussen die twee uitersten stroomde zijn religieuze verlangen en dat heeft hem het leven niet gemakkelijk gemaakt.

    Soms was er even harmonie. In Najaar (1922) schrijft hij: ‘Een glimlach trekt over de gruwelijke oneindigheid en eeuwigheid Gods. Het kind speelt.’

     

    Zie De lente en de leraar Duits op YouTube.

     

  • Vergeten dichters

    Als lezer trek ik springerige sporen door het landschap der boeken. Gister lag ik in bed met het laatste en een van de weinige interviews die de Duitse filosoof Martin Heidegger gaf aan Der Spiegel in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het ging over zijn flirt met het nationaal- socialisme in de jaren dertig waarvan hij nooit duidelijk afstand nam. Nu is de stijl van Heidegger vaak nogal ondoorgrondelijk, al zal hij dat waarschijnlijk als een bewijs zien van zijn theorie van het verlies van de grond van het leven – dat ik het contact met het Zijn kwijt ben.

    Eergisteravond lag ik te lezen in de verzamelbundel van Arnon Grunbergs pseudoniem Marek van der Jagt. Grunbergs pseudoniem lag al lang op de leesstapel. De voetnoot van Grunberg in de Volkskrant is elke ochtend weer een kickstart van de geest en zijn stijl en pointe zijn vrijwel altijd scherp. Totaal anders dan Heidegger, maar wel altijd smakelijke maaltijden van geestelijk voedsel bereidend. Zo veel boeken die ik wil lezen, op de trap naar boven ligt nog De ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, of de liefdesgedichten van Du Perron, Nietzsches De antichrist, enkele essaybundels van Piet Meeuse en van Rob Hartmans: Vaarwel dan! Intellectuelen en hun illusies.

    Ook lonkt weer een ander boek uit 2003 over (bijna) vergeten dichters van de letterkundige A.L. Sötemann: Dichters die nog maar namen lijken. Over onder andere Richard Minne, P.C.Boutens, Jan van Nijlen, Henriëtte Roland-Holst en haar neef, Adriaan Roland Holst, de Prins der dichters: ‘Eens en dat vele jaren liep deze dichter hoog te schrijden door de Nederlandse literatuur’ (Kees Fens). Van de week kocht ik ook nog een tweede boek van Joris van Casteren over dit thema, In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters. Ik verheug me ook op deze interviews, hopelijk net zo ‘vermakelijk’ als zijn bundel over vergeten schrijvers, hoe melancholisch de teneur meestal ook is.

    Of misschien juist daarom wel. Ik houd me nooit zo bezig met bestsellers en net verschenen boeken. Zal vast door mijn beroepsdeformatie als antiquaar komen. Mijn begrip van tijd wordt meestal niet begrensd tot het hier en nu, maar gaat wel eens verder terug naar vroeger en soms ook wel eens in de vage dimensie van vergetelheid. In het land van een miljoen schrijvende mensen, is de zee van nietigheid een vol, warm bad van zwetende, tikkende lijven. ‘Toen hij eindelijk verkilde en zich neerlegde op het doodstil terras vlogen er meeuwen over zonder kreten. Zij vlogen over naar wat eenmaal was, naar lief en leed en naar voorgoed vergeten’ (A. Roland Holst, Voorlopig, 1976). Ik vergeet U niet hoor, Prins der Dichters.

     

  • Vergeet je jas niet

    ‘De Ark van Noach in Dordrecht biedt een leuk dagje uit voor jong en oud!’, wordt vermeld op www.arkvannoach.com. ‘U krijgt een indruk hoe het schip eruit heeft gezien en ontdekt hoe Noach en zijn gezin geleefd moeten hebben’. De site bevat een goede tip: ‘Het kan koud zijn op de Ark. Vergeet je jas niet.’

    De Ark is in historisch opzicht ver afgedreven. De oorsprong is het Bijbelverhaal van de zondvloed in Genesis, waarin Noach met zijn familie ontsnapt aan de verdrinkingsdood. En dan hebben we het alleen nog maar over onze christelijke versie. Een soortgelijke vertelling is ook te vinden in de Koran en in het Soemerische epos over Gilgamesj.

    Het schip ziet er in de iconografie niet altijd even patent uit. Maar dat hoefde ook niet. Het ging niet om de bewijsbare degelijkheid van het vaartuig maar om de redding van de goede mens. Eeuwenlang kozen kunstenaars ervoor de Ark af te beelden als symbool van die redding. Soms loerden uit alle ramen dieren, want Noach redde en passant ook de aarde. Maar die was niet te zien. De boot vulde het beeld. En het water.

    ark van noachMichelangelo introduceerde in de 16de eeuw een ander perspectief, dat van de afvaart. Bij hem geen solitaire boot als ‘save haven’, maar de angst en het lijden van de mensen die niet hebben weten te ontkomen en het nakijken hebben. Het tafereel is te zien in de Sixtijnse kapel. Op de voorgrond worstelen mensen om aan de ramp te ontkomen, terwijl de Ark verdwijnt in de achtergrond. Niet de geredden, maar zij die dat niet zijn vullen het fresco.

    In onze 21ste eeuw voldoet dit beeld niet meer. Het perspectief is opnieuw veranderd. De boot staat weer centraal. En dit keer komt hij aan. Op de voorgrond staan nu over elkaar buitelende ngo’s die de opvarenden opvangen. Maar de boot die aanlegt is niet een schip van hoop zoals de Ark ooit. Nee, het is de wanhoop die landt. Niet op de berg Ararat, verwelkomd door een duif met een palmtak, maar op Griekse en Italiaanse eilanden en – verder van ons – op de stranden van Thailand en Maleisië. En het schip als solitair symbool is er óók weer.

    Het icoon is sinds een paar jaar de foto van Massimo Sestini die in 2015 een World Press Photo-bekroning kreeg. Hij nam hem op 7 juni 2014 voor de kust van Libië waar de Italiaanse marine een boot vol drenkelingen redde van de ondergang.

    Foto: Massimo Sestini

  • Zkv op zondag

    Elke zondagochtend lees ik een zkv van A.L. Snijders dat via de mail binnenkomt. Koffie en een zkv, meer verlang ik niet op zondagochtend.

    Het laaste zkv ging over de warmste zondag van dit jaar en de Giro die over de provinciale weg tussen Lochem en Zutphen reed. De weg die 200 meter van zijn huis ligt, legde hij te fiets af. Hoe de mensen in meegebrachte stoeltjes langs de weg zaten, sigaretten rookten en met flesjes bier stonden te wachten. Snijders zelf leunde op zijn fietsstuur  en nam er notitie van.

    Diezelfde zondag reed ik van oost naar west met de zon in de rug. Tot Arnhem waren de wegen versierd. Er hingen roze fietsen in bomen en lantaarnpalen. Het was alsof de bewoners van de dorpen waar de Giro langs zou komen, zich voor het eerst sinds lange tijd weer hadden kunnen uitleven. Zwetend in een 2CV en met wapperende haren zag ik in de tuinen langs de weg biertenten verrijzen en een wegrestaurant dat van boven tot onder in de roze verf was gezet. En dat je je dan afvraagt hoe ze dat doen als de Giro voorbij is.

    Snijders noteerde dat de mensen aan de kant van de weg heel wat wisten over de renners voordat ze iets gezien hadden. Ze wisten dat een renner gewond was en dat de ambulance onderweg was. Ook kenden ze het precieze moment dat het peloton de standplaats zou passeren. Snijders mobiel is alleen om te ’telefoneren en getelefoneerd worden’ schrijft hij. Hij is zo iemand die zich er nog geregeld over kan verbazen dat er door een druk op de knop, licht ontstoken wordt. ‘Zo’n mentaliteit maakt het moeilijk bij de tijd te blijven,’ concludeert hij.

    Een onophoudelijke stroom auto’s, protserig hoog op dikke banden raasden van west naar oost. Ons Eendje wapperde dapper mee op elke luchtverplaatsing die passerende auto’s teweeg brachten. Veel auto’s hadden fietsen achterop. Altijd twee, nooit één. Ook nooit twee fietsen en een kinderfiets erbij. Wat uiteraard iets zegt. Het maakte me onbegrijpelijk chagrijnig.

    Ondertussen vloog er tussen Zutphen en Lochem met oorverdovend lawaai een helikopter over toen het peloton de plek passeerde waar Snijders, nog steeds over zijn fietsstuur geleund, naar boven keek. Naar die helikopter. Van de wielrenners zag hij uiteindelijk niets. Hij vertelde het niemand, want: ‘ik bleef ten slotte via de televisie op de hoogte van de prestaties van Tom Dumoulin, (…).’

    Soms vind ik zo’n zkv  zo mooi dat me bij de laatste zin een zucht ontsnapt. En dan klik ik op ‘reply’ en typ een woord, waarin de verzuchting van bewondering verscholen zit en waarvan ik me verbeeld dat die zucht ook  wordt overgebracht. Zoiets als: ‘Mooi!’

    Waarop ik een bericht terug ontving:

    het doet me genoegen dat je het mooi vindt.
    het blijft ten slotte altijd een raadsel welke snaren
    zullen trillen. vrgvvgvrgvgr

    Daar trilde ik even van. En met dat ‘vrgvvgvrgvgr’? Daar kan ik dagen mee voort om te bedenken wat daar de betekenis van is.

     

     

  • Dwarse rolstoel

    Al weken had ik naar dit concert uitgekeken. Naar de violiste, Viktoria Mullova die ik graag mag horen, en een symfonie van de door mij gewaardeerde componist Nielsen. Het orkest mag er ook zijn: het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Dmitri Slobodeniouk. ‘Mooi’, denk ik, als ik mijn plaats gevonden heb: twee stoelen vanaf het gangpad, net niet achter een pilaar.

    Ik sla het programmablad van Het Zondagochtendconcert om en lees de biografietjes van soliste, dirigent en orkest. Als ik mijn blik weer opsla, kijk ik recht in het vriendelijke gezicht van een oudere dame in een rolstoel. We zeggen elkaar gedag. Een man, die haar zoon blijkt te zijn, sjort net zolang aan de stoel totdat deze voor de hoekplaats in mijn rij staat. ‘Kun je zo wel wat zien, achter die pilaar?’ vraagt hij aan zijn moeder. ‘Ja’, antwoordt ze, ‘ik zie alles.’ Maar nu blijkt dat de stoel precies voor zijn toegewezen plaats staat. Hij begint opnieuw aan de rolstoel te sjorren. Als deze uiteindelijk schuin in het gangpad staat en de ingang naar de rij voor me belemmert, zegt de zoon: ‘Ach, ik zit naast die mevrouw.’ Dan klimt hij via de rij achter me naar zijn plaats naast mij. Waarom zou je het je makkelijk maken als het moeilijk kan?

    Inmiddels is het paar dat voor ons hoort te zitten gearriveerd: jonge mensen, voor de gelegenheid nonchalant-netjes gekleed. Ze kijken naar hun plaatsen, maar kunnen er niet bij, ‘tenzij’ zegt zij, ‘we eroverheen mogen klimmen.’ Ze bedoelt de rolstoel. Dat mag. Dan begint de zoon tegen ze: ‘In Rotterdam is het veel beter geregeld. Hier zijn maar een paar rolstoelplaatsen: bij deze pilaar en daar aan de andere kant.’ De vrouw voor ons zegt: ‘Wat seniel!’ Haar partner gaat er niet op in. ‘Houdt u niet van kritiek?’ vraagt de zoon. ‘Nee’, antwoordt hij, ‘ik kom hier om te genieten.’

    ‘Eén, twee, drie’, zegt de oude dame in de rolstoel en het concert begint. Nog één keer hoor ik haar tegen haar zoon fluisteren: ‘Mooi hè?’ Ze geniet zichtbaar. Ze kan alles zien en horen. Af en toe meen ik een soort gesnor op te vangen, als van een spinnende poes. Applaus – groot applaus na een indrukwekkende symfonie waarin inderdaad wel iets aparts te zien viel: namelijk een slagwerker die halverwege het werk de statige trap oploopt om zijn partij, blijkt, achter een deur te vervolgen.

    Iedereen staat op en applaudisseert nogmaals langdurig. Als we weg willen naar de garderobe, maakt de zoon geen  aanstalten het pad vrij te maken. Amsterdam is blijkbaar toch zo gek nog niet. Dan maar rechtsom de rij uit als het linksom niet gaat. Tot de man voor me opeens ‘Aso!’, zegt. Luid en duidelijk. Het concert is ten einde.

     

  • Bushalte

    Eerder schreef ik al over de bushalte voor mijn huis, op ongeveer 5 meter afstand van mijn bureau. En dat die 5 meter als zoveel meer meters aanvoelen. Zeker, toen een man aanbelde en vroeg of hij bij mij een kopietje kon maken van zijn paspoort. ‘Want ik zie een hoop boeken, dus ik denk dan kopieer je toch?’ Als een onbekende hier binnen stapt, voor een pakketje of een klusje, vraagt diegene onmiddellijk of ik nog wel eens een boek verkoop en of ik er van kan leven. Blijkbaar heeft de gedachte bij hen postgevat dat boeken nog geen droog brood op de plank brengt. Het fascineert me dat over de wereld der boeken zo in uitersten wordt gedacht. Ook hoor ik vaak, ‘Verkoopt het nog een beetje. Boeken?’ Of ze hebben een onrealistisch ontzag voor boeken en de halo van eruditie die erom heen hangt.  Als ik zeg dat ik er van leef, wordt ik meestal een beetje ongeloofwaardig aangekeken. Laatst was er iemand voor de montage van nieuwe sloten op de deuren die vroeg of ik er nog een baan bij heb. Bij mijn weten heb ik nog nooit aan iemand gevraagd of zijn werk genoeg geld oplevert. Ik hoop vooral dat men plezier van zijn of haar werk heeft. Wat je ook doet of bent. De meesten volgen het geld. En dus vragen ze anderen – mij incluis – ongegeneerd naar je inkomsten.

    Gisteren plofte er een brief van de gemeente Amsterdam in de brievenbus. Er wordt een opvang voor 800 vluchtelingen gebouwd op een sportterrein hier 500 meter vandaan. De migratiestroom door oorlog en conflicten is een fenomeen door de geschiedenis heen. Dat Nederland door oorlogsslachtoffers wordt gezien als een veilige haven is een prettige gedachte. Ik ben benieuwd door wie de bushalte voor mijn huis en werkplek over een tijd wordt gebruikt naast de Nederlanders die er nu staan. En hoe de buurt gaat reageren op dit feit. Want we leven in het land van de voldongen feiten (H.J.A. Hofland). Deze week is er op 20 mei een informatieavond, van inspraak is geen sprake. Ik ben sowieso voor opvang van kwetsbare mensen. Toch ben ik zeer nieuwsgierig naar hoe de wereld daar buiten – op 5 meter afstand – eruit ziet als de vluchtelingen er zijn. En hoe alle Nederlanders – van welke afkomst ook – zich hier gaan opstellen. Daarover later meer.