• Een lege kamer


    Boektitels van jaren her kunnen als een mantra door mijn hoofd resoneren. Wanneer mijn ruimte beperkt wordt door allerlei beslommeringen trekt er een repeterend A Room of One’s Own, A Room of One’s Own...door mijn hoofd. Het essay,  geschreven door Virginia Woolf in 1929 is nog steeds een waardevolle tekst voor wie van schrijven zijn werk wil maken. De behoefte aan een ruimte voor mezelf manifesteert zich in deze tijd van het jaar extremer dan anders. Ik heb een eigen kamer maar het is een betwistte plek. Als er logees zijn, en die zijn er altijd met de feestdagen en langer nog, wordt deze als eerste geofferd. Als iedereen vertrokken is, ligt mijn kamer nog dagen overhoop en is mijn werktafel bedolven onder achtergebleven kledingstukken. Woolf pleit in haar essay dan ook voor een kamer met een slot op de deur.

    Word ik overspoeld door de hectiek van de dag dan zoemt Tijd van levenTijd van leven… in mijn oren. Bang dat ik mijn tijd akelig zit te verknoeien maar evengoed verander ik er niets aan. Daarom bewonder ik Delia Ginstead, een personage in de roman Tijd van leven van de in Baltimore wonende schrijfster Anne Tyler. Tyler heeft een uitgesproken voorkeur, (evenals verhalenschrijver Alice Munro) voor het inzoomen op alledaagse familierelaties.

    Delia heeft een gezin met drie opgroeiende kinderen en assisteert haar man in zijn dokterspraktijk. Het soort huwelijk waarvan er dertien in een dozijn gaan.  Ze is haar leven als zodanig moe en wil niet langer de akelige kleine, mug zijn die zich ‘zoemend rondom de buitenkant van haar gezin’ beweegt.
    Op een dag in mei is ze met de hele familie aan het strand. Er ontstaat een woordenwisseling met haar man, het irriteert haar dat hij wegloopt voordat er echt ruzie van kan komen. Woedend ‘griste ze haar tas van de deken, draaide zich om op een blote hiel in het zand en stampte weg’. Pas na drie dagen wordt ze als vermist opgegeven.

    Ik weet dat ze in een badjas mee liftte met de onderhoudsmonteur van hun vakantiehuisje en uitstapte bij het eerste plaatsje dat ze tegenkomt. Ik stap met haar uit en kijk rond  op het lege plein. Zie hoe ze een jurk koopt en ondergoed. Ze komt langs een raam met het bordje ‘kamer vrij’ erachter en belt aan. Later die dag zit ze op de witte deken op het bed en heeft de deur op slot gedraaid. Ik denk aan Frida Vogels. Die huurde jaarlijks een bovenkamertje in Amsterdam om er te schrijven aan haar levenswerk De harde kern 1, 2 en 3. In gedachten loop ik de trap op, groet de hospita die om de hoek van haar deur kijkt om te controleren wie er binnenkomt. Ik zie een bed, een stoel, een muurkast, een tafel. En een raam waarlangs een zucht wind de gordijnen streelt, als ik het openzet.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Toneel moet je niet lezen: De huisbewaarder van Harold Pinter

    Waar ik The Caretaker van Harold Pinter voor het eerst zag, weet ik niet meer, maar het was eind 1980, ik was zeventien en we gingen er met een bus vol scholieren naar toe. De tekst hadden we klassikaal gelezen, we wisten dus waar het over ging. Althans: we zullen wel geweten hebben dat in het stuk twee broers te maken krijgen met een zwerver die zich ontpopt als intrigant.
    Van de voorstelling kan ik mij niets herinneren. Ik heb geen idee of ik in staat was de tekst zelfs maar te kunnen volgen. De portee van Pinters drama in drie bedrijven doorgronden, deden de meesten van ons zeker niet.

    Dat durf ik wel te stellen nu ik The Caretaker herlezen heb en De huisbewaarder gezien. Tijdens het herlezen valt me op hoe talig Pinter is. Dat hij zijn personages steeds weer woorden in de mond weet te leggen die hun handelingsonbekwaamheid onderstrepen. Ik lees nu pas wat ze precies zeggen en hoe vaak ze in herhalingen vervallen. Hoe weinig ze elkaar te vertellen hebben, terwijl ze elkaar voortdurend verwijten maken. Via de taal krijg ik toegang tot het onderhuidse. Zover reikte mijn Engels van toen zeker niet. En wat wist ik als zeventienjarige van het leven. Nog niet genoeg om Davies/Jenkins te doorzien en aan te voelen hoe het precies zit tussen de broers Aston en Mick.

    ‘Toneel moet je niet lezen. Toneel moet je zien.’ Toen ik nog in het oosten van het land woonde, sprak ik dat met klem tegen. Toneel lezen was vaak de enige mogelijkheid om kennis te nemen van een stuk. Dat toneel op papier een halffabricaat is en mijn verbeelding het niet zou halen bij een volledig aangeklede voorstelling nam ik voor lief. Ik gaf de voorkeur aan iets boven helemaal niets.
    Dit keer lees ik The Caretaker in de wetenschap dat ik De huisbewaarder ga zien. Om straks zo blanco mogelijk te kunnen kijken, houd ik het lezen klein. Tijdens dit toegepaste lezen vraag ik me wel af wat er precies met Aston aan de hand is. Heeft hij echt in een inrichting gezeten of is hij Davies/Jenkins zo zat dat hij ook een verhaal opdist?

    Het is tijd om naar de schouwburg te gaan. Vlak voor aanvang van de voorstelling vang ik de vraag op van een hoogzwangere vrouw die twee stoelen verderop zit. Ze wil weten waar de nooduitgang is voor het geval dat… Alsof zij daar neergezet is om mij in de stemming te brengen.

    Na anderhalf uur is De huisbewaarder voorbij. Er wordt geklapt en gebogen. Ondertussen sluipen de personages uit de lichamen van de acteurs. Aston heeft zijn mutsje afgezet en is meteen geen slome duikelaar meer. Misschien is dat wat hij is. Geen patiënt en zeker geen gek. Gewoon een jongen die donders goed weet waar hij mee bezig is, maar daar wat tijd voor nodig heeft. Iemand die zich niet laat besodemieteren en ook niet met zich laat sollen. Iemand aan wie je misschien zelfs wel een huis kunt toevertrouwen.

    De lichten zijn uit. De deur van de zaal gaat op slot. Wat rest is de tekst.

     


    De huisbewaarder
    van Harold Pinter van Toneelschuur Haarlem (regie: Paul Knieriem, met Jan-Paul Buijs, René van ’t Hof, Lowie van Oers) is nog tot en met 30 december te zien in verschillende schouwburgen.

    (Bij de foto: scènebeeld uit ‘The Caretaker’ van The New Shakespeare Company die ik in 1980 zag.)

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Misschien Madelief

    Om de meest gelukkige reden denkbaar ben ik veel met namen bezig de laatste tijd. Er is opnieuw een Ronja geboren in mijn omgeving, niet bij ons maar wel dichtbij. Wat een geluk moet het zijn om je dochter te vernoemen naar een van de stoerste personages uit de (jeugd)literatuur, wat een belofte zit er in die naam. Dat een naam een wens moet zijn of een boodschap, iets dat je je kind wil meegeven, houdt me al langer bezig. Dus zoek ik een eigen Ronja.
    In verhalen heb ik ze vaak vrij snel – en zodra ik ze heb, veranderen namen nauwelijks nog. Daags voor mijn debuut naar de drukker ging, moest er echter nog een nieuwe naam komen voor een van de hoofdpersonages: te veel namen begonnen met een A, aldus de proeflezers. Nog steeds struikel ik soms over het resultaat: hoe tevreden ik ook over Michelle ben, voor mij blijft ze altijd Amy.

    Hulpeloos sta ik voor mijn boekenkast, niet met de handen in het haar maar op mijn buik. Voor een jongensnaam hoefde ik niet lang te zoeken, voor een meisje is het lastiger. De naam die al jaren op het puntje van mijn tong ligt, neem ik in heroverweging. Liefst zou ik iets uit een boek willen. Maar – er is altijd een maar.
    Niet alleen blijken mijn lievelingsschrijfsters hele vreemde voornamen te hebben (Flannery, Marlen, Toni, Willa), voor de weinige vrouwelijke personages die me bijbleven in alles wat ik las geldt zelfs dat ze ongelooflijk onhebbelijke karakters hebben: neem Louise Bentley uit Winesburg Ohio, wiens verhaal door haar schepper, Sherwood Anderson, wordt geïntroduceerd als een ‘geschiedenis van misverstanden’. Wat volgt is een karakterschets van een moeilijke vrouw, een oerkracht die zichzelf evenmin begrijpt als in de hand heeft.

    Steeds moet ik aan Sethe denken – misschien heeft het met angsten te maken, de duistere vraagtekens die het oppervlak zoeken zodra er van alles in een vrouwenlichaam verandert. Zelden las ik zo’n schitterende naam, zo’n schitterend verhaal. Maar is Sethe de heldin van Toni Morrisons Beloved of het slachtoffer? Dit is geen verhaal om verder te vertellen, staat er in mijn vertaalde exemplaar. Wie beide boeken heeft gelezen zal begrijpen dat Sethe en Louise geen namen zijn die je zomaar doorgeeft.
    Dan zijn er nog de vrouwelijke personages in de romans van Marlen Haushofer, allen op de rand van waanzin en, belangrijker, naamloos. Alleen Stella uit Wij doden Stella krijgt actief een stempel en dat is er nu juist weer geen die je wilt doorgeven, het is Haushofers Lolita, een nimf en net zo irritant. Even denk ik aan de vrouwen in Faulkners As I lay dying maar ach, dat zouden geen beloftes zijn maar een vloek.

    Wat geef je iemand mee en mag het ook gewoon een beetje mooi zijn? Een van de leukste (literaire) namen die ik ken gaf ik al aan een kat – nee, Haggis was het niet. Misschien Madelief. Zo mooi vond ik de boeken van Guus Kuijer. Ik heb gelukkig nog even.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

  • Schaamte en ander ongemak


    Ik las laatst de roman, Bloed krijg je er nooit meer uit, van Philip Snijder over de gevolgen van een jeugd in een achtergestelde volkswijk. Het speelt, net als het autobiografische Zondagsgeld en zijn derde, Het geschenk, op het Bickerseiland in Amsterdam. In de jaren zestig een verpauperde buurt waaraan de hoofdpersoon zich ontworstelde zo gauw de mogelijkheid zich voordeed. Ik had geen idee, maar het Bickerseiland was tot eind negentiende eeuw een echt eiland en valt onder de Westelijke eilanden (waarvan ik ook geen weet had). Wat ik wel weet is dat het Magna Plaza het vroegere Postkantoor was en dat radiomaker en columnist (Het Parool), Ischa Meijer boven een café woonde waarvan hij de uitbater ‘koffiebaas’ noemde. Niet zoveel meer wetend van Amsterdam dan de doorsnee (van oorsprong) Amsterdammer stel ik me zo voor. Van de stad waar je familie al generaties woont, weet je het minst. Net als in sommige  families, vol aannames onderling en liever geen vragen.

    Ik kom niet uit Amsterdam dus zocht online op ‘Bickerseiland’ en kwam te weten dat een koopman, Jan Bickers genaamd, in 1631 eigenaar werd van het eiland. Hij legde er wat scheepswerven aan, bouwde wat pak- en woonhuizen en ging er zelf ook wonen. Vast in veel betere omstandigheden verkerend dan de familie in Bloed krijg je er nooit meer uit. Dat het Bickerseiland nu een van de mooiste stukjes van Amsterdam is, gelegen in de hoek van het Centraal station en de Haarlemmerdijk, is mede dankzij deze Jan Bickers. Maar dat wist de hoofdpersoon niet toen hij er in de jaren zestig opgroeide, in een buurt waarvan de bekrompenheid hem benauwde, als kind dus al. Vanaf de eerste bladzijden is duidelijk dat de verteller, dan nog een jongen van negen jaar, niet bij zijn familie wil horen. De gedachte dat hij bij de verkeerde ouders was terecht gekomen zal vast wel eens in hem zijn opgekomen.

    Hij wist in ieder geval dat het anders moest en dat kon hij bereiken door zich los te maken van zijn familie.  Maar je kunt niet ver genoeg wegtrekken of je wordt er aan je haren weer bijgesleept want: Er was een zusje, tien jaar jonger, dat op bijna veertigjarige leeftijd en na een overduidelijk ellendig leven van vereenzaming, overlijdt. Bij dit eindpunt van haar leven, ziet de verteller  terug op hun beider leven en toont zich de onmacht van een broer-zus verhouding. Zoals die keer dat hij bij haar langs zou gaan omdat ze hem gebeld had. Er was iets, ze zouden het erover hebben. Hij koopt een fles wijn en drukt, driehoog aan de Bickersgracht, op de bel. Ze doet niet open. Hij voelt opluchting. Heeft in ieder geval zijn best gedaan. Als hij weg fietst, kijkt hij nog een keer naar boven en ziet hoe een schim zich plots wegtrekt vanachter de gordijnen. Drie maanden later is ze dood. Een boek als een monumentje voor Amsterdam, en van een ongemakkelijk leven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • De bril van de recensent

    Vorige week vertrouwde een schrijver mij toe dat zij de recensie die ik schreef over haar meest recente  roman minstens een keer in de veertien dagen tot zich neemt om zichzelf moed in te lezen. Dat deed mij goed en ik voelde mij gevleid. Niet omdat het stuk in goede aarde gevallen was, maar omdat zij vond dat ik haar boek goed gelezen had en wat onder de oppervlakte ligt helder had verwoord. Zo helder dat ze het zelf ook zag.
    Als ik niet een paar dagen daarvoor op Facebook het pleidooi van een schrijver gelezen had die zich genoodzaakt voelde pal te gaan staan voor zijn boek nadat het door een deel van de critici in zijn ogen onterecht afgeserveerd was én als ik niet in diezelfde week een schrijver had horen constateren dat er een trend waarneembaar is in ‘de literaire kritiek’ die bijdraagt aan de onttovering van de literatuur dan had ik ongegeneerd kunnen genieten van de lof mij toegezwaaid.

    Dat van die onttovering zit me het meest dwars. Wat de schrijver daarover zei – dat was niet veel, maar hij was heel stellig en overtuigend – was me uit het hart gegrepen. Als critici bij elke roman, of die nu (auto)biografisch bedoeld is of niet, op zoek gaan naar wat aan de werkelijkheid ontleend is en hoe het in werkelijkheid precies zat, blijft er geen literatuur meer over. Dan wordt de verbeelding in haar hemd gezet en is al het werk van de schrijver tevergeefs geweest. Dan gaat het toch weer over hem en niet over zijn boek.
    Die schrijver op dat podium had gelijk. ‘De literaire kritiek’ vraagt zich inderdaad steeds vaker openlijk af wat er schuilgaat achter de façade van de fantasie. Misschien omdat schrijvers het vandaag de dag dichter bij zichzelf zoeken of zich vaker in het openbaar vertonen. Maar dan nog geeft dat critici niet het recht moedwillig een illusie te verstoren.

    Dat van die schrijver die pal stond voor zijn boek is een heel ander verhaal. Hem werd een niet realistische kijk op de werkelijkheid verweten, waardoor zijn boek niet geloofwaardig zou zijn. Vervolgens stond die ongeloofwaardigheid een zuiver oordeel over het boek op basis van literaire kwaliteiten in de weg.

    Ik maak onderdeel uit van ‘de literaire kritiek’ en trek me het verwijt van ene schrijver en de teleurstelling van de andere aan. Ik schrijf recensies, maar niet om daar complimenten van een schrijver voor te krijgen. Ik schrijf niet voor een schrijver maar over boeken en oeuvres. Ik zie het als mijn taak werk te duiden én te beoordelen (en vind dat een hele verantwoordelijkheid). Ik ben het aan een schrijver verplicht ondanks eventuele voorkennis zo onbevooroordeeld mogelijk te lezen en me in zijn werk te verdiepen voordat ik iets vind. Hij mag bovendien verwachten dat ik net als hij de regels van het spel dat literatuur heet ken en eerbiedig.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Muziek die chaos bedwingt

    Het lijkt wel of de Iraakse schrijver Ali Bader in zijn roman De wolkenmuzikant hetzelfde zegt als Joop Scholten in zijn gedicht Geef mij. Bader heeft het over een Iraakse cellist wiens instrument op een dag door streng-Islamisten in elkaar wordt getimmerd. ‘Hij wilde’, schrijft Bader, ‘een nieuwe taal voor zichzelf bedenken’ maar zijn hoofd liet hem in de steek. ‘Muziek’, zegt het ik-personage, ‘is het mooiste wat er is (…). Met muziekklanken kon hij alles benoemen wat in zijn hoofd opkwam.’ Met muziek lukte hem wat met taal niet lukte: ‘de gebeurtenissen begrijpen die uit de chaos waren voortgekomen.’

    Iets soortgelijks verwoordt de dichter Joop Scholten, die als toelichting bij zijn gedicht schrijft dat hij, nu hij ouder wordt en naarmate hij steeds meer met flarden van herinneringen leeft, des te hardnekkiger de woorden tracht te vinden die de dingen in hun verband houden. Al is het maar voor vijf minuten of voor zolang een gedicht duurt:

    Geef mij een boek

    nog liever geef mij een gedicht  
    dat in geen enkel boek staat opgeschreven

    geef mij een woord, één woord, dat ik niet kende

    een taal die ik nog niet versta geef mij de onnadenkendheid
    waarmee een schilder schildert of een muzikant
    muziek maakt op zijn saxofoon

    of een trombone, ja, geef mij de diepe klank van de trombone

    geef mij een nacht die alle nachten overbodig maakt
    en ik zal met gesloten ogen

    liggen en luisteren.

    Bij de diepe klank van een saxofoon en trombone kun je denken aan jazzmuziek, maar je mag de klank van het instrument vast ook inruilen voor die van de cello van Bader. Ik moest bij dit gedicht denken aan trombonist Jörgen van Reijen, solotrombonist van het Koninklijk Concertgebouworkest. In 2003 zat hij boven mijn werkplek – bij wat toen nog Muziekgroep Nederland (MGN) heette – samen met componist Jan van Vlijmen diens tien minuten durende Sliding metrics, Solo V for trombone in te studeren.
    We wisten allemaal dat Van Vlijmen ernstig ziek was (hij overleed in 2004) en dat dit een van zijn laatste composities zou zijn. Van Reijen speelde, stopte en speelde weer verder. Wellicht vroeg hij iets, of werd zijn spel onderbroken door de componist die iets verduidelijkte. Het was muziek om met gesloten ogen naar te luisteren. Muziek die alles benoemde wat op dat moment in Van Vlijmens hoofd maar moet zijn opgekomen, muziek die de chaos bedwong. Van werken kwam toen niet veel meer terecht.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • Van Rhodesië naar Zimbabwe in proza

    De afgelopen dagen moest ik denken aan de Zimbabwaanse schrijver Chenjerai Hove. Dat kwam door de berichtgeving over Robert Mugabe, dat hij was afgezet en ondertussen daadwerkelijk is afgetreden. Dat had Chenjerai Hove nog moeten meemaken, dacht ik. Sinds 2001 leefde deze dichter en prozaschrijver als banneling, eerst in de VS en later in Europa. De laatste jaren woonde hij in Noorwegen waar hij in 2015 op 59 jarige leeftijd overleed. Zijn roman Beenderen dat ik  begin jaren negentig las, verwarde me. Het is een betoverend maar ook gruwelijk boek over een oude vrouw (Marita) die op zoek gaat naar haar – sinds de burgeroorlog – verdwenen zoon. Beslist geen boek dat je in een keer uitleest.

    Later begreep ik dat de oude vrouw in Beenderen de personificatie was van de negentig jaar dat het duurde voor Rhodesië in 1980 onder Mugabe, het onafhankelijk Zimbabwe werd. Vooreerst bleef ik zweven tussen de raadselachtige taal van de schrijver en de tekenen van genocide van een bevolkingsgroep. Ondertussen was ik zwanger en breide de ene na de andere sok. Het ritmisch tikken van de breipennen (van de boord naar de hiel, de lengte van de voet en afrondend bij de teen), begeleidde de zoektocht van de oude vrouw naar haar zoon. Wat een gruwelijke tocht was, zoals de geschiedenis was van Rhodesië tot het Zimbabwe werd. Maar ik was gefascineerd.

    Deze week las ik er weer stukken uit. De zoektocht van de oude vrouw naar haar verdwenen zoon en naar geluk. Nu pas begreep ik dat ze niet naar een levende zoon zocht, het ging om zijn geschiedenis te bewaren door zijn beenderen te vinden. Om ze mee naar huis te kunnen nemen en onder een boom op het erf te begraven. Pas dan zal hij rust vinden. Voor ze op weg gaat vertelt ze haar buurvrouw:
    ’Ik ga binnenkort weg bij mijn man.’
    ‘Wat? Wou je je man zomaar verlaten? Wat bezielt je? Een man zonder vrouw is als een blad zonder boom, weet je dat dan niet? Marita, denk na.’
    ‘Ja, ik ga morgen weg om mijn zoon te zoeken in de stad. Ze zeggen dat vrouwen hun kinderen hebben gevonden en zijn teruggekomen, gelukkig. Ik wil gelukkig zijn.’

    Literatuur brengt geschiedenis in overzichtelijke en daardoor (beter) verteerbare stukken. Op de bank, breiend aan een sok kan alles nog eens herkauwd worden en is er niets te vrezen. De betekenis van Beenderen won opeens aan actualiteit toen ik een reportage las van journaliste Seada Nourhussen (Trouw 23 nov.). Zij sprak een Zimbabwaanse boer die zijn land in 2016 kwijtraakte door onteigening van de overheid. De graven van zijn voorouders liggen nu in een stuk land waar hij geen toegang toe heeft. “Hij wijst naar de stapels stenen rond een boom (…) ‘Mijn familiegeschiedenis is nu van hen. Hoe moeten zij rusten?’
    De grote dingen van het leven bevinden zich in zulke eenvoudige vragen. En ik denk aan Chenjerai Hove, en wat hij van deze ontwikkelingen gevonden zou hebben.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Heimwee naar de kaartcatalogus

    ‘Dat dat zomaar kan, alle dagen in de weer met die kaartjes.’ Om die zin zal ik vast ook gelachen hebben, toen ik Utopia of De geschiedenissen van Thomas van Doeschka Meijsing voor het eerst las. Dat was in 1984 en ik werkte toen als jongste bediende op de catalogusafdeling van wat ik voor het gemak maar een bibliotheek noem. Het was mijn taak om elke week de cataloguskaartjes van de nieuwe aanwinsten overdwars in de houten bakken te steken (zodat mijn werk gecontroleerd kon worden door het afdelingshoofd) en de kaartjes van afgeschreven boeken te verwijderen. Ik vond het werk verschrikkelijk én geestdodend, en de afdeling waar ik was beland wonderlijk.
    Mijn collega’s leken het werk dat ze deden volkomen vanzelfsprekend te vinden. Elke morgen namen ze zonder morren plaats aan het hun toegewezen bureau dat samen met het mijne een van de eilanden in onze kantoortuin vormde. Ik, net afgestudeerd en nog behoorlijk ambitieus, deed wat gedaan moest worden, maar keerde elke dag ontdaan huiswaarts.

    Tijdens een van die ritten las ik Utopia of De geschiedenissen van Thomas van Doeschka Meijsing, waarin Thomas en zijn lange tijd naamloze collega werken aan het Woordenboek der Nederlandsche taal . Ze zitten tegenover elkaar, schrijven betekenissen, vindplaatsen en toepassingen van woorden op fiches die aan het eind van de week ter goedkeuring aan een hogere instantie moeten worden voorgelegd.
    Ik putte troost uit de belevenissen van die twee die ik als lotgenoten beschouwde. Ik benijdde Thomas en Doesjka niet. Ik kende het Woordenboek der Nederlandsche taal uit de lessen ‘Handboeken & Nasla(g)werken’. Voor een tentamen moest ik weten dat er al vanaf 1864 aan werd gewerkt. Aan de inspanningen van Thomas en Doesjka kwam net zo min een einde als aan mijn sisyfusarbeid: ‘Dit jaar houden we ons bezig met de letter u. Dat deden we vijf jaar geleden ook al. Het verschil tussen toen en nu zit hem in de wispelturigheid van het lemma Utopia.’

    Het inmiddels herlezen Utopia of De geschiedenissen van Thomas gaat helemaal niet over mensen die ingespannen aan het werk zijn en zich tijdens de koffie kritisch uitlaten over collega’s en de gang van zaken op kantoor. Dat boek gaat over een man die al dood is op het moment dat het verhaal begint. Een leven lang gepreoccupeerd door de dood, overvalt die dood hem ver van huis. Waarna zijn woordenboek-collega zijn ideeën (en de hare) in de vorm van verhalen vastlegt. Nu pas lees ik de roman die Doeschka Meijsing geschreven heeft, en realiseer ik me hoe goed dat boek is. Het werken aan het woordenboek blijkt een perfect alibi. Gevangen in een tijd en een ruimte hebben herinneringen en verbeelding vrij spel.

    Aan de acht maanden die ik doorbracht op de afdeling Collectievorming & Catalogi denk ik niet graag terug. Maar heimwee naar de kaartcatalogus heb ik wel. Terwijl mijn vingers steeds routinematiger leerden bladerden, bleven mijn ogen alert op titels die het lezen waard leken. Ik dank veel boeken aan dat browsen in de baas zijn tijd.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Dienstmededelingen

    Iemand vroeg me naar mijn onuitgelezen boeken. Ik houd ze niet bij, weet dat het er veel zijn, meer dan anders. Ik bevind me in een staat waarin ik met veel dingen weinig geduld heb. Ook haak ik bij de een na de andere serie af. Bij House of Cards ben ik al weg en na het zien van de meest recente episode van Designated Survivor weet ik dat het klaar is. In series heeft het te maken met de dialoog. In plaats van gesprekken tussen personages worden dialogen op tv vooral gebruikt om informatie over te brengen op de kijker. In aflevering zeven, seizoen twee van Designated Survivor gaat dit zo:
    – Turans mensen willen de huur van onze bases verhogen.
    – Hij wil geld voor een oorlogsschatkist voor de verkiezingen.
    – Hij moet stemmen kopen.
    – Niet met ons geld. We betalen genoeg. Zes miljard per jaar.
    Dit is geen gesprek maar een opsomming van feiten en informatie die al lang bekend zijn bij de personages die ze uitspreken. Dus als Tom Kirkman, president van de Verenigde Staten, die laatste zin zegt, doet hij dat als encyclopedie voor de kijker, die moet weten hoe het politiek ook al weer zit.
    Ik probeer me zo min mogelijk te ergeren en zo veel mogelijk te verwonderen. Doodmoe ben ik van alle verwondering.

    Het is moeilijk, informatie overbrengen die voor de lezer of kijker noodzakelijk wordt geacht maar reeds bekend is bij de personages om wie het gaat in het verhaal. Dat maakt dagboekachtige verhalen tot zo’n precaire kunstvorm, want hoe zorg je ervoor dat je als schrijver niet al te aanwezig bent en de lezer toch alles begrijpt?
    Never let me go van Kazuo Ishiguro (het boek, niet de film), lijkt een grote aaneengeschakelde dienstmededeling: keer op keer legt Kathy H. dingen uit die voor haar geen nieuws zijn, ze ontleedt de structuren van haar jeugd en leven. Aan wie doet ze dat? Aan de lezer, een lezer. Ze kondigt steeds een herinnering aan, vertelt eerst over de achtergrond ervan in ellenlange ‘dat zit zo’-achtige constructies en keert dan pas terug naar wat ze eigenlijk wil vertellen. Tegelijkertijd laat deze vertelmethode goed zien hoe het er in Kathy’s hoofd aan toe gaat: hoe losgezongen ze is – door de mal waarin ze opgroeide – van normale sociale normen.

    In het nawoord van Jamal Ouariachi’s verhalenbundel Herinneringen in aluminiumfolie haalt hij uit naar ‘de literaire obsessie (in Nederland, red.) voor het ‘spaarpotproza’, waarin zo min mogelijk wordt uitgelegd en de taal aan alle kanten kaal is. ‘(…) jij als schrijver moet het basismateriaal aanleveren en je niet verschuilen achter: oeh-oeh-oeh mysterieus, de lezer mag deze door mij kunstmatig aangebrachte hiaat helemaal zelf invullen.’
    Het is een kreet die ik begrijp, maar waarvan ik het andere uiterste, broertje informatie-overschot, de laatste tijd veel vaker tegenkom.

    Een middenweg met niet te veel dienstmededelingen enerzijds en niet overdreven mysterieus gedoe anderzijds moet toch mogelijk zijn, op tv en in boeken. Ik schakel Netflix en tv uit en vind troost in de gedachte dat ik altijd nog meer uitlees dan wegleg.


     Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

  • Klaploper

    Als iemand tegen me aan staat te praten zonder een weerwoord te verwachten, kan ik het niet laten een citaat te parafraseren of uit andermans werk te putten. Zo verbleef ik eens op een feestje in Londen waar oudste Zoon me mee naar toe had genomen. Langs drie smalle trappen kwamen we  op de bovenverdieping van een bouwvallig huis. In de kleine woonkamer werd gedanst. In het wat rustiger portaal tussen badkamer en woonkamer raakte ik in gesprek met een Griekse, naar overgewicht neigende jongeman die op het punt stond zijn relatie te verbreken.

    Zijn vriendin was een schoonheid. ‘Everything will all past’, was iets waarmee hij, blijkbaar nogal melancholisch aangelegd, zijn meningen lardeerde. Heimwee had hij. Naar de blauwe zee, zijn moeder, naar de manier van leven die zo eenvoudig was ‘You know’. Al was hij vijf jaar geleden om diezelfde dingen naar Londen, ‘The place to be’, gekomen.
    Met benevelde woorden, die verhalen een filosofische diepgang geven die door de toehoorder uiterst serieus genomen dient te worden, probeerde hij zijn levensverhaal in een mythe te gieten. Waarop ik, sprakeloos, mijn favoriete citaat van Jeroen Brouwers in nogal knullig Engels voor hem parafraseerde; ‘Everything has to do with everything’. Door de muziek konden we elkaar niet helemaal verstaan maar er was wel degelijk sprake van a positive vibe tussen ons.

    In de woonkamer zette Phil Collins jengelend en schurend ‘I can feel it coming in the air tonight’, in toen  de Griekse jongeman me ernstig aankeek en zei, ‘You are such a good listener’. Hij schonk zich nog een whisky in en ik knikte. En knikte nog eens. Aangemoedigd nam ook ik een whisky, vergetend dat ik dat nooit drink. Het werkte bevrijdend en ik zei, ‘You know, there was a little boy’ die voor het eerst naar de kapper ging.

    Het was een Chinese kapper die zijn hoofd met zachte, doch dwingende hand beroerde. Het jongetje voelde de haarlokken langs zijn hals en nek naar beneden vallen, hoorde het knipknip van de schaar. Van waar hij zat had hij hij uitzicht op de zee. Toen de Chinese kapper na het knippen het tere nekje van het jongetje schoonblies met zijn zachte adem en hem een spiegel voorhield, wist het jongetje niet wie hij zag. Wel zag hij dat de kapper zijn krullen bijeen veegde en ze in een luikje in de vloer liet vallen waar een stroom water het mee naar zee nam. ‘Ergens in de zee zakt mijn haar naar de bodem’, dacht het jongetje. At the bottom of the sea, vertelde ik, ligt een tapijt van haren van miljarden mensen, waarin, als je erover zou lopen ‘your footprint’ achterblijft.
    De Griekse jongeman knikte, knikte nog eens en zei, ‘Man is the measure of all things’ wat een eeuwenoud Grieks gezegde is. En ik voelde me een klaploper van de literatuur, al bedoelde ik het goed.

     

    De Chinese kapper en het jongetje is ontleend aan De zondvloed / Jeroen Brouwers.
    Het laatste citaat is van de Griekse filosoof Protagoras (c. 490 – c. 420 v. Chr.).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Noten leren lezen

    Het was alsof de duvel er deze zomer mee speelde. In het ene na het andere boek werd ik door de auteur naar een notenapparaat verwezen. De meeste schrijvers dwongen mij tot bladeren. Tot het verlaten van de tekst om ergens achterin op zoek te gaan naar de verantwoording van wat ik net gelezen had. Slechts een enkeling was zo vriendelijk een voetnoot te plaatsen, zodat ik in een oogopslag kon beoordelen of ik die noot wel het lezen waard vond. Sommige schrijvers maken het namelijk heel bont. Soms staat er achter bijna elke zin zo’n naar een noot verwijzend cijfertje gesuperscript.

    Mijn frustratie over al dat vergeefse geblader ebde weg naarmate ik weer meer romans ging lezen. De kans dat je daarin een noot tegenkomt, is relatief klein. Gebruikt een schrijver er toch één, dan maakt het bijna altijd onderdeel uit van het spel dat hij speelt. Dat ik op de tweede pagina van De vos van Dubravka Ugresic een voetnoot aantrof, stoorde me dan ook allerminst. Ook aan de noten die daarna nog volgden, ergerde ik me niet. Het scheelt natuurlijk dat het allemaal voetnoten zijn. Bovendien bevestigen ze mijn gelijk: De vos is eigenlijk helemaal geen roman. Het is een fascinerend, en goed, boek, met een hoog verhalend gehalte, maar geen roman. Althans niet in de traditionele zin van het woord.

    Inmiddels ben ik weer in een boek bezig waarin ik flink heen en weer moet bladeren, maar dit keer wil ik geen noot missen. Nu ik weet dat de eerste versie van zijn toch al veelbesproken Wolkers-biografie door de promotiecommissie niet wetenschappelijk genoeg bevonden werd en Onno Blom zich gedwongen zag het nodige te herschrijven en in zijn proloog nog eens extra benadrukt dat alles wat hij schrijft terug te voeren is op bronnen, ben ik meer dan gemiddeld nieuwsgierig naar de manier waarop hij zich in Het litteken van de dood verantwoordt.

    Ik maak er een sport van om te raden welke bron er schuilgaat achter een noot. Neem nou de zin waarmee het eerste hoofdstuk opent: ‘Op 26 augustus 1944 bloeiden zwanenbloemen in de sloten en kleurden paardenbloemen de weilanden om Oegstgeest felgeel.(1)’ Of deze, dertig bladzijden verder: ‘Als een van de kinderen sigaretten voor vader moest kopen bij een winkel aan de overkant, moest hij of zij goed uitkijken tot de tram voorbij was.(108)’ Ik zat er in beide gevallen naast.
    Nadat mijn opwinding over de oorsprong van deze zinnen gezakt was, vroeg ik me a) af of dergelijke zinnen een bronvermelding nodig hebben, en b) of Onno Blom zichzelf een wetenschappelijk dienst bewijst met deze verantwoording van de feiten.
    De vraag stellen is hem beantwoorden. a) Bloeiden die bloemen dat jaar alleen op 26 augustus? Moeten kinderen niet altijd uitkijken als ze een straat oversteken? b) Weet Onno Blom zeker dat Jan Wolkers dit 35 jaar na dato zeker wist? Hoe relevant is een bron die iets alleen van horen zeggen heeft?

    Noten moet je leren lezen, en noten schrijven is ook een vak apart.

     

    1 Dagboek, 30-8-1979. Archief Wolkers, Texel.
    108 Gesprek Karina Wolkers, 17-3-2014.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Vogelenzang

    Toen Tom Lanoye in ‘De Wereld Draait Door’ een stukje uit zijn solo Ten oorlog voorlas, dacht ik: O nee hè, niet wéér zo’n over de top Shakespeare-achtig stuk à la die andere Vlaamse voorstelling, Risjaar Drei, door Toneelhuis Olympique Dramatique. Niets was minder waar, gelukkig zaten er ook verstilde momenten in. En belangrijker nog: de insteek was uiterst origineel. In drie achtereenvolgende ‘afleveringen’ schetste Lanoye een evolutie van de taal, beginnend bij de vijfvoetige jambe van de vroege Shakespeare (daar zit meer swing in dan in het Franse alexandrijn, aldus Lanoye) en eindigend met Richard III (inderdaad, weer Risjaar Drei) die spreekt ‘in de wegwerptaal van de razendsnelle beeldcultuur’, aldus het programmaboekje.

    Tegen het eind van de voorstelling zegt Lanoye, en het wordt voor de duidelijkheid nog even geprojecteerd op een doek achter op het podium:

    bevrijd van taal
        nachtegaal

    Even later komt er nog een leeuwerik voorbij. Respectievelijk een vogel die prachtig zingt en eentje die bij onweer omhoog vliegt en daarmee al eens eerder symbolisch werd opgevoerd in een onvergetelijke cabaretvoorstelling door Sito en Marijke Hoving.

    Wanneer het er écht om draait, laat taal ons in de steek. Uitten koningen als Richard III en regeringsleiders zich alleen maar in gebral, in nietszeggende, zichzelf vrij pleitende uitspraken als ‘Met de kennis van nu’ of – zoals de solovoorstelling eindigt – met een kinderliedje: Een, twee, drie vier, hoedje van, hoedje van …., waarbij Lanoye – ook al weer heel symbolisch – ‘papier’ onuitgesproken liet. En de zaal, die het begreep, ook. Wat rest is vogelgezang of woordloze muziek, of een combinatie van beide zoals in de muziek van Olivier Messiaen.

    Die twee vogeltjes, de nachtegaal en de leeuwerik, parachuteerden mij vanuit de Amsterdamse Stadsschouwburg tientallen jaren terug, naar een concert in het kader van het Festival Religieuze Muziek in Maastricht. Een uitgelezen gezelschap met, als ik me goed herinner, George Pieterson (klarinet), Vera Beths (viool), Anner Bijlsma (cello) en Reinbert de Leeuw (piano) speelden er op een avond Messiaens Quatuor de la fin du temps. De componist schreef dit stuk in 1941 tijdens krijgsgevangenschap in Görlitz (Silezië). Het is de klarinet die in het deel L’abîme des oiseaux vogelzang imiteert. Of liever misschien: een vogel is, vrij vliegend in de lucht, zoals de vlinders die kinderen in Theresienstadt tekenden en waarover Pavel Friedman in 1942 dichtte:

    Zo’n schittering van geel,
    Vloog onbelemmerd de hoogte in,
    Weg, ik weet het zeker, omdat
    Hij onze wereld vaarwel wilde kussen.

    Messiaen kuste de gevangenen toen, en de mensen van nu in een tijd van onzekerheid. Woordloos.


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.